2021-07-07 Bijlage 5. Nota van overleg inclusief advies commissie MER.pdf
Tekst van het document
•
•
De bewoners en gebruikers van de adressen binnen een contour van 1.500 meter van het plangebied zoals opgenomen in de concept-NRD is medio juli 2020 middels een brief op de hoogte gesteld van ontwikkeling en het ter inzage gaan van de concept NRD. Eind juli 2020 zijn door de initiatiefnemers diverse huis-aan-huis bezoeken gebracht aan de omwonenden in de directe omgeving. Daar waar omwonenden aanwezig waren en waar dit werd gewenst, is mondeling toelichting gegeven op het voornemen. Daarbij zijn de twee in het MER onderzochte varianten qua windturbineopstellingen toegelicht op basis waarvan uiteindelijk het voorkeursalternatief (VKA) is gekozen. Medio februari 2021 zijn de bewoners en gebruikers van de adressen binnen een afstand van 1.000 meter vanaf de turbineposities die deel uitmaken van het VKA middels persoonlijke gesprekken geïnformeerd door de initiatiefnemers. Hiervoor is ieder adres door hen bezocht en indien men niet thuis was, is een brief achter gelaten om contact op te nemen.
25
•
•
Voor de bewoners en gebruikers van de adressen op een afstand tussen 1.000 en 1.500 meter van de zijn vier interactieve online informatiesessies georganiseerd verdeeld over de avonden op 3 en 4 februari 2021. Aan deze bewoners en gebruikers van de adressen is een brief verstuurd waarin deze sessie zijn aangekondigd en waarin is aangegeven hoe ze hierop kunnen inschrijven en deelnemen. Voor belangstellenden van de adressen gelegen tussen 1.500 en circa 2.000 meter vanaf de turbineposities die deel uitmaken van het VKA is ook een online informatieve sessie gehouden. Aan deze bewoners en gebruikers is een brief verstuurd waarin deze sessie is aangekondigd en hoe hierop ingeschreven kan worden.
Het reeds bestaande windpark Kabeljauwbeek staat in de nieuwe Zuidpolder. De Nieuwe Zuidpolder is op zichzelf niet uitgesloten voor de realisatie van windmolens middels de beleidsnotitie. Een belangrijke afweging inzake de scheidslijnen in het gebied betreft de achterliggende skyline van Antwerpen. Het verdient de voorkeur dat eventuele projecten gesitueerd worden tegen deze achtergrond en posities zich op lijnen langs de ScheldeRijnverbinding. Alhoewel het oorspronkelijke plan eind 2019 is gepresenteerd is het uiteindelijk voorkeursalternatief, waarvoor tevens de aanvraag is ingediend, pas eind 2020 begin 2021 aan de gemeenten gepresenteerd. Zoals hiervoor blijkt, hebben de initiatiefnemers ook gedurende die periode gesprekken gevoerd met omwonenden inzake de ontwikkeling van het windpark. Het streven naar draagvlak vormt een aspect dat zich vertaalt in de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van duurzame energie projecten dient te maken. Dit betreft een afweging tussen de nationale, provinciale en gemeentelijke belangen bij een duurzame energievoorziening en onder meer de belangen van omwonenden. Het project heeft na het vaststellen van het voorkeursscenario een korte doorlooptijd meegemaakt in aanloop naar de aanvraag omgevingsvergunning.
Daarnaast heeft het project te maken met veel omgevingsfactoren die van invloed zijn op de positionering en locatie keuzes. Dit maakt dat het niet zomaar mogelijk is om posities te laten vervallen en/of opnieuw te positioneren. Enkele van deze effecten zijn onder andere de defensieradar, onderlinge effecten ten opzichte van aanwezige windmolens, beperkingen/risico’s in ondergrond en afstand tot bebouwing. Ondanks de korte aanlooptijd heeft initiatiefnemer zich actief ingespannen om omwonenden te informeren en zogenaamde keukentafelgesprekken te voeren inzake de omgevingsdialoog vorm te geven. Ondanks de beperkingen voor het project heeft de inspraak gezamenlijk met de input uit de omgevingsdialoog reeds een grote invloed gehad op het project, met het afvallen van verschillende windturbines als gevolg. De omstandigheid dat een aantal omwonenden zich ondanks dit proces niet gehoord voelt en zich niet kan verenigen met het windpark of met de posities van de windturbines, betekent naar het oordeel van de gemeente niet dat het college een omgevingsvergunning voor een windontwikkeling in zijn geheel niet kan verlenen.
26
Beide gemeenten onderschrijven het belang van draagvlak voor dit project, echter het ontbreken van draagvlak op lokaal niveau in de belangenafweging is daarbij niet zonder meer het meest zwaarwegend. De door Windstil aangehaalde ‘maatschappelijke meerwaarde’ in het eerste lid van artikel 3.37 de Interim-verordening Noord-Brabant betreft een breder begrip dan het draagvlak zoals Windstil dat aandraagt. Uit de toelichting op dit artikel blijkt dat een maatschappelijke meerwaarde onderbouwd wordt door de maatregelen die zijn getroffen om de impact van de windturbines op de omgeving te beperken en de bijdrage aan andere maatschappelijke doelen. De wijze waarop de initiatiefnemers deze maatschappelijke meerwaarde wordt vormgeven, is nog onderwerp van gesprek tussen beiden gemeenten en de initiatiefnemers. Het uiteindelijke voorstel wordt toegelicht bij het ontwerp van de omgevingsvergunning. e. Vanuit de eerste benadering van het plan is een totale gebiedsbenadering aangehouden. Hierbij is vanuit de gemeente gereageerd op de beleving vanuit de kernen en het oprichten van een aaneengesloten muur van windmolens in de wijde beleving van de polder. Initieel is in gezamenlijkheid gezocht naar een mogelijk gat in de lijnopstelling waarmee mogelijk een deel van de zichtlijnen behouden zou kunnen blijven.
Het uitbreiden van het zoekgebied richting Woensdrecht was daarbij een strategische keuze om te kijken of binnen dat gebied kon worden gezocht naar geschikte locaties om de molens uit het gat in op te vangen. Na vele iteraties en onderzoeken bleek het scenario met een gat in de lijnopstelling niet uitvoerbaar vanwege de radarnormering, tevens bleek dit in de visualisaties voor het algehele gebied in plaats van een beter beeld zelfs tot een slechtere en onrustigere gebiedsbeleving te leiden. De daaropvolgende ontwikkeling is uitgegaan van een herkenbare lijnopstelling die de landschappelijke structuren en bestaande parken volgt (Kabeljauwbeek en Kreekraksluizen). Door middel van het in de schaduw plaatsen van de windturbines en onderlinge optimalisatie is een project tot stand gekomen met een ruimere opzet (minder zichtbare turbines van zuid naar noord) en meer windturbines aan de Kabeljauwbeek afgezet tegen het Antwerpse havengebied ten zuiden van Ossendrecht. Minder zichtbare windturbines (zuid naar noord), in combinatie met een ruimere opzet, zorgt voor een licht verbeterde algehele beleving van het open polder landschap dan in de oorspronkelijke windturbineopstelling uit het voorkeursalternatief.
Zoals is aangegeven in hoofdstuk 1 hebben de initiatiefnemers naar aanleiding van de motie die de gemeenteraad van Woensdrecht op 1 april 2021 heeft aangenomen ervoor gekozen om de windturbineposities 18 en 19 te laten vervallen. De vergunningaanvraag wordt hierop aangepast. Hiermee wordt in grote mate tegemoet gekomen aan de door Windstil Ossendrecht aangevoerde landschappelijke bezwaren, omdat die zich vooral richten op het vrijhouden van de Zuidpolder ten oosten van de rijksweg A4. Voorts hebben de initiatiefnemers ervoor gekozen om windturbine 16 eveneens te laten vervallen in de nieuwe turbineopstelling.
