CConstaterende datWijk bij Duurstede
Koppel je AI →
Document · PDF

308139 Raadsvoorstel- en besluit - WMO en jeugdverordening aangepast 20 jan

Raadsvergadering 25 januari 2022, gemeente Wijk bij DuurstedeBij agendapunt: Vaststelling verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Wijk bij Duurstede 202223.030 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Versterken, activeren of stabiliseren van de zelfregie over het dagelijks leven, waaronder begeleiding bijof aanleren van tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen zoals administratie, besluiten nemen. 2. De behoefte aan begeleiding als bedoeld in het vorige lid wordt bepaald door de mate waarin beperkingen zich voordoen. Dit is in ieder geval afhankelijk van: a. de aard- en mate van de beperking en daarmee samenhangende gedragsproblematiek; b. de motivatie van de Cliënt om begeleiding te ontvangen; c. de mate van zelfregie en zelfredzaamheid en de complexiteit van de beperking(en); d. de mate van sociale vaardigheden en de mogelijkheden van de Cliënt om te participeren; e. de noodzaak van toezicht in verband met de veiligheid van de Cliënt of zijn omgeving. 3. Deze Maatwerkvoorziening is in de regel gericht op inwoners met (ernstige en chronische) psychische- en psychosociale aandoeningen, niet-aangeboren-hersenletsel, een psychiatrische aandoening of beperking, een psychogeriatrische aandoening of beperking, een verstandelijke beperking, lichamelijke- of zintuiglijke beperking of een combinatie daarvan. 4. Begeleiding wordt in de regel verstrekt via individuele ondersteuning door een gecontracteerde zorgaanbieder, maar kan ook (deels) plaatsvinden in de vorm van een Collectieve - of een Algemeen Gebruikelijke Voorziening.

5. Na afloop van de periode van begeleiding kan het College besluiten nog Waakvlamzorg in te zetten. De maximale omvang daarvan bedraagt 10 uur binnen een looptijd van maximaal een jaar, aansluitend op de afloop van de eerder verstrekte Maatwerkvoorziening begeleiding. De ondersteuning of zorg wordt flexibel en op afroep verstrekt. 4.5. Criteria begeleiding groep/dagbesteding 1. De Maatwerkvoorziening Begeleiding groep/dagbesteding is gericht op het bereiken van de volgende resultaten: a. Versterken, activeren of stabiliseren van de eigen kracht, sociale vaardigheden en de mogelijkheden om te participeren; b. Versterken, activeren of stabiliseren van de zelfredzaamheid waaronder vaardigheden die nodig zijn voor het voeren van een gestructureerd huishouden en het verrichten van de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL); c. Versterken, activeren of stabiliseren van de vaardigheden om mee te doen aan de samenleving zoals dagstructuur aanhouden, afspraken navolgen, voorbereiding op vrijwilligerswerk of beschut werk en andere vormen van praktische ondersteuning. d. Stabiliseren van knelpunten en/of vergroten van de kwaliteit van leven en de ervaren zingeving. e. Acceptatie van de aandoening. f. Ontlasten van de Mantelzorger(s). 2. De behoefte aan begeleiding groep/dagbesteding als bedoeld in het vorige lid wordt bepaald door de mate waarin beperkingen zich voordoen.

Dit is in ieder geval afhankelijk van: a. de aard- en mate van de beperking en daarmee samenhangende gedragsproblematiek; b. de motivatie van de Cliënt om begeleiding te ontvangen; c. de mate van zelfregie en zelfredzaamheid en de complexiteit van de beperking(en); d. de mate van sociale vaardigheden en de mogelijkheden van de Cliënt om te participeren; e. de noodzaak van toezicht in verband met de veiligheid van de Cliënt of zijn omgeving; f. de mate van (dreigende) overbelasting van de Mantelzorger(s). 3. Deze Maatwerkvoorziening is in de regel gericht op inwoners met (ernstige en chronische) psychische- en psychosociale aandoeningen, niet-aangeboren-hersenletsel, een psychiatrische aandoening of beperking, een psychogeriatrische aandoening of beperking, een verstandelijke beperking, lichamelijke- of zintuiglijke beperking of een combinatie daarvan. 4. Begeleiding groep/dagbesteding wordt in de regel verstrekt via aanbod van een gecontracteerde zorgaanbieder maar kan ook (deels) plaatsvinden via een Collectieve- of Algemeen gebruikelijke Voorziening. 4.6. Criteria vervoer naar- en van dagbesteding 1. De Maatwerkvoorziening vervoer naar- en van dagbesteding wordt toegekend als de Cliënt: a. beschikt over een indicatie tot Begeleiding groep/dagbesteding; b.

vanwege zijn chronische en ernstige beperking niet in staat is om zelfstandig-, met inzet van informele hulp of met Gebruikelijke hulp of met een Algemeen gebruikelijke Voorziening naar- en van de dagbestedingslocatie te reizen. 2. Deze Maatwerkvoorziening wordt in de regel verstrekt via de gecontracteerde zorgaanbieder dagbesteding, maar kan ook in de vorm van een Collectieve- of Algemeen gebruikelijke Voorziening toegekend worden. 4.7. Criteria kortdurend verblijf (Respijtzorg) De Maatwerkvoorziening Respijtzorg: 1. De thuiswonende Cliënt kan in aanmerking komen voor de Maatwerkvoorziening Kortdurend verblijf/Respijtzorg als dit noodzakelijk is om de Mantelzorger(s) te ontlasten. 2. Deze Maatwerkvoorziening is in de regel gericht op inwoners met (ernstige en chronische) somatische klachten, psycho-geriatrische aandoeningen, niet-aangeboren-hersenletsel, een verstandelijke beperking, lichamelijke- of zintuiglijke beperking of een combinatie daarvan. 3. De maximale omvang van deze Maatwerkvoorziening bedraagt 21 etmalen per jaar per Cliënt. 4.8. Criteria bemoeizorg

1. De Maatwerkvoorziening Bemoeizorg is gericht op het bereiken van de volgende resultaten: a. toe leiden naar passende ondersteuning en/of zorg (zoals behandeling); b. voorkomen van bedreiging van de gezondheid en/of teloorgang daarvan voor de Cliënt en/of diens directe omgeving; c. voorkomen/beperken van overlast. 2. De behoefte aan bemoeizorg als bedoeld in het vorige lid wordt bepaald door de mate waarin beperkingen zich voordoen. Dit is in ieder geval afhankelijk van: a. de aard- en mate van de beperking en daarmee samenhangende gedragsproblematiek; b. de motivatie van de Cliënt om begeleiding te ontvangen; c. de mate van zelfregie en zelfredzaamheid en de complexiteit van de beperking(en); d. de noodzaak van toezicht in verband met de veiligheid van de Cliënt of zijn omgeving; e. de mate waarin de ondersteunings- of zorgvraag uitstelbaar is; f. de mate waarin de ondersteuning noodzakelijk is op diverse levensgebieden; g. de mate waarin de ondersteuning voorspelbaar en inplanbaar is. 4.9. Criteria Woonvoorzieningen 1. Woonvoorzieningen worden slechts verstrekt als deze gericht zijn op: a. het verminderen of wegnemen van beperkingen voor de zelfstandig thuiswonende Cliënt bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen die het gevolg zijn van de inrichting en/of indeling van de woning; b.

