CConstaterende datWijk bij Duurstede
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota bodembeheer werkgebied ODRU 23-05-2022

Raadsvergadering 15 november 2022, gemeente Wijk bij DuurstedeBij agendapunt: Nota Bodembeheer werkgebied ODRU37.671 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

PFAS (toepassingseisen) De geldende kwaliteitseisen voor het toepassen van grond, zijn voor PFAS af te lezen van de Toepassingskaart-PFAS boven- en ondergrond. Deze zijn opgenomen in bijlage 6C en 6D van deze Nota. Let op: Naast de op de Toepassingskaarten aangegeven kwaliteitseisen, dient toe te passen grond ook altijd te voldoen aan de overige in deze Nota beschreven Gebiedsspecifieke toepassingseisen die hierop eventueel van toepassing zijn (zie par. 5.2 en 5.3.). In par. 5.2 is aangegeven welke Gebiedsspecifieke beleidsregels er gelden voor het toepassen van grond voor standaardstoffen. Voor PFAS kan de grondstromenmatrix uit par. 6.2.5 gebruikt worden om na te gaan of er een partijkeuring op PFAS vereist is. In de par. 6.2.1 t/m 6.2.4 zijn de toepassingswaarden voor PFAS opgenomen waaraan partijkeuringsresultaten kunnen worden getoetst. Er kunnen meerdere Gebiedsspecifieke beleidsregels voor een toepassing of locatie tegelijk gelden. De toepassing is alleen toegestaan als aan alle eisen voldaan wordt. Bij conflicterende regels geldt de strengste eis.

Stap 4: Is er sprake van bijzondere omstandigheden? Naast Gebiedsspecifieke eisen kunnen er ook bijzondere omstandigheden zijn die vragen om een andere aanpak of die vanuit een ander (wettelijk) kader beschermt zijn. Na het beoordelen van de toepassingseisen in stap 3, zal daarom door de initiatiefnemer of uitvoerder ook nagegaan moeten worden of er sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals beschreven in hoofdstuk 8 van deze Nota.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

68

Stap 5: Moet er een melding gedaan worden? Melding toepassing en tijdelijke opslag van grond en bagger Melden van de toepassingen en tijdelijke opslagen van grond en bagger is geregeld in het Besluit bodemkwaliteit (art. 42, lid 1). Voorafgaand aan de toepassing is een melding bij het Landelijk Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit) noodzakelijk. Dit moet minimaal 5 werkdagen voordat de daadwerkelijke toepassing plaatsvindt. Het is de bedoeling dat de toepasser eerst zelf nagaat of de beoogde toepassing toegestaan is volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit en bovendien niet in strijd is met de Gebiedsspecifieke beleidsregels uit deze Nota. Wanneer de toepasser tot de conclusie komt dat de toepassing in strijd is met het Besluit of met deze Nota dan mag de grond niet op de voorgenomen wijze toegepast worden. Het indienen van een melding is dan niet zinvol. De volgende 3 typen meldingen zijn van belang in het kader van het grondverzet: • Werk schone grond • Toepassing partij •

Tijdelijke opslag

Soms wordt, vaak om begrijpelijke redenen, het verkeerde meldingtype gebruikt of zijn niet alle vereiste documenten bijgevoegd. Om vertraging of het buiten behandeling laten van een melding te voorkomen, is het van belang om een juiste en volledige melding in te dienen. De typen meldingen worden hierna verder toegelicht. Melding Werk schone grond: Dit type melding is uitsluitend bedoeld voor het toepassen van klasse L/N-grond. Bij dit type melding zal (ook) een milieuhygiënische verklaring gevoegd moeten worden op basis waarvan de instantie die de meldingen behandeld (ODRU), kan vaststellen of het inderdaad om klasse L/N-grond gaat. Soms zijn meerdere bewijsmiddelen nodig om dit aan te kunnen tonen en is een partijkeuring niet voldoende, omdat hierbij vaak alleen de stoffen uit het standaardpakket grond zijn onderzocht. Meer informatie hierover is te vinden in bijlage 2, onder de definitie van schone grond. Melding Toepassing partij: Dit type melding is bedoeld voor het toepassen van klasse Wonen-grond of klasse Industriegrond. Melding Tijdelijke opslag: Dit type melding dient gebruikt te worden als men grond tijdelijk (maximaal 3 jaar) opslaat, voorafgaande aan een definitieve toepassing. Deze toepassing moet nuttig en functioneel zijn. Om dit voorafgaand aan de tijdelijke opslag te kunnen toetsen, dient bij de melding tevens de eindbestemming te worden aangegeven.

In paragraaf 5.4.10 is aangegeven welke vormen van tijdelijke opslag in het Besluit bodemkwaliteit onderscheiden worden en welke eisen hier aan gesteld worden. Voor een tijdelijke opslag gelden dezelfde Gebiedsspecifieke beleidsregels als die eventueel gelden voor een voorgenomen toepassing op de eindbestemming. Bij een melding van een tijdelijke opslag moet de verwachte duur van de opslag en de eindbestemming worden aangegeven (zie par. 5.4.10).

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

69

Bij de melding te verstrekken informatie Bij een melding Besluit bodemkwaliteit, dient, ongeacht het type melding, de volgende informatie door de melder verstrekt te worden: • Het resultaat van de uitgevoerde puntbronnencheck; • Een erkend bewijsmiddel waaruit de kwaliteit van de grond blijkt, bijv. een door de gemeente vastgestelde Ontgravingskaart, een door de gemeente geaccepteerde BKK van een andere gemeente, of een partijkeuring. Op basis daarvan kan de ODRU vaststellen of de toepassing of tijdelijke opslag toegestaan is. Bij het toepassen van grond dient bovendien aangegeven te worden: • Welke Ontgravingskaart is gebruikt (onder- of bovengrond) én Ontgravingskaart-S en/of Ontgravingskaart-PFAS; • Uit welke zone de grond vrijgekomen is (zie Zoneringskaart-S in bijlage 5A en Ontgravingskaart-PFAS van deze Nota); • Aanduiding van de aard van de voorgenomen toepassing: op of in de bodem, laagdikte en diepte; • De bodemfunctie waar de grond wordt toegepast.

De volgende bodemfuncties zijn daarbij onderscheiden (meerdere bodemfuncties kunnen tegelijk van toepassing zijn): o Plaatsen waar kinderen spelen; o Moes- of volkstuin o Grondwaterbeschermingsgebied o Waterwingebied o Ecologisch beschermingsgebied o (Sier)tuin bij woning Uitzonderingen op de meldplicht voor het toepassen van grond De meldingsplicht uit het Besluit bodemkwaliteit geldt voor alle toepassingen van grond en baggerspecie, met uitzondering van: • Het direct verspreiden van ongerijpte bagger op aangrenzende percelen. Wel dient voldaan te worden aan de zorgplicht bodem (zie par. 7.4.1); • Toepassing van grond of baggerspecie door particulieren (dit betreft vaak kleine hoeveelheden); • Het toepassen van grond of baggerspecie binnen gronden die horen bij een landbouwbedrijf, als het perceel waarop de grond of baggerspecie wordt toegepast een zelfde of vergelijkbare teelt heeft dan het perceel waar de grond of baggerspecie vrijkomt; • Het toepassen van klasse L/N-grond in een volume kleiner dan 50 m 3. Op verzoek (bijvoorbeeld bij een veldwerkcontrole) moet de toepasser wel aan kunnen tonen dat de grond inderdaad in de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur valt. Verantwoordelijkheid bij de toepassing De toepasser blijft te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de toepassing, ook al komt er vanuit het bevoegd gezag geen reactie op een ingediende melding.

