CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Onderbouwing BOPA Loosdrecht - Dennenlaan fase 2

gemeenteraad 1 juli 2026, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Afgifte positief bindend advies Rading tussen 56 en 58 (voorheen Dennenlaan, deel 2) (Het raadsvoorstel is zonder stemming aangenomen.)16.770 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3.

Gezondheid en milieu

Wettelijk kader In paragraaf 5.1.4 van het Bkl wordt het wettelijk kader voor het beschermen van de gezondheid en het milieu gegeven. In deze paragraaf worden instructieregels gegeven voor luchtkwaliteit (paragraaf 5.1.4.1), geluid (paragraaf 5.1.4.2 en 5.1.4.3), trilling (paragraaf 5.1.4.4), slagschaduw van windturbines (paragraaf 5.1.4.4a), bodem (paragraaf 5.1.4.5) en geur (paragraaf 5.1.4.6). In de volgende paragrafen komen deze milieuaspecten aan bod.

Beoordeling In de volgende paragrafen wordt per milieuaspect ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op gezondheid en milieu.

ruimte voor ontwikkeling

27

Conclusie Het aspect gezondheid en milieu vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.4.

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is het niet in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Toetsing is niet nodig als het project ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de verhoging van de kalenderjaargemiddelde stikstofdioxide en fijnstof. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld (artikel 5.50 Bkl). Dit geldt bij een aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten, voor het realiseren van een tunnel van ten minste 100 meter en bij de aanleg van een autoweg of autosnelweg. Het project is NIBM als de verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en fijnstof onder de 1,2 μg/m3 blijft. Dan hoeft niet getoetst te worden aan te rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Standaardgevallen NIBM zijn onder meer (artikel 5.54 Bkl): a. gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m²; of 2. twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een brutovloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m²; b. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; c.

zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: 1. één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2. twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties; Als een ontwikkeling niet onder bovengenoemde gevallen valt en in een van de aangewezen aandachtsgebieden ligt (artikel 5.51 Bkl) moeten de omgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof in acht worden genomen.

Effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit Het plan betreft de ontwikkeling van 29 woningen met ontsluitingsweg(en) en wordt dan ook gezien als NIBM. Toetsing van de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit is daardoor niet noodzakelijk. Er hoeft niet getoetst te worden aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit het Bkl gelden omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide,

28

Onderbouwing BOPA - Loosdrecht, Dennenlaan – fase 2

fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De kaarten met concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. Stof NO2 PM10 PM2,5

Jaar 2025 12,6 µg/m3 14,9 µg/m3 8,0 µg/m3

Jaar 2030 10,5 µg/m3 14,1 µg/m3 7,2 µg/m3

Omgevingswaarde WHO advieswaarde 40 µg/m3 10 µg/m3 40 µg/m3 15 µg/m3 25 µg/m3 5 µg/m3

Waarden in het plangebied, omgevingswaarden en WHO advieswaarden luchtkwaliteit

In de huidige situatie liggen de concentraties ver beneden de omgevingswaarden en in het geval van PM10 zelfs onder de WHO advieswaarde. Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst verder zullen afnemen. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.5.

Geluid door activiteiten

Wettelijk kader In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl worden instructieregels gegeven voor geluid door activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met geluid. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een activiteit, maar ook bij het toelaten van een geluidveroorzakende activiteit bij een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid beoordeeld. Voor zover het toelaten van een geluidgevoelig gebouw de milieuruimte van een bestaande (bedrijfs)activiteit beperkt, zal het bevoegd gezag eerst moeten afwegen: is het redelijk om de milieuruimte te beperken door het toestaan van de nieuwe ontwikkeling? Zo niet, moeten stappen gezet worden om de milieuruimte voor de nabijgelegen (bedrijfs-)activiteit niet te beperken. De gemeente heeft de bevoegdheid de geluidwaarden uit het Bkl onder voorwaarden aan te passen.

