bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
34/91
i
Z.60234/D.367989
i
i
3.4.7
Laadpalenbeleid 2020-2025
Om aan de toekomstige laadbehoefte te voldoen, is een versnelling in het plaatsen van laadpalen in de openbare
ruimte nodig. Dit beleid is opgesteld om deze versnelling mogelijk te maken. De gewenste versnelling realiseert de gemeente als volgt:
I
1.
2.
Het huidige proces van aanvraag tot plaatsing is lang. Dit proces wordt aanzienlijk verkort. Het is niet altijd mogelijk om op korte afstand van thuis of werk een nieuwe laadpaal in de openbare ruimte te plaatsen. Met dit beleid beantwoordt de gemeente een aanvraag met: "ja, mits..." . De gemeente stelt nieuwe
kaders voor de toekenning van een laadpaal in de openbare ruimte. 3.
Vooralsnog plaatst de gemeente laadpalen in de openbare ruimte op aanvraag. Bij herinrichtingsprojecten plaatst de gemeente laadpalen in de openbare ruimte ook proactief.
Toetsing
i
Het initiatief wordt op private grond gerealiseerd. Bij de aansluiting van nieuwe laadpalen in de openbare ruimte wordt een verzoek ingediend bij de gemeente.
3.4.8
Conclusie
in de structuurvisie uit 2012 is nog geen rekening gehouden met uitbreiding van Nederhorst aan de noordzijde.
Inmiddels is via het bovengenoemde bestuursakkoord, de motie woningbouw Nederhorst den Berg Noord en de nieuwe Omgevingsvisie 2040 kenbaar gemaakt dat de gemeente de woningbouwontwikkeling in Nederhorst den Berg Noord mogelijk wil maken.
I
i I i
I
i I
i asm
Z.60234/D.367989
I i I i I
4
i
I i
4# 4 1
i I i
I i
I
i I i
I
-
Z.60234/D.367989
I Hoofdstuk 4
Toetsing aan de omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
4.1
in onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit mer is aangegeven welke activiteiten in het kader van het
omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende
activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
I I
•
de kenmerken van de projecten;
•
de plaats van de projecten;
•
de kenmerken van de potentiële effecten.
Onderzoek Het voorliggend plan maakt de nieuwbouw van 150 woningen mogelijk. Dit valt onder de activiteit 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van winkelcentra of parkeerterreinen' genoemd in
i
onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. De ontwikkeling blijft wel onder de drempelwaarden (een oppervlakte 100 ha, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of een =
bedrijfsvloeroppervlakte
=
=
200.000 m2). Er moet daarom beoordeeld worden of belangrijke nadelige milieueffecten
kunnen worden uitgesloten door middel van een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.
I i
I i
in bijlage 13 is de aanmeldnotitie voor de vormvrije m.e.r-beoordeling opgenomen, waarin is vastgesteld dat geen MER nodig is voor dit project. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige
karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.
4.2
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij een functiewijziging
dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de bodemkwaliteit niet
-
voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig gesaneerd dient te worden dat zij kan worden op gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur schone grond te worden gerealiseerd.
I
Onderzoek Met het voorliggend plan wordt een functiewijziging van agrarisch naar wonen mogelijk gemaakt. Er is vanwege deze functiewijziging een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen beperkingen worden voorzien inzake de bestemmingsplanwijziging.
I
.
Z.60234/D.367989
I Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bij de uitvoering wordt rekening
gehouden met te treffen saneringsmaatregelen ter plaatse van de geplande nieuwbouw.
Water
4.3
Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer.
i I
Het projectgebiedligt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Waternet voert taken uit in opdracht van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Bij het tot stand komen van dit plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding,
allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van
de voor het projectgebiedrelevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.
Europa: •
Kaderrichtlijn Water (KRW)
Nationaal: •
Nationaal Waterplan (NW)
•
Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
•
Waterwet
Provinciaal •
Provinciaal Waterplan
Waterschapsbeleid In het Waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid
doelen voor de planperiode 2016-2021op hoofdlijnen. Hierin staat wat het waterschap doet aan veiligheid, de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en aan efficiënte zuivering van afvalwater. Ook zet het waterschap zich in voor het behoud van cultuurhistorisch erfgoed en de natuur. Het waterschap wil bereiken dat mensen zich
bewuster worden van het belang van een veilig en 'robuust' (toekomstbestendig) watersysteem. Het waterschap wil
I
I
I
open en toegankelijk zijn, actief naar samenwerking zoeken en de dialoog aangaan. De strategische uitgangspunten
voor de langere termijn (2030) zijn: •
Samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit;
•
Een klimaatbestendig en daarmee water robuust gebied;
•
Steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte;
•
Een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid;
•
Water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie;
•
Gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water;
•
Gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en
Z.60234/D.367989
marktpartijen;
I
•
Vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit voor burgers en bedrijven;
•
Afstemming over alle watertaken per stroomgebied (i.c. Rijn-West);
•
Behoud van de zelfstandige bevoegdheid.
Huidige situatie Het projectgebiedligt aan de noordzijde van de Kern Nederhorst den Berg. Het gebied heeft momenteel een agrarische bestemming en bestaat hoofdzakelijk uit grasland en sloten. Het is grotendeels onverhard.
Bodem en grondwater
i
Het projectgebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de
Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit veengronden. Er is sprake van grondwater trap II. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) dieper dan 40 centimeter onder maaiveld ligt. De
gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt tussen de 50 en 80 centimeter onder maaiveld. De maaiveldhoogte bedraagt circa -0,3 meter NAP.