Bovendien wordt de toepasser verantwoordelijk gehouden voor het indienen van de melding, ook al wordt deze ingediend door een andere partij of rechtspersoon. In het Besluit bodemkwaliteit is namelijk niet expliciet aangegeven wie de melding moet verrichten. De opdrachtgever voor de werkzaamheden en de uitvoerder van de werkzaamheden zijn beiden verantwoordelijk voor het doorlopen van de bovengenoemde stappen. De ODRU behandeld namens de gemeente de ingediende Bbk-meldingen.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

70

7.4. Aandachtspunten 7.4.1. Zorgplicht bodem Onder alle omstandigheden moet bij het ontgraven, tijdelijk opslaan of toepassen van grond en baggerspecie de wettelijk zorgplicht bodem in acht worden genomen. De zorgplicht bodem houdt het volgende in: een ieder die weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat de voorgenomen handelingen kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de bodemkwaliteit, dient alle maatregelen te nemen om deze nadelige beïnvloeding te voorkomen. Degene die de handelingen uitvoert is hier primair voor verantwoordelijk, maar de opdrachtgever van de werkzaamheden is ook medeverantwoordelijkheid. 7.4.2. Samenvoegen van grond Het samenvoegen of opbulken van grond tot een volume van meer dan 25 m3 is niet toegestaan zonder erkenning. Het samenvoegen of opbulken van grond tot en met een volume van 25 m 3 is alleen toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: ▪

De grond is afkomstig van één en dezelfde locatie en is aaneengesloten ontgraven;

▪

De grond is niet sterk verontreinigd;

▪

De grond is niet asbestverdacht;

▪

De grond van de afzonderlijke partijen komt qua samenstelling (o.a. de hoeveelheid bodemvreemd materiaal) overeen.

7.4.3. Overige aandachtspunten Naast het Besluit bodemkwaliteit kunnen er nog verschillende andere wetten en regelgeving van toepassing zijn op het graven in de bodem en het toepassen van grond of bagger in een bepaald gebied. Hieronder wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven van thema’s die eventueel ook aan de orde kunnen zijn. Informatie hierover is te vinden op de website van de provincie Utrecht, de RUD Utrecht, de ODRU (Geoloket) of van de gemeente zelf. Het gaat om o.a. informatie over: • Wet bodembescherming • Archeologie • Niet gesprongen explosieven • Aardkundige Waarden • Flora & Fauna • Natuurbeschermingswet • Ontwerp Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022 • Bepalingen uit bestemmingsplannen • Omgevingswet • Regels m.b.t. het toepassen van grond die (zaden van) invasieve exoten bevatten, bijv. van de Japanse Duizendknoop.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

71

8. 8.1

Bijzondere omstandigheden Gebieden/situaties die zijn uitgezonderd van de BKK -S

In een aantal gebieden kan de bodemkwaliteitskaart niet (zonder meer) gebruikt worden als bewijsmiddel voor het toepassen van grond/bagger. Het gaat om de volgende gebieden/situaties: ▪ Oppervlaktewateren (hieronder worden in deze Nota naast meren en hoofdwatergangen ook verstaan: kleinere sloten, vennen en greppels). Voor het toepassen van grond of bagger in oppervlaktewater is de gemeente geen bevoegd gezag; ▪ Verdachte bermen van (spoor)wegen. Het opgestelde Gebiedsspecifiek beleid voor het uitwisselen van bermgrond zonder onderzoek (zie par. 5.2.5), geldt alleen voor onverdachte wegbermen; ▪ Gesaneerde locaties. Hier geeft de Ontgravingskaart geen representatief beeld van de werkelijke bodemkwaliteit op de ontgravingslocatie; ▪ Locaties waar gereinigde grond is toegepast. Gereinigde grond valt in een speciale categorie en heeft vaak andere eigenschappen (voor wat betreft uitloging van stoffen e.d.) dan normale gebiedseigen grond; ▪ Locaties die op basis van de puntbronnencheck (zie paragraaf 9.2) worden aangemerkt als verdacht ten aanzien van bodemverontreiniging. Hier dient eerst aanvullend een bodemonderzoek te worden uitgevoerd op de verdachte stoffen op de verdachte plaatsen en diepten. Voor PFAS-verdachte locaties wordt verwezen naar de opsomming in Stap 1 in het Stappenschema voor het grondverzet (par. 7.3).

Wanneer er bagger op de landbodem toegepast of verspreid wordt, kan de bodemkwaliteitskaart niet gebruikt worden, maar zal er een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 uitgevoerd moeten zijn om de kwaliteit van de bagger aan te kunnen tonen. Tenzij voldoende onderbouwd kan worden dat de betreffende watergang onverdacht is. Gebieden die als “bodemverdacht” worden aangemerkt De volgende gebieden worden op voorhand al als verdacht aangemerkt. Als hier grond ontgraven wordt moet er altijd eerst een bodemonderzoek uitgevoerd worden: ▪ Erven van agrarische bedrijven (de grond bevat vaak meer dan 20% bodemvreemd materiaal); ▪ Tracés van gedempte sloten (zolang aard en herkomst dempingsmateriaal onbekend zijn, worden slootdempingen als bodemverdacht aangemerkt); ▪ Puindammen en puinpaden (vaak asbestverdacht, dat moet eerst uitgesloten kunnen worden); ▪ Stedelijke ophooglagen (zijn vaak matig/sterk verontreinigd met zware metalen, PAK of minerale olie); ▪ Oude bedrijfs- en industrieterreinen (hier zijn vaak veel puntbronnen aanwezig); ▪ PFAS-verdachte locaties (zie bij Stap 1 in het Stappenschema voor het grondverzet (par. 7.3). Uitgezonderde situaties Ook voor de volgende situaties is de Ontgravingskaart niet als kwaliteitsbewijsmiddel te gebruiken: ▪ Sterk verontreinigde grond. D.w.z.

grond die voor één of meer stoffen gehalten bevat die de interventiewaarde overschrijden; ▪ Direct nat verspreiden van ongerijpte baggerspecie op aangrenzende percelen; Nota bodembeheer werkgebied ODRU

72

▪ ▪

Grond met meer dan 20 % aan bijmenging met bodemvreemde materialen; Grond die asbest-verdacht is en grond die meer dan 100 mg/kg asbest bevat.

8.1.1. Gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging wanneer het gemeten gehalte van één of meerdere stoffen in de bodemvolume van meer dan 25 m3 de interventiewaarde overschrijdt. Wanneer er sprake is van een geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging is het Besluit bodemkwaliteit niet van toepassing op deze locatie/situatie en dus geldt ook het Gebiedsspecifieke beleid niet in deze gevallen. Er dient dan altijd eerst contact op te worden genomen met het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb). Tot de inwerking treding van de Omgevingswet is dat de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD), namens de provincie Utrecht. Er is in deze Nota geen kaart opgenomen met locaties waar sprake is van een geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging, omdat het gaat om informatie die regelmatig wijzigt. Het is daarom nodig om voorafgaand aan grondverzet en andere activiteiten, altijd de beschikbare bodeminformatiebronnen te raadplegen. Of er op de betreffende locatie sprake is van een reeds bekend geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging kan nagegaan worden via het Landelijk bodemloket (www.bodemloket.nl) en op het Geoportaal van de Omgevingsdienst regio Utrecht (www.odru.nl).

Voor het uitvoeren van vooronderzoek om een geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreinigingen uit te kunnen sluiten, wordt verwezen naar paragraaf 9.2.2.

8.1.2. Grootschalige bodemtoepassingen (GBT) Een grootschalige bodemtoepassing (GBT) is een toepassing waarin een grote hoeveelheid grond of baggerspecie aaneengesloten wordt toegepast. Een GBT moet (zoals beschreven is in de artikelen 62 t/m 64 van het Besluit bodemkwaliteit) aan een aantal eisen voldoen. In bijlage 11 van deze Nota wordt hierop een toelichting gegeven. Leeflaag van een GBT Een grootschalige toepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van grond of baggerspecie van tenminste 0,5 meter. Deze leeflaag moet geschikt zijn voor de gebruiksfunctie en passen bij de daadwerkelijke kwaliteit van de omliggende bodem. In het geval de grootschalige toepassing is gelegen in gebied waarvoor Gebiedsspecifieke toepassingseisen zijn vastgesteld (LMW), en voor de leeflaag gebiedseigen materiaal gebruikt wordt, dan gelden deze LMW ook als toepassingseis voor de leeflaag van de GBT. Let op: Niet alle Gebiedsspecifieke kwaliteitseisen zijn af te lezen van de Toepassingskaarten. Daarom moet ook altijd par. 5.2, 53 en 6.2 geraadpleegd worden.

