Toelichting - BP Sluis Noord 14
Tekst van het document
40
4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In het huidige bestemmingsplan heeft het plangebied geen archeologische dubbelbestemming. Daarnaast is op de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Wijk bij Duurstede te zien dat het gebied is aangemerkt als 'Archeologisch waardevol gebied 5: Verwachtingswaarde archeologie - laag' (zie navolgende afbeelding).
Archeologische maatregelenkaart gemeente Wijk bij Duurstede
De categorie betreft landschappelijke zones met naar verwachting een lage dichtheid aan archeologische sporen. De beleidsdoelstelling voor deze categorie is archeologisch vooronderzoek om vast te stellen of er sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden alleen bij zeer omvangrijke bodemingrepen. Voorafgaand aanvullend onderzoek wordt alleen vereist bij MER-plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen. Onderhavig plan is niet MER-plichtig en er worden geen omvangrijke bodemingrepen gedaan. Het aspect archeologie is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
41
4.9.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In en in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook ligt het plangebied niet binnen een beschermd dorpsgezicht. Het plangebied is wel nabij de Prinses Irenesluizen en het Amsterdam-Rijnkanaal gelegen. De gemeente Wijk bij Duurstede heeft een Cultuurhistorische waardenkaart waarbij breder is gekeken dan rijks- en gemeentelijk monumenten. Op deze kaart zijn de Prinses Irenesluizen en het Amsterdam-Rijnkanaal aangeduid als hoge cultuurhistorische waarden. Het Amsterdam-Rijnkanaal is een 72 kilometer lang kanaal dat de hoofdstad verbindt met de grote rivieren. Het 120 meter brede kanaal is één van de drukste vaarwegen van Europa. Het gedeelte tussen Utrecht en Wijk bij Duurstede is officieel geopend in 1952.
Bij Wijk bij Duurstede komt het kanaal uit in de Lek. Hier vinden we de Prinses Irenesluizen. Schepen kunnen van Amsterdam naar Wijk bij Duurstede varen zonder een sluis te passeren, maar hier bij de sluizen moet het hoogteverschil tussen het kanaal en de Lek worden overbrugd. De oudste sluiskolk uit 1952 heeft drie heftorens en kan in twee delen (van 175 bij 18 meter) gebruikt worden, zodat kleine schepen snel geschut kunnen worden. De noordelijke sluis is in 1974 gebouwd. Deze is minder lang maar wel breder (260 x 24 meter), zodat de vierbaksduwvaart hiervan gebruik kan maken. Het plangebied van de voorliggende ontwikkeling ziet toe op de herontwikkeling van een voormalig steunpunt van Rijkswaterstaat. Het plangebied heeft geen formele relatie meer met het sluizencomplex en de bestaande bebouwing is ook niet karakteristiek. De nieuwbouw vormt geen belemmering voor het zicht op het sluizencomplex of de werking ervan. Daarnaast is er een brede bomenstructuur die de scheiding vormt tussen het plangebied en het sluizencomplex. Daarmee kan geconcludeerd worden dat er als gevolg van het voorgenomen plan geen cultuurhistorische waarden verloren gaan.