het kunnen gebruiken van de noodzakelijke gebruiksruimtes in de woning waarin de Cliënt zijn hoofdverblijf heeft; c. het verminderen of wegnemen van beperkingen voor de zelfstandig thuiswonende Cliënt indien noodzakelijk voor de bereikbaarheid, toe- en doorgankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. 2. Bij een Aanvraag van een Maatwerkvoorziening in de vorm van een Woonvoorziening: a. kan het College het Primaat van verhuizen toepassen; b. houdt het College rekening met een reële afschrijvingstermijn van door de woningeigenaar zelf eerder geplaatste of geïnstalleerde Woonvoorzieningen zoals gebruikelijk in de sociale woningbouw. 3. Het College verstrekt uitsluitend Woonvoorzieningen die nodig zijn om de benodigde en gebruikelijk gebruiksruimtes van de woning bereikbaar, toegankelijk, veilig en bruikbaar te maken en te houden. Dit houdt in: woonkamer, keuken, 1 slaapkamer en sanitair/badkamer. 4.10 Criteria Woonvoorzieningen specifiek 1. De aanvraag voor een Woonvoorziening kan in ieder geval worden geweigerd indien: a. de noodzaak tot het verstrekken van de Maatwerkvoorziening het gevolg is van een verhuizing waarbij de Cliënt niet is verhuisd naar de, gelet op de (te verwachten) beperkingen, op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het College; b.

indien het aannemelijk is dat de cliënt binnen afzienbare tijd zal verhuizen naar een zorginstelling/nietzelfstandige woonruimte; c. indien het op grond van leeftijd of gezinssituatie het algemeen gebruikelijk is dat een verhuizing naar een meer passende woonsituatie zal plaatsvinden; d. indien het college besluit om het primaat van verhuizen toe te passen; e. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, indeling of inrichting; f. de noodzaak voor de Woonvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud en wel vooral strekt ter renovatie van de woning en/of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld; g. de Cliënt verzuimd heeft tijdig maatregelen te nemen die redelijkerwijs te verwachten zijn bij reguliere klachten bij veroudering. 2. Het College verstrekt geen Woonvoorzieningen die bestemd zijn voor gemeenschappelijke ruimtes in een wooncomplex als dit bestemd is voor bewoners met een functiebeperking of voor senioren en bij de bouw of renovatie verzuimd is passend te bouwen of passende Voorzieningen te treffen. 3.

Het College verstrekt geen Woonvoorziening als de Cliënt woonachtig is in een wooncomplex bestemd voor bewoners met een functiebeperking en/of een woongebouw dat specifiek gelabeld is voor een bepaalde doelgroep en waarvan verwacht mag worden dat de benodigde woningaanpassingen reeds zijn

getroffen 4. Het College verstrekt geen Woonvoorziening als de Cliënt woonachtig is in een wooncomplex bestemd voor bewoners met een Indicatie op grond van Wet Langdurige zorg. 5. Het College verstrekt geen Woonvoorzieningen die betrekking hebbenop hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen of andere vormen van bewoning die niet zijn gericht op permanent verblijf. 2. Het College kan nadere regels stellen over de afschrijftermijnen bedoeld in het 1e lid, onderdeel f. 4.11. Criteria hulpmiddelen 1. Hulpmiddelen zijn gericht op mogelijk maken dat de Cliënt zich kan verplaatsen in- en om de woning voor zover deze noodzakelijk zijn om de gebruikelijke hoofdruimtes te bereiken en de gebruiken. 2. Hulpmiddelen worden uitsluiten toegepast in de woning waar de Cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Dat geldt ook voor minderjarige cliënten. 4.12. Criteria bezoekbaar maken van de woning 1. Het College kan een Woonvoorziening verstrekken gericht op het bezoekbaar maken van een woning als; a. de Cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een instelling als bedoeld in de Wet Langdurige Zorg; b. de Cliënt ofwel partner-, ofwel kind is van een Inwoner; 2. Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt uitsluitend verstaan het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. 4.13. Criteria deelname aan het maatschappelijk verkeer 1.

Het College kan Maatwerkvoorzieningen verstrekken, gericht op deelname aan het maatschappelijk verkeer. 2. Deze Maatwerkvoorziening kan verstrekt worden indien de Cliënt vanwege ernstige en chronische beperkingen niet in staat is om met het openbaar vervoer te reizen of in zijn vervoersbehoefte te voorzien door inzet van het eigen netwerk of met Algemeen gebruikelijke Voorzieningen. 3. Deze Maatwerkvoorziening kan verstrekt worden in de vorm van een: a. vervoersvoorziening; b. gebruikspas voor de Maatwerkvoorziening collectief vervoer (regiotaxi); c. een tegemoetkoming in vervoersvoorzieningen zoals taxikosten, rolstoeltaxikosten, autokosten of aanpassingskosten voor een auto en wel overeenkomstig de bepalingen in artikel 4.15 van deze Verordening. 4. Ten aanzien van de Maatwerkvoorziening als bedoeld in het 3e lid, sub b geldt: a. het maximaal aantal beschikbare zones onder de Maatwerkvoorziening regiotaxi bedraagt 575 zones per jaar; b. indien een Client de regiotaxipas een jaar niet gebruikt, kan het College deze innemen. 4.14.

Criteria financiële tegemoetkoming Het College kan bij hoge uitzondering op aanvraag aan een Inwoner met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een financiële tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie of ter versterking van hun draagkracht of verlaging van hun draaglast, indien er geen andere oplossingen voorhanden zijn in de situatie van de Cliënt, of andersoortige Voorzieningen of mogelijkheden vanuit het sociale netwerk geen oplossing bieden. Vergoeding vindt dan plaats op basis van het principe ‘goedkoopst adequaat’. 1. Bij alle onderstaande vergoedingen geldt dat bij toepassing van dit artikel het maximale te vergoeden budget als richtlijn wordt weergegeven en sprake zal zijn van maatwerk. 2. Het College kan nadere bepalingen vaststellen met betrekking tot de meerkosten. 3. De tegemoetkoming voor vervoersvoorzieningen bedraagt, met toepassing van het 2e lid: a. Taxikosten: maximaal € 800 per jaar. b. Rolstoeltaxikosten: maximaal € 800 per jaar. c. Autokostenvergoeding (vergoeding voor de gebruikskosten van een auto zoals (benzine, wegenbelasting etc.): maximaal € 800 per jaar.

