A 2022-07-12 Bijlage NL.IMRO.0873.HUYBxBP160xHERZx05-VG01_Toelichting.pdf
Tekst van het document
In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Locatie Bergsestraat 10 De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De bovengrond is ter plaatse van boring 1, 2, 4, 5, 6 en 8 zwak baksteenhoudend. De aanwezigheid van enkel bakstenen maakt de locatie niet verdacht voor de aanwezigheid van asbest in de bodem. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie en de bestemmingsplanwijziging.
Locatie ten westen van brandweerkazerne In het aanvullende bodemonderzoek is op advies van de omgevingsdienst ook het gebied ten westen van de brandweerkazerne onderzocht (zie bijlage 3 voor het volledige onderzoek). De belangrijkste resultaten worden hieronder besproken. Ook dit deelgebied is niet verdacht op asbest. De bodem is matig verontreinigd met zink. De verontreiniging is waarschijnlijk te relateren aan de matige bijmenging met baksteen. Verder zijn er geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Econsultancy adviseert om de bodem nader te onderzoeken op zink ter plaatse van één boring.
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 26/55
Er worden in dit deelgebied geen gevoelige functies opgericht, in het kader van een goede ruimtelijke ordening lopen mensen geen risico om langdurig blootgesteld te worden aan eventuele giftige stoffen. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.3
Waterhuishouding
Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap Brabantse Delta Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016-2021 van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water.
Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021 ‘Grenzeloos verbindend’, wat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.
Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: • het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de rijkswateren en de regionale rivieren; • het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; • inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; • helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; • het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); • afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; • een duurzame energiewinning.
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 27/55
Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Keur Waterschap Brabantse Delta De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015.
In de nieuwe keur is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x Gevoeligheidsfactor x 0,06. Beleid gemeente Woensdrecht Conform het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan van de gemeente Woensdrecht ligt bij nieuwbouw de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding primair bij de perceeleigenaar. Enkel indien van de perceeleigenaar redelijkerwijs niet kan worden vereist dat het afvloeiend hemelwater op of in de bodem (of in het oppervlaktewater)wordt gebracht (aan te tonen door initiatiefnemer), zal de gemeente zorgen voor een geschikte voorziening voor de afvoer van hemelwater, mits dat op een doelmatige manier kan.
Bij nieuwbouw is de initiatiefnemer dus verantwoordelijk voor het gescheiden verwerken van hemelwater en het hydrologisch neutraal houden van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling. In het beleid van de gemeente is geen maximaal percentage verharding vastgelegd, echter worden initiatiefnemers erop gewezen dat in het kader van de klimaatverandering het wenselijk is om vergroening van particuliere percelen na te streven (en verstening tegen te gaan). Hierbij kan zowel gedacht worden aan vergroening van tuinen, toepassen van halfverharding ter plaatse van opritten alsook het toepassen van groene daken. Hiermee wordt het tegengaan van hittestress en/of wateroverlast bevorderd. Beoordeling Beschermde gebieden Er gelden regels voor invloedsgebieden Natura-2000. Vanwege de ligging nabij Natura-2000 stelt het waterschap Brabantse Delta beperkende regels op voor het wijzigen van grondwaterstanden in deze gebieden. Met dit plan
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 28/55
worden geen wijzigingen in de grondwaterstanden beoogd. Dit specifieke beschermingsregiem uit de keur wordt gerespecteerd. Hemelwater Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen de beschermde gebieden. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Het verharde deel van het plangebied beslaat in de huidige situatie een oppervlak van circa 2.803 m2 en was voorheen vrijwel volledig verhard. In de beoogde situatie is het plangebied verhard met een oppervlakte van 4.517 m2. De toename aan verharding bedraagt (4.517 - 2.803 =) 1.714 m2. Ten gevolge van het planvoornemen bedraagt de verhardingstoename meer dan 500 m². De benodigde retentiecapaciteit is 103 m3: 1.714 x 1 x 0,06. Binnen het plangebied is voldoende ruimte de benodigde waterbergende voorzieningen te realiseren. Dit kan onder andere met wadi’s en/of het werken met waterkoffers/lavapakketten onder de bestrating. In de regels wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen die borgt dat de waterbergende voorzieningen worden aangelegd en in stand gehouden. Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen.
