CConstaterende datwoensdrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-07-07 Bijlage 7. Ruimtelijke onderbouwing Windpark ZEBRA inclusief alle bijlagen.pdf

Raadsvergadering 7 juli 2021, gemeente woensdrechtBij agendapunt: Concept advies inzake ontwikkeling windpark ZEBRA39.456 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

26

Woningen in België staan niet aangegeven in de figuur, maar worden wel meegenomen. De dichtstbijzijnde woningen in België zijn gelegen aan de Antwerpsebaan (Antwerpen) op 1,5 kilometer van de oostpunt van het plangebied. Overige afstanden zijn groter.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 40

Sport/recreatie Aan de westelijke zijde van het Schelde-Rijnkanaal bevindt zich het golfterrein van de Golfclub Reymerswael en een schietbaan. Ten noordwesten hiervan bevindt zich een terrein voor motorcross en een terrein waar gevlogen wordt met gemotoriseerde modelvliegtuigen.

3.1.2 Infrastructuur In en nabij het plangebied is de volgende grootschalige infrastructuur aanwezig (zie ook Figuur 3.3): •

Schelde-Rijnkanaal en het Spuikanaal Bath met bijbehorende waterkering;

•

een rioolleiding langs het Schelde-Rijnkanaal;

•

ondergrondse transportleidingen (leidingenstraat door het plangebied voor aardgas en andere gevaarlijke stoffen, als ook aardgasvervoerinstallaties van Fluxys direct ten zuiden van de grens zijn in België) en bijbehorende installaties zoals het gasstation bij de Grensweg;

•

Rijksweg A4 tussen Bergen op Zoom en de Belgische grens (richting Antwerpen);

•

enkele lokale wegen in en om het plangebied;

•

hoogspanningsverbinding (bestaand, nieuwe 380 kV hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost en geplande verzwaring van 150 kV naar 380 kV hoogspanningsverbinding Brabo in België).

Figuur 3.3 Ligging infrastructuur in de omgeving van het plangebied

3.1.3 Bestaande windparken en windturbines In en om het plangebied zijn een aantal bestaande windparken aanwezig zoals weergegeven in Tabel 3.1 en Figuur 3.4.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 41

Tabel 3.1 Gegevens windparken huidige situatie Windpark Kreekraksluizen

Windpark Bath

Windpark AnnaMariapolder

Windturbine Grindweg

Windpark Kabeljauwbeek

Windturbinetype

Nordex N100

Vestas V47

EWTDirectwind 900/52

Neg Micon

Nordex N117

Aantal turbines

33

2

16

1

5

Ingebruikname

2013*

2000

2009

2001

2020

Vermogen per turbine

2,5 MW

0,66 MW

0,9 MW

900 kW

3,6 MW

Ashoogte

80 meter

55 meter

75 meter

60

120 meter

Tiphoogte

130 meter

78,5 meter

101 meter

86

178,5 meter

In het Antwerpse havengebied zijn daarnaast een aantal windturbines aanwezig (zie ook Figuur 3.5) en een groot aantal nieuwe windturbines voorzien (op grotere afstand van het plangebied). Figuur 3.4 Ligging bestaande windturbines plus geplande zonneparken

Bron: Figuur 10.5 van bijlage 1 MER

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 42

3.1.4 Natuur Natura 2000 In de omgeving van het plangebied zijn meerdere Natura 2000-gebieden gelegen die zijn aangewezen als Habitat- en Vogelrichtlijngebieden27. Het betreft de volgende gebieden tot een afstand van 10-15 kilometer van het plangebied (zie ook Figuur 3.5): •

Westerschelde & Saefthinge circa 0,5 kilometer ten westen van het plangebied;

•

Schorren en Polders van de Benedenschelde circa 1 kilometer ten zuiden van het plangebied in België;

•

Brabantse Wal circa 1,5 kilometer ten oosten van het plangebied;

•

Markiezaat circa 3,5 kilometer ten noorden van het plangebied;

•

Oosterschelde circa 3,5 kilometer ten noordwesten van het plangebied;

•

Zoommeer circa 5,5 kilometer ten noorden van het plangebied;

•

Kalmthoutse Heide circa 6,5 kilometer ten oosten van het plangebied;

•

Kuifeend & Blokkersdijk circa 8,5 kilometer ten zuiden van het plangebied in België.

Figuur 3.5 Ligging Natura 2000-gebieden

Bron: Figuur 8.2 van bijlage 1 MER

Aan de overzijde van de Schelde, op ruimte afstand van het plangebied, is daarnaast de Hedwige- en Prosperpolder in ontwikkeling als een gezamenlijk natuurontwikkelingsproject tussen België en Nederland.

27

De afstand van 70 kilometer is gekozen omdat dit de grootste maximale foerageerafstand betreft van een vogelsoort (aalscholver) waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in een of meerdere Natura 2000 gebieden.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 43

Het doel is om in de Schelde meer getijdegebieden te verwezenlijken. De werkzaamheden zijn gestart en het project kan waarschijnlijk eind 2023 worden afgerond.

Natuurnetwerk Zeeland/ Natuurnetwerk Brabant Uit kaartmateriaal van de provincie Zeeland en provincie Noord-Brabant blijkt dat blijkt dat enkele delen van het plangebied deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) of Natuurnetwerk Brabant (NNB) (zie Figuur 3.6). Het zijn vooral lijnelementen met uitzondering van de voormalige Schor Ossendrecht. Figuur 3.6 NNZ/NNB gebieden rond windpark ZE-BRA met beheertypen

Bron: Bureau Waardenburg

De voormalige schor Ossendrecht (rood weergegeven in Figuur 3.6) is een klein natuurgebiedje met een oppervlakte van 56 ha en is eigendom van Staatsbosbeheer. Oorspronkelijk was dit een grensoverschrijdend schorrengebied in de Westerschelde. Door de uitbreiding van de Haven van Antwerpen in noordelijke richting, en vooral door de aanleg van het Schelde-Rijnkanaal, (geopend in 1975) ging er 600 hectare schorrengebied verloren en kwam het gebied geïsoleerd te liggen ten opzichte van de Westerschelde. Het overgebleven gebied werd ingedijkt en bestaat tegenwoordig uit verruigd cultuurgrasland.

Overige gebieden Er zijn in de ruime omgeving van het plangebied geen provinciaal beleidsmatig beschermde akkervogel-, weidevogel- of ganzenopvanggebieden aanwezig. Er liggen binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied wel enkele kleine gebieden die aangewezen zijn als ‘agrarisch natuurtype’. Gebieden aangewezen als ‘Groenblauwe Mantel’ in de

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 44

provincie Noord-Brabant zijn op zodanige afstand van de windturbines gelegen dat effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. Stiltegebieden De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant heeft gebieden aangewezen als stiltegebieden. Er ligt een stiltegebied op ruim 4 kilometer ten oosten van het plangebied in de provincie Noord-Brabant. De Omgevingsverordening Zeeland 2018 heeft gebieden aangewezen als milieubeschermingsgebied, die feitelijk als stiltegebieden gelden. In de nabijheid van het plangebied geldt een stiltegebied over de Westerschelde op circa 500-1.000 meter van de rand van het plangebied. Er ligt daarnaast op iets grotere afstand ook een milieubeschermingsgebied ter plaatse van de Oosterschelde.

3.1.5 Radar en vliegverkeer Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de defensieradar van Wemeldinge 28 en de defensieradar Woensdrecht, dit zijn gebieden als bedoeld in het Barro en Rarro (zie paragraaf 2.1.2 onder ‘Defensieradar’). Langs het Schelde-Rijnkanaal is er walradar aanwezig om het scheepverkeer te begeleiden, dit is de zogenoemd ‘Schelderadarketen’ (SRK). Voor militaire luchtbasis Woensdrecht is een procedure lopende om de luchthaven te voorzien van zogenoemde ‘outer horizontal surface’ zones met bouwhoogtebeperkingen vanwege aanvliegroutes van de militaire luchthaven. Het is niet bekend wanneer de zones worden vastgesteld, vooralsnog hebben ze geen status.