Beoordeling Het plan betreft de realisatie van woningen langs de Rading in Loosdrecht. Met deze invulling voorziet het plan in geluidgevoelige gebouwen. Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Ten aanzien van milieuhinder door geluid is gerekend met de richtafstanden van de VNG-handreiking “Bedrijven en milieuzonering”. Omgevingstype De omgeving van het plangebied kan worden gekarakteriseerd als een gemengd gebied nu er naast woonfunctie ook diverse niet-woonfuncties voorkomen, zoals kantoren, kleinschalige bedrijvigheid en een boomkwekerij.

ruimte voor ontwikkeling

29

Externe werking Bij externe werking gaat het er om of de nieuwe functie in de omgeving past. De vraag dient beantwoord te worden of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling tot een situatie leidt die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het beoogde initiatief betreft het realiseren van woningen. Er is derhalve geen sprake van milieubelastende activiteiten op de omgeving. Daarmee mag er vanuit worden gegaan dat er in de beoogde nieuwe situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende milieugevoelige objecten. Interne werking Bij interne werking gaat het er om of de omgeving de nieuwe functie toelaat. De vraag dient beantwoord te worden of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en of bestaande functies andersom niet onevenredig worden belemmerd in de bedrijfsvoering. In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse milieubelastende functies. Ten eerste wordt het plangebied aan de westzijde begrensd door het ‘Business Center Frans Hals’ waar diverse kantoorfuncties geclusterd zijn. De betreffende gronden kennen de bestemming ‘Kantoor’ op grond waarvan kantoren zijn toegestaan.

Volgens de VNG-publicatie betreffen dit een milieubelastende activiteit in maximaal milieucategorie 1 waarvoor het aspect geluid maatgevend is. In het omgevingstype ‘gemengd gebied’ geldt voor dit aspect een richtafstand van 0 meter. Gelet hierop mag ten aanzien van deze milieubelastende functie worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten tweede bevindt zich aan de noordzijde van het plangebied diverse kleinschalige bedrijvigheid. De betreffende gronden kennen de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ op grond waarvan bedrijven tot en met milieucategorie 2 ter plaatse zijn toegestaan. In het omgevingstype ‘gemengd gebied’ geldt voor dergelijke activiteiten een richtafstand van 10 meter. De beoogde nieuwbouw ligt op minimaal 10 meter van de bestemmingsgrens van de bestemming ‘Bedrijf’, waardoor ten opzichte van deze milieubelastende functie mag worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten derde bevindt zich aan de oostzijde van het plangebied een boomkwekerij. De betreffende gronden kennen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijk’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – kwekerij’ op grond waarvan een kwekerij is toegestaan. Voor wat betreft bedrijfscategorie is aansluiting gezocht bij de categorie ‘groothandel in bloemen en planten’.

In het omgevingstype ‘gemengd gebied’ geldt voor dergelijke activiteiten een richtafstand van 10 meter. De beoogde nieuwbouw ligt op circa 20 meter van de bestemmingsgrens van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijk’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – kwekerij’, waardoor ten opzichte van deze milieubelastende functie mag worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nu voldaan wordt aan de richtafstanden mag er tevens vanuit worden gegaan dat omliggende bestaande functies niet onevenredig worden belemmerd in de bedrijfsvoering.

30

Onderbouwing BOPA - Loosdrecht, Dennenlaan – fase 2

Conclusie Het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.6.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Wettelijk kader Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl bevat instructieregels met betrekking tot geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met geluid. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van wegen, spoorwegen en/of in-dustrieterreinen wordt het geluid beoordeeld. De instructieregels in het Bkl bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. Geluidproductieplafonds (gpp’s) zijn vastgesteld rond hoofdspoorwegen, rijkwegen en worden vastgesteld rond industrieterreinen en provinciale wegen. Het gpp geeft aan hoeveel geluid maximaal is toegestaan op een geluidreferentiepunt. Het bevoegd gezag monitort het geluid op dit punt. Rond deze geluidbronnen met een gpp gelden geluidaandachtsgebieden die gerelateerd zijn aan het gpp. Voor een industrieterrein en een provinciale weg waarvoor nog geen gpp's zijn vastgesteld, geldt volgens overgangsrecht nog de Wet geluidhinder en is het geluidaandachtsgebied overeenkomstig de Wgh-geluidzone. Voor gemeentewegen en waterschapswegen is met de Omgevingswet een geluidbewakingssysteem ingevoerd die gerelateerd is aan een zogenoemde basis geluidemissie (bge). Daarbij gelden dan geluidaandachtsgebieden die gerelateerd zijn aan het bge. Momenteel zijn de bge’s nog niet vastgesteld in gemeente Wijdemeren.