In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Huishoudelijk afvalwater Gescheiden van het hemelwater wordt het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) verwerkt en aangesloten op de bestaande afvalwaterriolering. Het afvalwater wordt van daaruit afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Door de scheiding van het vuilwater van het hemelwater (hemelwaterafvoer; HWA) wordt de bestaande riolering minder belast dan in de huidige situatie. Conclusie Op grond van de watertoets kan worden geconcludeerd dat de ontwikkelingen in het plangebied geen nadelige effecten hebben op de waterhuishouding. Met een voorwaardelijke verplichting in de regels worden de waterbergende voorzieningen geborgd. De exacte uitwerking van het waterplan volgt bij een omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen. 4.4
Cultuurhistorie
Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 29/55
Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Beoordeling Blijkens de cultuurhistorische waardenkaart is nabij het plangebied sprake van ‘overige bouwkunst’. Het betreft een woonhuis aan de Bergsestraat 6-8. De aanwijzing als overige bouwkunst is gebaseerd op informatie uit de CHW 2006. De informatie uit de CHW 2006 stelt de provincie beschikbaar, zodat deze als basis kan dienen voor het opstellen van gemeentelijke erfgoedkaarten De gemeente Woensdrecht heeft daarop volgend het betreffende gebouw aangewezen als gemeentelijk monument. Het initiatief heeft geen effect op de cultuurhistorische waarden van het pand. Het monument blijft in de huidige staat behouden. Het planvoornemen heeft geen effect op de bouwkundige staat van het monument.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Met de rode omlijning wordt het plangebied aangeduid. noord-brabant.maps.arcgis.com, 2020
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 30/55
Voorts volgt uit de cultuurhistorische waardenkaart dat de locatie is gelegen binnen het cultuurhistorisch landschap de ’Brabantse Wal’. De voornaamste ontwikkelstrategie betreft het behoud en de accentuering van de aanwezige variatie aan landschapstypen. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt betreffen dit heuvelachtige landschappen van zeer oud eikenhakhout op steilranden. Begroeiing van onder meer zomereik, berk, Amerikaanse vogelkers, grove den, Amerikaanse eik, sporkehout, wilde lijsterbes, hulst, trosvlier, wilde lijsterbes, salomonszegel, wilde kamperfoelie en struikhei komt voor. Binnen het plangebied is dit landschapstype echter niet aanwezig, nu het plangebied thans is ingericht ten behoeve van het wonen en maatschappelijke voorzieningen (inclusief aanwezige verhardingen) en tevens behoort tot de bebouwde kom van Huijbergen. Gelet hierop wordt met het onderhavige planvoornemen geen inbreuk gemaakt op de cultuurhistorische waarden gelegen binnen het landschap de ‘Brabantse Wal’. Over het besluitgebied en de directe omgeving is een molenbiotoop gelegen. De molenbiotoop maakt op de Cultuurhistorische Waardenkaart deel uit van het aspect ‘zichtrelaties’. In het vigerende bestemmingsplan is een regeling opgenomen binnen de aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’, waarbinnen het besluitgebied is gelegen.
De gronden binnen deze aanduiding zijn bestemd als obstakelvrije ruimte ten behoeve van de functie van de in dit gebied voorkomende molen als werktuig. In het artikel is een regeling opgenomen waarbinnen de bouwhoogte van bouwwerken wordt beperkt binnen de opgenomen aanduiding. Het Canadaplein ligt op een afstand van circa 365 meter vanaf de molen. Met onderhavig plan wordt aan de Bergsestraat voorzien in bouwhoogten die min of meer gelijk zijn aan de bestaande bebouwing. Op het Canadaplein kan gebouwd worden tot 12 meter hoogte, die hoogtes zullen geen belemmering vormen voor de zichtrelatie van de molen. Het bouwplan voldoet niet aan de regels voor de molenbiotoop in het bestemmingsplan “Bebouwde kom Huijbergen, 1e herziening”. Derhalve is met de eigenaar van de molen gesproken. De molenaar wees de gemeente erop dat de huidige molenbiotoop regeling slecht is en dat hiervoor een alternatieve molenbiotoop ambtelijk wordt overlegd. De Molenvereniging heeft een provinciale rapportage aangeboden aan de gemeente, waarin erop wordt aangedronken om de bestemmingsplannen voor de molenbiotoop uniform te houden en uit te gaan van de formule van de Hollandse molen: Hx = X/n+c*z+peilverschil.
