Nota bodembeheer werkgebied ODRU 23-05-2022
Tekst van het document
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
24
Tabel 6: Ontgravingskwaliteit per PFAS-zone (gecorrigeerde gemiddeld gemeten gehalten in µg/kg) Ontgravingskwaliteit PFAS
Zone PFOS
PFOA
PFAS Overig
PFAS B1
0,5
3,9
0,2
PFAS B2
0,7
2,3
0,3
PFAS B3
0,6
1,0
0,4
PFAS O1
0,4
2,6
0,2
PFAS O2
0,3
0,5
0,2
Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv)
Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv)
Verklaring Gemiddelde waarde in deze zone ligt onder de landelijke achtergrondwaarden PFAS (THK 2020) Gemiddelde waarde in deze zone ligt boven de landelijke achtergrondwaarden PFAS (THK 2020)
De landelijke achtergrondwaarden voor PFOS, PFOA en PFAS Overig zijn: - PFOS: 1,4 µg/kg - PFOA: 1,9 µg/kg - PFAS Overig: 1,4 µg/kg
4.3.3. Toepassingskaart-PFAS Op deze kaart is aangegeven welke toepassingseisen gelden voor PFAS. Deze toepassingseisen verschillen per bodemfunctie en zijn afhankelijk van de risicogevoeligheid van het bodemgebruik t.a.v. PFAS. Er is een Toepassingskaart-PFAS voor de bovengrond (0 – 0,5 m -mv) en voor de ondergrond (0,5 – 2 m -mv) opgesteld. De toepassingseisen zijn voor een aantal PFAS-zones/toepassingen gebiedsspecifiek. De vastgestelde Lokale Maximale Waarden (LMW) gelden dan voor die PFAS-zones/toepassingen in plaats van de toepassingswaarden uit het Tijdelijk Handelingskader PFAS van 2 juli 2020 (THK 2020), [Lit. 3]. De Toepassingskaart-PFAS voor de boven- en ondergrond is opgenomen in resp. bijlage 6C en 6D van deze Nota. Doel van de Toepassingskaart-PFAS is: Dat je van te voren kunt zien welke grondkwaliteit t.a.v. PFAS minimaal vereist is in de PFASzone of op de bodemfunctie waar je grond gaat toepassen. Om de grond daadwerkelijk te mogen toepassen, moet de toepasser, door middel van een (historisch) vooronderzoek, aantonen dat de ontgravingslocatie gelegen is buiten een PFAS-bronlocatie. In par. 7.3 (Stappenschema voor het grondverzet), wordt verder ingegaan op het gebruik van de Toepassingskaart PFAS in de praktijk en onder stap 1 van het Stappenschema is een lijst opgenomen van activiteiten die specifiek PFAS-verdacht zijn.
De Gebiedsspecifieke beleidsregels die gelden voor de PFAS zijn uitgewerkt in par. 6.2. Let op: Omdat het onmogelijk is om alle Gebiedsspecifieke eisen op Toepassingskaart -PFAS weer te geven, moet daarnaast ook altijd hoofdstuk 6 van deze Nota geraadpleegd worden om na te gaan welke Gebiedsspecifieke eisen er voor PFAS eventueel nog meer aan de orde zijn.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
25
5.
Gebiedsspecifiek beleid voor standaardstoffen
Alle 15 gemeenten in het werkgebied van de ODRU, kiezen ervoor om voor een aantal toepassingen Gebiedsspecifieke beleidsregels vast te stellen, omdat de regels uit het Generieke kader niet voor alle onderdelen passen bij de lokale bodemsituatie en/of de ambitie van de gemeente. In dit hoofdstuk is het Gebiedsspecifieke beleid van de 15 ODRU-gemeenten weergegeven.
5.1. Uitgangspunten van het gemeentelijk bodembeleid De gemeenten hanteren de volgende uitgangspunten voor hun bodembeleid: • De kwaliteit van de bodem moet zodanig zijn dat de functies wonen, werken, infrastructuur, natuur en landbouw op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze uitgeoefend kunnen worden; • Milieuhygiënische risico’s worden tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht door het stellen van een helder toetsingskader in combinatie met de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven (bijv. door opvolgen gebruiksaanwijzingen bij loodhoudende grond in (moes)tuinen en op plaatsen waar kinderen spelen); • Het Gebiedsspecifieke kader maakt het mogelijk om het bodembeheer kostenefficiënt uit te kunnen voeren; • Vanuit de duurzaamheidsgedachte worden hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond optimaal benut en gefaciliteerd en worden transportafstanden voor het vervoer van grond, waar mogelijk, verkleind; • Procedures en spelregels zijn zoveel mogelijk vereenvoudigd en gelijk voor alle gemeenten in het werkgebied van de ODRU, zodat het bodembeleid uitlegbaar blijft en draagvlak houdt. Bij het vaststellen van de Lokale Maximale Waarden (LMW) is rekening gehouden met de bodemfuncties in relatie tot eventuele risico’s die op kunnen treden bij een “normaal” gebruik van de bodem behorende bij de betreffende functie.
Op deze wijze wordt het gewenste beschermingsniveau nader gespecificeerd en wordt gestuurd op de toepassingsmogelijkheden voor grond en baggerspecie.
5.1.1. Stand-still op niveau van bodembeheergebied De gemeenten kiezen als uitgangspunt voor hun Gebiedsspecifieke beleid voor het grondverzet: stand-still op niveau van het bodembeheergebied. Het stand-still principe op dit niveau houdt in dat de bestaande bodemkwaliteit binnen het werkgebied van de ODRU per saldo niet verslechtert. Plaatselijke verslechteringen van de bodemkwaliteit binnen dit gebied worden alleen toegelaten, als dit milieuhygiënisch verantwoord is (dit wordt onderbouwd door een risicotoetsing van de te kiezen lokale norm aan de risicogrenswaarden) én door aan grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied strengere kwaliteitseisen te stellen dan aan grond die afkomstig is van binnen het bodembeheergebied. Het bodembeheergebied omvat het grondgebied van alle 15 gemeenten binnen het werkgebied van de ODRU, waarvoor de bodemkwaliteitskaart is opgesteld (verder Bodembeheergebied ODRU genoemd). Het Gebiedsspecifieke beleid geldt alleen voor grond afkomstig uit een gemeente die binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied ligt.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
26
5.1.2. Gebiedsspecifiek versus Generiek Het Gebiedsspecifieke beleid van de gemeenten is deels strenger en deels ruimer dan het Generieke kader voor het grondverzet. Hieronder worden een aantal voorbeelden genoemd. Strenger: • In het Generieke kader mag in particuliere tuinen en op plaatsen waar kinderen spelen, klasse Wonen-grond toegepast worden. Dat betekent dat toe te passen grond een loodgehalte kan bevatten van (maximaal) 210 mg/kg. Vanwege het blootstellingsrisico van lood voor jonge kinderen (0 – 6 jaar) is het maximaal toegestane loodgehalte in grond die wordt toegepast in particuliere tuinen in het Gebiedsspecifieke beleid gesteld op maximaal 100 mg/kg en voor kinderspeelplaatsen op maximaal 50 mg/kg (hier mag alleen klasse L/N- grond toegepast worden). Gebiedsspecifieke toepassingseisen die strenger zijn dan de toepassingseisen die gelden in het Generieke kader, gelden ook voor grond die afkomstig is van buiten het bodembeheergebied. Ruimer: 9 •
•
•
In het Gebiedsspecifieke beleidskader mag grond uit onverdachte wegbermen, zonder bodemonderzoek of partijkeuring, uitgewisseld worden met andere wegbermen binnen het bodembeheergebied. In het Generieke kader moet elke keer opnieuw de kwaliteit van de grond afkomstig uit de wegberm vooraf vastgesteld worden; Grond, afkomstig van een boomgaardperceel mag in het Gebiedsspecifieke beleidskader, toegepast worden op andere boomgaardpercelen in het buitengebied als aangetoond kan worden dat de gehalten aan bestrijdingsmiddelen in de bovengrond de interventiewaarden niet overschrijden. Dit is in het Generieke kader bijna nooit mogelijk omdat de grond vanwege de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen, als klasse Industrie-grond beschouwd moet worden en daarom vaak afgevoerd moet worden naar een erkend verwerker of alleen toegepast kan worden in een GBT; Op veel industrieterreinen mag in het Gebiedsspecifieke beleidskader klasse Industriegrond worden toegepast. De industrieterreinen waar klasse Industrie-grond toegepast mag worden, zijn voor alle 15 ODRU-gemeenten, aangegeven op de Gebiedsspecifieke toepassingskaart in bijlage 5D. In het Generieke beleid mag je alleen klasse Industriegrond toepassen als ook de ontvangende bodem op het betreffende industrieterrein in de bodemkwaliteitsklasse Industrie valt. Dat is echter lang niet altijd het geval.