27
Het door Windstil beschreven beeld dat in de nieuwe situatie hier, in combinatie met de windturbines van Windpark Kabeljauwbeek, sprake zou zijn van een cluster aan windturbines zal om die reden niet ontstaan. De nieuwe windturbineopstelling wordt landschappelijk opnieuw beoordeeld door de gemeente Woensdrecht. De resultaten van die beoordeling worden meegenomen in het advies dat de gemeente Woensdrecht aan de gemeente Reimerswaal gaat geven. De initiatiefnemers zijn gevraagd om in de gewijzigde vergunningaanvraag een visualisatie op te nemen van de nieuwe windturbineopstelling bezien vanuit het gevraagde standpunt. Verwezen wordt naar bijlage 3 bij deze nota waar de visualisatie is weergegeven. f. Vooropgesteld dat in deze vergunningprocedure de Nederlandse geluidsnormen voor windturbines niet ter discussie staan. Wel heeft het bevoegd gezag in het kader van een goede ruimtelijke ordening te beoordelen of zich in deze situatie bijzondere omstandigheden voordoen die nopen tot het maken van een andere afweging als het gaat om de bescherming van omwonenden tegen mogelijke negatieve gezondheidseffecten als gevolg van de nieuwe winturbines. Indien het bevoegd gezag van mening is dat die bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, moet daarmee in de besluitvorming in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening mee worden gehouden.
Zoals hiervoor is aangegeven bij antwoord e hebben de initiatiefnemers ervoor gekozen om de windturbineposities 16, 18 en 19 uit het VKA uit het MER te laten vervallen. De aanvraag wordt hierop aangepast, inclusief het akoestisch onderzoek. Uit het aanvullende akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting als gevolg van de nieuwe windturbines ter plaatse van de meest nabij gelegen woningen (de adressen Langeweg 10 en 40) in Ossendrecht ruimschoots voldoen aan de wettelijk geluidsnormen (Lnight respectievelijk 31 en 34 dB en Lden respectievelijk 38 en 41 dB). Ook is beoordeeld wat het geluidsniveau wordt wanneer rekening wordt gehouden met alle andere aanwezige geluidsbronnen, zoals het industrie-, scheepvaart-, wegverkeeren raillawaai in de omgeving. Hieruit blijkt dat in de referentiesituatie ter plaatse van de woningen aan de Langeweg 10 en 40 sprake is van een redelijke akoestische situatie (vergelijk tabel 6.12 uit het MER) met een gecumuleerd geluidsniveau (Lcum) van respectievelijk 52 en 54 dB. In de nieuwe situatie, dus na de bouw van het Windpark ZEBRA, blijft dit geluidsniveau ongewijzigd. Deze resultaten geven op voorhand geen reden om te veronderstellen dat zich bijzondere omstandigheden voordoen waarom het bevoegd gezag in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet aan zou mogen sluiten bij de wettelijke geluidsnormen voor windturbines.
Evenmin valt in te zien waarom dit specifiek aanvullend voor opgroeiende kinderen anders zou moeten zijn. Daarbij speelt mee dat het een gebied betreft waar zich reeds verschillende geluidsbronnen in bevinden. Naast de bestaande windturbines van bijvoorbeeld het Windpark Anna-Mariapolder, bevindt het haven- en industriegebied van Antwerpen zich op nabije afstand alsmede de rijksweg A4 en het Schelde-Rijnkanaal.
28
Tot slot wordt nog opgemerkt dat de Commissie m.e.r. in het advies over het MER heeft aangegeven dat de kans op hinder voor omwonenden voldoende beschreven is. De commissie geeft aan dat het MER uitgebreid en voldoende aandacht besteedt aan de recente literatuur en onderzoeken met betrekking tot de kans op gezondheidseffecten als gevolg van windturbines. g. Niet valt in te zien waarom het bevoegd gezag vooruit zou moeten lopen op de mogelijke uitkomsten van een nog niet afgeronde gerechtelijke procedure op basis waarvan, mogelijkerwijs, de nu geldende geluidsnormen zouden kunnen worden aangepast. h. De nee, tenzij-benadering waaraan Windstil refereert, heeft betrekking op het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Zoals uit het MER en de ruimtelijke onderbouwing blijkt, wordt in Zeeland door de bouw van windturbine 7 het areaal van het NNN gedeeltelijk aangetast. In Noord-Brabant neemt door de bouw van de windturbines de geluidsbelasting op gronden van het NNN enigszins toe. Door uitvoering te geven aan het compensatie- en mitigatieplan van de initiatiefnemers wordt deze aantasting gecompenseerd. Gelet op alle relevante belangen is het daarom voor het bevoegd gezag desondanks aanvaardbaar dat het windpark wordt gebouwd. i.
Voor huisdieren, zoals honden en katten, maar ook voor bijvoorbeeld landbouwhuisdieren zoals paarden, zijn geen wetenschappelijke inzichten bekend inzake negatieve effecten als gevolg van windturbines. Deze worden ook niet verwacht, omdat huisdieren en landbouwhuisdieren (in tegenstelling tot wilde dieren) gewend zijn aan enige mate van verstoring als gevolg van menselijke activiteiten zoals geluid- en lichthinder. Het Poolse onderzoek waarnaar wordt verwezen door Windstil betreft enkel de resultaten van één proef naar de mogelijke effecten van windturbinegeluid op 40 ganzen. De onderzoeker concludeert zelf in het artikel dat nader onderzoek met grotere groepen dieren op meerdere afstanden van windturbines nodig is om een veilige afstand te kunnen bepalen tussen landbouwhuisdieren en windturbines. Vooralsnog ziet het bevoegd gezag daarom geen reden om nader onderzoek te doen naar dit aspect voor dit windpark.
j.
De eventuele effecten van de windturbines op beschermde diersoorten zijn in het MER en de daarbij bijbehorende ecologische studies inzichtelijk gemaakt. De beoordeling hiervan vindt primair plaats door de provincie Zeeland als het bevoegd gezag voor het verlenen van de natuurvergunning van de -ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming. Naar aanleiding van deze overlegreactie heeft overleg plaatsgevonden met de provincie Zeeland over de door Windstil Ossendrecht vermeende omissie met betrekking tot de Wespendief. De provincie Zeeland heeft aangegeven geen aanleiding te hebben dat het uitgevoerde onderzoek of de conclusie met betrekking tot de Wespendief onjuist is.
k. Verwezen wordt naar de beantwoording onder d.
29
l.
Zoals hiervoor bij antwoord d reeds is aangegeven is de wijze waarop de initiatiefnemers de maatschappelijke meerwaarde vormgeven nog onderwerp van gesprek tussen beiden gemeenten en de initiatiefnemers. De door Windstil aangereikte suggestie om een van de nieuwe windturbines als ‘dorpsmolen’ aan te merken, is aan de initiatiefnemers voorgelegd.
Wijze waarop overlegreactie wordt betrokken in besluitvorming De initiatiefnemers zijn op de hoogte gebracht van het voorstel vanuit Windstil Ossendrecht over de collectieve ‘Dorpsmolen’. Deze overlegreactie leidt verder niet tot een voorstel voor de besluitvorming.
2.10 Overlegreactie 9: Gemeente Kapelle Samenvatting De gemeente Kapelle ziet geen aanleiding om een inhoudelijke overlegreactie te geven. Beantwoording Deze overlegreactie behoeft geen beantwoording. Wijze waarop overlegreactie wordt betrokken in besluitvorming Deze overlegreactie leidt niet tot een voorstel voor de besluitvorming.
2.11 Overlegreactie 10: Elia Samenvatting Elia adviseert positief over de windturbineopstelling met dien verstande dat voor turbineposities 7 en 19 voorafgaand aan het oprichten van deze windturbines een trillingsstudie wordt uitgevoerd. Beantwoording Zoals in hoofdstuk 1 is beschreven, hebben de initiatiefnemers de aangevraagde windturbineopstelling aangepast zodat turbinepositie 19 komt te vervallen Windturbinepositie 7 blijft ongewijzigd. De initiatiefnemers zijn gevraagd om voor deze windturbine een trillingsstudie uit te voeren. Wijze waarop overlegreactie wordt betrokken in besluitvorming De initiatiefnemers zijn gevraagd om voor windturbine 7 een trillingsstudie uit te voeren. De resultaten van deze studie worden te zijner tijd aan Elia overlegt.