Figuur 4.1 Bodemsoort en grondwatertrappen, projectgeb edin rode cirkel (bron: bodemkaart.nl)
Waterkwantiteit Volgens de Legger zijn er in het projectgebied geen belangrijke oppervlaktewateren aanwezig. Wel grenst het
projectgebied in het zuiden aan een primaire watergang. Langs deze waterlopen geldt een beschermingszone van 5 meter, gemeten vanaf de insteek van de waterloop. In de Keur is bepaald dat alle werkzaamheden binnen de
beschermingszone vergunningplichtig zijn, omdat die invloed kunnen hebben op de water aan- en afvoer, waterberging of het onderhoud.
I i
I i
l
Z.60234/D.367989
Figuur4.2 Legger AGV, oppervlaktewateren, projectgebiedin paars kader (bron: bodemkaart.nl)
i
i
Watersysteemkwaliteit en ecologie De Horn- en Kuijerpolder waaronder het projectgebied is aangewezen als 'overige wateren' in de Kaderrichtlijn Water. Verder zijn in het projectgebied en de directe omgeving geen KRW-waterlichamen. Ook zijn er geen natte ecologische verbindingszones zoals opgenomen in het (provinciale) Natuur Netwerk Nederland.
Veiligheid en waterkeringen Volgens de Legger is de Eilandseweg ten westen van het projectgebiedaangewezen als 'secundaire waterkering'. Het
projectgebiedligt buiten de
kernzone en beschermingszone van deze waterkering.
Afvolwaterketen en riolering Het hemelwater infiltreert in de bodem.
Toekomstige situatie Het voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk met 150 woningen en de daarbij
benodigde infrastructuur en parkeerplaatsen. In het ontwerp is tevens ruimte gereserveerd voor voldoende groen en water.
I
Bodem en grondwater De beoogde ontwikkeling heeft geen relevante gevolgen voor bodem en grondwater.
Waterkwantiteit De Keur stelt dat een toename van het verhard oppervlak in en aansluitend op stedelijk gebied met meer dan 1.000 m2 gecompenseerd dient te worden. De toename van de afvoer van hemelwater vanaf het verhard oppervlak op het
watersysteem dient gecompenseerd te worden door open water met een omvang van 10% van de uitbreiding van het verhard oppervlak, tenzij naar het oordeel van het bestuur een hoger percentage noodzakelijk is voor het
betreffende gebied. De oppervlakte van het projectgebied bedraagt 104.914 m2, waarvan 7.037 m' uit open water bestaat (zie figuur 4.3). In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak toe. De toename verhard oppervlak als gevolg van
40/91
Z.60234/D.367989
I realisatie woningen en ontsluitingswegen bedraagt 22.860 m2. Hierdoor geldt een compensatie-eis van tenminste 2.268 m2 DÍeUW Open water. In de toekomstige situatie bedraagt bedraagt de oppervlakte aan open water 16.358 m
een toename van 9.321 m2. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de compensatie eis.
Om de huidige door stroming van het hemelwater te handhaven wordt de weg in het oosten van het piangebied als brug uitgevoerd (of er komt een duiker onder deze weg). De weg richting de Paulus Potterstraat zal als brug
uitgevoerd worden zodat de doorstroming behouden blijft. Hiermee kan een effect op de doorstroming van het huidige watersysteem uitgesloten worden en zal de doorstroming gezien de verbreding van de watergangen naar
verwachting worden verbeterd.
I i I i
I
i I 41/91
i
Z.60234/D.367989
E I i
I i
i Figuur 43 Waterkwantiteit in bestaande en toekomstige situatie
Watersysteemkwaliteit en ecologie
i
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Een belangrijke bron voor de slechte
waterkwaliteit hier is afstromend wegwater (o.a. door hondenpoep) dat via de HWA ongezuiverd op de sloten wordt geloosd. In dit afstromend wegwater zitten vaak te hoge concentraties ongewenste stoffen en nutriënten. Vooral het
i I
fosfaatgehalte van het water is in dit gebied te hoog. In de verdere uitwerking van het project wordt gekeken naar mogelijkheden om het afstromende wegwater voor te zuiveren voordat het wordt geloosd. Mogelijkheden hiervoor
zijn het voorzuiveren in een bezinkvoorziening, wadi, bronmaatregelen of afstroming via de berm naar het water.
Veiligheid en waterkeringen
De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Afvalwaterketen en riolering
i
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende
voorkeursvolgorde aangehouden: •
hemelwater vasthouden voor benutting,
•
(in-) filtratie van afstromend hemelwater,
•
afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
•
afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.
i
I i
42/91
Z.60234/D.367989
I Klimaatadaptatie Op het gebied van hittestress, droogte en wateroverlast is het van belang water en groen een
i
prominente plek te
voor verkoeling geven in het ontwerp. Binnen de beoogde ontwikkeling is dan ook veel ruimte voor water. Dit zorgt bied tijdens hitte en bestrijd daarmee hittestress en kan droge periodes opvangen. Op het gebied van wateroverlast kan worden. het extra waterberging zodat het water bij hevige regenbuien binnen het projectgebied opgevangen toepassen en het Andere mogelijke toepassingen zijn het gebruik van groen daken, het gebruik van halfverharding
van bomen. overstroming van belang. Op het gebied van overstroming zijn de kans op een overstroming en de effecten van een overstroming. Bij Op basis van de risicokaart ligt het projectgebied in een gebied met een middelhoge kans op een
i
ontwerp rekening te een overstroming is de maximale waterhoogte circa 2 meter in het projectgebied. Door in het worden. Door middel houden met een mogelijke overstroming kunnen de effecten van een overstroming verkleint verhoogd aanleggen van extra waterberging wordt hier deels aan bijgedragen. Mogelijke andere maatregelen zijn het
van wegen en/ of woningen, hogere dorpelhoogtes, verhoogde kastjes voor energie aansluitingen,
verlaagde
speelpleinen en openbaar groen etc.