H(x) = maximale toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters) x = afstand van een obstakel tot de molen (in meters) n = een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie. Hiervoor worden de volgende waarden gebruikt: 140 voor open, 75 voor ruw en 50 voor gesloten gebied. c = een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie, gewoonlijk met de waarde 0,2 z = askophoogte (helft van lengte gevlucht + eventueel de hoogte van de belt, berg of stelling) Er is sprake van een gesloten gebied, omdat de bodem regelmatig en volledig bedekt is met vrij grote obstakels, zoals lage bebouwing en een hoge bomenlaan aan de Bergsestraat. Hx = (365 / 50) + (0,2 * 14,2) + 3,70 = 13,84 Uit de formule blijkt dat ter plaatse van het Canadaplein een bouwplan met een hoogte van 13,84 meter is toegestaan. Het bouwplan is 12,2 meter hoog. Het bouwplan aan het Canadaplein voldoet aan de regel voor de molenbiotoop van de Hollandsche Molen. Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied.
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 31/55
4.5
Archeologie
Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (art. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beoordeling In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De gemeente Woensdrecht heeft op 27 september 2018 de ‘Archeologische waarden- en verwachtingenkaart’ vastgesteld. Blijkens de archeologische waarden- en verwachtingenkaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge trefkans. Derhalve is door Econsultancy archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de twee deellocaties van het plangebied . De rapportages daarvan zijn als bijlage 4 en 5 toegevoegd bij deze toelichting.
Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemeente Woensdrecht met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster. Rode gebieden: hoge trefkans, gele gebieden: middelhoge trefkans
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 32/55
Archeologisch onderzoek Canadaplein 1 Doel van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting voor het besluitgebied op te stellen. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het besluitgebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn. Uit de landschappelijke ligging, op de Brabantse Wal blijkt dat het besluitgebied vanaf het Paleolithicum bewoonbaar is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het besluitgebied alleen sporen van menselijke activiteit zijn waargenomen van landbouwers vanaf het Neolithicum. Het besluitgebied heeft een lage verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum en een hoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd om de geplande graafwerkzaamheden in het besluitgebied nader te onderzoeken door middel van archeologische begeleiding van de geplande graafwerkzaamheden.
Voor de rest van het besluitgebied waar geen graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden, en waar nog archeologische waarden worden verwacht, blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ gehandhaafd. Archeologisch onderzoek Bergsestraat 10 Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Deze is laag voor het Paleolithicum en Mesolithicum door het ontbreken van een gradiëntzone en resten uit deze periodes binnen het onderzoeksgebied. De verwachting is middelhoog voor het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Er is een hoge verwachting voor archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Vanaf 1777 is er ook cartografisch bewijs dat het plangebied deel uitmaakt van de historische kern en dat het plangebied bebouwd is. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Het eerder onderzochte deel, het Canadaplein 1, heeft als advies een archeologische begeleiding van de werkzaamheden. Aangezien het op die locatie gaat om de uitbreiding van een bestaand gebouw met een gering oppervlak, is dat daar ook de beste optie.
Aan de Bergsestraat 10 is sprake van een andere situatie. Hier zal de bestaande bebouwing volledig verwijderd worden, waarna er nieuwe bebouwing gerealiseerd worden. Tussen de bovengrondse sloop en de nieuwbouw kan er een proef-sleuvenonderzoek en een eventuele opgraving uitgevoerd worden, zodat er voorafgaand aan de start van de nieuwbouw de archeologie ex situ behouden is. De ondergrondse sloop kan pas plaatsvinden tijdens of na het archeologisch onderzoek. Conclusie De graafwerkzaamheden aan het Canadaplein 1 dienen archeologisch begeleid te worden. Voor de Bergsestraat 10 dient een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd na de sloop van de bestaande bebouwing. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ blijft gehandhaafd ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden aldaar.
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 33/55
4.6
Ecologie
4.6.1
Natuurgebieden
Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Brabantse Wal’, welke is gelegen op een afstand van 300 meter. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Voor dit initiatief is een stikstofbeschikking afgegeven door de OMWB d.d. 3 november 2021 op grond van artikel 2.7 tweede lid van de Wet natuurbescherming.