Gebiedsspecifieke toepassingseisen die soepeler zijn dan de toepassingseisen die gelden in het Generieke kader, gelden alleen voor grond die afkomstig is van binnen het bodembeheergebied.
In het Generieke kader (dat geldt als er geen Gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld) is soms de bodemfunctieklasse en soms de bodemkwaliteit van het perceel waar de grond wordt toegepast, leidend bij de toepassingseis die geldt. De strengste van deze twee is leidend voor de geldende toepassingseis. In het Gebiedsspecifieke kader voor standaardstoffen (dat beschreven is in paragraaf 5.2 en 5.3 van deze Nota) is de toepassingseis die geldt, in de meeste gevallen gebaseerd op de kwaliteit die het beste past bij de bodemfunctieklasse waarin het perceel is ingedeeld. De heersende bodemkwaliteit is daaraan vaak ondergeschikt gemaakt. Er is bij de gekozen toepassingseis uiteraard wel rekening gehouden met de risicogevoeligheid van de bodemgebruiksfunctie.
9
hier zijn uiteraard wel voorwaarden aan verbonden (zie paragraaf 5.2 en 5.3)
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
27
5.1.3. Bodembeheergebied ODRU Door de Gebiedsspecifieke regels die in de eigen gemeente gelden ook van toepassing te verklaren op grond afkomstig uit andere ODRU-gemeenten, kan het uitwisselen van grond tussen de ODRU-gemeenten op een simpele en kostenefficiënte wijze plaatsvinden. De deelnemende gemeenten hebben ervoor gekozen om het hele werkgebied van de ODRU aan te merken als bodembeheergebied. Dat houdt in dat het Gebiedsspecifieke beleid van toepassing is op grond die afkomstig is uit de volgende 15 gemeenten: Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Montfoort, Oudewater, Renswoude, Rhenen, Stichtse Vecht, Utrechtse Heuvelrug, IJsselstein, Veenendaal, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden en Zeist. Hieronder is de omvang van “bodembeheergebied ODRU” afgebeeld.
Fig. 2: Geografische weergave van “Bodembeheergebied ODRU” voor de standaardstoffen
De Gebiedsspecifieke regels, hebben enerzijds betrekking op algemene toepassingen die in principe in elke zone/gebied kunnen voorkomen (zie par. 5.2) en anderzijds hebben ze betrekking op een bepaalde bodemkwaliteitszone (bk-zone) of gebied (zie par. 5.3). De Gebiedsspecifieke beleidsregels zijn (zoveel mogelijk) verwerkt in de Gebiedsspecifieke Toepassingskaart-S, (zie bijlage 5D). Deze kaart geldt alleen voor grond die afkomstig is van binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied. Niet voor elke onderscheiden bodemkwaliteitszone is een Gebiedsspecifieke toepassingseis vastgesteld. In sommige zones is dat niet nodig, bijvoorbeeld omdat het hanteren van de Generieke toepassingseisen genoeg mogelijkheden voor het grondverzet en voldoende bescherming voor mens en milieu biedt.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
28
De Generieke toepassingseisen zijn aangegeven op de Generieke Toepassingskaart-S (zie bijlage 5E). De Generieke Toepassingskaart geldt alleen voor grond die afkomstig is van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied. Let op: Sommige Gebiedsspecieke beleidsregels zijn soepeler dan de landelijk geldende regels en zijn alleen van toepassing op grond afkomstig uit het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied. Dat wordt per thema aangegeven onder het kopje “Toepassingsbereik”. Voor grond afkomstig uit gronddepots en grondbanken geldt het volgende: - Wanneer grond afkomstig is van een gronddepot of een grondbank, moet de toepasser aantonen waar de grond oorspronkelijk vandaan komt. Dit is leidend voor de toetsing.
5.2. Niet-zone gerelateerde beleidsregels voor standaardstoffen In deze paragraaf worden de niet zone-gerelateerde Gebiedsspecifieke beleidsregels beschreven voor het toepassen, uitwisselen, ontgraven en tijdelijk opslaan van grond binnen het bodembeheergebied ODRU. Het gaat hierbij om algemene toepassingen die in principe in alle op de Bodemzoneringskaart onderscheiden zones en binnen alle bodemfuncties voor kunnen komen. Voor de onderstaande thema’s zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels opgesteld: • • • • • • •
Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal (par. 5.2.1) Toepassen van grond op risicogevoelige bodemfuncties (par. 5.2.2) Toepassen van loodhoudende grond in tuinen (par. 5.2.3) Toepassen van klasse Industrie-grond op bedrijfs- en industrieterreinen (par. 5.2.4) Uitwisselen van grond tussen (spoor)wegbermen (par. 5.2.5) Uitwisselen van grond tussen boomgaardpercelen in het buitengebied (par. 5.2.6) Tijdelijke opslag van grond en bagger (par. 5.2.7).
Het toepassen van grond is alleen toegestaan als de toepassing op grond van artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit aangemerkt kan worden als een “nuttige toepassing” (zie voor de definitie van dit begrip bijl. 2). Daarnaast moet een toepassing functioneel zijn (zie art. 5 van het Besluit bodemkwaliteit). Dat wil zeggen dat de hoogte, breedte of dikte van de toe te passen partij grond niet groter mag zijn dan doelmatig is om het geplande werk te realiseren. In deze paragraaf worden alleen de toepassingseisen vermeld die gelden voor de stoffen uit het standaardstoffenpakket. Voor de toepassingseisen die voor PFAS gelden, wordt verwezen naar par. 6.2.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
29
5.2.1. Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal Generieke kader Volgens het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit mag er in toe te passen grond maximaal 20 gewichtsprocenten aan bodemvreemd materiaal zitten. 10 Gemeenten kunnen door middel van Gebiedsspecifiek beleid het maximaal toegestane percentage bodemvreemd materiaal naar beneden toe bijstellen, als zij dit wenselijk vinden. Gebiedsspecifiek beleid Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor dit thema in dat het maximaal toegestane gewichtspercentage bodemvreemd materiaal gedifferentieerd wordt naar de risicogevoeligheid van de bodemfunctie. In onderstaande tabel is weergegeven voor welke toepassingen een Gebiedsspecifieke eis geldt. Onder het kopje “Toepassingsbereik” wordt aangegeven welke gemeenten voor dit thema voor Gebiedsspecifiek beleid hebben gekozen. Tabel 7: differentiatie bodemvreemd materiaal naar bodemgebruiksfuncties Bodemfunctie
Maximaal toegestaan gewichtspercentage bodemvreemd materiaal
Agrarisch, natuur, recreatie
5 % (Gebiedsspecifieke eis)
Moes- en volkstuinen, plaatsen waar kinderen spelen en particuliere tuinen (incl. tuinen bij bedrijfs- en recreatiewoningen)
5 % en visueel geen scherpe voorwerpen (zoals bijv. glas) en geen asbest *) (Gebiedsspecifieke eis)
Overig bodemgebruik (niet-risicogevoelig)
20 % (Generiek)
*) Asbest mag niet zichtbaar in de grond aanwezig zijn, maar ook mag de grond analytisch geen asbest bevatten.