3.2 Landschappelijke structuur Ontstaansgeschiedenis Het plangebied is onderdeel van Zuid-Beveland waar een grote verscheidenheid aan polderlandschappen aanwezig is. Deze landschappen kennen een eeuwenoude ontstaansgeschiedenis. De dynamische Scheldedelta heeft er in de loop van de eeuwen voor gezorgd dat de Bevelanden zijn ontstaan, zijn gegroeid maar ook weer gekrompen. Zuid-Beveland is ontstaan uit een reeks eilandkernen waarvan sommige nog te herkennen zijn door de aanwezigheid van karakteristiek oudland. Tussen de eilanden liep een stelsel van grote en kleine geulen en kreken. Ook het plangebied was vroeger een brede rivierarm, een zijtak van de Schelde die een heldere grens vormde tussen wat we nu kennen als het Zeeuwse ZuidBeveland en de Brabantse Wal. Vanuit de eilandkernen worden deze geulen tussen 1300 en 1900 stukje bij beetje ingepolderd. Door dit geleidelijke proces van inpolderingen zijn de eilandkernen aaneengegroeid. Vooral aan de zijde van de Brabantse Wal is heeft proces in kleine stapjes plaatsgevonden door middel van de realisatie van zogenaamde op- en aanwaspolders. Deze polders liggen als schillen aan de Brabantse wal en kenmerken zich door de grote dichtheid van dijken in het gebied.

Voorbeelden van dit soort polders in het plangebied zijn onder andere: de oude en nieuwe Hinkelenoordpolders, de van der Duijnspolder, de Damespolder, Anna-Mariapolder en de Völckerpolder. Vanuit de Zeeuwse zijde heeft de inpoldering in grotere stappen plaats gevonden. Dat zie je terug in de grootte van de polders en een meer rationele opzet, zoals de Eerste Bathpolder en de Reigersbergsche polder met centraal daarin gelegen de kern Rilland.

28

Recentelijk gerealiseerd als invulradar om radarpost Woensdrecht te ondersteunen.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 45

De meest recente inpoldering in het plangebied betreft de zuidelijke uitbreiding van de Kreekrakpolder. Deze vond plaats met de aanleg van de Kreekrak omstreeks 1975. Al deze polders samen kennen een overwegend open karakter en vormen daarmee een sterk contrast met de meer besloten Brabantse Wal. De markante landschappelijke overgang van de beboste Brabantse wal naar het lager gelegen, weidse Zeeuwse polderland maakt op de auto- en treinreiziger ook nu nog indruk.

Bewoning Bath is de meest nabijgelegen Zeeuwse kern en gelegen direct achter de Westerscheldedijk. Even verderop ligt Rilland. Rilland heeft een rechtlijnige dorpsstructuur die aansluit op het ontwerp van de grootschalige nieuwlandpolder. Beide zijn op de tekentafel vormgegeven in overeenstemming met het toenmalig ontwerpgedachtegoed. Het dorp kan geschaard worden onder een subcategorie van de wegdorpen, ‘het kruiswegdorp’. Verder komen er verspreid liggende erven voor in de verschillende polders al dan niet voorzien van rijke erfbeplantingen. Ossendrecht en Woensdrecht zijn de meest nabijgelegen kernen op de Brabantse Wal. Ze zijn gebouwd op de flanken van de dekzandrug en kijken uit over het aangrenzende open polderlandschap.

Infrastructuur en industrie Door de aanleg van de spoorlijn en de autosnelweg is Zuid-Beveland samen met Walcheren langer dan de andere Zeeuwse Eilanden verbonden met “het vasteland”. Omdat het smalle deel van Zuid-Beveland, tussen Kruiningen en Woensdrecht nog geen 3 km breed is, hebben spoorweg, rijksweg en de eveneens prominent aanwezige hoogspanningsleidingen een grote invloed op het landschap. Dit wordt nog eens versterkt door de doorsnijding van het Schelde-Rijnkanaal die de laatste decennia ook vergezeld wordt van windenergie. De bundeling van infrastructuur wordt bij de kanaalkruising als het ware extra benadrukt. Het Schelde-Rijnkanaal is een druk bevaren verkeerader van en naar de Antwerpse haven. Hoewel de barrière werking in de vorm van bruggen en de bijbehorende wachttijden in de afgelopen decennia is verdwenen vormt de scheepvaart een wezenlijk onderdeel van de landschapsbeleving. Tot slot is er nog de industrie en kerncentrale net over de grens gelegen in België die de horizon tekenen in de richting van het zuiden.

Beplanting In het plangebied is slechts een beperkt deel van het dijkenpatroon beplant met opgaande bomen. Het Schelde-Rijnkanaal wordt in de omgeving van het plangebied deels begeleid door robuuste beplantingen en vormt daarmee een markant element in het landschap. Daarnaast kent de A58 op enkele plekken beschuttende wegbeplanting die de in het oog springende bedrijventerreinen en kassencomplex uit het zicht haalt. Op de plekken waar de snelweg grenst aan open landschap is deze beplanting afwezig om de weggebruiker deze landschappelijke weidsheid te laten beleven. De A4, tussen knooppunt Markiezaat en de Belgische grens, ligt in tegenstelling tot de A58 vrij ‘los, zelfstandig in het landschap’ waardoor het open landschap hier minder beïnvloed wordt door deze infrastructuur.

Essentie van het landschap •

Een markante landschappelijke overgang van de beboste Brabantse wal naar het lager gelegen, weidse Zeeuwse polderland;

•

Vrij grootschalig agrarisch cultuurlandschap met een rationeel karakter aan Zeeuwse zijde en meer grillig karakter met hoge dichtheid aan dijken aan Brabantse zijde;

•

Openheid kenmerkt het plangebied, maar niet overal in gelijke mate;

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 46

•

Infrastructuur, op plaatsen voorzien van robuuste beplantingen en industrie zijn plaatselijk (zeer) dominant aanwezig.

Landschappelijke/natuurlijke waarden en elementen De Sint Martijnsdijk is als oude polderdijk een historisch landschapselement, het maakt tevens deel uit van het Zeeuwse natuurnetwerk. In het natuurbeheerplan Zeeland (2016) heeft de binnendijk een status als bestaande natuur binnendijk nieuw. Het beheertype van het gebied is kruiden- en faunarijk grasland (N12.02). de ambitie voor het gebied is ook kruiden- en faunarijk grasland (N12.02). De binnendijk maakt deel uit van het leefgebied ‘droge dooradering’. Droge dooradering kan bestaan uit allerlei landschapselementen op het platteland waarin planten- en diersoorten kunnen leven en waarlangs zij zich kunnen verplaatsen. Dat kunnen zijn binnendijken zijn maar ook overhoeken op landbouwpercelen, droge (randen van) weilanden en allerlei typen droge landschapselementen. De Ossendrechtse schor was oorspronkelijk onderdeel van een grensoverschrijdend schorrengebied in de Westerschelde. Door de uitbreiding van de Haven van Antwerpen in noordelijke richting, en vooral door de aanleg van het Schelde-Rijnkanaal ging er veel schorrengebied verloren en kwam het gebied geïsoleerd te liggen. Het overgebleven gebied werd ingedijkt en bestaat tegenwoordig uit verruigd cultuurgrasland dat begraasd wordt. De Ossendrechtse schor heeft een status als bestaande natuur en bosgebied en is in beheer bij Staatsbosbeheer.

