CConstaterende datwoensdrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

A natuurdoelanalyse brabantse wal 128 2023.pdf

Themabijeenkomst 30 maart 2023, gemeente woensdrechtBij agendapunt: 20.30-21.00 uur: Inzoomen op gebied: stikstof op de Brabantse Wal en Markiezaat30.952 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Voor het gehele Groote Meer (Voor- en Achtermeer) wordt op lange termijn de ontwikkeling van het mineraalarme type beoogd in mozaïek met zwakgebufferde ventype. Tabel 5-7:Overzicht van het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Gebieden/vennen Bronven (Kortenhoeff) naamloos ven Kortenhoeff Leemputten

Huidige situatie Van redelijke goede kwaliteit aanwezig Recent ontstaan ven

Perspectief Behoud

Van redelijke goede kwaliteit aanwezig (opkomst van riet en

Behoud

Blad 81 van 193

Behoud Voortplantingslocatie van kamsalamander en drijvende

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Gebieden/vennen

Huidige situatie wilgenstruweel, voornamelijk in zuidelijke put) Van redelijke goede kwaliteit aanwezig

Perspectief

Achtermeer (Groote Meer-oost) Kleine Meer Ranonkelven

Habitattype afwezig

Uitbreiding

Habitattype afwezig Habitattype aanwezig

Uitbreiding Behoud

Akkerenven

Habitattype afwezig

Uitbreiding

Voormeer (Groote Meer-west)

waterweegree. Effecten verdroging Mozaïek met Zeer zwakgebufferd type H3110 mogelijk

Voortplantingslocatie van kamsalamander en drijvende waterweegbree

Voortplantingslocatie van kamsalamander

Kwaliteit De kwaliteit van Groote Meer (Voormeer), Leemputten en Ranonkelven is overwegend matig tot ontoereikend. De kwaliteit van het Achtermeer is slecht. De kwaliteit staat onder druk door droogte en te lage grondwaterstand. Voor dit habitattype geldt een sense of urgency voor de wateropgave. De trend was lange tijd negatief door afname van soorten en vegetaties in De Groote en Kleine Meer. In de jaren ‘90 was na herstelmaatregelen (verwijdering slib en vegetatie) in het Voormeer (westelijk deel van de Groote Meer) een tijdelijke opleving merkbaar in de vegetatie van het ven. De langdurige trend is echter negatief. Verdroging, waterkwaliteit en atmosferische depositie zijn de belangrijkste oorzaken van deze negatieve trend (Provincie Noord-Brabant, 2018).

Droog Kleine Meer in augustus 2022 Vegetatie Bij voldoende water in de vennen komen soorten voor als oeverkruid, moerashertshooi, gesteeld glaskroos, witte waterranonkel en pilvaren. In 2017 ging het oppervlakte habitattype verder achteruit door de verruiging in de zuidelijke Leemput. Hierdoor kan dit deel niet meer tot het habitattype H3130 worden gerekend. In 2018 is de oppervlakte van het habitattype in het Voormeer weer uitgebreid als gevolg van de hoge waterstanden in het ven en het plaggen in 2016. Ook in het Achtermeer waren voor het eerst een aantal plekken met het habitattype gevonden. De vegetatie op de plagplekken in het Voormeer is zich aan het ontwikkelen richting

Blad 82 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

een oeverkruidvegetatie. De afname in oppervlakte in het Voormeer die te zien is in 2019 komt vooral doordat pijpenstro de randen van de grote oppervlakte oeverkruid in aan het groeien is, als gevolg van de te lage waterstand in het Voormeer. (Franken et al., 2022). Typische soorten In het beheerplan van de Provincie Noord-Brabant (2018) is aangegeven dat destijds 15 van de 23 typische soorten van H3130 (65% van het totaal aantal typische soorten van H3130) voorkomen in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal. Uit NDFF blijkt dat er in de periode 2010-2017 57% van de typische soorten van H2310 in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal zijn waargenomen en in de periode 2018-2022 61% van de typische soorten. Uit NDFF blijken iets minder verschillende typische soorten van H3130 in het gebied waargenomen te zijn in vergelijking met de resultaten uit het beheerplan. Een conclusie over de trend van de kwaliteit is hier niet aan te verbinden gezien de geringe verschillen tussen de aantallen uit NDFF-data en de aantallen genoemd in het beheerplan. Tabel 5-8:Wijzigingen in voorkomen typische soorten H3130 op basis van NDFF in vergelijking met beheerplan/gebiedsanalyse (zie voor alle voorkomende typische soorten de legenda in figuur 5-4). Habitattype

