CConstaterende datwoensdrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

A natuurdoelanalyse brabantse wal 128 2023.pdf

Themabijeenkomst 30 maart 2023, gemeente woensdrechtBij agendapunt: 20.30-21.00 uur: Inzoomen op gebied: stikstof op de Brabantse Wal en Markiezaat30.952 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Tabel 4-1: Overzicht van alle aangewezen habitattypen in de Brabantse Wal met hun oppervlakte op de habitattypenkaart (T0). Van de doelen met een uitbreidingsdoelstelling is de gewenste oppervlakte per kerngebied (voor vennen de gewenste oppervlakte per ‘ven-complex’ met maximaal 1 km afstand tussen vennen) voor een gunstige staat van instandhouding op basis van de index natuur en landschap aangegeven in een bandbreedte. Tenslotte is het aantal kerngebieden aangegeven waarvoor potentie is in het N2000gebied) (Ettema et al., 2022). Code

Habitattype

H2310 H2330 H3130

Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen

Opp (ha) 82 8 13

Blad 59 van 193

Gewenst opp (ha) 50-100 50-100 3-5

Aantal kerngebieden 2 ** 1 2**

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Code

Habitattype

Opp (ha) 8

H3160

Zure vennen

H4010A

18

H4030 H7150*

Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Pioniervegetaties met snavelbiezen

H9120*

Beuken-eikenbossen met hulst

8

16 1

Gewenst opp (ha) Huidige opp (behoud) 50-100 50-100 Huidige opp (behoud) Huidige opp (behoud)

Aantal kerngebieden 2** 3** 2** Niet bepaald 1

Stuifzanden (H2310) en Zandverstuivingen (H2330) Voor een duurzame instandhouding en ontwikkeling van een completer ecosysteem wordt ingezet op verdere versterking van de windwerking door vergroting van kleine stukken tot een meer aaneengesloten, robuustere hoeveelheid open heide. De wind zal hierdoor weer grip krijgen op de open zandgebieden. Hierdoor is op termijn minder menselijke verstoring van het gebied nodig om het gebied open te houden. Voor het verbeteren van de kwaliteit van de stuifzandheiden en zandverstuivingen zijn er twee basissporen die bewandeld moeten worden (Mos, 2022): • Het verbeteren van de abiotische factoren. Hierbij gaat het om het herstellen van het natuurlijke landschap van open stuifzanden, stukjes open zand in de droge heide en hydrologisch herstel voor vochtige heide. Het terug dringen van stikstofdepositie en depositie van zware metalen speelt hier een belangrijke rol. Verbeterpunten van de kwaliteit van heide en stuifzand is ook dat de reeds aanwezige stikstof en zware metalen moet worden verwijderd, • Het verbeteren van de biotische factoren: zorgen voor een heide met een mozaïek van verschillende leeftijden: oude heide, tussen fases en jonge heide. Delen met ruigte hebben hier ook een plaats in. In dit landschap hoort voldoende nestgelegenheid en rust te zijn voor grond- en holenbroeders zoals wulp en tapuit.

Uitbreiding van de Kriekelareduinen richting het noorden (duinvaaggronden) met heideverbindingen naar de Kleine Meer en gebied oostelijk van de Groote Meer (LIFE+ HeLa) dragen bij aan het ontstaan van een groot aaneengesloten open landschap. Er zullen voldoende overstaande solitaire bomen of bomengroepen aanwezig blijven voor de nachtzwaluw. De kwaliteitsverbeteringsslag zal vooral plaats hebben op de locaties waar de naaldbomen zijn gekapt (Provincie Noord-Brabant, 2018). Stuifduinen op privé domein Putse Moer zijn bebost. Deze toestand blijft behouden. De bodem- en geomorfologische kaart van dit gebied geven redelijk goed de zoekgebieden voor de uitbreiding van deze habitattypen; ze zijn nl. meer gebonden aan duinvaaggronden. Deze liggen vooral op de hoge delen. • Tussen de Kriekelaereduinen en de Meersche duinen (beiden al dit habitattype) ligt evenwijdig aan de grens een dennenbos. Dit is een oud dennenbos op stuifduinen, waarvan de dennen voor een deel bezweken zijn. De ondergroei hier bestaat uit veel struikhei, pijpenstro en bochtige smele. Hier zou relatief eenvoudig stuifzandheide met struikhei gerealiseerd kunnen worden, door bomen te kappen. Bijkomend voordeel is dat twee deelgebieden met elkaar worden verbonden en ook

Blad 60 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

•

•

• • •

aansluiten bij de stuif-zandheide in Kalmthout. Dit kan gebeuren door een corridor te kappen of door een aantal percelen bos te verwijderen. Ook grenzen hier en daar aan het huidige areaal stuifzandheide nog pijpenstrootjesvlakten die gechopperd kunnen worden, gevolgd door enkele jaren schapen(druk)begrazing, deze zijn ook goed om te vormen naar een stuifzandheide. Vlakbij de Monnikenheide (in het noorden, vlakbij de camping) heeft een particulier een stuifduin laten vrij kappen. Daar is momenteel ook een ontwikkeling richting stuif-zandheide zichtbaar. In de Verbindingszone voor de gladde slang, tussen de Kleine Meer en de Groote Meer en verder langs de Zwaluwmoer naar het zuiden is de vegetatie zich ook deels aan het ontwikkelen richting stuifzandheide. Een deel van de PAS-maatregelen bij de Staartse heide levert waarschijnlijk ook Stuif-zandheide op (delen ten noorden van Kleine Meer). Op het Landgoed de Putse Moer zijn ook enkele hoge stuifduinen, misschien is hier ook een potentiële locatie te vinden. Buiten het habitatrichtlijngebied is reeds zandverstuiving/stuifzandheide te vinden, aan de oostzijde van de vliegbasis Woensdrecht op kleine schaal en ook bij Brabants Landschap, bij de Borgvlietse duinen, is een open stuk stuifzand. Wellicht zou hier de stuif-zandheide kunnen worden uitgebreid.

Droge heide (H4030) Door open verbindingen zijn heidevelden – ook stuifzandheide en stuifduinen - met elkaar verbonden. Openheid vergroot het oppervlak en versterkt migratie van fauna verbonden aan heide en open terreinen zoals gladde slang en heideblauwtje. Deze verbindingen dienen behouden te blijven. De basissporen voor het verbeteren van de kwaliteit van de heide is al bij de habitattype Stuifzanden (H2310) en Zandverstuivingen (H2330) beschreven. De oppervlakte struikheide is in het verleden toegenomen doordat vochtige heide verdween door ontwateren van de heide en door het graven van sloten en rabatten (Mos, 2021). De uitbreidingsopgave voor de droge heide mag nu niet ten koste gaan van het habitattype vochtige heide. De bodem- en geomorfologische kaart van dit gebied geven redelijk goed de zoekgebieden voor de uitbreiding van de droge heide; het is nl. meer gebonden aan haarpodzolgronden. De hoge delen bestaan vooral uit duinvaaggronden en haarpodzolgronden. Grote complexen van dit bodemtype liggen op de Staartse Heide/Duinen, Kriekelare duinen en Molenberg. De uitbreidingsmogelijkheden zijn te vinden in de volgende gebieden (Ettema et al, 2022): • Rondom het Leemven, bij Jagersrust oost is dit habitattype al aan het ontstaan, maar dit betreft ook een vrij kleine oppervlakte. Aangrenzend aan de huidige arealen op Kortenhoeff zijn er mogelijkheden voor uitbreiding.

Evenwijdig aan de Abdijlaan is in Kortenhoeff al een mooie droge heide aan het ontstaan. Ook aan de westzijde van het gebied zou zich droge heide kunnen ontwikkelen. • Een andere potentiële uitbreidingslocatie is rondom de kleine arealen Droge heide die in de bossen rondom de Kriekelaereduinen/Ossendrechtse duinen te vinden zijn. Daar zijn kleine vlekjes habitattype droge heide te vinden, die regelmatig vrijgezet moeten worden van bosopslag om ze in stand te houden. Het bos eromheen wat ruimer kappen zou helpen deze heideterreinen robuuster te maken, en ze eventueel met elkaar te verbinden.

Blad 61 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

•

Ten oosten van de Kleine Meer is er een stuk Staartse heide dat geplagd is, een deel hiervan is ook droge heide aan het worden (n.a.v. een PAS-maatregel). Wellicht liggen op het landgoed Putse Moer eveneens mogelijkheden voor uitbreiding.

Vennen (Zwakgebufferde -H3130 en Zure - H3160) Vennen op de Brabantse wal zijn er in alle soorten, maten en leeftijden. Door hun oorsprong hebben zij dan ook verschillende vormen van beheer gekend. Velen zijn dichtgegroeid, zitten vol met organisch materiaal of zijn zelfs compleet aan het verdrogen. Het beheer is incidenteel geweest en heeft nooit een vaste cyclus gekend. Veel vennen hebben een cultuurhistorische functie gehad en werden daarnaar onderhouden. Met het vervallen van die functie is ook het beheer onduidelijk geweest. Er is rondom de vennen wel opslag verwijderd en zijn waterlopen onderhouden, maar nooit met een vooropgezet plan om de functie in het grote geheel te borgen. Het gevolg hiervan is dat vennen en venoevers dichtgroeien en er tot op de dag van vandaag een onwenselijk en goed onderhouden afwateringssysteem ligt (Mos, 2021). Goed watermanagement betekent goed venmanagement (Mos, 2021). Door het graven van het Beldeven en het Leemven is de watertoevoer naar het achterliggende systeem van de Leemputten en Kleine Meer gestremd. Daarnaast zijn de vennen te diep uitgegraven waardoor zich op deze plaatsen veel water verzameld en door verdamping en inzijging in de bodem niet in de Leemputten en de Kleine Meer terecht komt. Dit had grote gevolgen gehad voor de watervoerendheid van de leemputten en de Kleine Meer.

Door het dempen van de sloten is deels de toevoer naar de westelijke leemputten afgesloten en tevens de toevoer naar het Leemven afgesneden. Het neerslagwater zijgt nu voornamelijk in de bodem en komt niet ten goede aan de vennen (Mos, 2021). De visie gaat uit van herstel van het hydrologische systeem. Het grootse probleem met de uitbreiding van dit habitattype is de huidige droogte. Momenteel is er te weinig water om de vennen langer dan enkele maanden watervoerend te krijgen. Door het neerslag tekort en omgevingsfactoren zijn veel van de vennen droog gevallen en is het aantal soorten van zwakgebufferde vennen in de periode 2018 – 2020 sterk achteruit gegaan. Op lange termijn wordt voor het gehele Groote Meer en Kleine Meer de ontwikkeling van de habitat zeer zwak gebufferd ven beoogd, in mozaïek met de habitat zwakgebufferd ven. Potenties voor uitbreiding van de zwakgebufferde vennen zijn er in het Moerven in Jagersrust, maar dan moet het ven opnieuw aangelegd worden, vrijgemaakt van watercrassula, en het gebied eromheen moet dan heringericht worden. In de afgelopen jaren zijn hier ook al soorten van zwakgebufferde vennen aangetroffen, zoals pilvaren, oeverkruid en gesteeld glaskroos. Deze zijn ook gevonden in het andere ven in Jagersrust, het Beldeven bij de werkschuur, Jagersrustoost. Maar ook hier zijn problemen met watercrassula.

De Zeezuiper in Zoomland bevat ook al een aantal soorten die erop wijzen dat dit water een zwakgebufferd karakter heeft. Er zijn delen van oevers met moerashertshooi, er komt ondergedoken moerasscherm voor, en tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft hier zelfs waterlobelia gestaan (Ettema et al., 2022). Ook in Kortenhoeff liggen kwalificerende vennen, belangrijk voor het instandhoudingsdoel van deze habitattypen. De vennen op het privé domein Putse Moer zullen hersteld worden. De uiteindelijke ambitie is een gunstige staat van instandhouding van alle vennen. Potentiële uitbreidingsmogelijkheden voor zure vennen zouden zich kunnen bevinden nabij de Kriekelaerevennen en de vennen aangelegd bij de Paalberg. Deze vennen stonden de laatste jaren echter vaak droog, waardoor zich geen vegetatie van zure vennen heeft kunnen

Blad 62 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

ontwikkelen. Andere potentiële uitbreidingslocaties bevinden zich in de Boudewijngroeve. Hier zijn een aantal vennen met een zuur karakter, die zich mogelijk ook ontwikkelen tot dit habitattype. De vennen aangelegd door Evides in de Abdijbossen net ten noorden van Ossendrecht zouden in de toekomst ook mogelijk tot dit habitattype kunnen gaan horen. Helaas staan deze vennen ook nog vaak droog. Wellicht zijn hier ook locaties voor uitbreiding te vinden (Ettema et al., 2022). Vochtige heide (hogere zandgronden)(H410A) en Pioniervegetatie met snavelbiezen (H7150 doel uit het wijzigingsbesluit aanwezige waarden) De bodem- en geomorfologische kaart van dit gebied geven redelijk goed de zoekgebieden voor de uitbreiding van deze habitattypen; ze zijn nl. meer gebonden aan haar- en veldpodzolgronden. De hoge delen bestaan vooral uit duinvaaggronden (niet geschikt voor vochtige heide) en haarpodzolgronden. Grote complexen liggen op de Staartse Heide/Duinen, Kriekelare duinen en Molenberg. De laagten waarin Groote en Kleine Meer liggen zijn vlakvaaggronden en veldpodzolgronden. Kortenhoeff bestaat uit veld- en laarpodzolgronden. Het westelijk deel van Kriekelaersche duinen en Leuvensche Heide bestaat uit veldpodzolgronden met ondiep in de bodem leem- of kleilagen (Ettema et al., 2022).

Een potentiële locatie waar vochtige heide zich zou kunnen ontwikkelen is in de randen van de Kleine Meer. Ook ten noorden van de Leemputten waar een plagplek is gemaakt, is dit habitattype zich al aan het ontwikkelen, ten koste van de pioniervegetatie met snavelbiezen. Een andere potentiële locatie is het Ganzenven, een natte laagte die momenteel vooral uit pijpenstro bestaat. Deze is gelegen in op het terrein van Natuurmonumenten, ten zuiden van de Groote Meer. Ten westen van de Paalberg ligt ook nog potentie voor uitbreiding van Vochtige heide. Natuurmonumenten doet hier al onderzoek naar mogelijkheden voor het herstel van de vochtige heide die hier nog aanwezig is. Mogelijk zijn er ook nog uitbreidingslocaties in Kortenhoeff of rondom het Akkerenven te vinden (Ettema et al., 2022). Een potentiële uitbreiding van deze habitattypen ligt ook bij het Moseven, namelijk op de paardenwei tussen het Moseven en de provinciale weg. Op oude kaarten en in het bodemprofiel is te zien dat het Moseven met bijbehorende laagtes van oorsprong ook in dit perceel lag. Het perceel is eigendom van Evides en wordt beheerd door Natuurmonumenten. Pachtafspraken uit het verleden maken het onmogelijk om het huidige ongewenste gebruik als paardenwei te beeindigen. Daarvoor zou de paardenhouderij moeten worden uitgeplaatst (schrift.med. Evidens, 2022).

Het habitattype Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) komt voor op de oever van een ven in deelgebied Kortenhoeff en verder op een aantal afgeplagde terreinen in dat deelgebied en weerszijden van het Kleine Meer. Behoud is voldoende, omdat er weinig mogelijkheden zijn voor uitbreiding en kwaliteitsverbetering op relatief stabiele (natuurlijke) locaties (Min. LNV, 2018). Dit habitattype kan behouden blijven door regelmatig lokaal te plaggen om kale plekken te creëren en daarmee de vegetatiesuccessie richting vochtige heide terug te zetten. Geschikte locaties zijn echter ook locaties die geschikt zijn voor Vochtige heide en daarvoor geldt een uitbreidingsdoelstelling. Daarom zal de vochtige heide op geschikte locaties prioriteit krijgen. Beuken-eikenbossen met hulst H9120 (doel wijzigingsbesluit aanwezige waarden) Het habitattype komt voor op een oude bosgroeiplaats bij de Bieduinenhof, het landgoed Bieduinen. Er is zijn mogelijkheden voor (enige) kwaliteitsverbetering (Min. LNV, 2022) die benut moeten worden voor behoud van dit bostype.

Blad 63 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

4.3.2

Habitatrichtlijnsoorten Uit tabel 2-3 blijkt dat de habitatrichtlijnsoorten een uitbreidingsdoelstelling hebben voor omvang en kwaliteit leefgebied en voor de populatie. Kamsalamander Met het behoud van voldoende water in de vennen – ook bij klimaatverandering – en een natte verbinding tussen vennen om de geïsoleerde ligging van de populatie kamsalamanders in de Leemputten te doorbreken, is het mogelijk om uitbreiding van de verspreiding van kamsalamander naar (potentieel) geschikte wateren te realiseren. Drijvende waterweegbree De Habitatrichtlijnsoort drijvende waterweegbree komt voor in zwak gebufferde voedselarme vennen en plassen en onder iets voedselrijkere en gebufferde condities in rivieren en beken. De soort overleeft zuur of verzuurd water niet. De drijvende waterweegbree is na 2018 niet meer waargenomen binnen het HR-gebied van de Brabantse Wal. Deze soort had in het verleden een populatie in het Grote Meer en Leemputten (VR-gebied). Wanneer de verdrogingsproblematiek voor deze vennen verminderen, kan deze soort zich mogelijk uit de nog aanwezige zaadbank weer herstellen (Ettema et al, 2022). De zaden kunnen in de bodem tientallen jaren hun kiemkracht behouden (https://www.ecopedia.be/planten/drijvende-waterweegbree).

Uitbreidingsmogelijkheden hangen, net als bij de kamsalamander, samen met het herstel van de Groote Meer en de Kleine Meer en de inrichting van vennen en nieuwe waterlopen met zwakgebufferd water, zowel in als buiten het Habitatrichtlijngebied. Bij ‘nieuwe’ vennen gaat het bijvoorbeeld om het Akkerenven (afwachten ontwikkeling) of de herstelde (Moseven) en de te herstellen vennen (Driebloksven, Wasscheven en een naamloos ven) op het terrein van Evides (Provincie Noord-Brabant, 2018).

4.3.3

Vogelrichtlijnsoorten (broedvogels) Vogels afhankelijk van open water; dodaars en geoorde fuut De dodaars en vooral de geoorde fuut zijn direct afhankelijk van het behoud en de ontwikkeling van de diverse vennen binnen het gebied (Provincie Noord-Brabant, 2018). Wat omvang van het leefgebied betreft, is het behoud van deze vennen voldoende. Voor het behalen van de doelpopulatie van het aantal broedparen, en de verbetering van de kwaliteit van het leefgebied is het van belang dat deze vennen niet meer te vroeg in het jaar droogvallen. De geoorde fuut broedt alleen op de Groote Meer, en is ook afhankelijk van de waterstanden alhier. De laatste twee jaren zijn er geen geoorde futen meer tot broeden gekomen. Mogelijk is het ven te voedselarm geworden voor de na te streven aantallen geoorde fuut (minder geschikt als foerageergebied). Bij het de instandhoudingsdoelstelling is echter uitgegaan van het feit dat enige achteruitgang in draagkracht van het leefgebied toegestaan is ten gunste van het habitattype ‘zwakgebufferde vennen’. Vogels afhankelijk van oud bos; zwarte specht en wespendief Zwarte specht en wespendief zijn soorten afhankelijk van grote eenheden oud bos, dood hout en oude beuken- of eikenlanen. In het beheerplan (Provincie Noord-Brabant, 2018) zijn kernen met ouder bos aangegeven. Deze zijn geselecteerd op bosopstanden die minimaal ouder zijn dan zestig jaar.

Beheer gericht op behoud is hier de maatregel. De Amerikaanse eiken zijn exoten die

Blad 64 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

op langer termijn vervangen worden door inheemse soorten. Bij de vervanging moet rekening gehouden met de nestlocaties van de zwarte specht. De bossen met hoofdzakelijk naaldhout en in mindere mate gemengd en loofhout, afgewisseld met open terreinen, hebben nu al voldoende formaat en variatie om het aantal broedende zwarte spechten en wespendieven te behouden. Om in de toekomst voldoende geschikte leefgebieden te hebben, moeten de oude boskernen in het Natura 2000-gebied intact blijven. Gezien een zwarte specht bomen nodig heeft van een diameter van >40 cm maakt de soort nu voornamelijk zijn nesten in enkele beukenlanen (Mos. 2022). Doel is dat de populatie zwarte spechten het goed doet op de Brabantse Wal. De doelpopulatie van 40 broedparen is echter vanwege voortschrijdend inzicht over het leefgebied - niet reëel. Aandachtspunt is het omvormen van grote oppervlakten naaldbos naar bijvoorbeeld heide of zandverstuivingen. Deze bossen zijn onderdeel van het foerageergebied van de zwarte specht door de voorkeur voor grove den waardoor dit uiteindelijk negatief kan doorwerken op de aantallen van deze soort. Verwijdering van exoten zoals de aanwezige rododendron zal een positieve werking hebben (Ettema et al, 2021).

Het verlies aan leefgebied kan (deels) opgeheven worden door bosbeheer dat leidt tot een gevarieerd bosecosysteem met voldoende staand en liggend dood hout (en de daarop levende insecten), variatie in boomsoorten, horizontale- en verticale gelaagdheid. Daardoor zal het voedselaanbod voor de zwarte specht toenemen met een verhoogde kans op succesvolle reproductie. Omdat zwarte spechten op de Brabantse Wal relatief veel mieren in hun voedsel hebben, leidt voldoende zonlicht op de bodem en de aanwezigheid van open plekken ook tot een beter voedselaanbod (o.a. bosmieren). De bossen met hoofdzakelijk naaldhout en in mindere mate gemengd en loofhout, afgewisseld met open terreinen, hebben nu al voldoende formaat en variatie om het aantal broedende zwarte spechten en wespendieven te behouden. Om in de toekomst voldoende geschikte leefgebieden te hebben, moeten de oude boskernen in het Natura 2000-gebied intact blijven. Een belangrijk onderdeel van natuurlijk bosbeheer is het laten liggen en staan van dood hout of dode boomstammen als voedselbron. Dit beheer is in principe voor alle bostypen van belang (ondergrens percentage dood hout/dode bomen conform programma beheer). Natuurlijk bosbeheer levert een positieve bijdrage (Provincie Noord-Brabant, 2018).

Variatie in de bosstructuur en aanplant van loofhout leidt tot een toename van zangvogels waarmee er in potentie ook meer prooi is voor wespendief. Deze bijdrage aan de voedselbeschikbaarheid werkt positief door op de populatie. Voor wespendief zal er ook op systeemniveau gewerkt moeten worden, met name aan antiverdrogingsmaatregelen (Mos, 2022). Vogels van open heideterreinen en kapvlakten: nachtzwaluw en boomleeuwerik Het huidige areaal open heideterrein, bos met vlaksgewijze verjonging en open bos is voldoende voor het behoud van het aantal broedparen van de nachtzwaluw en boomleeuwerik. In het overige bos (buiten de kernen met ouder bos) is het van belang dat in een deel van het bos open plekken (circa 30 are is al voldoende) of kapvlakten aanwezig blijven, ten gunste van de nachtzwaluw en de boomleeuwerik. Voor nachtzwaluw en boomleeuwerik ook streven naar geleidelijke overgangen tussen heide/stuifzand en bos. Anderzijds kan de bosbouw met vlaksgewijze verjonging ook perspectief bieden voor Vogelrichtlijnsoorten. De boomleeuwerik heeft ook profijt van het bosbeheer in het gebied.

Blad 65 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Voor de beide bodembroeders is het belangrijk dat de geschikte gebieden ook voldoende rustig zijn zodat ze niet verstoord worden door loslopende honden, quads en overige terreingebruikers die zich buiten de officiële opengestelde paden en wegen begeven. De nachtzwaluw zit op de 80 broedparen (145 broedparen in 2017 volgens, Netwerk Ecologische Monitoring) en voldoet daarmee aan de doelstelling, verdere vooruitgang is te verwachten wanneer kwaliteitsverbetering in de heideterreinen plaats vindt (Ettema et al., 2022). De boomleeuwerik lift mee op de uitbreidingsdoelstellingen voor stuifzandheiden. Mogelijkheid om het leefgebied van deze soort nog een extra impuls te geven, is het creëren van kleinschalige akkertjes daar waar deze van oudsher ook aanwezig waren. Zeker in het noordelijke VR-gebied (nabij Wouwse Plantage) lijken hier mogelijkheden voor te zijn (Ettema et al, 2022).

Blad 66 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

5

Huidige staat van instandhouding en trends

5.1

Inleiding en methodiek Inleiding en leeswijzer In dit hoofdstuk zijn de huidige staat van instandhouding en trends bepaald voor de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Brabantse Wal. De methodiek voor de totstandkoming van de analyse is in deze paragraaf op hoofdlijnen beschreven. Een uitgebreidere beschrijving van de methodiek is in Bijlage 1 opgenomen. De instandhoudingsdoelen zijn in separate sub-paragrafen geanalyseerd, waarbij de instandhoudingsdoelen zijn geclusterd in verschillende paragrafen: in paragraaf 5.2 zijn de habitattypen geanalyseerd, in paragraaf 5.3 zijn de habitatrichtlijnsoorten geanalyseerd en in paragraaf 5.4 volgt de analyse van de vogelrichtlijnsoorten. Aan het eind van elke sub-paragraaf volgt een overzicht van knelpunten uit de analyse. De knelpunten zijn gecategoriseerd onder de zes OBN-aangrijpingspunten. Sommige knelpunten zijn onder meerdere van deze OBN-aangrijpingspunten (‘OBN-knoppen’) te categoriseren. Bij het categoriseren van de knelpunten is gekozen voor de OBN-knop waar het knelpunt het meest op aansluit, en is niet gekozen voor een herhaling bij elke OBN-knop waar het knelpunt onder kan vallen. In paragraaf 5.5 volgt een samenvattend overzicht van knelpunten dat is gebaseerd op de knelpunten uit de hoofdstukken 3, 4 en de sub-paragrafen in paragraaf 5.2, 5.3 en 5.4. De knelpunten zijn op dezelfde manier gecategoriseerd.

Tijdens de analyse van de instandhoudingsdoelen zijn in sommige gevallen leemten in kennis naar voren gekomen. Deze leemten in kennis zijn opgenomen in paragraaf 5.6. Afsluitend geeft paragraaf 5.7 inzicht in het mogelijk doelbereik door middel van synthesetabellen. In deze tabellen is samenvattend per instandhoudingsdoel weergegeven wat het instandhoudingsdoel is (behoud of uitbreiding/verbetering), of sprake is van overschrijding van de Kritische Depositie Waarde (KDW) van habitattypen en leefgebieden, wat de trends zijn (afnemend, neutraal of positief) en of er naast stikstofdepositie nog andere drukfactoren zijn. De selectie van andere drukfactoren naast stikstofdepositie is gebaseerd op de drukfactoren en knelpunten die in eerdere paragrafen zijn benoemd. Daarbij zijn de direct aan stikstof gerelateerde drukfactoren/knelpunten niet meegenomen, om zodoende de oorzaken van knelpunten scherp uit elkaar te houden. Dit betekent dat bijvoorbeeld vermesting, verzuring, verontreiniging, vergrassing, verbossing, successie en mineralenonbalans niet zijn opgenomen in de tabel, tenzij hierbij duidelijk is vermeld dat de effecten een andere oorzaak hebben. Methodiek analyse instandhoudingsdoelen - definitie referentiesituatie In onderstaand kader is de definitie van de referentiesituatie beschreven.

In hoeverre de vergelijking met het exacte referentiejaar is gemaakt, is afhankelijk van de beschikbare data; de beschikbare gegevens zijn leidend geweest voor de analyse.

Blad 67 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Referentiesituatie Artikel 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn geeft de verplichting dat ‘verdere’ verslechtering en significante verstoring moet worden voorkomen. Dit betekent dat de ecologische kenmerken van een Natura 2000-gebied niet slechter mogen worden dan het niveau ten tijde van de aanwijzing van een gebied als speciale beschermingszone (of, voor VRL-gebieden, vanaf het moment dat de HRL van kracht werd). Daarenboven stelt de Leidraad “Beheer van Natura 2000-gebieden” (versie 2018) dat als, na de peildatum, een betere staat van instandhouding binnen een Natura 2000-gebied is bereikt, deze verbeterde staat als referentie dient. De referentiesituatie (T0) is daarmee feitelijk de minimale verplichting die op het gebied ligt. Om een antwoord te kunnen geven of verslechtering optreedt en of instandhouding bereikt wordt is het van belang de referentiesituatie (T0) en de huidige stand in de gebieden te bepalen en te vergelijken. Een negatief verschil is een verslechtering ten opzichte van moment van aanwijzen. Daarnaast vergelijken we de huidige natuurkwaliteit met de uitbreidingsdoelstellingen om te toetsen aan de wenselijke situatie, namelijk het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. We voeren deze vergelijking uit voor Habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijn-soorten.

Voor Brabantse Wal betekent dit dat voor de HRtypen en soorten [2003] geldt als referentiesituatie en voor de VRL-soorten [2000].

Methodiek analyse instandhoudingsdoelen - Habitattypen De huidige staat van instandhouding en trend van de habitattypen is bepaald op basis van de volgende (deel)aspecten: • Oppervlakte • Kwaliteit o Vegetatiekwaliteit o Typische soorten o Abiotische kenmerken o Overige kenmerken van goede structuur en functie Voor de analyse van de huidige staat van instandhouding en trend van de habitattypen van Natura 2000-gebied Brabantse Wal, zijn geen vlakdekkende actuele habitattypenkaart (T1) en actuele vlakdekkende vegetatiekartering (T1) beschikbaar (zie ook Bijlage 1). Dit heeft directe weerslag op de bepaling van de oppervlakte en habitattypekwaliteit. De analyse van deze deelaspecten is vooral op literatuur gebaseerd; voor de bepaling van de oppervlakte is de habitattypekaart (T0) aangehouden (zie figuur 5-1), tenzij anders aangegeven. Voor het aspect ‘Typische soorten’ zijn NDFF gegevens geraadpleegd (selectie aangeleverd door Provincie Noord-Brabant, met peildatum 17 mei 2022). Zodoende is voor dit onderdeel meer informatie voorhanden dan voor de andere parameters. Echter, het NDFF vormt geen uitputtende databron.

Dit betekent dat bij de weergegeven NDFF-informatie de volgende kanttekeningen geplaatst moeten worden die verband houden met het ‘waarnemerseffect’: • Dat van een soort geen waarneming is ingevoerd, betekent niet automatisch dat een soort niet aanwezig is; • Soorten kunnen onderbelicht zijn, wanneer voor een bepaalde soort of soortgroep meer waarnemers actief zijn dan voor een andere soort of soortgroep; • Verspreiding van waarnemingen van soorten over een gebied is gekoppeld aan plaatsen waar de waarnemer is geweest, waardoor waarnemingen vaak op- en langs paden worden ingevoerd.

Blad 68 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Bij de beschrijving van de habitattypen is een kaart opgenomen met de ligging van het habitattype en de aanwezige typische soorten indien aanwezig. Figuur 5-1 is een overzichtskaart met alle habitattypen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied.

Figuur 5-1:Habitattypenkaart; de ligging van de habitattypen binnen de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied. Het betreft de geactualiseerde T0-kaart, versie 2018 onder constructie, N2K_HK_128_BrabantseWal_v20180209).

Methodiek analyse instandhoudingsdoelen - Habitatrichtlijnsoorten De huidige staat van instandhouding en trends van de Habitatrichtlijnsoorten zijn bepaald op basis van informatie over de volgende indicatoren: • Populatie • Leefgebied o Kwaliteit van het leefgebied o Omvang van het leefgebied Informatie over populatie en leefgebied is onder andere verkregen uit het beheerplan, de PASgebiedsanalyse en monitoringsrapportages. Voor de kwaliteitsbepaling van het leefgebied is literatuur gebruikt, wegens het ontbreken van een vlakdekkende T1 vegetatiekartering met kwaliteitsbeoordeling (zie ook de bovenstaande beschrijving bij het onderdeel ‘Habitattypen’).

Blad 69 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Ook informatie over de omvang van het leefgebied is afgeleid uit literatuur, wegens het ontbreken van een vlakdekkende T1 Habitattypekaart (zie ook de bovenstaande beschrijving bij het onderdeel ‘Habitattypen’). Methodiek analyse instandhoudingsdoelen - Vogelrichtlijnsoorten De huidige staat van instandhouding en trends van de broedvogels zijn bepaald op basis van informatie over de volgende indicatoren: • Aantal broedparen • Leefgebied o Kwantiteit van het leefgebied o Kwaliteit van het leefgebied Informatie over de populatiegrootte en het aantal broedparen is onder andere verkregen uit het beheerplan, de PAS-gebiedsanalyse, monitoringsrapportages en via de website van SOVON. Informatie over de omvang van het leefgebied is afgeleid uit literatuur, wegens het ontbreken van een vlakdekkende T1 Habitattypekaart (zie ook de bovenstaande beschrijving bij het onderdeel ‘Habitattypen’). Ook voor de kwaliteitsbepaling van het leefgebied is literatuur gebruikt, wegens het ontbreken van een vlakdekkende vegetatiekartering (T1) met kwaliteitsbeoordeling (zie ook de bovenstaande beschrijving bij het onderdeel ‘Habitattypen’). Stikstofdepositie Bij de beoordeling van de mate van (over)belasting door stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen is gebruik gemaakt van AERIUS Monitor 2022. Kaarten met weergave van de depositie en overschrijding van de KDW zijn opgenomen in paragraaf 5.5.

In het geval dat er meerdere habitattypen per hexagon voorkomen, is voor de bepaling van de overschrijding van de KDW het meest kritische habitattype (d.w.z. het habitattype met de laagste KDW) aangehouden. Staafdiagrammen van de overschrijding per habitattype en leefgebied zijn opgenomen in Bijlage 3. In de staafdiagrammen worden de volgende gradaties van overbelasting onderscheiden: • Geen overbelasting: achtergronddepositie < 70 mol/ha/jr onder KDW • Naderende overbelasting: achtergronddepositie van 70 mol/ha/jr onder KDW tot de KDW • Lichte overbelasting: achtergronddepositie van KDW tot 70 mol/ha/jr boven KDW • Matige overbelasting: achtergronddepositie: van 70 mol/ha/jr boven KDW tot 2x KDW • Sterke overbelasting : achtergronddepositie van > 2x KDW

5.2

Habitattypen

5.2.1

H2310 Stuifzandheiden met struikhei Beschrijving habitattype De volgende tekst is overgenomen uit het profiel van het habitattype (Min. LNV, 2008): “Stuifzandheiden met struikhei omvat begroeiingen met dwergstruiken op droge zandgrond in binnenlandse stuifzandgebieden . Deze stuifzanden zijn gevormd door herverstuiving van dekzanden, met name na de late Middeleeuwen. De bodems zijn droog, zuur en zeer voedsel- en

Blad 70 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

kalkarm. Ze behoren tot de zogenoemde duinvaaggronden en vlakvaaggronden 4. Er hebben zich nog nauwelijks of geen podzolprofielen ontwikkeld en de bodem is nog niet of slechts oppervlakkig ontijzerd. In de stuifzandheiden overheerst doorgaans struikhei (Calluna vulgaris). Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus). Zelfs plekken waar gewone dophei (Erica tetralix) domineert over struikhei kunnen onder dit habitattype vallen (want dat is niet strijdig met de vegetatiekundige definiëring; de dominantie van gewone dopheide is op zich dus geen reden om zo’n plek H4010_A te noemen). Door grassen (bochtige smele) of struwelen (brem, gaspeldoorn) gedomineerde begroeiingen kunnen afwisselen met de dwergstruikbegroeiingen en daarmee kleinschalige mozaïeken vormen. Op steile noordhellingen met een vochtiger microklimaat kan een mosrijke heidevorm voorkomen, terwijl op geëxponeerde hellingen juist een korstmosrijke variant kan voorkomen. Nauw verwante habitattypen zijn: Duinheiden met struikhei (H2150; in de FGR Duinen), Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320; met dominantie van kraaihei), Droge Europese heiden (H4030; op wat rijkere bodems) en Zandverstuivingen (H2330; waarin struikhei hooguit spaarzaam voorkomt).

Pionierplekken binnen H2310 kunnen pas tot H2330 gerekend worden als ze minimaal 1 are groot zijn.” Oppervlakte De actuele oppervlakte is 82 ha. De trend is positief. De Kriekelareduinen vormen hét gebied voor stuifzand-ontwikkeling. De historische gegevens geven een indicatie van actieve duinen en maximale uitbreiding. Rond 1890- 1900 was nog circa 30-40 ha actief in de Kriekelareduinen. Er is nu een oppervlakte met stuifzandheide van ruim 82 ha in het habitatrichtlijngebied. En de trend is positief. Kleinere locaties zijn aanwezig tussen Kleine meer en Groote Meer en ten noorden van het Kleine Meer. Tevens zijn kleine stuifzandheide-gebieden gecreëerd als stapsteen tussen de Borgvlietse Duinen en de Woensdrechtse Heide. Buiten de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied zijn vergelijkbare vegetaties aanwezig op de Lievensberg, Woensdrechtse heide en op de Stoppelbergen. In groter verband sluit de Kriekelareduinen aan op de Kalmthoutse Heide in Vlaanderen. Dit is een belangrijk groot heidegebied waar dit habitattype ook voorkomt. Een groot deel van de oude stuifduinen van de Brabantse Wal zijn vastgelegd door dennen, met daar tussenin enkele heideterreinen (Provincie Noord-Brabant, 2018). Veel kleine heideterreinen zijn dichtgegroeid met pijpenstro of begroeid geraakt met jonge bomen. Een enkel heideterrein is nog open (Provincie Noord-Brabant, 2017a).

In het kader van het grensoverschrijdend LIFE-project HeLa (“Heideherstel op Landduinen”) werd bos in het oostelijk deel van Kraaienberg, zuidelijk deel van Kriekelareduinen en rondom Paalberg gekapt waardoor ruimte ontstond voor droge (en natte) heide, afgewisseld met stuif-zandheide en stuifzand. Lokaal werden boomgroepen gespaard ten behoeve van de nachtzwaluw. De areaaluitbreiding had als doel om ca. 18 ha open zand te creëren, maar hiervan is slecht 5,6 ha 4

Op de bodemkaart 1:50.000 betreft het de kaarteenheden Zn21, Zn23 of Zn30 (Zn = vlakvaaggronden) en Zd21, Zd23 of Zd 30 (Zd = duinvaaggronden) buiten het kustgebied. Op de geomorfologische kaart van Nederland betreft het de eenheden 2M16, 3K19, 3L8, 3L9, 4L8, 4L9, 12B9, 12C2, 12C3, 12O2, 13B9 en 13C2

Blad 71 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

geëvolueerd naar een goed ontwikkeld stuifzand. De overige delen zijn afgeplagd en toen bleek er een podzolbodem aanwezig te zijn en geen beschikbaar zand. Dit deel evolueert dan ook meer naar droge heide. Door de boskap is wel de winddynamiek toegenomen in delen van het gebied en vooral ook aan Vlaamse zijde. Kwaliteit De huidige kwaliteit van de stuifzandheide in het gebied Kriekelareduinen en Kraaienberg is over het algemeen goed (Provincie Noord-Brabant, 2017a). De trend is deels positief, deels negatief. Dit verschil in trend wordt veroorzaakt doordat lokaal de successie teruggezet kan worden maar dat ingrijpende maatregelen nodig zijn voor meer dan zeer lokale instandhouding, toegelicht onder het kopje vegetatie. Vegetatie Over de aanwezige vegetatietypen geeft de Gebiedsanalyse en het beheerplan geen informatie. Aangezien de oppervlakte kwalificeert als habitattype is in ieder geval een of meerdere vegetatietypen aanwezig genoemd in het profieldocument voor dit habitattype. Centraal in stuifzandlandschappen staat de voortgaande vegetatie- en bodemsuccessie. Na stabilisatie van actief stuifzand leidt successie van nature binnen meerdere decennia tot het verdwijnen van de karakteristieke pioniergemeenschappen en bijbehorende fauna en verdwijnt de kenmerkende initiële, zeer arme bodems.

Incidenteel en op beperkte schaal kan de successie op natuurlijke wijze terug gezet worden, bijvoorbeeld door verstuiving en overstuiving vanuit nog actief stuifzand. Voor meer dan zeer lokale instandhouding van actief stuifzand en vroege successiestadia is echter een vereiste dat, naar analogie van het oorspronkelijke landgebruik, grootschalige en langdurige verstoring optreedt via daarop gericht beheer. Dat komt neer op het over grote oppervlakken verwijderen van de vegetatie en de met organische stof verrijkte bodem, waardoor het karakteristieke mozaïek zich kan handhaven c.q. herstellen. Typische soorten In de Gebiedsanalyse is aangegeven dat 11 van de 26 typische soorten van H2310 (42% van het totaal aantal typische soorten van H2310) voorkomen in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Uit NDFF blijkt dat er in de periode 2010-2017 58% van de typische soorten van H2310 in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal zijn waargenomen, en hetzelfde percentage in de periode 2018-2022. In de periode 2018-2022 zijn meer verschillende typische soorten van H2310 in het gebied waargenomen in vergelijking met de resultaten uit het beheerplan, wat een indicatie kan zijn van een verbeterde kwaliteit.

Blad 72 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Tabel 5-1: Wijzigingen in voorkomen typische soorten H2310 op basis van NDFF in vergelijking met beheerplan/gebiedsanalyse (zie voor alle voorkomende typische soorten de legenda in figuur 5-2 en in Bijlage 2 is een volledig overzicht van de typische soorten van dit habitattype weergegeven waarbij is aangegeven of deze voorkomen in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal). Habitattype

Typische soort

H2310 H2310

Groentje Blauwvleugelsprinkhaan Klapekster Tapuit Veldleeuwerik

H2310 H2310 H2310

Aanwezig volgens beheerplan 2018/ gebiedsanalyse 2017 Nee Nee

NDFF Waargenomen 2010-2017 Ja Ja

NDFF Waargenomen 2018-2022 Ja Ja

Nee Nee Ja

Ja Ja Ja

Ja Ja Ja

Figuur 5-2: Voorkomen habitattype H2310 Stuifzandheiden met struikhei in Brabantse Wal en waarnemingen van de daarvoor aangewezen typische soorten (op basis van de laatste 6 jaar 2017-2022 uit NDFF database aangeleverd door de provincie juni 2022). Een groter formaat van deze figuur is weergegeven in bijlage 3.

Blad 73 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Abiotiek De abiotische randvoorwaarden voor het habitattype zijn weergegeven in onderstaand overzicht (Profieldocument, BIJ12).

De verspreiding en kwaliteit van het habitattype hangt samen met verschillende abiotische factoren: • Voor het optreden van verstuiving is een combinatie vereist van voldoende strijklengte in de dominante windrichting tijdens stormen (ZW), ontbreken van obstakels die de windkracht breken (zoals struiken/bomen/bos) en aanwezigheid van verstuifbaar zand. • Binnen het droge stuifzandlandschap zijn daarmee winderosie/-depositie en initiële bodemvorming gepaard met geleidelijk tot ontwikkeling komende nutriëntencycli de belangrijkste sturende processen. • Daarnaast zijn uitloging en verzuring (podzolering) belangrijke sturende processen voor dit habitattype in het droge zandlandschap. Bepalende standplaatscondities zijn: verstuifbare zandbodem; periodiek invang van zand als gevolg van zandverplaatsing; onafhankelijkheid van het grondwater; zuur milieu als gevolg van neerwaartse waterstroom in bodemprofiel De kritische depositiewaarde (KDW)5 van het habitattype H2310 van 1.071 mol N/ha/jr wordt zowel in het referentiejaar 2020 alsook in de prognose van 2030 overschreden (zie Bijlage 3). • In het referentiejaar is het habitattype overwegend matig overbelast (84% van de oppervlakte van het habitattype) en voor het overige deel sterk overbelast. • Volgens de prognose is 70% matig overbelast, 7 % sterk overbelast, 7% licht overbelast, 10% naderend overbelast en 6% niet overbelast.

Jarenlange overschrijding van de KDW leidt tot vermesting en versterking van het verzuringsproces waardoor vergrassing en vastlegging van stuifzand door grijs kronkelsteeltje wordt bevorderd. Overige kenmerken van goede structuur en functie De overige kenmerken van een goede structuur en functie voor het habitattype Stuifzand-heiden met struikhei - zoals beschreven in het profieldocument - zijn getoetst in tabel 5-2. 5

De kritische depositie waarde (KDW) wordt daarbij als volgt gedefinieerd: “De grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie” (Van Dobben et al. 2012).

Blad 74 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

De droge heide is redelijk soortenrijk, met vooral een goed ontwikkelde korstmos- en mossenlaag. Grote delen van de stuifzandheide zijn oud, hoog uitgegroeid en structuurrijk. Kraaienberg is binnen het Grenspark Kalmthoutse Heide het kerngebied met oude heide. De natuurlijke variatie in structuur is mogelijk als gevolg van matige en natuurlijke verstoringen zoals sterfte door zomerdroogte, heidekeverplaag en konijnenvraat. Het stuifzand is voor een deel open en actief gehouden door militair gebruik en ongecontroleerde recreatie. De droge heide op Kortenhoeff is soortenrijk maar arm aan structuur met een eenzijdige leeftijdsopbouw. De oorzaak lag bij de vrij hoge begrazingsdruk van de kudde geiten; deze is om die reden stopgezet. Tabel 5-2: Inschatting kwaliteit H2310 op basis van overige kenmerken van goede structuur en functie. Kenmerken structuur en functie (Ministerie LNV, 2008) Dominantie van dwergstruiken (> 25%) Gevarieerde vegetatiestructuur Aanwezigheid van hoge, oude heidestruiken Hoge bedekking van mossen en korstmossen (> 30%) Optimale functionele omvang: vanaf tientallen hectares

Voldoet aan eisen Grotendeels Grotendeels Grotendeels Ja Ja

Knelpunten Voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor H2310 Stuifzandheiden met struikhei, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit, vormen een aantal knelpunten een belemmering. Deze zijn benoemd in tabel 5-3. Tabel 5-3: Beschrijving knelpunten H2310 gekoppeld aan OBN-aangrijpingspunten, voor zover relevant. OBN-aangrijpingspunten Optimalisatie hydrologische systemen Vergroten areaal en connectiviteit

Knelpunten H2310 -

• •

Vergroten dynamiek en diversiteit

•

Verminderen input nutriënten en chemische stoffen en herstel

•

van schade Herstel van biotische kwaliteit

• • •

• •

Inkrimping van het stuifzandareaal in het verleden als gevolg van landgoedontwikkeling en bosbouw. Verlies van (leef)gebied typische soorten door invasieve exoten (bron: drukfactorenanalyse, (BIJ12 z.d.)). Aanwezigheid verstuifbaar zand; wordt nu open en actief gehouden door militair gebruik en ongecontroleerde recreatie

Stikstofdepositie leidt tot vermesting en versterking van het verzuringsproces waardoor vergrassing en vastlegging van stuifzand door grijs kronkelsteeltje wordt bevorderd. In 2030 nog steeds overschrijding KDW. Verontreiniging (lucht, bodem, water), pesticiden. Door verdroging, verzuring en eutrofiering van de droge heide zijn oorspronkelijke karakteristieke planten- en diersoorten de afgelopen decennia in aantal achteruit gegaan of verdwenen. Benodigd beheer om (versnelde) successie tegen te gaan. Huidig menselijk (geluid en verkeer/aanwezigheid) gebruik betekent verstoring en deels ook een directe bedreiging van de bodembroeders.

Blad 75 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

OBN-aangrijpingspunten

Aanpak exoten

5.2.2

Knelpunten H2310 • De kwaliteit blijft sterk afhankelijk van menselijke ingrepen zoals verwijderen van boomopslag, plaggen en/of begrazing en mogelijk betreding door mensen om vergrassing en boom-opslag door eutrofiering en versnelde fixatie van zandduinen tegen te gaan. • Vastlegging van stuifzand door grijs kronkelsteeltje. • Concurrentie soorten met invasieve exoten.

H2330 Zandverstuivingen Beschrijving habitattype De volgende tekst is overgenomen uit het profiel van het habitattype (Min. LNV, 2008): “het habitattype betreft pionierbegroeiingen in afwisseling met onbegroeid zand op droge, zeer voedselarme zandgrond in binnenlandse stuifzandgebieden. Het habitattype kan op kleine schaal voorkomen in heidelandschappen, maar ook zo grootschalig zijn ontwikkeld dat van een zandverstuivingslandschap sprake is. In het eerste geval komt het meestal voor op plekken die zijn omgeven door het habitattype Stuifzandheiden met struikhei (H2310). Zonder periodiek actief herstel van de pionieromstandigheden zullen deze kleine plekken dichtgroeien. In het tweede geval gaat het om een afwisseling van veelal geheel of gedeeltelijk begroeide duinen, waar vegetatie het zand invangt en vasthoudt, en vlakkere, onbegroeide of spaarzaam begroeide laagten waar het zand wegstuift. Van een uitgestoven laagte spreekt men als verdere uitstuiving niet mogelijk is omdat de verstuiving tot op het natte zand is gekomen (tot aan het grondwater) of een niet verstuifbare grindlaag of (kei)leemlaag bereikt heeft. In tot het grondwater uitgestoven laagten kunnen zich lokaal ook vochtige pioniervegetaties ontwikkelen die een waardevolle bijdrage leveren aan de diversiteit in het gebied.

Bij verdere uitstuiving en/of bij grondwaterstandstijging kunnen zich hier ook vennen ontwikkelen. De vastlegging van het zand vindt gedurende de vegetatiesuccessie plaats door respectievelijk buntgras en algen, mossen, korstmossen en ten slotte grassen (die met name op de overgang naar omringende heiden en bossen domineren). Duurzame instandhouding van het habitattype kan vooral plaatsvinden in grootschalige gebieden waar de wind vrij spel heeft en een voortdurend wisselend mozaïek van successiestadia kan voortbestaan. Naast winderosie kan watererosie op de begroeide hellingen een grote invloed hebben op zowel bodem- als vegetatieontwikkeling en voor steilwandjes zorgen. Het stuifzandmilieu is extreem arm aan soorten vaatplanten, maar vooral rijk aan korstmossen. Er zijn maar weinig vaatplanten die de extreme droogte en de afwisseling tussen de soms hoge dagtemperaturen en lage nachttemperaturen kunnen overleven. Ook de fauna is soortenarm, maar omvat wel enkele soorten die juist aan deze extreme omstandigheden zijn aangepast. Indien het habitattype op landschapsschaal voorkomt, bij voorkeur in aansluiting op habitattypen van het heidelandschap, kan het beduidend soortenrijker worden dan wanneer het op kleine plekjes voorkomt.

Stuifzanden komen op de Hogere Zandgronden voor, met name op de jonge dekzanden, maar ook op een aantal plaatsen op oude rivierduinen die weer opnieuw in verstuiving zijn geraakt.” Oppervlakte Het habitattype is in de Kriekelareduinen aanwezig in een landduinencomplex, met kleine stukken actief stuifzand. De huidige oppervlakte is 8 ha. De trend is deels positief deels negatief. Positief omdat in de Kriekelaereduinen stukken bos gekapt zijn en de heide geplagd is om meer

Blad 76 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

stuifzand te creëren. Door vergrassing verdwijnt elders oppervlak. Het aanwezige oppervlak lijkt sinds het vaststellen van de habitattypekaart in 2013 enigszins te zijn toegenomen als gevolg van de uitgevoerde maatregelen. Dit gebied sluit aan op een belangrijk en groot stuifzand en heidegebied op de Kalmthoutse Heide in Vlaanderen. Buiten het Habitatrichtlijngebied is een vergelijkbare vegetatie aanwezig op de Borgvlietsche duinen (8,9 ha, recent open gemaakt) en op de Woensdrechtse heide. Kwaliteit De huidige kwaliteit is niet optimaal. De trend is deels positief deels negatief. Vegetatie Voornamelijk is de vegetatieloze variant aanwezig. Deze kwalificeert als habitattype als deze aanwezig is in mozaïek met zelfstandige vegetaties van H2330. Typische soorten De bijbehorende flora en fauna is onvolledig ontwikkeld. In het beheerplan is aangegeven dat 6 van de 16 typische soorten van H2330 (38% van het totaal aantal typische soorten van H2330) voorkomen. Eén van de 16 komt mogelijk voor in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal (Provincie Noord-Brabant, 2018). De duinpieper – genoemd in de profieldocumenten als typische soort voor zandverstuivingen - komt in Nederland niet meer als broedvogel voor. Uit NDFF blijkt dat er in de periode 2010-2017 25% van de typische soorten van H2310 in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is waargenomen.

In de periode 2018-2022 is 31% van de typische soorten in het gebied waargenomen. In de periode 2018-2022 zijn minder verschillende typische soorten van H2330 in het gebied waargenomen in vergelijking met de resultaten uit het beheerplan, wat een indicatie kan zijn van een verslechterde kwaliteit. Ten opzichte van de oudere NDFF-gegevens is sprake van een toename van de waargenomen typisch soorten wat ook kan duiden op een waarnemerseffect.

Blad 77 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Figuur 5-3: Voorkomen habitattype H2330 Zandverstuivingen in Brabantse Wal en waarnemingen van de daarvoor aangewezen typische soorten (op basis van de laatste 6 jaar 2017-2022 uit NDFF database aangeleverd door de provincie juni 2022). Een groter formaat van deze figuur is weergegeven in bijlage 3.

Tabel 5-4: Wijzigingen in voorkomen typische soorten H2330 op basis van NDFF in vergelijking met beheerplan/gebiedsanalyse (zie voor alle voorkomende typische soorten de legenda in figuur 5-3 en in Bijlage 2 is een volledig overzicht van de typische soorten van dit habitattype weergegeven waarbij is aangegeven of deze voorkomen in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal). Habitattype

Typische soort

H2330

Ezelspootje

Aanwezig volgens beheerplan 2018/ gebiedsanalyse 2017 Ja

H2330 H2300

Hamerblaadje Stuifzandkorrelloof

Ja Mogelijk

Blad 78 van 193

NDFF Waargenomen 2010-2017 Nee, maar waarschijnlijk wel aanwezig gezien vermelding beheerplan Nee Nee

NDFF Waargenomen 2018-2022 Ja

Nee Nee

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Abiotiek De abiotische randvoorwaarden voor het habitattype zijn weergegeven in onderstaand overzicht (Profieldocument, BIJ12).

Bepalende standplaatscondities zijn: verstuifbare zandbodem; windwerking en verstuiving met zandverplaatsing; onafhankelijkheid van het grondwater; zuur milieu als gevolg van neerwaartse waterstroom in bodemprofiel. Zoals bij stuifzandheide aangegeven, is in het kader van het grensoverschrijdend LIFE-project HeLa 18 hectare open zandbiotoop gecreëerd in het gebied Kriekelaereduinen in Nederland en aansluitend ook in Vlaanderen. Hiervoor maakt bos plaats voor droge (en natte) heide waardoor de wind weer grip kan krijgen op de open zandgebieden. De hogere beboste duinen van 4-5 meter hoog met paraboolvormen in grotere structuren, bieden vooral goede mogelijkheden. Er zijn voldoende restanten open terrein waarbinnen stuifzand is uit te breiden. Een deel van de totale oppervlakte (5,6 ha) heeft zich goed hersteld en is geschikt leefgebied voor kenmerkende soorten van zandverstuiving. Echter een deel van de omvorming gebeurde op een podzolprofiel waardoor de vegetatie zich hier meer ontwikkelt naar een droge heide. Buiten het habitatrichtlijngebied is het natuurdoeltype zandverstuiving geprojecteerd in de Borgvlietsche Duinen en bij de Molshoop, grenzend aan het golfterrein en de Meersche duinen (geïsoleerd en vrij klein stuifzandgebiedje). Hierdoor krijgt de wind weer vat op de stuifduinen waardoor verstoring door betreding (mensen) mogelijk niet meer nodig zal zijn.

In hoeverre nog actief ingegrepen moet worden is mede afhankelijk van stormen en de mate van vergrassing en toename van grijs kronkelsteeltje (onder invloed van atmosferische depositie en boomopslag). De KDW van het habitattype H2330 van 714 mol N/ha/jr wordt zowel in het referentiejaar 2020 alsook in de prognose van 2030 overschreden (zie Bijlage 3). • In het referentiejaar is het habitattype voor ongeveer de helft van het oppervlak matig overbelast (51% van de oppervlakte van het habitattype) en voor het overige deel sterk overbelast. • Volgens de prognose is meer dan de helft van de oppervlakte (61%) matig overbelast, het overige deel is nog sterk overbelast. Als gevolg van overschrijding van de KDW bestaat het risico dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast door verzuring en/of vermesting door stikstofdepositie, met mogelijke gevolgen voor bodem en waterkwaliteit.

Blad 79 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Overige kenmerken van goede structuur en functie De overige kenmerken van een goede structuur en functie voor het habitattype Zandverstuivingen - zoals beschreven in het profieldocument - zijn getoetst in tabel 5-5. Omdat er vooral sprake is van vegetatieloze zandverstuiving van kleine omvang voldoet het habitattype niet aan de genoemde kenmerken van goede structuur en functie. Tabel 5-5: Inschatting kwaliteit H2330 op basis van overige kenmerken van goede structuur en functie. Kenmerken structuur en functie (Ministerie LNV, 2008) Dominantie van dwergstruiken (> 25%) Gevarieerde vegetatiestructuur Aanwezigheid van hoge, oude heidestruiken Hoge bedekking van mossen en korstmossen (> 30%) Optimale functionele omvang: vanaf tientallen hectares

Voldoet aan eisen Nee Nee Nee Nee Nee

Knelpunten Voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor H2330 Zandverstuivingen, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit, vormen een aantal knelpunten een belemmering. Deze zijn benoemd in tabel 5-6 en gerelateerd aan de OBN-aangrijpingspunten. Tabel 5-6: Beschrijving knelpunten H2330 gekoppeld aan OBN-aangrijpingspunten, voor zover relevant. OBN-aangrijpingspunten Optimalisatie hydrologische systemen

Knelpunten H2330 -

Vergroten areaal en connectiviteit

• Inkrimping van het stuifzandareaal in het verleden als gevolg van landgoedontwikkeling en bosbouw. • Soms te grote mate van vergrassing o.i.v. N-depositie en daardoor niet meer kwalificerend als habitattype.

Vergroten dynamiek en diversiteit

• Het ontbreken van voldoende verstuifbare zandbodem op de ontwikkelingslocatie (recente inzichten hebben mogelijk toch voormalige stuifzanden in beeld gebracht die potentie hebben en dit zal verder onderzocht worden door Grenspark Kalmthoutse Heide). • Stikstofdepositie leidt tot vermesting en versterking van het verzuringsproces. • In 2030 nog steeds overschrijding KDW.

Verminderen input nutriënten en chemische stoffen en herstel van schade Herstel van biotische kwaliteit

Aanpak exoten

• Afname mossoorten door grijs kronkelsteeltje. • Het geringe areaal betekent een te klein areaal om populaties van meerdere typische soorten te kunnen herbergen gedurende lange tijd. • Benodigd beheer om (versnelde) successie tegen te gaan. • Huidig menselijk (geluid en verkeer/aanwezigheid) gebruik betekent verstoring en deels ook een directe bedreiging van de bodembroeders. • Vestiging en massale uitbreiding van grijs kronkelsteeltje door N-depositie.

Blad 80 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

5.2.3

H3130 Zwakgebufferde vennen Beschrijving habitattype De volgende tekst is overgenomen uit het profiel van het habitattype (Min. LNV, 2009): “Kenmerkend voor deze vennen is een groot aantal soorten, waaronder veel pioniersoorten van kale oevers en open water. En toch zijn de meeste van de vennen van dit habitattype niet meer dan enkele tientallen meters lang en breed. De leefgemeenschappen van deze vensystemen – de plassen plus de oeverzones - vertonen een grote variatie binnen een klein oppervlak. Dat komt door allerlei milieuverschillen binnen het systeem en overgangssituaties (gradiënten) in zones en fijnschalige mozaïeken. [...] Sommige van de pioniergemeenschappen komen binnen vensystemen alleen voor op kale vochtige plekjes in het hogere gedeelte van de oeverzone. Die gemeenschappen zijn ook elders – buiten de vensystemen - op de zandgronden te vinden op plekken met vergelijkbare condities zoals op afgeplagde natte heide.” Oppervlakte Het habitattype Zwakgebufferde vennen komt niet alleen in het Groote Meer (Voormeer) voor, maar ook in Leemputten, Bronven en Ranonkelven. De huidige totaaloppervlakte is 13 ha (geactualiseerde T0 habitattypenkaart). Echter bij de recente monitoring in 2021 is het oppervlak echter weer wat afgenomen tot 8,95 hectare (Franken et al., 2022). De trend in omvang is negatief.

Al lijkt afname de laatste jaren te stabiliseren maar het verschil met 2008 (1e jaar van kartering en daarmee uitgangspunt voor referentiesituatie) is groot. Toen was er 25 ha aanwezig in de omgeving van het Groote Meer (Franken et al, 2022) De Groote Meer was en is dé plaats voor de levensgemeenschap zwakgebufferde vennen. Op lange termijn heeft de Groote Meer de potentie om zich door te ontwikkelen tot het habitattype Zeer zwak gebufferd vennen (H3110), in mozaïek met het habitattype Zwakgebufferde vennen. Prioriteit gaat uit naar het Voormeer, het westelijk deel van de Groote Meer waar uitbreiding en verbetering van de kwaliteit vereist is en de potentie samen met het de potentie in het Kleine Meer (perspectief is uitbreiding, habitattype is niet aanwezig, zie tabel 5-7) het hoogst is. Op deze locatie was het habitattype H3110 aanwezig (één van de zeer zeldzame kensoorten, de Kleine biesvaren ofwel Stekelbiesvaren, werd in het begin van 2000 nog waargenomen, nadat het ven tijdelijk weer water had) en kan mogelijk weer worden ontwikkeld vanuit het huidig aanwezige habitattype zwak gebufferde vennen. Vooralsnog is het doel behoud van het type zwakgebufferd ven in de Leemputten, het Bronven, het Ranonkelven en uitbreiding in het Groote Meer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=woensdrecht&id=8d77d152-9f08-4884-a514-cafcb3caca93