Waterbeheer
i i
op Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd van een aanbrengen het watergangen, grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe
stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een dat binnen beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent mag worden. De de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen de aangenoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/ of de veiligheid wordt aangetast, voor het Ook of afvoer en/ of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd.
onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen
worden
tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Conclusie ter plaatse. Wel dient voor De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem aangevraagd op grond de toename aan verharding, dempen en graven van watergangen een vergunning te worden van de "Keur".
I
i
4.4
Luchtkwaliteit
Toetsingskader plan uit het oogpunt van in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk toetsingskader voor de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet
milieubeheer bevat
grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde)
en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de tabel weergegeven.
I
| i
43/91
volgende
Z.60234/D.367989
I Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µ g/ m3
Uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µ g/ m3
Jaargemiddelde concentratie
40 µ g/ m3
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µ g / m3
Jaargemiddelde concentratie
25 µ g/ m2
Fijn stof (PMio)
Fijn stof (PM2,s)
i
Besluit niet in betekenende mate (nibm) beperkte In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: •
I
stof) in de buitenlucht; •
i
een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PMio (fijn een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg.
Onderzoek Bifdrage van ontwikkeling is 'niet in betekende mote'
I
Het voorliggend plan voorziet in de realisatie van 150 woningen. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van dat 1.500 woningen zoals vastgelegd in het Besluit NIBM. Van een dergelijke ontwikkeling is op voorhand al bekend die 'Niet in Betekenende Mate' bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Het is daarom vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden en ander onderzoek is niet noodzakelijk. Er wordt voidaan aan de luchtkwaliteitswetgeving.
Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie gegeven van de luchtkwaliteit ter plaatse van het
i I i
i
I i i
plangebied. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (www.nsi-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.
Z.60234/D.367989
i
i
Figuur 4.4 Uitsnede NSL Monitoring
De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Dammerweg (N523). Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden
i
lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen: 15.6 µg/
m2 voor NO2, 17,3
µ g/
m2
voor PMio en 10,4 µ g/ m'voor PM2, s. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PMio ter bedroeg 7 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voidaan, zal dit ook plaatse van de ontwikkeling het geval zijn. De concentraties van luchtverontreinigende stoffen nemen immers af
naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Verkeer en parkeren
Toetsingskader
Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de
voorgenomen
activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd
dat
het plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. In bijlage 6 is een uitgebreide mobiliteitstoets opgenomen. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Beleidsregel parkeernormen, gemeente Wijdemeren 2015). Hierin zijn parkeernormen opgenomen voor kernen en landelijk gebied. De
i I
projectlocatie zal onderdeel uitmaken van de kern Nederhorst Den Berg, daarom worden de parkeernormen van dat gebiedstype (kern) gehanteerd. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (2018). Daarbij geldt hetzelfde uitgangspunt als bij de parkeerbehoefte.
Z.60234/D.367989
i
i i
Onderzoek Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is berekend met kencijfers van het CROW (publicatie 381). In de bestaande situatie is de
projectlocatie een veenweidelandschap dat geen verkeer aantrekt. De toekomstige woningbouwontwikkeling heeft
wel een verkeersaantrekkende werking. De verkeersgeneratie wordt berekend voor het beoogde programma van circa 150 woningen van het woningtype. Daarbij wordt er een mix van grondgebonden woningen en appartementen gerealiseerd, in verschillende verschijningsvormen. Tabel 1 in bijlage 6 toont de berekening van de verkeersgeneratie
van het beoogde woonprogramma. Daarbij is gebruik gemaakt van het CROW kencijfer voor woonmilieutypes uit
tabel A5. Gezien het inwonersaantal van Nederhorst den Berg (< 10.000 inwoners) wordt het kencijfer voor Landelijk gebied 'centrum-dorps' aangehouden.
kkeeerbehoefte In de Beleidsregel parkeernormen 2015 van de gemeente Wijdemeren zijn onder andere specifieke parkeernormen
i I
voor diverse woningtypes opgenomen. Daarbij wordt in de parkeernorm onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen. Het projectgebied ligt volgens de beleidsregel in het landelijk gebied. Daarbij horen hogere
parkeernormen dan bebouwde kom. Echter, gezien de aard van het gebied en de ligging, direct aansluitend aan woongebieden, is het reëel om de parkeernormen voor de bebouwde kom aan te houden. Afwijking van de
parkeernormen voor het landelijk gebied is dan ook op basis van onderstaande argumenten aanvaardbaar: •
Hoewel het projectgebied buiten de komgrens van de kern Nederhorst den Berg ligt, is er geen sprake van een
landelijke ligging. De locatie maakt na planontwikkeling deel uit van de bebouwde kom van Nederhorst den Berg. Het is dus niet reëel te veronderstellen dat de toekomstige bewoners een ander autobezit zullen hebben dan de
i
bewoners van de kern. •
De bereikbaarheid van de locatie per openbaar vervoer is niet anders dan de bereikbaarheid binnen de kern. De dichtsbijgelegen openbaar vervoerhalte ligt aan de Dammerweg op circa 250 m van het projectgebied. Daarmee is de bereikbaarheid zelfs beter dan sommige delen van de bebouwde kom.