d. Aanpassingskosten van een auto: 1º de kosten komen alleen in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming indien de aanpassing c.q. reparatie van de aanpassing, gelet op de nog te verwachten technische levensduur van de auto, verantwoord is; 2º ingeval van meerkosten voor de aanschaf van een aangepaste auto voor een gezin met meerdere kinderen, waarvan één of meerdere kinderen gebruik moeten maken van een rolstoel, bedraagt de financiële tegemoetkoming maximaal éénmalig € 5.600 waarbij de levensduur van de auto op 7 jaar gesteld wordt. 4. De tegemoetkoming voor Woonvoorzieningen bedraagt: a. Inrichtingskosten: maximaal € 3.167 éénmalig waarbij het daadwerkelijk verstrekte budget afhankelijk is van de persoonlijke situatie, de mate van mogelijke inzet vanuit het eigen sociale netwerk van de cliënt of de inzet van vrijwilligers. b. Bezoekbaar maken van een woning: maximaal € 5.000 éénmalig. c. Onderhoud voor Woonvoorzieningen wordt in de regel niet vergoed. 5. Verhuiskosten: de vergoeding bedraagt maximaal € 3.167 éénmalig waarbij het daadwerkelijk verstrekte budget afhankelijk is van de persoonlijke situatie, de mate van mogelijke inzet vanuit het eigen sociale netwerk van de cliënt of inzet van vrijwilligers en zo nodig de offerte van een verhuisbedrijf. 6.

De vergoedingen voor sportvoorzieningen zijn als volgt: sportvoorzieningen/sportrolstoel: het laagste tarief voor een sportvoorziening in natura, opgenomen in het door de gemeente gesloten contract met een leverancier van hulpmiddelen tot maximaal € 2.850 per drie jaar. Voor een andere voorziening dan een sportrolstoel worden alleen de meerkosten in verband met de handicap verstrekt tot maximaal € 2.850 per drie jaar en op voorwaarde dat de toekennen van de Voorziening noodzakelijk geacht wordt voor de participatie van de Client en er geen voorliggende oplossingen vanuit andere wetten mogelijk zijn. 7. Voor vergoeding van Domotica komen in aanmerking, in gevallen waarin de Cliënt daarin niet zelf kan voorzien: a. Domotica die bijdragen aan rust, ondersteuning en veiligheid bij thuiswonende Inwoners met ernstige psychische- of psychosociale beperkingen, zoals dementie; b. Domotica die mantelzorgers ondersteuning bieden in casussen van intensieve en langdurige Mantelzorg; c. Voorzieningen ter bevordering van de dagelijkse zelfredzaamheid bij kwetsbare Inwoners. 8.

Niet voor vergoeding voor Domotica komen in aanmerking: technische- en digitale hulp- en ondersteuningsmiddelen die bedoeld zijn voor medische zorg, toegangsverlening voor medische zorg of hulpmiddelen ter bevordering van de eigen gezondheid, persoonlijke verzorging of in het kader van leefstijlmonitoring en dergelijke. Hetzelfde geldt voor Domotica die onder de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet (inclusief aanvullend pakket) (kunnen) vallen. 9. De in dit artikel genoemde bedragen zijn opgenomen op basis van prijspeil 2022. Het College kan besluiten tot indexering. De basis voor eventuele indexering is het indexpercentage dat in de regionale inkoopsamenwerking Zuidoost Utrecht wordt toegepast. 10. In zeer bijzondere gevallen kan het College een auto in bruikleen geven. De Bijdrage door Cliënt te betalen overeenkomstig artikel 4.4. (prijspeil 2022) is daarop van toepassing. Gebruik van de auto door (familie van) Cliënt tot een maximum van 8.000 kilometer per auto per jaar valt onder de toegekende Maatwerkvoorziening. Indien meerdere Cliënten van de auto gebruikmaken, komt daar 2.000 kilometer per persoon per jaar bij. De auto wordt verstrekt voor gebruik binnen Nederland. Voor gebruik boven het aangegeven aantal kilometers en voor gebruik in het buitenland betaalt Cliënt extra per kilometer en wel als volgt: in 2021 € 0,22, in 2022 e.v. € 0,30.

4.15. Criteria Beschermd wonen of Maatschappelijke opvang Een Cliënt kan in aanmerking komen voor deze Maatwerkvoorziening wanneer hij zich door chronische- en ernstige psychische- of psychosociale problemen niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving waardoor er een risico ontstaat op: a. verwaarlozing en/of ernstige teloorgang en/of; b. overlast en/of

c. gevaar voor de Cliënt en/of voor anderen. 4.16. Criteria bijzondere, eenmalige voorziening (regelvrije Voorziening) 1. Een regelvrije Voorziening is erop gericht om tijdelijke, passende ondersteuning te bieden teneinde: a. de draagkracht van een inwoner en/of een gezin op peil houden of te versterken, of (verder) verlies van draagkracht te voorkomen; b. aanspraken op formele zorg en ondersteuning te voorkomen, uit te stellen of te verminderen; 2. Regelvrij ondersteunen is denkbaar indien zich één van de volgende situaties voordoet: a. de situatie is tijdelijk en uitzonderlijk en vergt een oplossing, activiteit of voorziening die niet past binnen de kaders van Wmo, Jeugdwet of van andere wetten; b. de Inwoner of zijn netwerk kan de situatie niet zelf oplossen; c. geen oplossing is mogelijk vanuit toekenning van Maatwerkvoorzieningen (Wmo) of Individuele Voorzieningen (Jeugdwet) of vanuit Algemene-, Algemeen gebruikelijke- of Collectieve Voorzieningen; d. snel ingrijpen is geboden om (verder) verlies van draagkracht te voorkomen of te verhelpen of om aanspraken op Wmo, Jeugdwet of Participatiewet te voorkomen of te verkleinen; e. er is een goede kans op (maatschappelijk- of financieel) rendement; f. toepassing van de hardheidsclausule vanuit een lokale verordening biedt geen oplossing. Artikel 4.17. Weigeringsgronden voor Maatschappelijke ondersteuning 1.

Geen Maatwerkvoorziening vanuit de Wmo wordt verstrekt: a. voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een Algemene-, Algemeen gebruikelijke-, Collectieve- of Wettelijk voorliggende Voorziening beschikbaar en toepasbaar is; b. voor zover de Cliënt op eigen kracht, met Gebruikelijke hulp of met een Algemeen gebruikelijk voorziening, met Mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan verminderen of wegnemen; c. indien het een Voorziening betreft die de Cliënt na de Melding en vóór ontvangst van de Beschikking heeft gerealiseerd, gekocht of geaccepteerd, tenzij het College daarvoor schriftelijke toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; d. als deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij kortdurende hulp bij het huishouden of Begeleiding leidt tot het te bereiken resultaat; e. de medische noodzaak is niet- of niet voldoende aangetoond hetgeen uit onafhankelijk medisch onderzoek gebleken is; f. als de Aanvraag niet in overwegende mate op de Cliënt is gericht; g. indien een andere, passende oplossing beschikbaar is die als goedkoopst adequaat aangemerkt kan worden in de specifieke situatie van de Cliënt; h. als het College van oordeel is dat een Cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs had kunnen voorkomen of voorzien; i.

indien de Cliënt een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond of toekenning van de Maatwerkvoorziening leidt tot een onveilige- of onwenselijke situatie voor de Cliënt, de hulpverlener of de omgeving; j. als de Cliënt geen Inwoner is van de gemeente Wijk bij Duurstede; k. als blijkt dat de Client onjuiste- of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juisteof volledige gegevens tot een ander besluit van het College zou hebben geleid; l. als de Ondersteuning plaatsvindt in het buitenland, zonder dat het College daarvoor toestemming heeft gegeven.