Typische soort

Aanwezig volgens beheerplan 2018/ gebiedsanalyse 2017

H3130

Venhaft

Niet genoemd in overzicht typische soorten

Blad 83 van 193

NDFF waargenomen 2010-2017 Nee

NDFF waargenomen 2018-2022 Ja

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Figuur 5-4:Voorkomen habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen in Brabantse Wal en waarnemingen van de daarvoor aangewezen typische soorten (op basis van de laatste 6 jaar 2017-2022 uit NDFF database aangeleverd door de provincie juni 2022). Een groter formaat van deze figuur is weergegeven in Bijlage 3.

Abiotiek De abiotische randvoorwaarden voor het habitattype zijn weergegeven in onderstaand overzicht (Profieldocument, BIJ12).

Blad 84 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

De verspreiding en kwaliteit van het habitattype hangt samen met verschillende abiotische factoren. Voor zwakgebufferde vennen zijn dit: • Zwakgebufferde vennen kunnen ontstaan wanneer regenwater ophoopt op een bodem die rijker is aan gebufferde stoffen (bijv leem). • Zwakgebufferde vennen ontvangen naast regenwater, grondwater dat basenrijkere bodemlagen heeft gepasseerd gedurende een kortere of langere weg door de ondergrond, waardoor het meer gebufferd is dan het grondwater dat zeer zwak gebufferde vennen voedt. De bodem heeft vaak een wat hoger gehalte aan voedingsstoffen dan in zure vennen. • In deze vennen treedt een geleidelijke opeenhoping op van organische stof, die in principe de instandhouding van de vegetatie belemmert. Windwerking en in door oeverkruid gedomineerde vennen ook het inbrengen van zuurstof (door de planten in de bodem via de wortels), vertragen deze ontwikkeling. De vennen waarin zwakgebufferde levensgemeenschappen tot ontwikkeling komen zijn in het algemeen zogenaamde stagnatievennen met een schijnwaterspiegel. Het Groote Meer en Kleine Meer zijn voorbeelden hiervan. De Kleine Meer ontwikkelt zich zeer traag naar zwakgebufferd ven, wat met name te wijten is aan vroegtijdige droogval van het gebied. Er treed ook verzuring op in de Kleine Meer door het wegvallen van afstroomwater uit Jagersrust en lokale kwel.

Uit onderzoek tot op heden blijkt dat de buffering in de Groote en Kleine Meer waarschijnlijk voornamelijk veroorzaakt zijn door afstroming van water uit landbouwgebieden waar bekalking heeft plaatsgevonden. Kwelstromen richting de Kleine en Groote meer zijn minimaal (kwantificering van deze stromen onderdeel van de geplande Ecohydrologische Studie iov PNB & ANB). Dit is anders dan voor (zwak) gebufferde vennen die voornamelijk door natuurlijke bronnen/kwelwater gevoed worden. Bij vele zwakgebufferde vennen speelt verdroging een rol in de ontwikkeling van de natuurwaarden. Dit kan dubbel beschouwd worden; een sterke, lange verdroging zoals actueel aan de orde is, is "slecht", maar aan de andere kant is een beperkte droogvalling van venoevers in de zomerperiode gunstig voor veel venoeversoorten; ook kan sporadisch droogvallen de vennen vrijwaren van vissen, iets van groot belang voor de amfibieën. De KDW van het habitattype H3130 van 571 mol N/ha/jr wordt zowel in het referentiejaar 2020 alsook in de prognose van 2030 overschreden (zie Bijlage 3). • In het referentiejaar is het habitattype overwegend sterk overbelast (56% van de oppervlakte van het habitattype), het overige deel is matig overbelast. • Volgens de prognose is meer dan de helft van de oppervlakte (57%) matig overbelast, het andere deel is sterk overbelast.