Het plan voorziet in de realisatie van 150 woningen van verschillende woningtypes. Daarbij worden 18 appartementen gerealiseerd, 52 rijwoningen en 80 overige grondgebonden woningen. De Beleidsregel parkeernormen geeft voor eengezinswoningen een parkeernorm van 1,6 per woning. Voor rijwoningen
I
(tussen/ hoek) geldt een parkeernorm van 1,4 per woning en voor appartementen geldt een norm van 1,3 per woning. De totale parkeerbehoefte bedraagt 221 parkeerplaatsen.
Parkeeraanbod Binnen het projectgebied worden 276 parkeerplaatsen gerealiseerd. 66 parkeerplaatsen bevinden zich op eigen
terrein van woningen. 34 parkeerplaatsen bevinden zich inpandig bij de appartementen. In parkeerkoffers verspreid over het projectgebied worden nog eens 120 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast zal er langs de interne ontsluitingswegen plaats zijn voor 56 parkeerplaatsen. Er worden in het nieuwe woongebied ruim voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen.
I i
Z.60234/D.367989
i conclusie
i
leidt niet tot De ontsluiting van het projectgebied is goed. De verkeerstoename ten behoeve van de ontwikkeling knelpunten op het omliggende wegennet. Er is is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de berekende
parkeerbehoefte op basis van de gemeentelijke parkeernormen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.
I
4.6
Geluid
Toetsingskader
i I
Het plan voorziet in de realisatie van 150 nieuwe woningen. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) zijn woningen aangewezen als geluidgevoelige objecten. Een deel van de te realiseren woningen ligt binnen de geluidzone van
wettelijk gezoneerde Dammerweg. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van enkele 30 km/ uur wegen. uur weg in bijlage 3 is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai toegevoegd. Hieruit blijkt dat voor de 30 km/ van 48 Paulus Potterstraat geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de richtwaarde dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt.
I I
Voor de binnenplanse 30 km/ uur wegen geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de richtwaarde met maximaal 3 dB overschrijdt. Echter er kan voor 30 km/ uur wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Voor de gezoneerde wegen Dammerweg en Reeweg geldt dat de geluidbelasting enkel op de gevels
van de vrijstaande woning de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met respectievelijk maximaal 2 en 6 dB overschrijdt. Voor de overige woningen geldt dat er geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde
i
aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet.
I
Conclusie wordt
Uit het bijgevoegde akoestisch onderzoek blijkt enkel dat bij de vrijstaande woning de voorkeursgrenswaarde overschreden. De overschrijdingen gaan om maximaal 2 en 6 dB. Er worden geen onoverkomenlijke knelpunten
doeltreffend of
I
verwacht. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat eventuele bron- of overdrachtsmaatregelen niet wenselijk zijn. Derhalve wordt verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.
4.7
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
I
I
•
bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
•
vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
Z.60234/D.367989
i
i i
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het
plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en
onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang
overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/ of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
I
Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor
kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10
per
jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voidaan, ongeacht of het een
bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
I
Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden.
Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de
i
i
bijbehorende risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van
10
per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10
6
waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde
bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10
6
COnt0Ur)
opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen
i
beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200
meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is
het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit
externe veiligheid inrichting (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en GR gelden. Op grond van het
i
Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de
afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
I 48/91
i
Z.60234/D.367989
E I Onderzoek Volgens de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen worden getoond, zijn in de omgeving van het
projectgebied enkele risicobronnen gelegen (figuur 4.5).
I
Figuur 4 5: Risicovolle bronnen rondom, projectgebie
a
weergegeven (bron: risicokaart.n! )
Risicovolle inrichtingen
Ten noorden van het projectgebied is LPG tankstation De Haan gevestigd. De PR 10
I
6
contour rondom het LPG
vulpunt ligt op 25 meter. Het invloedsgebied strekt tot 150 meter. De ontwikkeling vindt plaats op circa 420 meter. Het projectgebied ligt buiten het invloedsgebied.
Ten westen van de ontwikkeling is sprake van de opslag van gevaarlijke stoffen in een bovengrondse tank. De PR 10
contour rondom de tank ligt op 12 meter. Het invloedsgebied strekt tot 235 meter. De ontwikkeling vindt plaats op 950 meter. Het projectgebied
ligt buiten het invloedsgebied.
Transport over water
i
Op een afstand van circa 1,3 kilometer ten westen van de ontwikkeling loopt de binnenvaartroute Corridor Amsterdam-Rijn. Uit de Regeling Basisnet blijkt dat de PR 10
contour niet buiten de vaarroute ligt. Op basis van
maatgevende stof GF3 reikt het invloedsgebied tot 90 meter. Het projectgebiedligt op circa 1.500 meter van de vaarroute. Het projectgebied ligt buiten het invloedsgebied.
Transport door buisleiding Ruim 1.700 meter ten westen van het plangebied, loopt het tracé van een aardgastransportleiding. De leiding heeft
een uitwendige diameter van 324 mm (12,7 inch) en een maximale werkdruk van 66 bar (6620 kPa). De PR 10
i
contour aan weerszijden van deze leiding komt overeen met de belemmeringenstrook van 5 meter. Op basis van diameter en werkdruk reikt het invloedsgebied (1% -letaliteitgrens) van deze leiding tot 170 meter. Het projectgebied ligt buiten het invloedsgebied.