30
2.12 Overlegreactie 11: Het Zeeuws Landschap mede namens de Zeeuwse Milieufederatie, de Brabantse Milieufederatie en Brabants Landschap Samenvatting a. In onze reactie op de Nota Reikwijdte en Detailniveau vroegen wij u de verwachte sterfte onder vogels en vleermuizen als gevolg van de windmolens te beoordelen volgens de zogenaamde WUR-methode. In uw beantwoording heeft u aangegeven dat zal worden nagegaan in hoeverre deze methode toepasbaar en zinvol is en dat ook zal worden gemotiveerd als de methode niet wordt toegepast. In de ruimtelijke onderbouwing is de methode niet toegepast en ontbreekt de motivatie hiervoor. Wij vragen u de WURmethode alsnog toe te laten passen of te motiveren waarom dit niet wordt gedaan. b. Ook vroegen wij u de herinrichting van de Hedwigepolder te beschouwen als autonome ontwikkeling. Wij constateren dat de Hedwigepolder in de ruimtelijke onderbouwing weliswaar wordt vermeld als autonome ontwikkeling, maar dat niet is onderzocht in hoeverre deze ontwikkeling kan leiden tot veranderingen in de aanwezige vogels in het plangebied (soorten, aantallen en vliegbewegingen) en wat de gevolgen van het windpark zijn op deze nieuwe natuurwaarden. Wij vragen u om deze ontwikkeling alsnog te laten onderzoeken en te beoordelen. c.
Er is geen rekening gehouden met cumulatie van de effecten van het windpark ZE-BRA met de effecten van bestaande windmolens van de windparken Kabeljauwbeek en Kreekraksluizen. Wij vragen u de initiatiefnemers te verzoeken deze cumulatieve effecten alsnog te beoordelen. d. De initiatiefnemers vragen een vergunning aan voor een zekere bandbreedte in de maatvoering van de turbines, uitgewerkt in twee typen. Onder verwijzing naar de zorgplicht van de Wet natuurbescherming, verzoeken wij u aan de omgevingsvergunning de voorwaarde te verbinden dat alleen het type 2 gerealiseerd wordt. Dit type zal de minste nadelige gevolgen voor vogels en vleermuizen veroorzaken. Turbinetype 2 heeft de grootste ashoogte (137 m) en de kleinste rotordiameter (125 m). Hieruit kan een tiplaagte van 75 m worden afgeleid. Type 1 heeft een tiplaagte van 40 m. Daarnaast is de vrije ruimte tussen de afzonderlijke rotoren bij type 2 groter dan bij type 1. Het is bekend dat turbines met een grotere tiplaagte (grotere doorvlieghoogte) minder aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen veroorzaken. Hoewel in de natuurtoets wordt beargumenteerd dat ook de kleinste tiplaagte van 40 m geen significante overschrijding van de mortaliteitsnormen geeft, is het evident dat er minder slachtoffers zullen vallen bij een grotere tiplaagte.
Tevens geeft turbinetype 2 naar verwachting minder barrièrewerking, als gevolg van de grotere vrije tussenruimte tussen de afzonderlijke rotoren. Vogels zullen de lijnopstelling van de windmolens hierdoor minder snel als barrière ervaren en gemakkelijker (met minder energieverlies) tussen de rotoren doorvliegen.
31
e. Het plan voorziet niet in een stilstandvoorziening voor vogels. Onder verwijzing naar de zorgplicht van de Wet natuurbescherming, verzoeken wij u om aan de omgevingsvergunning de voorwaarde te stellen dat de turbines geschikt worden gemaakt voor het aanbrengen van een automatische stilstandvoorziening met camera's. Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van een aantal belangrijke broed- en foerageergebieden van verschillende soorten vogels die gevoelig zijn voor aanvaring met of verstoring door windmolens. In de natuurtoets zijn deze soorten en risico's in beeld gebracht voor zover het gaat om soorten die nu al frequent aanwezig zijn in het plangebied. f. De natuurtoets besteedt ten onrechte geen of te weinig aandacht aan enkele soorten roofvogels. Van de Zeearend is bekend dat deze in aantal toeneemt in Nederland, ook in de buurt van het plangebied. Gezien de kleine populatie van de Zeearend in Nederland, geeft een enkel slachtoffer van een windmolen al een overschrijding van de mortaliteitsnorm. De groeiende aanwezigheid van de Zeearend betreft een autonome ontwikkeling waarmee rekening gehouden moet worden in het plan. Omdat de soort nu nog niet frequent in het gebied wordt waargenomen, wordt voorgesteld de voorziening zelf pas aan te brengen als blijkt dat er regelmatig zeearenden dichtbij of door het windpark vliegen.
Het is daarvoor nodig gedurende langere tijd in en rond het windpark te monitoren op vogels. Ook andere grote roofvogels als Wespendief en Rode wouw, die nu al sporadisch in het plangebied worden waargenomen, profiteren van deze stilstandvoorziening. g. Het plangebied wordt door de Wespendief gebruikt als foerageergebied. De natuurtoets is op dit punt onjuist, door te stellen dat het plangebied niet geschikt is voor de Wespendief en de soort niet recent is waargenomen. De Wespendief broedt op de Brabantse Wal en dit Natura2000-gebied is aangewezen voor de soort als broedvogel. Het gebied bevindt zich binnen de invloedsfeer van windpark ZEBRA en de soort geniet daarmee ook binnen het plangebied van het windpark bescherming met het oog op de instandhoudingsdoelen van de soort op de Brabantse Wal. h. Het plan voorziet in een stilstandvoorziening voor vleermuizen uitgaande van een algoritme dat wordt geprogrammeerd in de aansturing van de windmolens. Het voorstel is daarbij dat het algoritme wordt gebaseerd op metingen vanuit een gondel van de activiteit van vleermuizen. Dit is volgens ons onvoldoende gezien de ruimtelijke variatie in habitattypen en activiteit van vleermuizen in het plangebied, zoals beschreven in de natuurtoets. Metingen op een locatie zullen daardoor geen representatief beeld van de activiteit van vleermuizen in het gehele windpark geven.
Op grond van vleermuisinventarisatie denken wij dat op drie à vier locaties metingen verricht moeten worden voor een representatief beeld: langs het Schelde-Rijnkanaal en op enkele locaties met een afwijkend habitattype en verhoogde vleermuisactiviteit.
32
i.
Wij verzoeken u aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden te verbinden: 1. Activiteitsmetingen dienen op meerdere locaties in het windpark op rotorhoogte te worden uitgevoerd, zodanig dat er een representatief beeld van de activiteit van (verschillende soorten) vleermuizen in het plangebied ontstaat. De precieze locaties worden in overleg met de betrokken onafhankelijke vleermuisdeskundige bepaald. 2. Deze activiteitsmetingen worden gedurende de gehele operationele periode uitgevoerd (dus niet alleen in de beginfase) en het algoritme wordt hiermee regelmatig gekalibreerd.
j.
Een windpark vraagt het nodige ruimtebeslag en heeft gevolgen voor de natuurwaarden in de omgeving. Over de effecten op ecologie is nog veel onbekend. Het benutten van mogelijkheden om zowel natuurwaarden te versterken als bij te dragen aan kennisontwikkeling over mitigatie van effecten op natuur past bij een duurzaam project als het windpark ZE-BRA. Een natuur-inclusieve realisatie van het windpark zal het maatschappelijk draagvlak voor windparken kunnen versterken. Hierbij kan gedacht worden aan de onderstaande onderwerpen. 1. Het gebied rondom het park kan zodanig worden ingericht dat meer natuurwaarden in het agrarisch landschap worden gecreëerd. Hierbij kan gedacht worden aan het inrichten en beheren van overhoeken voor akkervogels zoals de Patrijs. Ten oosten van het windpark ligt momenteel een gebied dat binnen het huidige natuurbeheerplan van de Provincie Noord-Brabant is aangewezen als vochtige hooiland en kruiden- en faunarijk grasland. Hier liggen mogelijkheden voor optimalisatie van de natuurwaarden en uitbreiding van het areaal. 2. Bijkomend voordeel is dat deze ingreep de in het gebied aanwezige weidevogels uit de nabijheid van de windmolens houden. Ter bescherming van de weidevogels tegen vossen zou eventueel overwogen kunnen worden om rasters te plaatsen. 3.
