CConstaterende datwoensdrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-04-01 Bijlage Vast te stellen BP Zorgcomplex Raadhuisstraat Hh - Toelichting.pdf

Raadsvergadering 1 april 2021, gemeente woensdrechtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Zorgcomplex Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide18.596 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Door de welstandscommissie is reeds informeel akkoord gegeven aan het ontwerp van het gebouw.

3.4.3 Toekomstvisie 2035 Toetsingskader In de Toekomstvisie 2035 presenteert de gemeente Woensdrecht haar visie over de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2035. Aanleiding voor het opstellen van deze visie is om een gezamenlijke visie op de toekomst te ontwikkelen. Een dergelijke moet steeds worden bijgesteld omdat de toekomst moeilijk te voorspellen is. In de Toekomstvisie is gekozen voor drie leidende thema’s, namelijk ‘Brabantse Wal’, ‘Sterke dorpen’ en ‘Bedrijvigheid en Maintenance’. Beoordeling In de toekomstvisie is voor de kernen opgenomen dat het aantal woningen en de verschillende woningtypes aansluiten bij de samenstelling van de bevolking. Woningen dienen geschikt te zijn voor meerdere doelgroepen en energiezuinig te worden gebouwd. In de kern Hoogerheide neemt het aantal huishoudens tot 2026 toe. Het toevoegen van woonunits voor zware zorg past daarmee binnen de doelstellingen van de toekomstvisie. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de gemeentelijke toekomstvisie.

Bestemmingsplan “Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide”

29

30

Gemeente Woensdrecht

4

PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN

4.1

Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: ▪ bodem; ▪ waterhuishouding; ▪ cultuurhistorie; ▪ archeologie; ▪ ecologie; ▪ akoestiek; ▪ bedrijven en milieuzonering; ▪ externe veiligheid; ▪ kabels en leidingen; ▪ luchtkwaliteit; ▪ milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2

Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.

Bestemmingsplan “Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide”

31

Beoordeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek en onderzoek asbest in bodem uitgevoerd op de locatie. Daarbij zijn in eerste instantie alleen de percelen aan de Raadhuisstraat 22-32 onderzocht. In een later stadium is het plangebied uitgebreid met het perceel aan de Raadhuisstraat 20. Ook op dit perceel heeft een verkennend bodemonderzoek en onderzoek asbest in bodem plaatsgevonden. Het rapport van het eerste onderzoek (rapportnummer 6554.001, 20 november 2018) is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. Het rapport van het tweede onderzoek (rapportnummer 6554.008, 29 april 2019) is als bijlage 4Bijlage bij de toelichting gevoegd. Locatie Raadhuisstraat 22-32 Uit het verkennend bodemonderzoek NEN 5740 blijkt dat er geen reden voor een nader onderzoek bestaat en dat er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.

Deze richtlijnen zijn ook van toepassing op de gronddepots die tijdens het onderzoek op de locatie zijn aangetroffen Op basis van het verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Wel dient bij de grondwerkzaamheden en afzet van de grond rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van visueel zichtbare stukken plaatmateriaal in de te ontgraven bodem. Locatie Raadhuisstraat 20 Uit het verkennend bodemonderzoek NEN 5740 blijkt dat er geen reden voor een nader onderzoek bestaat en dat er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing. Op basis van het verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen.

In geval van grondwerkzaamheden op de locatie, met uitzondering van mobiel zeven, behoeven ter ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

32

Gemeente Woensdrecht

4.3

Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap Brabantse Delta Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water.

Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021 ‘Grenzeloos verbindend’, wat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.

Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: ▪ het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de rijkswateren en de regionale rivieren; ▪ het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; ▪ inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; ▪ helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; ▪ het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen);

Bestemmingsplan “Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide”

33

▪ ▪

afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; een duurzame energiewinning.

zoals

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Keur Waterschap Brabantse Delta De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015.

In de nieuwe keur is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x Gevoeligheidsfactor x 0,06. Beleid gemeente Woensdrecht Conform het Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2023 van de gemeente Woensdrecht ligt bij nieuwbouw de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding primair bij de perceeleigenaar. Enkel indien van de perceeleigenaar redelijkerwijs niet kan worden vereist dat het afvloeiend hemelwater op of in de bodem (of in het oppervlaktewater)wordt gebracht (aan te tonen door initiatiefnemer), zal de gemeente zorgen voor een geschikte voorziening voor de afvoer van hemelwater, mits dat op een doelmatige manier kan.