Ook drukke 30km/u wegen worden hierin meegenomen. Dit gebied wordt op basis van berekeningen bepaald en beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde voor geluid mogelijk wordt overschreden. Als binnen dit geluidsaandachtsgebied een geluidgevoelig gebouw wordt gerealiseerd, moet getoetst worden of voldaan wordt aan de standaardwaarden voor geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Wat geluidgevoelige gebouwen en ruimten zijn, wordt beschreven in artikel 3.21 en 3.22 van het Bkl. Er kan onder voorwaarden afgeweken worden van de standaardwaarden voor geluid, mits wordt voldaan aan de grenswaarden. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen.

Beoordeling Een woning wordt beschouwd als een geluidsgevoelig gebouw, waardoor nagegaan moet worden of de locatie is gelegen in een geluidsaandachtsgebied of geluidsproductieplafond. De locatie is niet gelegen binnen een geluidsproductieplafond van een (spoor)weg of industrieterrein. Wel ligt het plan binnen een geluidsaandachtsgebied van meerdere gemeentelijke wegen, waardoor een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk is. Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai opgesteld door SPA WNP (bijlage 5). De relevante gemeentelijke wegen zijn onder meer de Rading, Dennenlaan, Frans Halslaan en Oude Molenmeent. Uit het onderzoek blijkt dat het geluid op de gevels van de rijwoningen maximaal 47 dB-Lden bedraagt, dit is lager dan standaardwaarde van 53 dB-Lden. Op de appartementen is het geluid maximaal 63 dBLden. Dit is hoger dan de standaardwaarde van 53 dB-Lden, maar lager dan de grenswaarde van 70

ruimte voor ontwikkeling

31

dB-Lden. Bijna alle woningen beschikken over minimaal één geluidluwe gevel. Enkel de drie appartementen type C, gelegen aan de zuidoostgevel, niet. Dit wordt veroorzaakt door het wegverkeer op de Rading. Gezien de situatie en het berekende geluid, zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om het geluid vanwege de geluidbronsoort gemeentewegen bij alle nieuwe woningen te reduceren tot de standaardwaarde. Wel kunnen er maatregelen getroffen worden om geluidluwe gevels te realiseren ter plaatse van de drie ‘type C’ appartementen. Hierbij kan gedacht worden aan plaatselijke schermen en/of maatregelen aan de balkons en/of een akoestisch gunstige bouwvorm. Het gecumuleerde geluid bedraagt maximaal 63 dB. Omdat na het treffen van geluidreducerende voorzieningen bij de drie type C appartementen alle nieuwe woningen beschikken over een geluidluwe gevel, wordt gesteld dat het geluid aanvaardbaar is. Om een goed leefklimaat te realiseren, geldt er een minimum aan de karakteristieke geluidwering (GA;k) van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte. Hierbij moet worden uitgegaan van een gezamenlijk geluid van 63 dB. De gemeente moet het gezamenlijke geluid op de gevels vastleggen in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsactiviteit.

Conclusie Voor wat betreft de drie type C appartementen welke niet beschikken over een geluidluwe gevel, zullen geluidreducerende maatregelen worden getroffen waardoor er alsnog een geluidluwe gevel wordt gecreëerd. Initiatiefnemer heeft ervoor gekozen om geluiddempende roosters toe te passen waarmee het geluid op de gevels tot de standaardwaarde kan worden gereduceerd. Daarmee vormt het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen geen belemmering voor onderhavig initiatief en is het geluid als gevolg van wegverkeer aanvaardbaar.