Het beheertype van het gebied is kruiden- en faunarijk grasland (N12.02). de ambitie voor het gebied is het beheertype haagbeuken- en essenbos (N14.03). Ten oosten van de A4 is het landschapselementtype ‘Houtwal en houtsingel’ aanwezig. Houtwallen en houtsingels zijn lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Ze vormen een belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. De oostzijde van het plangebied wordt min of meer begrensd door de Brabantse Wal. De Brabantse Wal is een relatief groot en complex gebied, bestaande uit de steilrand van de Brabantse Wal zelf, de beekdalen die op deze helling afwateren, een aantal poldergebieden aan de voet van deze helling, en reliëfrijke bos-, heide- en duingebieden aan de hoge kant. Deze laatste lopen door over de Belgisch-Nederlandse grens heen.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 47

4 Planbeschrijving 4.1 Algemeen Windturbines kunnen niet overal geplaatst worden. Bij de inrichting van het gebied moet rekening worden gehouden met onder andere fysieke belemmeringen zoals woningen en wegen, landschap en voorwaarden die voortkomen uit wet- en regelgeving. Waaronder normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid (wegen en ondergrondse buisleidingen). Maar ook (wind)technische aspecten spelen een rol bij de inrichting van het gebied. Dit heeft geleid tot een tweetal inrichtingsalternatieven die in het MER op milieueffecten zijn beoordeeld en vergeleken. Op basis van het MER is een keuze voor de opstelling van het windpark gemaakt: het voorkeursalternatief (VKA) in het MER. Van het voorkeursalternatief zijn drie windturbines komen te vervallen. Het plan dat in paragraaf 4.2 is beschreven en met deze ruimtelijke onderbouwing nader wordt onderbouwd is het voorkeursalternatief minus drie windturbines en twee windturbines die enigszins zijn verschoven (zie ook Kader 4.1). Voor een nadere toelichting op de effectanalyse van de alternatieven en het voorkeursalternatief wordt verwezen naar bijlage 1 MER. In de aanvulling op het MER in bijlage 2 wordt nader beschouwd wat voor een consequenties het vervallen van drie windturbines heeft ten opzichte van het voorkeursalternatief en of de conclusies in het MER in stand kunnen blijven.

Kader 4.1 Wijziging plan van 19 windturbines (voorkeursalternatief MER) naar 16 windturbines in omgevingsvergunningaanvraag

Het voorkeursalternatief in het MER gaat uit van de plaatsing van 19 windturbines voor windpark ZEBRA in de gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht. 14 windturbines worden geplaatst in de gemeente Reimerswaal (provincie Zeeland) en 5 in de gemeente Woensdrecht (provincie NoordBrabant). 17 windturbines worden geplaatst ten westen van de snelweg A4 en 2 ten oosten daarvan. Hier is in eerste instantie ook omgevingsvergunning voor aangevraagd. De raad van de gemeente Woensdrecht is via een motie van ABZ (Algemeen Belang Zuidwesthoek), CDA en VVD in de vergadering van 1 april 2021 verzocht Windpark ZE-BRA op Woensdrechts grondgebied terug te brengen van 5 naar 3 posities door een negatief advies te geven over de twee windturbines ten oosten van rijksweg A4. Voor windturbine 16 zijn vergaande geluidreducerende maatregelen nodig om aan de geluidsnormen te voldoen. Hierdoor was voor turbinepositie 16 ook de financiële uitvoerbaarheid een aandachtspunt. Om gehoor te geven aan de omgevingsdialoog, en voor positie 16 eveneens de geluidsbelasting, is ervoor gekozen om turbines 16, 18 en 19 te laten vervallen. Daarnaast hebben twee windturbines (6 en 14) een verschuiving ondergaan. In het voorkeursalternatief trad bij toepassing van de maximale rotordiameter bij drie turbineposities (6, 13 en 14) een overdraai over wegen van waterschap Scheldestromen op.

Onder voorwaarden is het volgens de Keur mogelijk om hier ontheffing voor te krijgen. Desondanks is nogmaals bekeken of het mogelijk was om de afstand van de betreffende windturbines tot wegen van het waterschap te maximaliseren en overdraai te voorkomen dan wel te minimaliseren. Dit heeft geleid tot een verschuiving van turbineposities 6 (9 meter) en positie 14 (15 meter); positie 13 is niet aangepast.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 48

- vervolg kader 4.1 Onderhavige ruimtelijke onderbouwing gaat uit van een plan met 16 windturbines. Hiervoor is een wijziging van de ingediende omgevingsvergunningaanvraag ingediend. Aanvullend heeft deels nieuw onderzoek plaatsgevonden maar deels wordt ook voortgeborduurd op onderzoek voor het voorkeursalternatief uit het MER. In dat laatste geval wordt dat ook specifiek benoemd.

4.2 Beschrijving van het plan voor het windpark De windturbines Het windpark bestaat uit 16 windturbines met bijbehorende voorzieningen (zie Figuur 4.1). De maximale hoogte van de windturbines worden bepaald door beperkingen vanuit luchthaven Woensdrecht. De bandbreedte van de afmetingen van de windturbines is opgenomen in Tabel 4.1. De fundering mag maximaal 3 meter boven het maaiveld komen, dit maakt ruimtelijk onderdeel uit van de maximale ashoogte en tiphoogte van de windturbine.

Tabel 4.1 Gehanteerde bandbreedte afmetingen windturbines Windpark ZE-BRA

Bandbreedte

Ashoogte

Rotordiameter

Tiphoogte (max)

Tiplaagte(min)

120-135 meter

125 -160 meter

200 meter

40 meter

Figuur 4.1 Positionering windturbines in windpark ZE-BRA

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 49

Het gezamenlijk vermogen van de windturbines komt naar verwachting op circa 67,2 MW te liggen, afhankelijk van het uiteindelijk te kiezen windturbinetype (het opgesteld vermogen is vanuit ruimtelijk perspectief niet relevant). Figuur 4.2 is ter illustratie van de maximale afmetingen van de windturbines.

Sanering bestaande windturbines De sanering van de bestaande windturbines van Windpark Bath, Windpark Anna-Mariapolder en de solitaire windturbine aan de Grindweg te Woensdrecht maken onderdeel uit van het plan. Het moment van amoveren is in principe het moment waarop de windturbines het einde van hun technische levensduur hebben bereikt, over het algemeen is dit een periode van circa 25 jaar. In totaal worden er 19 windturbines verwijderd. De windturbines worden verwijderd voor in gebruik name van de nieuwe windturbines. Er is geen sprake van een zogenoemde ‘dubbeldraaiperiode’. Over het moment van slopen van deze windturbines en het laten vervallen van de geldende bestemmingen in de bestemmingsplannen zijn met beide gemeenten afspraken gemaakt in de anterieure overeenkomst. In de omgevingsvergunning wordt een voorschrift opgenomen waarin wordt vastgelegd dat de nieuwe windturbines niet eerder in gebruik mogen worden genomen dan dat de bestaande windturbines zijn geamoveerd. Figuur 4.2 Illustratie windturbine maximale afmetingen en begrippen

Kraanopstelplaats en permanente ontsluitingswegen Het plan bevat naast de realisatie van de windturbines ook alle bijbehorende voorzieningen verstaan, zoals aanpassing van bestaande wegen, aanleg van nieuwe ontsluitingswegen ten behoeve van het windpark en realisatie van kraanopstelplaatsen.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 50

De kraan wordt gebruikt tijdens de bouw, maar moet ook voor onderhoud aan de windturbines tijdens de exploitatiefase bij de windturbine kunnen komen. De kraanopstelplaatsen worden circa 50 x 70 meter. Technische uitwerking (waaronder minimale draagkracht) van kraanopstelplaatsen wordt in een later stadium bepaald tijdens de detailengineering. De opstelplaatsen worden nabij de mast van de windturbines zo veel mogelijk onder de overdraai van de windturbines gesitueerd (zie ook duiding Figuur 4.3). Voor windturbines 3, 5 en 7 geldt dat de kraanopstelplaats mogelijk binnen het invloedsgebied van de waterkering gerealiseerd kan worden en daar met positionering rekening mee gehouden moet worden (zie ook positionering ter indicatie in Figuur 4.3 en uitwerking paragraaf 5.2.2). De locatie van de windturbines dient voldoende bereikbaar te zijn voor de bouw en voor onderhoud en daarmee dient ook de aanvoerroute van materialen voldoende breed te zijn (uitgegaan wordt van 5 meter, uitgezonderd bochten en kruisingen met andere wegen, en maximaal 1 ontsluitingsweg per windturbine. Waar mogelijk worden bestaande wegen van windpark Anna-Mariapolder hergebruikt. Technische uitwerking en exacte ligging wegen wordt in een later stadium bepaald tijdens de detailengineering, een voorlopig ontwerp is ter indicatie weergegeven in Figuur 4.3.