8.1.3. Verspreiden van bagger (op aangrenzend perceel) Ook voor het verspreiden van bagger op aangrenzende percelen is in het Besluit bodemkwaliteit een separaat kader opgenomen. Het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen is vastgelegd in artikel 35, lid f van het Besluit bodemkwaliteit: 'verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen”. Alleen als het oogmerk is: het verbeteren of herstellen van het perceel, wordt deze activiteit als een nuttige toepassing in de zin van art 35 aangemerkt en valt deze activiteit onder de regels die in deze Nota beschreven zijn. Opgemerkt wordt dat het beschreven toetsingskader Nota bodembeheer werkgebied ODRU

73

niet geldt voor het verspreiden van baggerspecie afkomstig vanuit de omgeving van riooloverstorten (tot 250 meter aan weerszijden van de riooloverstort) of andere verdachte locaties. Deze baggerspecie wordt als puntbron aangemerkt en dit valt buiten de reikwijdte van het Besluit bodemkwaliteit. In bijlage 12 van deze Nota is beschreven hoe bepaald wordt of de bagger milieuhygiënisch verspreidbaar is op aangrenzende percelen (d.m.v. de zogeheten msPAF-methode). Let op: Als de Omgevingswet in werking treedt wordt de spreidingsruimte voor natte baggerspecie verruimd tot maximaal 10 kilometer vanaf de watergang waaruit de bagger afkomstig is. Tegelijkertijd wordt de kwaliteitseis voor het verspreiden van bagger op aangrenzende percelen aangescherpt.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

74

DEEL 2 Dit deel gaat over Graven en Saneren De beleidsregels uit dit deel komen niet rechtstreeks in het Tijdelijke deel van het Omgevingsplan terecht, maar moeten worden uitgewerkt in het Omgevingsplan. Het in dit deel beschreven beleid is alleen van toepassing op situaties waarin sprake is van: - projectmatige ontgravingen van niet-ernstig verontreinigde grond zonder saneringsdoel; - saneringen van niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

75

9.

Beleid voor graven en saneren

9.1. Verschil tussen graven en saneren De activiteit graven is niet gericht op het verbeteren van de bodemkwaliteit, maar op het uitvoeren van een bepaald werk. Een bodemsanering is bedoeld om verontreinigingen die een belemmering vormen voor het beoogde bodemgebruik te verwijderen of zodanig maatregelen te nemen dat contact met en/of verspreiding van de verontreiniging tegengegaan wordt. In de Omgevingswet, die binnenkort van kracht wordt, wordt er duidelijk onderscheid gemaakt in de activiteiten graven en saneren. Zie ook hoofdstuk 10 (Doorkijk naar de Omgevingswet). In de praktijk is het verschil tussen graven en saneren soms minder duidelijk. Immers niet alle grond die vrijkomt kan altijd zonder meer hergebruikt worden. Soms moet grond worden afgevoerd naar een erkend verwerker, zonder dat er sprake is van een sanering.

9.2. Graven in de bodem 9.2.1. Onderzoek naar de kwaliteit van de grond Hieronder worden enkele wettelijke kaders genoemd die met grondverzet en saneringen te maken hebben: • Wet bodembescherming; vaststelling van de ernst van een geval van bodemverontreiniging en van de mate van spoedeisendheid om te saneren • Besluit uniforme saneringen (BUS): vaststelling van de bodemkwaliteit van grond die wordt ontgraven en teruggeplaatst, of (gedeeltelijk) wordt afgevoerd • Besluit bodemkwaliteit: vaststelling van de bodemkwaliteit waarop (of waarin) grond/baggerspecie wordt toegepast en vaststelling van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond/bagger die wordt toegepast (zie voorgaande hoofdstukken). Voor de meeste activiteiten of handeling in of op de bodem is vooraf inzicht in (de te verwachten) bodemkwaliteit nodig. Bij activiteiten zonder grondverzet (bijv. funderingsherstel), kan de gemeente ontheffing verlenen voor het uitvoeren van een bodemonderzoek, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: • Er wordt “geen grondverzet” verricht: er wordt geen grond verplaatst, behalve door het eventueel in de grond dringen van funderingspalen, én • De bestaande vloer blijft (grotendeels) intact: de vloer wordt alleen verwijderd op plaatsen waar eventueel funderingspalen worden aangebracht.

De ontheffing wordt alleen verleend als de aanvrager van de ontheffing verklaart niet bekend te zijn met de aanwezigheid van ondergrondse tanks of bodemverontreiniging (anders dan de reeds bekende diffuse verontreinigingen die blijken uit de Ontgravingskaarten).

9.2.2. Projectmatige ontgravingen (zonder saneringsdoel) Wanneer in de bodem wordt gegraven, is dit meestal noodzakelijk voor een bepaald project. Dit noemen we in deze Nota een “projectmatige ontgraving”. Bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, het aanleggen van een kelder of parkeergarage, een tunnel, herinrichting van een terrein/gebied, aanleg of onderhoud van kabels, leidingen en rioleringswerkzaamheden.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

76

Er wordt bij projectmatige ontgravingen geen saneringsdoel nagestreefd. Met andere woorden, het doel is het verplaatsen van grond en niet het verbeteren van de bodemkwaliteit. Zolang er niet in sterk verontreinigde grond gegraven wordt is het uitgangspunt bij projectmatige ontgravingen daarom: het zoveel mogelijk herbenutten van de vrijkomende grond, liefst binnen hetzelfde werk. Dat wordt ook wel “werk met werk maken” genoemd. Soms is een uitgebreid verkennend bodemonderzoek nodig, waarbij bovengrond, ondergrond en grondwater onderzocht worden en soms kan volstaan worden met een beperkter onderzoek en ligt een maatwerk-onderzoek meer voor de hand. Voorafgaand aan werkzaamheden in of op de bodem is inzicht in de (te verwachten) bodemkwaliteit nodig. Dit kan op verschillende manieren verkregen worden. Welke inspanningsverplichting hiervoor nodig is, hangt af van verschillende factoren, onder andere het doel van de ontgraving, het gebied waar gegraven wordt en de bodeminformatie die eventueel al van dat gebied bekend is. Dit wordt verder toegelicht in par. 9.2.2.

9.2.3. Historisch vooronderzoek Elk bodemonderzoek en elke partijkeuring begint met een (historisch) vooronderzoek. Dit moet doorgaans zijn gebaseerd op de NEN 5725 (strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek). Dat is bijvoorbeeld voorgeschreven bij bouwactiviteiten. Voor het verrichten van projectmatige ontgravingen, wordt het echter niet in alle gevallen nodig gevonden om een vooronderzoek uit te voeren dat helemaal conform de NEN 5725 is uitgevoerd en kan in sommige gevallen volstaan worden met een beperkt vooronderzoek. De globale bodemkwaliteit van de locatie waar gegraven wordt is immers al bekend en aangeduid op de Ontgravingskaart. Het gaat er daarom alleen om dat bijzondere omstandigheden uitgesloten kunnen worden. Beperkt vooronderzoek (“puntbronnencheck”) Bij kleinschalige projectmatige ontgravingen kan volstaan worden met een beperkt vooronderzoek (de zogeheten puntbronnencheck). Een puntbronnencheck volstaat voor kleinschalige projectmatige ontgravingen die uitgevoerd worden binnen een bodemvolume dat kleiner is dan 25 m3. De meeste graafwerkzaamheden in de grond voldoen aan dit criterium.

Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgesomd van graafwerkzaamheden die doorgaans een beperkte omvang hebben: ▪ Het graven van een inspectieput voor funderingsonderzoek ▪ De aanleg van of het verrichten van herstelwerkzaamheden aan kabels, leidingen en rioleringen ▪ Het plaatsen van een lichtmast, oplaadpaal, gaskast, enz. ▪ Het graven van een boomplantgat. Bij de puntbronnencheck worden in ieder geval de volgende informatiebronnen geraadpleegd: ▪ Landelijk bodemloket (www.bodemloket.nl). Hierop vindt men informatie over geregistreerde gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging (status, uitgevoerde onderzoeken, beschikkingen en gewenste vervolgacties) ▪ Geoportaal van de ODRU (www.odru.nl). Hierop vindt men o.a. informatie van uitgevoerde bodemonderzoeken, ondergrondse tanks, gedempte sloten en (voormalige) boomgaardpercelen, kaartlagen van de bodemkwaliteitskaart (o.a. de Ontgravings- kaarten boven- en ondergrond) en de Loodverwachtingenkaart. Blijkt de locatie niet verdacht, dan mag met de Ontgravingskaart een inschatting worden gemaakt van de lokale bodemkwaliteit. Blijkt de locatie wel verdacht, dan is de kans aanwezig Nota bodembeheer werkgebied ODRU

77

dat er verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn die een belemmering opleveren bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden en zal er eerst een onderzoek naar de kwaliteit van de grond en/of het grondwater moeten worden uitgevoerd, volgens de geldende normen.