I i
Conclusie
Het projectgebied ligt buiten het invloedsgebied van risicovolle bronnen in de omgeving. Het aspect externe veiligheid vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Z.60234/D.367989
i 4.8
Kabels en leidingen
Met 'planologisch relevant' worden de belangrijkste verbindingen bedoeld die in het bestemmingsplan vastgelegd
moeten worden. Binnen het projectgebieden in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, kabels, hoogspanningsverbindingen, straalpaden of radarverstoringsgebieden aanwezig. Het aspect kabels en
i
leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.9
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de
omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
I i
•
ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
•
rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst
opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevondeonering beperkt zich tot de milieuaspecten
met een ruimtelijke dimen. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuz nsie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige
woonwijk/ rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden.
I
Onderzoek De aanwezige bedrijven langs de Reeweg mogen niet onevenredig in hun bedrijfsbelangen worden beperkt door de
komst van nieuwe woningen.
I
Bedrijven Reeweg 3 Op Reeweg 3 bedrijven tot en met milieucategorie 3.1toelaatbaar waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter ten
opzichte van een rustige woonwijk. De nieuwe woningen komen op circa 35 meter, waarmee niet wordt voidaan aan de richtafstand. Direct naast deze bedrijfslocatie zijn echter al woningen op korte afstand (8 meter) gelegen waarmee
i
in de bedrijfsvoering rekening wordt gehouden. Aangezien hier sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal dat ook ter plaatse van de ontwikkelingslocatie het geval zijn.
Veehouderijen Reeweg 5 en 6 Ten noorden van het projectgebied liggen 2 veehouderijen. Op de inrichtingen worden dieren gehouden waarvoor in
i
I i
I
de Wet geurhinder en veehouderij (WgV) geuremissie factoren zijn vastgesteld, en dieren waarvoor in de WgV afstandstichtlijnen gelden. In onderstaande tabel worden de vergunde dieraantallen en emissies dan wel afstanden
van de veehouderijen gegeven.
Z.60234/D.367989
E I Stal
Invoer oncierbouwing
RAV-nr.
Afstand
AantaÏ
Emissiefactor
(m)
[ #]
[ous
Emissie opes
Reeweg 5
I
2
Schapen
B1 100
-
5
Schapen
B1 100
-
12
Zoogkoeien > 2 jaar
A2 100
50/ 100
20
I
4
Vrouwelijk jongvee < 2 jaar
A3 '00
50/ 100
45
-
40
I
70
7.8
546
130
7,8
'014
7.8
312
Reeweg 6 1
Schapen
1
Melk- en kaffkoeien
1
B1 100
2 jaar
Al 100
50/ 100
36
Vrouwelijk jongvee < 2 jaar
A3 100
50/ 100
'7
>
bron: Buro Blauw
I
Voor nieuwbouwlocaties binnen de bebouwde kom geldt een afstandsrichtlijn van 100 meter. Deze kan verkleind worden tot minimaal 50 meter middels een geurverordening. Er is vooralsnog geen woningbouw gepland binnen de afstand van 100 meter. Er wordt dus voldaan aan de afstandsrichtlijn. In het afwijkingsplan, dat als bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, is de geurzone aangeduid.
Nutsvoorziening ter hoogte von Reeweg 5 Volgens het vigerend bestemmingsplan "Buitengebied Nederhorst den Berg" zijn de gronden ter hoogte van Reeweg 5 tevens aangewezen voor openbare nutsvoorzieningen. Deze behoren tot de milieucategorie 1 waarvoor een
i
richtafstand van 10 meter geldt ten opzichte van een rustige woonwijk. De nieuwe woningen komen op circa 55 meter, waarmee aan de richtafstand wordt voldaan.
Conclusie Het aspect milieuhinder vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
I i I
i
I
i i
I
Z.60234/D.367989
E I 4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader
Erfgoedwet
i i
De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van
Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebbert de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen
aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud
i i
van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een
gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is:
I
•
Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet;
•
De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads-en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang
met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet.
Besluit ruimtelijke ordening Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen het aspect cultuurhistorie expliciet moeten meewegen. Het besluit regelt dat de effecten van een initiatief op cultuurhistorische waarden in
een gebied inzichtelijk worden gemaakt en ruimtelijk worden afgewogen. Eventuele waarden kunnen, door middel van specifieke regels, worden vastgelegd in het plan.
Gemeentelijk archeologiebeleid In 2011is het archeologiebeleid voor de gemeente Wijdemeren vastgesteld. Dit beleid geeft, zowel voor de burger
als voor de gemeentelijke organisatie, meer helderheid over hoe de gemeente omgaat met de zorg voor het archeologische erfgoed binnen het grondgebied van Wijdemeren. Het beleid bestaat uit een notitie en een kaart met toelichting. Voor een juiste regeling van de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen is in het kader
van deze nota een inventarisatie van het gemeentelijk bodemarchief uitgevoerd. Daarbij is onderzocht welke
I
archeologische waarden reeds bekend zijn en welke waarden verwacht kunnen worden. Op basis hiervan is de gemeente verdeeld in verschillende archeologiegebieden, elk met een eigen vrijstellingsgrens die aangeeft wanneer de initiatiefnemer is vrijgesteld van de archeologische onderzoeksplicht. Bij het vaststellen van de vrijstellingsgrens is rekening gehouden met de aard van het bodemarchief. De verschillende vrijstellingsgrenzen zijn weergegeven op de
Archeologische Beleidskaart, zodat voor een ieder in één oogopslag duidelijk is aan welke archeologische
I
i
voorwaarden moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Z.60234/D.367989
E I De toegepaste archeologieregimes zijn:
I
Categorie
Rekening houden met archeologie bij
Eerste
alle grondroerende werkzaamheden, hieronder valt ook het rijksmonument omdat bij grondingrepen
bij het rijk een monumentenvergunning moet worden aangevraagd. plannen van 50 m2 en groter en grondroerende
Tweede
werkzaamheden dieper dan 35 cm beneden
maaiveld.