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn kencijfers voor de verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
42
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een appartementengebouw van 31 appartementen. In de huidige situatie is op de locatie een steunpunt van Rijkswaterstaat (595 m² bvo) gevestigd. Dit punt is inmiddels niet meer in gebruik. Op basis van de CROW kencijfers had dit pand in de oude situatie een geschatte verkeersaantrekkende werking die 54,1 - 64,9 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt. De verkeersgeneratie voor dergelijke bedrijfsgebouwen (o.a. werkplaats) is namelijk9,1 - 10,9 motorvoertuigbewegingen per 100 m² bvo. Om inzichtelijk te maken wat de verkeersgeneratie is van de 31 appartementen is in onderstaande tabel de verkeersgeneratie per type appartementen uiteengezet. type woning huur, appartement, midden/goedkoop totaal
aantal woningen 31 31
kengetal 3,7 - 4,5
verkeersgeneratie 114,3 - 139,5 114,3 - 139,5
In totaal is er in de nieuwe situatie een verkeersaantrekkende werking van tussen de 114,3 en 139,5 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit is een toename ten opzichte van de oude situatie, echter is het aannemelijk dat de wegen rondom het plangebied over voldoende capaciteit beschikken om deze extra hoeveelheid van verkeer te verwerken. In de toekomstige situatie zal het plangebied ontsloten worden via de noordzijde van het plangebied, hier wordt een nieuwe ontsluiting gemaakt op de Lekdijk Oost. Vanaf de Lekdijk Oost kan het verkeer zijn weg vervolgen richting de Romeinenbaan en de Molenvliet. Daarmee komt de ontsluiting voor autoverkeer van het plangebied via de Sluis Noord te vervallen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Wijk bij Duurstede beschikt over een Nota parkeernormen 2016. Hierin is een toevoeging voor kleine wooneenheden (woningen specifiek gericht op één persoons bewoning) opgenomen. Dit is van toepassing op onderhavig initiatief. Planspecifiek In algemene zin dienen bij een ruimtelijke ontwikkeling voldoende parkeervoorzieningen gerealiseerd te worden. De parkeerbehoefte in de nieuwe situatie is in onderstaande tabel berekend. type woning huur, appartement, klein huur, appartement, midden/goedkoop totaal
aantal woningen 9 22 31
parkeernorm 1,3 1,6
aantal parkeerplaatsen 11,7 35,2 46,9
43
In de toekomstige situatie is er een parkeerbehoefte van 46,9 parkeerplaatsen volgens de geldende normen. Wanneer bezettingspercentages in acht worden genomen kan de parkeerbehoefte naar beneden worden bijgesteld naar afgerond 42 parkeerplaatsen. In totaal worden er 42 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd (zie toelichting paragraaf 2.2). Daarmee wordt er voorzien in de parkeerbehoefte.
44
5 Toelichting op de regels 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 3 de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
45
5.4 Wijze van bestemmen Het voorliggende bestemmingsplan bevat de volgende bestemming: Groen De belangrijkste groenstructuren in het plangebied zijn als ‘Groen’ bestemd. Deze gronden zijn enkel bestemd voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water, waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen, paden en nutsvoorzieningen. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Wonen Het plangebied is grotendeels als 'Wonen' bestemd. Binnen deze bestemming zijn wonen, een aan huis verbonden beroep en/of bedrijf en bijbehorende voorzieningen als wegen en paden, parkeervoorzieningen, water, waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen, (erf)beplanting, groenvoorzieningen, tuinen en nutsvoorzieningen mogelijk. Zowel het beoogde appartementengebouwen en de gemeenschappelijke berging als de buitenruimte, die ingericht zal worden voor parkeren en als tuin/groen, past binnen dit gebruik. Hoofdgebouwen (woningen) mogen alleen binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd. Het woningaantal (31), de bouwhoogte (respectievelijk 10 en 13 m) en het bebouwingspercentage (60%) die maximaal toegestaan zijn, zijn op de verbeelding aangeduid. Verder zijn er regels voor bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, opgenomen.
Waterstaat - Waterstaatkundige functie Voor het plangebied is tevens de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' opgenomen. Hiermee wordt de waterstaatkundige functie van de zone langs het Amsterdam-Rijnkanaal beschermd. In deze zone mogen geen gebouwen worden opgericht. Alleen als wordt aangetoond dat het bouwen geen negatieve gevolgen heeft voor de waterkering en waterhuishouding kan een omgevingsvergunning worden verleend. Bij de beheerder van de waterkering dient hierover een advies te worden ingewonnen.
46
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3° van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
• • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.
De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
47
6.2.2 Vooroverleg Het plan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro voorgelegd aan de vooroverlegpartners. De ontvangen reacties zijn in de notitie beantwoording vooroverleg (gemeente Wijk bij Duurstede, bijlagen bij toelichting bijlage 10) samengevat en van een reactie voorzien. 6.2.3 Zienswijzen Het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Sluis Noord 14’ heeft zes weken ter inzage gelegen. Eenieder is in de gelegenheid gesteld om in de periode van 15 december 2023 tot en met 25 januari 2024 zienswijzen in te dienen op het ontwerp bestemmingsplan. Gedurende de inzagetermijn zijn vijf zienswijzen naar voren gebracht. Deze zijn samengevat en van een reactie zijn voorzien in de 'Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan 'Sluis Noord 14' (gemeente Wijk bij Duurstede, bijlagen bij toelichting bijlage 11). Enkele van de zienswijzen hebben aanleiding gegeven het bestemmingsplan aan te passen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. In de 'Nota van zienswijzen' zijn deze aanpassingen beschreven.
48