9.2.4. BKK als bewijsmiddel voor het toepassen van grond Zowel de herkomstlocatie van de grond als de toepassingslocatie, moet op eventuele brongerelateerde verontreinigingen worden onderzocht. De puntbronnencheck is een verplicht onderdeel van de melding als men grond wil toepassen met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel (zie verder paragraaf 7.3, stap 5). Onverdacht Is de herkomstlocatie ‘niet verdacht’ dan mag worden aangenomen dat de bewuste partij grond inderdaad overeenkomt met de bodemkwaliteit zoals weergegeven op de Ontgravingskaart. De bodemkwaliteitskaart kan dan als bewijsmiddel worden gebruikt en er hoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Het resultaat van de check kan in een briefrapport worden verantwoord. Voor PFAS kan worden uitgegaan van de ontgravingskwaliteit die aangegeven is in tabel 6 in par. 4.3.2. Verdacht Leidt de puntbronnencheck wel tot een verdenking, dan moet eerst een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) en/of een asbestonderzoek (conform de NEN 5707) worden uitgevoerd voor het ontgraven/toepassen van de grond. Dat onderzoek moet gericht zijn op: ▪ De parameters waarop de grond verdacht is; ▪ De plaats en het bodemtraject waar de verontreiniging verwacht wordt. Als er geen bodemonderzoek uitgevoerd is, moet men tijdens graafwerkzaamheden extra alert zijn op bodemvreemd materiaal of onverwachte verontreinigingen.

Mocht men daarop stuiten, dan moet dit worden gemeld bij de ODRU. De ontgraving wordt dan onmiddellijk gestaakt en de verontreinigde laag wordt onderzocht op de te verwachten stoffen. De werkzaamheden mogen in dat geval niet worden voortgezet voordat het onderzoeksresultaat door de ODRU is beoordeeld en gebleken is dat er geen aanvullende bodemmaatregelen getroffen hoeven te worden. Daarnaast moet, indien noodzakelijk, de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie) zo snel mogelijk door de initiatiefnemer op de hoogte worden gesteld en wordt, afhankelijk van de ernst van de situatie, het veiligheidsregime van de werkzaamheden aangepast.

9.2.5. Veiligheid en gezondheid Werkzaamheden waarbij in de grond wordt gegraven moeten veilig worden uitgevoerd. Wanneer gegraven wordt in verontreinigde grond is dat met passende veiligheidsmaatregelen. Soms is een onderzoek wenselijk om eventuele Arbo-risico’s te bepalen. Voor het bepalen van bodemgerelateerde Arbo-risico’s moet vanaf 2019 gebruik worden gemaakt van de CROW-400 Werken in en met verontreinigde bodem, die verontreinigingen toetst aan de zogeheten SRCArbo (Serious Risk Concentration). Daarbij accepteert CROW 400 ook publiekrechtelijke bodemkwaliteitskaarten om de noodzaak van veiligheidsmaatregelen te bepalen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de statistische P80-waarde van de bk-zone waar de ontgraving plaatsvindt. De percentielwaarden (o.a. P80, P90 en P95), van de bk-zones zijn opgenomen in de tabellen van bijlage 3.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

78

9.3.

Gemeentelijk beleid voor het graven in de grond

Voor een aantal werkzaamheden wordt het nodig geacht om gemeentelijk beleid vast te stellen om knelpunten in de uitvoeringspraktijk weg te nemen en om beter grip te krijgen op de grondstromenketen als er in verontreinigde grond gegraven wordt. Het gaat om de volgende thema’s: ▪ Het ontgraven van grond t.b.v. kabels, leidingen en riolering (par. 9.3.1); ▪ Het ontgraven van grond op een diepte van meer dan 2 meter beneden het maaiveld (par. 9.3.2).

9.3.1. Ontgraven van grond t.b.v. kabels, leidingen en riolering Het verrichten van graafwerkzaamheden ten behoeve van kabels, leidingen en rioleringen is een veel voorkomende activiteit in de bodem. Hierbij wordt de vrijkomende grond veelal weer teruggeplaatst. Veel van deze activiteiten vallen onder het begrip tijdelijke uitname. In bijlage 8 van deze Nota is een samenvatting van het Handvat tijdelijke uitname opgenomen. Landelijk geldende regels Volgens de regels uit de regeling bodemkwaliteit, dient bij het ontgraven van grond rekening te worden gehouden met de grondsoort, de chemische kwaliteit van de grond en de hoeveelheid bodemvreemd materiaal in de grond. Het tijdelijk uitnemen en daarna weer terugplaatsen van de grond, zonder het uitvoeren van onderzoek naar de chemische kwaliteit, is alleen mogelijk als: • De grond onder dezelfde condities en op dezelfde plek weer wordt teruggeplaatst, zonder te zijn bewerkt; • Verschillende grondlagen gescheiden ontgraven worden. Vaak is gescheiden ontgraven niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat de grond al geroerd is door eerdere graafwerkzaamheden. Gescheiden ontgraven betekent dat de ontgraven grond tijdelijk gescheiden opgeslagen moet worden. Hier is niet altijd ruimte voor (bijvoorbeeld in stedelijk gebied). Het gescheiden ontgraven brengt meerkosten met zich mee en is niet in alle gevallen doelmatig.

Daarom kiezen alle gemeente in het werkgebied van de ODRU ervoor om voor het ontgraven van grond ten behoeve van kabels, leidingen en riolering een gemeentelijke beleidsregel vast te stellen. Gemeentelijke beleidsregel Door het vaststellen van een gemeentelijke beleidsregel, wordt het mogelijk om grond niet gescheiden te ontgraven en niet gescheiden ontgraven grond, weer terug te plaatsen. Op onverdachte locaties kan de bodemkwaliteitskaart (Ontgravingskaart) gebruikt worden om aan te tonen dat de grond niet ernstig verontreinigd is. Dit is verder uitgewerkt in par. 9.2. Daar wordt beschreven welke eisen worden gesteld aan het (historisch) vooronderzoek bij projectmatige ontgravingen. De Gemeentelijke beleidsregel voor dit onderdeel is: Bij aanleg, herstel of onderhoud van kabels, leidingen en riolering is het, onder voorwaarden, toegestaan de verschillende bodemlagen niet gescheiden van elkaar te ontgraven en de ontgraven grond in geroerde toestand weer terug te plaatsen. Het niet gescheiden ontgraven van grond ten behoeve van de aanleg, herstel of onderhoud van kabels, leidingen en/of riolering, en vergelijkbare projectmatige ontgravingen t.b.v. infrastructuur, wordt alleen toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

79

• •

•

De ontgraving is nuttig en functioneel. Dat wil zeggen er wordt niet dieper gegraven en er komt niet meer grond vrij dan doelmatig is voor het geplande werk; Er moet middels een (historisch) vooronderzoek aangetoond kunnen worden dat de bodem op de locatie waar de graafwerkzaamheden uitgevoerd worden, niet ernstig verontreinigd is. Zie par. 9.2; De hoeveelheid bodemvreemd materiaal voldoet aan de Gebiedsspecifieke toepassingseis die voor de betreffende bodemfunctie geldt. Zie par. 5.2.1.

Als de vrijkomende grond niet wordt teruggeplaatst, maar elders binnen de gemeente wordt hergebruikt, wordt, bij niet gescheiden ontgravingen, als kwaliteitsklasse voor de toepassing van de grond elders, uitgegaan van de kwaliteitsklasse die op de Ontgravingskaart -S 30 bovengrond (zie bijlage 5B) of de Ontgravingskaart -S ondergrond (zie bijlage 5C) aangegeven wordt. De slechtste kwaliteit van de genoemde bodemlagen (boven- en ondergrond) wordt dan aangehouden bij het toetsen of de vrijkomende grond toegepast mag worden. In de meeste gevallen is dat de kwaliteit die de ontgravingskaart van de bovengrond aangeeft. Het staat de initiatiefnemer overigens altijd vrij om alsnog een partijkeuring uit te voeren, bijv. als de acceptant van de grond daarom vraagt.