Deze is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor het realiseren van het planvoornemen. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. 4.6.2
Flora en fauna
Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Ecodat heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van het plangebied als gelegen aan het Canadaplein 1 en de Bergsestraat 10 te Huijbergen. De quickscan is opgenomen als bijlage 7 bij onderhavige toelichting. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplan- wijziging en heeft
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 34/55
als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens om in het plangebied beide panden te slopen en hier nieuwbouw voor in de plaats te realiseren. Op basis van de quickscan flora en fauna kan gesteld worden dat de geplande ingreep mogelijk negatieve invloed zal hebben op wettelijk beschermde soorten. Er zal nader onderzoek noodzakelijk zijn naar het voorkomen van en het gebruik van het plangebied voor de volgende soorten: • Huismus, Bergsestraat 10; • Gierzwaluw, Bergsestraat 10; • Vleermuizen, Bergsestraat 10 en Canadaplein 1; De mogelijk negatieve impact van het plan is nader onderzocht met een nader onderzoek naar het habitat voor de Huismus, Gierzwaluw en Vleermuizen. De verslaglegging van het nadere onderzoek is toegevoegd als bijlage 8. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies overgenomen. • • • •
Er zijn twee vleermuisverblijfplaatsen aangetroffen. Dit leidt tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied en de enige vliegroute zal niet beïnvloed worden door de voorgenomen ingreep. Er zijn geen huismusverblijven, noch nest-indicerend gedrag van huismussen, aangetroffen. Er zijn geen gierzwaluwverblijven, noch nest-indicerend gedrag van gierzwaluwen, aangetroffen.
Er dient ontheffing te worden aangevraagd in het kader van de Wet natuurbescherming, daarnaast gelden de volgende mitigerende maatregelen: •
•
Door tijdig tijdelijk vervangende verblijfplaatsen aan te bieden in de directe omgeving, mag worden aangenomen dat de functie van deze verblijfplaatsen behouden blijft. In een later stadium zullen deze verblijfsfuncties in de gerenoveerde panden aangeboden moeten worden. Door het opstellen van een ecologisch werkprotocol wordt voorkomen dat bij de renovatie huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen worden verstoord, gewond, dan wel worden gedood. Dit is te voorkomen door de renovatie op aangepaste wijze uit te voeren. In het werkprotocol dienen ook zaken als verlichting en andere vormen van hinder opgenomen te worden.
Conclusie Voor wat betreft de uitvoerbaarheid van het plan kan gesteld worden dat in de directe omgeving zijn voldoende mogelijkheden zijn om mitigerende maatregelen te treffen. 4.7
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 35/55
• • •
de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).
De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. De tabel hierna hier een overzicht van: Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Econsultancy en het onderzoeksrapport is als bijlage 9 toegevoegd aan deze toelichting. Vanuit de Wet geluidhinder dient bij de realisatie van gevoelige functies getoetst te worden of sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting. Wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 50 km/u of meer hebben een onderzoekszone.
Doordat het plan gelegen is binnen een 30 km-zone hebben de nabijgelegen relevante wegen (Boomstraat, Dorpsstraat en Bergestraat) geen geluidszone en derhalve geen overlap met het plan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie is echter een akoestisch onderzoek naar het woon- en leefklimaat ten gevolge van dergelijke wegen benodigd. Naast de nabijgelegen wegen ligt ten noordwesten van het plan Vliegbasis Woensdrecht. Ten gevolge van de aanwezige vliesbasis dient in de ruimtelijke onderbouwing rekening te worden gehouden met luchtvaart- en industrielawaai. De cumulatieve geluidsbelasting bedraagt op enkele woningen en appartementen ten hoogste 55 dB. Daarmee is in het kader van een goede ruimtelijke ordening nog steeds sprake van een redelijk woon- en leefklimaat. Omdat het plan niet binnen de zonering van een weg ligt kan er geen hogere waarde worden vastgesteld. Voor een optimaal woon- en leefklimaat wordt echter geadviseerd om het akoestisch klimaat in de woningen en
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 36/55
appartementen (het zogenaamde binnenniveau) van maximaal 33 dB te garanderen. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen wordt daarom geadviseerd om een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels uit te voeren voor enkele woningen en appartementen. Conclusie Conform het Bouwbesluit 2012 dient de geluidwering van de gevel, met een minimum van 20 dB, zodanig te zijn dat het resulterende geluidniveau in de woning niet meer bedraagt dan 33 dB voor wegverkeerslawaai. Er is dan sprake van een optimaal woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.8
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. In de (directe) omgeving van het plangebied komen immers diverse functies voor, die voornamelijk zijn gerelateerd aan de Bergsestraat die fungeert als hoofdweg bij het ‘functionele centrum’. Het betreft de functies detailhandel, dienstverlening en horeca, in combinatie met wonen. Op grond daarvan kan het plangebied worden beschouwd als gelegen in een gemengd gebied. Richtafstanden uit de VNG-brochure kunnen derhalve met één afstandstrap worden verlaagd.
