Nota bodembeheer werkgebied ODRU 23-05-2022
Tekst van het document
M.u.v. de grotere bedrijfs- en industrieterreinen
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
46
tabelaanduiding: 8-17) vanwege het gehalte aan Koper, Lood en Zink in de bovengrondzone. Bebouwing 3/3 (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-14) vanwege het gehalte aan Lood en Zink, zowel in de boven- als in de ondergrondzone; Bebouwing 3/3 Toemaakdek De Venen I (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-16) vanwege het gehalte aan Koper, Lood en Zink in de bovengrondzone en Koper en Lood in de ondergrondzone; Bebouwing 3/3 VHL (zie bijlage 3, bkk VHL, tabelaanduiding: 6D) vanwege het gehalte aan Lood en PAK (10) in de bovengrondzone; Bebouwing 3/3 IJS (zie bijlage 3, bkk IJS, tabelaanduiding: 8C) vanwege het gehalte aan Lood en PAK (10) in de bovengrondzone.
-
-
A. Toepassen van klasse Wonen-grond in beleidszones Bebouwing met de Ontgravingskaart -S als bewijsmiddel Generieke kader voor het toepassen van grond Volgens het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit, mag op percelen die op de Bodemfunctiekaart ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Wonen, naast klasse L/N-grond, ook klasse Wonen-grond worden toegepast, tenzij de ontvangende bodemzone 22 in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur valt (dus van betere kwaliteit is). Gemeenten kunnen door middel van Gebiedsspecifiek beleid hiervan afwijken door de kwaliteit van de ontvangende bodemzone ondergeschikt te maken aan de bodemfunctieklasse (Wonen), als de risicogevoeligheid van de bodemgebruiksfunctie dit toelaat. Niet voor alle bodemzones, is het opstellen van Gebiedsspecifieke toepassingseisen nuttig of nodig. Dat is het geval als de bodemzone al in kwaliteitsklasse Wonen of Industrie valt. In dat geval biedt het hanteren van de landelijk geldende toepassingseisen (klasse Wonen-grond) al voldoende waarborgen om blootstellingsrisico’s bij het toepassen van grond te voorkomen én bovendien al genoeg mogelijkheden om klasse Wonen-grond toe te passen. Dat geldt voor de beleidszones: ▪ Bebouwing 2/1 (bovengrondzone) ▪ Bebouwing 2/2 (boven- en ondergrondzone) ▪ Bebouwing 3/1 (bovengrondzone) ▪ Bebouwing 3/2 (boven- en ondergrondzone) ▪ Bebouwing 3/3 (boven- en ondergrondzone).
Gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van grond Om het toepassen van klasse Wonen-grond ook in de bodemzones die in klasse Landbouw/Natuur vallen, mogelijk te maken is voor de bodemzones in de volgende beleidszones Gebiedsspecifiek beleid opgesteld: ▪ ▪ ▪
Bebouwing 1/1 (voor de boven- en ondergrondzone) Bebouwing 2/1 (voor de ondergrondzone) Bebouwing 3/1 (voor de ondergrondzone).
Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor toepassing van grond in deze bodemzones in dat de bodemfunctieklasse waarin een perceel op de Bodemfunctiekaart is ingedeeld (in dit geval “Wonen”), leidend is bij de gekozen toepassingseis. Hierbij wordt, in de meeste gevallen, geen rekening gehouden met de bodemkwaliteit van de ontvangende bodemzone op het perceel waar de grond toegepast wordt. Hierdoor is het mogelijk om ook in bodemzones die in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur zijn ingedeeld, ook de toepassing van klasse Wonen-grond toe te staan, wanneer de Ontgravingskaart-S als bewijsmiddel gebruikt wordt, mits aan alle Gebiedsspecifieke toepassingsesien uit par. 5.2 wordt voldaan. In tabel 13 zijn de (gebiedsspecifieke) toepassingseisen voor de beleidszone Bebouwing weergegeven. 22
Onder bodemzone wordt verstaan: de bovengrondzone tot 0,5 -mv of de ondergrondzone van 0,5 – 2 m -mv
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
46
Tabel 13: Toepassingseisen beleidszone Bebouwing met de Ontgravingskaart als bewijsmiddel Beleidszone
bovengrond (0 – 0,5 m -mv)
Ondergrond (0,5 – 2 m -mv)
Bebouwing 1/1
Klasse Wonen (LMW)
Klasse Wonen (LMW)
Bebouwing 2/1
Klasse Wonen
Klasse Wonen (LMW)
Bebouwing 2/2
Klasse Wonen
Klasse Wonen
Bebouwing 3/1
Klasse Wonen
Klasse Wonen (LMW)
Bebouwing 3/2
Klasse Wonen
Klasse Wonen
Bebouwing 3/3
Klasse Wonen
Klasse Wonen
In de Grondstromenmatrix (tabel 14) wordt aangegeven welke mogelijkheden door het vaststellen van Gebiedsspecifiek beleid gecreëerd worden voor het uitwisselen van grond tussen de onderscheiden beleidszones Bebouwing. Bovendien wordt hierin aangegeven of hiervoor de Ontgravingskaart-S gebruikt kan worden of dat er eerst een partijkeuring nodig is. Toepassingsbereik De Gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden voor toepassingen in de volgende gemeenten: •
Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die afkomstig is van binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied. Als de grond afkomstig is van buiten het werkgebied van de ODRU, geldt het volgende: -
•
Bij gebruik van een partijkeuring: de resultaten worden getoetst a.d.h. van de toetswaarden die aangegeven zijn in de tabellen van bijlage 13; Bij gebruik van een ontgravingskaart: het rekenkundig gemiddelde van de zone waarbinnen de ontgravingslocatie is gelegen, wordt getoetst aan de in de tabellen van bijlage 13 aangegeven toetswaarden;
Voor grond die afkomstig is van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied, gelden de Generieke toepassingseisen. Die zijn afhankelijk van de uitkomst van de toets aan functie (Wonen) en heersende bodemkwaliteit (dubbele toets). De strengste van deze twee toetsingen bepaald de geldende toepassingseis. In de bodemzone (boven- of ondergrond) die in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur valt, mag dan alleen klasse L/N-grond 23 toegepast worden. Wanneer de uitkomst is dat klasse Wonen-grond toegepast mag worden, kan dat alleen met een partijkeuring. De resultaten worden getoetst a.d.h. van de toetswaarden van de tabellen in bijlage 13.
De Gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden voor toepassingen van grond in: ▪ Alle gebieden die op de Bodemfunctiekaart ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Wonen én waar de boven- en/of ondergrond is ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur. ▪ Het gaat om de gebieden die in de volgende beleidszones zijn ingedeeld: o o o
Bebouwing 1/1 (voor zowel boven- als ondergrond) Bebouwing 2/1 (voor alleen ondergrond) Bebouwing 3/1 (voor alleen ondergrond)
Let op: Op risicogevoelige functies mag alleen klasse Landbouw/Natuur-grond toegepast worden (zie par. 5.2.2). In paragraaf 5.2.3 wordt aangegeven dat voor het toepassen van grond in tuinen een aangescherpte toepassingseis voor lood geldt (max. 100 mg/kg), om jonge kinderen extra te beschermen.
23
In de volksmond wordt dit ook wel “schone grond” genoemd
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
47
Tabel 14: Grondstromenmatrix voor de beleidszone Bebouwing met Ontgravingskaart als bewijsmiddel DE GROND WORDT TOEGEPAST IN BELEIDSZONE
Ondergrond
Bebouwing 3/3 Bovengrond
Ondergrond
Bebouwing 3/2
Ondergrond
Bovengrond
Bebouwing 3/1 Bovengrond
Ondergrond
Bebouwing 2/2
Ondergrond
Bovengrond
Bebouwing 2/1 Bovengrond
Ondergrond
Bovengrond
BELEIDSZONE
(let op: deze matrix kan niet gebruikt worden voor toepassingen op risicogevoelige functies) Bebouwing 1/1
DE GROND KOMT UIT
BOVENGROND ( 0 – 0,5 m -mv) Bebouwing 1/1 Bebouwing 2/1
2)
2)
2)
Bebouwing 2/2: ▪ Tabel 8-7
3)
▪ Tabel 6C VHL Bebouwing 3/1 1) Bebouwing 3/2 1) Bebouwing 3/3 1)
ONDERGROND ( 0,5 – 2 m -mv) Bebouwing 1/1 Bebouwing 2/1 Bebouwing 2/2
3)
Bebouwing 3/1 Bebouwing 3/2 Bebouwing 3/3 1) 1) 2) 3)
toepassing zonder partijkeuring is alleen toegestaan onder duurzaam aaneengesloten verhardingen en funderingen binnen de eigen zone onderzoek op Lood en PAK (10) is voldoende onderzoek op Barium is voldoende
Verklaring van de symbolen in de tabel De toe te passen grond hoeft niet aanvullend onderzocht te worden als op basis van een vooronderzoek, uitgevoerd conform de NEN 5725, aangetoond kan worden dat deze van een onverdachte ontgravingslocatie afkomstig is. De toepassing is alleen toegestaan als ook aan de overige (Gebiedsspecifieke) toepassingseisen voldaan wordt die voor de betreffende toepassing gelden, zowel voor de standaardstoffen als voor PFAS. Zie daarvoor par. 5.2 en 5.3 (voor de standaardstoffen) en par. 6.2 (voor PFAS). Een partijkeuring van de toe te passen grond op alle “standaardstoffen” is nodig om de kwaliteit vast te stellen. Voor toetsen partijkeuringsresultaten zie tabellen van bijlage 13. Een partijkeuring van de toe te passen grond op alle “standaardstoffen” is nodig om de kwaliteit vast te stellen. Er is echter maar een kleine kans dat gekeurde grond voldoet aan toetswaarden die gehanteerd worden voor het toetsen van partijkeuringsresultaten (zie tabellen van bijlage 13).
