CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Wet en Regelgeving Dieren voor gemeenten in vogelvlucht

gemeenteraad 10 juli 2024, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Nota dierenwelzijn 2024 en bijdragen dierenopvang (Het raadsvoorstel is zonder stemming aangenomen.)36.493 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

opstellen, en dit actieplan, indien nodig, heroverwegen/aanpassen Beoordelen wanneer het (hobbymatig) houden van dieren bedrijfsmatig is of (in geval van hobbydierhouderij) de grens naar bedrijfsmatig overschrijdt, wanneer dit onder een inrichting valt en dus een omgevingsvergunning (Wabo) nodig heeft Zorgen voor handhaving van door gemeente uitgegeven vergunningen Zorgen voor handhaving van afvalstoffenverordening en regels ter voorkoming van bodemverontreiniging Indien bevoegd gezag: degene die een activiteit verricht waardoor zich (de dreiging van) milieuschade voordoet, verplichten de nodige (preventieve of herstel)maatregelen te treffen

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 69 van 123

•

Jaarlijks verslag doen aan gemeenteraad over de uitvoering van de Wet milieubeheer

Aanbevelingen gemeente:

•

•

•

Een gemeentelijk milieubeleidsplan vaststellen, dat met het oog op de bescherming van het milieu richting geeft aan door de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders te nemen beslissingen Een programma vaststellen dat gericht is op het bereiken van grenswaarden van chemische stoffen, zoals genoemd in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer, waar een grenswaarde wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, en dit programma uitvoeren Regels opstellen om te voorkomen dat afvalstoffen als zwerfafval in het milieu terechtkomen en over het opruimen van zwerfafval

Hieronder zijn de belangrijkste artikelen uit de Wm met effecten op dieren opgenomen.

In de Wet milieubeheer is o.a. het volgende vastgelegd: Artikel 1.1.a 1. Een ieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Artikel 4.16 1. De gemeenteraad kan een gemeentelijk milieubeleidsplan vaststellen, dat met het oog op de bescherming van het milieu richting geeft aan door de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders te nemen beslissingen. 2. Het plan bevat de hoofdzaken van het door de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders te voeren milieubeleid. Artikel 4.22 1. De gemeenteraad stelt telkens voor een daarbij vast te stellen periode een gemeentelijk rioleringsplan vast. Artikel 5.9 1.

Burgemeester en wethouders stellen in de in bijlage 2, voorschrift 13.1, aangegeven gevallen waarin een plandrempel wordt overschreden een plan vast, waarin wordt aangegeven op welke wijze en door middel van welke maatregelen voldaan zal worden aan de desbetreffende in de bijlage genoemde grenswaarde, binnen de voor die waarde gestelde termijn. Zij dragen zorg voor de uitvoering van het plan. Artikel 5.13 1. Een of meerdere bestuursorganen gezamenlijk, niet zijnde bestuursorganen van het Rijk, kunnen een programma vaststellen dat gericht is op het bereiken van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde in een bij dat programma aan te wijzen gebied, niet zijnde een

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 70 van 123

krachtens artikel 5.12, derde lid, aangewezen of aan te wijzen gebied, waar een grenswaarde wordt overschreden of dreigt te worden overschreden. Artikel 5.19 1. Het beoordelen van de luchtkwaliteit vindt overeenkomstig de bij of krachtens deze paragraaf gestelde regels plaats in alle agglomeraties en zones, aangewezen krachtens artikel 5.22. Artikel 7.2 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen: a. die belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. 2. Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden bij de maatregel de categorieën van plannen aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Een plan wordt slechts aangewezen indien het plan het kader vormt voor een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid. Een plan vormt in elk geval het kader voor een zodanig besluit indien in dat plan: a. een locatie of een tracé wordt aangewezen voor die activiteiten, of b. een of meerdere locaties of tracés voor die activiteiten worden overwogen. 3. Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 4.

Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 5. Bij de maatregel kan een plan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid, mits dat plan voor de desbetreffende activiteit niet is aangewezen op grond van het tweede lid. 6. Tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, kunnen mede activiteiten behoren, die in samenhang met andere activiteiten belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het milieu. 7. Tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, behoren activiteiten waarvoor bij de maatregel categorieën van plannen en besluiten worden aangewezen en die plaatsvinden in de exclusieve economische zone. 8. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing van een activiteit, dan wel van een plan of besluit slechts geldt in daarbij aangewezen categorieën van gevallen. Artikel 7.2a 1.

Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Artikel 7.18 Degene die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, maakt een milieueffectrapport, indien: 1. het bevoegd gezag heeft beslist dat bij de voorbereiding van het betrokken besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; Artikel 7.19 1. Indien het bevoegd gezag degene is die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium voor de

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 71 van 123

voorbereiding van het besluit dat krachtens het vierde lid van dat artikel is aangewezen een beslissing omtrent de vraag of vanwege de belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Artikel 7.17, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 7.35 1. Bij het nemen van een besluit houdt het bevoegd gezag rekening met alle gevolgen die de activiteit waarop het besluit betrekking heeft, voor het milieu kan hebben. Artikel 7.39 1. Het bevoegd gezag dat een plan heeft vastgesteld, onderzoekt de gevolgen die de uitvoering van dat plan heeft voor het milieu, wanneer de in het plan voorgenomen activiteit wordt ondernomen of nadat zij is ondernomen. 2. Het bevoegd gezag stelt van het onderzoek een verslag op. Het bevoegd gezag zendt het verslag aan de adviseurs, de bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.8, en aan de commissie. Het geeft van het verslag gelijktijdig kennis met toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 7.42 1.

Indien uit het in artikel 7.39 bedoelde onderzoek of het in artikel 7.41, eerste lid, bedoelde verslag blijkt dat de activiteit in belangrijke mate nadeliger gevolgen voor het milieu heeft dan die welke bij het vaststellen van het plan, dan wel bij het nemen van het besluit werden verwacht, neemt het bevoegd gezag, indien dat naar zijn oordeel nodig is, de hem ter beschikking staande maatregelen ten einde die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Artikel 10.1 1. Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. 2. Het is een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of na te laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan. 3.

Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan. 4. Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen. Artikel 10.21 1. De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, al dan niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en wethouders van andere gemeenten, ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Artikel 10:22 1. Elke gemeente draagt er zorg voor:

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 72 van 123

a. dat grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen ontstaan, en b. dat er op ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om grove huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Artikel 10.23 1. De gemeenteraad stelt in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast. Artikel 10:25 1. Bij de afvalstoffenverordening kunnen in ieder geval regels worden gesteld: a. ten einde te voorkomen dat afvalstoffen als zwerfafval in het milieu terechtkomen dan wel teneinde te bereiken dat zulks zo min mogelijk gebeurt; b. omtrent het opruimen van afvalstoffen die als zwerfafval in het milieu terecht zijn gekomen; Artikel 10:29a Een bestuursorgaan houdt er bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze wet, voor zover die bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalwater, rekening mee dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat in de navolgende voorkeursvolgorde: a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c.

afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d. huishoudelijk afvalwater en, voor zover doelmatig en kostenefficiënt, afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet getransporteerd; e. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; f. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht en g. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d naar een inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet wordt getransporteerd. Artikel 10.33 1. De gemeenteraad of burgemeester en wethouders dragen zorg voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater dat vrijkomt bij de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen percelen, door middel van een openbaar vuilwaterriool naar een inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet. 2.

In plaats van een openbaar vuilwaterriool en een inrichting als bedoeld in het eerste lid kunnen afzonderlijke systemen of andere passende systemen in beheer bij een gemeente, waterschap of een rechtspersoon die door een gemeente of waterschap met het beheer is belast, worden toegepast, indien met die systemen blijkens het gemeentelijk rioleringsplan eenzelfde graad van bescherming van het milieu wordt bereikt. Artikel 11.6 4. Burgemeester en wethouders van gemeenten die behoren tot krachtens artikel 11.5 aangewezen agglomeraties, stellen geluidsbelastingkaarten vast die betrekking hebben op de geluidsbelasting en de geluidsbelasting Lnight vanwege: a. wegen, daaronder begrepen spoorwegen die deel uitmaken van een weg; b. spoorwegen die niet deel uitmaken van een weg; c. luchthavens als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 73 van 123

d. de luchthaven Schiphol, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart; e. inrichtingen of verzamelingen van inrichtingen. Artikel 11.12 1. Gedeputeerde staten stellen vóór 18 juli 2013 aan de hand van de geluidsbelastingkaarten, bedoeld in artikel 11.6, tweede lid, een actieplan vast met betrekking tot de krachtens artikel 11.4, tweede lid, gepubliceerde delen van wegen en spoorwegen. Indien er sprake is van een belangrijke ontwikkeling die van invloed is op de geluidhindersituatie, en daarnaast ten minste elke vijf jaar na de vaststelling, wordt het actieplan opnieuw overwogen en zo nodig aangepast. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op burgemeester en wethouders van gemeenten die behoren tot krachtens artikel 11.5 aangewezen agglomeraties, met dien verstande dat het actieplan betrekking heeft op de in artikel 11.6, vierde lid, bedoelde geluidsbronnen. Artikel 17.10 1. Het bevoegd gezag kan degene die een activiteit verricht, waardoor zich milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan voordoet: a. verplichten informatie te verstrekken over een onmiddellijke dreiging van milieuschade of in gevallen waarin een dergelijke dreiging vermoed wordt; b. verplichten aanvullende gegevens te verstrekken over elke milieuschade die zich heeft voorgedaan; c. verplichten de nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen; d.

instructies geven met betrekking tot de maatregelen, bedoeld onder c. 2. Het bevoegd gezag kan zelf elke maatregel als bedoeld in artikel 17.13, eerste lid, alsmede de nodige preventieve of herstelmaatregelen treffen of de uitvoering daarvan opdragen aan derden. Artikel 17.12 1. Indien door een activiteit een onmiddellijke dreiging van milieuschade ontstaat, treft degene die de activiteit verricht onmiddellijk de nodige preventieve maatregelen. 2. Hij informeert zo spoedig mogelijk het bevoegd gezag over alle relevante aspecten van de situatie. Wanneer de onmiddellijke dreiging van milieuschade ondanks de in het eerste lid bedoelde preventieve maatregelen niet is beëindigd, verstrekt degene die de activiteit verricht aanvullende informatie over de situatie. Artikel 17.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. 3. Het bevoegd gezag informeert onverwijld de bestuursorganen of overheidsdiensten, bedoeld in artikel 17.2, derde lid. 4. Het bevoegd gezag verplicht degene die de activiteit verricht onmiddellijk de nodige maatregelen te treffen. Artikel 18.2 1. Het bestuursorgaan dat ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a, het orgaan is waaraan de melding wordt gericht, dan wel in andere gevallen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, hebben tot taak: a.

zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de voorschriften die voor degene die de inrichting drijft… Artikel 18.2d 1. Voor zover artikel 5.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing is, hebben burgemeester en wethouders tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de verplichtingen, gesteld bij of krachtens: a. de afvalstoffenverordening;

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 74 van 123

artikel 10.29; artikel 10.52. 2. Burgemeester en wethouders hebben tevens tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving buiten een inrichting van de bij of krachtens hoofdstuk 10 gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op: a. het zich ontdoen van afvalwater als bedoeld in artikel 10.32; b. het zich ontdoen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.37; c. het zich ontdoen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.51. b. c.

Artikel 21.1 1. Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en ieder Onzer betrokken Ministers doen jaarlijks verslag aan onderscheidenlijk de gemeenteraad, provinciale staten en de StatenGeneraal over hun beleid met betrekking tot de uitvoering van de hoofdstukken 8, 13 en 18 en paragraaf 14.1 van deze wet. Burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten zenden het verslag gelijktijdig met de aanbieding aan de gemeenteraad, onderscheidenlijk provinciale staten, aan de inspecteur.