4.7.

Trilling

Wettelijk kader Trillinggevoelige gebouwen worden beschermd tegen trillingen van activiteiten en bedrijven. Wat een trillinggevoelig gebouw en trillinggevoelige ruimte is, wordt beschreven in artikel 5.80 en 5.81 van het Bkl. De gemeente neemt in haar omgevingsplan regels op omtrent trillingen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan, ook wel de bruidsschat genoemd. In het Bkl worden standaardwaarden voor trillingen gegeven. De gemeente mag in haar omgevingsplan lagere waarden vaststellen. Ook mag zij onder voorwaarden hogere waarden vaststellen. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. De afwegingen daarvoor zijn in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen opgenomen. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving.

32

Onderbouwing BOPA - Loosdrecht, Dennenlaan – fase 2

Beoordeling en conclusie De planlocatie ligt op meer dan 250 meter van het spoor. Het aspect trilling vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.8.

Slagschaduw bij windturbines

Wettelijk kader In paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl worden regels gesteld voor slagschaduw van windturbines. Het gaat hierbij om regels voor windturbines met een rotordiameter van 2 meter of meer die langer dan 10 jaar ergens zullen staan. Slagschaduwgevoelige gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebruik (artikel 5.98b Bkl). De gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met de aanvaardbaarheid van slagschaduw van windturbines. Deze regels zijn opgenomen in paragraaf 22.3.18 van het omgevingsplan, ook wel de Bruidsschat genoemd, en zijn gelijk aan het beschermingsniveau uit het Activiteitenbesluit, zolang de gemeente deze regels nog niet heeft verplaatst en/of aangepast.

Beoordeling en conclusie De beoogde ontwikkeling is niet gelegen in de buurt van een windturbine, waardoor er geen strijdigheid is met de gestelde regels over slagschaduw.

4.9.

Bodem

Wettelijk kader In paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl zijn instructieregels voor het aspect bodem opgenomen. Deze regels zijn van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Artikel 5.89g geeft aan wanneer een gebouw als bodemgevoelig gebouw wordt aangemerkt. De gemeente moet in haar omgevingsplan de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opnemen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.2.3 en 22.3.7 van het omgevingsplan, ook wel de Bruidsschat genoemd. De regels voor bodem zijn berust op drie pijlers: 1. Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies aan locaties); en 3. Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen). Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

ruimte voor ontwikkeling

33

Beoordeling Teneinde de milieuhygiënische situatie ter plaatse van het plangebied vast te leggen en te bepalen of er belemmeringen zijn voor de beoogde nieuwe (woon)functie, zijn een tweetal bodemonderzoeken uitgevoerd. Onderstaand wordt nader ingegaan op de resultaten en conclusies van beide onderzoeken. Verkennend bodemonderzoek, augustus 2024 In opdracht van de gemeente Wijdemeren heeft Milieutechniek ZVS Eemnes BV (hierna ZVS milieu) in 2024 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Dennenlaan fase 2 in Loosdrecht. Het volledige verkennend bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 6 bij deze onderbouwing. De conclusies van het verkennend bodemonderzoek luiden als volgt: De bovengrond van de locatie van circa 800 m² is licht verontreinigd met PAK en minerale olie. Daarmee is geen sprake van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit volgens het Omgevingsplan van de gemeente voor een bodemgevoelig gebouw. Dergelijke gehalten zijn in 2011 ook al in de bovengrond op de locatie vastgesteld en daarmee geen ongewoon verschijnsel. Hoewel hiermee de hypothese ‘onverdacht’ komt te vervallen, is een nader onderzoek niet noodzakelijk. De ondergrond en het grondwater op dit deel van de onderzoekslocatie zijn niet verontreinigd. Zowel boven-, ondergrond als grondwater zijn op de locatie van circa 1.040 m² niet verontreinigd bevonden.