9.3.2. Ontgraven van grond dieper dan 2 meter De Ontgravingskaart-SS ondergrond geeft de verwachte bodemkwaliteit aan tot een maximale diepte van 2 meter beneden het maaiveld. Voor grond die dieper dan 2 meter beneden het maaiveld vrijkomt, kan de Ontgravingskaart-SS dus niet gebruikt worden als bewijsmiddel om de te verwachten kwaliteit van de grond aan te tonen. Landelijk geldende regels Volgens de regels uit de Regeling bodemkwaliteit betekent dit dat er een partijkeuring of verkennend bodemonderzoek nodig is om de kwaliteit van de grond aan te kunnen tonen. Gemeentelijke beleidsregel Omdat verwacht mag worden dat, in de meeste gevallen, de diepere ondergrond schoner is dan de grond in de ondiepere bodemlagen, kiezen alle gemeente in het werkgebied van de ODRU ervoor om een Gemeentelijke beleidsregel vast te stellen voor het graven in de bodem dieper dan 2 meter. Hierdoor is het in de meeste gevallen niet meer nodig om de grondkwaliteit middels een onderzoek aan te tonen.

De Gemeentelijke beleidsregel voor dit onderdeel is: Voor ontgravingen dieper dan 2 meter wordt als gemiddelde kwaliteit de verwachte kwaliteit van de grond in de bodemlaag 0,5 – 2 m -mv gehanteerd De vrijkomende grond die dieper dan 2 meter beneden het maaiveld ontgraven wordt, kan elders in dezelfde of een andere ODRU-gemeente, zonder onderzoek, toegepast worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: • Er zijn tijdens het graven geen aanwijzingen gevonden dat de vrijkomende grond verontreinigd zou kunnen zijn; • Uit het raadplegen van het GeoPortaal van de ODRU (www.odru.nl) zijn geen gegevens naar voren gekomen op grond waarvan een bodemverontreiniging vermoed kan worden. Zie par. 9.2.2.

30

Dit is de Ontgravingskaart die opgesteld is voor de standaardstoffen. Zie definitie in bijl. 2.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

80

9.4. Saneren Wanneer er in de grond of in het grondwater verontreinigingen aanwezig zijn, kan een terrein of gebied ongeschikt zijn voor een beoogd bodemgebruik. Dat is bijvoorbeeld het geval als er gebouwd wordt op een woningbouwlocatie, waarvan de bodem zodanig verontreinigd is dat er sprake is van humane risico’s. Dan moet de bodem voor het bodemgebruik Wonen geschikt gemaakt worden. Dat wordt “saneren” genoemd. Het doel is dan: het verbeteren van de kwaliteit. Wanneer sprake is van een ernstig verontreinigde bodem dient de saneerder van te voren een saneringsplan of een BUS-melding in te dienen, die door het bevoegd gezag beoordeeld wordt. Op dit moment is de provincie Utrecht nog steeds het bevoegd gezag voor het behandelen van saneringsplannen en BUS-meldingen. Deze taak wordt namens de provincie uitgevoerd door de RUD Utrecht. Bij het inwerkingtreden van de Omgevingswet zullen deze taken overgaan naar de gemeenten/ODRU.

9.4.1. BUS-meldingen Het Besluit uniforme saneringen (BUS) is een landelijke uniforme regeling voor eenvoudige, gelijksoortige saneringen die in korte tijd kunnen worden afgerond. Voor eenvoudige werkzaamheden/saneringshandelingen in verontreinigde bodem kan worden volstaan met een melding op grond van deze regeling. Bijvoorbeeld voor het ontgraven van grond ten behoeve van de aanleg van een kelder. Dan zijn de algemene regels van het BUS van toepassing. Na afloop van de bodemsanering moet een evaluatieverslag worden ingediend. Voor de melding en het evaluatieverslag wordt een landelijk formulier gebruikt. Bij een bodemsanering wordt eerst een risicobeoordeling en een bepaling van ernst en spoedeisendheid gedaan. Bij een bodemsanering die uitgevoerd gaat worden onder de BUS-regeling is die bepaling niet nodig. Er worden in het BUS een aantal categorieën onderscheiden, waaronder BUS Tijdelijk uitplaatsen, BUS-mobiel en BUS immobiel. De eerst genoemde categorie hoort eigenlijk niet onder het kopje “saneren” thuis, omdat deze graafwerkzaamheden niet tot doel hebben om de kwaliteit van de grond te verbeteren maar om het werk te kunnen uitvoeren. De uitvoeringsregels van het BUS zijn beschreven in de Regeling Uniforme Saneringen (RUS).

BUS-melding tijdelijk uitplaatsen (BUS-TUP) De meest voorkomende werkzaamheden in de bodem zijn het graven van sleuven en gaten ten behoeve van het aanleggen van kelders, werkzaamheden aan kabels, leidingen en rioleringen. Bij deze werkzaamheden wordt geen saneringsdoel nagestreefd, maar moet grond, vaak tijdelijk, worden verwijderd om het werk uit te kunnen voeren. Als deze werkzaamheden worden uitgevoerd in ernstig verontreinigde grond, zal een BUS-TUP moeten worden ingediend bij de RUD Utrecht. Uitgangspunt bij de categorie BUS-TUP is dat de grond zoveel mogelijk wordt teruggebracht, maar afvoer is onder deze categorie óók mogelijk (bijv. als tijdens het graven blijkt dat de grond civieltechnisch ongeschikt is voor hergebruik op locatie). De proceduretijd van een BUS-TUP loopt uiteen van 5 weken (regulier) tot 5 werkdagen voor zeer eenvoudige saneringen. Voorwaarden om voor die verkorte procedure in aanmerking te komen zijn o.a: ▪ Alle grond wordt na afloop weer teruggebracht in het profiel van de ontgraving (bouwput, sleuf, kuil enz.); ▪ De grond is tot de ontgravingsdiepte in gelijke mate verontreinigd; ▪ De grond die teruggebracht wordt mag tussentijds geen bewerking ondergaan hebben; ▪ Er wordt niet gegraven op een locatie waar al sprake is van een isolatielaag (leeflaag, duurzame afdeklaag). Nota bodembeheer werkgebied ODRU

81

De RUS bevat voor de categorie tijdelijk uitplaatsen geen eisen voor de kwaliteit van de aanvulgrond. In art. 3.3.4 van de RUS (zie par. 9.2.3) staat echter dat de kwaliteit van terug te plaatsen grond niet mag verschillen met die van de aansluitende bodem. Bij de categorieën BUS-mobiel en BUS-immobiel is wel een apart artikel in de RUS opgenomen voor de kwaliteit van de aanvulgrond. Daarin staat dat de kwaliteit van de leeflaag of aanvulgrond moet voldoen aan de eisen van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. BUS-melding immobiel Voor immobiele verontreinigingen is een functiegerichte aanpak veelal voldoende om een locatie te saneren. Het uitvoeren van een uniforme sanering volgens de categorie BUSimmobiel is hiervoor een prima keuze. Na een melding in deze categorie behelst de saneringsaanpak normaliter het volledig verwijderen van de verontreiniging, of het aanleggen van een isolatielaag. Bij werkzaamheden die worden uitgevoerd volgens de categorie BUSimmobiel of BUS-mobiel wordt primair een milieuhygiënisch saneringsdoel gesteld, in tegenstelling tot de projectmatige aanpak van een uniforme sanering volgens de categorie BUS-TUP. BUS-melding mobiel Een BUS-melding volgens de categorie “mobiel” is vooral bedoeld voor een standaardaanpak van het klassieke bodemverontreinigingsgeval “ondergrondse tank met olieverontreiniging”.

Is de omvang van zo’n mobiele verontreiniging (minerale olie en vluchtige aromaten) beperkt, dan is het uitvoeren van een uniforme sanering mobiel veelal afdoende. Daarbij gelden o.a. de volgende voorwaarden: • Alle verontreinigde grond van de mobiele spot wordt door ontgraving verwijderd; • Het oppervlak waarbinnen de mobiele verontreiniging zich bevindt, bedraagt maximaal 1.000 m2; • Tijdelijk uitplaatsen van mobiele verontreiniging tijdens de uitvoering is niet toegestaan; Alle verontreinigde grond moet direct worden afgevoerd naar een erkend verwerker.