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 75 van 123

Activiteitenbesluit milieubeheer Dit Activiteitenbesluit valt onder de Wet milieubeheer en stelt algemene regels voor inrichtingen, zoals onder meer veehouderijen, dierenpensions, dierenopvangcentra, kinderboerderijen, hertenkampen, dierentuinen, hondenkennels, hondentraining, valkeniers, volières, maar ook dierencrematoria en slachterijen, om o.a. te voorkomen dat vervuiling optreedt van bodem, oppervlaktewater en grondwater, en om geurhinder te voorkomen. Dit gaat bijvoorbeeld over de opslag van dierlijke meststoffen, uitstoot van ammoniak, en het lozen van afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven. Deze activiteiten kunnen effect hebben op individuele dieren, maar ook op dier- en plantensoorten, dus op de biodiversiteit. Daarnaast hebben de artikelen gevolgen voor landbouwhuisdieren, aangezien er ook voorschriften in staan over bijvoorbeeld luchtwassystemen. Deze regels worden door omgevingsdiensten in opdracht van gemeenten gecontroleerd. G e w a s b es c h e rmi ng s mi d de l e n

In het besluit staan ook regels over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Die kunnen een negatief effect hebben op in het wild levende dieren, hun leefgebied en voedsel en daardoor op de biodiversiteit. Denk daarbij ook aan vissen, insecten en bodemleven. Mocht de gemeente zelf nog gewasbeschermingsmiddelen gebruiken in openbaar groen, op trottoirs of op sport- en recreatieterreinen, dan staan in dit besluit regels waarmee rekening dient te worden gehouden. Zie ook de paragraaf over de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden. F o k k en , h ou d en of t ra i ne n v an vo ge l s o f zo og d ie re n

Tenslotte is er een paragraaf opgenomen over het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren: de bodem mag niet vervuild worden en geurhinder moet worden beperkt tot een ‘aanvaardbaar’ niveau. Deze paragraaf geldt niet voor landbouwhuisdieren. Het gaat hier om het houden van dieren, anders dan landbouwhuisdieren. Dit zijn bijvoorbeeld: • • • • • • • •

Hondenkennels Hondentraining Dierenpensions Valkeniers Volières Kinderboerderijen Hertenkampen Dierentuinen

Meer informatie is te vinden bij Kenniscentrum InfoMil.

Verplichtingen gemeente:

• •

Goede afspraken met de omgevingsdienst maken over hun takenpakket Via de omgevingsdiensten: o Zorgen dat inrichtingen de benodigde vergunningen hebben

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 76 van 123

o o

Zorgen dat die vergunningen actueel zijn Zorgen dat de vergunningen worden gecontroleerd

In het Activiteitenbesluit milieubeheer is onder meer het volgende vastgelegd:

Artikel 1.18 1. Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden, indien in de inrichting landbouwhuisdieren worden gehouden in dierenverblijven, tevens de volgende gegevens verstrekt: a. per dierenverblijf het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie en per huisvestingssysteem, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij; b. per dierenverblijf een beschrijving van het ventilatiesysteem; c. per dierenverblijf waarin dieren met een geuremissiefactor worden gehouden: i. de inputgegevens van het verspreidingsmodel V-stacks vergunning, genoemd in de regeling op grond van artikel 10 van de Wet geurhinder en veehouderij; ii. een plattegrondtekening overeenkomstig de beschrijving van de binnen het dierenverblijf toegepaste huisvestingssystemen, waarop de emissiepunten en de ventilatoren met hun diameter zijn aangegeven; iii. een doorsnedetekening overeenkomstig de beschrijving van de binnen het dierenverblijf toegepaste huisvestingssystemen, waarop de goothoogte, de nokhoogte, de emissiepunten en de ventilatoren zijn aangegeven. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op inrichtingen waar minder dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden.

Artikel 1.19 Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10, worden de inputgegevens voor het luchtkwaliteitsmodel ISL3a verstrekt indien sprake is van het in huisvestingssystemen houden van: a. ten minste 500 en ten hoogste 1.200 vleesrunderen, behorend tot de diercategorieën A4 tot en met A7, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij; b. ten minste 3.000 stuks pluimvee, voor zover er geen sprake is van een IPPC-installatie; c. ten minste 900 varkens behorend tot de diercategorieën D1 tot en met D3, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij, voor zover er geen sprake is van een IPPC-installatie; d. ten minste 1.500 stuks pluimvee behorend tot de diercategorieën E1 tot en met E5, F1 tot en met F4, G1, G2 en J1, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij, 500 gespeende biggen behorend tot de diercategorie D.1.1, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij of 500 landbouwhuisdieren anders dan pluimvee en gespeende biggen indien binnen de inrichting landbouwhuisdieren van meer dan een hoofdcategorie als bedoeld in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij worden gehouden. Artikel 3.46 1. Het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen vindt plaats op ten minste: a.

100 meter afstand tot een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom is gelegen, of b. 50 meter afstand tot een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen.

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 77 van 123

2.

3.

4.

5. 6.

Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen, indien de plaats waar deze bedrijfsstoffen zijn opgeslagen, is gelegen binnen een van de afstanden genoemd in dat lid, het opslaan reeds voor 1 januari 2013 plaatsvond en verplaatsing van de opgeslagen bedrijfsstoffen redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Indien het tweede lid van toepassing is: a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar risico beperken, en b. geeft degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen. Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van vaste dierlijke meststoffen die niet afkomstig zijn van landbouwhuisdieren. Het opslaan van vaste dierlijke meststoffen die niet afkomstig zijn van landbouwhuisdieren vindt plaats: a. in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken, of b. op ten minste 50 meter afstand tot een geurgevoelig object. In afwijking van het eerste lid vindt het opslaan van kuilvoer plaats op ten minste 25 meter afstand tot een geurgevoelig object.

Indien de afstand van het opslagen kuilvoer, niet zijnde knolgewassen, wortelgewassen of fruit, tot een geurgevoelig object minder dan 50 meter bedraagt, is het opslagen kuilvoer afgedekt, behoudens de periode dat veevoeder aan de veevoederopslag wordt toegevoegd of onttrokken.