Positionering van wegen is mogelijk in het gehele plangebied, rekening met de maximale breedte van 5 meter en maximaal één weg per windturbine. Figuur 4.3 Principeschets windpark ZE-BRA met globale positionering opstelplaatsen, wegen en inkoopstations

Aansluiting elektriciteitsnetwerk De windturbines worden met een ondergrondse kabel onderling verbonden en verbonden met het aansluitpunt op het elektriciteitsnetwerk.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 51

Parkbekabeling De aanleg van parkbekabeling en aansluitpunten heeft in beginsel geen relevante ruimtelijke impact (omdat het geen hoogspanningskabels zijn met bijbehorende beschermingszone), waardoor de aanleg van kabels ook niet verder planologisch geregeld hoeven te worden. In beginsel kunnen de kabels via privaatrechtelijke weg gelegd. Voor de volledigheid is het wel wenselijk hier te bepalen dat parkbekabeling in het gehele plangebied planologisch mogelijk is, dan wel moet zijn. De parkbekabeling wordt zoveel mogelijk aangelegd langs bestaande en nieuw aan te leggen ontsluitingswegen op een diepte circa 1-2 meter. Aansluiting openbaar net Voor de aansluiting op het openbaar net wordt uitgegaan van een 20 kV aansluiting naar het transformatorstation Rilland. Er vindt momenteel afstemming plaats met de netbeheerder over de wijze aansluiting en de offerteprocedure daarvoor is gestart. De exacte ligging van de kabels voor de aansluiting op het openbaar net dient dus nog bepaald te worden en doorloopt een eigen procedure. Inkoopstations In de turbines (of in de directe nabijheid; vergunningvrij) worden faciliteiten geplaatst voor de eerste transformatie. Er worden vervolgens maximaal twee inkoopstations voor het windpark gebouwd.

Een inkoopstation is een gebouw van dat is bedoeld voor het onderbrengen van schakel- en meetapparatuur om de windturbines te verbinden met het landelijke elektriciteitsnet. De exacte locatie, omvang en verdere invulling wordt in een nadere uitwerking gekozen in overleg met de netbeheerder. De inkoopstations worden elk maximaal 100 m2 groot en maximaal 5 meter hoog en worden gerealiseerd op een locatie onder de overdraai/nabij windturbine 1 en de RWZI aan de noordzijde van het plangebied en op een locatie halverwege het plangebied onder de overdraai/nabij windturbine 11 (zie Figuur 4.4). Voor realisatie van gebouwen in het buitengebied geldt een vereiste van landschappelijke inpassing. De planologische realisatie van de inkoopstations wordt in de ruimtelijke procedure meegenomen maar de omgevingsvergunning wordt later aangevraagd, de landschappelijke inpassing dient ook in dat kader nader te worden ingevuld.

Verhardingen Per windturbine wordt rekening gehouden met het grondgebruik van een diameter van maximaal 24 meter (maximaal circa 452 m2 per windturbine) voor de windturbine inclusief fundering. Daarnaast wordt rekening gehouden met een permanente kraanopstelplaats van circa 50 bij 70 meter (circa 3.500 m2 per windturbine, afhankelijk van de eisen voor het specifieke windturbinetype). De opstelplaatsen worden halfverhard met gebroken puin uitgevoerd. Voor de bouw van en het onderhoud aan de windturbine is aanvullende ruimte per turbine noodzakelijk voor het kunnen wegleggen van mastdelen, bladen en opstelruimte van hulpkranen voor de opbouw van de giek van de hoofdkraan vereist. Dit zijn tijdelijke voorzieningen en afhankelijk van de uiteindelijk te realiseren windturbinetypes en hoeven derhalve niet in deze procedure meegenomen te worden. Er is daarnaast circa 25.500 m2 aan (half)verharding nodig voor de ontsluitingswegen van circa 5 meter breed voor het windpark. Rekening wordt gehouden met een totaal (permanent) grondgebruik van circa 88.932 m2 voor het windpark (waarvan 7.432 m2 in ieder geval verhard wordt uitgevoerd (funderingen en inkoopstations) en de overige verhardingen zo mogelijk waterdoorlatend). Tijdelijke voorzieningen, zoals opslagruimte bij de opstelplaats of grotere boogstralen, hoeven niet meegenomen te worden in de ruimtelijke procedure.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 52

Figuur 4.4 Beoogde ligging (bouwvlakken) voor de twee inkoopstations

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 53

Molenaarswoningen Bij windpark ZE-BRA zijn 6 molenaarswoningen betrokken (zie Figuur 4.5). Bij molenaarswoningen (ook wel ‘woningen behorende tot de sfeer van de inrichting’ genoemd) is er sprake van een relatie tussen de eigenaren/bewoners daarvan en (de exploitant van) het windpark (zie ook Kader 4.2). Woningen die niet bij het windpark zijn betrokken worden woningen van derden genoemd. De betrokkenheid van de molenaars en molenaarswoningen bij het windpark zijn in aanvullend privaatrechtelijke afspraken met de desbetreffende eigenaren/bewoners vastgelegd. De adressen van de molenaarswoningen en hun bindingen staan weergeven in Tabel 4.2. Een woning kan als molenaarswoning worden beschouwd wanneer er sprake is van een technische binding (investeerder/aandeelhouder windpark, lid vereniging), organisatorische binding (investeerder/initiatiefnemer en lid vereniging) en functionele samenhang of binding (inbrenger grond, ter plaatse wonend en functie als toezichthouder). De verhouding van het aantal molenaarswoningen in relatie tot het aantal windturbines is ook relevant (zie alles Kader 4.2). Een molenaarswoning kan betrokken zijn bij meerdere windparken. Figuur 4.5 Ligging molenaarswoningen windpark ZE-BRA

Tabel 4.2 Molenaarswoningen en bindingen bij windpark ZE-BRA adres

aard betrokkenheid inrichting windpark

Nieuwe Dijk 3, Ossendrecht*

inbrenger grond voor ontsluiting windturbines (opstalverlener), eigenaar is bewoner, rol als toezichthouder op de windturbines

Nieuwe Dijk 4, Ossendrecht*

inbrenger grond voor ontsluiting windturbines (opstalverlener), eigenaar is bewoner, rol als toezichthouder op de windturbines

Vijdtpolder 1, Woensdrecht

inbrenger grond voor windturbines (opstalverlener), eigenaar is bewoner, rol als toezichthouder op de windturbines

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 54

adres

aard betrokkenheid inrichting windpark

Anna Mariaweg 2, Rilland

inbrenger grond voor windturbines (opstalverlener), eigenaar is bewoner, rol als toezichthouder op de windturbines

Sint Martijnsweg 10, Rilland

inbrenger grond voor windturbines (opstalverlener), eigenaar is bewoner, rol als toezichthouder op de windturbines

inbrenger grond voor windturbines (opstalverlener), eigenaar is bewoner, rol als toezichthouder op de windturbines * Tevens molenaarswoning bij Windpark Kabeljauwbeek Sint Martijnsweg 26, Rilland

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 55

Kader 4.2 Toelichting molenaarswoningen in het licht van de recente uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State