Er zijn geen milieutechnische belemmeringen voor de overdracht dan wel afgifte van een omgevingsvergunning voor voorgenomen ontwikkeling. Verkennend bodem- en indicatief asbestonderzoek, januari 2026 In opdracht van de gemeente Wijdemeren heeft HB Advies in 2025/2026 een verkennend bodem- en indicatief asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Dennenlaan fase 2 in Loosdrecht. Het onderzoek had betrekking op de locatie van de riolering en parkeervakken (en eventueel groenstroken) welke in het onderzoek uit 2024 niet waren onderzocht. Het volledige verkennend bodem- en indicatief asbestonderzoek is opgenomen in bijlage 7 bij deze onderbouwing. De conclusies van het verkennend bodem- en indicatief asbestonderzoek luiden als volgt: De hypothese van een onverdachte locatie wordt middels onderhavig onderzoek niet bevestigd. Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek wordt, gezien slechts lichte verontreinigingen zijn aangetoond, niet noodzakelijk geacht. Uit de resultaten van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat er geen beperkingen aanwezig zijn voor de voorgenomen werkzaamheden op de locatie.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.10.

Geur

Wettelijk kader De rijksregels voor geur zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl. Het Rijk heeft voor een aantal gebouwen specifieke regels voor geur gesteld. Het gaat hierbij om de zogenoemde geurgevoelige gebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een woonfunctie. Gevangenissen, hotels, asielzoekerscentra en recreatiewoningen worden niet als woonfunctie aangemerkt. De gemeente

34

Onderbouwing BOPA - Loosdrecht, Dennenlaan – fase 2

moet voor alle geurgevoelige gebouwen zoals opgenomen in artikel 5.91 van het Bkl regels stellen in het omgevingsplan om deze gebouwen te beschermen tegen geurhinder. Voor overige gebouwen of locaties mag de gemeente zelf kiezen of zij daar specifieke regels voor geur over opneemt in het omgevingsplan. De gemeente moet daarnaast in haar omgevingsplan een ‘bebouwingscontour geur’ vastleggen rondom een rioolwaterzuiveringsinstallatie, rondom locaties waar landbouwhuisdieren in een dierenverblijf worden gehouden en rondom agrarische activiteiten als deze activiteiten geur veroorzaken op een geurgevoelig gebouw. Binnen de contour geldt een ‘hoge bescherming’ en daarbuiten een ‘lage bescherming’. Voor andere geurveroorzakende activiteiten mag een gemeente zelf bepalen of zij daar geurregels voor opstelt in het omgevingsplan. Zolang de gemeente zelf nog geen regels in haar omgevingsplan heeft opgenomen omtrent geur, gelden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit zijn de regels uit de gemeentelijke geurverordening en de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het omgevingsplan, ook wel de Bruidsschat genoemd. Hierin wordt nog onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en buiten de bebouwde kom, in plaats van een bebouwingscontour. De regels voor geur gaan twee kanten op.

Naast de bescherming voor geurgevoelige gebouwen en locaties, zijn de regels ook opgesteld voor het toelaten van activiteiten in de buurt van geurgevoelige gebouwen en locaties.

Beoordeling Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Een woning wordt beschouwd als een geurgevoelig gebouw zoals bedoeld in het Bkl. Aangezien er in de nabijheid van de locatie geen activiteiten zijn die geurhinder veroorzaken, ontstaan er geen belemmeringen.

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat regels met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. De invulling hiervan wordt grotendeels overgelaten aan gemeenten en provincies. Op rijksniveau worden er onder meer regels gesteld over de kust, over de Waddenzee en het Waddengebied, over het zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (de ladder voor duurzame verstedelijking) en over cultureel erfgoed. De ontwikkeling is niet in of nabij de kust, de Waddenzee of het Waddengebied gelegen, waardoor die instructieregels niet van

ruimte voor ontwikkeling

35

toepassing zijn. De laatste twee onderwerpen, de laddertoets en cultureel erfgoed, komen in de volgende paragrafen aan bod.

