Toelichting - BP Sluis Noord 14
Tekst van het document
24
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Verder is vanaf 1 januari 2021 artikel 7.28 van de Wet milieubeheer gewijzigd. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling omvat namelijk de ontwikkeling van 31 appartementen. Er kan daarmee worden volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
25
a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.-procedure noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.procedure plaatsvinden.
De vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld op basis van de drie criteria die te vinden zijn in bijlage III van de Europese Richtlijn 2011/92/EU. Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet herziening m.e.r.-richtlijn in werking getreden. Deze wijziging heeft onder meer tot gevolg dat het bevoegd gezag ook bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling een expliciet besluit moet nemen, het m.e.r.-beoordelingsbesluit. 1.
Kenmerken van het project als omvang, cumulatie met andere projecten, gebruik natuurlijke hulpbronnen, productie afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen (i.v.m. stoffen/technologieën).
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt voorzien in de vervanging van een bestaande gebouw, het voormalige steunpunt van Rijswaterstaat, door een nieuw appartementengebouw met 31 appartementen. Het appartementengebouw wordt qua grondoppervlak slecht beperkt groter dan de bestaande bebouwing. Daarnaast wordt de buitenruimte groen ingericht, waarbij onder andere de parkeerplaatsen uitgevoerd in halfverharding. De functiewijziging is daarmee beperkt. Zoals bovenstaand beschreven ligt de omvang ruim beneden de gestelde drempelwaarden van categorie D11.2. Daarnaast is geen sprake van cumulatie met een andere ontwikkelingen in de omgeving, is er geen sprake gebruik van natuurlijke hulpbronnen, noemenswaardige productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder of risico van ongevallen. 2.
Plaats van het project (kwetsbaarheid van het milieu in een gebied waarop het project effect kan hebben, bijvoorbeeld een natuurgebied).
Het plangebied is gelegen aan de zuidwestzijde van de kern van Wijk bij Duurstede, in het buitengebied, en ligt op ruime afstand van kwetsbare natuurgebieden. Tevens wordt verwezen naar toelichting paragraaf 4.6 voor een nadere toelichting op de effecten van het project op natuur en milieu. 3.
Kenmerken van het potentiële effect (bereik, waarschijnlijkheid, duur frequentie en onomkeerbaarheid).
Het voorliggende plan voorziet in een andere functie ten opzichte van de huidige situatie, waarin er enkel een steunpunt aanwezig is, door de toevoeging van woningen in het plangebied. Deze functiewijziging is van beperkte omvang, waardoor er geen significant negatieve effecten op het milieu te verwachten zijn. In toelichting hoofdstuk 4 worden de diverse milieuthema's beschouwd waaruit blijkt dat er geen negatieve effecten zijn. Ook niet voor wat betreft het bereik, de waarschijnlijkheid, de duur en frequentie van de mogelijke effecten. Er kan geconcludeerd worden dat belangrijke gevolgen voor het milieu uitgesloten kunnen worden. Het bevoegd gezag kan op basis van het bovenstaande besluiten of er al dan niet een m.e.r.-procedure nodig is en publiceert dit in een (vormvrij) m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het bevoegd gezag zal het m.e.r.beoordelingsbesluit voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan nemen. Er is geen sprake van een bezwaar- en beroepsprocedure bij het besluit over de m.e.r.-plicht zelf. Bezwaar en beroep is mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
26
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen) is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, 36253, d.d. 12-05-2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Dit onderzoek is een aanvulling op het onderzoek van Tauw uit 2017. Uit het onderzoek uit 2022 volgt dat in de aanvullende grondanalyses zijn geen verhogingen boven de achtergrondwaarde aangetoond. Tevens is de PAK-verontreiniging geactualiseerd. In en rondom de kernverontreiniging is geen PAK boven de achtergrondwaarde aangetoond. Vermoedelijk heeft een puindeeltje in het monster van voorgaand onderzoek gezorgd voor een verhoging aan PAK. Op basis van deze resultaten kan worden gesteld dat er geen sprake is van een grondverontreiniging met PAK. In de puinhoudende grond is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer.
Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Conclusie De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de beoogde bestemmingswijziging en de afgifte van een omgevingsvergunning in een later stadium. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is vanuit het aspect bodem.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Wegverkeer Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de Lekdijk Oost, De Molenvliet, de Romeinenbaan en de Middelweg Oost op respectievelijk 15, 47, 117 en 71 meter uit de as van de weg. Om inzichtelijk te maken wat de geluidbelasting door wegverkeer op het te realiseren woongebouw is, is een akoestisch onderzoek opgesteld door Adviesburo Van der Boom (20-081, d.d. 17-09-2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2).
27
De geluidbelasting door wegverkeer op de Lekdijk Oost bedraagt ten hoogste 47 dB na aftrek ex art 110g Wgh op de noordgevel. De geluidbelasting door wegverkeer op de Molenvliet bedraagt ten hoogste 47 dB na aftrek ex artikel 110g Wgh op de noordgevel. De geluidbelasting door wegverkeer op de Romeinenbaan bedraagt ten hoogste 44 dB na aftrek ex artikel 110g Wgh op de westgevel. De geluidbelasting door wegverkeer op de Middelweg Oost bedraagt ten hoogste 45 dB na aftrek ex artikel 110g Wgh op de noordgevel. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee op geen van de wegen overschreden. Voor de woningen hoeft geen hogere waarde te worden aangevraagd. Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van het geluidbeleid van de Wgh en de gemeente. De voorkeursgrenswaarde wordt op geen van de wegen overschreden. Voor het aspect geluid zal daarom sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening mits voor de woningen tevens wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Bij een geluidbelasting op de noordgevel van ten hoogste 55 dB zonder aftrek bedraagt de benodigde geluidwering GA,k 22 dB(A). Voor de overige gevels met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek, bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering G A;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit.
Voor deze gevel zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Industrie Het plangebied is gelegen in directe nabijheid van de Prinses Irenesluis. Het beoordelen van de sluisgerelateerde geluidbelasting – een infrastructurele voorziening – past niet in een wettelijk geluidkader (Wgh, noch Wm/Activiteitenbesluit milieubeheer). De gemeente beoordeelt de geluidsituatie daarom in het kader van een goede ruimtelijke ordening, ofwel bepaalt of er – onder welke voorwaarden aan het bouwplan – sprake is van een acceptabel leefklimaat voor wat betreft het aspect geluid. Daartoe heeft Adviesburo Van der Boom een akoestisch onderzoek uitgevoerd (20-081, d.d. 16-09-2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). In dit onderzoek zijn de (reguliere, dagelijkse) activiteiten van het sluizencomplex gemodelleerd en is de geluidsbelasting op de omgeving berekend. Naast de dagelijkse (bedrijfs)situatie van het sluizencomplex komen meerdere regelmatig dan wel incidenteel terugkerende, bij de sluizen behorende geluidrelevante activiteiten voor. Deze activiteiten staan in het rapport (zie bijlage 3) genoemd, maar maken geen deel uit van de weergave in dat rapport van de geluidsituatie ten gevolge van de dagelijkse activiteiten van het sluizencomplex.
Deze niet doorgerekende activiteiten kunnen zich voordoen gedurende een korte danwel langere tijd (zoals bijvoorbeeld bij een renovatie) en - ter voorkoming van stremming van het scheepvaartverkeer- veelal in het weekend, avond en in de nacht. Dit kan leiden tot meer geluid(hinder) bij de voorgenomen woningbouw dan die in het rapport bijlage 3 inzichtelijk is gemaakt. Resultaten Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT ten gevolge van alle reguliere activiteiten bij het sluizencomplex bedraagt in de immissiepunten 1-4 bij de nieuw te bouwen woningen hooguit 45 dB(A) overdag, 44 dB(A) in de avond en 40 dB(A) in de nacht. Daarmee ligt de geluidbelasting hooguit 5 dB(A) hoger dan de richtwaarden uit de VNG-brochure, vooral in de avond en nacht. De bijdrage van het scheepvaartverkeer in de sluis op de totale bijdrage is zeer gering met een Lden-waarde van hooguit 38 dB(A) etmaalwaarde. De geluidbelasting Lden ten gevolge van scheepvaartverkeer in het kanaal (dus buiten de sluizen) bedraagt op het bouwkavel hooguit 42 dB(A). De maximale geluidniveaus LAmax ten gevolge van het alarm (waarschuwing waterniveau) bedragen in de immissiepunten 1-4 bij de nieuw te bouwen woningen hooguit 66 dB(A) overdag, in de avond en in de nacht. Daarmee liggen de maximale geluidniveaus hoger dan de richtwaarden uit de VNG-brochure, vooral in de nacht.