9.5. Gemeentelijke visie op aanpak van verontreinigingen In deze paragraaf wordt de gemeentelijke visie beschreven op de aanpak van een bodemverontreiniging in verschillende situaties, nadat de Omgevingswet in werking is getreden. Vanaf dat moment bepaalt de gemeente namelijk zelf , binnen de beleidsruimte die hiervoor aan gemeenten gegeven is, wanneer een sanering van de bodem nodig is. De onderdelen die in par. 9.5.1 en 9.5.2 beschreven zijn, zullen uitgewerkt worden in het Omgevingsplan.

9.5.1. Aanpak immobiele verontreinigingen Een locatie is na uitvoering van een sanering ’blijvend geschikt’ voor het gewenste bodemgebruik. De bodemkwaliteit voldoet dan aan de normen die horen bij die nieuwe bodemfunctie. Een woonlocatie (en bij lood gaat het met name om de tuin) is bijvoorbeeld “blijvend geschikt” als de bodem ter plaatse van de tuin (al of niet met aangebrachte leeflaag) tot een diepte van tenminste 0,5 meter maximaal 100 mg/kg aan lood bevat. De bodem voldoet dan aan de lokale normen. Dit onderdeel zal verder uitgewerkt worden in het Omgevingsplan.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

82

Functiewijziging naar gevoeliger bodemgebruik Als een perceel van bestemming of functie wijzigt, bijvoorbeeld bij het beëindigen van een bedrijf, dan kan het zijn dat de grond niet meer voldoet aan de kwaliteit die bij dat nieuwe bodemgebruik hoort (bijv. wonen). De functiewijziging zal dan in de meeste situaties het natuurlijk moment van saneren zijn. Wanneer sprake is van een tuin moet deze geschikt worden gemaakt voor de nieuwe en gevoeligere bodemfunctie. Bijvoorbeeld door het uitvoeren van een leeflaagsanering (of het in stand houden van een bestaande verharding). Als er geen sprake is van een gevoelig bodemgebruik (tuin, moestuin of kinderspeelplaats) hoeft er meestal geen sanering te worden uitgevoerd bij een functiewijziging. Sanering loodverontreiniging op gevoelige functies Wordt op een locatie een verontreiniging met lood geconstateerd met onaanvaardbare risico’s voor de mens, dan moet deze locatie worden gesaneerd. Is dat niet meteen mogelijk dan worden er tijdelijke veiligheidsmaatregelen getroffen. In gebieden waar diffuus lood in de bodem voorkomt (bijv. toemaakdek De Venen) kunnen, in gevallen waar niet direct gesaneerd hoeft te worden, de risico’s vaak worden beheerst door gebruiksadviezen voor lood in acht te nemen en/of eventueel door inrichtingsmaatregelen (bijv. afdekken van de bodem).

Het definitief wegnemen van de loodverontreiniging kan dan later, op een natuurlijk moment (bijv. bij herontwikkeling) plaatsvinden (zie bijlage 14).

9.5.2. Aanpak mobiele verontreinigingen Mobiele verontreinigingen zijn vaak perceelgrensoverschrijdend. In dat geval moet door de saneerder de hele mobiele verontreiniging in kaart worden gebracht. Dus ook het deel dat zich op een buurperceel bevindt. Als de eigenaar van het buurperceel medewerking aan het onderzoek weigert, dan hoeft de saneerder alleen het bronperceel te onderzoeken en te saneren. De restverontreiniging zal zo goed mogelijk door de saneerder in kaart moeten worden gebracht. De restverontreiniging zal zowel op het bron- als op het buurperceel worden geregistreerd. Als op het buurperceel nog geen stedelijke ontwikkeling plaatsvindt, hoeft de omvang van de verontreiniging op het buurperceel nog niet te worden bepaald (tenzij sprake is potentiële humane risico’s). Weten dat er een restverontreiniging of pluim zit, is in dat geval voldoende. Volledige afperking van de verontreiniging is pas relevant als daar (stedelijke) ontwikkeling plaatsvindt. Projectmatige ontgravingen in mobiele spots Bij projectmatige ontgravingen voor ondergrondse infrastructuur is het niet toegestaan vrijkomende grond, die sterk verontreinigd is met mobiele verontreinigingen (boven de interventiewaarde), zonder meer terug te plaatsen. De vrijkomende grond wordt in zo’n situatie als een afvalstof beschouwd die niet opnieuw gebruikt kan worden.

Terugplaatsen zou kunnen betekenen dat nalevering van mobiele stoffen zou kunnen plaatsvinden naar het grondwater. Door het plaatsen van een isolerende voorziening (bijvoorbeeld een scheidingsdoek) tussen de verontreinigde grond en de aanvulgrond wordt zoveel mogelijk voorkomen dat in de toekomst herverontreiniging van de gesaneerde bodem plaatsvindt. Tijdelijke beveiligingsmaatregelen Tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij mobiele verontreinigingen kunnen noodzakelijk zijn bij als er gevreesd wordt voor stankoverlast, uitdamping van schadelijke stoffen (bijv. chloorverbindingen) of als direct contact met de verontreiniging mogelijk is. Afhankelijk van de situatie moeten dan (tijdelijke) maatregelen worden getroffen, zoals het aanbrengen van een laag grond, het afdekken met folie of het plaatsen van hekwerk, totdat de mobiele spot wordt aangepakt. Ook moeten bewoners en eventueel omwonenden op de hoogte worden gebracht. Nota bodembeheer werkgebied ODRU

83

Brandstofverontreinigingen (vóór 1 januari 1987) Mobiele verontreinigingen uit oude brandstoftanks (zoals huisbrandolie, benzine) moeten worden opgeruimd, als dat niet reeds is gebeurd. Dat geldt in principe zowel voor de tanks zelf als voor de verontreinigde bodem, maar soms gelden uitzonderingen. Bijvoorbeeld als een tank in het verleden is gevuld met zand, maar een keuringsbewijs (Kiwa-certificaat) ontbreekt, of als een tank is gevuld met zand, maar niet eerst inwendig is gereinigd. Daarnaast komt het voor dat een tank op een moeilijk bereikbare plaats (onder een gebouw of direct naast een muur) ligt en verwijdering tot onevenredig hoge kosten zou leiden. In deze gevallen kan het bevoegd gezag (de gemeente) toestaan dat de tank niet wordt verwijderd, maar onklaar gemaakt wordt conform het Activiteitenbesluit.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

84

10.

10.1.

Doorkijk naar de Omgevingswet

Activiteiten graven en saneren

Onder de Omgevingswet (OW) wordt er straks duidelijk onderscheid gemaakt in de activiteiten graven en saneren. De activiteit graven is niet gericht op het verbeteren van de bodemkwaliteit, maar op het uitvoeren van een bepaald werk. Een sanering is bedoeld om verontreinigingen die een belemmering vormen voor het beoogde bodemgebruik te verwijderen of zodanig maatregelen te nemen dat contact met en/of verspreiding van de verontreiniging tegengegaan wordt. Er zijn verschillende saneringsmethoden, deze vallen buiten de scope van deze nota.

10.1.1.

Landelijke meldingsplicht voor ontgravingen > 25 m3

Bij het inwerkingtreden van de Omgevingswet geldt er in sommige gevallen een meldingsplicht voor het graven. De regels hiervoor worden opgenomen in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL). Dat is het Uitvoeringsbesluit van de Omgevingswet. Dit Besluit stelt regels aan het verrichten van zogeheten milieubelastende activiteiten. Onder de Omgevingswet wordt alleen het graven in de bodem als milieubelastende activiteit aangemerkt als het bodemvolume waarin gegraven wordt meer is dan 25 m3.

10.1.2.