Om het aantal aanvaringen met vogels te verminderen wordt momenteel in het noorden van Nederland geëxperimenteerd met de zwarte wiek. Ook het zwart schilderen van de voet van de windmolen lijkt vogelsterfte te verminderen. Naar beide minimale ingrepen zou een verkennend onderzoek, bijvoorbeeld in samenhang met de afdeling Deltatechnologie van de Hogeschool Zeeland opgezet kunnen worden naar de landschappelijke en ecologische effecten. Gezien de toenemende dichtheid van het aantal windparken in Nederland is het onderzoek naar dit soort ingrepen wenselijk om de ecologische impact van windparken minimaal te houden. 4. Voor het windpark ZE-BRA kunnen in verschillende fasen van het traject maatregelen worden genomen ten bate van de natuur en biodiversiteit, zoals het vermijden van verstoring tijdens gevoelige periodes en herbeplanting met inheemse vegetatie van tijdelijke gebruiksterreinen zodra werkzaamheden zijn afgerond.
k. Treedt in overleg met TenneT om de zichtbaarheid van deze verbinding voor vogels te verhogen. Deze hoogspanningsverbinding bevindt zich dwars op migratieroutes van onder meer ganzen en eenden. Het is bekend dat met name ganzen die in groepsverband vliegen geregeld verongelukken door aanvaring met hoogspanningsverbindingen. Door de zichtbaarheid van de draden te verhogen, bijvoorbeeld met vogelweringsspiralen ('varkenskrullen') of plastic lamellen ('klapperflappen’) zullen minder slachtoffers vallen.
33
Beantwoording a. De eventuele effecten van de windturbines op beschermde diersoorten zijn in het MER en de daarbij bijbehorende ecologische studies inzichtelijk gemaakt. De beoordeling hiervan, zowel over de gevolgde methode als de resultaten, vindt primair plaats door de provincie Zeeland als het bevoegd gezag voor het verlenen van de natuurvergunning van de -ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming. Naar aanleiding van deze overlegreactie heeft overleg plaatsgevonden met de provincie Zeeland over de onderzoeksmethode. De provincie heeft aangegeven hierover in overleg te treden met de initiatiefnemers. De uitkomsten van dit overleg worden betrokken bij het verlenen van de gevraagde natuurvergunning en -ontheffingen door de provincie Zeeland. b. In navolging van het antwoord hiervoor onder a is ook deze opmerking ter beoordeling aan de provincie Zeeland voorgelegd. De provincie gaf te kennen dat een aanvraag niet kan worden beoordeeld op toekomstige veranderingen waarover nog geen zekerheid bestaat, zoals de toekomstige situatie na het afronden van de werkzaamheden bij de Hedwigepolder of het later vestigen van een nieuwe beschermde soort zoals de zeearend. De provincie Zeeland gaf voorts te kennen over dit onderdeel geen opmerkingen te hebben richting de initiatiefnemers.
De gemeente Reimerswaal ziet naar aanleiding van deze reactie geen reden om hierover tot een ander oordeel te komen dan de provincie Zeeland. c. In navolging van het antwoord hiervoor onder a is ook deze opmerking ter beoordeling aan de provincie Zeeland voorgelegd. De provincie gaf te kennen dat cumulatie enkel onderzocht hoeft te worden voor projecten waarvoor wel al een ontheffing is verleend, maar die nog niet zijn gerealiseerd. Een cumulatiestudie met betrekking tot bestaande windparken is daarom door de provincie Zeeland niet vereist. De gemeente Reimerswaal ziet naar aanleiding van deze reactie geen reden om hierover tot een ander oordeel te komen dan de provincie Zeeland. d. De twee onderzochte varianten qua turbineafmetingen in het MER zijn variant 1 met een ashoogte van 120 meter, een rotordiameter van 160 meter en een ‘tiplaagte’ van 40 meter. Variant 2 betreft turbines met een ashoogte van 110 meter, een rotordiameter van 125 tot 130 meter en een tiplaagte van 47,5 meter. Met tiplaagte wordt hier de vrije ruimte bedoelt tussen het maaiveld en de wieken van de rotor, zie tabel 4.4 in het MER. De suggestie dat de tiplaagte daarmee 75 meter zou bedragen in variant 2 is daarmee niet correct.
Uit het MER en het natuuronderzoek blijkt voorts dat de effecten op beschermde vogelen vleermuissoorten (te verwachten aantallen aanvaringsslachtoffers) van beide varianten gelijk zijn. De initiatiefnemers hebben op grond van deze resultaten ervoor gekozen om te kiezen voor een windturbine behorende tot de klasse met een ashoogte van 120 tot 135 meter en een rotordiameter van 125 tot 160 meter (zie tabel 15.4 in het MER). Dit is ook de marge die is opgenomen in de vergunningaanvraag. De tiplaagte van de te bouwen turbineopstelling bedraagt daarmee minimaal 40 meter. Ook de door de initiatiefnemer benodigde natuurvergunning en -ontheffingen op grond van de Wnb zijn met deze marges aangevraagd.
34
Niet te voorzien is dat deze toestemmingen voor het windpark niet verleend gaan worden, zodat op dit moment geen reden bestaat om de gevraagde verplichting op te nemen in de omgevingsvergunning. Deze vraag is verder ook voorgelegd aan de provincie Zeeland als bevoegd gezag voor de natuurvergunning en -ontheffingen. De provincie concludeert dat beide varianten geen effect hebben op de staat van instandhouding op vogel- en vleermuissoorten en dat ook de provincie om die reden geen noodzaak ziet om de gevraagde verplichting op te nemen. Ten aanzien van het aspect barrièrewerking wordt daarnaast nog opgemerkt dat het aantal windturbines in de uiteindelijke aanvraag door de initiatiefnemers wordt teruggebracht van 19 naar 16 (zie figuur 1) zodat de mate van barrièrewerking ten opzichte van het VKA zoals dat in het MER is beschreven, wordt verkleind. e. In navolging van het antwoord hiervoor onder a is ook deze opmerking ter beoordeling aan de provincie Zeeland voorgelegd. De provincie gaf aan dat uit de aangeleverde aanvraag blijkt dat de sterfte onder vogels niet boven de 1% mortaliteitsnorm uitkomt. De sterfte die het windpark veroorzaakt heeft daarmee geen effect op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoorten. De provincie ziet daarom geen wettelijke grondslag om een stilstandvoorziening voor vogels op te nemen in de te verlenen natuurontheffing.
De gemeente Reimerswaal ziet naar aanleiding van deze reactie geen reden om hierover tot een ander oordeel te komen dan de provincie Zeeland. f. Verwezen wordt naar de beantwoording onder b. g. In navolging van het antwoord hiervoor onder a is ook deze opmerking ter beoordeling aan de provincie Zeeland voorgelegd. De provincie gaf aan dat uit de aangeleverde aanvraag niet is gebleken dat het veldonderzoek op dit punt onjuist is uitgevoerd. De gemeente Reimerswaal ziet naar aanleiding van deze reactie geen reden om hierover tot een ander oordeel te komen dan de provincie Zeeland. h. Naar aanleiding van deze overlegreactie heeft overleg plaatsgevonden met de provincie Zeeland. De provincie heeft aangegeven hierover in overleg te treden met de initiatiefnemers. De uitkomsten van dit overleg worden betrokken bij het verlenen van de gevraagde natuurontheffing door de provincie Zeeland. i.
Bedankt voor uw suggesties ten aanzien van natuur-inclusieve realisatie van het windpark. Uw suggesties zijn meegeven aan de initiatiefnemers ter overweging.
j.
In de overlegreactie wordt een koppeling gelegd tussen de aanleg van dit windpark en de ontwikkeling van de 380-kV hoogspanningsverbinding ten noorden ervan. Beide projecten doorlopen echter een zelfstandige besluitvormingsprocedure. Die procedure is voor wat betreft de 380-KV verbinding reeds afgerond. De gedane suggesties hierover kunnen niet in de besluitvormingsprocedure voor dit windproject tot besluitvorming leiden.