Binnen de Wet milieubeheer (“Wm”) kunnen woningen behoren tot de inrichting, zijnde het windpark, als molenaarswoningen. De inrichting is volgens artikel 1.1, lid 1 Wm: “elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht”. Een windpark bestaat als inrichting dan uit de windturbines, eventueel transformatorstations en molenaarswoningen. Waaruit de inrichting bestaat, wordt onder meer bepaald door een (aanvraag om een) omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een inrichting dan wel een melding op grond van het Activiteitenbesluit. In ieder geval bepaald het kader uit de Wet milieubeheer of sprake is van een molenaarswoning en volgt het planologisch spoor dit kader door een dergelijke relatie kenbaar vast te leggen in een planologisch besluit. Een molenaarswoning hoeft niet meegenomen te worden bij het beoordelen van de naleving van de milieunormen uit het Activiteitenbesluit en de -regeling. Deze woning behoort namelijk tot de inrichting. Dit in tegenstelling tot een woning van een derde, waarop wel voornoemde normen moeten worden nageleefd. Of sprake is van een molenaarswoning is op grond van artikel 1.1, lid 4 Wm afhankelijk van de technische, organisatorische of functionele bindingen tussen de woning en de inrichting.

In twee aparte uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak (ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4180 en ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:295) nader invulling gegeven van de wijze waarop deze bindingen aanwezig kunnen zijn. In zijn algemeenheid geldt dat de bindingen reëel en van voldoende betekening moeten zijn, waarvoor het enkel houden van toezicht onvoldoende is. Van een organisatorische binding kan dan sprake zijn als de eigenaar van een woning tevens: •

(mede-)initiatiefnemer voor de inrichting is waartoe de molenaarswoning hoort, en/of;

• grondeigenaar van gronden die het windpark gebruikt voor de plaatsing van de turbines en/of de bijbehorende elektrische en civiele infrastructuur. Voor de functionele binding kan worden gekeken naar een tussen de eigenaar/bewoner van de molenaarswoning en de (drijver van de) inrichting gesloten overeenkomst, op basis waarvan de eigenaar/bewoner taken verricht ten behoeve van de inrichting. Voor de woningen die wel in eigendom zijn van de initiatiefnemers en/of grondeigenaar, is het volgens de Afdeling (in dat specifieke geval), onvoldoende aannemelijk dat die bindingen er zijn in het geval dat de initiatiefnemers en/of grondeigenaren daar niet zelf woonachtig zijn. Ook de verhouding tussen het aantal windturbines en het aantal molenaarswoningen is volgens de Afdeling van belang.

Omdat een omgevingsvergunning in afwijking bestemmingsplan alleen bindend is voor de vergunninghouder dient middels een kettingbeding in de overeenkomst tussen initiatiefnemers en molenaars te zijn geregeld dat de woning niet zonder meer verkocht kan worden. De bindingen van de woning/bewoner als molenaar(swoning) met het windpark dient in stand te blijven, anders ontstaat alsnog een woning van derde. Dit kan ook ondervangen worden door de molenaarswoningen als zodanig aan te duiden (met bijbehorende juridische regeling) via een (partiële) herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 56

Kader 4.3 Toepassing obstakel- of markeringsverlichting

Er worden markeringslichten op de windturbine geplaatst onder meer indien windturbines, met een hoogte van 100 meter of meer (tiphoogte) ten opzichte van het maaiveld, binnen een afstand van 120 meter van een snelweg of waterweg zijn gelegen of wanneer er sprake is van een windturbine met een tiphoogte van 150 meter. In mei 2020 is een aanpassing van de richtlijn voor de toepassing van obstakelverlichting gepubliceerd waarin onder meer alternatieve verlichtingsmethoden zijn vastgelegd ter beperking van hinder. Zo mag het rode licht in de nacht vast brandend zijn maar kan ook dat een (wisselende) lichtintensiteit kan worden toegepast, afhankelijk van de zichtbaarheid. Nieuw is dat gebruik gemaakt kan worden van obstakelverlichting op basis van naderingsdetectie. Wanneer obstakelverlichting dient te worden toegepast dienen de volgende windturbines in een windpark te worden voorzien van obstakellichten: a. windturbines op de hoekpunten van het windpark; b. windturbines op de randen van het windpark, tenzij de maximale horizontale afstand tussen twee windturbines voorzien van obstakellichten minder dan 900 meter bedraagt; c. windturbines welke in hoogte boven de omringende windturbines uitsteken. Voorstellen voor het aanbrengen van markering en obstakellichten op windturbines en windparken worden ter instemming voorgelegd aan de Inspectie, voorafgaand aan de bouw.

Overigens veroorzaken deze markeringslichten gezien de afstanden tot woningen geen lichthinder in de gangbare zin, waarbij woonruimtes in woningen door inschijnen worden opgelicht. In dit verband kan eerder worden gesproken van landschappelijke invloed, door het zichtbaar zijn van de windturbinelocatie in de nachtelijke uren.

Obstakelverlichting Voor een windturbine hoger dan 150 meter (tiphoogte) geldt dat de turbine op basis van opgave van de Inspectie Leefomgeving en Transport in het Informatieblad over obstakelverlichting (2020) 29 voorzien dient te worden van obstakelverlichting (zie ook Kader 4.3). Dit geldt dus ook voor de windturbines in Windpark ZE-BRA. Voor de windturbines wordt voor de aanvang van de bouw een definitief verlichtingsvoorstel uitgewerkt gericht op het zo veel mogelijk beperken van hinder, overeenkomstig het Informatieblad. Mogelijkheden om hinder te beperken zijn bijvoorbeeld toepassen van vastbrandende verlichting, dimmende verlicht naar gelang de zichtbaarheid en toepassen radardetectie zodat verlichting alleen aan gaat wanneer er een vliegtuig overvliegt. Een voorstel voor het aanbrengen van markering en obstakellichten op windturbines en windparken dient voorafgaand aan de realisatie van het windpark ter instemming te worden voorgelegd aan de Inspectie Leefomgeving en Transport. De op dat moment best beschikbare technieken kunnen dus ook in het verlichtingsplan betrokken worden. In de omgevingsvergunning wordt een voorwaarde opgenomen dat de windturbines moeten worden voorzien van obstakelverlichting op basis van een goedgekeurd verlichtingsplan door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILenT). 29

"Aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland - in relatie tot luchtvaartveiligheid", Ministerie van Infrastructuur en Milieu, wijziging informatieblad, IENW/BSK-2020/107085, 24 mei 2020. Geraadpleegd van: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-31428.html

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 57

Landschappelijk beeld/landschappelijke beoordeling van het windpark De maat en schaal van moderne windturbines zijn zodanig groot dat feitelijk niet gesproken kan worden van een landschappelijke inpassing, maar eerder van een landschappelijk beeld van het windpark. In paragraaf 5.2 wordt dat beeld verder geschetst en beoordeeld.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 58

5 Onderzoek 5.1 Uitgangspunten Voorbeeldwindturbine Voor het bepalen van milieueffecten wordt gebruik gemaakt van een voorbeeldturbine, omdat de keuze voor een specifieke windturbine met bijbehorende specificaties pas in een later stadium plaats vindt. Voor alle omgevingsaspecten worden berekeningen of beschrijvingen uitgevoerd voor een worst-case windturbinetype. Voor het aspect geluid wordt uitgegaan van een worst-case en ‘real-case’ windturbine, waarbij het maximale bronvermogen en de maximale tiphoogte bepalend zijn voor de maximale geluidbelasting binnen de bandbreedte van afmetingen (zie paragraaf 4.2). Voor de overige omgevingsaspecten geldt dat een windturbine met maximale afmetingen de worst-case situatie is, de onderzoekconclusies zijn dan ook geldig voor kleinere en lagere windturbinetypes dan de voorbeeldwindturbine, ongeacht hun afmetingen binnen de bandbreedte van afmetingen. Voor het aspect landschap wordt naast een windturbine met een maximale afmeting ook de toepassing van verschillende windturbinetypes in het windpark beoordeeld, binnen de gegeven bandbreedte van afmetingen. Als voorbeeldturbine is in de onderzoeken uitgegaan van een windturbine met een tiphoogte van maximaal 200 meter en een maximale rotordiameter van 160 meter.