Een analyse van de rechtstanden van de ontwikkeling tot de bestaande inrichtingen in de omgeving is onderstaand opgenomen.
Inrichting, bestemming
SBI Omschrijving
Richtafstand (m)
Gemeten
Gemengd gebied
Afstand (m) tussen
Brandweer, Canadaplein 3
Brandweerkazerne
30
bestemmingen 30
Canadaplein 1, Supermarkt
Detailhandel voor zover n.e.g.
0
0
Bergsestraat 3, Kapsalon Pascal
Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten
0
40
Bergsestraat 5, Stultiëns Assurantiën
Apotheken en drogisterijen
0
45
Boomstraat 1, Onze Lieve Vrouwen Hemelvaartkerk
Kerkgebouwen e.g
10
50
Boomstraat 2, eetcafé de Kroon
Restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.
0
40
Dorpsstraat 5, Alexander Aerden Autobanden
Reparatie t.b.v. particulieren (excl. Auto’s en motorfietsen)
0
40
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 37/55
Aannemersbedrijf P. Michielsen
Aannemersbedrijven werkplaats: b.o. <1000 m2
met
10
60
Overzicht richtafstanden tot plangebied, gebaseerd op een gemengd gebied. Bron: VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’.
Ten behoeve van het planvoornemen worden er 9 grondgebonden rijwoningen aan de Bergsestraat 10 gerealiseerd. Aan het Canadaplein worden 13 appartementen verdeeld over drie bouwlagen en een supermarkt in de eerste bouwlaag van het appartementsgebouw gerealiseerd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Brandweerkazerne Uit een scan van omliggende functies blijkt dat nèt wordt voldaan aan de afstand van nieuwe gevoelige objecten tot aan de bestaande brandweerkazerne. Er wordt 30 meter gemeten tot de brandweerkazerne, terwijl een richtafstand van 30 meter wordt voorgeschreven. Uit rechtspraak inzake een gelijke, kleine brandweerkazerne in Ooltgensplaat, blijkt dat geluidhinder afkomstig vanaf een kleine brandweerkazerne niet zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende gevoelige objecten. Voor een brandweerkazerne, in de VNG-brochure opgenomen onder code 7525 van de Standaard Bedrijfsindeling, geldt een afstand van minimaal 50 meter. Deze afstand wordt met name bepaald door het aspect geluid.
De verkeersaantrekkende werking van een brandweerkazerne is volgens de brochure beperkt. Wat betreft de te verwachten hinder stelt de Afdeling voorop dat het in een geval van een relatief kleine brandweerkazerne geen nadelige effecten zal hebben op het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige objecten [ECLI:NL:RVS:2002:AE4658, r.o. 2.6.2]. Ook hier in Huijbergen gaat het om een kleine brandweerkazerne, waarbij de brandweer incidenteel oefeningen uitvoert of daadwerkelijk uitrukt. Daarbij wordt de sirene van de Brandweer pas aangezet buiten de inrichting, in het openbaar gebied. Deze conclusie is gebaseerd op onderstaande informatie, ontvangen van de brandweer zelf. •
•
De brandweer rukt 25x uit op jaarbasis, dit is gebaseerd op gegevens van 2019 t/m 2021. Daarvan wordt in de helft gevallen met Prio 1 opgetreden, dit betekent met sirenes en zwaailampen. Overige gevallen zijn zonder sirene en zwaailampen. De sirenes en zwaailampen worden buiten de inrichting aangezet; De brandweer oefent iedere maandagavond met uit zondering van de schoolvakanties en af en toe extra op zaterdag (ca 15 keer op jaarbasis). Deze oefeningen kunnen binnen of op het buitenterrein plaats vinden. Dit is afhankelijk van de oefeningen. Bij oefeningen op het buitenterrein kunnen slijp, zaag of knip werkzaamheden betreffen. Bij oefeningen worden geen sirenes gebruikt. Mogelijk wel even kort checken van de sirene ivm voertuigcheck. Een oefenavond duurt max 2,5 uur.
Supermarkt Ondanks dat de supermarkt voldoet aan de richtafstanden is het een bijzonder geval. Denk aan de bijkomende laad- en los plek, ventilatie en een parkeerplaats die zorgen voor een geluidstoename op de gevoelige functies. Econsultancy heeft ten aanzien van de effecten van de verplaatste supermarkt een akoestisch onderzoek industrielawaai industrielawaai uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging voor Canadaplein 1 te Huijbergen. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage 10 bij onderhavige toelichting. Gebleken is dat aan de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit de publicatie bedrijven en milieuzonering wordt voldaan. Voor de maximale geluidniveaus vindt een overschrijding plaats zowel bij de
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 38/55
nieuwe appartementen als bij de bestaande woningen. De overschrijding wordt veroorzaak door enerzijds de stalling en het rijden met winkelwagens, anderzijds door het rijden met rolcontainers en het arriveren en vertrekken van de vrachtwagen gedurende vier keer per dag. Alle maatregelen die kunnen worden genomen om de maximale geluidniveaus te reduceren zijn doorgerekend in het onderzoek. Het gaat om de volgende maatregelen: • asfaltverharding parkeerterrein; • vellingloze tegelverharding trottoir; • akoestisch optimale situering volledig overdekte winkelwagenstalling; • luifel ter plaatse van laad- en loslocatie met een dockshelter; • direct uitschakelen van de koelmotor van de geconditioneerde vrachtwagens en het rustig optrekken van vertrekkende vrachtwagens; • kunststof winkelwagens. Vanuit een goede ruimtelijke ordening kan het bevoegd gezag motiveren waarom de geluidsbelasting in de concrete situatie acceptabel is, waarbij mede de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidsbelasting moet worden betrokken. Er treden geen overschrijdingen van de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus op. Enkel voor maximale geluidniveaus is sprake van overschrijdingen van de richtwaarden. Gezien het kortstondige verhogingen van de geluidsniveaus betreft is er geen sprake van een cumulatie van geluid.
Uitgangspunt is dat de aanwezigheid van een supermarkt in deze kleine kern van slechts 800 huishoudens een primaire levensbehoefte vormt. De aanwezigheid bovendien van een supermarkt in de kern zelf is belangrijk om de levendigheid en de leefbaarheid op peil te houden. De combinatie van een supermarkt met appartementen geeft uitvoering aan het streven om de woonfunctie in de kern te verstevigen en zo leegloop en leegstand te voorkomen. De consequentie van een combinatie van supermarkten en appartementen is dat de geluidbelastingen als gevolg van het rijden met winkelwagens en bevoorrading op piekmomenten hoog kan zijn. Om het woon- en leefklimaat in de woningen (binnenniveau) te kunnen garanderen wordt voor de nieuwe appartementen een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd. Voor de bestaande woningen wordt geconstateerd dat deze lagere overschrijdingen hebben, waardoor het vereist binnenniveau in de goed onderhouden woningen zal worden behaald. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering is geen belemmering voor onderhavig initiatief. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt voldaan aan de richtwaarden voor de langtijdgemiddelden.
Om geluidsbelasting van piekmomenten te reduceren, wordt ten tijde van de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen een akoestisch onderzoek voorgeschreven ter waarborging van het binnenklimaat in de nieuwe appartementen aan het Canadaplein 1. 4.9
Externe veiligheid
4.9.1
Inrichtingen en externe veiligheid
Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 39/55
op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een LPG opslag bij een tankstation aan de Bergsestraat. De grens van de inrichting ligt op een afstand van circa 180 meter tot het plangebied. Er geldt voor LPG opslag een plaatsgebonden risicocontour van 25 meter en een groepsrisicocontour van 150 meter. Het initiatief ligt buiten die zones. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de inrichting zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied.