De geluidbelasting op de nieuwe woningen langs de vaarweg – binnen de invloedssfeer van het sluizencomplex – ligt niet hoger dan 38 dB(A) etmaalwaarde en ten gevolge van scheepvaartverkeer in de kanalen niet hoger dan 42 dB(A) Lden. In de berekeningen is ook het laagfrequente geluid (> 25 Hz) meegenomen en getoetst aan de eisen. Er is geen onderzoek verricht naar frequenties < 25 Hz; de
28
verwachting is dat deze bij lage snelheden van schepen in en direct buiten het sluizencomplex geen belangrijke rol zullen spelen. Ruimtelijke toets en maatregelen Aangezien er voor het sluizencomplex geen wettelijk geluidkader bestaat, beoordeelt de gemeente de geluidsituatie uitsluitend in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat de gemeente bepaalt of er - al dan niet onder specifieke voorwaarden - sprake kan zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat voor wat betreft geluid. Hiervoor wordt de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gehanteerd, waarin richtwaarden voor een acceptabel akoestisch klimaat zijn opgenomen. Hoewel er geen wetgeving is, is dit een belangrijk standaardwerk waar ook de rechterlijke macht vaak aan toetst. De VNG-brochure hanteert vier stappen: 1. 2. 3.
4.
Inventariseer of de beoogde ontwikkeling voldoet aan ‘richtafstanden’, de gewenste minimale afstand tussen een milieubelastende activiteit en gevoelige bestemming. Als niet aan de richtafstand kan worden voldaan, onderzoek of er (al dan niet door toepassing van maatregelen) aan richtwaarden kan worden voldaan, in dit geval voor de geluidbelasting. Zo niet, dan moet worden onderzocht of aan hogere richtwaarden voor de geluidbelasting kan worden voldaan. Wanneer naar deze stap wordt overgegaan moet de gemeente hoe dan ook motiveren waarom de geluidbelasting in deze specifieke situatie acceptabel wordt geacht. Als de geluidbelasting hoger is dan in stap 3 aangegeven, dan kunnen woningen in principe niet worden toegestaan, tenzij de situatie grondig onderzocht wordt (waarbij ook de cumulatieve geluidbelasting wordt berekend) en een uitgebreide motivering wordt opgesteld waarom de gemeente de situatie acceptabel acht.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op momenten hoger is dan de richtwaarden uit de VNG-handreiking. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is tot 5 dB(A) hoger dan de richtwaarden voor een ‘rustige woonwijk’ uit stap 2 van de VNG-handreiking. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voldoet wel aan de richtwaarden uit stap 3. De maximale geluidniveaus voldoen op een aantal specifieke meetpunten niet aan stap 3 van de VNG-brochure. De hoogste piekniveaus zijn 66 dB(A). Deze worden veroorzaakt door het alarm van het sluizencomplex dat wordt ingezet als het waterpeil in de sluis gestabiliseerd is. In de nacht vindt een overschrijding plaats tot 6 dB(A). In het onderhavige geval worden de volgende maatregelen genomen om desondanks een acceptabel woonen leefklimaat te garanderen:
•
Er wordt een minimale geluidwering van de oost, zuid en west gevels gerealiseerd van 21 dB(A), zodat het maximale geluidniveau in de appartementen voldoet aan de eisen van het Activiteitenbesluit (wettelijke grenswaarden). Dit is zonder bijzondere technische voorzieningen haalbaar.
•
Omdat het alarm vooral in de nacht (waarbij vaak sprake is van geopende ramen) als zeer storend ervaren kan worden, is de ontwikkelaar voornemens om geen ventilatieroosters in de gevels te realiseren (en dus gebruik te maken van gebalanceerde ventilatie) en om de slaapkamers aan de ten opzichte van het sluizencomplex geluidluwe noordzijde van het gebouw te positioneren.