Voor de definitie van “risicogevoelige bodemfuncties” die de gemeenten in het werkgebied van de ODRU voor dit thema hanteren, wordt verwezen naar de lijst van begrippen en definities in bijlage 2. Toepassingsbereik De in de bovenstaande tabel aangegeven Gebiedsspecifieke toepassingseisen voor grond met bodemvreemd materiaal gelden voor toepassing van grond in: - Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, ongeacht of de toe te passen grond van binnen of van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied afkomstig is. Tip: Als het gaat om nieuw te ontwikkelen woongebieden, kan het misschien gewenst zijn om voor alle toepassingen binnen een bepaald plangebied maximaal 5% bodemvreemd materiaal in de toe te passen grond aan te houden, ook buiten de risicogevoelige bodemgebruiksfuncties. Dat kan dan het beste geregeld worden in een bestek of in een exploitatieovereenkomst.
10
Onder bodemvreemd materiaal wordt, sinds de wijziging van de Regeling bodemkwaliteit van november 2018, alleen nog maar steenachtige materialen en hout begrepen. Overige bodemvreemde materialen (zoals plastics), mogen slechts sporadisch in de toe te passen grond aanwezig zijn als deze er niet redelijkerwijs uit zijn te halen vóór de toepassing (zie artikel 1.1 lid 2 van de Regeling bodemkwaliteit).
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
30
5.2.2. Toepassen van grond op risicogevoelige bodemfuncties In principe mag klasse Landbouw/Natuur-grond (afgekort L/N-grond) 11 voor alle doeleinden gebruikt worden zolang de toepassing aangemerkt kan worden als een nuttige toepassing in de zin van art. 35 van het Bbk. Er zijn echter ook bodemfuncties waar uitsluitend klasse L/Ngrond toegepast mag worden. Dit thema gaat over die toepassingen. Generieke kader Volgens het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit, mag op percelen die ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur alleen klasse L/N-grond toegepast worden. In de Provinciale milieuverordening Utrecht is daarnaast opgenomen dat ook in waterwingebieden alleen klasse L/N-grond toegepast mag worden, ongeacht de bodemfunctieklasse waarin het perceel is ingedeeld. Gemeenten kunnen door middel van Gebiedsspecifiek beleid de bodemfuncties waar alleen klasse L/N-grond toegepast mag worden (m.u.v. waterwingebieden), verder uitbreiden als zij dit wenselijk vinden. Gebiedsspecifiek beleid Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor dit thema in dat de bodemfuncties waar volgens het Generieke kader alleen klasse L/N-grond mag worden toegepast, worden uitgebreid met de volgende bodemfunctie: “plaatsen waar kinderen spelen (0 – 6 jaar)”.
In de onderstaande tabel wordt samengevat op welke bodemfuncties uitsluitend klasse L/N-grond toegepast mag worden en is weergegeven welke toepassingseis Gebiedsspecifiek is, dus geldt voor alle toepassingen van grond in het bodembeheergebied ODRU. Tabel 8: Toepassingseisen voor “standaardstoffen” 12 Bodemgebruik
Toepassingseis (uitgedrukt in bodemkwaliteitsklasse)
Moestuinen en volkstuinen
Klasse L/N-grond (Generiek)
Ecologische beschermingsgebieden
Klasse L/N-grond (Generiek)
Plaatsen waar kinderen spelen (0 – 6 jaar)
Klasse L/N-grond (Gebiedsspecifieke eis) *)
Waterwingebieden
Klasse L/N-grond (deze eis is vastgelegd in de Omgevingsverordening provincie Utrecht)
*) Voor het uitwisselen van grond tussen speelplaatsen binnen de gemeente IJsselstein geldt een uitzondering. Zie
onder “Toepassingsbereik”
Moes- en volkstuinen: De eis dat op moes- en volkstuinen alleen klasse L/N-grond mag worden toegepast vloeit voort uit het Generieke Kader (zie tabel 10). Het is niet wenselijk om hier middels lokaal beleid van af te wijken. Voor PFAS houdt dat in dat de gemeten gehalten aan PFOS en Overige PFAS voor grond die wordt toegepast op moestuin en volkstuinen, niet meer mogen bedragen dan 1,4 µg/kg en aan PFOA niet meer dan 1,9 µg/kg.
11
Klasse L/N-grond is niet per definitie hetzelfde als schone grond. Zie uitleg van de verschillen tussen deze begrippen in bijlage 2. 12 Onder “standaardstoffen” worden in deze Nota alle stoffen uit het standaardstoffenpakket grond + Chroom en Arseen begrepen.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
31
Ecologische beschermingsgebieden: De eis dat in gebieden die in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur ingedeeld alleen klasse L/N-grond mag worden toegepast vloeit voort uit het Generieke Kader. Het wordt niet wenselijk geacht om hier middels lokaal beleid van af te wijken, omdat dit gebieden zijn waarvoor een hoog ecologisch beschermingsniveau vereist is. Onder ecologische beschermingsgebieden wordt in het kader van deze Nota, verstaan: • Gebieden die onderdeel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) • Natura-2000 gebieden • Overige gebieden met Natuur als hoofdfunctie • Alle overige gebieden die deel uitmaken van het Natuur Netwerk Nederland (NNNgebieden). Voorafgaand aan toepassingen van grond en bagger in ecologische beschermingsgebieden moet de initiatiefnemer contact opnemen met de provincie Utrecht. Voor de ligging van de bovengenoemde ecologische beschermingsgebieden wordt verwezen naar de website van de provincie Utrecht. Naar de webkaart van de provincie Utrecht via: https://webkaart.provincieutrecht.nl/viewer/app/Webkaart. Voor de kwaliteitseisen die gelden voor PFAS bij toepassing van grond in een ecologisch beschermingsgebied, wordt verwezen naar hoofdstuk 6 (Gebiedsspecifiek beleid voor PFAS).
Plaatsen waar kinderen spelen (0 – 6 jaar): Van alle stoffen die in de bovengrond van gebieden waar gewoond wordt voorkomt, geeft lood de meeste kans op gezondheidsrisico’s bij kinderen in de leeftijd tot 6 jaar. Kinderen kunnen via hand-mond gedrag (ingestie) lood binnenkrijgen bij het spelen op plekken met loodhoudende grond. Zo kan lood in het lichaam opgenomen worden. Deze loodbelasting kan boven bepaalde gehalten een nadelig effect hebben op het leervermogen van kinderen en kan leiden tot verlies aan IQ-punten. Volgens de laatste inzichten kunnen al gezondheidseffecten aan de orde zijn bij kleine kinderen bij een loodconcentratie boven 100 mg/kg d.s. in de bodem. Voor het toepassen van grond op “plaatsen waar kinderen spelen” wordt een Lokale Maximale Waarde (LMW) vastgesteld die gelijk is aan de Maximale Waarde (MW) voor de klasse Landbouw/Natuur. 13 Voor de definitie van “plaatsen waar kinderen spelen” wordt aangesloten bij de definitie die gebruikt wordt in het “Handelingskader voor diffuus lood in de bodem”, dat vastgesteld is door de provincie Utrecht en op 19 november 2019 in werking is getreden. Dit handelingskader heeft tot doel de blootstelling aan lood, met name voor kinderen tot 6 jaar, sterk te verminderen, om IQ-puntenverlies zo veel mogelijk te voorkomen. waar kinderen in contact komen met de onverharde bodem.
14
Het gaat om die plaatsen
Voorbeelden van plaatsen waar kinderen spelen zijn: • Openbare speelplaatsen (meestal in woonwijken) •
Speelplaatsen bij scholen
•
Speelplaatsen bij kindercentra
•
Trapveldjes
• Overige locaties, die bij de gemeente bekend staan als speelplek voor jonge kinderen, delen) van openbaar toegankelijke parken. 13
Voor de parameter lood betekent dit dat het loodgehalte in de toe te passen grond niet meer mag bedragen dan 50 mg/kg (omgerekend naar een standaardbodem). 14 Zie ook Lit. 14 en bijl. 14
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
32
Sport-, recreatieterreinen en stadsparken worden niet als gevoelige functie in de zin van dit thema, aangemerkt. Aangenomen wordt dat kinderen hier niet dagelijks spelen en dat daarmee sprake is van een beperkte blootstelling. Ook rondhangplekken worden niet onder het begrip “gevoelige functie” begrepen, omdat ervan uitgegaan wordt dat hier geen kleine kinderen (0 – 6 jaar) spelen. Toepassingsbereik De aangegeven Gebiedsspecifieke toepassingseis voor grond op de bodemfunctie “plaatsen waar kinderen spelen” geldt voor toepassingen in: - Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, ongeacht of de toe te passen grond van binnen of van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied afkomstig is. In fig. 3 is het “Bodembeheergebied ODRU” weergegeven.