Artikel 4.18. Criteria voor het verlenen van Wmo-ondersteuning aan Cliënten door personen uit het eigen sociale netwerk 1. Het bieden van Wmo-ondersteuning aan een Cliënt via een persoonsgebonden budget door iemand uit het eigen netwerk is niet toegestaan als dit een Mantelzorger betreft die te maken heeft met (dreigende) overbelasting. 2. De ondersteuning door een persoon uit het eigen netwerk moet passend zijn naar inzet en naar

opleidingsniveau. Artikel 4.19. Opleggen van Bijdragen bij toekenning van Voorzieningen. Een Cliënt kan een Bijdrage verschuldigd zijn in de kosten voor het gebruik van een Voorziening zoals bedoeld in artikel 1.33, niet zijnde een Individuele Voorziening (Jeugdwet). Artikel 4.20. Opleggen van Bijdragen bij toekenning van Maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo 1. Een Cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor een Maatwerkvoorziening zolang de Cliënt van de Maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het Persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. De Bijdrage, dan wel het totaal van de Bijdragen is gebaseerd op de regels die daartoe van Rijkswege zijn opgelegd en bedraagt maximaal € 19 per maand (prijspeil 2022) voor de Cliënt of de gehuwde Cliënten tezamen, onafhankelijk van inkomen of vermogen van de Cliënt en onafhankelijk van het aantal Maatwerkvoorzieningen dat aan een Cliënt is toegekend. Wijzigingen van rijkswege worden toegepast voor lokale Cliënten. 3. De Bijdrage gaat in per eerste van de maand volgend op het moment waarop de ondersteuning van start is gegaan en/of de Maatwerkvoorziening is verstrekt. Het College kan nadere regels stellen met betrekking tot het start- en stopmoment van het betalen van een Bijdrage in bijzondere omstandigheden. 4.

De termijn gedurende welke de Cliënt een Bijdrage moet betalen, hangt af van de kostprijs van de Maatwerkvoorziening zoals bepaald door een aanbesteding/inkoop, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder(s). Het College houdt rekening met een redelijke afschrijvingstermijn van Maatwerkvoorzieningen. Deze bedraagt bij trapliften 20 jaar en bij de overige Voorzieningen 7 jaar, tenzij het College anders bepaalt op goede gronden. Het College kan nadere regels stellen m.b.t. redelijke afschrijftermijnen. 5. De Bijdrage wordt door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) geïnd. Het College verstrekt aan het CAK de daarvoor benodigde gegevens zoals aantal en kostprijs van de verstrekte Maatwerkvoorzieningen. Het CAK gaat bij een samenloop van meerdere voorzieningen uit van de voorziening met de hoogste kostprijs. 6. Geen Bijdrage wordt opgelegd indien het een Maatwerkvoorziening betreft voor minderjarigen onder de 18 jaar. Als de Cliënt waarvoor de Voorziening verstrekt is, 18 jaar wordt, gaat alsnog voor de Client de verplichting in tot betalen van de Bijdrage. 7. Geen Bijdrage wordt opgelegd voor de volgende Maatwerkvoorzieningen: rolstoel, Respijtzorg, of Kortdurend verblijf , cliëntondersteuning, verhuis- of inrichtingsvergoeding, Bemoeizorg of Waakvlamzorg en bij financiële tegemoetkomingen. 8.

Geen bijdrage wordt opgelegd aan meerpersoonshuishoudens, nog niet AOW-gerechtigd overeenkomstig de regels die daarvoor door het rijk gesteld zijn. Een meerpersoonshuishouden dient daarbij de voldoen aan de vereisten van een Leefeenheid. 9. Op de Maatwerkvoorzieningen Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang is de Bijdrage van € 19 per maand (prijspeil 2022) niet van toepassing. Hiervoor blijven inkomensafhankelijke eigen bijdragen gelden, die door het CAK worden vastgesteld. Wijzigingen in het rijksbeleid kunnen tot aanpassingen leiden.

Artikel 4.21. Bijdragen voor Maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo 1. De Bijdragen voor Maatwerkvoorzieningen zijn als volgt: a. Bijdrage voor Maatwerkvoorziening Huishoudelijke Ondersteuning of Begeleiding of Persoonlijke verzorging: € 19 per maand (prijspeil 2022). b. Maatwerkvoorziening hulpmiddelen en individueel vervoer (o.a. scootmobielen, driewielfietsen, sportrolstoelen): de Bijdrage is gebaseerd op de kostprijs van hetgeen als gebruikelijk uit het assortiment van de door de Gemeente gecontracteerde leverancier in rekening wordt gebracht aan de Gemeente, inclusief onderhoud: € 19 per maand totdat de kostprijs betaald is (prijspeil 2022).

Indien het een voorziening betreft die niet in het kernassortiment is opgenomen, is de kostprijs leidend. Als de voorziening afbetaald is, geldt de Bijdrage nog voor de kosten van het onderhoud. c. Maatwerkvoorziening Woonvoorziening (niet-bouwkundige of niet-woontechnische Woonvoorziening in de vorm van een losse of roerende woonvoorziening: € 19 per maand totdat de aanschafprijs betaald is, inclusief onderhoud (prijspeil 2022). Als de voorziening afbetaald is, geldt de Bijdrage nog voor de kosten van het onderhoud. d. Maatwerkvoorziening Woonvoorziening in de vorm van een Woningaanpassing: € 19 per maand totdat de aanschafprijs geheel betaald is, inclusief onderhoud (prijspeil 2022). Als de voorziening afbetaald is, geldt de Bijdrage nog voor de kosten van het onderhoud. e. Maatwerkvoorziening regiotaxi: de Bijdrage bedraagt € 1,05 per startzone, vermeerderd met € 1,05 per gereisde zone (prijspeil 2022). Het College kan deze bijdrage jaarlijks indexeren. 2. Indien sprake is van vervanging van een Maatwerkvoorziening, kan opnieuw een Bijdrage opgelegd worden. Hetzelfde geldt als binnen een Leefeenheid de eerder toegekende Maatwerkvoorziening naar een andere Cliënt gaat. 3. Het College kan bepalen dat in bijzondere gevallen geen Bijdrage wordt opgelegd. Artikel 4.22. Bijdragen voor Algemene voorzieningen 1.