Deze maatregelen beheersen het in het geluidrapport (bijlage 3) berekende geluid van de dagelijkse activiteiten van het sluizencomplex, maar mogelijk niet afdoende het geluid bij andere variabele van bij de sluizen behorende activiteiten. Dat kan mogelijk (meer) hinder veroorzaken dan verwacht. Hiertoe geeft de gemeente initiatiefnemer als voorwaarde mee om hierover nader en duidelijk (schriftelijk) te communiceren naar de nieuwe en navolgende bewoners Conclusie Gezien het bovenstaande kan er geconcludeerd worden dat er met de maatregelen die worden getroffen sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geluid.
29
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.
Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
30
Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden er 31 nieuwe appartementen mogelijk gemaakt. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als 'niet in betekende mate'. De voorgenomen ontwikkeling kan derhalve gezien worden als een NIBM-project; de ontwikkeling draagt 'niet in betekende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Hieruit kan worden opgemaakt dat de ontwikkeling geen bijdrage levert aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en past binnen de kaders van de Wet milieubeheer. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2021 van fijnstof PM10, fijnstof PM2,5 en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 16,6 μg/m³ fijnstof PM10, 9,7 μg/m³ fijnstof PM2,5 en 12,8 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
In deze paragraaf is de plaatselijke luchtkwaliteit in beeld wordt gebracht, hetgeen kan met behulp van programma’s die de luchtkwaliteit in Nederland monitoren, zoals de Atlas Leefomgeving. In deze programma’s worden de meest actuele en accurate data gebruikt en is het goed mogelijk om lokaal verschillen te zien. Ten behoeve van de landelijke monitoring van de luchtkwaliteit worden door de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) jaarlijks lokale gegevens in het landelijke model gecontroleerd en indien nodig aangepast. Hierbij wordt ook rekening gehouden met emissies vanwege de scheepvaart. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 Waterhuishouding Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 wordt het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. 4.5.1 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Voor de planperiode 2022-2027 is het nieuwe Waterbeheerplan, Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. Het waterbeheerprogramma beschrijft de ambities van De Stichtse Rijnlanden voor schoon en gezond water, duurzaamheid en een waterveilig en klimaatbestendig gebied. In het Waterbeheerplan is Wijk bij Duurstede gelegen in het Kromme Rijngebied en Utrechtse Heuvelrug.
Het gebied ten oosten van Utrecht kenmerkt zich door de aanwezigheid van boomgaarden met fruit, de meanderende Kromme Rijn en het Eiland van Schalkwijk. Onderdeel van het lager gelegen gebied is de Nieuwe Hollandse Waterlinie met forten, bunkers en omringende open gebieden (UNESCO werelderfgoed). Een rijk landschap met veel ruimtelijke kwaliteit.
31
Keur en uitvoeringsregels Per 7 mei 2021 is de nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe beleidsregels. In de Keur staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. Op grond van artikel 3.7 van de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is het verboden om zonder vergunning van het college hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen en te lozen. Onder verhard oppervlak wordt verstaan: het deel van het aardoppervlak dat is afgedekt met niet of nauwelijks waterdoorlatende materialen of werken. Voorbeelden van verhard oppervlak zijn daken en bestratingen. De voorwaarden om te werken zonder melding binnen de Algemene Regels zijn als volgt:
•
Binnen de bebouwde kom wordt minder dan 500 m² of in overig gebied wordt minder dan 1.000 m² onverharde grond bebouwd of verhard. Of:
•
Er is sprake van verscheidene te ontwikkelen min of meer aaneengesloten of samenhangende bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte van binnen de bebouwde kom minder dan 500 m² of in overig gebied minder dan 1.000 m². Of:
•
Indien een nieuw aan te leggen verhard oppervlak minder dan 10% van dat peilvak beslaat. Binnen de bebouwde kom een peilvak kleiner dan 5.000 m² en in overig gebied een peilvak kleiner dan 10.000 m².
Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. 4.5.2 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten.