35
Omdat de initiatiefnemers van beide projecten bovendien niet dezelfde zijn, kan evenmin worden gevraagd van de initiatiefnemers van dit windproject om de voorgestelde verbeteringen aan de hoogspanningsverbinding in dit windproject te betrekken. Wijze waarop overlegreactie wordt betrokken in besluitvorming Naar aanleiding van deze overlegreactie heeft overleg plaatsgevonden met de provincie Zeeland en de initiatiefnemers. De gestelde vragen over de opzet en de resultaten van de verrichte natuuronderzoeken betrekt de provincie Zeeland, als bevoegd gezag op grond van de Wet natuurbescherming, bij het verlenen van de gevraagde natuurvergunning en -ontheffingen. Voorts zijn de initiatiefnemers op de hoogte gebracht van de voorstellen voor het natuurinclusief verder ontwerpen en vormgeven van het windpark.
2.13 Overlegreactie 12: Waterschap Scheldestromen Samenvatting a. Inmiddels is in overleg met het waterschap de positie van WT6 en WT14 gewijzigd, waardoor voor WT14 geen overdraai meer is over de waterschapsweg. Echter zijn aanvullende tekeningen hiervoor nog niet ontvangen. De positie van WT6 komt door de gewijzigde positie in de beschermingszone van de waterloop te staan. Graag ontvangen wij de nieuwe tekeningen zodat deze ook beoordeeld kunnen worden. b. Voor WT6, WT13 en WT 14 geldt de beleidsnotitie ontheffingen wegen. Hierin is in 4.2 een aandachtspunt opgenomen die erop neerkomt dat windmolens niet binnen 20 meter ten opzichte van de as van de verkeersbaan geplaatst mogen worden en dat de tip van de rotorbladen niet tot boven de verkeersbaan mag reiken. Het betreft hier een aandachtspunt welke samenhangt met het verbod op het maken en hebben van bouwwerken binnen een afstand van 20 meter uit de as van de hoofdverkeersbaan (artikel 12). Ook heeft de overdraai van de wieken over de weg een relatie met artikel 7 van de keur. c. Turbines staan voor een groot deel op een landstrook tussen het spuikanaal en scheepvaartkanaal Schelde-Rijn. Echter is er 1 turbine die op de insteek komt te staan van de Kil. Dit is niet mogelijk, de keurstrook is nodig voor het jaarlijks onderhoud aan de Kil. Beantwoording a.
De initiatiefnemers zijn van uw vraag om de aanvullende tekeningen op de hoogte gebracht. Zij zullen de benodigde tekeningen aanleveren. b. De initiatiefnemers zijn op de hoogte van de noodzaak om een ontheffing aan te vragen op grond van de genoemde artikelen uit de Keur Wegen van het waterschap. De aanvraag hiervoor is door de initiatiefnemers op 3 april 2021 bij het waterschap ingediend. Vanwege de verschuiving van enkele posities wordt de aanvraag aangepast en opnieuw ingediend. De ontheffing wordt vanwege de toepasselijkheid van de gemeentelijke coördinatieregeling voor het windproject gelijktijdig met deze omgevingsvergunning voorbereid en bekend gemaakt.
36
c. De initiatiefnemers ronden momenteel de aanvraag voor de watervergunning voor windturbine 6 af. De ligging ervan in relatie tot de beschermingszone en een constructieberekening voor de benodigde damwand maken daar deel van uit. Het fundament kan ter plekke van beschermingszone onder maaiveld worden aangelegd, zodat het terrein in de beheerfase begaanbaar blijft voor onderhoud waterschap. Dit wordt ter beoordeling aan het waterschap voorgelegd. Wijze waarop overlegreactie wordt betrokken in besluitvorming De initiatiefnemers zijn op de hoogte gebracht van deze reactie van het waterschap en betrekken deze bij de aanvraag voor de benodigde vergunningen en toestemmingen voor het windpark.
2.14 Overlegreactie 13: Provincie Noord-Brabant Samenvatting a. In zijn algemeenheid staan wij positief tegenover de voorgenomen ontwikkelingen, waarbij in lijnvormige opstelling op het grondgebied van Zeeland en Brabant een 19- tal windturbines worden gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling is afgestemd met de RES West-Brabant. Het gebied binnen Brabant/Woensdrecht, waar een aantal van de windturbines van dit windpark komen, staat in de RES aangegeven als zoekgebied windturbines tot 2030. De windturbines worden gerealiseerd nabij de Belgische grens, ten noorden van het bestaande windturbinepark Kabeljauwbeek. Op grond van de interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV) ligt hier de structuur ‘gemengd landelijk gebied’, waarbij aan de oostzijde van de A4 sprake is van de structuur ‘groenblauwe mantel’. Wij hebben kennis genomen van de motie welke de gemeenteraad van Woensdrecht heeft aangenomen, waarbij de inzet is om de meest oostelijk gelegen windturbines 18 en 19 uit onderhavig windturbinepark te schrappen. Deze 2 windturbines zijn gelegen aan de oostzijde van de A4 binnen de structuur ‘groenblauwe mantel’, waarvan de overdraai van de wieken het Natuur Netwerk Brabant bestrijkt. Tevens zijn deze windturbines gelegen in de directe nabijheid van cultuurhistorisch waardevol gebied. Het gaat hier om landschappelijk waardevol open polderlandschap.
Vanuit die optiek bestaan er vanuit ons provinciaal beleid de nodige aandachtspunten bij deze 2 windturbines en staan wij achter het besluit van de gemeenteraad Woensdrecht, om deze windturbines uit het plan te schrappen. Uiteraard zijn, wij mocht daar sprake van zijn, geïnteresseerd in mogelijke alternatieve locaties voor deze 2 turbines, zodat de voorgenomen doelstelling (energie-opgave) toch gehaald kan worden. b. Hoewel het windpark is gelegen binnen het ‘zoekgebied windturbines’ waarover in de RES overeenstemming is bereikt, constateren wij dat het landschap en de landschappelijke inpasbaarheid van de windturbines in de ruimtelijke onderbouwing een meer ondergeschikte rol heeft gekregen in de totale belangenafweging. Bij de opstelling is ervoor gekozen om aan de noordkant van het bestaande windpark Kabeljauwbeek een extra lijn aan windturbines toe te voegen. Het polderlandschap van Woensdrecht kenmerkt zich door haar open en weids karakter.
37
Dit staat in sterk contrast met het gesloten landschap op de Brabantse wal en het industrieel landschap van de haven. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt willen we dit polderlandschap behouden en zelfs versterken. Met het toevoegen van een extra lijn aan windturbines zal in visueel opzicht het industriële landschap van de haven van Antwerpen tot in de polders van Woensdrecht doorlopen. Hoewel hier geen sprake is van cultuurhistorisch waardevol gebied staan de (te schrappen) turbines nummers 18 en 19 in de directe nabijheid van het cultuurhistorisch waardevolle vlak. De windturbines aan de Kabeljauwpolder staan ten minste op 375 m van dit cultuurhistorisch waardevolle vlak. We verzoeken dan ook om de windturbines 18 en 19 in westelijke richting te verplaatsen of weg te laten conform de motie van de gemeenteraad van Woensdrecht. c. In de ruimtelijke onderbouwing onder par. 7.2 is summier ingegaan op de maatschappelijke meerwaarde. Dit onderdeel is nog niet uitgewerkt. Het feit dat er weinig mensen wonen in de directe omgeving staat er niet aan in de weg om invulling te geven aan maatschappelijke doelen. Deze maatschappelijke doelen kunnen méér omvatten dan financiële participatie aan het project. Bovendien gaat dit verder dan sanering van de huidige windturbineparken.
Het gaat om de invulling en soms ook de combinatie van maatschappelijke opgaven, waarbij er voor het gebied méérwaarde kan worden bereikt. Dit onderdeel moet meer concreet uitgewerkt worden. d. Daarnaast geldt het basisartikel 3.9 IOV, dat elke ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied gepaard moet gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het is juist dat de beeldkwaliteit van het landschap aanzienlijk verbeterd als gevolg van de vervanging van de bestaande windparken, omdat het onsamenhangende beeld van de twee bestaande windparken en een solitaire windturbine verdwijnt. Daarnaast zijn wij ook van oordeel, dat het niet mogelijk is om windturbines landschappelijk in te passen. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land, het wegnemen van verharding, slopen van bebouwing, het realiseren van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones, zie artikel 3.9 lid 3 IOV. In de ruimtelijke onderbouwing zijn hiervoor nog geen suggesties gedaan. Zoals gezegd zijn wij van mening dat hier niet mee kan worden volstaan.