4.12.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Wettelijk kader Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Artikel 5.129g van het Bkl geeft aan dat als een ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, rekening moet worden gehouden met: a. De behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Dit geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Beoordeling Allereerst moet beoordeeld worden of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. Onderhavig initiatief betreft de bouw van 29 woningen, waardoor het doorlopen van de laddertoets noodzakelijk is. Verder is het plangebied gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, dus behoeft de tweede trede van de Ladder geen nadere motivering. In de ‘Woonvisie Regio Gooi en Vechtstreek 2016 – 2030’ is de regionale behoefte aangetoond en regionaal afgestemd. Uit de huishoudensprognoses van de provincie Noord-Holland blijkt dat er tussen 2015 en 2030 nog circa 11.000 huishoudens bij komen. Tot 2030 bevat het programma 9.250 nieuwbouwwoningen en 2.275 toevoegingen door transformaties. Het realiseren van dit bouwprogramma, met behoud van bestaande kwaliteiten en de regionale identiteit, is een belangrijke regionale opgave voor de komende periode. Belangrijke thema’s binnen de regio zijn beschikbaarheid en betaalbaarheid. De volgende punten zijn aansluitend hierop of aanvullend hierop het meest van belang, op basis van regionaal en gemeentelijk woonbeleid (zie ook paragraaf 3.3.2): • •

Minimaal 1/3e betaalbaar Voor de periode 2020 tot 2030 bedraagt het programma gemiddeld 140 transformaties per jaar. In totaal bevat het regionaal vraaggestuurde bouwprogramma 2.275 transformaties voor de periode 2015 tot 2030. Dit komt neer op minimaal 20 procent van het totaal aantal woningtoevoegingen.

36

Onderbouwing BOPA - Loosdrecht, Dennenlaan – fase 2

•

•

•

Nieuwbouw wordt ingezet als strategisch instrument om waar nodig tekorten in bepaalde segmenten op te lossen, leefbaarheid in kleine kernen te helpen borgen, lange verhuisketens in gang te zetten en verduurzaming van de regionale woningvoorraad te realiseren. De regio wil tot 2030 1.000 middeldure huurwoningen toevoegen aan de woningvoorraad. Hiervoor gaan we actief in gesprek met de (beleggers)markt waarvoor onder andere een ‘biedboek middeldure huur‘ wordt gemaakt. Het woningbouwprogramma tot 2030 kan gerealiseerd worden binnen de nu reeds voorziene plannen. Voor de lange termijn wil de regio de noodzaak en wenselijkheid van verdere grootschalige nieuwbouw onderzoeken. Factoren als behoud van ruimtelijke kwaliteit, sociale en economische vitaliteit en woningbehoefte zullen hierbij afgewogen moeten worden.

Onderhavige ontwikkeling voorziet in het toevoegen van 29 woningen. Het gaat hierbij om een gevarieerd woningbouwprogramma met 8 rijwoningen en een appartementengebouw met 21 appartementen. Circa 60% van het totaal aantal te realiseren woningen is sociaal en circa 40% bevindt zich in het middensegment. Daarnaast bestaat ruim 70% van het programma uit appartementen (gestapelde bouw). Gelet op het vorenstaande draagt het plan bij aan de ambities ten aanzien van betaalbaarheid van woningen, het toevoegen van appartementen, het inzetten op onder meer het goedkope en middensegment, het rekening houden met variatie en het aantrekken van starters en senioren. Resumerend wordt dan ook gesteld dat het plan zowel voorziet in de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte.

Conclusie Gelet op het voorgaande wordt gesteld dat er sprake is van een behoefte waar binnen het bestaand stedelijk gebied in wordt voorzien. De ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.13.