Bij nieuwbouw is de initiatiefnemer dus verantwoordelijk voor het gescheiden verwerken van hemelwater en het hydrologisch neutraal houden van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling. Er wordt een bergingseis van 60 mm per hectare verhard oppervlak gehanteerd.

34

Gemeente Woensdrecht

In het beleid van de gemeente is geen maximaal percentage verharding vastgelegd, echter worden initiatiefnemers erop gewezen dat in het kader van de klimaatverandering het wenselijk is om vergroening van particuliere percelen na te streven (en verstening tegen te gaan). Hierbij kan zowel gedacht worden aan vergroening van tuinen, toepassen van halfverharding ter plaatse van opritten alsook het toepassen van groene daken. Hiermee wordt het tegengaan van hittestress en/of wateroverlast bevorderd. Beoordeling Hemelwater Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen de beschermde gebieden. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Het plangebied beslaat een oppervlak van circa 5.450 m2, waarvan 4.905 m² bebouwd/verhard zal zijn in de nieuwe situatie. Dit oppervlak is inclusief het kelderdek van de binnentuin. Uitgaande van de bergingseis van 60 mm bedraagt de bergingsopgave daarmee (0,06 m x 4.905 m²) = 294,3 m³. In de plannen voor de ontwikkeling van het gebied Deelplan-Noord is reeds rekening gehouden met het reserveren van waterbergingscapaciteit voor de ontwikkeling van een bouwplan in het onderhavige plangebied. De regenwaterbuffer van Deelplan-Noord is daartoe reeds met 135 m³ verruimd, zodat de resterende bergingsopgave voor het plan 159,3 m³ bedraagt.

Deze opgave wordt binnen het plangebied ingevuld, aan de zuidwestzijde, in de vorm van infiltratiekratten met een totale capaciteit van 161,5 m3. Hiermee kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied wordt voorzien in ruim voldoende waterberging.

Visualisatie onverhard oppervlak (plantsoen 545 m2). Bron: Stan Aarts architecten | adviseurs, 2020 Bestemmingsplan “Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide”

35

Locatie van de waterbergende voorzieningen binnen het plangebied (161,5 m3). Bron: Stan Aarts architecten | adviseurs, 2020

Bij nieuwbouw is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het gescheiden verwerken van hemelwater en het hydrologisch neutraal houden van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling. Er dient rekening gehouden te worden dat de planontwikkeling risico’s van wateroverlast in de omgeving niet negatief beïnvloedt. Daarom wordt bij de inrichting binnen het plangebied rekening gehouden met het geven van ruimte aan water teneinde wateroverlast te voorkomen. De overstortput vanuit de infiltratievoorziening bevindt op het perceel van de Aldi. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het functioneren van de overstortput en maakt hierover afspraken met de Aldi. Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating.

Huishoudelijk afvalwater Gescheiden van het hemelwater wordt het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) verwerkt en aangesloten op de bestaande vuilwaterriolering. Het afvalwater wordt van daaruit afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Door de scheiding van het vuilwater van het hemelwater (hemelwaterafvoer; HWA) wordt de bestaande riolering veel minder belast dan in de huidige situatie. Conclusie Op grond van de watertoets kan worden geconcludeerd dat de ontwikkelingen in het plangebied geen nadelige effecten hebben op de waterhuishouding.

36

Gemeente Woensdrecht

4.4

Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid gemeente Woensdrecht De gemeente Woensdrecht heeft op 27 september 2018 de ‘Erfgoedverordening gemeente Woensdrecht 2018’ vastgesteld. Met de huidige erfgoedverordening is tevens een cultuurhistorische waardenkaart vastgesteld, waaraan dient te worden getoetst bij alle nieuwe op te stellen bestemmingsplannen dan wel omgevingsplannen in de gemeente Woensdrecht. De cultuurhistorische waardenkaart is een inventarisatie van onder andere cultuurhistorische waardevolle plekken, bouwwerken en landschapsstructuren.

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Woensdrecht. Met de gele ster wordt het plangebied aangeduid.