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
48
B. Toepassingen van grond toetsen met een partijkeuring als bewijsmiddel De indeling van een bk-zone is gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van alle meetwaarden van de “standaardstoffen” 24 die gebruikt zijn om de BKK-S op te stellen. Dat geeft de “gebiedskwaliteit” van de bodemzone 25 in de betreffende bk-zone aan. Plaatselijk kan de grondkwaliteit beter of slechter zijn dat dit gemiddelde. Bij toepassing en hergebruik van de grond kan, in de meeste gevallen, de Ontgravingskaart (boven- of ondergrond), gebruikt worden als bewijsmiddel om de kwaliteit van de toe te passen grond aan te tonen en is geen partijkeuring nodig. Het kan echter zijn dat een partijkeuring verplicht is (omdat de P95 de interventiewaarde overschrijdt) of dat er om een andere reden al een partijkeuringsresultaat beschikbaar is. Een partijkeuring gaat in hiërarchie boven een ontgravingskaart. De kwaliteit van de grond die de partijkeuring aangeeft is dan maatgevend voor de kwaliteit van de toe te passen partij grond. Om te voorkomen dat een partijkeuring te snel wordt afgekeurd is gekeken naar de statistische kengetallen van de bk-zone (zie bijl. 3). Op basis hiervan worden partijkeuringsresultaten in sommige bk-zones in beleidszone Bebouwing, niet getoetst aan het rekenkundig gemiddelde van de bk-zone, maar aan een vervangende toetswaarde.
Dit kan zijn: De 80-percentielwaarde (P80) van de zone waar de grond wordt toegepast Het rekenkundig gemiddelde van de zone waar de grond wordt toegepast Hieronder wordt een toelichting gegeven op de genoemde (percentiel)waarden. Toelichting percentielwaarden en rekenkundig gemiddelde: o P80: 80 % van alle gebruikte meetwaarden zijn lager dan het getal dat in de kolom “P80” is weergegeven (zie tabellen in bijlage 3 van deze Nota). Er is dus een kans van 20 % dat bij een partijkeuring voor de betreffende stof een waarde wordt gemeten die hoger is dan de aangegeven waarde. Theoretisch zou dus 1 op de 5 partijkeuringen afgekeurd worden als de P80 gebruikt wordt bij de toetsing of de grond toegepast mag worden. Om de P80 als Gebiedsspecifieke toetsingsregel te mogen gebruiken is per stof, d.m.v. een risicoberekening, vastgesteld of dit niet leidt tot onaanvaardbare humane risico’s. Er is, gelet op de functie van het gebied (Wonen), bij de berekening van de ecologische risico’s, uitgegaan van een gemiddeld ecologisch beschermingsniveau. o
Rekenkundig gemiddelde: het rekenkundig gemiddelde geeft de bodemkwaliteit aan van een bepaalde bk-zone en wordt gebruikt om, middels een “toetsingsregel” 26 de kwaliteit van de grond uit te drukken in een kwaliteitsklasse (Landbouw/Natuur, Wonen of Industrie). Aan deze waarde worden partijkeuringsresultaten getoetst als vastgesteld is dat het hanteren van de P80 potentiële humane risico’s met zich mee kan brengen.
De (percentiel)waarden waaraan getoetst wordt, kunnen per bk-zone verschillen. In de tabellen in bijlage 13 wordt per bk-zone (of beleidszone) aangegeven aan welke percentielwaarde de resultaten van een partijkeuring getoetst worden. Hieronder is hiervan een samenvatting opgenomen. Let op: Bij het toetsen van partijkeuringsresultaten gelden onverkort de Gebiedsspecifieke toepassingseisen die in par. 5.2 zijn genoemd. Dat betekent o.a. dat op risicogevoelige functies alleen grond mag worden toegepast als de partijkeuring aantoont dat de grond in klasse landbouw/Natuur valt (par. 5.2.2) en dat bij toepassing van grond in tuinen voor lood getoetst wordt aan 100 mg/kg (par. 5.2.3).
24
Dat zijn alle stoffen uit het “standaardstoffenpakket grond” + Arseen en Chroom. Onder bodemzone wordt verstaan: de bovengrondzone tot 0,5 -mv of de ondergrondzone van 0,5 – 2 m -mv 26 Voor de toetsingsregels wordt verwezen naar de Regeling bodemkwaliteit. 25
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
49
Samenvatting gebruik “vervangende toetswaarden” bij hergebruik grond met partijkeuring binnen de beleidszone Bebouwing (zie tabellen van bijlage 13): Toetsing aan de P80 van de ontvangende bk-zone is aan de orde voor: Beleidszone Bebouwing 1/1, beleidszone Bebouwing 2/1 en beleidszone 2/2 (voor uitzonderingen en details, zie de tabellen van bijlage 13. Toetsing aan het rekenkundig gemiddelde van de ontvangende bk-zone is aan de orde voor: Bk-zone Bebouwing 3/1, Bebouwing 3/2, Bebouwing 3/3 (voor uitzonderingen en details, zie de tabellen van bijlage 13)
Om een partijkeuringsresultaat te kunnen toetsen aan de kwaliteitseisen die gelden bij hergebruik van grond binnen de onderscheiden bk-zone of beleidszone, moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn: •
De grond moet onderzocht zijn in een partijkeuringsrapport dat niet ouder is dan 3 jaar en uitgevoerd is conform de daarvoor geldende regels en richtlijnen.
De in de tabellen van bijlage 13 aangegeven toetswaarden mogen gehanteerd worden, omdat middels risicoberekeningen, met behulp van de Risico Tool Box bodem [Lit. 4], aangetoond is dat de bij de aangegeven toetswaarde behorende gehalten, de risico-index voor beoordeling humane risico’s (Wonen met tuin) onder de 1 liggen. Dit houdt er geen humane risico’s aan de orde zijn bij het toepassen van grond, bij het hanteren van de aangegeven toetswaarde. Voor het berekenen van de ecologische risico’s is, gelet op de bodemfunctieklasse in de beleidszone Bebouwing (Wonen), uitgegaan van een matig ecologisch beschermingsniveau. Aangetoond is dat met dit uitgangspunt, de bij de aangegeven toetswaarde behorende gehalten, de risico-index voor beoordeling ecologische risico’s (Wonen met tuin, ecologische risico’s WEL meeberekend) onder de 1 liggen. Dit houdt er geen ecologische risico’s aan de orde zijn bij het toepassen van grond, bij het hanteren van de aangegeven toetswaarde. De risicoberekeningen zijn opgenomen in bijlage 18. In de Grondstromenmatrix (tabel 14) is voor sommige beleidszones aangegeven dat vrijkomende grond zonder partijkeuring alleen toegepast mag worden onder duurzaam aaneengesloten verhardingen of funderingen, binnen dezelfde bk-zone. Dat geldt voor alle bkzones waarvan de boven- of ondergrond in kwaliteitsklasse Industrie valt.
De toepassing is echter alleen toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: ▪ Voor geen enkele stof overschrijdt de P95 de interventiewaarde (zie bijl. 3); ▪ De toe te passen grond bevat geen stoffen die uit kunnen logen naar het grondwater én de toepassing vindt plaats boven de grondwaterspiegel.
5.3.3. Buitengebieden Buitengebieden zijn gebieden buiten de bebouwde kom, exclusief de gebieden die op de Bodemfunctiekaart ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Wonen, zoals bijv. lintbebouwingen. In het buitengebied worden de volgende beleidszones onderscheiden: ▪ Buitengebied 1/1 ▪ Buitengebied 2/1 ▪ Buitengebied 3/1 (komt alleen voor in de Voorveldse Polder bij De Bilt) ▪ Buitengebied 3/2 (komt alleen voor in het noordelijk deel van het Toemaakdekgebied)
De ligging van de onderscheiden beleidszones is weergegeven op de kaart van bijlage 5A van deze Nota (Beleidszones bodemkwaliteitskaart werkgebied ODRU (15 gemeenten).