Uitsnede risicokaart met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster. Risicokaart, 2020
Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 40/55
4.9.2
Transport en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicorelevante transportassen gelegen (zie voorgaande uitsnede van de risicokaart).
De OMWB heeft in 2018 een inventarisatie gedaan naar transporten over gemeentelijke en provinciale wegen. Volgens deze inventarisatie vinden er ter hoogte van het plangebied 50 transporten van brandbare gassen (stofgroep GF3) per jaar plaats. Het plangebied ligt binnen 200 meter van deze transportroute. Om die reden moet worden getoetst aan de artikelen 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In de huidige situatie is sprake van een supermarkt en een voormalig gemeentehuis. In de nieuwe situatie verdwijnt het gemeentehuis, wordt de supermarkt verplaatst en worden er 22 woningen gerealiseerd. Per woning wordt gerekend met 2.4 personen, waarvan 50% overdag aanwezig zijn en 100% ’s nachts. Dat levert respectievelijk 27 en 53 extra personen op. Ter bepaling van de personendichtheid zijn de bevolkingsgegevens binnen het invloedsgebied van GF3 opgevraagd uit de BAG-populatieservice. Voor de toetsing aan vuistregel is van twee vlakken de personendichtheid bepaald. In tabel 1-9 van bijlage 1.2.3.2 van de Hart valt af te lezen dat bij 200 personen/ha op 10 meter van de weg de drempelwaarde 70 DF3-transporten bedraagt. Dat betekent dat 10% van de oriëntatiewaarde zowel in de huidige en toekomstige situatie niet wordt overschreden.
In onderhavig geval is sprake van zelfredzame personen (woonbestemming), dus kan gebruik worden gemaakt van de Standaard Verantwoording Groepsrisico van de gemeente en het bijbehorende standaardadvies van de Veiligheidsregio. Het standaardadvies is toegevoegd als bijlage 11. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.9.3
Buisleidingen en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 41/55
verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Ten noorden van het plangebied ligt een drietal 66.2 bar aardgastransportleidingen. Voor deze leidingen geldt in het kader van Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) een verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Uit de overlegreactie op het plan ‘Bebouwde kom Huijbergen, 1e herziening” (augustus 2012) van de N.V. Gasunie blijkt dat de 100% letaliteitsgrens (35 kW/m2 contour) van de drie leidingen tussen de 140 en 180 meter van de leidingen ligt. Binnen deze contour is sprake van geen of van een geringe toename van het groepsrisico. Conclusie Het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect buisleidingen en externe veiligheid. 4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen.
In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 42/55
grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 9 grondgebonden woningen, 13 appartementen en een supermarkt in de plint van het appartementsgebouw. De verkeerstoename daarvan is 39 extra verkeersbewegingen per etmaal. Deze toename is ingevuld in de NIBM-tool. Daaruit blijkt dat het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de (verslechtering van) de luchtkwaliteit.
Worst-case benadering voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit
Bovendien is blijkens de kaart stikstofdioxide 2021 (NO2) en Fijnstof 2021 (PM10) van het RIVM ter hoogte van Hoogerheide (drukkere wegen) al geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide (informatie verkregen via https://www.nsl-monitoring.nl/viewer). Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. 4.11 Gezondheid en veehouderij Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woonen verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 43/55
de bestemmingsplantoets wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. De normen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaard geurnormen volgens de Wet geurhinder en veehouderij zijn in navolgende tabel opgenomen. Ligging geurgevoelig object
Binnen bebouwde kom
Buiten bebouwde kom
Concentratiegebied
3 ouE/m3
14 ouE/m3
Geen concentratiegebied
2 ouE/m3
8 ouE/m3
Tabel: standaard geurnormen in concentratiegebieden en buiten concentratiegebieden De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt 'achtergrondbelasting' genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. Beoordeling Voorgrondbelasting Het grondgebied van de gemeente Woensdrecht is niet gelegen in een door het Rijk aangewezen concentratiegebied, waardoor voor het plangebied, gelegen binnen de bebouwde kom, voor een geurgevoelig object conform de Wet geurhinder en veehouderij voor de voorgrondbelasting een standaardnorm van 3 ouE/m3 geldt. Bij een inventarisatie via het BVB Brabant is gebleken dat aan de Bergsestraat 28 te Huijbergen volgens de BVB melkvee wordt gehouden. Voor deze dieren is geen geuremissiefactor vastgesteld. Op grond van artikel 4 lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij geldt een minimale afstand van 100 meter binnen de bebouwde kom. In dit geval geldt echter dat rond de melkveehouderij aan de Bergsestraat 28 diverse andere burgerwoningen gelegen zijn die maatgevend zijn. Het agrarisch bedrijf wordt dan ook niet door de ontwikkeling in zijn uitbreidingsmogelijkheden beperkt. Tevens is hier al sedert 2007 geen vee meer gehouden.