Graafwerkzaamheden van beperkte omvang (< 25 m3 )

Het graven in een bodemvolume kleiner dan 25 m3 wordt niet aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Dat betekent dat aan deze categorie graafwerkzaamheden geen regels en voorwaarden verbonden worden in het BAL, ongeacht de chemische kwaliteit van deze bodem. Voor het ontgraven van sterk verontreinigde grond (gehalten boven de interventiewaarde) worden in de bruidsschat regels opgenomen. Bruidschat Bruidsschatregels zijn regels die van rechtswege worden ingevoegd in de decentrale regelgeving. Deze regels zorgen ervoor dat er geen juridisch gat ontstaat voor onderwerpen of specifieke regels die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk geregeld werden, maar na inwerkingtreding gedecentraliseerd zijn. Decentrale overheden kunnen de regels die met de bruidsschat in hun omgevingsplan zijn ingevoegd op ieder gewenst moment vanaf inwerkingtreding aanpassen (rekening houdend met de instructieregels van het Rijk en de provincie). Het Aanvullingsbesluit bodem bevat bruidsschatregels voor bouwen op verontreinigde grond (inclusief een specifieke beoordelingsregeling bouwen op verontreinigde bodem), nazorg na saneren van de bodem, kleinschalig graven (bodemvolume < 25 m 3 en gehalten boven de interventiewaarde bodemkwaliteit) en activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging met een aanvaardbaar risico.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

85

DEEL 3 Dit deel gaat over de bestuurlijke vaststelling van het beleid en de communicatie en implementatie De gemeenteraad kan sommige taken aan het college delegeren. Communicatie over en implementatie van het beleid is van essentieel belang om de van te voren bedachte en verwachte baten van het onderhavige beleid ook daadwerkelijk in de dagelijkse uitvoeringspraktijk te kunnen verzilveren. Hier zal dan ook na vaststelling van het beleid op grote schaal aandacht aan geschonken worden.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

86

11.

Bestuurlijke vaststelling

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de procedures die gevolgd moeten worden bij het vaststellen van de bodemkwaliteitskaart en de Nota bodembeheer. Bovendien wordt ingegaan op het delegeren van taken van de gemeenteraad naar het college en het accepteren van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten, zodat deze ook als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt als er grond van buiten het werkingsgebied van de BKK werkgebied ODRU wordt toegepast.

11.1.

Vaststelling kaart en beleid

11.1.1.

Vasstelling en geldigheid

In het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) is vastgelegd dat een Nota bodembeheer een maximale geldigheid heeft van 10 jaar. Een bodemkwaliteitskaart heeft een maximale geldigheid van 5 jaar en kan daarna voor nog eens maximaal 5 jaar verlengd worden als uit de evaluatie blijkt dat de kaart niet (drastisch) aangepast hoeft te worden. Tussentijdse herziening van deze Nota, of de bodemkwaliteitskaart, kan eerder nodig zijn als wetswijzigingen, actuele ontwikkelingen of voortschrijdend inzicht daartoe aanleiding geven. De vaststelling van deze Nota is, omdat de gemeente gekozen heeft voor het vaststellen van een Gebiedsspecifiek bodembeleid, een besluit van de gemeenteraad (Bbk, art. 44, lid 1). Het is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dit betekent dat het besluit open staat voor indiening zienswijzen en beroep bij de rechter. Deze Nota, met bijbehorende bodemkwaliteitskaart, treedt in werking nadat deze door de gemeenteraad is vastgesteld en deze op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (publicatie in het Gemeenteblad).

11.1.2.

Evaluatie/aanpassing van het beleid of kaart

Er kunnen tussentijds redenen zijn om het beleid of kaart aan te passen nog voordat de wettelijk vastgelegde geldigheidsduur van 5 jaar, verstreken is. Bijvoorbeeld als wetswijzigingen, actuele ontwikkelingen of voortschrijdend inzicht daartoe aanleiding toe geven. Periodiek zal worden getoetst of de vastgestelde regels nog werkbaar zijn en of voldaan wordt aan de verwachtingen: • Zoveel mogelijk hergebruiken van gebiedseigen grond binnen het bodembeheergebied; • Duidelijkheid voor aannemers, adviesbureaus en gemeentelijke afdeling over de geldende regels; • Besparing van kosten en tijd bij het toepassen en hergebruiken van grond en bagger; • Duurzaam en kostenefficiënt bodembeheer.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

87

11.2.

Delegeren bevoegdheden van raad naar college

Het vaststellen van deze Nota en het daarin beschreven Gebiedsspecifieke beleid is een besluit dat genomen wordt door de gemeenteraad. Hiermee staan de kaders van het beleid voor grondverzet en bodemsaneringen in de gemeente vast. Op onderdelen kunnen kleine wijzigingen de effectiviteit van het beleid vergroten of is actualisatie nodig. Om aan te sluiten bij de dynamiek van grondverzet, kunnen besluiten over kleine aanpassingen van beleid of kaart met een uitvoerend karakter, door de gemeenteraad gedelegeerd worden naar het college van burgemeester en wethouders. De delegatie kan geen betrekking hebben op wijziging van de Lokale Maximale Waarden (LMW) of de maximaal toegestane percentages bodemvreemd materiaal, aangezien de vaststelling daarvan wettelijk is voorbehouden aan de raad. Delegatie van die onderdelen is daarom niet mogelijk (Gemeentewet, art. 156, lid 1). Het delegeren van besluiten van de raad aan het college gaat concreet over de volgende zaken: 1. Wijziging van de Bodemfunctiekaart; 2. Verlengen van de bodemkwaliteitskaart; 3. Acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten 4. Uitbreiden bodembeheergebied Hierna worden de bovengenoemde onderdelen afzonderlijk toegelicht.

11.2.1.

Wijziging van de Bodemfunctiekaart 31

Onderdeel van de vaststelling van Gebiedsspecifiek beleid zoals vastgelegd in deze Nota, is ook de vaststelling van de Bodemfunctiekaart (bijlage 4 van deze Nota). Op de Bodemfunctiekaart is het grondgebied van de gemeenten ingedeeld in bodemfunctieklassen (Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie). De Bodemfunctiekaart wordt gebruikt bij het beoordelen van het resultaat van een bodemsanering en bij het toepassen of hergebruiken van grond. De bodemfunctieklasse op de Bodemfunctiekaart sluit aan bij de (hoofd)functie van de op de Bodemzoneringskaart onderscheiden bodemkwaliteitszones. De bodemfunctieklasse die aan een zone is toegekend, is afgeleid van het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Het wijzigen van de Bodemfunctiekaart is daarom feitelijk niet meer dan een uitvoeringshandeling. Om deze reden kunnen besluiten tot wijziging van de Bodemfunctiekaart door de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders worden gedelegeerd.

11.2.2.

Verlengen van de Bodemkwaliteitskaart

Een bodemkwaliteitskaart heeft een geldigheidsduur van 5 jaar. Na 5 jaar kan deze kaart voor nog eens 5 jaar verlengd worden als aan een aantal voorwaarden voldaan wordt. Eén van de voorwaarden is dat er een evaluatie uitgevoerd is, waarbij nagaan is of wijzigingen van de kaart mogelijk is zonder het beleid inhoudelijk te wijzigen. De geldigheid van de bodemkwaliteitskaart kan dan voor de duur van maximaal 5 jaar verlengd worden. Omdat het daarbij in feite gaat om een uitvoeringsbesluit, kunnen besluiten over het verlengen (en kleine wijzigingen) van de bodemkwaliteitskaart door de gemeenteraad gedelegeerd worden aan het college van burgemeester en wethouders.

31

Onder de OW wordt de term “Bodemfunctieklassenkaart” vervangen door de term “Bodemfunctiekaart”

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

88

Als uit de evaluatie blijkt dat de bodemkwaliteitskaart niet aangepast kan worden zonder het vastgestelde beleid ingrijpend aan te passen, dan wordt de gemeenteraad hier direct over geïnformeerd. Bij ingrijpende wijzigingen van het vastgestelde beleid, zal er een nieuwe openbare procedure gevolgd moeten worden. In dat geval zal de gemeenteraad de gewijzigde kaart en het gewijzigde beleid opnieuw moeten vaststellen. Delegatie van die taken aan het college, is in dat geval niet mogelijk.

11.2.3.