Beoordeling Blijkens de cultuurhistorische waardenkaart is binnen het plangebied geen sprake van cultuurhistorische waarden. Daarmee vormt sloop van de huidige bebouwing geen beletsel voor het onderhavige planvoornemen. De Raadhuisstraat is aangewezen als ‘historische weg’ en ‘oude hoofdroute’. Het planvoornemen voorziet niet in wijzigingen aan de weg. Voorts volgt uit de cultuurhistorische waardenkaart dat de locatie conform het provinciale cultuurhistorische beleid is gelegen binnen het cultuurhistorisch landschap de ’Brabantse Wal’. Voornaamste ontwikkelstrategie betreft het behoud en de accentuering van de aanwezige variatie aan landschapstypen. Vanuit cultuurhistorisch

Bestemmingsplan “Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide”

37

oogpunt betreffen dit polders, veenrelicten, landgoederen, kreken en vestingwerken. Binnen het plangebied zijn deze landschapstypen echter niet aanwezig, nu het plangebied thans is ingericht ten behoeve van het wonen en maatschappelijke voorzieningen (inclusief aanwezige verhardingen) en tevens behoort tot de bebouwde kom van Hoogerheide. Gelet hierop wordt met het onderhavige planvoornemen geen inbreuk gemaakt op de cultuurhistorische waarden gelegen binnen het landschap de ‘Brabantse Wal’. Voor het overige zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen in de directe omgeving van het plangebied. Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied.

4.5

Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

Beleid gemeente Woensdrecht De gemeente Woensdrecht heeft op 27 september 2018 de ‘Erfgoedverordening gemeente Woensdrecht 2018’ vastgesteld. Met de huidige erfgoedverordening is tevens een archeologische waardenkaart vastgesteld, waaraan dient te worden getoetst bij alle nieuwe op te stellen bestemmingsplannen dan wel omgevingsplannen in de gemeente Woensdrecht. De archeologische waardenkaart geeft de verwachtingswaarden van vondsten in de gemeente Woensdrecht weer. Beoordeling Blijkens de archeologische waardenkaart is het plangebied gelegen op de grens van een gebied met een hoge trefkans en een gebied met een middelhoge trefkans. Op grond van beleidsmatige vertaling van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart geldt voor dit gebied een archeologische onderzoeksplicht bij een bodemverstoring van meer dan 50 m2 en dieper dan 0,50 meter onder de oppervlakte.

38

Gemeente Woensdrecht

Onderhavig planvoornemen overschrijdt deze grenswaarden. Derhalve is door Econsultancy in een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het rapport daarvan (rapportnummer 6554.002, 27 augustus 2019) is als bijlage 5 gevoegd bij deze toelichting.

Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemeente Woensdrecht met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster. Rode gebieden: hoge trefkans, gele gebieden: middelhoge trefkans

Uit het bureauonderzoek is geleken dat zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Derhalve is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het verkennend booronderzoek heeft inzichtelijk gemaakt dat voor een deel van het plangebied aan de oostzijde nog archeologische waarden kunnen worden verwacht. Econsultancy adviseert om voor dit deel van het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Voor het westelijke deel wordt geadviseerd om dit archeologisch vrij te geven. Het archeologisch onderzoek is beoordeeld door het bevoegd gezag, waarna een selectiebesluit is genomen. Mede gezien de aangetroffen bodemsamenstelling en verstoorde bodemopbouw, gevonden bij het booronderzoek wordt vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek voor dit plangebied niet zeer zinvol. Derhalve wordt door het bevoegd gezag geadviseerd om het gehele plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Bij aanvang van de grondwerkzaamheden dient wel een locatiebezoek door een archeoloog plaats te vinden. Conclusie Binnen het plangebied worden geen archeologische waarden meer verwacht. Het plangebied is vrijgegeven van archeologische waarden.

Bestemmingsplan “Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide”

39

4.6

Ecologie

4.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling en conclusie Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Brabantse Wal’, welke is gelegen op een afstand van 1,2 km. Het dichtstbijzijnde Beschermde Natuurmonument betreft ‘Kortenhoeff’ op een afstand van circa 1,6 km. Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting.

Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied of een beschermd natuurmonument, is van directe schade geen sprake. Op het aspect stikstofdepositie wordt navolgend ingegaan. 4.6.2 Stikstof Toetsingskader Het plangebied is gelegen op circa 1,2 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Brabantse Wal’. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. Beoordeling De exacte mate van stikstof dient voor een bouwplan zowel bepaald te worden voor de gebruiksfase als de aanlegfase. Voor beide fases is daarom een AERIUSberekening uitgevoerd met de per 15 oktober 2020 geldende versie van Aerius. Navolgend worden de resultaten hiervan besproken.