Het College kan bepalen dat de Cliënt/Inwoner voor het gebruik van Algemene voorzieningen een Bijdrage dient te betalen zolang Cliënt gebruik maakt van de voorziening. 2. De Bijdragen voor Algemene voorzieningen zijn gelijk aan de kostprijs tot een maximum van € 19 per maand (prijspeil 2022). 3. De bepalingen in artikel 4.4. zijn ook van toepassing op Bijdragen voor Algemene voorzieningen. Hetzelfde geldt voor de bepaling in artikel 4.5., 3e lid. Artikel 4.23. Verhouding prijs – kwaliteit levering diensten door derden (Wmo) 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het College vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 of de sindsdien in werking getreden aanbestedingswetgeving en het aangaan van een overeenkomst met derden of; b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1° een inschrijving en het aangaan overeenkomst met derden, en 2° de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het College stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst en b.

rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het College baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht en de benodigde deskundigheid; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen; g. de aard en omvang van de te verrichten taken. 4. Het College kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan derden de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het College verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Hoofdstuk 5

Jeugdhulp

Artikel 5.1. Toekenning Individuele voorziening vanuit de Jeugdwet Een Cliënt komt in aanmerking voor een Individuele voorziening onder de voorwaarden zoals in de Jeugdwet vermeld, artikel 1.1., definitie Jeugdhulp en overeenkomstig het gestelde in de Jeugdwet, artikel 2.3. Artikel 5.2. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het College draagt zorg voor de inzet van Jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van Jeugdhulp nodig is. 2. Als de Jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het College de te verlenen Individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een Beschikking als bedoeld in artikel 2.9. 3. De basis voor de toekenning van de individuele voorzieningen Jeugdhulp wordt gevormd door de productbeschrijvingen met toelichting zoals door het College vastgesteld bij de aanbesteding door de samenwerkende regio Zuidoost Utrecht in 2021. Artikel 5.3.

Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het College houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren Jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten inclusief een voor de sector reële mate van nonproductiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d. kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel 5.4. Vertrouwenspersoon 1. Het College zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het College wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Hoofdstuk 6

Kwaliteit , klachten, medezeggenschap en inspraak

Artikel 6.1. Kwaliteitseisen Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp 1. Onverminderd het bepaalde in de Wmo en de Jeugdwet, zorgen Aanbieders voor een goede kwaliteit van Voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van Voorzieningen op de persoonlijke situatie van de Inwoner of Cliënt; b. het bieden van zorg die veilig, doeltreffend en doelmatig wordt verleend en het afstemmen van Voorzieningen op andere vormen van zorg, waaronder Informele zorg en andersoortige Voorzieningen zoals bedoeld in artikel 1.39.; c. toezicht op beroepskrachten opdat zij tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van Voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het College toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met Aanbieders, cliënt ervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de Cliënt of zijn vertegenwoordigers ter plaatse controleren van de geleverde Voorzieningen. Artikel 6.2. Specifieke kwaliteitseisen Jeugdhulp 1. Voor de verdere kwaliteitseisen bij de uitvoering van de Jeugdwet, voldoet het College aan het Kwaliteitskader Jeugd. 2. Als het gaat om Jeugdhulp in het buitenland, past het College het ‘Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd van de Vereniging Nederlandse Gemeenten’ toe.

Voor uitvoering van Jeugdhulp in het buitenland is specifieke toestemming van het College nodig. Artikel 6.3. Verklaring omtrent gedrag (Wmo en Jeugdhulp) 1. Een Aanbieder, die een Maatwerkvoorziening Begeleiding vanuit de Wmo biedt of een Individuele voorziening vanuit de Jeugdwet, is in het bezit van een Verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met zijn cliënten in contact kunnen komen. Deze verklaring is niet eerder afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkenen voor de aanbieder ging werken. In het geval een aanbieder een solistisch werkende natuurlijk persoon is, is hij in het bezit van een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, afgegeven op een tijdstip dat niet langer dan drie jaar is verstreken. 2. Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing voor beroepskrachten en andere personen die zijn aangesteld omdat zij ervaringsdeskundige zijn. Aanbieder dient dan op andere wijze aan te tonen dat de veiligheid en de kwaliteit van de dienstverlening geborgd is. Het College kan hierover nadere regels stellen. Artikel 6.4. Klachtregeling 1.

Het College stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van Cliënten die betrekking hebben de wijze van afhandeling van Meldingen en Aanvragen. 2. Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend, stellen een effectieve en laagdrempelige regeling vast voor de afhandeling van klachten van Cliënten ten aanzien van gedragingen van de Aanbieder jegens een Cliënt en maken deze regeling bekend aan Cliënten en mantelzorger(s). 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het College toe op de naleving van de klachtregelingen van Aanbieders van Maatwerkvoorzieningen en Individuele voorzieningen door middel van periodieke overleggen met Aanbieders, en door middel van cliënt ervaringsonderzoek.

Artikel 6.5. Medezeggenschap

1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van Cliënten over voorgenomen besluiten van de Aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de aan hen verstrekte ondersteuning en hulp. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het College toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van Aanbieders door periodieke overleggen met de Aanbieders en een cliënt ervaringsonderzoek. Artikel 6.6. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het College betrekt ingezetenen van de Gemeente, waaronder in ieder geval Cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp. 2. Het College stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffendemaatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het College kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 7 Toezicht, handhaving, voorkomen en bestrijden ten onrechte ontvangen voorzieningen Artikel 7.1. Toezicht en handhaving met betrekking tot de kwaliteit van Wmo-voorzieningen Ter uitvoering van het gestelde in artikel 6.1. van de Wmo wijst het College een toezichthouder aan die toezicht houdt op de naleving van de Wet en deze Verordening. 1. Het College stelt een handhavingskader op waarin de maatregelen staan opgenomen die van toepassing zijn indien de toezichthouder omissies of knelpunten signaleert die ten koste gaan van de kwaliteit van de dienstverlening of die kunnen leiden of geleid hebben tot calamiteiten. 2. Het College kan een handhavend ambtenaar aanwijzen die bij overtredingen op de Wet en op deze verordening ingrijpt. Artikel 7.2. Meldingsregeling en toezicht calamiteiten en geweld van Wmo-voorzieningen 1. Het College treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een Maatwerkvoorziening door een Aanbieder. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een Voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het College over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel 7.3.

Onderzoek naar recht- en doelmatigheid van Maatwerkvoorzieningen (Wmo), Individuele voorzieningen (Jeugdwet) en van pgb’s 1. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van Maatwerkvoorzieningen, Individuele voorzieningen en Persoonsgebonden budgetten met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid van het gebruik daarvan. 2. Het College onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of het Persoonsgebonden budget wordt besteed ten behoeve van het resultaat waarvoor het verstrekt is. 3. Het College wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op- en bestrijding van ten onrechte ontvangen Maatwerkvoorzieningen (Wmo) en Individuele voorzieningen (Jeugdwet) of een pgb, alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo of Jeugdwet, dan wel van deze Verordening. 4. Het College kan pgb-beleid voor het sociaal domein vaststellen waarin nadere regels zijn opgenomen met betrekking tot het Persoonsgebonden budget. Artikel 7.4.

Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen Maatwerkvoorzieningen (Wmo) of Individuele voorzieningen (Jeugdwet) en misbruik of oneigenlijk gebruik Het College informeert Cliënten of hun vertegenwoordigers in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een Maatwerkvoorzieningen, een Individuele Voorziening of Persoonsgebonden budget zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo, Jeugdwet of van deze Verordening. Artikel 7.5. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wmo of artikel 8.1.2. van de Jeugdwet doet een Cliënt of zijn wettelijke vertegenwoordiger aan het College op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een Maatwerkvoorziening of een Individuele voorziening. 2. Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wmo of artikel 8.1.4. van de Jeugdwet kan het College een beslissing aangaande een Maatwerkvoorziening of een Individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het College vaststelt dat: a. de Cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b.

de Cliënt niet langer op de Maatwerkvoorziening of de Individuele Voorziening is aangewezen;

c. de Maatwerkvoorziening of de Individuele Voorziening niet meer toereikend is te achten; d. de Cliënt niet (meer) voldoet aan de aan de Maatwerkvoorziening of Individuele Voorziening verbonden voorwaarden; e. de Cliënt de Maatwerkvoorziening of Individuele voorziening niet- of voor een ander doel gebruikt. 3. Als het College de Beschikking op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de Cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het College van de Cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten Maatwerkvoorziening of Individuele Voorziening. 4. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte Voorziening is ingetrokken, kan deze Voorziening worden teruggevorderd. 5. De bepalingen in dit artikel zijn van toepassing op alle vormen van versterkte Maatwerkvoorzieningen of Individuele voorzieningen, dus ook op persoonsgebonden budgetten of financiële tegemoetkomingen.

Hoofdstuk 8

Bijzondere bepalingen en tegemoetkomingen voor Mantelzorgers

Artikel 8.1. Waardering en ondersteuning van Mantelzorgers 1. Ondersteuning van Mantelzorg is kosteloos beschikbaar voor alle Inwoners onder andere in de vorm van Respijtzorg, het steunpunt Mantelzorg, informatie voor Mantelzorgers, lotgenotencontacten etc. 2. Jaarlijks ontvangen Mantelzorgers een blijk van waardering in de vorm van een verwendag, een cadeaubon of een andere blijk van waardering. De jaarlijkse blijk van waardering voor Mantelzorgers heeft een waarde van maximaal € 75 per jaar (prijspeil 2022). Het College kan, gehoord de adviesraad sociaal domein en het lokale steunpunt Mantelzorg, een ander bedrag vaststellen als de begroting dit toelaat.

Hoofdstuk 9

Slotbepalingen en overgangsbepalingen

Artikel 9.1. Hardheidsclausule en nadere regels 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze Verordening niet voorziet, beslist het College. 2. Het College kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze Verordening. 3. Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van de Cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 9.2. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Wijk bij Duurstede 2020’ wordt ingetrokken per 1 januari 2022. 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening in het eerste lid genoemd en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de oude verordening tenzij een Beschikking op een Aanvraag op grond van de nieuwe Verordening voor de Cliënt gunstiger zou uitvallen. Artikel 9.4. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 9.5. Citeertitel Deze Verordening wordt aangehaald als ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Wijk bij Duurstede 2022’.

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2022 gemeente Wijk bij Duurstede INHOUDSOPGAVE 35 Inleiding Toelichting op aanpassingen in deze verordening

35

Toelichting op de verordening algemeen Basis voor de verordening 37 Integrale aanpak 37 Zo zwaar als het moet, zo licht al het kan 37 Wettelijke grondslag verordening: Wmo 38 Wettelijke grondslag verordening: Jeugdhulp 38 Ruimte voor eigen beleid van de gemeente 39 Mandaatverlening van de uitvoering en integrale aanpak 39 Open einde regelingen 39 Zorgvuldigheid en maatwerk 39 Het proces van melding en aanvraag tot beschikking 40 De toekenning van een voorziening en weigeringsgronden 40 Intrekken of wijzigen van een voorziening 40 Bezwaar, beroep 40 Soorten voorzieningen 41 Zorg in natura of zorg via een persoonsgebonden budget 41 Pgb’s vanuit de Jeugdwet 42 Toetsen van de resultaten van beschikkingen 42 Kwaliteit van de geleverde zorg 43 Contractbeheer 43 Toezicht van- en handhaving op de kwaliteit van de geleverde zorg 43 Voorkomen en bestrijden van fraude 43 Privacy van de cliënt 44 Eigen keuze voor de cliënt 44 ‘Gebruikelijke hulp’ (Wmo) en ‘redelijke hulp’(Jeugdwet) 44 Reële prijzen bij inkoop van diensten 45 Mantelzorgondersteuning en vragen om medewerking van mantelzorgers Nadere toelichting op een aantal aspecten van Wmo-ondersteuning 46 Nadere toelichting op een aantal aspecten van Jeugdhulp 47

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2022 gemeente Wijk bij Duurstede Inleiding Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet Maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo) en aan de Jeugdwet. Het vaststellen van een lokale verordening is een wettelijke verplichting vanuit beide wetten. De wetten schrijven een aantal verplichte onderdelen voor. Daarnaast is er ruimte voor lokaal maatwerk. Hoofddoel van de verordening is om op basis van de wettelijke bepalingen vast te leggen via welke procedure en onder welke voorwaarden inwoners in aanmerking kunnen komen voor Maatwerkvoorzieningen (Wmo) of Individuele voorzieningen (Jeugdwet). Daarnaast is de gemeente onder andere verplicht om zaken als de kwaliteit van de voorzieningen, medezeggenschap van cliënten en toezicht op de uitvoering in de verordening vast te leggen. Uiteindelijk doel van beide wetten is dat inwoners zo lang mogelijk zelfstandig of met inzet van hun directe omgeving in de eigen leefomgeving kunnen functioneren en zich ontwikkelen naar vermogen. Deze toelichting bevat op hoofdlijnen informatie over de verschillende onderdelen van de verordening en op wijzigingen ten opzichte van de verordening 2020.

Toelichting op aanpassingen in deze verordening In december 2019 heeft de raad een nieuwe, integrale verordening vastgesteld die per 1 januari 2020 in werking trad. Inmiddels is het nodig een nieuwe versie vast te stellen. Dat heeft een aantal redenen: 1. De regionale inkoop ambulante Jeugdhulp en Wmo-begeleiding: Per 1 juli 2021 zijn nieuwe contracten ingegaan met toegelaten zorgaanbieders. Ter voorbereiding daarop zijn de producten die we als regio inkopen opnieuw beschreven. Belangrijke wijzigingen zijn: − Jeugdhulp en Wmo-begeleiding: de inkoop was gericht op de wettelijke taken. Alleen de wettelijke taken zijn ingekocht. In de verordening is daarom een verwijzing op genomen naar de productbeschrijvingen die bij de inkoop gehanteerd zijn. − Wmo: bemoeizorg en respijtzorg zijn producten die nieuw beschreven zijn. Ook is de zgn. waakvlamzorg opgenomen: cliënten die na beëindiging van hun begeleidingstraject wellicht nog een steuntje in de rug kunnen gebruiken, krijgen de gelegenheid om gedurende een jaar maximaal 10 uur begeleiding aan te vragen. 2. Pgb-tarieven (Wmo en Jeugdwet): De meeste pgb-tarieven zijn direct afgeleid van de tarieven voor levering van zorg in natura. De benodigde aanpassingen zijn opgenomen. De bedragen zijn in de verordening opgenomen; dit is verplicht vanuit jurisprudentie. In de verordening is nu ook opgenomen waarop de bedragen gebaseerd zijn.