Als gevolg van overschrijding van de KDW bestaat het risico dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast door verzuring en/of vermesting door stikstofdepositie, met mogelijke gevolgen voor bodem en waterkwaliteit. Overige kenmerken van goede structuur en functie De overige kenmerken van een goede structuur en functie voor het habitattype Zwakgebuffer-de vennen - zoals beschreven in het profieldocument - zijn getoetst in tabel 5-9. Omdat er sprake is van verdroging en ophoping van slib voldoet het habitattype niet aan de genoemde kenmerken van goede structuur en functie. Over het kenmerk ‘geen of weinig dominantie veenmosen’ is geen informatie bekend.

Blad 85 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Tabel 5-9: Inschatting kwaliteit H3130 op basis van overige kenmerken van goede structuur en functie. Kenmerken structuur en functie (Ministerie LNV, 2009) Periodiek wisselende waterstanden Zandige of venige bodem Geen of weinig dominantie van veenmossen (<20%) Optimale functionele omvang: vanaf enkele hectares

Voldoet aan eisen Deels Deels Onbekend Ja

Knelpunten Voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor H3130 Zwakgebufferde vennen, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit, vormen een aantal knelpunten een belemmering. Deze zijn benoemd in tabel 5-10 en gerelateerd aan de OBN-aangrijpingspunten. Tabel 5-10: Beschrijving knelpunten H3130 gekoppeld aan OBN-aangrijpingspunten, voor zover relevant. OBN-aangrijpingspunten Optimalisatie hydrologische systemen

Vergroten areaal en connectiviteit

Vergroten dynamiek en diversiteit Verminderen input nutriënten en chemische stoffen en herstel van schade

Herstel van biotische kwaliteit

Aanpak exoten

Knelpunten H3130 • Klimaatverandering: droge jaren versterken effect verdroging. • Ernstige verdroging is bedreiging. Vennen vallen volledig en langdurig droog en langduriger. Het water wordt onvoldoende vastgehouden in het Natura 2000-gebied. • Het Voormeer is afhankelijk van water vanuit een leiding die overtollig kwalitatief goed water aanvoert vanuit Vlaanderen. • Voor de Leemputten geldt dat peilschommelingen en te weinig opbolling resulteren in een kleinere kwelstroom naar de laagtes. Hierdoor is er mogelijk een afname geweest van buffering en een toename van de gevoeligheid voor verzuring. • Verlies van (leef)gebied (door verdroging).

-

• Overschrijding KDW, n 2030 nog steeds overschrijding KDW. • Uit de jaarlijkse evaluatie van het convenant Brabantse wal van de provincie volgt dat buffering en zuurgraad in de vastgestelde range zit. • Aanvoer van nutriënten via toestromende water. • Bij het Achtermeer speelt het probleem van instroom van voedselrijk water uit een agrarische enclave (Steertse Heide) aan Vlaamse zijde. • Door verdroging en ophoping van slib is het zuidelijk deel van de Leemputten sterk achteruitgegaan. In 2018 kon geen drijvende waterweegbree meer gevonden worden. • Vertroebeling. • Ontwikkeling van watercrassula neemt sterk toe, waardoor ook de typisch zwakgebufferde levensgemeenschappen bedreigd worden.

Blad 86 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

5.2.4

H3160 Zure vennen Beschrijving habitattype De volgende tekst is overgenomen uit het profiel van het habitattype (Min. LNV, 2009): “Dit habitattype omvat natuurlijke poelen en meren met zuur water en veenmodder op de bodem. In ons land betreft het zo goed als uitsluitend door regenwater gevoede heidevennen en vennen in de randzone van hoogveengebieden. In die vennen kan lokaal invloed van grondwater doordringen en van essentieel belang zijn voor de variatie van levensgemeenschappen, maar de regenwaterinvloed is zo groot dat men meestal spreekt van ‘uitsluitend door regenwater gevoed’. Daarbij gaat het zowel om de open waterbegroeiingen als om jonge verlandingsstadia, drijvend of op de oever. Het water van deze poelen en meren is van nature zeer voedselarm en kan door humuszuren bruin gekleurd zijn. Zulk een milieu heet dystroof. In de randzones van deze poelen kunnen ijle begroeiingen van wat hogere schijngrassen zoals Snavel- en Draadzegge of Veenpluis het aanzien bepalen. Deze begroeiingen maken deel uit van habitattype H3160. In sommige gevallen vormt koolzuur (CO2) een beperkende factor. De vegetatie ontbreekt dan (habitattype matig ontwikkeld) of bestaat voornamelijk uit aan de oppervlakte zwevende of drijvende waterplanten. In heldere vennen waar wel voldoende CO 2 aanwezig is, kan de gehele waterlaag gevuld zijn met zwevende planten, vooral in ondiepe zones.