40

Gemeente Woensdrecht

Gebruiksfase Door Econsultancy is een onderzoek stikstofdepositie gebruiksfase uitgevoerd. Het rapport daarvan (rapportnummer 6554.006, 27 november 2020) is als bijlage 6 opgenomen bij deze toelichting. De relevante emissies van stikstofoxiden (NO x) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de nieuwbouw van het verpleeghuis vinden in de beoogde situatie plaats door de verkeersbewegingen van en naar het verpleeghuis. Het verpleeghuis wordt volledig gasvrij uitgevoerd. De berekeningen voor peiljaar 2021 zijn verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator versie 2020. Uit de berekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner is dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Aanlegfase De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de nieuwbouw van het verpleeghuis vinden in de aanlegfase plaats door de verkeersbewegingen van en naar het verpleeghuis ten behoeve van de bouw en gebruik van bouwmaterieel binnen het plangebied. Door Econsultancy is een onderzoek stikstofdepositie aanlegfase uitgevoerd. Het rapport daarvan (rapportnummer 6554.010, 27 november 2020) is als bijlage 7 opgenomen bij deze toelichting.

De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en personen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop en constructie ten behoeve van de realisatie van het plan. De berekening van het projecteffect van de aanlegfase met peiljaar 2021 is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming.

4.6.3 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.

Bestemmingsplan “Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide”

41

De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb.

Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Quickscan flora en fauna Opgaande beplanting is in het plangebied niet aanwezig. De te amoveren bebouwing in het plangebied biedt echter mogelijk wel een geschikte habitat voor beschermde diersoorten. Om die reden is door Econsultancy een quikscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport daarvan (rapportnummer 6554.003, 24 april 2019) is als bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Uit de quickscan is gebleken dat het plangebied een geschikt habitat biedt voor diverse diersoorten. Ten behoeve van de uitvoering van de plannen dient door middel van aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen en laatvliegers. Voor het overige dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Aanvullend onderzoek huismus, gierzwaluw en vleermuizen Door Blom Ecologie is aanvullend onderzoek verricht naar de aanwezigheid van huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Het rapport daarvan (rapportnummer BE/2019/118, 4 november 2019) is als bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen.

Uit het onderzoek is gebleken dat in de bebouwing binnen het plangebied 4 nesten van de huismus, 1 nest van de gierzwaluw en 1 zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis aanwezig zijn. De beoogde sloop leidt derhalve tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming, te weten artikel 3.1, lid 2 (vernietiging nestlocatie gierzwaluw en huismus) en artikel 3.5, lid 4 (vernietiging vaste rust- en verblijfplaats gewone dwergvleermuis).

42

Gemeente Woensdrecht

Voor de uitvoering van een deel van de werkzaamheden is ontheffing nodig van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Er zijn echter maatregelen mogelijk om verstoring van een nestlocatie uit te sluiten en de functionaliteit van de nestlocatie te behouden. Deze maatregelen zien op het aanbieden van alternatieve verblijfen nestplaatsen. Deze maatregelen worden niet als onuitvoerbaar beschouwd. Wel zullen de te nemen maatregelen ter goedkeuring dienen te worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, die een beslissing zal nemen over de aan te vragen ontheffing. Voor onderhavig bestemmingsplan geldt dat de Wet natuurbescherming, gelet op de mogelijkheid van het nemen van adequate maatregelen, de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet in de weg staat. Bij de werkzaamheden zal te allen tijde de zorgplicht in acht worden genomen. Conclusie Door middel van nader onderzoek is vastgesteld dat binnen het plangebied sprake is van 4 nesten van de huismus, 1 nest van de gierzwaluw en 1 zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis. Voor onderhavig bestemmingsplan geldt dat de Wet natuurbescherming, gelet op de mogelijkheid van het nemen van adequate maatregelen, de uitvoerbaarheid van het planvoornemen echter niet in de weg staat. Er is ontheffing aangevraagd bij Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant.

Deze ontheffing is verleend op 16 september 2020 en geldig voor de periode tot en met 31 december 2023. Ter mitigatie van de impact van de ruimtelijke ingreep op de verblijfplaatsen is een ecologische werkprotocol opgesteld. Mits de voorschriften uit dit protocol worden toegepast leiden de sloopwerkzaamheden uiteindelijk niet tot permanente aantasting.