Molenaarswoningen en woningen van derden Voor windpark ZE-BRA geldt dat er 6 molenaarswoningen zijn (zie ook paragraaf 4.2). Bij molenaarswoningen (ook wel ‘woningen behorende tot de sfeer van de inrichting’ genoemd) is er sprake van een relatie tussen de eigenaren/bewoners daarvan en (de exploitant van) het windpark. Woningen van derden zijn woningen die geen relatie hebben met het windpark. Alhoewel er voor molenaarswoningen niet aan de norm voor geluid en slagschaduw voor woningen van derden hoeft te worden voldaan is wel op alle molenaarswoningen de geluidbelasting en slagschaduwduur in beeld gebracht (zie paragraaf 5.3 en 5.4). Vanuit een goede ruimtelijke ordening dient er ook bij molenaarswoningen immers wel sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (ondanks dat er niet aan de wettelijke norm voldaan hoeft te worden).

5.2 Landschap 5.2.1 Toetsingskader Landschappelijk beeld en beoordeling van windturbines De maat en schaal van moderne windturbines zijn zodanig groot dat feitelijk niet gesproken kan worden van een landschappelijke inpassing, maar eerder van een landschappelijk beeld. Het landschappelijk beeld van het plan wordt hieronder weergegeven op basis van de landschappelijke effectbeoordeling uit het MER voor 19 windturbines door Bosch & Slabbers (zie ook bijlage 5 van bijlage 1 MER) en de aanvulling die is gemaakt voor 16 windturbines (zie ook bijlage 3 van bijlage 2 Aanvulling MER). De bijbehorende fotopunten staan weergegeven in Figuur 5.1. Door het landschap overstijgende karakter van grote windturbines en de grote zichtbaarheid vanuit de omgeving heeft de wijze waarop windturbines in het landschap geplaatst worden (de opstelling) invloed op de landschapsbeleving. Een heldere en leesbare opstelling levert een rustiger landschapsbeeld op.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 59

Figuur 5.1 Fotopunten

Bron: Projectwebsite windpark ZE-BRA30 (bewerkt naar 16 windturbines)

Het windpark ZE-BRA bestaat uit 16 windturbines. Door de turbines te concentreren langs de Kreekrak ontstaat een voortzetting van de bestaande windturbineclusters in de omgeving. Vooral op macroniveau wordt met onderhavig plan de waterwerken gemarkeerd. Daarnaast wordt aangesloten op de bestaande windturbines net over de grens in België. Ook sluit het aan op het industriële karakter van de havens van Antwerpen. Het ‘man-made’ landschap van de Kreekrak verbinding krijgt door deze concentratie van windenergie nog extra betekenis. Een andere belangrijke landschappelijke kwaliteit van het plan is dat er meer sprake zal zijn van een continu opstelling van windturbines dan nu het geval is. Door een individuele windturbine en een clusters van kleinere turbines met sterk afwijkende verschijningsvorm te vervangen door types die passen bij deze tijd ontstaat meer kwaliteit in het landschap ten opzichte van de huidige situatie. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van visualisaties op verschillende gezichtspunten. Effect door het windpark op het landschap is op de volgende criteria weergeven: 1. invloed op de aanwezige landschapsstructuren (macro-schaalniveau); 2. aansluiten bij het waterwerk van de Kreekrak (meso-schaalniveau); 3. beeldbeleving vanuit de kernen; 4. configuratie en herkenbaarheid (lokaal schaalniveau); 5. invloed op de visuele rust (en obstakelverlichting).

30

https://www.eneco.nl/over-ons/wat-we-doen/duurzame-bronnen/windpark-zebra/

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 60

Toepassing verschillende afmetingen windturbines in het plangebied De invulling van het plan wordt in belangrijke mate door het aspect radarverstoring bepaald (zie ook paragraaf 5.9.2). De concrete windturbinekeuze wordt pas in een later stadium gemaakt. Daarom wordt de omgevingsvergunning aangevraagd voor een bandbreedte qua afmetingen (zie ook paragraaf 4.1). Vanwege radarverstoring is het mogelijk, afhankelijk van de definitieve windturbinekeuzes, dat er windturbines met een verschillende verschijningsvorm31 worden gerealiseerd binnen de bandbreedte qua afmetingen. Voor het criterium ‘configuratie en herkenbaarheid’ is dus ook specifieke een beoordeling gegeven voor de een drietal scenario’s op basis van bijlage 5 van bijlage 1 MER (voor 19 windturbines) én bijlage 3 van bijlage 2 Aanvulling MER (voor 16 windturbines): •

windpark met alle windturbines op 135 meter ashoogte en 130 meter rotordiameter (grootste ashoogte binnen bandbreedte met bijhorende kleinste rotordiameter op maximale tiphoogte 200 meter);

•

windpark met alle windturbines op 120 meter ashoogte en 160 meter rotordiameter (grootste rotordiameter op maximale tiphoogte 200 meter: worst-case);

•

windpark met een mix van twee opeenvolgende turbineklassen: 125 ashoogte en 150 rotordiameter versus 130 ashoogte en 140 rotordiameter, waarbij posities 2 t/m 5, 7, 12 en 14 het windturbinetype met de grote rotordiameter bevatten en de overige windturbines de kleine rotordiameter. De verhoudingswaarde ashoogte en rotordiameter van beide typen wijken daarmee circa 11% van elkaar af.

Figuur 5.2 Illustratie afmetingen windturbines windpark ZE-BRA in landschappelijke beoordeling vergeleken met de afmetingen van windturbines in bestaande windparken

Bon: Bosch & Slabbers, bewerking: Pondera

Voor de visualisaties32 is in deze paragraaf vooral gebruik gemaakt van de variatie ‘mix’ met twee verschillende afmetingen windturbines binnen de bandbreedte als worst-case weergave voor landschap (een rotordiameter van 140 meter met ashoogte van 125 meter en een rotordiameter van 150 meter met 31

De verschijningsvorm van windturbines is het resultaat van het samenspel van ashoogte, vorm van de gondel, mastvorm en de rotordiameter. Het zijn voornamelijk deze aspecten die samen het uiterlijke kenmerk bepalen van een windturbine. 32 Uitsneden met een beeldhoek van 60 graden van (digitale) 360 graden bolfoto’s. Voor een goede weergave kan één maal de afstandsbreedte van de visualisatie/figuur aangehouden tot aan de ogen van de kijker.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 61

een ashoogte van 130 meter, uitgaande van een tiphoogte van 200 meter), voor de variatie ‘mix’ zijn nieuwe visualisaties gemaakt voor een windpark van 16 windturbines ten behoeve van een aanvullende landschappelijke beoordeling. Voor visualisaties van 135 meter ashoogte en 130 meter rotordiameter en 120 meter ashoogte en 160 meter rotordiameter (nog voor 19 windturbines) wordt verwezen naar bijlage 5 van bijlage 1 MER en visualisaties op de projectwebsite33.

Ruimtelijke kwaliteitsverbetering (Provincie Noord-Brabant) Tegenover elke ruimtelijke ontwikkeling in het landschap dient op basis van artikel 3.31 van de Brabantse provinciale Interimverordening een kwaliteitsverbetering van het landschap te staan (zie ook paragraaf 2.3.5). Dit geldt ook voor het plaatsen van windturbines in windpark ZE-BRA, voor wat betreft de windturbines in de provincie Noord-Brabant. De provincie Zeeland kent niet een dergelijke bepaling.