I
plannen van 100 m2 en groter en grondroerende werkzaamheden dieper dan 35 cm beneden
Derde
maaiveld.
plannen van 500 m2 en groter en grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm beneden
Vierde
maaiveld.
plannen van 2500 m2 en groter en grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm beneden
Vijfde
maaiveld.
Geen regime
Zesde
i
Zoals op figuur 4.6 te zien is geldt voor het projectgebied
een vrijstellingsgrens voor plannen tot en met 2.500 m2
en dieper dan 40 cm.
I
Legenda Rekenmg houden met archeologie vanaf planomvang van
Figuur 4.6 Uitsnede archeologische beleidskaart
i
i
Toetsing Archeologie In het kader van de beoogde ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 12. Hieruit
blijkt
dat er in het plangebied drie potentiële archeologische niveaus zijn. Van die drie niveaus heeft alleen de top
van het dekzand een hoge archeologische verwachting. Op basis van de diepte van de top van het dekzand kan het
53/91
i
Z.60234/D.367989
E I advies voor het plangebied worden verdeeld in drie zones (bijlage 7 van het archeologisch onderzoek).
I
•
Zone 1: rekening houdend met een veiligheidsmarge van 0,3 m wordt vervolgonderzoek geadviseerd bij bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 2,0 m -mv (-3,5 m NAP). Uitzondering hierop betreffen de twee duinen die in zone 1 aanwezig zijn. Voor de twee duinen is het advies voor vervolgonderzoek bij bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 0,5 m -mv (-2,0 m NAP).
•
i
Zone 2: rekening houdend met een veiligheidsmarge van 0,3 m wordt vervolgonderzoek geadviseerd bij
bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 2,3 m-mv (-3,8 m NAP). •
Zone 3: rekening houdend met een veiligheidsmarge van 0,3 m wordt vervolgonderzoek geadviseerd bij bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 2, / m -mv (-4,2 m NAP).
Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Ook ligt het plangebied niet binnen een beschermd stadsof dorpsgezicht. Wel is relevant dat het projectgebied een ruimtelijke ontwikkeling in landelijk gebied betreft. Hierdoor is toetsing aan de provinciale Leidraad Cultuurhistorie noodzakelijk conform artikel 15 van de Provinciale
i
Ruimtelijke Verordening. Daarnaast ligt het projectgebied binnen 2 UNESCO Werelderfdoedgebieden. Derhalve dient
getoetst te worden aan artikel 22 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening. In bijlage 11is het initiatief getoetst aan de genoemde provinciale regels.
Uit het onderzoek komt naar voren dat een deel van de openheid van het landschap wordt beperkt maar dit wordt
niet significant geacht. Door de rechte lijnen die aansluiten op de verkavelingsstructuur van het polderlandschap wordt een zorgvuldige inpassing van de nieuwe woonwijk geborgd. Het plan houdt dus goed rekening met de
bestaande kwaliteiten en ontwikkelprincipes van het Ensemble Vechtstreek en voldoet daarmee aan de ruimtelijke
i
kwaliteitseisen die de provincie Noord-Holland daaraan stelt.
Anderzijds voldoet het plan aan de regels om af te mogen wijken voor het realiseren van dorpsontwikkelingen in de 2 UNESCO Werelderfgoed gebieden. De ontwikkeling is van groot belang om de vitaliteit van de kern Nederhorst den
Berg veilig te stellen. Daarnaast zijn er geen reële alternatieven en leidt het plan niet tot wezenlijke aantasting van de Werelderfgoederen. De ontwikkeling Nederhorst den Berg Noord voldoet aan de regels voor cultuurhistorie.
I
Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de planologische procedure van dit project. Wel wordt voor bij de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen een proefsleuven- en kanterend booronderzoek
geadviseerd.
I
4.11
Ecologie
Toetsingskader
Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden
i I
i
en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Z.60234/D.367989
I Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke
i
Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN)
wordt beschermd door de Wro.
Natura-2000 gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van
vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
I
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
I
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming in de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
I
•
soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
•
soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
•
overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten,
eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1van de vogelrichtlijn.Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen
van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren
i
van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage Il bij het Verdrag van Bern of bijlage I
bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Holland In de provincie Noord-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem
brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder
i
begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone
ss/92
i
Z.60234/D.367989
I pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis,
tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat.
Onderzoek Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Directe effecten zoals
areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt circa 240 meter ten oosten van het projectgebieden betreft
i
'Oostelijke Vechtplassen'. Dit is tevens het dichtstbijzijnde natuurgebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4.7).
I
i I i
i Figuur 4.7 Ligging
projectgebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: provincie Noord-Holland)
De realisatie van de voorgenomen ontwikkeling en de verkeersgeneratie kunnen leiden tot een toename in
stikstofdepositie. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is met behulp van de AERIUS Calculator de stikstofdepositie berekend. Deze is in de bijlagen toegevoegd (Bijlage 10). Uit beide berekeningen (aanlegfase en
i
gebruiksfase) blijkt dat er geen sprake is van een toename die hoger is dan 0,00 mol N/ ha/jr op het Natura 2000-gebied. Het project is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
Soortenbescherming Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door onderzoeksbureau Els & Linde B.V. een quickscan beschermde planten- en dierensoorten uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 2.
Uit de resultaten van de quickscan is gebleken dat kleine marters voor de locatie niet zijn uit te sluiten. Een afdoend
onderzoek naar de marters wordt geadviseerd. De eventuele aanwezigheid van de marters hoeft geen belemmering
i
te zijn voor de ontwikkeling. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is nodig als een effect op deze soorten niet is te vermijden.