Paragraaf 3.5.8 stelt regels voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven. Deze hebben zowel effect op landbouwhuisdieren, als op wilde dieren en de biodiversiteit rond een landbouwbedrijf. Paragraaf 3.5.9 stelt regels over het bereiden van brijvoer voor eigen landbouwhuisdieren. Paragraaf 3.6.2 stelt regels over het slachten van dieren, uitsnijden van vlees of vis of bewerken van dierlijke bijproducten Paragraaf 3.7.5 stelt regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op sport- en recreatieterreinen:0. Artikel 3.152 1. Bij het lozen van gewasbeschermingsmiddelen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op een sport- of recreatieterrein in de nabijheid van een oppervlaktewaterlichaam wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het derde lid. 2. Binnen een afstand van een meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam worden gewasbeschermingsmiddelen niet gebruikt met apparatuur die bestemd is voor het druppelsgewijs gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van pleksgewijze onkruidbestrijding met een afgeschermde spuitdop. 3. Binnen een afstand van 14 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam: a.

worden gewasbeschermingsmiddelen slechts gebruikt met mechanisch voortbewogen apparatuur, indien deze uitsluitend is voorzien van driftarme doppen, en zodanig is ingesteld dat de spuitdoppen zich niet hoger dan 50 cm boven de grond bevinden; b. wordt geen gebruik gemaakt van een spuitgeweer dat is voorzien van een werveldop of dat gebruik maakt van een werkdruk van 5 bar of hoger; c. worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt bij een windsnelheid van meer dan 5 meter per seconde gemeten op twee meter boven het grondoppervlak. Paragraaf 3.8.5 stelt regels m.b.t. het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren:

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 78 van 123

Artikel 3.168 1. Deze paragraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren. Artikel 3.169 Bij het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren wordt ten behoeve van: a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, en b. het voorkomen of voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van de geurhinder, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling 6 gestelde eisen. Artikel 4.118a Onverminderd de artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en 2.6 is bij het in werking hebben van een crematieoven voor dieren de emissieconcentratie van stofklasse S ten hoogste: a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.

6

Activiteitenregeling milieubeheer paragraaf 3.8.4, art. 3.123 en 3.124

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 79 van 123

Besluit bodemkwaliteit en Regeling bodemkwaliteit De bodemkwaliteit is van groot belang voor de biodiversiteit en het welzijn van dieren. Een gezonde bodem zorgt voor een rijke voedingsbodem voor planten, wat op zijn beurt weer zorgt voor een gezonde leefomgeving voor dieren. Een slechte bodemkwaliteit kan leiden tot een afname van plantensoorten, waardoor sommige diersoorten in aantal afnemen of zelfs uitsterven. Dat is dus slecht voor de biodiversiteit. Bovendien kan een slechte bodemkwaliteit leiden tot een verhoogde blootstelling van dieren aan schadelijke stoffen, wat hun gezondheid kan schaden. De regels voor het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie staan in het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit (Rbk). Be s l u i t b od e mk w a l it e i t

Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) heeft tot doel duurzaam bodembeheer te bevorderen. Het besluit beschrijft de regels voor het toepassen (c.q. hergebruiken) van grond, baggerspecie en bouwstoffen, en bevat onder andere normen voor de kwaliteit van deze materialen. Het besluit schrijft voor dat de gemeente het gebiedsspecifieke beleid beschrijft in een Nota bodembeheer die, samen met een bodemkwaliteitskaart, door de gemeenteraad wordt vastgesteld. In deze Nota moeten de spelregels voor een ieder duidelijk zijn en worden vastgelegd. De gemeente heeft dus een belangrijke rol bij het vaststellen van het bodembeleid in de eigen gemeente. Re g e l i ng bo de mk w a l i t e it

De Regeling bodemkwaliteit (Rbk) is een aanvulling op het Besluit bodemkwaliteit en beschrijft de uitvoering van de kwaliteit van de bodem. De regeling bevat onder andere regels voor het vaststellen van de kwaliteitsklasse van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam. De regeling definieert termen zoals “achtergrondwaarden”, “kwaliteitsklassen” en “gestandaardiseerde waarden” en biedt richtlijnen voor de beoordeling van bodemkwaliteit. Voor PFAS zijn geen normen in het Bbk / de Rbk opgenomen. Daarom geldt hiervoor de zorgplicht. No t a bo de mb e h ee r e n Bod e mk w a l ite i t s k a a rt

De Nota bodembeheer beschrijft het beleid van de gemeente met betrekking tot bodembeheer en bevat onder andere de spelregels voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. De Bodemkwaliteitskaart is een kaart waarop de bodemkwaliteit binnen een gedefinieerd gebied is aangegeven. De kaart vormt de basis voor het vastleggen van de kwaliteitseisen die gelden op de locatie van toepassing. De Nota bodembeheer en de Bodemkwaliteitskaart zijn beide geldig indien zij zijn vastgesteld door het bevoegd gezag.

Verplichtingen gemeente

• •

Opstellen van een gemeentelijk bodembeleidsplan waarin de gemeente haar beleid ten aanzien van bodembeheer vastlegt (Nota bodembeheer) Bodemkwaliteitskaart opstellen waarin de kwaliteit van de bodem in de gemeente wordt vastgelegd

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 80 van 123

•

Handhaven van de verplichtingen voor zover zij betrekking hebben op het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam

In het Besluit bodemkwaliteit is onder meer het volgende vastgelegd: Artikel 4 3. Burgemeester en wethouders hebben tot taak zorg te dragen voor de handhaving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op: a. het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam; b. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, als bedoeld in artikel 35; c. het verstrekken van een milieuhygiënische verklaring als bedoeld in artikel 28, derde lid; d. het melden van een toepassing als bedoeld in de artikelen 32 en 42. Artikel 7 Degene die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die zoveel mogelijk voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd. Artikel 36 1. Het is verboden grond of baggerspecie die gevaarlijke afvalstoffen zijn toe te passen. 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende handelingen: a.

het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de samenstelling de interventiewaarde overschrijdt, tenzij artikel 44, tweede lid, of artikel 45, tweede lid van toepassing is; b. het op of in de bodem brengen van producten die overeenkomstig de krachtens artikel 4 van de Meststoffenwet gestelde regels als meststof mogen worden verhandeld; c. handelingen waarop het Besluit uniforme saneringen van toepassing is, tenzij bij of krachtens dat besluit anders is bepaald. 3. Het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie is toegestaan zonder inachtneming van de artikelen 38 tot en met 64, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. Artikel 38 1. Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen laat overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond of baggerspecie vaststellen, met inbegrip van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel 63. 2. De kwaliteit van de grond of baggerspecie en het gestelde in het eerste lid blijkt uit een milieuhygiënische verklaring, die bij de betreffende partij aanwezig is.

Artikel 39 Op het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de bij regeling van Onze Ministers vastgestelde achtergrondwaarden niet overschrijdt, zijn artikel 40 en afdeling 2 van dit hoofdstuk niet van toepassing.