Immers sanering van bestaande windturbines betreft een reguliere kostenpost, welke deel uit maakt en van de business-case. Dit vloeit bovendien voort uit hetgeen gesteld wordt in artikel 3.37 lid 2 IOV. Dit onderdeel zal nog nader onderbouwd en met de provincie afgestemd moeten worden, omdat sloop van bestaande windturbines geen deel kan uitmaken van de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap. Overigens hebben we inmiddels begrepen dat ontwikkelaar zelf een plan zal ontwikkelen (in samenspraak met de gemeente) voor de kwaliteitsverbetering van het landschap. Daarbij is van belang erop te wijzen dat ons provinciaal beleid uitgaat van een bedrag van 10.000 euro per MW te investeren in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze norm is tevens uitgangspunt geweest bij ons vastgestelde provinciale Inpassingsplan Windenergie A16.
38
Beantwoording a. Zoals hiervoor in hoofdstuk 1 is beschreven, hebben de initiatiefnemers ervoor gekozen om gevolg te geven aan de motie die in de gemeenteraad van Woensdrecht is aangenomen en zijn windturbines 16, 18 en 19 uit het voorkeursalternatief zoals verwoord in het MER komen te vervallen in de definitieve windturbineopstelling. Hiermee wordt het gebied dat door de provincie Noord-Brabant is aangewezen als Groen-Blauwe Mantel in zijn geheel ontzien. b. Zoals hiervoor bij antwoord a is aangegeven, hebben de initiatiefnemers gevolg gegeven aan de oproep van de gemeenteraad van Woensdrecht om de turbines 18 en 19 te laten vervallen. Aanvullend hebben de initiatiefnemers ook gemeend om geen vergunning aan te vragen voor windturbine 16. Uit de landschappelijke beoordeling in de aanvulling op het MER die voor de nieuwe windturbineopstelling is verricht, blijkt dat hiermee dat een rustiger landschappelijk beeld ontstaat in de nieuwe situatie dat bovendien nog steeds goed aansluit bij het Schelde-Rijnkanaal. c. De wijze waarop de initiatiefnemers de maatschappelijke meerwaarde zoals bedoeld in de IOV, wordt vormgeven, is nog onderwerp van gesprek tussen beiden gemeenten en de initiatiefnemers. Het uiteindelijke voorstel wordt toegelicht bij het ontwerp van de omgevingsvergunning. d.
Ook de wijze hoe het criterium uit de IOV ‘fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit’ in dit project wordt vormgeven, is nog onderwerp van gesprek tussen beiden gemeenten en de initiatiefnemers. Het uiteindelijke voorstel wordt toegelicht bij het ontwerp van de omgevingsvergunning. Wijze waarop overlegreactie wordt betrokken in besluitvorming De wijze waarop in dit project de gemeenten en de initiatiefnemers invulling geven aan de vereiste ‘maatschappelijke meerwaarde’ en ‘fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit’ zoals bedoeld in de IOV, wordt nader toegelicht in de definitieve ruimtelijke onderbouwing en het ontwerp van de omgevingsvergunning.
2.15 Overlegreactie 14: Dorpsplatform Ossendrecht Samenvatting Voor wat betreft het windmolenpark kunnen we zeker onderschrijven dat het veel heeft losgemaakt in Ossendrecht en Calfven. De bewoners voelden zich overvallen door dit project. Zeker toen duidelijk werd dat het een enorme impact zou betekenen voor hun leef en woongenot. Dit alles nog los van de horizonvervuiling en de gevolgen voor bijvoorbeeld de fauna in de buurt. Zoals de bewoners ook aangeven zijn ze zeker niet tegen duurzame energie maar het feit dat ze niet zijn meegenomen vanaf het begin van het traject en dat ze hierdoor ook geen input hebben kunnen geven vinden ze niet chique en hebben het gevoel nu achter de feiten aan te hollen.
39
Het spreekt voor zich dat we graag op de hoogte willen worden gehouden over de ontwikkelingen met betrekking dit windpark. Beantwoording Alle betrokkenen hebben kennis kunnen nemen van het voornemen via de reguliere publicatiekanalen vanuit zowel de gemeente Reimerswaal als Woensdrecht. Het inspraakverslag naar aanleiding van de publicatie van de NRD als eerste stap om te komen tot de MER is terug te vinden in de ruimtelijke onderbouwing en in het MER. Zoals hiervoor in paragraaf 2.9 is beschreven onder d, hebben de initiatiefnemers daarnaast ook veelvuldig contact gehad met de direct omwonenden van het toekomstig windpark. De omstandigheid dat een aantal omwonenden zich ondanks dit proces niet gehoord voelt en zich niet kan verenigen met het windpark of met de posities van de windturbines, betekent naar het oordeel van de gemeente niet dat het college een omgevingsvergunning voor een windontwikkeling in zijn geheel niet kan verlenen. Wijze waarop overlegreactie wordt betrokken in besluitvorming Deze overlegreactie leidt niet tot een inhoudelijk voorstel voor de besluitvorming. Naar aanleiding van deze overlegreactie wordt door de gemeenten en de initiatiefnemers beoordeeld op welke wijze de communicatie naar de Dorpsraad verder kan worden verbeterd.
2.16 Overlegreactie 15: Veiligheidsregio Zeeland Samenvatting Omdat het plangebied in het grondgebied van zowel Gemeente Reimerswaal als Gemeente Woensdrecht ligt, is het advies inhoudelijk afgestemd met Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Uit onze beoordeling van de meest recente documenten die bij de aangevraagde omgevingsvergunning behoren, wordt geconcludeerd dat de eerder aandachtspunten en adviezen grotendeels zijn verwerkt en beantwoord. In ons vorige advies hebben wij aangegeven dat windturbinepositie 6 ten aanzien van externe veiligheid knelpunten opleverde. De windturbinepositie lag immers op korte afstand van zowel het gasreduceerstation Westerschelde-Oost van Gasunie als verschillende buisleidingen van Gasunie, Air Liquide en Zebra. Daarmee werd niet voldaan aan het beleid van Gasunie. Om de knelpunten met betrekking tot windturbinepositie 6 weg te nemen hebben we geadviseerd om de afstand tussen de windturbine en de risico-ontvangende locaties te vergroten of een windturbinetype met een kleinere risicocontour toe te passen. In de nieuwe opzet van het windpark is de positie van windturbinepositie 6 met 234 meter naar het westen opgeschoven. • De trefkans van het gasreduceerstation bedraagt daardoor nog maar 2,9 x 10-8 per jaar. Het beleid van Gasunie schrijft voor dat de trefkans maximaal 5 x 10-6 per jaar mag bedragen.
De trefkans voldoet daarmee aan het beleid van de Gasunie.
40
•
Voor de buisleidingen geldt dat de windturbines in de nieuwe situatie buiten de toetsafstand van de Gasunie voor ondergrondse buisleidingen liggen. Er is geen sprake meer van een significant risico. De situatie bij windturbine 6 is volgens het beleid van de Gasunie acceptabel. De knelpunten met betrekking tot windturbinepositie 6 zijn daarmee opgelost.
Windturbinepositie 5 is in de nieuwe opzet van het windpark eveneens verschoven om te kunnen voldoen aan de eisen met betrekking tot radarverstoring. Windturbine 5 ligt nu 35 meter dichterbij de ondergrondse buisleiding A-530 en ligt daarmee binnen de toetsafstand van de Gasunie. De trefkans van windturbinepositie 5 ten opzichte van deze buisleiding neemt daardoor iets toe. Omdat het dichtstbijzijnde object naast de buisleiding op meer dan 580 meter ligt, is het risico op slachtoffers door een calamiteit bij de buisleiding echter verwaarloosbaar klein. Uit berekeningen van de Gasunie blijkt bovendien dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar van windturbinelocatie 5 niet groter wordt ten opzichte van de bestaande locatie (zonder bestaande windturbines). In het algemeen nemen de externe veiligheidsrisico’s voor de buisleidingen met de realisatie van het nieuwe windpark sterk af ten opzichte van de huidige situatie met het bestaande windpark. In een eerder stadium is aandacht gevraagd voor de risico’s en mogelijke maatregelen bij een energieopslagsysteem in het windpark. Uit de Nota aanvulling WP ZE-BRA geven de initiatiefnemer te kennen dat binnen Windpark ZE-BRA geen energieopslagsysteem wordt voorzien. De veiligheidsrisico’s van ijsafworp en ijsafglijding zijn in paragraaf 5.5 van de ruimtelijke onderbouwing inmiddels voldoende uitgewerkt.