Cultuurhistorie en archeologie

Wettelijk kader In het Bkl is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan een beschermingsregime moeten opnemen voor cultureel erfgoed. Hierbij moeten de instructieregels uit paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl in acht worden genomen. Dit gaat onder meer over: •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;

•

verplaatsing van beschermde monumenten;

•

gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;

•

aantasting van de omgeving van een beschermd monument;

•

aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; en

•

conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

ruimte voor ontwikkeling

37

Tot dat de gemeentes regels over cultureel erfgoed in het omgevingsplan hebben opgenomen, geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de geldende ruimtelijke regelingen zoals bestemmingsplannen, de gemeentelijke erfgoedverordening en de regels die van rijkswege zijn opgenomen in het omgevingsplan, ook wel de Bruidsschat genoemd.

Beoordeling cultuurhistorie De locatie is momenteel onbebouwd en kent derhalve geen aanduiding als zijnde monumentaal en/of beeldbepalend in het geldende omgevingsplan. Ook is de planlocatie niet gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied of waardevolle structuur. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.

Wettelijk kader Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen zijn veelal doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m².

Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

Beoordeling archeologie In de raadsvergadering van 29 september 2011 is het archeologiebeleid voor de gemeente Wijdemeren vastgesteld. Dit beleid geeft, zowel voor de burger als voor de gemeentelijke organisatie, meer helderheid over hoe de gemeente omgaat met de zorg voor het archeologische erfgoed binnen het grondgebied van Wijdemeren. Het beleid bestaat uit een notitie en een kaart met toelichting. Onderstaand is een uitsnede van de archeologische beleidskaart opgenomen.

38

Onderbouwing BOPA - Loosdrecht, Dennenlaan – fase 2

Uitsnede beleidskaart Archeologie (bron: Gemeente Wijdemeren)

Op basis van de archeologische beleidskaart geldt voor het hele plangebied een geringe archeologische verwachtingswaarde. Bij plannen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm rekening dient rekening te worden gehouden met archeologische resten (grijze gebied). De beoogde nieuwbouw en de voorgenomen grondwerkzaamheden binnen het plangebied omvatten een kleinere oppervlakte dan 2.500 m2. Nader archeologisch onderzoek is dan ook niet benodigd. Het aspect archeologie levert hiermee geen belemmering op voor het planvoornemen.

Conclusie Het aspectcultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.14. Ruimte voor toekomstige functies, infrastructuur en openbare buitenruimte Wettelijk kader Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen

ruimte voor ontwikkeling

39

plaatsvinden. Zo kan uitbreiding van een infrastructuurnetwerk meestal beter – en goedkoper – gebeuren op de locatie waar dat netwerk al aanwezig is. Tegelijkertijd is op veel van die locaties sprake van een vrij grote ontwikkeldruk. Daarom wordt in paragraaf 5.1.6 van het Bkl in navolging van het voormalig Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een aantal reserveringsgebieden aangewezen. Het gaat om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor de grote rivieren, gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimte voor de Parallelle Kaagbaan en de reservering van de Tweede Maasvlakte voor deep sea gebonden activiteiten. In paragraaf 5.1.7 van het Bkl wordt geregeld dat ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor militaire terreinen en objecten, oefen- en schietgebieden, militaire zend- en ontvangstinstallaties, laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen, militair radarbeeld, elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrales, hoogspanningsverbindingen, rijksvaarwegen, scheepvaart, communicatie-, navigatie- en radarapparatuur burgerluchtvaart en landelijke fiets- en wandelroutes.

Tot slot moet conform paragraaf 5.1.8 van het Bkl rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

Beoordeling en conclusie Het plangebied is niet gelegen in een gebied zoals bedoeld in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl. Er is vanuit dit aspect dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. In het plangebied is openbare buitenruimte aanwezig. In het plan wordt rekening gehouden met de toegankelijkheid voor personen met een functiebeperking.

4.15.

Flora en fauna

Wettelijk kader Er moet ten allen tijde rekening gehouden worden met de flora en fauna om de natuur te beschermen. In artikel 5.1 van de Omgevingswet wordt geregeld dat er een omgevingsvergunning nodig is voor Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een flora- en fauna-activiteit wordt omschreven als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Daarnaast bevat ook de provincie regels voor het beschermen van flora en fauna. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming.