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 81 van 123

Artikel 44 1. De gemeenteraad kan voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onderdeel a tot en met e en h op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, voor een door hem aangewezen bodembeheergebied lokale maximale waarden vaststellen voor de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage, bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid tot een maximum van 20 gewichtsprocenten. Artikel 47 Een besluit op grond van de artikelen 44, eerste lid en 45, eerste lid, bevat: a. een of meer kaarten, opgesteld overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde protocollen, waarop zijn aangegeven de begrenzing van het bodembeheergebied, de kwaliteit van de bodem en, bij toepassingen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, de bodemfuncties; b. de lokale maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, en 45, eerste lid; c. voor zover van toepassing, het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal, bedoeld in artikel 34, derde en vierde lid; d.

een motivering van het besluit aan de hand van de lokale maximale waarden en, voor zover van toepassing, het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal in relatie tot de kwaliteit van de bodem, de maatschappelijke noodzaak van die waarden en het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal en een beschrijving van de overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde methoden bepaalde gevolgen van de uitvoering van het besluit voor de kwaliteit van de bodem in het bodembeheergebied.

Artikel 55 1. De gemeenteraad legt ten behoeve van het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem, niet zijnde de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, van het gebied binnen de gemeente op een kaart de bodemfunctieklassen, zijnde industrie of wonen, vast. 4. Indien geen kaart is vastgesteld als bedoeld in het eerste lid, kan alleen grond of baggerspecie worden toegepast, die de achtergrondwaarden niet overschrijdt. Regeling bodemkwaliteit

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 82 van 123

Interimwet stad-en-milieubenadering Deze wet geeft regels om zuinig en doelmatig ruimtegebruik en optimale leefomgevingskwaliteit in stedelijk en landelijk gebied mogelijk te maken, en voor coördinatie van procedures. De wet is ontstaan vanuit twee wensen: 1. In bepaalde gevallen afwijking van wettelijke voorschriften mogelijk te maken. 2. Een procedure in de wet te regelen voor het coördineren van besluitvorming om die besluitvorming te versnellen. In relatie tot dieren richt deze wet zich o.a. op onder welke voorwaarden veehouderijen mogen worden opgericht. Negatieve milieugevolgen van veehouderijen hebben negatieve gevolgen op wilde dieren en biodiversiteit. Als negatieve milieugevolgen niet kunnen worden voorkomen of beperkt, is compensatie voor nadelige gevolgen in het gebied zelf of in de directe omgeving van het gebied verplicht. Deze interimwet gaat op in de Omgevingswet en vervalt daardoor hoogstwaarschijnlijk per 1 januari 2024. Verplichtingen gemeente

• In het toezicht rekening houden met afwijkende kwaliteitsnormen • Negatieve milieugevolgen compenseren in het gebied zelf of in de directe omgeving van het gebied • Indien door het besluit onvoorziene en ontoelaatbare effecten op het milieu of de volksgezondheid ontstaan, noodzakelijke maatregelen nemen om die effecten tot een toelaatbaar niveau terug te brengen

In deze Interimwet is vastgelegd: Artikel 2 De gemeenteraad kan ten behoeve van het vestigen van milieugevoelige bestemmingen en van het vestigen of verplaatsen van kleinschalige bedrijvigheid bij functiemenging van wonen en werken, ten aanzien van een door hem aangewezen projectgebied in het belang van zuinig en doelmatig ruimtegebruik en het bereiken van optimale leefomgevingskwaliteit, besluiten: a. tot afwijking van een milieukwaliteitsnorm met betrekking tot bodem, geluid en lucht, en b. tot afwijking van de waarden en afstanden, bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet geurhinder en veehouderij. Artikel 3 De gemeenteraad kan ten aanzien van een door hem aangewezen projectgebied in het belang van zuinig en doelmatig ruimtegebruik en het bereiken van optimale leefomgevingskwaliteit, besluiten:

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 83 van 123

dat, in afwijking van artikel 4 van de Wet ammoniak en veehouderij, een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het oprichten van een veehouderij onder intrekking van de rechtsgeldige omgevingsvergunning voor een bestaande veehouderij die binnen dat projectgebied dichter bij een zeer kwetsbaar gebied is gevestigd, met dien verstande dat: o 1°.indien het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan het aantal dat in de bestaande veehouderij aanwezig mocht zijn, de toegestane ammoniakemissie uit de dierenverblijven behorende tot de op te richten veehouderij ten hoogste gelijk is aan de ammoniakemissie die de bestaande veehouderij zou mogen veroorzaken, of o 2°.indien het aantal dieren per diercategorie van de op te richten veehouderij hoger is dan het aantal dat in de bestaande veehouderij aanwezig mocht zijn, de toegestane ammoniakemissie uit de dierenverblijven behorende tot de op te richten veehouderij ten hoogste gelijk is aan de ammoniakemissie die de bestaande veehouderij zou mogen veroorzaken indien daarop artikel 7 van de Wet ammoniak en veehouderij van toepassing zou zijn, en b.

dat, in afwijking van artikel 6 van de Wet ammoniak en veehouderij, een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het veranderen van een veehouderij onder intrekking van de rechtsgeldige omgevingsvergunning voor een of meer andere binnen dat projectgebied bestaande, met de te veranderen veehouderij samen te voegen veehouderijen die dichter bij een zeer kwetsbaar gebied zijn gevestigd, met dien verstande dat: o 1°.indien het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan het aantal dat in de samen te voegen veehouderijen aanwezig mag zijn, de toegestane ammoniakemissie uit de dierenverblijven behorende tot de te veranderen veehouderij ten hoogste de ammoniakemissie bedraagt die de samen te voegen veehouderijen zouden mogen veroorzaken, of o 2°.indien het aantal dieren per diercategorie hoger is dan het aantal dat in de samen te voegen veehouderijen aanwezig mag zijn, de toegestane ammoniakemissie uit de dierenverblijven behorende tot de te veranderen veehouderij ten hoogste de ammoniakemissie bedraagt die de samen te voegen veehouderijen zouden mogen veroorzaken indien daarop artikel 7 van de Wet ammoniak en veehouderij van toepassing zou zijn. a.