De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Verhard oppervlak Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden schrijft voor dat bij een toename van meer dan 500 m² een infiltratiesysteem dient te worden aangelegd met 45 mm per m² afgekoppeld verhard oppervlak en een vergunning nodig is voor de lozingsconstructies naar oppervlaktewater. In de huidige situatie is het plangebied voor een groot deel verhard. In de bestaande situatie is er 595 m² bebouwing en 1.250 m² erfverharding aanwezig, waarmee het bestaande verhardingsoppervlak 1.845 m² bedraagt. Het voorgenomen plan bestaat uit 582 m² bebouwing en 1.327 m² erfverharding, waarvan 518 m² uitgevoerd in halfverharding. De verhardingstoename bedraagt 124 m². Bij deze toename (< 500 m²) is watercompensatie niet vereist. Onderstaande tabellen geven een overzicht van de verharding en groen in de bestaande en toekomstige situatie.
32
Bestaand Gebouw Bestrating Groen Totaal verhard
595 1.250 745 1.845
m² m² m² m²
Toekomstig Gebouw Bergruimte losstaand Trafo Nieuwe bestrating Half verharding Groen Totaal verhard
582 51 9 809 518 (50% = 259) 645 1.969 (indien halfverharding voor 50% 1.710)
m² m² m² m² m² m² m²
Het parkeerterrein ten westen van het beoogde appartementengebouw, waar de landschappelijke inpassing deels is voorzien, behoort tot het plangebied, maar is niet meegenomen in de bovenstaande tabel. Bij dit parkeerterrein wordt verharding verwijderd. De verharding maakt plaats voor bomen en groen. Vanwege de vergroening van het parkeerterrein is de verhardingstoename minder dan bovenstaand uiteengezet is, waarmee dit als een worstcasebenadering beschouwd kan worden. Watergangen en waterkeringen Volgens de legger van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden ligt het plangebied niet binnen de beschermingszone of waterstaatswerkzone van een waterkering. Daarnaast bevindt zich geen oppervlaktewater binnen het plangebied. Waterafvoer Hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem, dit kan onder andere via de halfverharding bij de parkeerplaatsen en het groen in het plangebied. In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem verplicht. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Afvalwater kan worden afgevoerd naar vuilwaterriool. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel, waarvoor een nieuwe aansluiting aangevraagd wordt. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
33
Planspecifiek Quickscan plangebied, zonder plan deel voor de noordelijke ontsluiting Er is een quickscan ecologie uitgevoerd (Blom Ecologie, BE/2020/593/r, d.d. 04-09-2020, bijlagen bij toelichting bijlage 4) om de impact van de ontwikkeling op beschermde flora, fauna en natuurgebieden in kaart te brengen. Onderstaand komen de belangrijkste conclusies aan bod. - Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Op 9 juni 2023 is een aanvullend locatiebezoek uitgebracht, waarvan de bevindingen zijn opgenomen in een notitie (Blom Ecologie, BE/2023/0688, d.d. 20-06-2023, bijlagen bij toelichting bijlage 9). Tijdens het veldbezoek van 9 juni 2023 is het te slopen gebouw in dezelfde staat aangetroffen als tijdens het locatiebezoek in 2020. Er is tijdens het bezoek in het bijzonder aandacht besteed aan mogelijke vleermuisverblijfplaatsen in het gebouw. Er zijn echter geen openingen aangetroffen welke naar mogelijk geschikte vleermuisverblijfplaatsen kunnen leiden. De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kan worden uitgesloten.
Derhalve heeft het gebouw op de planlocatie geen functie voor gebouwbewonende vleermuizen. Deze conclusie is in lijn met de rapportage van de quickscan Wet natuurbescherming die is uitgevoerd in 2020 (zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). - Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Wel is het van belang om inzichtelijk te maken wat de effecten van de ontwikkeling zijn op Natura 2000-gebieden wat betreft stikstofdepositie. - Stikstofdepositie Om inzichtelijk te maken wat het effect van de ontwikkeling is op de omliggende Natura 2000-gebieden. De herontwikkeling van de locatie gaat gepaard met de uitstoot van stikstofdioxiden in de gebruiksfase. De berekeningen zijn verricht met het web-based programma AERIUS Calculator versie 2023.1 en opgeschreven in een rapport (Buro SRO, SR200093, d.d. 16-02-2024, bijlagen bij toelichting bijlage 5). Bij de gebruiksfase is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 127 voertuigbewegingen per etmaal aan licht verkeer en 0,62 voertuigbewegingen in zwaar verkeer. Omdat de woningen gasloos worden uitgevoerd zijn deze niet meegenomen in de berekeningen. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van een NOx-emissie van < 1 kg/j en een NH3-emissie van < 1 kg/j.