I 56/91
i
Z.60234/D.367989
I Conclusie De woningbouwontwikkeling van Nederhorst den Berg Noord heeft geen negatieve effecten op beschermde
i
natuurgebieden. Om negatieve effecten op beschermde soorten uit te sluiten dient er nog nader onderzoek plaats te
vinden naar het voorkomen van marters.
I i I i
I i I
i
I i
I
I
-
Z.60234/D.367989
i i
I i
I i I
i I
i I
i
I
i
I i I i
-
Z.60234/D.367989
i Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
5.1
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische
uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid De initiatiefnemer heeft ter onderbouwing van de economische uitvoerbaarheid een exploitatieopzet gemaakt. In
i
deze exploitatieopzet is rekening gehouden met de te verwachte kosten, zoals onderzoekskosten, plankosten, de benodigde grond- en sloopwerken voor bouw- en woonrijpmaken, tegemoetkoming in planschade, aanleg van groenvoorzieningen, infrastructuur en water en de bouwkosten. De opbrengsten betreffen de uitgifte van de
gronden (woonkavels). Deze exploitatieopzet is sluitend. De ontwikkeling is hiermee economisch uitvoerbaar
e
mnve naalvergunning waarvoor deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld, leidt tot de
planologische mogelijkheid om nieuwe woningen te bouwen. Op grond van artikel 6.12 van de Wet
i
ruimtelijke ordening en artikel 6.2.1van het Besluit ruimtelijke ordening betekent dit dat de gemeente verplicht is
een exploitatieplan vast te stellen, tenzij het kostenverhaal van de door de gemeente te maken kosten anderszins is voorzien.
I I i
Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien tussen de grondeigenaar en de gemeente een zogenoemde anterieure overeenkomst wordt afgesloten. Dit heeft volgens de wetgever ook de voorkeur. Voor deze
paragraaf is ervan uitgegaan dat een dergelijke overeenkomst wordt afgesloten. Het opstellen van een exploitatieplan is daarmee niet nodig. In deze overeenkomst wordt ingegaan op het kostenverhaal (plankosten) en
de verantwoordelijkheid voor de afhandeling van eventuele planschadeclaims. Deze overeenkomst wordt getekend voordat de omgevingsvergunning wordt verleend.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling maatschappelijk
draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen.
I
Participatie Om aan participatie invulling te geven, zijn door de initiatiefnemer de volgende stappen gezet: 1.
Er is een informatiekrant gemaakt met hierin informatie over het plan en de context. Zo kon men deelgenoot
worden van het plan en/ of zich voorbereiden op enquête en/ of online bijeenkomst. 2.
Deze informatiekrant is huis aan huis verspreid onder alle inwoners van Wijdemeren (oplage van zo'n 10.000
3.
n
dne nn)ormatiekrant is een link opgenomen naar een enquête, waarin vragen zijn gesteld over de belangrijkste
kenmerken van het plan. Aan de enquête hebben 178 respondenten deelgenomen.
59¾
l
Z.60234/D.367989
I 4.
Via een advertentie in de lokale media is opgeroepen tot het invullen van de enquête en deelname aan een online bijeenkomst.
I
I
5.
Een online bijeenkomst is op 9 februari 2021georganiseerd waarin de achtergrond van het plan en de uitkomsten van de enquête gedeeld zijn alsmede in kleinere groepen in gesprek gegaan is. Het uitgebreide
verslag van deze bijeenkomst is opgenomen in bijlage 14.
Wettelijk vooroverleg Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht juncto artikel 5.1.1van het Besluit
ruimtelijke ordening zal in ieder geval aan de volgende besturen en/ of diensten de ontwerpomgevingsvergunning en de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing toegezonden met het verzoek om,
I
onder verwijzing naar artikel 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken te reageren: •
provincie Noord-Holland;
•
waterschap Amstel, Gooi en Vecht
•
Veiligheidsregio.
oocrehdet
anvragen van de omgevingsvergunning, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan wordt de uitgebreide procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevolgd. De procedure hiervoor is
i
opgenomen in artikel 2.12 eerste lid sub a onder 3 van de Wabo. Binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag moet het college van burgemeester en wethouders beslissen over het verlenen van de vergunning. Tijdens deze periode moet de aanvraag zes weken ter visie worden gelegd, waarbij de mogelijkheid aan een ieder wordt geboden voor het indienen van zienswijzen. Na de bekendmaking van het besluit kan door belanghebbenden die een
zienswijze hebben ingediend beroep worden ingesteld.
I
i I i
I
i
I i som
i
Z.60234/D.367989
i i i i
Hoofdstuk 6
Conclusie
Kennemerland Beheer is voornemens om de woonwijk Nederhorst den Berg Noord te ontwikkelen. Deze ontwikkeling is in lijn met de ambities van de gemeente om meer woningen mogelijk te willen maken om de kernen
leefbaar te houden.