(uitzondering): Uitwisseling van grond tussen speelplaatsen in de gemeente IJsselstein is, aanvullend op de Gebiedsspecifieke toepassingseis, ook mogelijk als uit een partijkeuring, uitgevoerd volgens de geldende normen, blijkt dat de grond in klasse Wonen wordt ingedeeld, maar het gemeten loodgehalte in de toe te passen grond niet hoger is dan 100 mg/kg (zie Nota bodembeheer IJsselstein). Deze uitzondering is in juli 2021 vastgesteld door de gemeenteraad van IJsselstein.
Fig. 3: Geografische weergave van de reikwijdte van deze beleidsregel
Op het Geoportaal van de ODRU is de “Loodverwachtingskaart” te raadplegen. Hierop is voor de hele provincie Utrecht te zien, in welke gebieden verhoogde loodgehalten in de bovengrond verwacht kunnen worden. Voor sommige gebieden gelden gebruiksadviezen om blootstelling aan lood te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Via de link https://odrutest.gispubliek.nl/extra/Lood/Flyer_LetopLood.pdf is de flyer “Let op lood” te downloaden. 5.2.3. Toepassen van loodhoudende grond in tuinen Generieke kader Volgens het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit, mag op percelen die ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Wonen, naast klasse L/N-grond ook klasse Wonen-grond toegepast worden. Dus ook in tuinen bij woningen. Tuinen worden in het Besluit bodemkwaliteit niet per definitie als een risicogevoelige bodemgebruiksfunctie beschouwd. Dat betekent dat er naast klasse L/N-grond in het Generieke kader van het Bbk, ook klasse Wonen-grond toegepast mag worden. De Maximale Waarde van klasse Wonen-grond bedraagt voor de parameter lood echter 210 mg/kg (voor een standaardbodem). Deze waarde ligt aanzienlijk hoger dan de door de GGD aanbevolen maximale norm van 100 mg/kg. Gemeenten kunnen door middel van Gebiedsspecifiek beleid de loodeis voor het toepassen van grond in tuinen, aanscherpen om blootstellingsrisico’s voor met name jonge kinderen (0 – 6 jaar) te beperken.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
33
Gebiedsspecifiek beleid Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor dit thema in dat het loodgehalte in grond die in tuinen wordt toegepast, begrensd wordt op 100 mg/kg. Dat betekent dat het alleen toegestaan is om in tuinen klasse Wonen-grond toe te passen als het loodgehalte onder deze Gebiedsspecifieke toepassingseis voor lood ligt. De Gebiedsspecifieke eisen voor het toepassen van grond ter plaatse van tuinen, zijn in de onderstaande tabel visueel gemaakt. Tabel 9: Gebiedsspecifieke toepassingseisen (LMW) voor lood in “tuinen” Toepassingseis voor grond in “tuinen”
Lood
Overige standaardstoffen
Max. 100 mg/kg (Gebiedsspecifieke eis) *)
Klasse Wonen (Generiek)
deze waarde ligt tussen de MW lood van klasse Landbouw/Natuur (50 mg/kg) en de MW lood van klasse Wonen (210 mg/kg) en wordt gezien als grenswaarde waarboven effecten voor lood op het IQ van kinderen kunnen optreden *)
Onder tuinen wordt voor dit thema begrepen: - Onverharde tuinen bij particuliere woningen; - Onverharde tuinen bij (bedrijfs)woningen. Onder het begrip “tuinen” worden voor dit thema niet begrepen: - Moes- of volkstuinen (zie toepassingseisen in par. 5.2.2); - Tuinen die verhard zijn met tegels, klinkers o.i.d. De toepasser kan op de volgende manieren aantonen dat de toe te passen grond aan de aangescherpte toepassingseis voor de parameter lood voldoet: Voor grond afkomstig van binnen het bodembeheergebied ODRU: • Met de Ontgravingskaart-S. In de tabellen met statistische kengetallen van de onderscheiden bodemkwaliteitszones (bijl. 3 van deze Nota), worden de gemeten stofgehalten weergegeven. Het rekenkundig gemiddelde voor de parameter lood moet in de zone waar de grond vandaan komt (de ontgravingslocatie), lager zijn dan 100 mg/kg. Dit is zowel voor de boven- als voor de ondergrond het geval in de volgende bk-zones (met de tabelaanduiding in bijl.3): 8-1, 8-2, 8-3, 8-24, 6A en 8A (beleidszone Bebouwing 1/1); 8-4, 8-5, 8-6, 6B en 8B (beleidszone Bebouwing 2/1); 6C (beleidszone Bebouwing 2/2). • Door middel van een partijkeuring. Het gemeten loodgehalte van de onderzochte grond moet lager zijn dan 100 mg/kg. Voor grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied ODRU: • Met een door de gemeente geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart).
Het rekenkundig gemiddelde voor de parameter lood moet in de zone waar de grond vandaan komt (op de ontgravingslocatie), lager zijn dan 100 mg/kg. 15 De toepasser dient bij de melding te verwijzen naar de vindplaats van het rekenkundig gemiddelde van de betreffende zone in het bkk-rapport; • D.m.v. van een partijkeuring. Het gemeten loodgehalte moet lager zijn dan 100 mg/kg.
15
Besluiten over acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van gemeenten buiten het bodembeheergebied ODRU, worden door de raad aan het college van burgemeester en wethouders gedelegeerd (zie par. 11.2.3).
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
34
Toepassingsbereik De Gebiedsspecifieke toepassingseis (aangescherpte toepassingseis voor lood) voor grond die toegepast wordt in onverharde particuliere tuinen, geldt voor toepassingen in: - Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, ongeacht of de toe te passen grond van binnen of buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied afkomstig is.
5.2.4. Toepassen van klasse Industrie-grond op bedrijfs- en industrieterreinen Generieke kader In het Generieke kader is het toepassen van klasse Industrie grond op bedrijfs- en industrieterreinen alleen toegestaan als de ontvangende bodem een kwaliteit heeft die gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse Industrie. Gemeenten kunnen van deze eis afwijken door Gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Op de Bodemfunctiekaart (bijlage 4), is weergegeven welke gebieden in de bodemfunctieklasse Industrie zijn ingedeeld. Het betreft vaak de grotere bedrijfs- en industrieterreinen (> 2,5 ha). Gebiedsspecifiek beleid Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor dit thema in dat de bodemfunctieklasse waarin een perceel op de Bodemfunctiekaart is ingedeeld (in dit geval klasse “Industrie”), leidend is bij de gekozen lokale kwaliteitseis (LMW), die geldt voor het toepassen van grond. Het toepassen van klasse Industrie-grond op bedrijfs- en industrieterreinen wordt uitsluitend toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: ▪ De toepassing vindt plaats op een bedrijfs- of industrieterrein dat op de Bodemfunctiekaart is ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie (zie bijlage 4). ▪ De toepassing vindt integraal en aaneengesloten plaats en is nuttig en functioneel, d.w.z.
heeft geen grotere omvang dan voor het doel van het werk noodzakelijk is; ▪ De toepassing vindt niet plaats op risicogevoelige bodemfuncties, zoals genoemd in par. 5.2.2 van deze Nota; ▪ De toe te passen grond voldoet ook aan eventueel overige van toepassing zijnde gebiedsspecifieke eisen die in deze Nota beschreven zijn. Op de Gebiedsspecifieke Toepassingskaart (zie bijlage 5D) is voor alle 15 ODRU-gemeenten aangegeven op welke bedrijfs- en industrieterreinen klasse Industrie-grond toegepast mag worden, mits aan de bovengenoemde voorwaarden voldaan wordt. In het Gebiedsspecifieke beleid voor het toepassen van klasse Industrie-grond op bedrijfs- en industrieterreinen, is uiteraard ook rekening gehouden met risicogevoelige functies die binnen een bedrijfs- of industrieterrein voor kunnen komen (zoals moes- en volkstuinen, plaatsen waar kinderen spelen en waterwingebieden). Daar mag alleen klasse Landbouw/Natuur-grond toegepast worden (zie par. 5.2.2). In par. 5.2.3 wordt aangegeven dat voor het toepassen van grond in tuinen aangescherpte toepassingseisen voor lood gelden om jonge kinderen extra te beschermen. Dat geldt ook voor het toepassen van grond in tuinen van bedrijfswoningen.