4.7

Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: ▪ de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); ▪ de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; ▪ functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).

Bestemmingsplan “Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide”

43

De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Gelet op de ligging van het plangebied binnen de onderzoekszone van de Scheldeweg, een 50 km/h-weg binnen de bebouwde kom, is het noodzakelijk een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uit te voeren ten behoeve van de nieuwe geluidgevoelige functies. De Raadhuisstraat betreft een weg met een snelheidsregime van 30 km/u, maar dient gelet op de doorgaande functie eveneens te worden beschouwd in het onderzoek.

Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Econsultancy en het onderzoeksrapport (rapportnummer 6554.004, 13 september 2019) is als bijlage 10 toegevoegd aan deze toelichting. Uit het onderzoek komt naar voren dat alleen als gevolg van de Raadhuisstraat een overschrijding optreedt van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt met maximaal 10 dB overschreden op de gevel aan de zijde van de weg. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Scheldeweg wordt niet overschreden. Voor de Raadhuisstraat is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Op basis van de maatregelenafweging worden zowel bronals overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht. De maatregelen stuiten op overwegende financiële of stedenbouwkundige bezwaren. Ten gevolge van de geluidsbelasting van de Raadhuisstraat kunnen eveneens geen hogere grenswaarden

44

Gemeente Woensdrecht

worden aangevraagd omdat dit een 30 km/uur weg en dus geen gezoneerde weg conform de Wet geluidhinder is. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ is tevens inzicht verkregen in de cumulatieve geluidsbelasting. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een geluidsbelasting van 34 - 63 dB wat gekwalificeerd wordt als een zeer goed tot slecht woon- en leefklimaat. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor ‘bouwen’ is het noodzakelijk dat wordt voldaan aan de eisen voor de minimale geluidwering van de gevels. De binnenwaarde van de woningen zal daardoor aan de wettelijke eis van 28 dB voldoen. Bovendien kan gesteld worden dat buitenruimten hoofdzakelijk achter de zorgwoningen zijn gelegen, waar geen verhoogde geluidsbelasting wordt gemeten. De cumulatieve geluidbelasting staat een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat derhalve niet in de weg. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8

Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied wat kan worden gekenmerkt als gemengd gebied. In de (directe) omgeving van het plangebied komen immers diverse functies voor, die overwegend zijn gerelateerd aan de ligging van het plangebied nabij het ‘functionele centrum‘ van Hoogerheide. Het betreft de functies detailhandel, dienstverlening, kantoren en horeca, in combinatie met wonen. Op grond daarvan kan het plangebied worden beschouwd als gelegen in een gemengd gebied.

Richtafstanden uit de VNG-brochure kunnen derhalve met één afstandstrap worden verlaagd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Bestemmingsplan “Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide”

45

Hiertoe is door Econsultancy een notitie bedrijven en milieuzonering opgesteld (rapportnummer 6554.007, 23 april 2019), die als bijlage 11 bij de toelichting is opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied niet binnen de richtafstanden van een bedrijfsmatig bedrijf is gelegen. Wel kan de laad- en loszone van de ten westen van het plangebied gelegen supermarkt van invloed zijn op het woon- en leefklimaat van de aan die zijde gepositioneerde verblijven in het zorgcomplex. Om die reden is door Econsultancy een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De rapportage daarvan (rapportnummer 6554.009, 13 november 2019) is als bijlage 12 bij de toelichting opgenomen. Uit het akoestisch onderzoek naar het plan treden meerdere overschrijdingen op van zowel de bestaande als nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen. De overschrijdingen van de maximale geluidniveaus worden hoofdzakelijk veroorzaakt door de parkeerrem van de vrachtwagens binnen het plan en bij het bevoorraden van de supermarkt. De VNG-brochure sluit de beoordeling van maximale geluidniveaus ten gevolge van aan- en afrijdend verkeer in een vervolgstap (3) uit. Met de uitzondering van maximale geluidniveaus ten gevolge van aan- en afrijdend verkeer treden geen overschrijdingen in de dag- en nachtperiode meer op.