In de ruimtelijke onderbouwing wordt beschreven dat een ijsprotocol wordt opgesteld voor de windturbines waar sprake is van significante veiligheidsrisico’s voor personen door ijsafworp en ijsafglijding. In de omgevingsvergunning wordt hiervoor een voorschrift opgenomen. In hoofdstuk 10 en 12 van de milieueffectrapportage zijn diverse vitale processen beoordeeld waarop de realisatie van windpark ZE-BRA invloed kan hebben. Ter aanvulling hiervan is aandacht gevraagd voor de processen drinkwatervoorziening (waterleiding) en scheepvaartafwikkeling (scheepvaartradar). In de huidige stukken zijn de twee processen alsnog onderzocht. Uit de Nota aanvulling WP ZE-BRA blijkt dat de waterleiding ten aanzien van veiligheid geen belemmering voor het project vormt. De waterleiding ligt op een afstand van 100 meter, waardoor constructieschade niet aannemelijk is. Wat betreft het proces scheepvaartafwikkeling is de invloed van het windpark op de scheepvaartradar inmiddels voldoende uitgewerkt. Uit afstemming met Rijkswaterstaat is naar voren gekomen dat er geen verstoring optreedt op de radar bij de Bathse Brug (Schelde-Rijnkanaal). Ten aanzien van het onderdeel ‘bouwen’ adviseert de VRZ over twee aspecten, te weten de bereikbaarheid van de bouwwerken voor de hulpdiensten en het gebruik van een automatische blusinstallatie in de turbines. Dit advies wordt betrokken in de omgevingsvergunning.
41
Beantwoording De adviezen van de VRZ worden kennisgeving aangenomen en betrokken bij de verdere besluitvorming over de omgevingsvergunning. Wijze waarop overlegreactie wordt betrokken in besluitvorming Het advies van de VRZ over het onderdeel ‘bouwen’ wordt betrokken bij het opstellen van de omgevingsvergunning.
2.17 Overlegreactie 16: Waterschap Brabantse Delta Samenvatting We willen alleen melden dat er in het projectgebied een afvalwaterpersleiding loopt waar rekening mee moet worden gehouden. Verder heeft het waterschap geen op- of aanmerkingen. Beantwoording Bij het bepalen van de windturbineposities is rekening gehouden met de aanwezige afvalwaterpersleiding die in beheer is bij het waterschap. Verwezen wordt naar p. 309-310 van het MER en figuur 15.12 en de aanvulling op het MER. Windturbine 14 is door de gewijzigde opstelling geprojecteerd in de beschermingszone van de afvalwaterleiding. De rotoren van windturbines 3, 4, 5 en 6 zoals weergegeven op figuur 1 zullen gedeeltelijk over de beschermingszone van de leiding heen draaien. De initiatiefnemers zijn erop gewezen dat op grond van art. 37.3 van de planregels van Bestemmingsplan Buitengebied 2019 de leidingbeheerder hierover om advies moet worden gevraagd. Bij de aanvraag moeten de resultaten van een onderzoek zijn opgenomen waaruit blijkt dat het belang van de leiding niet wordt geschaad. De initiatiefnemers moeten de vergunningaanvraag hiervoor aanvullen.
Wijze waarop overlegreactie wordt betrokken in besluitvorming De initiatiefnemers zijn erop gewezen dat de vergunningaanvraag moet worden aangevuld ten aanzien van het bouwen van windturbine 14 in de beschermingszone van (en het overdraaien van turbines 3, 4, 5 en 6 over) de rioolwaterleiding die in beheer is bij het waterschap.
2.18 Overlegreactie 17: Fluxys Belgium Samenvatting Onze maatschappij merkt alvast op dat de GTS/Gasunie (voor zover wij op de hoogte zijn) gunstig advies vertrekt en dit onder andere vanwege de sanering van andere turbines. Deze zullen worden verwijderd waardoor het algemene risico vermindert. Beantwoording Deze overlegreactie behoeft geen beantwoording. Wijze waarop overlegreactie wordt betrokken in besluitvorming Deze overlegreactie leidt niet tot een voorstel voor de besluitvorming.
42
2.19 Overlegreactie 18: Stad Antwerpen en Havenbedrijf Antwerpen Samenvatting Stad Antwerpen en Havenbedrijf Antwerpen hebben geen specifieke opmerkingen. Beantwoording Deze overlegreactie behoeft geen beantwoording. Wijze waarop overlegreactie wordt betrokken in besluitvorming Deze overlegreactie leidt niet tot een voorstel voor de besluitvorming.
2.20 Overlegreactie 19: BENEGORA mede namens IVN Groene Zoom, NAMIRO, Stichting De Brabantse Wal en Vogelwerkgroep Bergen op Zoom Samenvatting a. De Milieueffectrapportage van Windpark ZE-BRA meldt dat de bestudeerde varianten en het voorkeuralternatief (VKA) geen effect hebben op de sterfte onder Broedvogelsoorten van Natura 2000 gebieden. Deze conclusie wordt niet goed onderbouwd. De MER is gebaseerd op onderzoek voor de Natuurtoets en de Passende Beoordeling. Deze waren sterk gericht op de Zeeuwse polders omdat plaatsing in de gemeente Woensdrecht eerst niet in beeld was. De risico’s voor natuur in die gemeente zijn minder goed onderzocht. Die lacunes duiken steeds op en leiden tot vragen. Zo gaan de passages over de Natuur en de Natura 2000-gebieden in de MER op p20 alleen over Zeeuwse Natura-2000 gebieden nabij het ZE-BRA plangebied. De Brabantse Natura 2000-gebieden De Brabantse Wal - op minder dan 2 km - en het Markiezaat worden zelfs niet benoemd, laat staan besproken. Desondanks beweert de MER op die pagina dat het projectgebied niet- of nauwelijks wordt gebruikt door broedvogels uit Natura 2000-gebieden en dat daarmee is uitgesloten dat er een significant negatief effect is op de instandhoudings- doelen (IHDn) van de Natura 2000-gebieden. b.
De meest belangrijke omissie is het ontbreken van een risicoanalyse voor de Wespendief, broedvogel met een IHD van Natura 2000-gebied de Brabantse Wal. In juli en augustus vliegen deze zeldzame broedvogels naar de polders van Reimerswaal en Woensdrecht op zoek naar wespenraten. De MER en Passende Beoordeling geven geen antwoord op de vraag of, en in welke mate, ze risico lopen op sterfte door ZE-BRA. Ook het toegenomen risico voor de Bruine Kiekendief, nu turbines gepland zijn nabij een broedlocatie van deze soort in de Gemeente Woensdrecht, wordt niet besproken. c. In dezelfde tabel van de MER staat dat voor niet-broedvogelsoorten van Natura2000gebieden een negatief effect is van variant 1 en variant 2, maar dat geen negatief effect is van het VKA. Ook deze conclusie wordt niet voldoende onderbouwd. Het gaat om de risico’s voor Kievit en ganzen. De vliegbewegingen van deze soorten zijn goed onderzocht in de Zeeuwse Polders, maar niet of nauwelijks in de Brabantse polders. Daar zijn in de gewijzigde plannen wel turbines gepland, maar de risicoanalyse is vooral gericht op de Zeeuwse polders zonder de vogels in de Woensdrechtse Polders erbij te betrekken. 43
d. Er zijn verder vragen over de risico’s voor vleermuizen en of deze wel gelijk blijven als oude kleine molens worden vervangen door grotere turbines, over de toegenomen risico’s voor vleermuizen van de locaties in de gemeente Woensdrecht, over de natuurcompensatie voor de turbine die in het NNZ en tenslotte over de cumulatie van “niet significante” effecten van de extra atmosferische stikstofdepositie tijdens de aanleg van project ZE-BRA. Bij alle vragen wordt uitgegaan van de situatie zoals beschreven in de MER, waarbij 19 turbines worden geplaatst, waaronder vijf in de gemeente Woensdrecht. e. Wij zijn van mening dat, gezien het huidige geluidsniveau dat voor de nachtwaarden nu al boven het wettelijk maximum ligt, er helemaal geen ruimte is voor extra geluidsbronnen. Dit geldt voor Langeweg 10 maar, voor een aantal van de andere locaties zal dat, omdat ze dichter bij de BASF, de A4, de bestaande en nieuw te plaatsen windmolens zijn gesitueerd, nog in veel sterkere mate het geval zijn. f. Langeweg 10 ondervindt dan wel de minste overlast, maar een toename van 0,5 dBA betekent wel 17% meer geluid ‘s nachts. Ten opzichte van de, voor woningen in de nabijheid van windmolens, verhoogde norm (41 dBA), is het nachtelijk geluid voor dat adres ongeveer 80% boven de norm. Beantwoording a.