Artikel 4 1. Van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 2, wordt geen gebruik gemaakt: a. met betrekking tot milieukwaliteitsnormen, gesteld bij of krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart; b. met betrekking tot milieukwaliteitsnormen, gesteld bij of krachtens artikel 5.2b of titel 5.2 van de Wet milieubeheer; c. met betrekking tot milieukwaliteitsnormen, gesteld krachtens artikel 108 van de Wet geluidhinder voor zover die normen betrekking hebben op luchtvaartterreinen, of d. voor zover dat leidt tot een geluidsbelasting binnen een woning met gesloten ramen, die hoger is dan 33 dB. 2. Van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 3, wordt geen gebruik gemaakt met betrekking tot een deel van een reconstructiegebied waarop artikel 27 van de Reconstructiewet concentratiegebieden van toepassing is. 3. De gemeenteraad maakt van de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 2 en 3, uitsluitend gebruik, indien: a. hij tot het oordeel is gekomen dat het rekening houden met milieukwaliteit in de ruimtelijke planvorming, het nemen van brongerelateerde maatregelen en het optimaal benutten van wettelijke voorschriften niet toereikend zijn om zuinig en doelmatig ruimtegebruik en optimale leefomgevingskwaliteit te bereiken, en b. een melding als bedoeld in artikel 11 is gedaan.

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 84 van 123

Artikel 7 Voor zover de nadelige gevolgen voor het milieu van een besluit als bedoeld in de artikelen 2 en 3 niet kunnen worden voorkomen of beperkt, worden die nadelige gevolgen gecompenseerd in of in de directe omgeving van het projectgebied op een wijze die de belangen, genoemd in de aanhef van de artikelen 2 en 3, dient. Artikel 8 Indien de uitvoering van een besluit als bedoeld in de artikelen 2 en 3 onvoorziene en ontoelaatbare effecten heeft op het milieu of de volksgezondheid, neemt de gemeenteraad noodzakelijke maatregelen teneinde die effecten tot een toelaatbaar niveau terug te brengen.

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 85 van 123

Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 van kracht geworden en heeft als doel de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te verbeteren, duurzaam watergebruik te bevorderen en droogte te beperken. De richtlijn schrijft voor dat de waterkwaliteit van de Europese wateren vanaf 2015 aan bepaalde eisen moest voldoen. Het RIVM adviseert de Nederlandse overheid in de vertaling van de Kaderrichtlijn Water in landelijk beleid. De lidstaten van de Europese Unie moeten deze ‘goede toestand’ uiterlijk in 2027 realiseren. De Kaderrichtlijn Water verplicht de lidstaten duurzaam met water om te springen en beheerplannen op te stellen per stroomgebied. De KRW stelt concrete doelen voor elk oppervlakte- en grondwaterlichaam en voor specifiek beschermde gebieden zoals Natura 2000-gebieden. •

Voor oppervlaktewater stelt de KRW eisen aan de chemische en ecologische kwaliteit. Hierbij mag onder voorwaarden rekening gehouden worden met de functies van het water. De ecologische doelen kunnen per waterlichaam verschillen en zijn dus niet overal in Nederland en de EU hetzelfde. Voor grondwater worden eisen gesteld aan de kwantiteit en de chemische kwaliteit van het water.

•

Uiterlijk in 2027 moeten de door de KRW aangewezen wateren voldoen aan de vastgestelde doelen. In Nederland zijn dat de stroomgebieden van de Eems, Rijn, Maas en Schelde. Lidstaten maken elke zes jaar voor elk stroomgebiedsdistrict een stroomgebiedbeheerplan (SGBP) met doelstellingen voor het grond- en oppervlaktewater en de maatregelen die ze nemen om die doelen te bereiken. De kwaliteit van oppervlaktewater is belangrijk voor de daarin of daarop levende dieren en voor dieren die van oppervlaktewater drinken, daarin hun voedsel zoeken of daarin ’s zomers verkoeling zoeken. De gemeenten zijn belangrijke actoren in het waterbeheer en hebben een belangrijke rol bij de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water. Gemeenten zijn immers verantwoordelijk voor het beheer van het stedelijk water evenals voor aanleg en onderhoud van de riolering. Daarnaast zijn zij medeverantwoordelijk voor de bescherming van het oppervlaktewater en grondwater in hun gebied. De gemeenten werken samen met de waterschappen en provincies om de doelen van de Kaderrichtlijn Water te realiseren. Verplichtingen gemeente:

• • • •

Beheer stedelijk water Aanleg en onderhoud riolering Beschermen oppervlaktewater en grondwater in eigen gemeente (en op percelen in eigendom van de gemeente buiten de gemeentegrenzen) Samenwerken met waterschappen en provincies om doelen KRW te realiseren

Kaderrichtlijn Water

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 86 van 123

Meststoffenwet De Meststoffenwet (MW) reguleert het gebruik van meststoffen in de landbouw. De wet stelt grenzen aan de hoeveelheid dierlijke mest die op een boerderij mag worden gebruikt, en de hoeveelheid stikstof en fosfaat die aan het milieu mag worden vrijgegeven. De MW regelt de productie van dierlijke meststoffen, de verantwoording daarover, de hoeveelheidsbepaling, gebruiksnormen, het verhandelen van meststoffen, een doelmatige afvoer van mestoverschotten, en de handhaving. De Meststoffenwet bepaalt onder welke voorwaarden vervoer van, en handel in meststoffen is toegestaan. De wet maakt daarbij een indeling naar verschillende typen meststoffen: • • • • •

dierlijke meststoffen zuiveringsslib compost overige organische meststoffen anorganische meststoffen (kunstmeststoffen)

Per meststof gelden er verschillende regels, voorwaarden en uitrijdperioden. Voor het digestaat van monovergisting van uitsluitend dierlijke mest geldt, dat dit mag worden vervoerd, verhandeld en gebruikt als 'dierlijke meststof'. De wet definieert verder termen als ‘grond’, ‘groeimedium’, ‘dierlijke meststoffen’ en ‘meststoffen’. De Meststoffenwet wordt gehandhaafd door het Ministerie van LNV. Mest heeft invloed op het bodemleven. Gemeenten spelen een rol bij de uitvoering van de Meststoffenwet. In concentratiegebieden, zoals aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet, kunnen gemeenten bijvoorbeeld regels stellen voor de bouw van nieuwe stallen of de uitbreiding van bestaande stallen. Ook kunnen gemeenten in deze gebieden regels stellen voor de afstand tussen veehouderijen en woningen of andere gevoelige bestemmingen. In vrijwel alle gevallen is de gemeente het bevoegd gezag, als een veehouderij dierlijke mest bewerkt of verwerkt op boerderijschaal. Alleen als een bedrijf op grotere schaal mest van derden gaat verwerken en daarnaast onder de IPPC-richtlijn of het Besluit risico's zware ongevallen 2015 valt, is de provincie het bevoegd gezag. Be s l u i t g eb ru i k me s t st of f en