Met de berekening zijn voor verschillende rekenpunten rekenresultaten van 0,00 mol/ha/j. De berekening van de bouwfase is uitgevoerd op basis van de uitstoot van de mobiele werktuigen en voertuigbewegingen die tijdens de bouwfase (inclusief sloop) plaatsvinden in het bouwjaar 2024. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er voor het rekenjaar 2024 blijkt dat er sprake is van NO x-emissie van 53,2 kg/j en een NH3-emissie van 2,0 kg/j. Uit de berekening blijkt dat er in de bouwfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de omliggende Natura 2000-gebieden. Het plan is uitvoerbaar voor wat betreft stikstofdepositie. - Houtopstanden Binnen het onderzoeksgebied van de bijlagen 4 en 9 zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. - Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en
34
algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Quickscan noordelijke ontsluiting De voorgaande quickscan is uitgevoerd voor het saneren van de opstallen en bebouwing in het plangebied. Hierbij is geen onderzoek gedaan naar de houtwal aan de noordzijde van het plangebied. Met het voorliggende plan wordt er een nieuwe inrit gemaakt waarvoor een deel van de bomen, grassen en struiken verwijderd moeten worden. Om de impact van de ontwikkeling op beschermde flora, fauna en natuurgebieden in kaart te brengen is door Bureau Natuurlijk een quickscan uitgevoerd (QS50712, d.d. 0405-2022, bijlagen bij toelichting bijlage 8). Uit de quickscan volgt dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. Voor vogels worden geen overtredingen van de Wet natuurbescherming verwacht, mits er buiten het broedseizoen wordt gewerkt. Voor flora, vleermuizen, zoogdieren en overige soorten worden geen overtredingen verwacht. Op de planlocatie worden vier bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Wet Natuurbescherming. Voor het kappen van de vier bomen geldt een meld- en herplantplicht. Conclusie De ontwikkeling is uitvoerbaar vanuit het aspect ecologie.
4.7 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied'" en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar.
35
Planspecifiek Met het voorliggende bestemmingsplan wordt de realisatie van een gevoelige bestemming (31 appartementen) mogelijk gemaakt. Derhalve dient er beoordeeld te worden of sprake is van een woon- en leefklimaat bij de woningen en of milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg van het plan. Met behulp van bestemmingsplannen in de omgeving is bepaald welke milieubelastende activiteiten aanwezig zijn. Op de bedrijventerreinen in Wijk bij Duurstede wordt gewerkt met aanduidingen waarbinnen bedrijven met een maximale milieucategorie zijn toegestaan. De twee categorieën die in de nabijheid van het plangebied voorkomen zijn:
•
Bedrijventerrein - 2: bedrijven tot en met categorie tot 3.2, ter plaatse van aanduiding ook 4.1 en 4.2;
•
Bedrijventerrein - 3: bedrijven tot en met categorie 4.1.