Achtergrondbelasting Het plangebied is gelegen in een gebied waar op basis van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat. Gezien er in de nabije omgeving slechts beperkt veehouderijen aanwezig zijn en gelet op de ruime afstand hiervan tot het plangebied, biedt deze kaart een acceptabele indicatie van de kwaliteit van de leefomgeving, met de geurbelasting weergegeven in ouE/m3. De achtergrondbelasting ter hoogte van het plangebied is goed (0-3 ouE/m3). Gelet op de kwalificatie van het woon- en leefklimaat, is binnen het plangebied ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 44/55
Indicatie achtergrondbelasting geur. Bron: ODZOB, 2021.
Veehouderijen gelegen binnen een straal van 2 km van het plangebied. Bron: Kaartbank Provincie Noord-Brabant, 2022.
Geitenhouderijen Op basis van het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies), een analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio- aerosolen’ (RIVM, 2017) blijkt dat bewoners binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij een verhoogde kans hebben op longontsteking. Op bovenstaande kaart zijn alle veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer van het plangebied weergegeven. Binnen deze straal bevinden zich 25 veehouderijen, waarvan een veehouderij met het primaire bedrijfstype ‘Geiten’: • Weg naar Wouw 1 (afstand van ongeveer 400 meter);
datum referentie
17 mei 2022 194441_AdB_RAP_0001_v4.0
P 45/55
De afstand van het plangebied tot de veehouderij is met ongeveer 0,4 km binnen een straal van 2 km. Gelet op het feit dat het maar één veehouderij is binnen een straal van 2 km vormt het gezondheidsaspect geen groot risico. Bovendien vindt het bevoegd gezag het acceptabel dat in Huijbergen wordt gewoond door ongeveer 800 bewoners op een vergelijkbare afstand tot de geitenhouderijen. Uit het ‘Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO)’ blijkt ook dat de kans op vermindering van de longfunctie, luchtwegklachten en het mogelijk optreden van longontstekingen voornamelijk optreden bij mensen die woonachtig zijn nabij 15 veehouderijen of meer (binnen een straal van een kilometer). Het gaat dan dus om concentratiegebieden van veehouderijen. Hiervan is in onderhavig geval geen sprake. Gemeenten hebben vrijheid bij de ruimtelijke afweging van belangen, blijkt uit uitspraken van de Raad van State. Indien het belang van volksgezondheid in relatie tot geitenhouderijen is afgewogen, maar een zwaarwegender belang is bij de realisatie van woningbouw, dan kan een gemeenteraad een bestemmingsplan vaststellen (o.a. 7 oktober 2020, Bernheze/Vorstenbosch, ECLI:NL:RVS:2020:2491, r.o. 4.3 en 4.4).
Gelet op de geruime afstand tot het plangebied, kan geconcludeerd worden dat eventuele gezondheidsaspecten vanwege geitenhouderijen derhalve niet van invloed zijn op het ruimtegebruik binnen het plangebied. Tenslotte is op basis van art. 2.71 en 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant omschakeling naar of nieuwvestiging van een geitenhouderij uitgesloten. Conclusie Ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd. Omgekeerd hindert onderhavig planvoornemen omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering. 4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 2.
Beoordeling Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden kan in een later stadium zekerheidshalve een KLIC-melding worden uitgevoerd. 1 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én