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
50
Let op: In het buitengebied komen ook percelen voor met een andere (minder gevoeligere) bodemfunctie dan landbouw/natuur of volkstuin (bijv. bebouwde percelen). Die percelen zijn, om praktische redenen, niet allemaal afzonderlijk ingetekend op de Bodemfunctiekaart. Binnen het bouwvlak van een perceel mag klasse Wonen-grond in de bovengrond toegepast worden, als ook aan alle andere eventueel geldende (Gebiedsspecifieke) eisen voldaan wordt (zie par. 5.2). Op de Gebiedsspecifieke Toepassingskaart (zie bijlage 5D van deze Nota) is de grens van de geldende toepassingseis aangegeven met gekleurde vlakken. Op het grensvlak buitengebied/bebouwd gebied is deze grens niet hard en is de bodemfunctie die in het vigerend bestemmingsplan is aangegeven leidend voor de toepassingseis. Bijvoorbeeld als een agrarisch perceel is gelegen in het vlak ‘wonen’, mag hier alsnog maximaal klasse L/N-grond worden toegepast en andersom als een bouwvlak is gelegen in het vlak ‘landbouw/natuur’ mag hier binnen het bouwvlak klasse Wonen-grond worden toegepast. Op een toekomstige verandering van de bodemfunctie kan alleen geanticipeerd worden als er een bestemmingsplan voor in procedure gebracht is. Bovenstaande versoepeling geldt alleen voor grond die afkomstig is van binnen het door de betreffende gemeente vastgestelde bodembeheergebied.
Toetsing vrijkomende grond aan het “saneringscriterium” In sommige bk-zones is een partijkeuring verplicht is om de kwaliteit van de grond op een ontgravingslocatie aan te kunnen tonen. In de Regeling bodemkwaliteit is opgenomen dat de 95-percentielwaarde van een bk-zone getoetst moet worden aan de interventiewaarde, om te kunnen bepalen of de Ontgravingskaart als bewijsmiddel gebruikt mag worden om de ontgravingskwaliteit aan te tonen van de betreffende bk-zone. Als de P95 van een zone de interventiewaarde overschrijdt is er altijd een partijkeuring nodig om de ontgravingskwaliteit aan te tonen. Toelichting 95-percentielwaarde: P95: 95 % van alle gebruikte meetwaarden zijn lager dan deze meetwaarde. Er is dus een kans van 5 % dat bij een partijkeuring voor de betreffende stof een waarde wordt gemeten die hoger is dan de aangegeven waarde. Theoretisch zou dus 1 op de 20 partijkeuringen afgekeurd worden als de P95 gebruikt wordt bij de toetsing of de grond hergebruikt mag worden.
In de volgende bk-zones overschrijdt de P95 voor één of meerdere stoffen interventiewaarde en is dus altijd een partijkeuring nodig als er grond ontgraven wordt: Buitengebied 3/2 Toemaakdek De Venen I Overig (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, -
de
tabelaanduiding: 8-17), vanwege het gehalte aan Koper, Lood en Zink in de bovengrondzone. Buitengebied 3/1 Voorveldse Polder (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-21) vanwege het gehalte aan Arseen in de bovengrondzone.
A. Toepassen van klasse L/N-grond in beleidszones Buitengebied met de Ontgravingskaart -S als bewijsmiddel Generieke kader voor het toepassen van grond Volgens het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit, mag op percelen die op de Bodemfunctiekaart ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur alleen klasse L/N-grond worden toegepast. Gemeenten kunnen door middel van Gebiedsspecifiek beleid hiervan afwijken door in diffuus verontreinigde buitengebieden, niet de bodemfunctieklasse maar de kwaliteit van de ontvangende bodemzone leidend te maken voor de geldende toepassingseis, als aangetoond kan worden dat het hanteren van de gekozen Lokale Maximale Waarde (LMW) voor de betreffende stof geen onaanvaardbare ecologische risico’s met zich meebrengen. Niet voor alle onderscheiden bk-zones is het opstellen van Gebiedsspecifieke toepassingseisen nuttig of nodig. Dat is het geval als de bodemzone al in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur valt. In dat geval biedt het hanteren van de landelijk geldende toepassingseisen (klasse L/NNota bodembeheer werkgebied ODRU
51
grond) al voldoende waarborgen om ecologische risico’s bij het toepassen van grond te voorkomen. Dat geldt voor de beleidszones: ▪ Buitengebied 1/1 (boven- en ondergrondzone) ▪ Buitengebied 2/1 (ondergrondzone) ▪ Buitengebied 3/1 (ondergrondzone) Gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van grond In de volgende beleidszones is de heersende bodemkwaliteit gemiddeld slechter dan voor de bodemfunctie (Landbouw/Natuur) gewenst is: ▪ Buitengebied 2/1 (bovengrond) ▪ Buitengebied 3/1 (bovengrond) ▪ Buitengebied 3/2 (zowel boven- als ondergrond) Om het toepassen van “gebiedseigen” grond binnen dezelfde bk-zone of afkomstig uit een andere beleidszone Buitengebied, met gebruikmaking van de Ontgravingskaart als bewijsmiddel, mogelijk te maken, zijn er voor de aangegeven bodemzones Gebiedsspecifieke toepassingseisen opgesteld. Hierdoor is het mogelijk om in deze bodemzones grond toe te passen die niet aan de Generieke toepassingseis (klasse Landbouw/Natuur) voldoet, mits aan alle Gebiedsspecifieke toepassingsesien uit par. 5.2 wordt voldaan. In tabel 15 zijn de toepassingseisen voor de beleidszone Buitengebied weergegeven. Tabel 15: Toepassingseisen beleidszone Buitengebied met de Ontgravingskaart als bewijsmiddel Beleidszone
bovengrond (0 – 0,5 m -mv)
Ondergrond (0,5 – 2 m -mv)
Buitengebied 1/1
Klasse Landbouw/Natuur
Klasse Landbouw/Natuur
Klasse Landbouw/Natuur Buitengebied 2/1
voor hergebruik binnen dezelfde bk-zone: gebiedskwaliteit (LMW)
Klasse Landbouw/Natuur
Klasse Wonen (LMW) Buitengebied 3/1
Buitengebied 3/2
voor hergebruik binnen dezelfde bk-zone: gebiedskwaliteit (LMW)
Klasse Landbouw/Natuur
Klasse Wonen (LMW)
Klasse Landbouw/Natuur
voor hergebruik binnen dezelfde bk-zone: gebiedskwaliteit (LMW)
voor hergebruik binnen dezelfde bkzone: gebiedskwaliteit (LMW)
Hergebruik van grond binnen dezelfde bk-zone is alleen mogelijk als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: ▪ De vrijkomende grond wordt binnen dezelfde bk-zone en in dezelfde bodemzone 27 toegepast als waar de grond uit afkomstig is; ▪ Bij het voorgenomen grondverzet zijn specifiek verdachte deellocaties (zoals gedempte sloten, puindammen en stortplaatsen) uitgesloten. Dat moet aangetoond worden op basis van een historisch vooronderzoek, dat voldoet aan de NEN 5725; ▪ De toepassing vindt niet plaats op een risicicogevoelige bodemfunctie (zie par. 5.2.2); ▪ De toe te passen grond bevat niet meer bodemvreemd materiaal dan toegestaan is voor de betreffende bodemfunctie (zie par. 5.2.1).
27
Per bk-zone worden 2 bodemzones onderscheiden, nl. boven- en ondergrondzone
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
53
Toepassingsbereik De Gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden voor toepassingen in de volgende gemeenten: • Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die afkomstig is van binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied. Als de grond afkomstig is van buiten het werkgebied van de ODRU, geldt het volgende: Bij gebruik van een partijkeuring: de resultaten worden getoetst a.d.h. van de toetswaarden die aangegeven zijn in de tabellen van bijlage 13; Bij gebruik van een ontgravingskaart: het rekenkundig gemiddelde van de zone waarbinnen de ontgravingslocatie is gelegen, wordt getoetst aan de in de tabellen van bijlage 13 aangegeven toetswaarden; • Voor grond die afkomstig is van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied, gelden de Generieke toepassingseisen. Die zijn afhankelijk van de uitkomst van de toets aan functie (Landbouw/Natuur) en heersende bodemkwaliteit (dubbele toets). De strengste van deze twee toetsingen bepaald de geldende toepassingseis. In dit geval is de functie leidend en mag er alleen klasse L/N-grond 28 toegepast worden. De Gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden voor toepassingen van grond in: ▪ Alle gebieden die op de Bodemfunctiekaart ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse landbouw/Natuur én waarvan de bovengrond of ondergrond is ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Wonen of Industrie.