Het Besluit gebruik meststoffen (Bgm) is legt de voorwaarden en beperkingen voor het gebruik van meststoffen in de landbouw vast. Het besluit definieert onder andere de termen grond, meststoffen, bedrijf, landbouwer, landbouwgrond, fosfaat, hectare, veengrond, zand- of lössgrond, kleigrond, zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten, overige organische meststoffen, dierlijke meststoffen, grasland, bouwland, natuurterrein, beheer, overige grond, stikstofkunstmest, vaste mest, drijfmest, steekvast zuiveringsslib, vloeibaar zuiveringsslib, fruitteelt, en veenkoloniaal gebied. Het besluit bevat bepalingen over het gebruik van meststoffen op of in de bodem, zoals het gebruik van zuiveringsslib, herwonnen fosfaten, dierlijke meststoffen, compost, stikstofkunstmest overige organische meststoffen, onder meer op natuurterreinen en steile hellingen. 2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 87 van 123

Gemeenten hebben een belangrijke rol bij de handhaving van het Besluit gebruik meststoffen. Zij zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de regels door agrarische bedrijven in hun gemeente. Daarnaast kunnen gemeenten ook zelf regels stellen voor het gebruik van meststoffen binnen hun gemeentegrenzen, bijvoorbeeld om de kwaliteit van het oppervlaktewater te beschermen. De kwaliteit van het oppervlaktewater is in bijna heel Nederland onder de maat. In 2027 moet Nederland voldoen aan de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Een strenger meststoffenbeleid helpt bij het behalen van de doelstellingen van de KRW. Ui t v o e ri ng s re g e li n g g eb ru i k me s ts to f f en

Deze regeling bevat regels voor het gebruik van meststoffen. Als de gemeente eigen percelen heeft, gelden deze regels dus ook voor de gemeente. Bemesting, met name drijfmest en zuiveringsslib, kan negatieve invloed hebben op het bodemleven. Ruige stalmest is voor sommige soorten juist weer heel goed (insecten, wormen en dassen). Groenbemesting kan voor dieren voedsel en schuilgelegenheid opleveren. De regeling gaat op in de Omgevingswet en vervalt daardoor hoogstwaarschijnlijk per 1 januari 2024.

Verplichtingen gemeente

• • • •

In regels voor de bouw of uitbreiding van (nieuwe) stallen regels uit de Meststoffenwet verwerken Toezicht houden op naleving regels voor gebruik meststoffen door agrarische bedrijven Regels stellen voor het gebruik van meststoffen om de kwaliteit van het oppervlaktewater te verbeteren Zoek uit of meststoffen nodig zijn voor gemeentelijke percelen en welke meststoffen de gewenste biodiversiteit opleveren: lever daarbij maatwerk

Meststoffenwet Besluit gebruik meststoffen Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 88 van 123

Ontgrondingenwet Deze wet stelt regels om tot een goede afweging van de verschillende bij ontgrondingen betrokken belangen te komen. Gemeenten hebben hiermee te maken indiener ontgrondingen binnen hun grenzen plaatsvinden. Dieren kunnen door ontgrondingen worden verdreven of leefgebied en/of foerageergebied kwijtraken. De wet zelf gaat vooral over de vergunningen, beroep, heffing, gedoogplichten en handhaving, en schadevergoeding. De wet zal opgaan in de Omgevingswet en vervalt dus waarschijnlijk per 1 januari 2024.

Aanbeveling voor gemeenten:

•

Schadevergoeding vragen indien er schade optreedt en voorzieningen moeten worden getroffen voor dieren

In de Ontgrondingenwet is o.a. het volgende vastgelegd: Artikel 3 1. Het is verboden, behoudens het bepaalde in de artikelen 12 en 31, zonder vergunning te ontgronden dan wel als eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker, opstalhouder, beklemde meier of gebruiker van enige onroerende zaak toe te laten, dat aldaar zonder vergunning ontgronding plaats heeft. 2. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de ontgronding, de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken.

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 89 van 123

Vuurwerkbesluit Het Vuurwerkbesluit geeft regels voor onder meer het in de handel brengen van vuurwerk, opslag van vuurwerk, consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk en veiligheidsafstanden. Vuurwerk levert ontploffings- en brandgevaar op met gevaar voor verwondingen of erger bij mens en dier. Daarnaast heeft het negatieve gevolgen voor de gezondheid van mensen en dieren door o.a. fijnstof en lawaaioverlast. Ook levert vuurwerk vervuiling op van de omgeving door zware metalen, fijnstof en plastic afval, wat allemaal negatieve gevolgen kan hebben voor (wilde) dieren en biodiversiteit. Gemeentes zijn bevoegd gezag voor het afgeven van omgevingsvergunningen voor een inrichting waar vuurwerk wordt opgeslagen. Gemeenten mogen een vuurwerkverbod instellen. De provincie is bevoegd gezag voor vergunningen voor de toepassing en of ontbranding van vuurwerk.