Toepassingsbereik De aangegeven Gebiedsspecifieke toepassingseisen voor grond die toegepast wordt op bedrijfs- en industrieterreinen, geldt voor toepassingen in: ▪ Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die afkomstig is van binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied (zie par. 11.2.4 van deze Nota); ▪ Voor grond afkomstig van buiten het door de gemeente vastgestelde
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
35
bodembeheergebied, gelden de Generieke toepassingseisen. Die zijn afhankelijk van de uitkomst van de (dubbele toets). De strengste van deze twee toetsingen bepaald de geldende toepassingseis.
Let op: Besluiten over uitbreiding van het Bodembeheergebied ODRU met het grondgebied van een andere gemeente, gelegen buiten het werkgebied van de ODRU, worden door de raad aan het college van burgemeester en wethouders gedelegeerd (zie par. 11.2.4).
Fig. 4: Geografische weergave van “Bodembeheergebied ODRU” voor de standaardstoffen.
5.2.5. Uitwisselen van grond tussen (spoor)wegbermen Generieke kader In het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit wordt de mogelijkheid tot grondverzet bij wegbermen bepaald op basis van de bodemfunctie én de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem. De strengste van deze twee bepaalt de toepassingseis. De bodemfunctie wordt vastgelegd op een Bodemfunctiekaart. Wegbermen vallen doorgaans onder de bodemgebruikscategorie “anders groen, infrastructuur en industrie” en kunnen daarom in de meeste gevallen worden ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie. Dat is niet in alle gevallen wenselijk, bijvoorbeeld als het gaat om een weg met weinig verkeersbelasting gelegen in een woongebied of in een ecologisch beschermingsgebied. In relatief onbelaste bermen mag in het Generieke kader alleen klasse L/N-grond toegepast worden en in bermen van wegen die gelegen zijn in woongebieden mag alleen klasse Wonengrond toegepast worden, mits de ontvangende bodem ook kwaliteitsklasse Wonen heeft. In bermen van doorgaande wegen buiten de bebouwde kom mag in het Generieke kader vaak alleen klasse L/N-grond toegepast worden, omdat het buitengebied doorgaans ingedeeld wordt in de bodemfunctieklasse Natuur/Landbouw.
Ook al zouden alle wegbermen in het buitengebied ingedeeld worden in de bodemfunctieklasse Industrie, dan zou het toepassen van klasse Industrie-grond in het Generieke kader nog niet mogelijk zijn, omdat het buitengebied meestal in bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur ingedeeld wordt. In het Generieke kader moet in dat geval namelijk getoetst worden aan de functie-eis (voldoet wel) en aan de kwaliteitseis (voldoet niet), omdat door de toepassing de heersende bodemkwaliteit verslechterd. Gemeenten kunnen van de regels uit het Generieke kader van het Bbk afwijken door Gebiedsspecifiek beleid op te stellen.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
36
Gebiedsspecifiek beleid Kwaliteit van bermgrond kent in werkelijkheid veel variaties en wordt veelal gekenmerkt door verhoogde gehalten aan zware metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Dit als gevolg van uitlaatgassen van het wegverkeer, afstromend regenwater, toepassing van teerhoudend asfalt in de naastgelegen weg of uitloging van metalen vangrails. De bodemkwaliteit van wegbermen varieert daardoor van schoon tot sterk verontreinigd. Als een gemeente bermgrond, waar dit nuttig en milieuverantwoord is, op een eenvoudige wijze wil hergebruiken in dezelfde of een andere wegberm kan zij voor dit thema kiezen voor Gebiedsspecifiek beleid. De uitwisseling van bermgrond kan betrekking hebben op bermen binnen de eigen gemeente of, als een wegberm zich uitstrekt over het grondgebied van meerdere gemeenten, tussen de bermen aan weerskanten van die weg. De Gebiedsspecifieke toepassingseisen die gelden voor de toe te passen grond, verschillen per onderscheiden bermcategorie en per activiteit (hergebruik tussen bermen of toepassen van grond in een berm). Er worden 3 categorieën wegbermen onderscheiden: A. Bermen van provinciale- en rijkswegen (incl. spoorbermen) buiten de bebouwde kom *) B. Bermen van gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom C. Bermen van gemeentelijke wegen buiten de bebouwde kom.
voor bermen van provinciale en rijkswegen binnen de bebouwde kom, gelden dezelfde eisen als voor de bermen van gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom. *)
Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor dit thema in dat: • Grond uit onverdachte wegbermen zonder bodemonderzoek of partijkeuring mag worden hergebruikt in dezelfde of in een andere wegberm van dezelfde of een zwaardere categorie, binnen het bodembeheergebied ODRU; • In bermen van provinciale- en rijkswegen (incl. spoorwegbermen) buiten de bebouwde kom, naast klasse L/N-grond en klasse Wonen-grond ook klasse Industrie grond mag worden toegepast. Bermen van provinciale wegen en rijkswegen buiten de bebouwde kom zijn daarvoor “administratief” ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie.16 Door voor dit thema Gebiedsspecifiek beleid op te stellen, wordt het mogelijk gemaakt om op een eenvoudige en kostenefficiënte wijze, grond tussen wegbermen uit te wisselen. Onder het kopje “Toepassingsbereik” wordt aangegeven welke gemeenten voor dit thema voor Gebiedsspecifiek beleid hebben gekozen en op welke grond dit van toepassing is.
16
Let op: Dit is op de Gebiedsspecifieke toepassingskaart (bijlage 5D) niet zichtbaar, omdat bermen op de Bodemfunctiekaart niet apart ingedeeld zijn in een bodemfunctieklasse. Bermen van provinciale en rijks- wegen zijn administratief ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
37
A. Bermen van provinciale wegen en rijkswegen (incl. spoorwegbermen) buiten de bebouwde kom Uitwisseling van grond tussen bermen van deze categorie zonder onderzoek: De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat uitwisseling van grond tussen bermen uit deze categorie, kan plaatsvinden, zonder dat een partijkeuring of ander onderzoek naar de kwaliteit van de grond uitgevoerd hoeft te worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: • De berm waaruit de grond vrijkomt mag niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming of anderszins verdacht zijn op een ernstige bodemverontreiniging; •
De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de Maximale Waarde (MW) van bodemkwaliteitsklasse Industrie (zie bijlage 10). Dit moet aangetoond worden met de Ontgravingskaart-S (zie bijlagen 5B en 5C). De bodemkwaliteit van de zone waarbinnen de ontgravingslocatie ligt, moet voldoen aan kwaliteitsklasse Industrie (of een betere kwaliteit hebben);
Toepassing van klasse Industrie-grond in bermen van deze categorie: De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat in bermen die in deze categorie vallen, naast klasse L/N- grond en klasse Wonen-grond, ook klasse Industrie-grond mag worden toegepast, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: • De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de Maximale Waarde (MW) van bodemkwaliteitsklasse Industrie (zie bijlage 10). Dit moet aangetoond worden met één van de volgende bewijsmiddelen: o de Ontgravingskaart-S. De bodemkwaliteit van de zone waarbinnen de ontgravingslocatie ligt, moet voldoen aan kwaliteitsklasse Industrie (of een betere kwaliteit hebben); of o Een partijkeuring, uitgevoerd conform de geldende richtlijnen; of o Een door de gemeente geaccepteerde bodemkwaliteitskaart. 17 De bodemkwaliteit van de zone waarbinnen de ontgravingslocatie ligt, moet voldoen aan kwaliteitsklasse Industrie (of een betere kwaliteit hebben); Grond die wordt uitgewisseld tussen of wordt toegepast in bermen die gelegen zijn in een gebied met een risicogevoelige bodemfunctie moet voldoen aan de MW van klasse Landbouw/Natuur. Zie par. 5.2.2.