Wanneer de veenmoslaag zich sluit, vormt zich een dichte vegetatiemat met op den duur een hoogveenachtig patroon van bulten en slenken. Venbegroeiingen waarin deze latere successiestadia domineren, worden gerekend tot habitattype H7110 (Actief hoogveen). Bij degradatie worden de begroeiingen zeer soortenarm en gaan in de zure vennen soorten overheersen zoals waterveenmos, geoord veenmos, pijpenstrootje en bij fosfaataanrijking pitrus. Vennen waarin zulke begroeiingen domineren, zonder aanwezigheid van méér veensoorten dan alleen waterveenmos en voor zure vennen kenmerkende gemeenschappen worden niet tot het habitattype gerekend.” Oppervlakte Het habitattype komt in een aantal vennen voor in het habitatrichtlijngebied, zoals Zwaluwmoer en kleine vennen Wasven op Kortenhoeff, met een oppervlakte van 8 ha (op basis van geactualiseerde T0 Habitattypenkaart). De trend in omvang is neutraal. Binnen het Habitatrichtlijngebied is het habitattype mogelijk ook aanwezig bij het Kriekelaersven (NL-deel) en Putse moer/De moeren (niet toegankelijk). Kaartstudie laat zien dat het Kriekelaersven vroeger veel groter was dan nu het geval is. Buiten het Habitatrichtlijngebied komen meerdere ‘zure vennen’ voor bijvoorbeeld het Fonteinven en Paardenven in het Vogelrichtlijngebied (Defensie) (Provincie Noord-Brabant, 2018). Deze vennen zullen ook in de toekomst behouden blijven.

Kwaliteit De huidige kwaliteit is deels goed ontwikkeld, maar merendeels matig. De trend is afnemend. In de zure vennen zijn er minder problemen ten aanzien van omvang en kwaliteit omdat deze door een goede leemlaag bijna altijd watervoerend zijn. Het niveau kan in droge jaren wel minder zijn (Provincie Noord-Brabant, 2020). Vegetatie In de waterlaag komt lokaal een kleine hoeveelheid waterveenmos en knolrus voor. Voor het overige zijn de vennen vegetatieloos. Monitoringsgegevens van het Grenspark Kalmthoutse Heide geven aan dat de herstelmaatregelen in het Wasven in Kortenhoeff geleid hebben tot

Blad 87 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

verandering van een voedselrijk ven met eutrafente soorten naar een zuur ven met massaal waterveenmos en geoord veenmos. Rondom het Wasven is vochtige heide aanwezig. Daar groeit beenbreek, veenbies en veenpluis (Provincie Noord-Brabant, 2018b). Dit is een goede uitgangssituatie voor verdergaand herstel van het habitattype zure ven. In een klein vennetje ten zuiden van het Zwaluwmoer kwalificeren alleen de randen als habitattype (mon. Med. Provincie Noord-Brabant, 2022). Het bevat nog steeds een klein relict dat mogelijk kan gerekend worden tot hoogveen met o.a. lavendelheide en eenarig wollegras. In het Fonteinven of Paardenven (VR-gebied; Defensie) is levend hoogveen aangetroffen. Ook het Moseven (VR gebied) is een ven met potentie tot hoogveenverlanding. Hoogveenontwikkeling is een natuurlijk proces wat onder bepaalde omstandigheden op zal treden en thuishoort in het systeem als geheel. Het draagt ook bij aan de compleetheid van het systeem en aan soortenrijkdom hoewel het een nadelig effect kan hebben op de oppervlakte zure vennen. Op dit moment is er geen sprake van afname van oppervlakte zure vennen als gevolg van hoogveenvorming binnen het Habitatrichtlijngebied.