Verplichtingen gemeente:

• • • • •

Omgevingsvergunningen voor de opslag, toepassing of ontbranding van vuurwerk in behandeling nemen Regels opnemen voor vuurwerk in omgevingsvergunningen Omgevingsvergunningen voor opslag vuurwerk actueel houden Inrichtingen waar vuurwerk wordt opgeslagen controleren aan de hand van vergunningen Vuurwerkverbod handhaven (Vuurwerkbesluit artikel 2.3.6)

Aanbeveling:

•

Vuurwerkverbod instellen, tenminste rond gebieden waar zich dieren bevinden en rond parken en natuurgebieden

Vuurwerkbesluit Artikel 2.3.6 Het is verboden vuurwerk, anders dan bedrijfsmatig, tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar. Hoofdstuk 3 Vuurwerkbesluit: Professioneel vuurwerk Hoofdstuk 4 Vuurwerkbesluit: Veiligheidsafstanden

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 90 van 123

Waterwet De Waterwet (Wtw) bevat regels voor het beheer en gebruik van watersystemen in Nederland. Deze wet stelt het integraal beheer van watersystemen centraal. De Wtw regelt onder andere het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen, en stelt ook eisen aan de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Ook zijn er regels die gaan over de relatie tussen waterveiligheid en ruimtelijke ontwikkelingen. Zo moet de gemeente ervoor zorgen dat er bij het toelaten van activiteiten geen belemmeringen ontstaan voor (onderhoud, instandhouding en versterking van) de waterkering. De gemeente neemt dan bijvoorbeeld regels op dat in de zone rondom de waterkering niet mag worden gebouwd. De gemeente kan ook een vergunningplicht instellen voor het afgraven of egaliseren van gronden, of het aanbrengen van diep wortelende beplantingen of bomen. Als het waterschap al regels over bouwen bij waterkeringen heeft gesteld in de Waterschapsverordening, hoeft de gemeente dat niet meer te doen. De gemeente moet dan alleen zorgen dat zij in het omgevingsplan geen ontwikkelingen toestaat die op grond van de Waterschapsverordening verboden zijn. Andere regels voor waterveiligheid zijn bijvoorbeeld gericht op aanvullende maatregelen om de gevolgen van een overstroming te verkleinen.

De gemeente kan in het omgevingsplan regelen dat in zones nabij dijken vluchtroutes worden aangelegd en schuillocaties op verhoogde grond. Er zijn verschillende manieren waarop de Waterwet gevolgen kan hebben voor dieren. Het beheer van waterkeringen is belangrijk voor de bescherming van het land tegen overstromingen. Bij overstromingen kunnen dieren verdrinken, als ze niet (tijdig) evacueerbaar zijn. Zeker voor wilde dieren kunnen vluchtroutes en schuillocaties op verhoogde grond van levensbelang zijn. Het onderhoud van deze waterkeringen kan gevolgen hebben voor de flora en fauna in de omgeving. Het beheer van oppervlaktewater- en grondwaterlichamen is belangrijk voor het leefgebied van verschillende diersoorten. Goede waterkwaliteit en een goed beheer van waterlichamen kunnen bijdragen aan de bescherming van dieren en hun leefomgeving. De gemeente heeft een aantal taken in het kader van de Waterwet. Zo is de gemeente verantwoordelijk voor de inzameling van stedelijk afvalwater en voor hemelwater en grondwater. De manier waarop een gemeente invulling geeft aan deze zorgplichten staat in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), dat verplicht is via de Wet milieubeheer. Overstromingen van vuilwaterrioolsystemen bij hevige regenval of verstoppingen kunnen bodemleven vergiftigen.

Riooloverstorten in oppervlaktewater hebben negatieve gevolgen voor waterdieren zoals vissen en voor de biodiversiteit, zeker in de zomer, als het water relatief zuurstofarm is. Gebrekkig onderhoud aan rioleringen kan zorgen voor overlast door ratten.

Verplichtingen gemeente

• • • •

Geen activiteiten toestaan die geen negatieve gevolgen hebben voor waterkeringen Stedelijk afvalwater inzamelen Gemeentelijk rioleringsplan opstellen en bijhouden Op tijd onderhoud plegen aan rioleringen

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 91 van 123

•

Vanuit de zorgplicht vissen die dreigen te stikken door vuilwater uit een overstort verplaatsen en/of voorzien van voldoende schoon water en zuurstof

Aanbevelingen gemeente

• •

Hemelwater afkoppelen van rioleringen Riooloverstorten van vuil rioolwater afkomstig uit huishoudens en bedrijven zonder zuivering op oppervlaktewater of in bodem uitfaseren

In de Waterwet is onder meer het volgende vastgelegd: Artikel 2.10 Normen voor de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen worden vastgesteld krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer, in overeenstemming met het stelsel van milieudoelstellingen, opgenomen in artikel 4 van de kaderrichtlijn water.

Artikel 3.4 1. Zuivering van stedelijk afvalwater gebracht in een openbaar vuilwaterriool geschiedt in een daartoe bestemde inrichting onder de zorg van een waterschap. Een zodanige inrichting kan worden geëxploiteerd door het waterschap zelf dan wel door een rechtspersoon die door het bestuur van het waterschap met die zuivering is belast. 2. In afwijking van het eerste lid kunnen het bestuur van het betrokken waterschap en de raad van een betrokken gemeente op voorstel van één van beide partijen besluiten, dat de zuivering van daarbij aangewezen stedelijk afvalwater in die gemeente, vanaf een daarbij te bepalen tijdstip, geschiedt in een daartoe bestemde inrichting onder de zorg van die gemeente. Een besluit als bedoeld in de vorige volzin kan slechts worden genomen op grond dat zulks aantoonbaar doelmatiger is voor de zuivering van stedelijk afvalwater. 3. Het bestuur van het waterschap en de raad van de betrokken gemeente beslissen op een voorstel als bedoeld in het tweede lid, binnen één jaar na de dag waarop het door de raad van de betrokken gemeente dan wel door het bestuur van het waterschap is ontvangen. Bij gebreke van overeenstemming binnen die termijn beslissen, de beide partijen gehoord, gedeputeerde staten.

2023 Wetgeving met gevolgen voor dieren en biodiversiteit- Verplichtingen voor gemeenten in vogelvlucht

Bureau Lauret namens

Pagina 92 van 123

Wet ammoniak en veehouderij Deze wet bevat regels voor beslissingen inzake omgevingsvergunningen voor ammoniakemissie uit dierenverblijven en veehouderijen. Deze gelden bijv. ook voor gemeentelijke stadsboerderijen. Ammoniak zorgt voor stikstofdepositie, verzuring van de natuur en daardoor voor het verdwijnen van soorten, dus verslechtering van de biodiversiteit. Dieren in emissiearme stallen houden is echter meestal niet goed voor het welzijn van de gehouden dieren. De wet gaat op in de Omgevingswet en vervalt daardoor hoogstwaarschijnlijk per 1 januari 2024.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14272364/2