B. Bermen van gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom Uitwisseling van grond tussen bermen van deze categorie zonder onderzoek: De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat uitwisseling van grond tussen bermen uit deze categorie, kan plaatsvinden, zonder dat een partijkeuring of ander onderzoek naar de kwaliteit van de grond uitgevoerd hoeft te worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: • De berm waaruit de grond vrijkomt mag niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming of anderszins verdacht zijn op een ernstige bodemverontreiniging; • De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de Maximale Waarde (MW) van bodemkwaliteitsklasse Wonen (zie bijlage 10). Dit moet aangetoond worden met de Ontgravingskaart-S (zie bijlage 5B en 5C). De bodemkwaliteit van de zone waarbinnen de ontgravingslocatie ligt, moet voldoen aan kwaliteitsklasse Wonen (of een betere kwaliteit hebben); 17
Besluiten over acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van gemeenten buiten het bodembeheergebied ODRU, worden door de raad aan het college van burgemeester en wethouders gedelegeerd (zie par. 11.2.3).
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
38
•
De berm waaruit de grond afkomstig is, is onverdacht. Zie definitie van “verdachte wegberm” in de lijst van begrippen en definities in bijlage 2.
Toepassing van klasse Wonen-grond in bermen van deze categorie: De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat in bermen die in deze categorie vallen, naast klasse L/N- grond ook klasse Wonen-grond mag worden toegepast, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: • De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de Maximale Waarde (MW) van bodemkwaliteitsklasse Wonen (zie bijlage 10). Dit moet aangetoond worden met één van de volgende bewijsmiddelen: o de Ontgravingskaart-S. De bodemkwaliteit van de zone waarbinnen de ontgravingslocatie ligt, moet voldoen aan kwaliteitsklasse Wonen (of een betere kwaliteit hebben); of o Een partijkeuring, uitgevoerd conform de geldende richtlijnen. Grond die wordt uitgewisseld tussen of wordt toegepast in bermen die gelegen zijn in een gebied met een risicogevoelige bodemfunctie moet voldoen aan de MW van klasse Landbouw/Natuur. Zie par. 5.2.2.
C. Bermen van gemeentelijke wegen buiten de bebouwde kom. Uitwisseling van grond tussen bermen van deze categorie zonder onderzoek: De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat uitwisseling van grond tussen bermen uit deze categorie, kan plaatsvinden, zonder dat een partijkeuring of ander onderzoek naar de kwaliteit van de grond uitgevoerd hoeft te worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: •
Het betreft een berm van een verharde weg; 18
•
De berm waaruit de grond vrijkomt mag niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming of anderszins verdacht zijn op een ernstige bodemverontreiniging; De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de “gebiedskwaliteit” van de zone waar de berm in ligt. Dit moet aangetoond worden met de tabellen waarin de statistische kengetallen zijn weergegeven (bijlage 3). De kwaliteit van de toe te passen grond mag voor deze toepassing getoetst worden aan de P80 (80 percentielwaarde) van de zone waarin de grond wordt toegepast, als de P80 hoger is dan de MW van de betreffende stof voor de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur; De berm waaruit de grond afkomstig is, is onverdacht. Zie definitie van “verdachte wegberm” in de lijst van begrippen en definities in bijlage 2.
•
•
Grond die wordt uitgewisseld tussen bermen die gelegen zijn in een gebied met een risicogevoelige bodemfunctie moet voldoen aan de MW van klasse Landbouw/Natuur. Zie par. 5.2.2.
18
Er wordt vanuit gegaan dat de grond in een wegberm langs een onverharde weg in het buitengebied voldoet aan de MW van klasse Landbouw/Natuur. Voor sommige bk-zones gelden gebiedsspecifieke toepassingseisen voor hergebruik van grond binnen dezelfde zone (zie par. 5.3)
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
39
Toepassingsbereik Het toepassingsbereik verschilt per categorie berm. Hieronder is daarom het toepassingsbereik voor elke categorie berm apart aangegeven. Voor de aangegeven Gebiedsspecifieke beleidsregel voor bermen uit categorie A (provinciale wegen en rijkswegen buiten de bebouwde kom) is het toepassingsbereik: • Voor het uitwisselen van grond tussen bermen van deze categorie zonder onderzoek: o Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die uitgewisseld wordt tussen (spoor)wegbermen die binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied gelegen zijn; • Voor het toepassen van klasse Industrie-grond in deze categorie bermen: o Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU. Omdat bermen van provinciale en rijkswegen op de Bodemfunctiekaart administratief zijn ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie, geldt deze beleidsregel zowel voor grond afkomstig van binnen als van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied.
Voor de aangegeven Gebiedsspecifieke beleidsregel voor bermen uit categorie B (gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom) is het toepassingsbereik: • Voor het uitwisselen van grond tussen bermen van deze categorie zonder onderzoek: o Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die uitgewisseld wordt tussen (spoor)wegbermen die binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied gelegen zijn. • Voor het toepassen van klasse Wonen-grond in deze categorie bermen: o Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die afkomstig is uit het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied; o Voor grond afkomstig van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied, gelden de Generieke toepassingseisen. Die zijn afhankelijk van de uitkomst van de toets aan functie en heersende bodemkwaliteit (dubbele toets). De strengste van deze twee toetsingen bepaald de geldende toepassingseis.
Voor de aangegeven Gebiedsspecifieke beleidsregel voor bermen uit categorie C (gemeentelijke wegen buiten de bebouwde kom) is het toepassingsbereik: • Voor het uitwisselen van grond tussen bermen van deze categorie zonder onderzoek: o Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die uitgewisseld wordt tussen (spoor)wegbermen die binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied gelegen zijn.
5.2.6. Uitwisselen van grond tussen boomgaardpercelen In het werkgebied van de ODRU zijn veel (voormalige) boomgaardpercelen gelegen (zie bijlage 7 van deze Nota). Alle (voormalige) boomgaardpercelen zijn ingetekend op basis van oude topografische kaarten uit de periode 1940 – 1980). Deze kaartlaag is ook digitaal voor iedereen toegankelijk via het GeoPortaal van de ODRU (www.odru.nl). Op (voormalige) boomgaardpercelen zijn veelvuldig bestrijdingsmiddelen gebruikt. Uit onderzoek is gebleken dat vooral de stoffen DDT/DDD/DDE, Drins en HCH verhoogd kunnen voorkomen op deze percelen. De concentraties van bestrijdingsmiddelen kan worden vastgesteld door de bodem te onderzoeken op de zogeheten organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB’s).
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
42
In het begin van de jaren ’40 van de vorige eeuw werd het zeer persistente DDT ontwikkeld. DDT is, net als de andere OCB’s, zeer moeilijk afbreekbaar waardoor de concentraties van deze stof hoger worden naarmate er meer op de bodem terecht komt. Tot begin van de jaren ’70 werd DDT nog op grote schaal toegepast in de land- en tuinbouw. In Nederland is het gebruik van DDT sinds 1973 verboden. Ook het gebruik van de meeste andere OCB’s is inmiddels verboden. De OCB’s hopen zich op in de toplaag van de bodem, daarom wordt standaard, in eerste instantie, alleen de toplaag van de bodem op OCB’s onderzocht (tot een diepte van maximaal 0,3 meter beneden het maaiveld). De mate van verontreiniging van de toplaag met OCB’s kan variëren van licht tot sterk verontreinigd. Generieke kader Omdat bestrijdingsmiddelen zich vaak in de toplaag van (voormalige) boomgaardpercelen ophopen, wordt deze laag (0 – 0,3 m -mv) aangemerkt als bodemverdacht. Deze laag zal dan ook altijd eerst onderzocht moeten worden op bestrijdingsmiddelen (OCB’s) om de mate van verontreiniging vast te stellen. Vaak blijkt dat de bovengrond op (voormalige) boomgaardpercelen, vanwege de gemeten concentraties aan bestrijdingsmiddelen, gekwalificeerd moet worden als klasse Industrie-grond of Niet toepasbare grond.