Typische soorten In het beheerplan is aangegeven dat destijds 6 van de 11 typische soorten van H3160 (55% van het totaal aantal typische soorten van H3160) voorkomen in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal (Provincie Noord-Brabant, 2018). Uit NDFF blijkt ook dat er in de periode 2010-2017 55% van de typische soorten van H2310 in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal zijn waargenomen. In de periode 2018-2022 is het aandeel aanwezige typische soorten gestegen naar 64%. Deze toename wordt veroorzaakt door de waarneming van de drijvende egelskop (een rode lijst soort). Dit kan een indicatie zijn van een verbeterde kwaliteit. Echter, deze groeit op een privéterrein en dit wordt zelden tot nooit geïnventariseerd. De soort kan er dus al heel lang staan (schrift. med. SBB) zodat de indicatie van de verbeterde kwaliteit onzeker is. Tabel 5-11: Wijzigingen in voorkomen typische soorten H3160 op basis van NDFF in vergelijking met beheerplan/gebiedsanalyse (zie voor alle voorkomende typische soorten de legenda in figuur 5-5 en in Bijlage 2 is een volledig overzicht van de typische soorten van dit habitattype weergegeven waarbij is aangegeven of deze voorkomen in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal). Habitattype

Typische soort

Aanwezig volgens beheerplan 2018/ gebiedsanalyse 2017

H3160

Drijvende egelskop

Nee

Blad 88 van 193

NDFF waargenomen 2010-2017 Nee

NDFF waargenomen 2018-2022 Ja

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Figuur 5-5: Voorkomen habitattype H3160 Zure vennen in Brabantse Wal en waarnemingen van de daarvoor aangewezen typische soorten (op basis van de laatste 6 jaar 2017-2022 uit NDFF database aangeleverd door de provincie juni 2022). Een groter formaat van deze figuur is weergegeven in bijlage 3.

Abiotiek De abiotische randvoorwaarden voor het habitattype zijn weergegeven in onderstaand overzicht (Profieldocument, BIJ12).

Zure vennen ontvangen vooral of vrijwel uitsluitend regenwater. De vennen van het habitattype zure vennen liggen voornamelijk in schijngrondwaterspiegels en zijn overwegend permanent watervoerend. Een aantal vennen heeft (of had) daardoor een venig karakter (bijv. Zwaluwmoer).

Blad 89 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Het op gang komen van hoogveenontwikkeling is afhankelijk van de grondwaterstand. Het moet er permanent kletsnat zijn. Voor hoogveen is dat zuur (regen) water. Dan kan veenmos zich vestigen, en wordt het afgestorven veenmos niet afgebroken. De KDW van het habitattype H3160 van 714 mol N/ha/jr wordt zowel in het referentiejaar 2020 alsook in de prognose van 2030 overschreden (zie Bijlage 3). • In het referentiejaar is het habitattype overwegend sterk overbelast (72% van de oppervlakte van het habitattype). • Volgens de prognose is meer dan de helft van de oppervlakte (60%) sterk overbelast, het andere deel is matig overbelast. Als gevolg van overschrijding van de KDW bestaat het risico dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast door verzuring en/of vermesting door stikstofdepositie, met mogelijke gevolgen voor bodem en waterkwaliteit. Overige kenmerken van goede structuur en functie De overige kenmerken van een goede structuur en functie voor het habitattype Zure vennen zoals beschreven in het profieldocument - zijn getoetst in tabel 5-12. Alleen de optimale functionele omvang is – voor het totaal aan vennen – aanwezig, de overige kenmerken zijn niet of deels aanwezig of onbekend. Tabel 5-12: Inschatting kwaliteit H3160 op basis van overige kenmerken van goede structuur en functie.