Op het bedrijventerrein Broekweg/Langshaven, dat aan de andere kant van de Romeinenbaan ligt, heeft zowel de bestemming 'Bedrijventerrein - 2' als 'Bedrijventerrein - 3'.Het dichtstbijzijnde bedrijf, heeft de milieucategorie 3.1 en ligt op minimaal 230 meter afstand van het plangebied. Dit is ruim meer dan de richtafstand van 100 meter in een rustige woonwijk en 50 meter in gemengd gebied. Naast dit bedrijf is een bedrijf gevestigd met de aanduiding milieucategorie 4.2. Dit bedrijf is op 300 meter van het plangebied gelegen. Voor deze categorie geldt een richtafstand van 300 meter in een rustige woonwijk en 200 meter in gemengd gebied. Hiermee wordt er aan de richtafstand voldaan. Aan de overzijde van het Amsterdam-Rijnkanaal is een tweetal bedrijven gevestigd, namelijk Broekweg 3a garagebedrijf met toegestane milieucategorie 2 en Broekweg 3b metaalbedrijf met toegestane milieucategorie 3. De afstand van het plangebied tot deze bedrijven is 450 meter. Dit is ruim meer dan de richtafstanden die gelden voor deze milieucategorieën. In toelichting paragraaf 4.3 en toelichting paragraaf 4.8 is aandacht voor de Prinses Irenesluizen en scheepvaart op het Amsterdam-Rijnkanaal. Als onderdeel van het voorgenomen plan worden parkeerplaatsen aangelegd. De afstand van de parkeerplaatsen aan de oostzijde van het plangebied tot de woning aan Sluis Noord 12 is minimaal 7 m.
Hoewel het parkeerterrein niet als een inrichting beschouwd kan worden en de richtafstanden uit de VNGpublicatie voor een parkeerterrein niet representatief zijn voor een situatie waarin het uitsluitend om parkeervoorzieningen ten behoeve van woningen gaat, dient er wel sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. De afstand van 7 m, in combinatie met een afschermde haag tussen de parkeerplaatsen en de oostelijke perceelgrens, wordt voldoende geacht om een aantasting van het woon- en leefklimaat redelijkerwijs ten opzichte van de huidige (planologische) situatie uit te kunnen sluiten. Gezien het voorgaande is de beoogde ontwikkeling in het kader van bedrijven en milieuzonering aan te merken als een passende ontwikkeling in het gebied.
4.8 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
•
risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
36
• •
vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
37
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.
Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in de nabijheid van de Prinses Irenesluis en het Amsterdam-Rijnkanaal. Dit is een transportroute van gevaarlijke stoffen. Het plangebied is dan ook gelegen binnen het invloedsgebied van het Amsterdam-Rijnkanaal. In dit kader is er door Kragten een rapport opgesteld (20200907-SRO022-RAP-RBM 1.0, d.d. 07-09-2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Gebleken is dat het plaatsgebonden risico (PR 10-6) en de vrijwaringszone niet reiken tot aan de grens van het plangebied. Geconcludeerd wordt dat deze veiligheidsafstanden géén belemmering opleveren voor de planontwikkeling. Naast het plaatsgebonden risico is de hoogte van het groepsrisico een aandachtspunt bij de planvorming. Als gevolg van de planontwikkeling neemt de personendichtheid toe binnen het invloedsgebied van het binnenvaartverkeer. Aangetoond is dat in zowel de huidige als de beoogde situatie geen groepsrisico wordt berekend. In de berekening is uitgegaan van 30 appartementen, met het voorliggende plan worden 31 appartementen beoogd.
Het is niet aannemelijk dat met het realiseren van een extra appartement ten opzichte van de uitgevoerde berekening wel een groepsrisico berekend wordt. Conform artikel 8 van het Bevt dienen de risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water (plasbrand en BLEVE-scenario) te worden afgewogen in een beperkte verantwoording. Kragten heeft in dit kader ook een verantwoording van het groepsrisico opgesteld (20200907-SRO022-RAPVGR 1.0, d.d. 01-11-2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water dient binnen de planlocatie rekening te worden gehouden met de volgende scenario’s. BLEVE-scenario Een BLEVE is een afkorting voor “Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion” (kokende vloeistofgasexpansieexplosie). Er bestaat een koude en een warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen. Bij een warme BLEVE explodeert de tank als gevolg van een brandhaard. Plasbrandscenario Een plasbrand kan ontstaan als gevolg van het instantaan falen van een tank op de route vervoer gevaarlijke stoffen. Bij het instantaan falen van een tank met zeer brandbare vloeistoffen zal een plas met zeer brandbare vloeistoffen ontstaan die bij ontsteking tot een plasbrand leidt. De ontwikkeling van dit scenario zal vrij snel plaatsvinden waardoor vluchten niet altijd mogelijk is.
Slachtoffers zullen vooral vallen onder de mensen in de directe omgeving van de plas. Daarnaast bestaat er de kans op brandoverslag naar gebouwen die in de directe omgeving van het incident zijn gelegen.