Dat betekent dat vrijkomende grond in het Generieke kader bijna nooit hergebruikt kan worden en dan afgevoerd moet worden naar een erkend verwerker. De kwalificatie klasse Industrie-grond of Niet Toepasbare grond is voor bestrijdingsmiddelen in grond hoofdzakelijk gebaseerd op het toetsingsresultaat van ecologische risico’s. Bestrijdingsmiddelen in de grond vormen alleen bij hele hoge gehalten een risico voor de mens. De grenswaarden waarbij er sprake is van humane risico’s liggen vele malen hoger dan de grenswaarden waarbij sprake is van ecologische risico’s. Ook de verspreidingsrisico’s voor bestrijdingsmiddelen in de grond zijn laag, omdat de bestrijdingsmiddelen zich goed aan de grond binden. Deze constateringen bieden mogelijkheden voor een gemeente om middels Gebiedsspeciek beleid uitwisseling van OCB-verdachte grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen toe te staan door gebruik te maken van het stand-still principe. Dat houdt in dat de bodemkwaliteit op het niveau van het bodembeheergebied niet verslechtert.
Gebiedsspecifiek beleid Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor dit thema in dat het uitwisselen van OCB-verdachte grond van een (voormalig) boomgaardperceel naar een huidig boomgaardperceel in het buitengebied, is toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan is: • De toplaag (tot maximaal 0,3 m -mv) op het perceel waar de grond vandaan komt (herkomstperceel), is conform de NEN 5740 (onderzoeksstrategie VED-HE) onderzocht op OCB’s en de gemeten gehalten zijn liggen voor de individuele OCB’s: DDT, DDD, DDE, chloordaan, som-drins, beta-HCH, gamma-HCH, heptachloor en heptaepoxide 19 , onder de interventiewaarde; • Voor de overige onderzochte OCB’s geldt dat ze moeten voldoen aan de MW die hoort bij de betreffende bodemfunctieklasse; • De ontgravingslocatie mag niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. Er vindt regelmatig grondverzet plaats tussen bestaande boomgaardpercelen in de regio. Door het opstellen van Gebiedsspecifieke beleidsregels kan de gemeente uitwisseling van OCB-verdachte grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen in het buitengebied op een milieuverantwoorde mogelijk maken zonder dat daarmee de heersende bodemkwaliteit verslechterd en/of humane risico’s optreden. 19
Alleen voor deze OCB’s is onderbouwd dat gekozen LMW ruim onder de humaan toxicologische waarde ligt en daarmee nog steeds een matig ecologisch beschermingsniveau wordt bereikt.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
42
Toepassingsbereik De aangegeven Gebiedsspecifieke beleidsregel voor het uitwisselen van grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen geldt voor: • Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die uitgewisseld wordt tussen (voormalige) boomgaardpercelen die in het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied gelegen zijn; • Voor grond afkomstig van buiten dit bodembeheergebied, gelden de Generieke toepassingseisen. Die zijn afhankelijk van de uitkomst van de toets aan functie en heersende bodemkwaliteit (dubbele toets). De strengste van deze twee toetsingen bepaald de geldende toepassingseis.
Tip: Gemeenten kunnen bij vaststelling van een Gebiedsspecifieke beleidsregel besluiten dat deze beleidsregel, onder dezelfde voorwaarden, ook geldt voor grond afkomstig van een gemeente die gelegen is buiten het bodembeheergebied ODRU. Daarvoor is het nodig dat het bodembeheergebied uitgebreid wordt met het grondgebied van deze gemeente 20
5.2.7. Tijdelijke opslag van grond Generieke kader Grond kan vaak niet direct worden toegepast op de definitieve eindbestemming en wordt dan tijdelijk opgeslagen. Het Besluit bodemkwaliteit stelt ook regels aan tijdelijke opslag van grond en baggerspecie. Het Besluit onderscheidt een aantal vormen van tijdelijke opslag. Dit is tabel 10 weergegeven. Tabel 10: Vormen van tijdelijke opslag van grond en bagger op de landbodem (in het Generieke kader) Vorm opslag
Max. toegestane Kwaliteitseisen duur opslag
Meldingsplicht
Kortdurende opslag
6 maanden
Geen (wel zorgplicht bodem)
Ja
Opslag bij Tijdelijke uitname
Looptijd van het werk
Geen (wel zorgplicht bodem)
Nee
Tijdelijke opslag grond
3 jaar
Generieke kwaliteitseisen voor de ontvangende bodem
Ja**)
Tijdelijke opslag bagger in een weilanddepot *)
3 jaar
Generieke verspreidingsnormen voor bagger
Ja **)
*) een weilanddepot is een depot voor de tijdelijke opslag van bagger op een perceel dat direct grenst aan (één van) de gebaggerde watergang(en) en daar ook verspreid wordt.
**) met vermelding van voorziene duur van de opslag en de eindbestemming.
20
Besluiten over uitbreiding van het bodembeheergebied, worden door de raad aan het college van burgemeester en wethouders gedelegeerd (zie par. 11.2.4)
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
42
Aan een aantal vormen van tijdelijke opslag zijn ook voorwaarden verbonden (kwaliteitseisen). Deze voorwaarden passen prima binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende Generieke toepassingskader. Echter, bij grondverzet volgens het Gebiedsspecifieke beleid dat in dit hoofdstuk beschreven is, kunnen de kwaliteitseisen uit het Generieke kader tot problemen leiden. Dan kan zich namelijk de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie wel partijen grond mogen worden toegepast, maar dat deze zelfde partijen daar niet tijdelijk mogen worden opgeslagen, voorafgaande aan de toepassing. Om deze discrepantie weg te nemen, kan een gemeente ervoor kiezen om de Gebiedsspecifieke beleidsregels die gelden voor het toepassen van grond, ook van toepassing te verklaren op een tijdelijke opslag, voorafgaand aan de definitieve toepassing. Let op: Voor de tijdelijke opslag van baggerspecie in een weilanddepot, gelden de Generieke verspreidingsnormen. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de huidige landelijke geldende verspreidingsnormen voor baggerspecie op de landbodem worden aangepast. In het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) zal het verspreiding van baggerspecie over het aangrenzende perceel of op landbouwgronden die tot maximaal 10 km afstand liggen van waar de baggerspecie is vrijgekomen, worden aangewezen als een functionele toepassing.
Ook het tijdelijk opslaan van baggerspecie in een weilanddepot valt onder het begrip “verspreiden van baggerspecie”. De nieuwe kwaliteitseisen voor het verspreiden van bagger staan in tabel 3B van Bijlage B van de nieuwe aangepaste Regeling bodemkwaliteit 2021.
Gebiedsspecifiek beleid Het Gebiedsspecifieke beleid voor dit thema houdt in dat de kwaliteitseis die in het Generieke kader verbonden is aan de tijdelijke opslag van grond (zie tabel 10), vervangen wordt door de Gebiedsspecifieke eisen die voor de toepassing van grond gelden, voorafgaand aan die bepaalde toepassing. In tabel 11 is dit visueel gemaakt (alleen de afwijkingen t.o.v. het Generieke kader zijn aangegeven). Onder grond wordt ook gerijpte baggerspecie verstaan. Tabel 11: Gebiedsspecifieke kader voor de tijdelijke opslag van grond op de landbodem Vorm opslag
Max. toegestane duur opslag
Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
Tijdelijke opslag grond
3 jaar
Eisen zijn gelijk aan de Gebiedsspecifieke eisen die gelden voor de bijbehorende toepassing op de eindbestemming én gelden alleen als de tijdelijke opslag plaatsvindt binnen dezelfde bk-zone als waar de grond definitief wordt toepast.