5.2.2 Onderzoek Landschappelijk beeld en beoordeling van windturbines 1. Invloed op de aanwezige landschapsstructuren In windpark blijft het karakteristieke open polderlandschap grotendeels gehandhaafd. Er vindt vanuit landschappelijk oogpunt zelfs een lichte verbetering plaats ten opzichte van de huidige situatie doordat een aantal bestaande windparken met het uitvoeren van windpark ZE-BRA worden verwijderd. Het gaat daarbij onder andere om windpark Anna Maria Polder en de windturbine Grindweg, die nu juist in de open polder staan en daarom het landschapsbeeld op het macro schaalniveau negatief beïnvloeden. Met name in de beleving vanuit de A58 en het spoor blijft het beeld op de open polder in stand, waarbij enkel wijzigingen optreden in de horizon op circa 5 kilometer afstand. Een verschil in verschijningsvorm van de windturbines tussen de blijvende windparken (Kreekrak en Kabeljauwbeek) en windpark ZE-BRA heeft op dit schaalniveau een minimale invloed. Hetzelfde geldt voor de afwijkende turbines binnen windpark ZE-BRA. De visualisaties die genomen zijn op afstand van het windpark (standpunten 8 en 9) geven weer dat dit verschil alleen voor de geoefende waarnemer merkbaar zal zijn. De turbines op afstand zullen bovendien opgaan in het direct daarachter gelegen industrielandschap van de Antwerpse haven.

Het karakteristieke beeld vanuit de A58 en het spoor op de Brabantse Wal blijft nagenoeg ongestoord. Andersom zal het beeld vanaf de Brabantse Wal en de vista’s vanuit de daarop gelegen kernen op het open polderlandschap op het grote schaalniveau wel beïnvloed worden. In de vergezichten vanaf de dekzandrug zal op 2 tot 5 kilometer afstand een aaneengesloten rij windturbines beleefbaar zijn. In onderhavig plan zijn windturbine 18 en 19 gelegen ten oosten van de A4 verdwenen ten opzichte van het voorkeursalternatief in het MER. Hierdoor wordt dit cultuurhistorisch waardevol gebied en de blauwgroene mantel ten oosten van de A4 ontzien. Al met al wordt geoordeeld dat de invloed op de aanwezige landschapsstructuren (macro schaalniveau) licht verbetert ten opzichte van de huidige situatie waarin er ook al windturbines aanwezig zijn, waarbij geen significant verschil is te zien tussen de drie beschreven scenario’s qua omvang van de windturbines.

33

https://www.eneco.nl/over-ons/wat-we-doen/duurzame-bronnen/windpark-zebra/. Op de projectwebsite staan ook enkele aanvullende fotostandpunten die niet in de landschappelijke beoordelingen zijn betrokken, maar aanvullend zijn gemaakt voor communicatiedoeleinden met de omgeving. In bijlage 8 is een selectie aanvullende standpunten opgenomen voor zo ver in niet in deze ruimtelijke onderbouwing gebruikt. Alle beschikbare fotopunten staan wel weergegeven in Figuur 5.1

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 62

Figuur 5.3 Visualisatie standpunt 8 (rand Hoogerheide in zuidwestelijke richting) - windpark ZE-BRA bestaande uit windturbines met een mix van turbine-klassen met een rotordiameter van 140/150 meter en ashoogte van 125/130 meter

Bron: Pondera Figuur 5.4 Visualisatie standpunt 9 (rand Woensdrecht in zuidelijke richting) - windpark ZE-BRA bestaande uit windturbines met een mix van turbine-klassen met een rotordiameter van 140/150 meter en ashoogte van 125/130 meter

Bron: Pondera

2. Aansluiten bij het waterwerk van de Kreekrak Het windpark bestaat uit een dubbele rij met een parallelle ligging aan het Schelde-Rijnkanaal. Ze vormen daarmee een voortzetting van het bestaande windpark Kreekraksluizen. Het energielandschap Kreekrak wordt hierdoor meer herkenbaar gemaakt. Turbine 8 vormt daarop een uitzondering en verspringt in oostelijke richting duidelijk uit de dubbele belijning. Dit vindt plaats op het cruciale moment waarbij de dubbele lijn aansluiting zoekt bij het bestaande windpark Kreekraksluizen. Turbine 8 verspringt op deze overgang in tegenovergestelde richting wat leidt tot een negatief effect op het landschap. Een geringe verschuiving van de turbinepositie in westelijke richting (richting de bosrand) zou landschappelijk gezien

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 63

tot een meer samenhangend beeld leiden (zie ook Kader 5.1). Dat de dubbele lijn verspringt en niet aan beide zijden van het kanaal ligt is daarbij niet optimaal, maar van ondergeschikt belang. De turbines kennen daarnaast op dit meso-schaalniveau een vrij evenredige verdeling langs het kanaal. Er wordt hiermee aansluiting gezocht op het bestaande windpark Kabeljauwbeek. Vooral vergeleken met de huidige situatie, waarbij het cluster van windpark Anna-Maria polder, windpark Bath en de solitaire turbine van de Grindweg, zullen verdwijnen ontstaat op dit meso-schaalniveau een meer samenhangend beeld. Samen met het bestaande windpark Kabeljauwbeek en de turbines net over de grens in België is windenergie duidelijk gekoppeld aan het Schelde-Rijnkanaal en het nabijgelegen Antwerpse Havengebied. Al met al wordt ook op dit criterium een lichte verbetering gezien ten opzichte van de huidige situatie, ondanks dat windturbine 8 uit de gebogen lijnen staat, waarbij geen significant verschil is te zien tussen de drie beschreven scenario’s qua omvang van de windturbines. Kader 5.1 Toelichting noodzaak verschuiving windturbine 8 ‘uit lijn’ vanuit natuur

Windturbine 8 was oorspronkelijk bij de alternatieven in het MER in het bosje ten westen van de huidige positie geplaatst, in lijn met de andere windturbines. Vanwege de aanwezigheid van beschermde soorten in het bosje en potentiële verstoring daarvan is de windturbine voor het voorkeursalternatief verplaatst naar een locatie buiten het bosje. Om overdraai zoveel mogelijk te vermijden is de turbine behoorlijk oostwaarts op de akker komen te staan. Het is ecologisch niet wenselijk dat de turbine in het bosje komt te staan, maar op de akker. Een verschuiving richting de bosrand in combinatie met mitigerende maatregelen voor natuur (plaatsing vleermuiskasten) zorgt wel voor een ecologisch acceptabel verhaal maar er is voor gekozen om ruime afstand aan te houden toot het bosje zodat mitigerende maatregelen niet nodig zijn. In het MER en de bijbehorende bijlagen natuur wordt de noodzaak van de verplaatsing vanuit natuur nader toegelicht. De positie in onderhavig plan is ook uitvoerbaar vanuit radarverstoring, een aspect dat een nadrukkelijke invloed heeft op de positionering van de windturbines. Eventuele verplaatsing vanuit landschap iets mee naar het bosje dient vanuit uitvoerbaarheid voor radar weer opnieuw onderzocht te worden en ook voor natuur dient effect en bijbehorende mitigerende maatregelen weer nader te worden onderbouwd.

Vanuit het aspect natuur werkt de verschuiving van windturbine 8 dus positief door, vanuit landschap heeft het weliswaar een licht negatief effect maar is nog steeds aanvaardbaar, mede gezien alle belangen die meegewogen moeten worden bij de uiteindelijke opstelling van het windpark en het feit dat overall er sprake is van een verbetering is op het criterium ‘aansluiten bij waterwerk van de Kreekrak’ ten opzichte van de huidige situatie. Voor het criterium ‘configuratie en herkenbaarheid’ is er overigens sprake van een licht negatief effect vanwege de afwijkende positionering van windturbine 8 ten opzichte van de totaalopstelling van het windpark. Overall scoort het windpark voor het aspect landschap neutraal vanwege de verbeteringen die er ook optreden ten opzichte van de huidige situatie.