Een dergelijke toelichting is ook vereist vanuit jurisprudentie. Zie artikel 3.2. Toegevoegd zijn pgb-tarieven voor Wmovervoer en Wmo-bemoeizorg. 3. Weigeringsgronden pgb’s (Wmo en Jeugdwet): Deze zijn aangevuld. Bij de inkoop is sterk ingezet op controle van de kwaliteit bij zorg in natura aanbieders. Het is wenselijk om ook de kwaliteit van pgb-zorgaanbieders meer te checken. Toegevoegd in artikel 3.3. zijn daarom weigeringsgronden die met kwaliteit te maken hebben. Artikel 3.6. is nieuw en bevat bepalingen waaraan het pgb-budget niet besteed mag worden. Doel hiervan is dat het totaal beschikbare budget aan de ondersteuning besteed wordt.

4. Eigen bijdragen (Wmo): De verordening bevatte al een aantal producten waarvan bepaald was dat daarvoor geen eigen bijdrage betaald hoeft te worden. Deels is dat wettelijk bepaald (bijvoorbeeld voor rolstoelen of clientondersteuning), deel zijn dat eigen keuzes van de gemeente. Zie artikel 4.4., 6e en 7e lid. Daaraan zijn nu toegevoegd: Voorzieningen t.b.v. inwoners onder de 18 jaar. Onderbouwing: voorheen werd die bijdrage wel opgelegd bij woningaanpassingen voor minderjarigen. Dit komt zelden voor en administratief geeft het relatief veel werk. Waakvlamzorg. Onderbouwing: dit is zorg voor maximaal 10 uur die bij wijze van ‘strippenkaart’ aan een cliënt verstrekt wordt na afloop van de begeleiding/ondersteuning. De cliënt kan deze zorg het eerste jaar zelf op afroep inzetten. Het is niet reëel om voor een dergelijke beperkte indicatie een eigen bijdrage op te leggen en administratief erg lastig te regelen. Bemoeizorg. Onderbouwing: juist bemoeizorgcliënten vertonen nogal eens zorgmijdend gedrag. Het opleggen van een eigen bijdrage is dan een extra drempel en dat is ongewenst. 5. Criteria voor toekenning van Maatwerkvoorzieningen (Wmo) In jurisprudentie ronde de Wmo wordt steeds meer aangedrongen op het opnemen van de ‘essentialia’ van het beleid in de verordening en niet in beleidsregels.

Tijdens een recente rechtspraak waar onze gemeente bij betrokken was, bleek dat de rechtbank ook criteria in de verordening opgenomen wenst te zien voor afwegingen bij aanvragen per mogelijk toe te kennen Maatwerkvoorziening opgenomen. Deze zijn daarop toegevoegd in de artikelen 4.2. – 4.19. 6. Financiële tegemoetkomingen In uitzonderlijke casussen kan een financiële tegemoetkoming verstrekt worden als aannemelijk is dat een client structurele meerkosten heeft die zijn te herleiden tot de chronische aandoening of beperking en die niet op een andere manier zijn op te lossen. De meeste vergoedingen waren al jaren niet geïndexeerd. Bovendien was niet goed meer te herleiden waarop de hoogte van de vergoeding gebaseerd was. Daarom zijn de volgende aanpassingen opgenomen: Wmo: éénmalige vergoeding voor verhuiskosten: dit is opgehoogd van maximaal € 2.700 in de oude verordening naar € 3.167 (artikel 4.7., 5e lid). Toelichting: Daarmee is de eventuele vergoeding op hetzelfde niveau gebracht als woningcorporaties verstrekken in voorkomende gevallen van gedwongen verhuizing. Wmo: éénmalige vergoeding voor inrichtingskosten: dit is opgehoogd van maximaal € 2.700 in de oude verordening naar € 3.167 (artikel 4.7., 4e lid). Toelichting: zie hierboven.

Wmo (artikel 4.7., 6e lid): vergoedingen voor aangepaste sportvoorzieningen zijn gewijzigd in een maximaal bedrag van € 2.850 per vijf jaar naar hetzelfde bedrag per drie jaar. Toelichting: de ervaring leert dat dergelijke voorzieningen snel slijten. Een vergoeding per drie jaar (indien nodig) is dan reëel. 7. Mantelzorgwaardering Voorheen ontvingen mantelzorgers jaarlijks en een verwendag, en een cadeaubon. Dat is via de Begroting 2022 gewijzigd in of een verwendag of een cadeaubon per jaar, of een andere blijk van waardering. Zie artikel 8.1., 2e lid.

8. Nadere regels door het college Het is belangrijk dat in de verordening duidelijk staat opgenomen over welke onderwerpen de raad het toestaat dat het college ‘nadere regels’ te stellen. In diverse artikelen staat daarom een verwijzing opgenomen. Het gaat onder andere over de volgende lokale beleidsregels: − indicatieprotocol huishoudelijke ondersteuning; − beleidsregels rond persoonsgebonden budgetten; − beleidsregels Wmo algemeen; − kader voor handhaving en fraudepreventie.

Toelichting op de verordening algemeen Basis voor de verordening Deze verordening is opgesteld met de modelverordeningen Jeugd en Wmo van de VNG als basis. Daarnaast is gebruik gemaakt van lokale ervaringen in de praktijk, regionale ontwikkelingen en jurisprudentie. Deze verordening vervangt de verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Wijk bij Duurstede 2020. Integrale aanpak Met het toekennen van nieuwe taken in 2015 aan gemeenten (Jeugdwet en Wmo begeleiding) was er de noodzaak om nieuwe verordeningen op te stellen. Sinds 2020 beschikken we over een integrale verordening voor Wmo en Jeugdhulp. Niet alleen om praktische redenen -de modelverordeningen bevatten veel artikelen die letterlijk hetzelfde zijn- maar vooral op inhoudelijke gronden: de gedachte van ‘één gezin, één plan’ komt in de uitvoeringspraktijk beter tot zijn recht als het lokale afwegingskader integraal is opgesteld. In de praktijk wordt al bij zowel aanvragen vanuit de Wmo als de Jeugdwet door loket Wijk zoveel als nodig en mogelijk is de integrale situatie van de cliënt en zijn familie/huishouden/gezin bezien. Waar nodig zoeken we naar integrale oplossingen, vaak in de vorm van arrangementen die verschillende voorzieningen omvatten. Eén integrale verordening vergemakkelijkt dit proces aanmerkelijk en komt de inhoudelijke toetsing ten goede.