Ja *)
*) met vermelding van voorziene duur van de opslag en de eindbestemming.
De overige eisen en voorwaarden voor tijdelijke opslag, uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit (maximale duur van de opslag en wel/niet melden), uit tabel 10, blijven onveranderd van kracht. Toepassingsbereik De Gebiedsspecifieke beleidsregels voor de tijdelijke opslag van grond gelden voor: •
Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die afkomstig is van binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied;
•
Voor grond afkomstig van buiten dit bodembeheergebied, gelden de Generieke kwaliteitseisen die aangegeven zijn in tabel 10.
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
43
5.3. Zone-gerelateerde beleidsregels voor standaardstoffen In deze paragraaf worden de keuzes van het Gebiedsspecifieke beleid die gelden voor bepaalde bk-zones of gebieden toegelicht. Onderstaand is aangegeven voor welke bkzones of gebieden de Gebiedsspecifieke beleidsregels gelden én wat er hierdoor mogelijk gemaakt wordt: •
•
•
Bebouwde gebieden (zie par. 5.3.2); o
Om toepassing van klasse Wonen-grond mogelijk te maken in relatief onbelaste woongebieden (ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur);
o
Om de resultaten van een partijkeuringsrapport te kunnen toetsen aan de “gebiedskwaliteit” van de bk-zone;
Buitengebieden (zie par. 5.3.3); o
Om hergebruik van gebiedseigen grond binnen een bk-zone of beleidszone mogelijk te maken zonder onderzoek;
o
Om bij hergebruik van grond binnen dezelfde bk-zone, niet te snel partijkeuringen af te hoeven keuren als aangetoond kan worden dat het gaat om grond die aan de “gebiedskwaliteit” van de betreffende zone voldoet én geen risico’s geeft bij toepassing op de beoogde toepassingslocatie;
Aangepaste toetsingsregel voor minerale olie in de “zandgemeenten”(zie par. 5.3.4). o
Om grond die in deze gebieden vrijkomt binnen deze gebieden of elders binnen het bodembeheergebied ODRU te kunnen hergebruiken, mits aan de gestelde voorwaarden voldaan wordt. Het gaat om grond die binnen de “zandgemeenten” Zeist, Utrechtse Heuvelrug, Renswoude, Veenendaal of Rhenen vrijkomt.
5.3.1. Beleidszones In het werkgebied van de ODRU worden voor de “standaardstoffen” in totaal 34 bodemkwaliteitszones (bk-zones) onderscheiden op basis van bebouwingsgeschiedenis, bodemkwaliteit en gebiedskenmerken (zie par. 4.2.1). Om de werkbaarheid van de bodemkwaliteitskaart voor het uitvoeren van grondverzet te vergroten, zijn deze bk-zones samengevoegd tot 10 beleidszones. De volgende beleidszones worden onderscheiden. Tabel 12: Overzicht onderscheiden beleidszones beleidszone
kwaliteitsklasse bovengrond – 0,5 m -mv)
Bebouwing 1/1 *)
Klasse Landbouw/Natuur
Klasse Landbouw/Natuur
Bebouwing 2/1
Klasse Wonen
Klasse Landbouw/Natuur
Bebouwing 2/2
Klasse Wonen
Klasse Wonen
Bebouwing 3/1
Klasse Industrie
Klasse Landbouw/Natuur
Bebouwing 3/2
Klasse Industrie
Klasse Wonen
Bebouwing 3/3
Klasse Industrie
Klasse Industrie
Buitengebied 1/1
Klasse Landbouw/Natuur
Klasse Landbouw/Natuur
Buitengebied 2/1
Klasse Wonen
Klasse Landbouw/Natuur
Buitengebied 3/1
Klasse Industrie
Klasse Landbouw/Natuur
Buitengebied 3/2
Klasse Industrie
Klasse Wonen
*)
(0
kwaliteitsklasse ondergrond (0,5 – 2 m -mv)
./. Het cijfer geeft de bodemkwaliteitsklasse aan voor resp. de boven- en de ondergrond. 1 is kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur, 2 is kwaliteitsklasse Wonen, 3 is kwaliteitsklasse Industrie
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
44
Sommige zone-gerelateerde Gebiedsspecifieke beleidsregels gelden alleen voor een bepaalde bk-zone en sommige beleidsregels gelden voor de hele beleidszone. Dit wordt per beleidszone aangegeven. Er wordt onderscheid gemaakt in beleidsregels voor: ▪ Bebouwde gebieden (par. 5.3.2); ▪ Buitengebieden (par. 5.3.3). 5.3.2. Bebouwde gebieden De bebouwde gebieden zijn op de Bodemfunctiekaart ingedeeld in de bodemfunctieklasse Wonen 21 maar dat wil niet zeggen dat de heersende bodemkwaliteit in deze gebieden hier altijd mee in overeenstemming is. Soms is de heersende bodemkwaliteit in een woongebied beter dan de kwaliteit die voor een woonfunctie gewenst is en soms is de heersende bodemkwaliteit in een woongebied slechter dan voor een woonfunctie gewenst is. In bebouwde gebieden worden de volgende beleidszones onderscheiden: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Bebouwing 1/1 Bebouwing 2/1 Bebouwing 2/2 Bebouwing 3/1 (komt alleen voor in bebouwd gebied in De Bilt aan de rand van het Noorderpark en in sommige bebouwde gebieden van voor 1960 op zandgrond) Bebouwing 3/2 (komt voor in de gebieden die voornamelijk voor 1940 bebouwd zijn en in bebouwde gebied in het noordelijk deel van het Toemaakdekgebied De Venen) Bebouwing 3/3 (komt voor in de oude binnensteden van o.a. Wijk bij Duurstede en Oudewater. Het gaat vaak om bebouwing van voor 1900).
De ligging van de onderscheiden bodembeleidszones is weergegeven op de kaart van bijlage 5A van deze Nota (Beleidszones bodemkwaliteitskaart werkgebied ODRU, 15 gemeenten). Toetsing vrijkomende grond aan het “saneringscriterium” In sommige bk-zones is een partijkeuring verplicht is om de kwaliteit van de grond op een ontgravingslocatie aan te kunnen tonen. In de Regeling bodemkwaliteit is opgenomen dat de 95-percentielwaarde van een bk-zone getoetst moet worden aan de interventiewaarde, om te kunnen bepalen of de Ontgravingskaart als bewijsmiddel gebruikt mag worden om de ontgravingskwaliteit aan te tonen van de betreffende bk-zone. Als de P95 van een zone de interventiewaarde overschrijdt is er altijd een partijkeuring nodig om de ontgravingskwaliteit aan te tonen. Toelichting 95-percentielwaarde: P95: 95 % van alle gebruikte meetwaarden zijn lager dan deze meetwaarde. Er is dus een kans van 5 % dat bij een partijkeuring voor de betreffende stof een waarde wordt gemeten die hoger is dan de aangegeven waarde. Theoretisch zou dus 1 op de 20 partijkeuringen afgekeurd worden als de P95 gebruikt wordt bij de toetsing of de grond hergebruikt mag worden.
In de volgende bk-zones overschrijdt de P95 voor één of meerdere stoffen de interventiewaarde en is dus altijd een partijkeuring nodig als er grond ontgraven wordt: Bebouwing 2/2 (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-7) vanwege het gehalte
21
aan Barium, zowel in de boven- als de ondergrondzone. De sterk verhoogde gehalten Barium in deze bk-zone zijn alleen aanwezig in het deel van de zone dat in de gemeente Woerden ligt (Zegveld, Kamerik); Bebouwing 3/2 NWU (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-10) vanwege het gehalte aan Lood in de bovengrondzone; Bebouwing 3/2 Noorderpark (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-12) vanwege het gehalte aan Koper in de bovengrondzone; Bebouwing 3/2 Toemaakdek de Venen I Overig (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten,