308139 Raadsvoorstel- en besluit - WMO en jeugdverordening aangepast 20 jan
Tekst van het document
opvoedcursussen, tafeltje dekje, een verstrekker van (tweedehands) hulpmiddelen etc.). Cliënten kunnen tijdens dit proces gratis een beroep doen op een onafhankelijke cliëntondersteuner. De wetten stellen ook nadrukkelijk dat cliënten in staat gesteld moeten worden een persoonlijk plan (Wmo) of een familiegroepsplan (Jeugdwet) in te dienen. In bijzondere gevallen, als toepassing van de regels zou leiden tot ‘onbillijkheden van overwegende aard’ kan de zgn. hardheidsclausule uit artikel 9.1. van de verordening toegepast worden. Bij de beoordeling van een vraag vindt altijd de afweging plaats of er andere wettelijke aanspraken zijn die de cliënt kan benutten, bij voorbeeld wijkverpleging of persoonlijke verzorging (Zorgverzekeringswet) of opname in een instelling (Wet langdurige zorg). Wettelijk gezien zijn deze voorzieningen voorliggend. Dat wil zeggen dat het college geen voorziening hoeft toe te kennen als er andere wettelijke mogelijkheden beschikbaar zijn. In de praktijk werken we veel samen met uitvoerders van zowel Zorgverzekeringswet (huisartsen, wijkverpleging, casemanagers dementie) als vanuit de Wet langdurige zorg (verpleeghuis). Grensvlakken tussen wetten zijn soms vaag, en vragen goed overleg.
Het proces van melding en aanvraag tot beschikking Deze verordening bevat in hoofdstuk 2 de bepalingen met betrekking tot het proces van melding tot eventuele toekenning van een voorziening. Daarbij is onder andere ook geregeld dat het mogelijk is, na toestemming van de cliënt, een externe deskundige te vragen een advies uit te brengen over een aanvraag. Zo heeft de gemeente onder andere een contract met een objectief adviesorgaan voor sociaal-/medische advisering. De artsen van dit adviesorgaan zijn bevoegd en in staat om eventueel met behandelend artsen van de cliënt in contact te treden. Uiteraard gebeurt dit met inachtneming van de privacy wetgeving. De toekenning van een voorziening en weigeringsgronden Zowel de Wmo als de Jeugdwet geven aan wat de criteria zijn voor toekenning van een maatwerkvoorziening (Wmo, zie artikel 4.1.) of een individuele voorziening (Jeugdwet, zie artikel 5.1.). Deze bepalingen bieden ruimte voor enig lokaal beleid. Door middel van jurisprudentie wordt de juiste interpretatie van de wetteksten langzamerhand steeds verder ingevuld. De Jeugdwet kent geen weigeringsgronden. Deze zouden eventueel moeten blijken uit het gesprek en de vraagverheldering. De Wmo kent een lange uitvoeringspraktijk die wel toestaat dat op voorhand weigeringsgronden vastgesteld worden door een gemeente. In deze verordening zijn deze opgenomen in artikel 4.2.
Deze meeste weigeringsgronden spreken voor zich. Intrekken of wijzigen van een voorziening Beide wetten bevatten bepalingen waarin geregeld is dat cliënten verplicht zijn melding te doen van (gewijzigde) omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat ze aanleiding kunnen zijn tot aanpassing of intrekking van de toegekende voorziening. Het college kan ook zelf een toegekende voorziening intrekken, bij voorbeeld als deze niet meer toereikend is of de cliënt de voorziening voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze is toegekend. Zie hiervoor de Wmo artikel 7.5. en de Jeugdwet artikel 8.1.2. Bezwaar, beroep Indien de Cliënt niet kan instemmen met het uiteindelijke resultaat van dit proces, kan bezwaar (bij het college) en beroep (rechter)aangetekend worden. Dit komt in Wijk bij Duurstede overigens zelden voor omdat tijdens het proces veel aandacht wordt besteed aan een toelichting op een eventuele negatieve beschikking. Soorten voorzieningen De Wmo spreekt van maatwerkvoorzieningen die toegekend kunnen worden, de Jeugdwet van individuele voorzieningen. Wmo-maatwerkvoorzieningen zijn er op het gebied van huishoudelijke ondersteuning, wonen, rollen, vervoer, begeleiding, respijtzorg, bemoeizorg en (soms) persoonlijke verzorging.
Individuele voorzieningen vanuit de Jeugdwet zijn er in de vorm van ambulante hulp, (kortdurend) verblijf, dagbehandeling, pleegzorg, jeugd GGZ, crisisopvang, essentiële functies (24-uurs opvang voor jeugdigen met ernstige gedragsproblemen zoals Jeugdzorg +, en driemilieuvoorzieningen) en landelijke ingekochte zorg in het kader van het Landelijk Transitie Arrangement. In de afwegingen die vooraf gaan bij het wel/niet toekennen van een voorziening, is altijd de vraag relevant of er algemene voorzieningen voorhanden zijn, die de ondersteuningsvraag van de cliënt kunnen oplossen of daaraan een bijdrage kunnen leveren. Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die zonder individuele toetsing of onderzoek toegankelijk zijn voor alle inwoners. Het kan voorkomen dat Inwoners voor het gebruik van dergelijke voorzieningen een bijdrage moeten betalen. Uit jurisprudentie blijkt dat dergelijke bijdragen ook in de verordening opgenomen dienen te worden zodat de gemeenteraad daarop inbreng heeft. Het rijk heeft aangekondigd ook regelingen te treffen voor de eigen bijdragen op algemene voorzieningen. Daartoe is artikel 4.6. opgenomen. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn: - Wmo: welzijnsvoorzieningen, Wijkse dienst voor vervoer, Tafeltje Dekje, was- en strijkservice, etc. - Jeugd: opvoedcursussen, kinderopvang, vroeg- en voorschoolse educatie etc.
Bij de Wmo is daarnaast het begrip algemeen gebruikelijke voorzieningen relevant. Dit zijn voorzieningen die niet specifiek bedoeld zijn voor mensen met een functiebeperking en algemeen verkrijgbaar zijn. Dergelijke voorzieningen behoeven niet vanuit de Wmo verstrekt te worden. Voorbeelden hiervan zijn: een fiets met trapondersteuning, brandmelders en eenvoudige hulpmiddelen die bij lokale winkels verkrijgbaar zijn. Vanuit jurisprudentie zijn er criteria waaraan een voorziening moet voldoen om het predikaat ‘algemeen gebruikelijk’ te verdienen: is daadwerkelijk beschikbaar, levert een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie van de client, en is financieel bereikbaar voor een client met een inkomen op bijstandsniveau. Domotica (technische en/of digitale hulpmiddelen) vormen een apart soort voorzieningen. Ze komen in toenemende mate beschikbaar om zelfstandig thuis wonen veilig en comfortabel te houden. Ze bieden goede aanvullende ondersteuning maar zijn vaak ook prijzig. Tot dusverre komen ze zelden voor vergoeding in aanmerking vanuit bij voorbeeld de Zorgverzekeringswet. Dat betekent dat geschikte domotica niet altijd toegankelijk zijn voor alle inwoners die daaraan behoefte hebben. In deze Verordening is daarom artikel 4.7. 8e lid toegevoegd.
Dat biedt mogelijkheden om in gevallen waarin inwoners gebaat zouden zijn bij domotica, deze vanuit de Wmo toe te kennen. Echter wel met de beperking dat het gaat om zelfredzaamheid bij thuiswonende cliënten met een ernstige beperking of ondersteuning van hun mantelzorgers. Een beperking is ook dat het alleen cliënten betreft die zelf niet kunnen voorzien in aanschaf of abonnement. Daarnaast zijn er domotica gericht op gezondheidsbevordering of medische zorg, persoonlijke verzorging, comfort etc. Deze komen niet voor vergoeding vanuit de Wmo in aanmerking omdat ze niet onder het regime van de wet vallen. Zorg in natura of zorg via een persoonsgebonden budget Zowel Wmo als Jeugdwet bepalen dat cliënten de keuze moeten hebben tussen de levering van toegekende zorg ’in natura’ of via een persoonsgebonden budget (pgb). Zorg in natura houdt in dat de gemeente de zorg inkoopt via contracten met zorgleveranciers. De cliënt krijgt met een beschikking toegang tot de levering van zorg. Cliënten kunnen dan een keuze maken uit de gecontracteerde aanbieders. Stichting Binding zorgt voor informatie over de verschillende aanbieders en toeleiding van de cliënt naar de gekozen aanbieder. De rekening voor de geleverde zorg wordt door de aanbieder naar Binding gestuurd. Voor een pgb is eveneens een beschikking nodig om toegang te krijgen tot hulp of ondersteuning.
De cliënt kiest vervolgens zelf een zorgverlener, treedt op als werkgever, is verantwoordelijk voor de kwaliteit en regelt aard en inhoud van de zorg zelf. Om fraude te voorkomen wordt het desbetreffende zorgbudget door Binding overgemaakt naar de Sociale Verzekeringsbank die zorgt voor uitbetaling van de lonen aan de zorgverlener. De cliënt zelf krijgt het budget dus niet in handen (het zgn. ‘trekkingsrecht’). Voordeel van
deze constructie is de hoge mate van eigen betrokkenheid, keuze en verantwoordelijkheid bij de cliënt. Deze kan ook kiezen voor zorgverleners die niet door de gemeente gecontracteerd zijn. De verordening bevat in artikel 3.2., 5e lid b een opsomming voor producten waarvoor wij geen pgb wensen te verstrekken. Het gaat voor om informele (niet opgeleide) hulp uit het eigen netwerk van de client voor zware huishoudelijke ondersteuning met begeleiding, specialistische individuele begeleiding en bemoeizorg. Omdat dit vormen van ondersteuning voor zware cliënten betreft, achten we inzet vanuit het eigen, informele netwerk niet gewenst. Voor begeleiding groep is dat evenmin wenselijk. In zowel de Wmo (artikel 2.3.6.) als de Jeugdwet (artikel 8.1.1.) staan vereisten opgenomen die getoetst moeten worden alvorens toekenning van een pgb aan de orde is. Zo is onder andere vastgelegd dat de cliënt gemotiveerd moet aantonen waarom de keuze voor een pgb gemaakt is en daarnaast dat toetsing moet plaatsvinden of de cliënt (eventueel met hulp van iemand uit zijn sociale netwerk) bekwaam genoeg is om het pgb te beheren en als opdrachtgever/werkgever voor de eigen zorg of ondersteuning te fungeren. Om de kans op misbruik of problemen rond de bestedingen van pgb’s te beperken, zijn in artikel 3.3. specifieke omstandigheden opgenomen die ertoe kunnen leiden dat een pgb niet wordt toegekend.
Het kan bij voorbeeld gaan om eerdere verslavingsproblematiek of dakloosheid, eerdere fraude of misbruik etc. In dergelijke casussen kan eventueel noodzakelijke hulp of ondersteuning nog altijd wel als zorg in natura toegekend worden. De bepalingen rond zorg in natura en persoonsgebonden budget zijn in deze verordening opgenomen in Hoofdstuk 3. Daarin staat opgenomen wat de bedragen zijn voor pgb-toekenningen per product en waarop deze gebaseerd zijn. Voor de Wmo is het naar aanleiding van jurisprudentie verplicht om dit in de verordening op te nemen. Voorheen werd dit door het College bepaald. De rechter heeft uitgesproken dat dit niet meer mag omdat sprake zou zijn van ‘verboden delegatie’. Om dezelfde reden is het wenselijk om een toelichting op de pgb-bedragen en -percentages op te nemen in de verordening zelf. Pgb’s vanuit de Jeugdwet Voor pgb’s die vanuit de Jeugdwet toegekend worden, is er geen verplichting om de grondslag van de budgetten in de verordening op te nemen. Omwille van de overzichtelijkheid hebben wij ervoor gekozen dat wel te doen. De pgb-budgetten worden in de meeste gevallen berekend als een percentage van de tarieven die betaald worden voor zorg in natura.
Dat is een normale gang van zaken, ervan uitgaande dat de pgb-houder en de Sociale Verzekeringsbank een groot deel van de werkzaamheden uitvoeren, die bij een reguliere aanbieder met ‘zorg in natura’ vanuit de overhead geregeld en bekostigd zou moeten worden. Toetsen van de resultaten van beschikkingen Toekenning van Maatwerk- of Individuele voorzieningen gebeurt altijd met het doel om bepaalde resultaten te behalen. Voorbeelden hiervan zijn een schoon en leefbaar huis, leren om zelfstandig een huishouden te voeren bij een inwoner met een beperking, herstel of stabilisering van de zelfredzaamheid, herstel van de veiligheid van een jeugdige, etc. Toetsing van de beoogde resultaten kan in de praktijk op verschillende manieren gebeuren. Door nabellen bij de cliënt of zijn verzorgers, via herindicaties en door middel van cliënttevredenheidsonderzoeken. Ook tussentijds overleg vindt plaats tussen de cliënt, de zorgaanbieder en Binding om te kijken of de toegekende zorg of ondersteuning goed verloopt en er zicht is op het behalen van de beoogde resultaten. Maar ook gecontracteerde zorgaanbieders toetsen de mening van hun cliënten. De rapporten daarvan zijn voor de gemeente in te zien. Tenslotte komen er incidenteel ook klachten binnen. Ook dat is input voor toetsing. Artikel 6.4. biedt bepalingen die klachtenregelingen bij zorgpartijen verplicht stellen.
Kwaliteit van de geleverde zorg In de Wmo en in de Jeugdwet is de verplichting opgenomen om de eisen met betrekking tot de kwaliteit van de voorzieningen in de verordening op te nemen. Deze zijn in hoofdstuk 6 weergegeven, tezamen met
bepalingen over klachtenrecht en medezeggenschap van cliënten. De basis wordt gevormd door de bepaling dat de zorg veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Met name de Jeugdwet zelf bepaalt in hoofdstuk 4 een groot aantal zaken met betrekking tot de kwaliteit van een zorgverlener. Het college dient ook te voldoen aan het zgn. kwaliteitskader Jeugd. Dat beschrijft in welke situaties, omstandigheden en/of voor welke werkzaamheden en verantwoordelijkheden een geregistreerde professional moet worden ingezet (of een beroepsbeoefenaar die werkt in combinatie met, of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional), én het bakent af in welke gevallen en/of voor welke werkzaamheden een niet-geregistreerde professional kan worden ingezet. In de Jeugdwet is beroepsregistratie geïntroduceerd als een middel om verantwoorde hulp te borgen. In bepaalde situaties of voor bepaalde werkzaamheden moeten professionals op hbo-, hbo-plus, wo- en wo-plus niveau geregistreerd zijn. Registratie in het BIG-register (artikel 3 beroepen: artsen, verpleegkundigen, psychotherapeuten, GZ psychologen) of in de te onderscheiden kamers binnen het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) biedt een herkenbaar kwaliteitskeurmerk en erkenning van een niveau van de vakbekwaamheid van professionals.
Bij de inkoop van ambulante jeugdhulp en Wmo-begeleiding in 2021 is veel aandacht besteed aan toetsing van de kwaliteit van toegelaten zorgaanbieders: Vog’s, diploma’s, gebruikte methoden etc. zijn bij alle inschrijvers gecheckt. In de lokale pgb-beleidsregels zijn nadere kwaliteitsvereisten bij pgb’s uitgewerkt. Dit om te voorkomen dat aanbieders die vanwege gebrek aan kwaliteit bij de inkoop van 2021 niet zijn toegelaten, alsnog via een pgb zorg gaan leveren. Contractbeheer Voor de Jeugdwet en (delen van) de Wmo (begeleiding, sociaal-medische advisering, levering van hulpmiddelen, regiotaxi) vindt inkoop, contractbeheer en toetsing van kwaliteit in verschillende samenwerkingsverbanden binnen de regio plaats. Dat is efficiënt voor de gemeenten en voor de zorgaanbieders. Bij andere voorzieningen vindt het contractbeheer vanuit de eigen gemeente plaats. Toezicht van- en handhaving op de kwaliteit van de geleverde zorg Het toezicht op de kwaliteit verschilt per wet. Bij de Wmo is het de gemeente zelf die dit moet regelen. Daartoe is de GGD regio Utrecht aangesteld om de kwaliteit van de zorg te controleren. De gezamenlijke gemeenten hebben een controle- en handhavingsprotocol opgesteld. Tevens is met aanbieders contractueel vastgelegd dat zij melding moeten doen van bijzondere calamiteiten en geweldsincidenten.
De controle en handhaving met betrekking tot de kwaliteit van Jeugdvoorzieningen wordt uitgevoerd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en is dus geen gemeentelijke verantwoordelijkheid. Deze verordening bevat in de artikelen 7.1. en 7.2. de benodigde bepalingen. Voorkomen en bestrijden van fraude De afgelopen jaren is meer bekend geworden over fraude in de dienstverlening en facturering door aanbieders van voorzieningen die ofwel via zorg in natura, ofwel via een pgb verstrekt zijn. Onderzoek wijst uit dat dit soms gebeurt in samenwerking met cliënten, soms op manieren waarvan de cliënten de dupe worden. Vooral zeer kwetsbare cliënten of cliënten die zelf de zorg via een persoonsgebonden budget inkopen, lopen meer risico. De bepalingen uit de VNG-modelverordening op dit onderwerp zijn daarom overgenomen en van toepassing verklaard op zowel Jeugdhulp als Wmo-ondersteuning. In deze verordening heeft dat geleid tot de artikelen 7.3., 7.4. en 7.5. die bepalen dat cliënten geïnformeerd worden over rechten, plichten en de gevolgen van misbruik. Tevens is opgenomen dat betalingen bij de Sociale verzekeringsbank op persoonsgebonden budgetten tijdelijk opgeschort kunnen worden bij vermoeden van fraude of misbruik. Het artikel 7.3. dat onderzoek naar gebruik en bestedingen van voorzieningen voorschrijft, was ook al in de oude Wmo-verordening opgenomen.
Hoe dan ook zal bij het toegangsproces in overleg met cliënten en hun naasten toetsing plaatsvinden of men over de vaardigheden beschikt om met een persoonsgebonden budget om te gaan en zelf de regie op de zorgverlening in handen te hebben. De verdere aanpak daarvan blijft de komende tijd aandacht vragen. Landelijk is voorzien in een
Ondersteuningsteam Fraude en de VNG levert handreikingen, bijeenkomsten en ledenbrieven. Daarmee wordt lokaal verder gewerkt aan een doelmatige en praktische aanpak op preventie en bestrijding. Artikel 6.2. bevat in dit kader nog aanvullende regels over zorgaanbod voor jeugdigen in het buitenland. Voor zover deze wordt toegestaan door het college, is het uitgangspunt dat de zorg wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een Nederlandse zorgaanbieder. De kwaliteitsnormen die van toepassing zijn op het zorgaanbod van de Jeugdhulp in Nederland gelden ook voor het buitenlands zorgaanbod waarin door Nederlandse zorgaanbieders jongeren zijn geplaatst. Voor het buitenlands zorgaanbod komen daar een aantal extra kwaliteitsnormen bij. Deze hebben vooral te maken met: • de afstand tussen het zorgaanbod in het buitenland en de Nederlandse zorgaanbieders; • de afstand tussen de in het buitenland verblijvende jongere en de ouder, c.q. de sociale omgeving; • de afwijkende wet- en regelgeving in het buitenland; • de afwijkende cultuur en taal in het buitenland. Privacy van de cliënt Deze verordening bevat bepalingen met het oog op de privacy van de cliënt. In artikel 2.10 is opgenomen dat het college gedurende het gehele proces de regels vanuit de privacywetgeving in acht neemt. In de oude jeugdverordening was daarin niet voorzien.
Gezien het belang van cliënten in dit verband, is de privacyregeling in deze integrale verordening van toepassing verklaard voor alle cliënten. Eigen keuze voor de cliënt Beide wetten stellen dat er voor de cliënt iets te kiezen moet zijn. Allereerste de keuze tussen een voorziening in de vorm van ‘zorg in natura’ of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Daarnaast moet de cliënt kunnen kiezen tussen verschillende aanbieders. De gemeente heeft daartoe contracten met verschillende aanbieders, zowel lokaal als in de regio. Daarnaast is er de mogelijkheid om via een pgb een aanbieder naar keuze in te huren door de client zelf. ‘Gebruikelijke hulp’ (Wmo) en ‘redelijke hulp’(Jeugdwet) Al langere tijd is de inzet van gebruikelijke hulp een criterium dat meeweegt bij de beoordeling van een aanvraag. De Wmo 2015 verstaat onder gebruikelijke hulp ‘Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.’ Het gaat dus om normale, dagelijkse hulp die gezinsleden of leden van een leefeenheid elkaar bieden. Een huisgenoot is bij voorbeeld een partner, een inwonend kind, of inwonende ouders. Uitwonende kinderen vallen hier buiten. Overstijgt de hulp- en ondersteuningsvraag deze gebruikelijke hulp dan kan dat reden zijn om een voorziening toe te kennen.
Daarbij wordt ook gekeken naar eventuele (dreigende) overbelasting of mogelijke ondersteuningsmogelijkheden voor de mantelzorger, zoals bij voorbeeld respijtzorg of (tijdelijke) toekenning van huishoudelijke ondersteuning. Jurisprudentie wijst uit dat mantelzorg niet verplicht gesteld kan worden. In de praktijk is dit altijd maatwerk. Daarbij wordt veelal teruggegrepen op het zgn. ‘Protocol gebruikelijke zorg’ dat ooit is opgesteld door het CIZ. Daarin staan algemene richtlijnen met betrekking tot hetgeen van gezinsleden van een bepaalde leeftijd verwacht mag worden. Bij toepassing van de Jeugdwet is mede-beoordeling van aanvragen op ‘gebruikelijke hulp’ niet toegestaan. Bij de beoordeling wat nodig is aan eventuele ondersteuning in een gezin in het kader van de Jeugdwet is het begrip ‘redelijke hulp’ gebruikelijk. Daarbij wordt gebruik gemaakt van onderstaande tabel die een normaal ontwikkelingsprofiel van een kind weergeeft. IN het regionale afwegingskader jeugdhulp is hiermee rekening gehouden.
Reële prijzen bij inkoop van diensten In juni 2017 is door het rijk een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) vastgesteld die geleid heeft tot wijzigingen in het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dit heeft gevolgen voor de verordening. Doel van de AMvB is dat bij inkoop van Wmo-diensten een goede verhouding tot stand komt tussen de prijs voor de levering van een voorziening of dienst en de gevraagde kwaliteit. Dit dient de continuïteit van de geleverde diensten ten goede te komen. Daartoe is -verplicht- een aantal kostprijselementen in de verordening opgenomen in artikel 4.8., in navolging van de modelverordening van de VNG. Een dergelijke AMvB is niet vastgesteld voor de Jeugdwet. Wel is in deze verordening opgenomen in artikel 5.3. dat het college bij de inkoop van jeugdhulp eveneens een goede prijs-kwaliteitsverhouding in het oog moet houden. Er zijn landelijk plannen om dit bij hulp vanuit de Jeugdwet ook verplicht te stellen. Mantelzorgondersteuning en vragen om medewerking van mantelzorgers De Wmo verplicht gemeenten om in de verordening op te leggen op welke wijze mantelzorgers ondersteund worden. Voor jeugdhulpcliënten is dat eveneens zeer relevant. In artikel 8.1. is hieraan invulling gegeven. Standaard bij het keukentafelgesprek is dat gevraagd wordt naar de mogelijke inzet van het eigen netwerk van de cliënt.
Onderzoek wijst uit dat dit voor een cliënt erg onaangenaam kan zijn en lang niet altijd tot daadwerkelijke (extra) inzet van mantelzorgers leidt omdat zij al heel veel doen. Er zijn redenen om er wel naar te vragen: s werk het beoogde resultaat van ondersteuning. Tenslotte is ook inzicht wenselijk in de mogelijke (dreigende) overbelasting van mantelzorgers.
Nadere toelichting op een aantal aspecten van Wmo-ondersteuning a. Bijdragen door de Cliënt te betalen In de Jeugdwet is vastgelegd dat cliënten en hun ouders geen eigen bijdragen verschuldigd zijn. Bij Wmovoorzieningen is dat wel toegestaan op een aantal uitzonderingen na: rolstoelen en cliëntondersteuning. Ook voor toegekende maatwerkvoorzieningen voor kinderen onder de 18 jaar is het opleggen van een bijdrage niet mogelijk. Zie de artikelen 4.4 en 4.5. Deze bijdragen mogen niet hoger mogen zijn dan de kostprijs van een voorziening. Het Rijk heeft ook vastgelegd dat het Centraal Administratie Kantoor (CAK) de bijdragen int. Het Rijk bepaalt eveneens de maximale omvang van de gecumuleerde bijdragen over de Wmo en de Wet langdurige zorg. Sinds 2019 zijn de inkomensafhankelijke eigen bijdragen vervangen door een zgn. ‘abonnementstarief’ van € 19 per maand. Een dergelijk tarief is dan van toepassing op alle inwoners, onafhankelijk van leeftijd, gezinssituatie, vermogen of inkomen. De groep meerpersoonshuishoudens onder de AOW-leeftijd is helemaal vrijgesteld. Om de grote inkomstendaling voor de gemeente enigszins te compenseren, is in artikel 4.5. opgenomen dat cliënten het abonnementstarief bij een aantal voorzieningen blijven betalen totdat deze geheel is terugbetaald.
De resterende, beperkte beleidsvrijheid voor gemeenten bestaat bij het vaststellen van eigen bijdragen uitsluitend nog uit de mogelijkheid om deze nog lager vast te stellen of helemaal af te schaffen. Voor een beperkt aantal voorzieningen bevat artikel 4.21., 6e en 7e en 8e lid lokale bepalingen om af te zien van het innen van eigen bijdragen: voor respijtzorg of kortdurend verblijf en voor een verhuis- of inrichtingsvergoeding. Respijtzorg en kortdurend verblijf worden bij uitstek ingezet ter ontlasting van mantelzorgers. Om die reden willen wij geen drempel opleggen door bijdragen te vragen. Verhuis- en inrichtingskosten worden verstrekt in bijzondere gevallen, bij voorbeeld bij toepassing van het ‘Primaat van verhuizen’. Ook dan achten wij het vragen van een eigen bijdrage door de inwoners niet reëel; een dergelijk primaat wordt immers opgelegd om te besparen op de kosten van een omvangrijke woningaanpassing. Nieuw in deze verordening is het voorstel om ook geen bijdrage te vragen bij: - Bemoeizorg: cliënten die hiervoor in aanmerking komen vertonen vaak zorg mijdend gedrag. Het opleggen van een bijdrage kan dan een extra drempel vormen;
-
voorzieningen t.b.v. inwoners onder de 18 jaar: voorheen werd die bijdrage wel opgelegd bij woningaanpassingen voor minderjarigen. Dit komt zelden voor en administratief geeft het relatief veel werk;
-
de zgn. waakvlamzorg: dit is zorg gedurende maximaal 10 uur in het jaar nadat de begeleiding is afgerond: gezien de omvang hiervan en technisch-administratieve knelpunten is het opleggen van een bijdrage niet verstandig.
Het gevolg van jurisprudentie is dat het verplicht is om de eigen bijdragen in de verordening op te nemen. Het gaat dan om de grondslagen op basis waarvan de eigen bijdragen bepaald worden, en de daadwerkelijke hoogte van de eigen bijdragen. Het is aan cliënten zelf om de afweging te maken of zij bij de geboden ondersteuning het betalen van een bijdrage waard vinden. Alternatief is dat zij zelf een voorziening aanschaffen of regelen. Binding kan daarin bemiddelen, bij voorbeeld door te verwijzen naar goede tweedehands voorzieningen. b. Tegemoetkoming meerkosten In een beperkt aantal casussen kan besloten worden om cliënten een maatwerkvoorziening in de vorm van een geldbedrag toe te kennen. Dit gebeurt alleen als er geen andere oplossing is en wordt dus maar heel zelden toegepast. De maximale vergoedingen zijn in artikel 4.15. opgenomen. Uit jurisprudentie blijkt dat de daadwerkelijk omvang van het toe te kennen bedrag maatwerk moet zijn in
plaats van een vast bedrag. De in dit artikel genoemde bedragen zijn dus richtinggevend en sluiten aan op bedragen die woningcorporatie Viveste zo nodig verstrekt bij gedwongen verhuizingen. Verhuisvergoedingen bij voorbeeld zijn vooral aan de orde als het zgn. ‘primaat van verhuizen’ is toegepast. Dat gebeurt een enkele keer als omvangrijke woningaanpassingen nodig zijn zoals een aanbouw. Als op dat moment elders (binnen de gemeente) een geschikte woning voorhanden is, kan het college besluiten de gevraagde woningaanpassing af te wijzen en in plaats daarvan toe te werken naar verhuizing van de cliënt. Met de woningcorporaties zijn om die reden afspraken gemaakt om reeds aangepaste woningen tijdelijk vrij te houden om doorstroming van de doelgroep naar reeds aangepaste woningen te bevorderen. c. Goedkoopst adequaat Van oudsher is bij Wmo-jurisprudentie de term ‘goedkoopst-adequaat’ gebruikelijk. Dat houdt in dat een verstrekte voorziening gepast moet zijn in de situatie van de cliënt, en niet duurder dan strikt noodzakelijk. d. Verklaring omtrent gedrag Voor de Wmo is in dit hoofdstuk een nieuwe bepaling opgenomen in artikel 6.3. Daarmee worden zorgaanbieders op Wmo-begeleiding verplicht gesteld om ervoor te zorgen dat hun medewerkers in het bezit zijn van een ‘Verklaring omtrent het Gedrag’(VOG).
Uitgezonderd zijn particulieren die informele (niet-professionele) pgb-hulp bieden. Het is niet aan de gemeente om daarop eisen te stellen. De cliënt kan dat desgewenst zelf regelen met zijn hulpverlener. Tevens is personeel van een zorgaanbieder uitgezonderd dat juist is aangesteld vanuit hun achtergrond als ervaringsdeskundigen. Vanuit cliëntperspectief kan dat zeer wenselijk zijn, bij voorbeeld in geval van ervaringsdeskundigen psychiatrie, verslavingszorg etc. Deze mensen zullen in de praktijk niet altijd over een VOG kunnen beschikken, terwijl hun inzet wel gewenst is. Het is dan aan de zorgaanbieder om veiligheid en kwaliteit op een andere wijze te waarborgen. De gemeente kan navragen hoe dat geregeld is. Voor aanbieders van Jeugdhulp is een dergelijke bepaling niet opgenomen; de wet zelf heeft dit al geregeld. e. Nieuwe taken De wet maakt melding van de noodzaak om ook beschermd wonen en maatschappelijke opvang te bieden aan inwoners die om diverse redenen hun woning hebben verlaten dan wel dakloos zijn geworden. De uitvoering van deze taken berust nu nog bij centrumgemeente Utrecht. Vanaf 2022 worden taken en budgetten op dit terrein (deels) overgeheveld naar alle gemeenten. Het gaat dan niet alleen om huisvesting maar ook om een verbinding tussen de domeinen welzijn, zorg en ondersteuning, inkomensondersteuning, werk en zinvolle dagbesteding, wonen en veiligheid.
Nadere toelichting op een aantal aspecten van Jeugdhulp a. Toeleiding naar de jeugdhulp De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden. Vrij toegankelijk In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrijtoegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 2, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. Toegang jeugdhulp via de gemeente Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en zijn wettelijke vertegenwoordiger. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig
heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken bepalen ook hoe de gemeente haar regierol waarmaakt. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter en het openbaar ministerie Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering)en het openbaar ministerie.
De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. Toegang via de advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot jeugdhulp.
Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. b. Woonplaatsbeginsel bij jeugd In het woonplaatsbeginsel wordt geregeld welke gemeente verantwoordelijk is voor het inzetten en financieren van jeugdhulp of het uitvoeren van een jeugdreclasserings- of jeugdbeschermingsmaatregel. Het woonplaatsbeginsel verandert met ingang van 1 januari 2022. Bij jeugdhulp zonder verblijf geldt als uitgangspunt dat de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres heeft volgens de Wet BRP (wet Basisregistratie Personen), verantwoordelijk is. Bij jeugdhulp met verblijf geldt als uitgangspunt dat de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf zijn woonadres in de zin van de Wet BRP had, verantwoordelijk is. c. Vertrouwenspersoon De Jeugdwet bevat ook de verplichting om te zorgen voor een onafhankelijke vertrouwenspersoon voor jeugdigen, ouders en pleegouders. Dit is artikel 5.4. van deze verordening opgenomen. Landelijk is geregeld dat het AKJ (Stichting Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg) deze functie vervult voor alle gemeenten.
Kinderen, ouders en verzorgers kunnen bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) terecht met vragen of klachten over de jeugdhulp. Het AKJ informeert, adviseert en ondersteunt jongeren, kinderen en ouders die met de jeugdhulp te maken krijgen. Het AKJ beantwoordt vragen over de jeugdhulp. Ook geeft het AKJ ondersteuning bij het opstellen, indienen en afhandelen van klachten over de jeugdhulp. De hulp van het AKJ is gratis.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 25 januari 2022, de raad voornoemd,
griffier,
voorzitter,