De beoogde ontwikkeling is door de provincie Noord-Holland aangewezen voor weidevogelleefgebeid. Ontwikkelingen zijn slechts mogelijk indien sprake is van een groot openbaar belang. In deze onderbouwing is
i i
gemotiveerd dat de beoogde woningbouw is aan te merken als een groot openbaar belang. Er is een grote woningbehoefte in Nederland en eveneens in de voorzieningenkern van Nederhorst den Berg. Er zijn geen reële alternatieven op andere locaties in de gemeente Wijdemeren/ de kern Nederhorst den Berg om in die behoefte te voorzien. Het niet realiseren van de beoogde woningbouw leidt naast nog grotere schaarste op de woningmarkt tot
een sterk negatief effect op de levensvatbaarheid van voorzieningen in de kern Nederhorst den Berg, zowel maatschappelijk als commercieel. Ten aanzien van het weidevogelleefgebied blijkt daarnaast uit recente tellingen dat er geen broedparen in het gebied voorkomen. De provincie wordt daarom verzocht de grens van het weidevogelleefgebied aan te passen. Door direct
I i
aangrenzend aan het projectgebied adequate herinrichtingsmaatregelen en water- en graslandbeheer uit te voeren wordt wel een kwalitatief hoogwaardig weidevogelleefgebied ontwikkeld. De afname van het provinciale beleidsmatige weidevogelleefgebied van de Horn- en Kuijerpolder als gevolg van de beoogde woningbouw is daarmee meer dan evenredig verantwoord te achten. Het project leidt bovendien tot een daling van de stikstofdepositie op 3 omliggende (overbelaste) Natura 2000-gebieden.
Een ander belangrijk aspect heeft betrekking op de cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Nederhorst den Berg Noord sluit door middel van de verkavelings-en slotenstructuur aan op de kenmerken van het
i
veenweidelandschap. Aan de zuidzijde van het plan is de stedenbouwkundige structuur vergelijkbaar met de
bestaande woonwijk van Nederhorst den Berg en aan de noordzijde wordt middels een groene bufferzone een geleidelijke overgang naar het veenweidgebied gerealiseerd
Nederhorst den Berg Noord voorziet in de behoefte aan nieuwe woningen in de gemeente Wijdemeren en door de gekozen groene en waterrijke opzet worden de karakteristieke cultuurhistorische landschapswaarden niet aangetast.
Daarnaast worden er op basis van de onderzochte omgevingsaspecten, zoals beschreven in hoofdstuk 4, geen
belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling voorzien.
I
Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Het initiatief draagt zowel bij aan de invulling van de woningbehoefte als aan een aantrekkelijk weidevogelleefgebied en daling van de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden.
I
i
Z.60234/D.367989
I
i I
i l
I i
l l
4
/
l l
'
l
l
l I 62/91
l
Z.60234/D.367989
BilLAREN
La
Z.60234/D.367989
I Bijlage 1
Afwijkingsplan Woningbouw Nederhorst den Berg Noord
i I i
I
i i
I i
'
I i I
i
i I i
i
-
Z.60234/D.367989
i
i I
!
Ì
!
i
I
liisill
! i
10 laillo L
i
..
O
11
..
.
L
Z.60234/D.367989
Afwijkingsplan
Woningbouw Nederhorst Den Berg Noord Gemeente Wijdemeren behorende bij Ruimtelijke Onderbouwing omgevingsvergunningaanŸýaag OLO aanvraagnummer 5476463
800 A BVISEURS
Z.60234/D.367989
----
DATUM
21 april 2022
IMRO IDN
n.y.g.
Paolect
Woninbouw Nederherst den Berg Noord
PROIECitEIDER GPORACHIGEWER PROJECTNUMMER
des. W. Kraaijeveld 202WS74
AUTEUR
svATus
defintief, aangepast naar amendement (A-23
) d4.9-2-2022
Z.60234/D.367989
I i
i I i I i i I
i I
i i i
i i
I
Z.60234/D.367989
I
Inhoudsopgave
i Regels
4
Inleidende regels
5
Artikel 1
Begrippen
5
Artikel 2
Wijze van meten
8
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
9
Artikel 3
Agrarisch met Waarden
Artikel4
Groen
10
Artikel 5
Natuur
11
Hoofdstuk 1
i
76
Tuernkeer-
-
Landschap
Verblijfsgebied
14
Algemene regels
16
Artikel 9
Anti-dubbeltelregel
16
Artikel 10
Algemene bouwregels
17
Artikel 11
Algemene aanduidingsregels
18
Artikel 12
Overige regels
19
Overgangs- en slotregels
20
Slotregel
20
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4 Artikel 13
Bijlage bij de regels
i I i
132
Wonen
Artikel 8
i I
9
21
Bijlage 1
Voorstel inrichting en beheer nieuw weidevogelleefgebied
23
Bijlage 2
Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging'
27
Z.60234/D.367989
REGELS
80
I
RS
Z.60234/D.367989
I
Hoofdstuk 1
i
Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
het Afwijkingsplan Woningbouw Nederhorst den Berg Noord ex artikel 2.12 lid londera onderdeel 3° Wabo
i
bestaande ui afwijkingsplanverbeeldingen afwijkingsplanregels als onderdeel van de Ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunningaanvraag d.d. 25 september 2020 onder nummer 5476463. 1.2
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/ of het bebouwen van deze gronden.
I
1.3
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.4
I
I
aan- en uitbouw
een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.5
aan-huis-gebonden beroep
een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en voor zover deze beroepen een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.6
bebouwing
een of meer gebouwen en/ of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.7
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak.
I
1.8
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.9
I
bestemmingsvlak
bevoegd gezag
-
het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
I
1.10
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
I
1.11
bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
sm
I
Z.60234/D.367989
1.12
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
ele1n3geobmet
i cahkbepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen
en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.14
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.15
bijbehorend bouwwerk
de uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staande gebouw of ander bouwwerk
I I I
met een dak. 1.16
bijgebouw
een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.17
extensieve dagrecreatie
de niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie. 1.18
gebouw
elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten
ruimte vormt. 1.19
hoofdgebouw
een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijkingvan de geldende of toekomstige bestemmingvan een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, geletop die bestemming het belangrijkst is.