Gezien de incidentele situatie in de dagperiode worden de berekende maximale geluidniveaus acceptabel geacht. Bij toetsing aan het Activiteitenbesluit rest alleen in de nachtperiode nog overschrijdingen van de grenswaarde. Het betreft de parkeerrem van de vrachtwagen van de supermarkt. Maatwerkvoorschriften voor de supermarkt worden niet wenselijk geacht. Het plaatsen van een geluidsscherm stuit op praktische bezwaren, aangezien het op gronden van derden worden geplaatst. De overschrijdingen vinden plaats aan de gevels aan de westzijde van het plan (tegenover de supermarkt). De voorkeur gaat uit van gevelmaatregelen aan de nieuwbouw. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Hiermee wordt de woningen een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Dit nadere onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de bouwaanvraag. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.9

Externe veiligheid

4.9.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle

46

Gemeente Woensdrecht

bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een inrichting met een chloorbleekloogtank aan de Sportlaan 4a te Hoogerheide. De grens van de inrichting ligt op een afstand van circa 1.417 meter tot het plangebied. Er is geen sprake van een PR 10-6 risicocontour. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de inrichting zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied.

Uitsnede risicokaart met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster.

Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Bestemmingsplan “Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide”

47

4.9.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicorelevante transportassen gelegen.

Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.9.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving buisleidingen zijn gelegen waarop de circulaire van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat er binnen en in de nabijheid van het plangebied geen hogedruk buisleidingen zijn gelegen, waarvoor een beschermingsregime geldt op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

48

Gemeente Woensdrecht

Conclusie Het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect buisleidingen en externe veiligheid.

4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; ▪ een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; ▪ een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de

Bestemmingsplan “Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide”

49

jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 138 wooneenheden voor de zware zorg. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Bovendien is blijkens de luchtkwaliteitskaart ter hoogte van het plangebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2.

1

'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

50

Gemeente Woensdrecht

Beoordeling Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden kan in een later stadium zekerheidshalve een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

4.12 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd.

De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

Bestemmingsplan “Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide”

51

Beoordeling In onderhavige situatie is sprake van de realisatie van 138 zorgunits met bijbehorende voorzieningen in het bestaande woongebied van de kern Hoogerheide. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.beoordeling, waardoor enkel een vormvrije m.e.r.-beoordeling resteert. De onderhavige vormvrije m.e.r.-beoordeling is tevens opgenomen in de op 14 april 2020 door het bevoegd gezag beoordeelde aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling. Besloten is dat de noodzaak tot het opstellen van een milieueffectrapportage ontbreekt.

Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke m.e.r.-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant effect op de Natura 2000gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als m.e.r.-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening NoordBrabant 2010. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een m.e.r. en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

52

Gemeente Woensdrecht

5

JURIDISCHE PLANTOELICHTING

5.1

Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.

5.2

Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij de bestemmingsplanen “Scheldeweg-noord Hoogerheide” en “Bebouwde kom Hoogerheide - Woensdrecht” alsmede het gemeentelijke handboek. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: ▪ inleidende regels; ▪ bestemmingsregels; ▪ algemene regels; ▪ overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

Bestemmingsplan “Raadhuisstraat 20-32, Hoogerheide”

53

5.3

Regels

5.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 ‘Begrippen’ In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 ‘Wijze van meten’ In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

5.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: ▪ bestemmingsomschrijving; ▪ bouwregels; ▪ nadere eisen; ▪ afwijken van de bouwregels; ▪ specifieke gebruiksregels; ▪ afwijken van de gebruiksregels; ▪ omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; ▪ omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; ▪ wijzigingsbevoegdheid. Een regel hoeft niet alle elementen te bevatten, dit kan per bestemming verschillen. Maatschappelijk De zorgunits met bijbehorende voorzieningen hebben de bestemming ‘Maatschappelijk’ gekregen. Het deel van het plangebied waar de parkeergarage is toegestaan, is specifiek aangeduid. De bebouwing dient binnen het bouwvlak te worden opgericht, met de voorgevel op de aangeduide gevellijn. Het gehele bouwvlak mag worden bebouwd. Verkeer – Verblijfsgebied Deze bestemming is toegekend aan de aan de zuidzijde van het plangebied, waar verblijfsvoorzieningen zijn toegestaan in de vorm van wegen, paden en parkeervoorzieningen. De inrit tot de parkeergarage komt uit op deze bestemming. Tevens zijn opgenomen groen- en speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, hondentoiletten en voorzieningen van algemeen nut.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=woensdrecht&id=60f23cd2-5309-40fa-b091-48d1840c84d8