Het gaat om de gebieden die in de volgende beleidszones zijn ingedeeld: o o o
Buitengebied 2/1 (bovengrond) alleen voor uitwisselen van grond binnen deze beleidszone Buitengebied 3/1 (bovengrond) alleen voor hergebruik binnen dezelfde bk-zone Buitengebied 3/2 (zowel boven- als ondergrond) alleen voor hergebruik binnen dezelfde bkzone in dezelfde bodemzone.
Let op: Op risicogevoelige functies mag alleen klasse Landbouw/Natuur-grond toegepast worden (zie par. 5.2.2). In paragraaf 5.2.3 wordt aangegeven dat voor het toepassen van grond in tuinen een aangescherpte toepassingseis voor lood geldt (max. 100 mg/kg), om jonge kinderen extra te beschermen.
In de Grondstromenmatrix (zie tabel 16) is aangegeven welke uitwisselingmogelijkheden er zijn tussen de beleidszones Buitengebied die in het werkgebied van de ODRU onderscheiden worden. Bovendien wordt hierin aangegeven of hiervoor de Ontgravingskaart -S gebruikt kan worden of dat er eerst een partijkeuring nodig is.
28
In de volksmond wordt dit ook wel “schone grond” genoemd
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
53
Tabel 16: Grondstromenmatrix voor de beleidszone Buitengebied met Ontgravingskaart als bewijsmiddel
DE GROND WORDT TOEGEPAST IN BELEIDSZONE DE GROND KOMT UIT
(let op: deze matrix kan niet gebruikt worden voor toepassingen op risicogevoelige functies)
Ondergrond
Buitengebied 3/2
Bovengrond
Ondergrond
Buitengebied 3/1
Bovengrond
Buitengebied 2/1
Ondergrond
Ondergrond
Bovengrond
Buitengebied 1/1
Bovengrond
BELEIDSZONE
BOVENGROND ( 0 – 0,5 m -mv) Buitengebied 1/1 Buitengebied 2/1 Buitengebied 3/1 Buitengebied 3/2
ONDERGROND ( 0,5 – 2 m -mv) Buitengebied 1/1 Buitengebied 2/1 Buitengebied 3/1 Buitengebied 3/2
Verklaring van de symbolen in de tabel De toe te passen grond hoeft niet aanvullend onderzocht te worden als op basis van een vooronderzoek, uitgevoerd conform de NEN 5725, aangetoond kan worden dat deze van een onverdachte ontgravingslocatie afkomstig is. De toepassing is alleen toegestaan als ook aan de overige (Gebiedsspecifieke) toepassingseisen voldaan wordt die voor de betreffende toepassing gelden, zowel voor de standaardstoffen als voor PFAS. Zie daarvoor par. 5.2 en 5.3 (voor de standaardstoffen) en par. 6.2 (voor PFAS). Een partijkeuring van de toe te passen grond op “standaardstoffen” is nodig om de kwaliteit vast te stellen. Voor toetsen partijkeuringsresultaten zie tabellen van bijlage 13. Een partijkeuring van de toe te passen grond op “standaardstoffen” is nodig om de kwaliteit vast te stellen. Er is echter maar een kleine kans dat gekeurde grond voldoet aan toetswaarden die gehanteerd worden voor het toetsen van partijkeuringsresultaten (zie tabellen van bijlage 13).
B. Toepassingen van grond toetsen met een partijkeuring als bewijsmiddel De indeling van een bk-zone is gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van alle meetwaarden van de “standaardstoffen” 29 die gebruikt zijn om de BKK-S op te stellen. Plaatselijk kan de grondkwaliteit beter of slechter zijn dat dit gemiddelde. Bij toepassing en hergebruik van de grond kan, in de meeste gevallen, de Ontgravingskaart (boven- of ondergrond), gebruikt worden als bewijsmiddel om de kwaliteit van de toe te passen grond aan te tonen en is geen partijkeuring nodig. Het kan echter zijn dat een partijkeuring verplicht is (omdat de P95 de interventiewaarde overschrijdt) of dat er al een partijkeuring beschikbaar is. Een partijkeuring gaat in hiërarchie boven een ontgravingskaart. De kwaliteit van de grond die de partijkeuring aangeeft is dan maatgevend voor de kwaliteit van de toe te passen partij grond. 29
Dat zijn alle stoffen uit het “standaardstoffenpakket grond” + Arseen en Chroom.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
54
Om te voorkomen dat een partijkeuring te snel wordt afgekeurd is gekeken naar de statistische kengetallen van de bk-zone (zie bijl. 3). Op basis hiervan worden partijkeuringsresultaten in sommige bk-zones in beleidszone Buitengebied, niet getoetst aan het rekenkundig gemiddelde van de bk-zone, maar aan een vervangende toetswaarde. Dit kan zijn: De 90-percentielwaarde (P90) van de zone waar de grond wordt toegepast De 80-percentielwaarde (P80) van de zone waar de grond wordt toegepast Hieronder wordt een toelichting gegeven op de genoemde (percentiel)waarden. Toelichting percentielwaarden en rekenkundig gemiddelde: o P90: 90 % van alle gebruikte meetwaarden zijn lager dan deze meetwaarde. Er is dus een kans van 10 % dat bij een partijkeuring voor de betreffende stof een waarde wordt gemeten die hoger is dan de aangegeven waarde. Theoretisch zou dus 1 op de 10 partijkeuringen afgekeurd worden als de P90 gebruikt wordt bij de toetsing of de grond hergebruikt mag worden.. o
P80: 80 % van alle gebruikte meetwaarden zijn lager dan deze meetwaarde. Er is dus een kans van 20 % dat bij een partijkeuring voor de betreffende stof een waarde wordt gemeten die hoger is dan de aangegeven waarde. Theoretisch zou dus 1 op de 5 partijkeuringen afgekeurd worden als de P80 gebruikt wordt bij de toetsing of de grond hergebruikt mag worden. Om de P80 als Gebiedsspecifieke toetsingsregel te mogen gebruiken zal per stof, d.m.v. een risicoberekening, vastgesteld moeten worden of dit niet leidt tot onaanvaardbare ecologische risico’s. Er wordt, gelet op de functie van het gebied (landbouw/natuur), niet getoetst aan humane risico’s.
De (percentiel)waarden waaraan getoetst wordt, kunnen per bk-zone verschillen. In de tabellen in bijlage 13 wordt per bk-zone (of beleidszone) aangegeven aan welke percentielwaarden de resultaten van een partijkeuring getoetst worden. Let op: Bij het toetsen van partijkeuringsresultaten gelden onverkort de Gebiedsspecifieke toepassingseisen die in par. 5.2 zijn genoemd. Dat betekent o.a. dat op risicogevoelige functies alleen grond mag worden toegepast als de partijkeuring aantoont dat de grond in klasse landbouw/Natuur valt (par. 5.2.2) en dat de grond niet meer dan 5 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal bevat (par. 5.2.1).
Hieronder is een globaal aangegeven wanneer een vervangende toetswaarde gebruikt wordt. Samenvatting gebruik “vervangende toetswaarden” bij hergebruik grond met partijkeuring binnen de beleidszone Buitengebied (zie tabellen van bijlage 13): Toetsing aan de P90 van de ontvangende bk-zone is aan de orde voor: Bk-zone Buitengebied 3/1 (Voorveldse Polder) en bk-zone Buitengebied 3/2 (Toemaakdek De Venen I Overig): alleen voor hergebruik van grond in de bovengrond van deze bk-zones. Voor grond afkomstig uit een andere beleidszone wordt getoetst aan de P80 van deze bkzones of (voor sommige stoffen) aan een andere toetswaarde. Voor details zie de tabellen van bijlage 13. Toetsing aan de P80 van de ontvangende bk-zone is aan de orde voor: Beleidszone Buitengebied 1/1 en Buitengebied 2/1. Voor de uitzonderingen en details, zie de tabellen van bijlage 13.
Om een partijkeuringsresultaat te kunnen toetsen aan de kwaliteitseisen die gelden bij hergebruik van grond binnen de onderscheiden bk-zone of beleidszone, moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn: •
De grond moet onderzocht zijn in een partijkeuringsrapport dat niet ouder is dan 3 jaar en uitgevoerd is conform de daarvoor geldende regels en richtlijnen.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
55
De in de tabellen van bijlage 13 aangegeven vervangende toetswaarden mogen gehanteerd worden, omdat middels risicoberekeningen, met behulp van de Risico Tool Box bodem [Lit. 4], aangetoond is dat de bij de vervangende toetswaarde behorende gehalten, geen sprake is van onaanvaardbare ecologische risico’s bij het toepassen van grond, bij het hanteren van de aangegeven vervangende toetswaarde. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 18.
5.3.4. Aangepaste toetsingsregel voor zand in de “zandgemeenten” In welke kwaliteitsklasse grond wordt ingedeeld, hangt af van de gehalten waarin de onderzochte stoffen in de grond aanwezig zijn. De gemeten gehalten worden voor elke stof omgerekend naar een standaardbodem, voordat bepaald wordt in welke kwaliteitsklasse de grond wordt ingedeeld (klasse Landbouw/Natuur, klasse Wonen of klasse Industrie). Zie bijlage 10 voor de Maximale Waarden waar de meetwaarden van de stoffen uit het standaardstoffenpakket grond, moeten voldoet voor de indeling in een kwaliteitsklasse. De factor die gebruikt wordt bij de omrekening naar een standaard bodem verschilt per stof en is voor een aantal stoffen afhankelijk van het percentage organische stof, ook wel humus genoemd (H) en minerale deeltjes, ook wel lutum genoemd (L), in de grond. Met name in gemeenten waar sprake is van weinig organische stof in de grond, de zogenoemde “zandgemeenten”, kan dit tot een knelpunt leiden bij de toetsing voor de parameter minerale olie. Dit wordt hieronder toegelicht onder het kopje “Generieke kader”. De oplossing die is bedacht om dit knelpunt op te lossen is beschreven onder het kopje “Gebiedsspecifiek beleid”.
Generieke kader Het komt in gemeenten met een zandige bodem, regelmatig voor dat een partij grond moet worden afgekeurd voor hergebruik, vanwege het gehalte aan minerale olie, terwijl er eigenlijk geen sprake is van een verontreiniging. Deze “foute” conclusie wordt veroorzaakt door het feit dat de MW Landbouw/Natuur, voor minerale olie gelijk is aan de MW Wonen (zie bijlage 10). Een geringe overschrijding van de MW van klasse L/N leidt voor minerale olie dus direct tot een indeling in kwaliteitsklasse Industrie. Met als gevolg dat deze grond niet of maar zeer beperkt hergebruikt kan worden en in het ongunstigste geval zelfs afgevoerd moet worden naar een erkend verwerker. Hierdoor wordt de afzet van voor geschikte grond onnodig beperkt. Dit leidt tot onnodige kostenverhoging bij projecten. Gemeente kunnen dit knelpunt met een Gebiedsspecifieke beleidsregel oplossen. Gebiedsspecfiek beleid (aangepaste toetsingsregel voor minerale olie) Het Gebiedsspecifieke beleid voor dit thema houdt in dat grond die afkomstig is uit een “zandgemeente” binnen het werkgebied van de ODRU, bij het hanteren van de toetsingsregel voor minerale olie, onder een gemeten gehalte van 100 mg/kg de normstelling niet gecorrigeerd wordt voor organische stof (H).
Hiermee wordt voorkomen dat zandgrond vanwege een zeer licht verhoogd gehalte aan minerale olie, direct als klasse Industrie-grond gekwalificeerd wordt, terwijl deze grond prima geschikt is om binnen een woonfunctie (her) te gebruiken. Hierdoor wordt het knelpunt bij hergebruik van grond met een laag organische stofgehalte voor minerale olie in de “zandgemeenten” opgelost én heeft dit voor organisch rijkere gronden geen negatieve uitwerking. Toepassingsbereik Deze Gebiedsspecifieke beleidsregel geldt voor het toetsen van grond die afkomstig is uit één van de volgende gemeenten: ▪ Utrechtse Heuvelrug, Zeist, Veenendaal, Renswoude en Rhenen én weer binnen het “Bodembeheergebied ODRU” wordt toepast. Nota bodembeheer werkgebied ODRU
56
6.
Gebiedsspecifiek beleid voor PFAS
Voor de randvoorwaarden en de uitgangspunten van het PFAS-beleid wordt verwezen naar hoofdstuk 5 (par. 5.1 t/m 5.2) van de “Beleidsnota PFAS provincie Utrecht”, van 7 april 2021 [Lit . 15]. Deze beleidsnota is opgesteld voor alle 15 gemeenten in het werkgebied van de ODRU én voor de gemeenten in het werkgebied van de RUD Utrecht die nog geen eigen PFAS-beleid hebben.
6.1. Bodembeheergebied PFAS T.a.v. het opgestelde PFAS-beleid voor het toepassen van grond, omvat het bodembeheergebied het grondgebied van alle gemeenten in de provincie Utrecht, die nog geen eigen PFAS-beleid door het gemeentebestuur hebben laten vaststellen. Om verwarring met het bodembeheergebied dat geldt voor het toepassen van grond voor het standaard stoffenpakket te voorkomen, wordt dit gebied het “bodembeheergebied PFAS” genoemd.
Figuur 5: Afbeelding van het bodembeheergebied PFAS
Let op: Een aantal gemeenten in het werkgebied van de RUD Utrecht heeft eigen PFAS-beleid opgesteld. Welke gemeenten dat zijn is niet in figuur 5 aangegeven, omdat dit kan wijzigen. Zie daarvoor de website van de RUD Utrecht (www.rudutrecht.nl)
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
57
Binnen het “Bodembeheergebied PFAS” (de provincie Utrecht) zijn de volgende PFAS-zones te onderscheiden. Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv): PFAS B1: omvat het grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden (westelijk deel) en Lopik. PFAS B2: omvat het grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden (oostelijk deel), Woerden (ten zuiden van de A12), Utrecht (ten zuiden van de A12), Oudewater, Montfoort en IJsselstein.
PFAS B3: omvat het grondgebied van de gemeente Woerden (ten noorden van de A12), Utrecht (ten noorden van de A12) en de overige gemeenten in de provincie Utrecht.
Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv): PFAS O1: omvat het grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden (westelijk deel). PFAS O2: omvat het grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden (oostelijk deel) en de overige gemeenten in de provincie Utrecht, met uitzondering van de gemeente Lopik.
6.2. Gebiedsspecifieke beleidsregels voor PFAS Voor de toepassing van grond binnen de provincie Utrecht, is voor PFAS een OntgravingskaartPFAS opgesteld. Deze kan gebruikt worden als bewijsmiddel om de PFAS- kwaliteit aan te tonen. Daarmee is het uitvoeren van een partijkeuring op PFAS niet meer nodig, mits de toepasser voldoende aan kan tonen dat de ontgravingslocatie niet specifiek PFAS-verdacht is. De Ontgravingskaart-PFAS is opgenomen in bijlage 6A en 6B van deze Nota. Toch kan niet uitgesloten worden dat er partijkeuringen getoetst moeten worden op PFAS. Daarom zijn de toepassingswaarden voor PFAS hieronder weergegeven. Voor sommige toepassingen zijn Gebiedsspecifieke toepassingswaarden geformuleerd, zogenaamde Lokale Maximale Waarden (LMW). Met behulp van de Grondstromenmatrix voor PFAS (zie par. 6.2.5) kan bepaald worden of de Ontgravingskaart-PFAS voor de voorgenomen toepassing gebruikt kan worden. De toepassingswaarden die gelden wanneer getoetst wordt als er een partijkeuring op PFAS is uitgevoerd, zijn vermeld in de par. 6.2.1 t/m 6.2.4. Er is daarbij onderscheid gemaakt in de volgende toepassingen: ▪ Hergebruik van grond binnen dezelfde PFAS-zone (par. 6.2.1); ▪ Uitwisselen van grond tussen de PFAS-zones (par. 6.2.2); ▪ Toepassen van grond afkomstig van buiten de provincie Utrecht (par.
6.2.3); ▪ Toepassen van grond op locaties met een risicicogevoelige bodemfunctie (par. 6.2.4) 6.2.1. Hergebruik van grond binnen dezelfde PFAS-zone Toepassing van grond binnen dezelfde PFAS-zone kan plaatsvinden als de gehalten in de toe te passen grond niet hoger zijn dan de P95 van de betreffende PFAS-zone of, in plaats daarvan als, niet hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarden van PFAS, als de P95 lager ligt dan deze waarden. Voor toepassing op percelen met de functie landbouw/natuur zijn in deze situatie voor PFOS en PFOA Lokale Maximale Waarden vastgesteld, die de landelijk geldende toepassingswaarden vervangen (zie onderstaande tabel). Voor toepassing van grond op moes-/volkstuinen en in waterwingebieden gelden strengere toepassingswaarden (zie onder par. 6.2.4).
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
58
Tabel 17: Toepassingswaarden PFAS voor grond die binnen dezelfde PFAS-zone wordt toegepast (gecorrigeerde gehalten in µg/kg) PFOS
PFOA
PFAS Overig
bodemfunctieklasse op de Bodemfunctiekaart
Zone landbouw/ natuur
wonen/industrie
landbouw/ natuur
wonen/industrie
landbouw/ natuur
wonen/industrie
Bovengrond (0 – 0,5 m -mv) PFAS B1
2,1
3
7
7
1,4
3
PFAS B2
1,8
3
5,2
7
1,4
3
PFAS B3
1,8
3
2,9
7
1,4
3
Ondergrond (0,5 – 2 m -mv) PFAS O1
1,4
3
7
7
1,4
3
PFAS O2
1,4
3
2,4
7
1,4
3
Verklaring LMW (gebaseerd op de P95 van de betreffende PFAS-zone) Landelijk geldende toepassingswaarde voor de functies Landbouw/Natuur (THK 2020) Landelijk geldende toepassingswaarde voor de functies Wonen/Industrie (THK 2020)
6.2.2. Uitwisselen van grond tussen de PFAS-zones Aan de uitwisseling van grond tussen zones in het beheergebied PFAS zijn strengere eisen gesteld dan voor het grondverzet binnen de eigen PFAS-zone. Dit is gedaan om verspreiding van grond met hogere PFAS-gehalten naar zones met lagere PFAS-gehalten te voorkomen (het gaat daarbij om PFOS en PFOA). Uitwisseling van grond van de ene naar de andere PFAS-zone kan plaatsvinden als de gehalten in de toe te passen grond niet hoger zijn dan de P80 van de ontvangende PFAS-zone of, in plaats daarvan als, niet hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarden van PFAS, als de P80 lager ligt dan deze waarden. Voor toepassing op percelen met de functie landbouw/natuur zijn in deze situatie voor PFOA Lokale Maximale Waarden vastgesteld, die de landelijk geldende toepassingswaarden vervangen (zie onderstaande tabel). Voor toepassing van grond op moes-/volkstuinen en in waterwingebieden gelden strengere toepassingswaarden (zie onder par. 6.2.4). Tabel 18: Toepassingswaarden PFAS voor het toepassen van grond van de ene in de andere PFAS-zone (gecorrigeerde gehalten in µg/kg) PFOS
PFOA
PFAS Overig
bodemfunctieklasse op de Bodemfunctiekaart
Zone landbouw/ natuur
wonen/industrie
landbouw/ natuur
wonen/industrie
landbouw/ natuur
wonen/industrie
5,6
7
1,4
3
Bovengrond (0 – 0,5 m -mv) PFAS B1
1,4
3
PFAS B2
1,4
3
3
7
1,4
3
PFAS B3
1,4
3
1,9
7
1,4
3
Ondergrond (0,5 – 2 m -mv) PFAS O1
1,4
3
5,2
7
1,4
3
PFAS O2
1,4
3
1,9
7
1,4
3
Verklaring LMW (gebaseerd op de P80 van de betreffende PFAS-zone) Landelijk geldende toepassingswaarde voor de functies Landbouw/Natuur (THK 2020) Landelijk geldende toepassingswaarde voor de functies Wonen/Industrie (THK 2020)
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
59
6.2.3. Toepassen van grond afkomstig van buiten de provincie Utrecht Voor het toepassen van grond die afkomstig is van buiten het beheergebied PFAS, geldt dat dat alleen toegestaan is als de PFAS-gehalten in de toe te passen grond gelijk zijn aan of lager zijn dan de gemiddeld gemeten gehalten aan PFAS in de bodem van de ontvangende PFAS-zone. Als het gemiddeld gemeten gehalte lager ligt dan de landelijke achtergrondwaarden van PFAS, dan gelden deze landelijke waarden. Voor toepassing op percelen met de functie landbouw/natuur zijn in deze situatie voor PFOA Lokale Maximale Waarden vastgesteld, die de landelijk geldende toepassingswaarden vervangen (zie onderstaande tabel). Voor toepassing van grond op risicogevoelige functies (moes/volkstuinen, grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden) gelden strengere toepassingswaarden (zie onder 6.2.4). Tabel 19: Toepassingswaarde PFAS voor grond afkomstig van buiten het beheergebied PFAS (gecorrigeerde gehalten in µg/kg) PFOS
PFOA
Zone
PFAS Overig
bodemfunctieklasse op de Bodemfunctiekaart landbouw/ natuur
wonen/industrie
landbouw/ natuur
wonen/industrie
landbouw/ natuur
wonen/industrie
Bovengrond (0 – 0,5 m -mv) PFAS B1
1,4
3
3,9
7
1,4
3
PFAS B2
1,4
3
2,3
7
1,4
3
PFAS B3
1,4
3
1,9
7
1,4
3
Ondergrond (0,5 – 2 m -mv) PFAS O1
1,4
3
2,6
7
1,4
3
PFAS O2
1,4
3
1,9
7
1,4
3
Verklaring LMW (gebaseerd op het gemiddeld gemeten gehalte in de betreffende PFAS-zone) Landelijk geldende toepassingswaarde voor de functies Landbouw/Natuur (THK 2020) Landelijk geldende toepassingswaarde voor de functies Wonen/Industrie (THK 2020)
6.2.4. Toepassen van grond op risicogevoelige bodemfuncties Met betrekking tot PFAS worden de volgende bodemfunctie als risicogevoelig aangemerkt: ▪ Moes- en volkstuinen; ▪ Grondwaterbeschermingsgebieden (excl. boringvrije zones); ▪ Waterwingebieden. Hierna is voor elk van de onderscheiden risicogevoelige bodemfunctie aangegeven welke toepassingswaarden er voor PFAS gelden. Boringsvrije zones worden in het kader van deze beleidsnota niet als een risicogevoelige functie aangemerkt. Moes- en volkstuinen Voor moes- en volkstuinen is in de Regeling bodemkwaliteit vastgelegd dat hier alleen klasse Landbouw/Natuur-grond toegepast mag worden. het wordt niet wenselijk geacht om hier met Gebiedsspecifiek beleid van af te wijken. Voor PFAS houdt dit in dat grond die op een moes-of volkstuin toegepast wordt moet voldoen aan de landelijk geldende toepassingswaarden voor de functie Landbouw/Natuur. De weergegeven toepassingseisen voor PFAS gelden voor alle moes- en volkstuinen, ongeacht in welke PFAS-zone ze voorkomen of in welke bodemfunctieklasse.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
60
Tabel 20: Toepassingswaarden PFAS voor moes- en volkstuinen (gecorrigeerde gehalten in µg/kg) Bodemfunctie Toegestane kwaliteit toe te passen grond
Moestuin of volkstuin
PFOS
PFOA
PFAS Overig
1,4
1,9
1,4
Verklaring Landelijk geldende toepassingswaarde voor de functies Landbouw/Natuur (THK 2020)
Grondwaterbeschermingsgebieden Grondwaterbeschermingsgebieden liggen als een schil rond de waterwingebieden. De grens van dit gebied is de lijn vanaf waar het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om de pompputten voor de drinkwaterwinning te bereiken (de 25-jaarszone). Overeenkomstig het THK 2020 gelden er voor grondwaterbeschermingsgebieden strengere toepassingswaarden voor PFAS. Dit is gedaan om extra bescherming te bieden voor grondwater dat gewonnen wordt voor drinkwater. De situering van de grondwaterbeschermingsgebieden is aangegeven op de Toepassingskaart-PFAS (zie bijlage 6C en 6D). Voor de toepassing van grond in een grondwaterbescher-mingsgebieden, worden de volgende situaties onderscheiden: a. b. c.
Toepassing van grond in een grondwaterbeschermingsgebied gelegen binnen dezelfde PFAS-zone; Toepassing van grond in een grondwaterbeschermingsgebied gelegen in meerdere PFAS-zones; Toepassing van grond in een grondwaterbeschermingsgebied, als de grond afkomstig is van buiten een grondwaterbeschermingsgebied.
Voor de onderscheiden situaties gelden verschillende toepassingswaarden. Ad. a: Binnen een grondwaterbeschermingsgebied dat geheel gelegen is binnen de grenzen van één en dezelfde PFAS-zone, mag grondverzet plaatsvinden als aan de toepassingswaarden voor PFAS voldaan wordt zoals weergegeven in de tabel 17. De toepassingswaarde is voor deze situatie gebaseerd op de P95 van de betreffende PFAS-zone. Ad. b: Binnen een grondwaterbeschermingsgebied dat gelegen is in meerdere PFAS-zones, mag uitwisseling van grond tussen de verschillende PFAS-zones plaatsvinden als aan de toepassingswaarden voor PFAS voldaan wordt zoals weergegeven in de tabel 18. De toepassingswaarde is voor deze situatie gebaseerd op de P80 van de ontvangende PFASzone. Ad. c: Grond afkomstig van buiten een grondwaterbeschermingsgebied, die in een grondwaterbeschermingsgebied wordt toegepast, mag alleen worden toegepast als middels een partijkeuring vastgesteld is dat de PFAS-gehalten in de toe te passen grond gelijk zijn aan of lager zijn dan de gemiddeld gemeten gehalten aan PFAS in de bodem van de ontvangende PFAS-zone. Dat geldt ook als deze gehalten lager liggen dan de landelijke achtergrondwaarden van PFAS. De toepassingswaarden zijn voor deze situatie gebaseerd op de gemiddeld gemeten gehalten aan PFAS van de ontvangende PFAS-zone. Dit wordt ook wel de “gebiedskwaliteit” genoemd.
In deze situatie wordt geen onderscheid gemaakt voor de bodemfuncties landbouw/natuur enerzijds en wonen/industrie anderzijds. Voor deze situatie geldt het werkelijk gemeten gemiddelde als gebiedskwaliteit, ook al ligt dit onder de landelijke achtergrondwaarden van PFAS. Zie onderstaande tabel.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
61
Tabel 21: Toepassingswaarden voor grond afkomstig van buiten het grondwaterbeschermingsgebied (gecorrigeerde gehalten in µg/kg) Gebiedskwaliteit PFAS
Zone
PFOS
PFOA
PFAS Overig
PFAS B1
0,5
3,9
0,2
PFAS B2
0,7
2,3
0,3
PFAS B3
0,6
1,0
0,4
PFAS O1
0,4
2,6
0,2
PFAS O2
0,3
0,5
0,2
Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv)
Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv)
Verklaring Gebiedskwaliteit ligt onder de landelijke achtergrondwaarden voor PFAS (THK 2020) Gebiedskwaliteit ligt boven de landelijke achtergrondwaarden voor PFAS (THK 2020)
Waterwingebieden Een waterwingebied is de locatie waar de onttrekkingsputten voor drinkwater zijn gevestigd. Deze gebieden worden begrensd door de lijn vanaf waar het grondwater tenminste 60 dagen in het watervoerende pakket nodig heeft om de drinkwaterwinning te bereiken. Om de drinkwaterwinning extra te beschermen, gelden in waterwingebieden de strengste toepassingswaarden voor PFAS. Hier mag alleen schone grond toegepast worden. Voor PFAS houdt dit in dat grond de gemeten gehalten in de toe te passen grond moeten voldoen aan de bepalingswaarde/detectielimiet van 0,1 µg/kg. Die waarde ligt dus een stuk lager dan de landelijke achtergrondwaarden van PFAS uit het THK 2020. Overigens geldt er voor het toepassen van grond of baggerspecie in een waterwingebied een meldingsplicht ingevolge art. 3.16 van de Omgevingsverordening provincie Utrecht. De melding moet ingediend worden bij de provincie Utrecht. In de tabel hieronder zijn de geldende toepassingswaarden voor toepassing van grond in waterwingebieden visueel gemaakt. Tabel 22: Overzicht van toepassingseisen voor PFAS in waterwingebieden (in µg/kg) Bodemfunctie
Waterwingebied
Toegestane kwaliteit toe te passen grond PFOS
PFOA
PFAS Overig
0,1
0,1
0,1
Verklaring Bepalingsgrens PFAS (THK 2020)
6.2.5. Grondstromenmatrix voor het toepassen van PFAS-houdende grond Het PFAS-beleid is o.a. opgesteld om hergebruik van PFAS-houdende grond, waar dat zonder risico’s voor mens en milieu kan, mogelijk te maken zonder dat de toe te passen grond bij elk grondverzet weer opnieuw op PFAS onderzocht hoeft te worden. Om dat te bereiken is het noodzakelijk dat de Gebiedsspecieke regels voor het toepassen en hergebruiken van PFAShoudende grond bekend zijn bij een breed publiek. In par. 11.3 wordt aangegeven op welke manier dat doel bereikt kan worden. Tabel 23 kan gebruikt worden om te bepalen of voor de toepassing van grond een partijkeuring op PFAS nodig is.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
62
Tabel 23: Grondstromenmatrix PFAS-houdende grond in de provincie Utrecht
DE GROND KOMT UIT PFASZONE
DE GROND WORDT TOEGEPAST IN PFAS-ZONE (let op: deze matrix kan niet gebruikt worden voor toepassingen op risicogevoelige functies)
PFAS B1
PFAS B2
PFAS B3
PFAS O1
PFAS O2
wonen/ industrie
landbouw/ natuur
wonen/ industrie
landbouw/ natuur
wonen/ industrie
landbouw/ natuur
wonen/ industrie
landbouw/ natuur
wonen/ industrie
landbouw/ natuur
BODEMFUNCTIEKLASSE *)
BOVENGROND ( 0 – 0,5 m -mv) PFAS B1 PFAS B2 PFAS B3 ONDERGROND (0,5 – 2 m -mv) PFAS O1 PFAS O2 *) de bodemfunctieklasse vind je op de Bodemfunctiekaart (zie bijlage 4)
Verklaring van de symbolen in de tabel De toe te passen grond hoeft niet op PFAS onderzocht te worden als op basis van een vooronderzoek, uitgevoerd conform de NEN 5725, aangetoond kan worden dat de toe te passen grond niet van een PFASbronlocatie afkomstig is. De toepassing is toegestaan, mits ook aan de overige (Gebiedsspecifieke) toepassingseisen voldaan wordt die voor de toepassing gelden, zowel voor PFAS als voor de overige stoffen. Zie daarvoor par. 5.2 en 5.3 (voor de standaardstoffen) en par. 6.2 (voor PFAS). Een partijkeuring van de toe te passen grond op PFAS is nodig om de kwaliteit vast te stellen. Voor toetsen partijkeuringsresultaten zie par. 6.2.1 t/m 6.2.3 Een partijkeuring van de toe te passen grond op PFAS is nodig om de kwaliteit vast te stellen. Er is echter maar een kleine kans dat gekeurde grond voldoet aan toetswaarden die gehanteerd worden voor het toetsen van partijkeuringsresultaten (zie par. 6.2.1 t/m 6.2.3)
Voor de toepassing van grond op risicogevoelige functie, zoals moestuinen, volkstuinen, grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden, kan de bovenstaande Grondstromenmatrix niet gebruikt worden. Voor toepassing van grond op één van de genoemde functies, wordt voor de daarvoor geldende toepassingswaarden verwezen naar de tabellen in par. 6.2.4 (Toepassing van PFAS-houdende grond op risicogevoelige functies).
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
63
Fig. 6: ligging van de PFAS-zones bovengrond
Fig. 7: ligging van de PFAS-zones ondergrond
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
64
7.
Handvat grondverzet
7.1. Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het gebruik van de verschillende kaartlagen die voor het reguleren van het grondverzet nodig zijn en op de aspecten die komen kijken bij het ontgraven en hergebruiken/toepassen van grond en bagger. Tevens zijn enkele aandachtspunten benoemd die in de praktijk van het grondverzet van belang zijn. Dit hoofdstuk dient in samenhang gelezen en gebruikt te worden met de hoofdstukken 5 en 6.
7.2. Erkende bewijsmiddelen Het belangrijkste bewijsmiddel bij grondverzet is de Ontgravingskaart. Dit is één van de kaartlagen van de bodemkwaliteitskaart. Er is een Ontgravingskaart voor PFAS opgesteld, deze wordt verder Ontgravingskaart-PFAS genoemd. En er is een Ontgravingskaart voor stoffen uit het standaardstoffenpakket grond opgesteld, verder Ontgravingskaart -SS genoemd. Deze kunnen niet los gezien worden van elkaar. Bij elke toepassing van grond, waarvoor geen onderzoek nodig is, kunnen deze ontgravingskaarten gebruikt worden als bewijsmiddel om de kwaliteit van de toe te passen grond én van de ontvangende bodem aan te tonen. Naast de bodemkwaliteitskaart zijn de volgende bewijsmiddelen in het Besluit bodemkwaliteit aangeduid als milieuhygiënische verklaringen en daarmee een erkend bewijsmiddel voor het toepassen van grond: • Partijkeuring uitgevoerd volgens de geldende regels en richtlijnen • Erkende kwaliteitsverklaring • Fabrikant-eigen-verklaring • Bodemonderzoek dat uitgevoerd is volgens een onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 die een monstername-intensiteit heeft die vergelijkbaar is met die van een partijkeuring); • Waterbodemonderzoek, uitgevoerd conform de NEN 5720; • (Water)bodemkwaliteitskaarten, mits deze aan de eisen uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit voldoen. In paragraaf 7.3 is een Stappenschema voor het grondverzet opgenomen.
Het grondverzet start bij het ontgraven van een partij grond. Voor elke onderscheiden bodemkwaliteitszone (bk-zone) is op de Ontgravingskaart de gemiddeld te verwachten bodemkwaliteit weergegeven op relatief onbelaste locaties. Op de Toepassingskaart wordt voor elke onderscheiden bodemkwaliteitszone aangegeven aan welke kwaliteitseis de grond moet voldoen die in de betreffende zone toegepast wordt. Voor een aantal zones/toepassingen zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels vastgesteld door de gemeente. In dat geval gelden de Gebiedsspecifieke eisen in plaats van (of zijn aanvullend op) de Generieke eisen uit het Besluit bodemkwaliteit. In de praktijk van het grondverzet worden vooral de Ontgravingskaart en de Toepassingskaart gebruikt. De Ontgravingskaarten en de Toepassingskaarten zijn opgenomen in de bijlagen 5 en 6 van deze Nota. In par. 7.3 (Stappenschema grondverzet), wordt aangegeven hoe en wanneer deze kaarten bij het grondverzet gebruikt worden.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
65
7.3. Stappenschema grondverzet In het traject van ontgraven en definitief toepassen van de grond dienen de nodige stappen doorlopen en vragen beantwoord te worden. De volgende stappen zijn te onderscheiden: Stap 1:
Is de ontgravingslocatie onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging?
Stap 2:
Wat is de (verwachte) kwaliteit van de ontgraven grond? Zie par. 4.2.2 (voor stoffen uit het standaardstoffenpakket) en par. 4.3.2 (voor PFAS)
Stap 3:
Wat is de toepassingseis op de toepassingslocatie? Zie par. 4.2.3 (voor stoffen uit het standaardstoffenpakket) en par. 4.3.3 (voor PFAS). Zijn er voor de beoogde toepassing Gebiedspecifieke beleidsregels vastgesteld (zie par. 5.2, 5.3 en 6.2). Dezelfde toepassingseis geldt ook voor een tijdelijke opslag voorafgaand aan de toepassing (zie par. 5.2.7).
Stap 4:
Is er sprake van bijzondere omstandigheden (zie hoofdstuk 8).
Stap 5:
Geldt er een meldingsplicht voor de voorgenomen toepassing (zie toelichting bij stap 5).
Hieronder zijn de onderscheiden stappen toegelicht.
Stap 1: Is de ontgravingslocatie onverdacht? Voorafgaand aan een ontgraving dient een (historisch) vooronderzoek uitgevoerd te worden, zodat zo goed mogelijk van te voren ingeschat kan worden wat men kan verwachten qua kwaliteit van de grond, hoeveelheid bodemvreemd materiaal, asbestverdachtheid enz. Voor ontgravingen waarbij de bodemkwaliteitskaart (BKK) als bewijsmiddel wordt gebruikt voor het elders toepassen van de vrijkomende grond in het bodembeheergebied, kan volstaan worden met een beperkt vooronderzoek (puntbronnencheck). De resultaten van de puntbronnencheck moeten bij de melding Besluit bodemkwaliteit gevoegd worden (zie stap 5: Melden). Als voldoende aangetoond kan worden dat de locatie waar de grond vrijgekomen komt onverdacht is, dan kan de BKK als bewijsmiddel voor het toepassen van de vrijkomende grond gebruikt worden. Als dit niet aangetoond kan worden, zal eerst onderzoek uitgevoerd moeten worden om verontreinigingen die een belemmeringen kunnen vormen voor de beoogde toepassing, uit te kunnen sluiten. Hoe het (historisch) onderzoek of puntbronnencheck eruit moet zien en welke eisen gesteld worden aan het uitvoeren van een bodemonderzoek kun je vinden in par. 9.2.2.
Standaardstoffen (verdachtheid) De volgende locaties/activiteiten kunnen als bodemverdacht worden aangemerkt (dit betreft een niet limitatieve opsomming): ▪ Bermen langs doorgaande wegen met een wegcapaciteit van meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal en (bermen van) wegen waar in het verleden teerhoudend asfalt is gebruikt; ▪ Slootdempingen, stortplaatsen en stookplaatsen; ▪ Locaties waar bedrijfsactiviteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden waarbij bodemverontreinigende stoffen zijn gebruikt; ▪ Opslag van bodembedreigende stoffen bij particulieren (bijv. olietank); ▪ Erven van woon- en bedrijfspercelen in lintbebouwingen in veengebieden; ▪ Locaties waar een bodemverontreiniging bekend is of waar een sterk vermoeden bestaat dat de grond verontreinigd is. Nota bodembeheer werkgebied ODRU
66
PFAS (verdachtheid) Specifiek voor PFAS verdachte locaties zijn: • Brandweer(oefen)locaties; • Locaties waar grote (chemische) branden hebben plaatsgevonden; • Vliegvelden; • Militaire (oefen)locaties; • Terreinen van BRZO-bedrijven; • Galvanische bedrijven; • Bedrijven die werken met blusschuim; • Terreinen met bekende bodemverontreiniging met PFAS; • (Voormalige) stortplaatsen; • RWZI’s/AWZI’s (slibvelden). Er is helaas (nog) geen kaart met PFAS-bronlocaties beschikbaar.
Stap 2: Wat is de verwachte kwaliteit op de ontgravingslocatie? Standaardstoffen (ontgravingskwaliteit) De te verwachten kwaliteit van de te ontgraven grond is voor de stoffen uit het standaardstoffenpakket grond, aangegeven op de Ontgravingskaarten -S van de boven- en ondergrond. Voor het opstellen van de Ontgravingskaarten -S zijn alleen bodemgegevens gebruikt van onverdachte locaties. De Ontgravingskaarten -S geven dan ook een verwachte algemene zone-kwaliteit aan. De Ontgravingskaart-S kan daarom alleen als bewijsmiddel voor het toepassen van grond gebruikt worden als de grond aantoonbaar afkomstig is van een onverdachte locatie. De Ontgravingskaarten -S van de boven- en ondergrond zijn resp. opgenomen in bijlage 5B en 5C van deze Nota. PFAS (ontgravingskwaliteit) Voor PFAS dient de Ontgravingskaart-PFAS geraadpleegd te worden (zie bijlage 6A en 6B). Het hele grondgebied van de provincie Utrecht is daarop ingedeeld in PFAS-zones. De ontgravingskwaliteit voor PFAS, voor resp. de boven- en de ondergrond, is aangegeven in de onderstaande tabellen. Van deze getallen mag men uitgaan bij het graven, als door middel van een (historisch) vooronderzoek voldoende aangetoond is dat de ontgravingslocatie niet specicifiek op PFAS verdacht is. Zie onder stap 1 welke locaties specifiek op PFAS verdacht zijn.
Tabel 24: Ontgravingskwaliteit PFAS-zones (gecorrigeerde gemiddeld gemeten gehalten in µg/kg) Ontgravingskwaliteit PFAS Zone PFOS PFOA PFAS Overig Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) PFAS B1
0,5
3,9
0,2
PFAS B2
0,7
2,3
0,3
PFAS B3
0,6
1,0
0,4
PFAS O1
0,4
2,6
0,2
PFAS O2
0,3
0,5
0,2
Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv)
Verklaring Gemiddelde ligt onder de landelijke achtergrondwaarden voor PFAS (THK 2020) Gemiddelde ligt boven de landelijke achtergrondwaarden voor PFAS (THK 2020)
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
67
De achtergrondwaarden voor PFOS, PFOA en PFAS Overig zijn: -
PFOS: 1,4 µg/kg PFOA: 1,9 µg/kg PFAS Overig: 1,4 µg/kg
Stap 3: Welke eisen gelden er op de toepassingslocatie? Op de Toepassingskaarten wordt per onderscheiden zone/gebied aangegeven welke kwaliteit grond primair mag worden toegepast. Er is een Toepassingskaart voor PFAS opgesteld, deze wordt verder Toepassingskaart-PFAS genoemd. En er is een Toepassingskaart voor stoffen uit het standaardstoffenpakket grond opgesteld, verder Toepassingskaart -SS genoemd. Deze kunnen niet los gezien worden van elkaar. Bij elke toepassing van grond moeten deze toepassingskaarten gebruikt worden om na te gaan aan welke kwaliteitseisen de toe te passen grond moet voldoen. Als er Gebiedsspecifieke beleidsregels gelden voor een bepaalde toepassing, gelden deze regels ook voor een tijdelijke opslag voorafgaand aan deze toepassing (zie par. 5.2.7). Standaardstoffen (toepassingseisen) De geldende kwaliteitseisen voor het toepassen van grond, zijn voor de stoffen uit het standaardstoffenpakket, af te lezen van de Toepassingskaart -SS boven- en ondergrond. Deze zijn opgenomen in bijlagen 5D (Gebiedsspecifieke Toepassingskaart) en 5E (Generieke Toepassingskaart).