Kenmerken structuur en functie (Ministerie LNV, 2009) Dystroof water (voedselarm en zuur, door humuszuren vaak bruingekleurd) water Combinatie van open water en verlandingsvegetatie Kruidlaag, indien aanwezig, gedomineerd door schijngrassen Moslaag, indien aanwezig, gedomineerd door veenmossen Optimale functionele omvang: vanaf enkele hectares

Voldoet aan eisen Onbekend Nee Onbekend Deels Ja

Knelpunten Voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor H3160 Zure vennen, behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit, vormen een aantal knelpunten een belemmering. Deze zijn benoemd in tabel 5-13 en gerelateerd aan de OBN-aangrijpingspunten. Tabel 5-13: Beschrijving knelpunten H3160 gekoppeld aan OBN-aangrijpingspunten, voor zover relevant. OBN-aangrijpingspunten Optimalisatie hydrologische systemen

Knelpunten H3160 • Klimaatverandering: omdat zure vennen vooral of vrijwel uitsluitend afhankelijk zijn van regenwater.

Vergroten areaal en connectiviteit

• Verlies van (leef)gebied door verdroging.

Vergroten dynamiek en diversiteit

-

Blad 90 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

OBN-aangrijpingspunten Verminderen input nutriënten en chemische stoffen en herstel van schade

5.2.5

Knelpunten H3160 • Vermesting door stikstofdepositie. • In 2030 nog steeds overschrijding KDW. • Verontreiniging (lucht, bodem, water), pesticiden.

Herstel van biotische kwaliteit

• Abundant optreden van knolrus of waterveenmos wijst vooral op effect van atmosferische depositie. • Afname buffering.

Aanpak exoten

• Concurrentie met invasieve exoten (bron: drukfactorenanalyse, (BIJ12 z.d.)).

H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) Beschrijving habitattype De volgende tekst is overgenomen uit het profiel van het habitattype (Min. LNV, 2009): “Kenmerkend is de hoge bedekking van gewone dophei. Vochtige heide komt in ons land zowel op zandgronden voor als in het laagveen. Kwalitatief goede vochtige heiden kunnen goed samen voorkomen met rompgemeenschap met Pijpenstrootje en Veenmos. Deze grazige delen mogen echter niet overheersen en komen alleen in een mozaïekvorm voor. De begroeiingen van het subtype vochtige heide op zandgronden (H4010A) variëren afhankelijk van de waterhuishouding, de ouderdom en het leemgehalte van de bodem. Landschappelijk gezien komen natte heiden op zandgrond o.a. voor op de oevers van vennen, op beekdalflanken, in laagten met een ondoorlaatbare ondergrond en in tot op het zand afgegraven voormalige hoogveengebieden. […] De meest zure en natte heiden tenderen naar hoogveen. Open begroeiingen zijn vaak rijk aan korstmossen. Op leemhoudende standplaatsen bevatten de natte heidebegroeiingen veelal soorten van blauwgraslanden en heischraal grasland (zie habitattypen H6410 en *H6230). In gedegradeerde vochtige heide gaan grassen zoals pijpenstrootje domineren of treden struiken zoals gagel op de voorgrond.

Begroeiingen met gagel (11RG3) worden tot het habitattype gerekend, indien deze met de bovengenoemde plantengemeenschappen kleinschalige mozaïeken vormen, maar niet domineren De subassociatie met gevlekte orchis is gebonden aan bodems met een wat hogere pH, die wordt gebufferd door basenrijk water, afkomstig uit kalkhoudende leem of door lokale kwel vanuit omliggende hogere zandruggen. De subassociatie met Korstmos wordt gekenmerkt door de open dwergstruiklaag, waartussen de korstmossen groeien. Vaak ontstaan de open plekken door afstervende en uiteenvallende oude struikheiplanten. De subassociatie met rode en blauwe bosbes komt voor bij een relatief vochtig microklimaat, zoals noordhellingen en beschaduwde heiden.” Oppervlakte De actuele oppervlakte is 18 ha (T0-habitattypenkaart). De trend is afnemend; bij het Groote Meer, Leemputten en Kleine Meer is de afname in omvang groot ten opzichte van 2008 (toen bijna 12 ha en in 2021 bijna 2 ha). De twee belangrijke locaties met deze habitat zijn de randzone van het Groote Meer, met name rondom het Voormeer en in Kortenhoeff rondom het Wasven. De trend is deels positief, deels negatief. De negatieve trend komt door de herstelwerkzaamheden ten behoeve van habitattype zwak gebufferd ven in het Voormeer.