De eventuele effecten van de windturbines op beschermde diersoorten zijn in het MER en de daarbij bijbehorende ecologische studies inzichtelijk gemaakt. De beoordeling hiervan, zowel over de gevolgde methode als de resultaten, vindt primair plaats door de provincie Zeeland als het bevoegd gezag voor het verlenen van de natuurvergunning van de -ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming. Naar aanleiding van deze overlegreactie heeft overleg plaatsgevonden met de provincie Zeeland over de onderzoeksmethode. De provincie heeft aangegeven hierover in overleg te treden met de initiatiefnemers. De uitkomsten van dit overleg worden betrokken bij het verlenen van de gevraagde natuurvergunning en -ontheffingen door de provincie Zeeland. b. Verwezen wordt naar het antwoord onder a. c. Verwezen wordt naar het antwoord onder a. d. Verwezen wordt naar het antwoord onder a. Ten aanzien van de benodigde compensatie voor het NNZ wordt daarbij nog gewezen op het compensatieplan dat de initiatiefnemers hebben opgesteld en dat is goedgekeurd door de provincie Zeeland. Het compensatieplan maakt deel uit van de gewijzigde aanvraag en de ontwerp omgevingsvergunning.
44
Ten behoeve van de gewijzigde aanvraag, waarbij de windturbineposities 16, 18 en 19 uit het VKA zijn komen te vervallen, is voorts een aanvulling geschreven op het MER. Uit deze aanvulling blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van de bouw van de nieuwe windturbineopstelling kleiner is dan die aanvankelijk was berekend voor het VKA. Deze aanvulling wordt ter beoordeling ook voorgelegd aan de provincie Zeeland als het bevoegd gezag voor de natuurvergunning en -ontheffingen. e. Zoals ook uit de overlegreactie blijkt, is hier sprake van een gebied waarin reeds meerdere geluidsbronnen aanwezig zijn. De akoestische situatie is daarom ook in het MER beoordeeld aan de hand van de Lcum oftewel het gecumuleerde geluidsniveau van alle andere aanwezige geluidsbronnen in het gebied zoals het industrie-, scheepvaart-, wegverkeer- en raillawaai. Deze is weergegeven in tabel 6.12 in het MER. Nu de windturbineopstelling door de initiatiefnemers is aangepast, is ook het akoestisch onderzoek geactualiseerd. Daarbij is ook de Lcum bepaald voor de nieuwe situatie, dus na de bouw van 16 windturbines zoals de initiatiefnemers die hebben aangevraagd. Hieruit blijkt dat de akoestische kwaliteit van het gebied, beoordeeld aan de hand van de Miedema-methode, op de meeste rekenpunten (in het slechtste geval) ongewijzigd blijft of hooguit een klasse verslechterd.
De conclusie die de gemeenten hieraan verbinden is, dat gelet op de opgave voor het opwekken van duurzame energie, dit aanvaardbaar is. f. Uit dit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting als gevolg van de nieuwe windturbines ter plaatse van de woning met adres Langeweg 10 ruimschoots voldoet aan de wettelijk geluidsnormen voor windturbines (Lnight 31 dB en Lden 38 dB). In de referentiesituatie is ter plaatse van de woning aan de Langeweg 10 sprake van een redelijke akoestische situatie (vergelijk tabel 6.12 uit het MER) met een gecumuleerd geluidsniveau (Lcum) van 52 dB. In de nieuwe situatie, dus na de bouw van het Windpark ZE-BRA, blijft dit geluidsniveau ongewijzigd. Wijze waarop overlegreactie wordt betrokken in besluitvorming Naar aanleiding van deze overlegreactie heeft overleg plaatsgevonden met de provincie Zeeland en de initiatiefnemers. De gestelde vragen over de opzet en de resultaten van de verrichte natuuronderzoeken betrekt de provincie Zeeland, als bevoegd gezag op grond van de Wet natuurbescherming, bij het verlenen van de gevraagde natuurvergunning en -ontheffingen.
45
46
3.
Overzicht wijzigingen naar aanleiding van overleg
3.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de wijzigingen die zijn doorgevoerd in de ruimtelijke onderbouwing bij de vergunningaanvraag. Sommige overlegreacties hebben aanleiding gegeven voor het doorvoeren van wijzigingen in andere documenten die bij de vergunningaanvraag behoren. Ook die wijzigingen worden in dit hoofdstuk weergegeven.
3.2
Overzicht van wijzigingen
Wijzigingen in de vergunningaanvraag De initiatiefnemers hebben ervoor gekozen om de windturbineopstelling uit het voorkeursalternatief uit het MER te wijzigen van 19 naar 16 windturbines. De aanvraag, inclusief de ruimtelijke onderbouwing, zijn hierop aangepast. Om de milieueffecten van de nieuwe windturbineopstelling in beeld te brengen is daarbij een aanvulling op het MER geschreven, waarin de milieueffecten van de gewijzigde windturbineopstelling in beeld zijn gebracht. Deze aanvulling op het MER maakt eveneens deel uit van de definitieve ruimtelijke onderbouwing en wordt gelijktijdig met het ontwerp van de omgevingsvergunning ter toetsing voorgelegd aan de Commissie voor de m.e.r. Wijzigingen in de ruimtelijke onderbouwing In de definitieve versie van de ruimtelijke onderbouwing zijn naar aanleiding van de overlegreactie de volgende wijzigingen doorgevoerd. • Initiatiefnemers hebben een natuurcompensatieplan opgesteld dat ter goedkeuring is voorgelegd voor het verlies van areaal dat is aangewezen voor het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). Dit compensatieplan is opgenomen in de definitieve ruimtelijke onderbouwing voor dit project.
• De namens de provincie gemaakte detailopmerkingen over de teksten van het MER en de ruimtelijke onderbouwing zijn ter kennisgeving aan de initiatiefnemers gezonden met het verzoek om de ruimtelijke onderbouwing hierop aan te vullen, inclusief de toetsing aan het bepaalde in artikel 2.28 van de Omgevingsverordening Zeeland 2018. • De initiatiefnemers hebben met de gemeenten overeenstemming bereikt over de wijze waarop de door de provincie Noord-Brabant voorgeschreven ‘maatschappelijke meerwaarde’ wordt ingevuld. Dit is ook in lijn met de in de RES Zeeland verwoorde wijze van participatie voor de omgeving. Dit voorstel is nader toegelicht in de definitieve ruimtelijke onderbouwing en contractueel vastgelegd in de anterieure overeenkomst die tussen de initiatiefnemers en de gemeenten is gesloten. • De wijze waarop in dit project de gemeenten en de initiatiefnemers invulling geven aan de vereiste ‘fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit’ en de benodigde compensatie voor het enigszins verstoren van het Natuur Netwerk Brabant (NNB) zoals bedoeld in de interim omgevingsverordening Noord-Brabant, is nader toegelicht in de definitieve ruimtelijke onderbouwing. Het gaat om een eenmalige geldelijke bijdrage waarvan de betaling is zeker gesteld in de anterieure overeenkomst die tussen de initiatiefnemers en de gemeenten is gesloten.