38
Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland. Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. Het plangebied is bereikbaar vanuit westelijke en oostelijke richting. - Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident.
De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. - Bestrijdbaarheid per scenario Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankcontainer meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankcontainer tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Hiervoor dient voldoende bluswater nabij de risicobron aanwezig te zijn. In geval van een plasbrand zal de inzet van de brandweer vooral gericht zijn op blussen van de plasbrand en eventuele secundaire branden. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. - Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied worden geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Het plan betreft de realisatie van appartementen. Indien minder zelfredzame personen aanwezig zijn, wordt er van uitgegaan dat zij met behulp van valide personen in veiligheid kunnen worden gebracht.
- Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de waterweg af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. Bij een plasbrand zijn mensen die zich in de directe omgeving van de plas bevinden over het algemeen in staat te vluchten. Het advies dat aan personen wordt gegeven is de bouwwerken is ontvluchten aan een zijde die van de plasbrand af gericht is. - Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op het eerder genoemde scenario). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid.
39
De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Conclusie Gezien de snelle ontwikkeltijd van een koude BLEVE zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. Ook de ontwikkeling van het plasbrandscenario vindt vrij snel plaats, waardoor bronbestrijding niet mogelijk is. De effectbestrijding, in geval van een koude BLEVE alsmede een plasbrand, zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. De volgende maatregelen om de zelfredzaamheid te vergroten zullen worden genomen:
•
vroegtijdige alarmering in geval van een calamiteit door een waarschuwingssysteem en duidelijke risicocommunicatie;
• •
nooduitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk van de waterweg af gericht; zichtbaar en duidelijk aangeven van vluchtroutes.
Bovengenoemde punten ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dienen voor advies te worden voorgelegd aan de regionale brandweer dan wel de veiligheidsregio. De aanvullende adviezen van de brandweer of veiligheidsregio (zie navolgend) dient het bevoegd gezag mee te wegen in haar besluitvorming. Op basis van de beschouwing in deze paragraaf ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid kan het bevoegd gezag besluiten dat de veiligheidsrisico's aanvaardbaar zijn. Overige risicobronnen Naast de bovenstaand beschreven risico's zijn er nog een tweetal andere bronnen waar rekening mee moet worden gehouden. Op het noordwestelijk gelegen bedrijventerrein is Veip Disinfectants B.V. gevestigd, dit is een bedrijf dat desinfectiemiddelen produceert. Voor de productie maken zij gebruik van gevaarlijke stoffen, die ter plaatse worden opgeslagen. Tevens dienen deze stoffen aangevoerd te worden. Dit transport verloopt via de ten noorden van het plangebied gelegen Provincialeweg N229. Het aantal vervoersbewegingen over deze weg en de invloed van de stoffen op de omgeving is gering, er zijn daardoor geen belemmeringen te verwachten. Advies veiligheidsregio De Veiligheidsregio Utrecht (VRU) heeft in het schrijven van 31 oktober 2022 advies uitgebracht ten aanzien van het voorliggende plan.
In dit advies geeft de VRU aan dat nagenoeg alle relevante zaken ten aanzien van externe veiligheid zijn meegenomen. Er worden enkele aanpassingen gevraagd ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico (tekstueel) en naar een beschouwing van de risico's van Veip b.v. alsmede het transport van gevaarlijke stoffen via de N229. Deze adviezen zijn bovenstaand verwerkt. Tevens heeft de VRU geadviseerd in de toelichting nader te beschrijven wie de doelgroep van het voorliggende plan is, in het kader van zelfredzaamheid bij het voordoen van calamiteiten. Ook is het advies gegeven om een vluchtroute richting de Lekdijk Oost te realiseren die gebruikt kan worden tijdens calamiteiten bij het sluizencomplex. In het huidige ontwerp is de ontsluiting van het plangebied beoogd direct op de Lekdijk Oost in tegenstelling tot het eerder ontwerp waar de ontsluiting via het Sluis Noord liep. Ook zullen de adviezen en voorstellen van Kragten worden overgenomen als onderdeel van de groepsrisicoverantwoording. Conclusie Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het voorliggende plan.