Zo zwaar als het moet, zo licht al het kan De uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo vergt jaarlijks een omvangrijk budget. Zowel bij beleid (gemeente) als bij de uitvoering (stichting Binding) richten we ons op het toekennen van voorzieningen die nodig zijn om de draagkracht van onze inwoners te herstellen/op peil te houden en hun draaglast te beperken. Waar mogelijk ook met inzet van algemene voorzieningen (bij voorbeeld sport, bibliotheek, scholing) of met inzet van vrijwilligers (bij voorbeeld ouderen- en jongerenwerk bij Binding maar ook eeten bezoekprojecten, voorlichting en educatie, taalmaatjes etc.). Sinds het opstellen van de Wijkse Maatschappelijke agenda is preventie belangrijker: een wijkhuiskamer, beweegactiviteiten door buurtsportcoaches, spreekuren ‘grip op de knip’, vroegsignalering bij schulden etc. kunnen erger helpen voorkomen. Bij de regionale inkoop Jeugdhulp en Wmo-begeleiding hebben we eveneens oog gehad voor het beperken van uitgaven. Voorbeelden hiervan zijn: - alleen zorg en ondersteuning inkopen die wettelijk verplicht is; -

meer aandacht voor tijdig afschalen van de verstrekte zorg en ondersteuning;

-

bij de Wmo scherpere afkadering van (duurdere) specialistische ondersteuning.

Wettelijke grondslag verordening: Wmo

In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3 tweede tot en met vierde lid, 2.1.4 derde en zevende lid, 2.1.6 en 2.6.6. eerste lid van de Wmo 2015 in ieder geval vastgelegd te worden: − op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; − op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; − welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; − ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; − ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; − op welke wijze inwoners, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg; − op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt berekend; − hoe welke wijze preventie op- en aanpak van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wet bestreden

wordt; − op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente; − hoe de kwaliteit van de voorzieningen geborgd wordt, alsmede de prijs-kwaliteitsverhouding bij de inkoop daarvan. Wettelijke grondslag verordening: Jeugdhulp De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: − over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen; − met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; − over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; − over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; − voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en − ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of

jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Ruimte voor eigen beleid van de gemeente Veel is wettelijk vastgelegd. Er zijn wel onderdelen waarop als gemeente eigen beleid gevoerd kan worden: - Eigen bijdragen voor Wmo-voorzieningen (artikel 4.20 e.v.): hoewel het rijk sinds 2019 alle eigen bijdragen gemaximaliseerd heeft op een vast bedrag, kan de gemeente besluiten nog lagere eigen bijdragen te vragen aan cliënten of helemaal geen eigen bijdrage te vragen. De gemeente kan ook bepalen voor welke duur een eigen bijdrage betaald moet worden, tot maximaal de kostprijs van een voorziening. In deze verordening is daarvoor gekozen (artikel 4.5.). - Weigeringsgronden (Wmo): vanuit de Jeugdwet is het vaststellen van weigeringsgronden op voorhand niet mogelijk. Bij de Wmo kan dat wel. Vanuit de ervaringen van de afgelopen jaren zijn deze in artikel 4.18. weergegeven. - Tegemoetkoming meerkosten: de Wmo kent die mogelijkheid, de Jeugdwet niet. Artikel 4.22. bevat de keuzes voor Wijk bij Duurstede. - Mantelzorgondersteuning is een verplichte taak, de wijze waarop dat ingevuld wordt, is gemeentelijk beleid (artikel 8.1.). - Persoonsgebonden budgetten: wettelijk is verplicht de mogelijkheid van een pgb te bieden. De tarieven die daarvoor betaald worden aan cliënten, zijn vrij te bepalen, maar dienen uiteraard wel reëel te zijn bij zowel Wmo- als Jeugdwet cliënten. Artikel 3.2. geeft weer waarop de tarieven gebaseerd zijn.

Gemeentelijk beleid bepaalt ook wat de weigeringsgronden voor een PGB zijn. Deze zijn in artikel 3.3. opgenomen. Artikel 3.6. bepaalt daarnaast waaraan pgb-budgetten niet besteed mogen worden. Mandaatverlening van de uitvoering en integrale aanpak De Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De gemeenteraad is aan zet om op voorhand de kaders vast te leggen, zoals deze verordening. De daadwerkelijke toekenning van Wmo- en Jeugdvoorzieningen gebeurt namens het college in mandaat door deskundigen van stichting Binding. Daarbij kunnen indien nodig experts op medisch- of psychosociaal gebied geraadpleegd worden. In de praktijk vindt een integrale toetsing van de situatie van de cliënt en diens familie plaats. Groot voordeel daarvan is dat achterliggende vragen opgespoord worden, en tegelijk gekeken wordt naar andere oplossingen bij voorbeeld in de vorm van algemeen toegankelijke voorzieningen. De inbedding van de indicatiestelling bij stichting Binding draagt in hoge mate bij aan deze integrale aanpak. Zo beschikt Binding ook over capaciteit voor kortdurende hulpverlening op onder andere jeugdhulp en algemeen maatschappelijk werk. Open einde regelingen Zowel de Wmo als de Jeugdwet zijn zgn. ‘open-einde regelingen’.

Dat betekent dat een eventueel tekort in het gemeentelijk budget geen reden kan zijn om aangevraagde voorzieningen te weigeren. Met name bij de Wmo is als gevolg van jarenlange jurisprudentie ontstaan dat aan de ‘voorkant’ (bij de beoordeling van de Aanvraag) er steeds minder ruimte is om gemeentelijk beleid op te stellen dat strenger en beperkter indiceren mogelijk maakt. Een bekend voorbeeld daarvan betreft de huishoudelijke ondersteuning: landelijke regelgeving vraagt van gemeenten dat aan zorgaanbieders reële prijzen betaald worden voor hun inzet, terwijl tegelijkertijd een nieuwe cao voor het betrokken personeel de tarieven onder druk zet. Ook de ingrepen van het rijk in de eigen bijdragen die gemeenten mogen opleggen voor het benutten van Wmo-voorzieningen, zijn zeer beperkend. Zorgvuldigheid en maatwerk Het is van groot belang een zorgvuldige toetsingsprocedure te doorlopen om de hulpvraag van de inwoner, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen. Jurisprudentie wijst voortdurend op de noodzaak van maatwerk: wat is nodig en haalbaar in een bepaalde casus. Daarbij behoort ook de toets hoe het ervoor staat met de betrokken mantelzorgers. In de Wijkse praktijk komen zorgvuldigheid en maatwerk o.a. tot stand door bij nieuwe aanvragen altijd een huisbezoek af te leggen voor het eerste gesprek.

Dit gesprek gaat verder dan de oorspronkelijke hulpvraag en kan ook leiden tot het besluit geen voorziening vanuit de Wmo of Jeugdwet toe te kennen maar Inwoners te verwijzen naar andere mogelijkheden die zij zelf kunnen benutten (zoals welzijnswerk,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11054144/1