Acceptatie van andere bodemkwaliteitskaarten

De ambitie van de gemeenten in het werkgebied van de ODRU is niet alleen het grondverzet in de eigen gemeente, maar in het hele werkgebied van de ODRU te optimaliseren. Dit betekent dat er naar gestreefd wordt om grond en baggerspecie op een eenvoudige en kostenefficiënte wijze toe te kunnen passen en uit te kunnen wisselen met andere gemeenten in het werkgebied van de ODRU. Gelijktijdig met de vaststelling van deze Nota bodembeheer en de bijbehorende bodemkwaliteitskaart ODRU (BKK-ODRU), stemt de gemeenteraad dan ook in met het accepteren van de bodemkwaliteitskaart ODRU als bewijsmiddel om grond afkomstig uit één van de andere ODRU-gemeenten toe te mogen passen in haar gemeente. Dit houdt in dat er geen partijkeuring meer nodig is om de kwaliteit van de grond aan te kunnen tonen, als voldoende aangetoond kan worden dat de ontgravingslocatie onverdacht is. Acceptatie van een bodemkwaliteitskaart van een gemeente die buiten het bodembeheergebied ODRU ligt, is een besluit dat door de raad aan het college gedelegeerd kan worden. Hieronder is aangegeven aan welke voorwaarden een bodemkwaliteitskaart, moet voldoen om geaccepteerd te kunnen worden: • De bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten; • De kwaliteitsklasse waarin de bodem is ingedeeld is gebaseerd op de gemiddeld gemeten gehalten; • De bodemkwaliteitskaart is nog geldig.

Acceptatie van een bodemkwaliteitskaart van een gemeente die buiten het bodembeheergebied ODRU ligt, betekent niet dat de toepasser van grond die de geaccepteerde kaart als bewijsmiddel gebruikt om grond toe te passen, kan profiteren van de Gebiedsspecifieke eisen die de gemeente waar de grond wordt toegepast heeft vastgesteld (als deze soepeler zijn dan de landelijk geldende eisen). Daarvoor is het nodig dat de gemeente ook het bodembeheergebied heeft uitgebreid met het grondgebied van deze gemeente (zie par. 11.2.4).

11.2.4.

Uitbreiden bodembeheergebied

De ambitie van de gemeenten in het werkgebied van de ODRU is niet alleen het grondverzet in de eigen gemeente, maar in het hele werkgebied van de ODRU te optimaliseren. Met het vaststellen van het beleid uit deze Nota, wordt daarom hele werkgebied van de ODRU als bodembeheergebied vastgesteld. Dit wordt het Bodembeheergebied ODRU genoemd. Dat houdt in dat de Gebiedsspecifieke beleidsregels die voor de eigen gemeenten worden vastgesteld, ook gelden voor grond afkomstig uit een van de andere ODRU-gemeenten. Uitbreiding van het Bodembeheergebied ODRU, wordt gerealiseerd door eenzijdige of wederzijdse erkenning van de Nota bodembeheer en het daarin beschreven beleid, van een

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

89

gemeente die buiten het Bodembeheergebied ODRU is gelegen. Besluiten over uitbreiding van het Bodembeheergebied ODRU met het grondgebied van een andere gemeente, worden door de raad gedelegeerd aan het college. Hieronder is aangegeven aan welke voorwaarden een Nota bodembeheer moet voldoen om geaccepteerd te kunnen worden: • De vastgestelde LMW en de maximaal toelaatbare percentages bodemvreemd materiaal, mogen niet hoger zijn dan die zijn vastgesteld voor de eigen gemeente; • De bodemkwaliteitskaart voldoet aan de eisen die opgesomd zijn onder par. 11.2.3.

11.3.

Communicatie

Na het vaststellen van deze Nota komt het aan op de uitvoering. Goede communicatie is daarbij belangrijk. Het communicatietraject richt zich niet alleen op de eigen organisatie, maar ook op partijen daarbuiten. Bij de totstandkoming van deze Nota zijn naast de gemeenten, ook vertegenwoordigers van andere overheden, adviesbureaus en marktpartijen betrokken. Voor de implementatie van het beleid is het noodzakelijk de communicatie breed op te zetten en te laten aansluiten bij de uitvoeringspraktijk.

11.4.

Implementatie

Hiervoor benaderen de gemeente en de ODRU de doelgroepen actief. Hiervoor zal een Implementatieplan opgesteld worden. Doelgroepen Intern (gemeentelijke organisatie en Omgevingsdienst) Binnen de gemeenten zijn verschillende afdelingen betrokken bij het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie. Beleidsmedewerkers, handhavers en uitvoerders hebben elk hun eigen invalshoek. Het succes van implementatie hangt af van de samenwerking, waarbij de verschillende uitgangspunten elkaar aanvullen. De ODRU organiseert bijeenkomsten waarin de disciplines beleid, handhaving en uitvoering gezamenlijk geïnformeerd worden over het (nieuwe) Gebiedsspecifieke beleid voor grondverzet en bodemsanering. De bijeenkomsten zijn op de praktijk gericht. Op deze manier wordt niet alleen duidelijk wie welke rol heeft en wat iedereen te doen staat, maar ook de samenwerking wordt bevorderd. De bijeenkomsten zullen om de zoveel jaar worden herhaald om enerzijds de kennis over de regels omtrent grondverzet en bodemsaneringen op te frissen en anderzijds informatie bij de betrokkenen op te halen over mogelijke knelpunten en om na te kunnen gaan of het beleid en de tools die daarbij horen nog steeds voldoende zijn voor het doel waarvoor ze zijn ontwikkeld. Zo nodig wordt het beleid bijgesteld en worden nieuwe tools ontwikkeld.

Extern (organisaties en particulieren) Buiten de gemeentelijke organisatie houden verschillende andere partijen zich ook bezig met grond- en baggerstromen. Daaronder zijn overheidsorganisaties als Rijkswaterstaat, waterschappen, Staatsbosbeheer en de provincie Utrecht, maar ook projectontwikkelaars, aannemers, grondbanken en agrariërs. Voor deze partijen organiseert de ODRU, samen met de gemeenten in het werkgebied van de ODRU, regelmatig regionale informatiebijeenkomsten, waarin het Gebiedsspecifieke beleid wordt toegelicht.

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

90

Ook dit soort bijeenkomsten wordt benut om informatie op te halen over eventuele knelpunten die men in de praktijk tegenkomt. Inwoners van een gemeente zijn over het algemeen slechts incidenteel betrokken bij grondverzet en bodemsaneringen. Op die momenten is het handig om de grote lijnen van het gemeentelijk beleid te kennen en te weten wat de gemeente van de inwoner verwacht. Daarom zal op de gemeentelijk website de mogelijkheid worden geboden om de Nota bodembeheer te downloaden. De bodemkwaliteitskaart (incl. alle bijbehorende kaartlagen) zijn voor een ieder te raadplegen op het GeoPortaal van de Omgevingsdienst regio Utrecht (www.odru.nl).

Nota bodembeheer werkgebied ODRU

91

Bijlage 1: Lijst met literatuurverwijzingen 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17.

*

Besluit bodemkwaliteit Regeling bodemkwaliteit Tijdelijk Handelingskader PFAS, 2 juli 2020 Risico Toolbox Bodem Herziene handreiking toepassing van PFOA-houdende grond Zuid-Holland Zuid (OZHZ, 13 juni 2018) Nota bodembeheer regio Zuid-Holland Zuid (OZHZ, 1 juli 2010) Nota bodembeheer regio Zuidoost Utrecht (Milieudienst ZOU, december 2011) * Nota bodembeheer regio Noordwest Utrecht (MARMOS Bodemmanagement, dec. 2015) * Nota bodembeheer gemeente Renswoude (ODRU, december 2014) * Nota bodembeheer Vijfheerenlanden (ODRU, oktober 2020) * BKK-rapport Vijfheerenlanden ((MARMOS Bodemmanagement, augustus 2020) Nota bodembeheer IJsselstein (ODRU, mei 2021) * BKK-rapport IJsselstein (MARMOS Bodemmanagement, januari 2021) Handelingskader voor diffuus lood in de bodem (provincie Utrecht, ref.nr. 81F8FFB6, 24 sept. 2019) Beleidsnota PFAS provincie Utrecht (ODRU en RUD Utrecht, april 2021) Bodemkwaliteitskaart PFAS provincie Utrecht (ODRU en RUD Utrecht, april 2021) BKK-rapport 13 gemeenten in het werkgebied van de ODRU (MARMOS Bodemmanagement, 18 oktober 2021) deze nota’s komen na vaststelling te vervallen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11954482/1