Blad 91 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Daardoor is daar de oppervlakte vochtige heide drastisch afgenomen en bedraagt nu nog slechts 0.2 ha, gelegen in het zuidoostelijk deel van het Voormeer (in 2008 bedroeg de oppervlakte nog 11 ha). Bij het Voormeer komen enkel de hoog gelegen delen nog in aanmerking om te evolueren naar ‘vochtige heide’ als in de toekomst in de winter zeer hoge waterstanden bereikt worden. Het habitat-type Zwakgebufferd ven is prioritair op het habitattype Vochtige heide. De totale oppervlakte aan vochtige heide en droge heide in het Voormeer zal bij hoge waterstanden ten behoeve van het zwakgebufferd ven nog hooguit 5 ha bedragen en zal zich dan bevinden in de randzone van het Voormeer dat in de wintermaanden kan inunderen maar ook snel droogvalt. Ook in de Kleine Meer is in 2018 nog slechts 0,05 ha vochtige heide vastgesteld. De geplagde noordelijke delen van de Kleine Meer bieden wel volop kansen om te evolueren naar zwakgebufferd ven en naar vochtige heide op de hogere delen. Rond de Leemputten ligt een depressie van vochtige heide van 0,62 ha. Ook rond een aantal vennen in Kortenhoeff (7,47 ha) is de natte heidegemeenschap aanwezig. Bij Kriekelaereven, aan de voet van Paalberg (welke vroeger veel groter was) komt na de herstelwerkzaamheden in HELA-Life-project een slenk met vochtige heide van matige tot goede kwaliteit voor met een oppervlakte van 3,46 ha.

Buiten het Habitatrichtlijngebied komt vochtige heide lokaal in het noordelijk deel van het Natura 2000-gebied voor. Uitbreiding van oppervlak wordt beoogd ter hoogte van de Kriekelaereduinen en aan de voet van Paalberg. Op diverse plekken zijn herstelmaatregelen uitgevoerd of gepland. Deze hebben geleid tot mogelijkheden voor heideherstel of hervestiging (kappen bos ten westen van het Groote Meer, omvormen naar heide van bos op Kriekelareduinen, heideherstel op Kortenhoeff en rondom het Klein Meer (ontwikkeling zonnedauw en dopheide) en mogelijk – op langere termijn - bij het Achter Meer). Verder biedt het voormalige Ganzeven in het gebied Ossendrechtse Duinen potentie tot ontwikkeling van vochtige heide / zuur ven). Kwaliteit De kwaliteit is goed tot vergrast en de huidige trend van de kwaliteit is toenemend/verbetering. Vegetatie In een aantal vennen in Kortenhoeff is de heidegemeenschap goed is ontwikkeld, met soorten als beenbreek, veenbies en ronde zonnedauw en veel veenmossen (kussentjesveenmos, zacht en wrattig veenmos). In de Kleine Meer zijn de kleine oppervlaktes ernstig vergrast. Aan de hoge zuidoever van de Groote Meer heeft zich na het plaggen van enkele aren weer een dopheidegemeenschap met onder meer honderden exemplaren klokjesgentiaan gevestigd.

Uitlopers van het Kriekelaarsven omvat kwalitatief goed ontwikkelde dopheide met zeer bijzondere soorten zoals het heideblauwtje en de blauwvleugelsprinkhaan (Provincie Noord-Brabant, 2018). Dit is anno 2022 nog steeds het geval ondanks de langdurige droogte periode (mond. med. Provincie Noord-Brabant, 2022). Typische soorten In Provincie Noord-Brabant (2018) is aangegeven dat 9 van de 13 typische soorten van H4010 (69% van het totaal aantal typische soorten van H4010) voorkomen en één van de 16 (de adder) mogelijk voorkomt in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal. Uit NDFF blijkt dat er in de periode 2010-2017 69% van de typische soorten van H2310 in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal zijn waargenomen. In de periode 2018-2022 is 77% van de typische soorten in het gebied waargenomen. In de periode 2018-2022 zijn meer verschillende typische soorten van H4010A in

Blad 92 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

het gebied waargenomen in vergelijking met de resultaten uit het beheerplan, wat een indicatie kan zijn van een (lokaal) verbeterde kwaliteit. Tabel 5-14: Wijzigingen in voorkomen typische soorten H4010A op basis van NDFF in vergelijking met beheer-plan/gebiedsanalyse (zie voor alle voorkomende typische soorten de legenda in figuur 5-6 en in Bijlage 2 is een volledig overzicht van de typische soorten van dit habitattype weergegeven waarbij is aangegeven of deze voorkomen in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal). Habitattype

Typische soort

Aanwezig volgens beheerplan 2018/ gebiedsanalyse 2017

H4010A

Moerassprinkhaan

Nee

NDFF waargenomen 2010-2017 Nee

NDFF waargenomen 2018-2022 Ja

Figuur 5-6: Voorkomen habitattype H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) in Brabantse Wal en waarnemingen van de daarvoor aangewezen typische soorten (op basis van de laatste 6 jaar 2017-2022 uit NDFF database aangeleverd door de provincie juni 2022). Een groter formaat van deze figuur is weergegeven in bijlage 3.

Abiotiek De abiotische randvoorwaarden voor het habitattype zijn weergegeven in onderstaand overzicht (Profieldocument, BIJ12).

Blad 93 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

De verspreiding en kwaliteit van het habitattype hangt samen met verschillende abiotische factoren. Vochtige heiden zijn op landschapsschaal inzijggebieden waar regenwater in de bodem zakt en vervolgens afstroomt naar het grondwater. Dit zorgt in de zandgebieden voor relatief zure en voedselarme omstandigheden. De belangrijke locaties met deze omstandigheden liggen langs de randzone van vennen (Kriekelaereven, Kleine en Groote Meer en Wasven). Schijngrondwaterstanden vanwege leemlagen zijn bepalend voor de waterhuishouding van de vennen en daarmee ook van de vochtige heide. Bij vermindering van verdroging van het Groote Meer (sense of urgency) speelt het risico van verdrinking van vochtige heide. De KDW van het habitattype H4010A van 1.214 mol N/ha/jr wordt zowel in het referentiejaar 2020 alsook in de prognose van 2030 overschreden (zie Bijlage 3). • In het referentiejaar is het habitattype overwegend matig overbelast (79% van de oppervlakte van het habitattype), het overige deel is niet tot licht overbelast. • Volgens de prognose is iets minder dan de helft van de oppervlakte (45%) matig overbelast, 34% niet overbelast en het overige deel naderend tot licht overbelast.

Als gevolg van overschrijding van de KDW bestaat het risico dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast door verzuring en/of vermesting door stikstofdepositie, met mogelijke gevolgen voor bodem en waterkwaliteit. Overige kenmerken van goede structuur en functie De overige kenmerken van een goede structuur en functie voor het habitattype Vochtige heide zoals beschreven in het profieldocument - zijn getoetst in tabel 5-15. Op basis van de beschrijving van de vegetatie kan worden geconcludeerd dat de vochtige heide niet helemaal voldoet aan de overige kenmerken van een goede structuur en functie en dat ook niet alle informatie beschikbaar is. Tabel 5-15: Inschatting kwaliteit H4010A op basis van overige kenmerken van goede structuur en functie. Kenmerken structuur en functie (Ministerie LNV, 2009) Dominantie van dwergstruiken (> 50%) Bedekking struiken en bomen is beperkt < 10% Bedekking van grassen is beperkt < 25% Hoge bedekking van veenmossen (lokaal) Hoge soortenrijkdom van mossen en korstmossen Optimale functionele omvang: vanaf tientallen hectares

Blad 94 van 193

Voldoet aan eisen Onbekend Onbekend Deels Onbekend Onbekend Nee (gewenst opp 50-100 ja)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=woensdrecht&id=8d77d152-9f08-4884-a514-cafcb3caca93