3. Beeldbeleving vanuit de kernen Voor wat betreft dit criterium is de beeldbeleving van het windpark vanuit de nabijgelegen kernen hier ondergebracht. Voor wat betreft dit criterium is de beeldbeleving van windpark ZE-BRA vanuit de nabijgelegen kernen hier ondergebracht. Vanuit Brabantse zijde is de beeldbeleving vanuit buurtschap de Aanwas (grenzend aan de kern Ossendrecht) in het bijzonder van belang omdat windpark ZE-BRA het

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 64

dichtst bij deze kern komt. Met het verdwijnen van windturbine 18 en 19 ten opzichte van het voorkeursalternatief uit het MER komt het windpark op grotere afstand (meer dan 1500 meter) van dit buurtschap te liggen ‘voorbij de A4’. De invloed van het windpark op de beeldbeleving vanuit de Aanwas wordt dan ook minder dominant dan in het voorkeursalternatief (zie standpunt 7; Figuur 5.6). Voor de overige kernen op de Brabantse Wal (Woensdrecht en Hoogerheide) zijn de effecten op de beeldbeleving van windpark ZE-BRA beperkt omdat dit effect enkel op macro-schaalniveau (op circa 5-6 kilometer afstand) plaatsvindt. Daarnaast zal zelfs meer dan in de bestaande situatie er sprake zijn van een rustiger totaalbeeld omdat windpark ZE-BRA beter aansluiting zoekt bij de bestaande windparken langs het Kreekrak. De solitaire turbine (Grindweg) die gaat verdwijnen levert bovendien op lokaal schaalniveau een verbetering op voor de beeldbeleving vanuit Woensdrecht (zie ook standpunt 9; Figuur 5.4). Vanuit de Zeeuwse zijde is de beeldbeleving vanuit het dorp Bath van belang. De dichtstbijzijnde windturbine van windpark ZE-BRA komt op ruim 2 kilometer afstand van de rand van de kern waardoor er sprake is van invloed op de landschappelijke beleving vanuit de kern.

De vele beplantingen, het kanaal en de dijklichamen die gelegen zijn tussen de kern en het windpark zorgen ervoor dat de mentale afstand tot het windpark groter aan zal voelen dan de daadwerkelijk gemeten afstand. Daarnaast verdwijnt met realisatie van windpark ZE-BRA windpark Bath, dat veel dichter bij de kern is gelegen. Er ontstaat zo ten opzichte van de huidige situatie een gewijzigde landschappelijke beeldbeleving vanuit Bath, zonder dat er sprake is van een significante verslechtering. Er is daarnaast ook geen sprake van insluiting van het dorp (zie standpunt 6; Figuur 5.5). Figuur 5.5 Visualisatie standpunt 6 (Westerscheldedijk, ter hoogte van Bath in oostelijke richting) - Windpark ZE-BRA bestaande uit een mix van turbine-klassen met een rotordiameter van 140/150 meter en ashoogte van 125/130 meter

Bron: Pondera

Voor Rilland is de afstand tot het windpark ZE-BRA minimaal circa 4 kilometer waardoor ook hier de effecten op de beeldbeleving enkel op macro schaalniveau plaatsvinden en zeer beperkt worden bevonden. In zijn totaliteit wordt er enkel een lichte negatieve invloed op de beeldbeleving vanuit de buurtschap de Aanwas gezien, voor overige kernen is de invloed beperkt of zelfs licht positief ten opzichte van de huidige situatie.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 65

Figuur 5.6 Visualisatie standpunt 7 (Aanwas, nabij Ossendrecht in zuidwestelijke richting) - Windpark ZE-BRA bestaande uit een mix van turbine-klassen met een rotordiameter van 140/150 meter en ashoogte van 125/130 meter

Bron: Pondera

Op het criterium ‘beeldbeleving vanuit de kernen’ is onderscheid te maken tussen de verschillende scenario’s qua windturbinetype, zoals eerder beschreven. Het scenario ‘grootste rotordiameter’ heeft een turbinetype die sterk afwijkt van de bestaande (en te handhaven) windparken Kreekrak en Kabeljauwbeek. Dit zorgt voor een onrustiger landschapsbeeld. Omdat de kernen, mede door het vervallen van twee windturbines, op grotere afstand van het windpark zijn komen te liggen (dat laatste geldt met name voor de Aanwas; Figuur 5.6), zal het verschil vanaf de kernen zeer beperkt merkbaar zijn. In zijn totaliteit is de invloed van het windpark ZE-BRA op de beeldbeleving vanuit de buurtschappen en kernen beperkt of zelfs licht positief. 4. Configuratie en herkenbaarheid Windpark ZE-BRA zoekt aansluiting op de bestaande windparken in de omgeving, Kreekraksluizen en Kabeljauwbeek, door een continuering van een dubbele lijnopstelling. Deze dubbele lijn kent afwijkingen die de leesbaarheid van de opstelling lokaal verstoren. De verstoring zit hem met name in een onregelmatige onderlinge afstand tussen de windturbines in de gebogen lijnen, waardoor vanaf bepaalde standpunten een minder herkenbare opstelling ontstaat. Een minder herkenbare opstelling gaat ten koste van een fraaie en rustige landschapsbeleving.

Met name windturbine 8 wijkt sterk af van de lijnopstelling (zie ook Kader 5.1) en dat juist op het moment dat windpark ZE -BRA aansluiting zoekt op het bestaande windpark Kreekraksluizen in tegenovergestelde richting (zie standpunt 2; Figuur 5.8). Daarnaast is er een sterke afwijking van de lijn ten noorden van windpark Kabeljauwbeek. De grotere onderlinge afstand tussen de turbines maakt de lijnopstelling hier minder duidelijk herkenbaar (zie standpunt 3, Figuur 5.8). Dit draagt bij aan een onrustig landschapsbeeld. De beoogde windturbines van windpark ZE-BRA hebben een groter formaat dan de windturbines in het bestaande windpark Kreekraksluizen (met een ashoogte van 80 meter en een rotordiameter van 100 meter). De overgang naar windpark ZE-BRA zal daarom hoe dan ook zichtbaar zijn.

Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 66

Figuur 5.7 Visualisatie standpunt 2 (kruising Anna Mariaweg/Martinushoeveweg in noordwestelijke richting) - Windpark ZE-BRA bestaande uit een mix van turbine-klassen met een rotordiameter van 140/150 meter en ashoogte van 125/130 meter

Bron: Pondera Figuur 5.8 Visualisatie standpunt 3 (Nieuwe Dijk, nabij snelweg A4, in zuidelijke richting) - Windpark ZE-BRA bestaande uit een mix van turbine-klassen met een rotordiameter van 140/150 meter en ashoogte van 125/130 meter

Bron: Pondera

Voor wat betreft de afwijkende verschijningsvorm tussen de te handhaven windturbines en windpark ZEBRA laten de scenario’s ‘grootste ashoogte’ en ‘mix’ het meest positieve effect op het landschap zien (zie ook bijlage 5 van bijlage 1 MER). Ook al zijn de turbines van een groter formaat, de mast-rotordiameter verhouding is van gelijke orde als die van de te handhaven windturbines (van windpark Kreekraksluis en Kabeljauwbeek). Zie daarvoor standpunt 3 (Figuur 5.8), waarbij op de achtergrond de rij van 5 bestaande windturbines in windpark Kabeljauwbeek te zien zijn. Scenario ‘grootste rotordiameter’ heeft een dusdanig afwijkende mast-rotordiameter verhouding dat dit leidt tot een onrustig landschapsbeeld. In combinatie met de onregelmatige onderlinge afstand en de gebogen lijnen heeft dit een negatief effect op het landschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=woensdrecht&id=261b19d6-f9a4-449e-a32e-eb0c03352b70