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een ‘flora- en faunaactiviteit’ is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten.

40

Onderbouwing BOPA - Loosdrecht, Dennenlaan – fase 2

Gebiedsbescherming Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels.

Stikstofdepositie Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden. Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie.

Zorgplicht Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt ten allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een plek, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.

Beoordeling Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn de Oostelijke Vechtplassen op 0,7 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Dit gebied heeft stikstofgevoelig habitat. Onderstaand wordt nader ingegaan op het aspect ‘stikstofdepositie’. Negatieve effecten als gevolg van andere verstoringsvormen dan stikstofdepositie (zoals geluid, trillingen, verlichting, mechanische effecten of menselijke aanwezigheid) zijn uitgesloten wegens de grote afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), binnen natuurverbindingen en bijzonder provinciaal landschap (BPL). In de provincie Noord-Holland is een toetsing van externe

ruimte voor ontwikkeling

41

werking op deze gebieden niet noodzakelijk. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De NoordHollandse Omgevingsverordening wordt niet overtreden. Vanwege de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom is het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), onderdeel houtopstanden niet van toepassing.

Stikstofdepositie Om te beoordelen wat de effecten op Natura 2000-gebieden zijn, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Oostelijke Vechtplassen en ligt op circa 730 meter afstand van het plangebied. Uit de berekening blijkt dat de gewenste ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Hiermee kan geconcludeerd worden dat door de gewenste ontwikkeling geen strijdigheden ontstaan met de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied. Het rapport, inclusief bijlagen, is opgenomen in bijlage 8 (8.1 t/m 8.3). Soortenbescherming

Quickscan flora en fauna Om de effecten van de voorgenomen wijziging op de aanwezige flora en fauna te bepalen is in 2025 een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Bijlage 9). Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) schadelijke effecten door de activiteiten en op welke wijze in het kader van de wet gehandeld kan worden. Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat: •

• • • •

Negatieve effecten op de volgende beschermde soorten en functies zijn niet op voorhand uit te sluiten: o Huismus: essentieel functioneel leefgebied. o Teunisbloempijlstaart: Voortplantings- en leefgebied. o Marterachtigen (Bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel): vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel functioneel leefgebied. o Hazelworm: vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel functioneel leefgebied. Voor de categorie 5-soorten vogels en algemene broedvogels die voorkomen in het plangebied geldt de algemene bescherming vogels. Voor de provinciaal vrijgestelde Nationaal beschermde soorten die voor komen in het plangebied geldt de zorgplicht, voor deze soorten zijn maatregelen van kracht. Negatieve effecten op overige soorten die vallen onder de bescherming van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, of die nationaal beschermd zijn kunnen op voorhand worden uitgesloten. In het kader van de specifieke zorgplicht dient er rekening gehouden te worden met algemene broedvogels, zoogdieren, amfibieën, insecten en vaatplanten.

Nader onderzoek In verband met de resultaten van de quickscan, is nader onderzoek noodzakelijk ten aanzien van huismus, teunisbloempijlstaart, marterachtigen en hazelworm. Voor wat betreft marterachtigen en teunisbloempijlstaart heeft dit nader onderzoek reeds in 2025 plaatsgevonden (bijlage 10). Het nader onderzoek huismus en hazelworm vindt in 2026 plaats.

42

Onderbouwing BOPA - Loosdrecht, Dennenlaan – fase 2

De resultaten van het nader onderzoek marterachtigen en teunisbloempijlstaart luiden als volgt: Uit de resultaten blijkt dat marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) en de nachtvlindersoort teunisbloempijlstaart afwezig is binnen het plangebied. Individuen worden niet verstoord en essentieel leefgebied/voortplantingsplaatsen worden niet aangetast. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Het treffen van maatregelen ten behoeve van algemene broedvogels en specifieke zorgplicht is daarentegen wel noodzakelijk.

Conclusie Het aspect flora en fauna vormt op basis van de tot nu toe (februari 2026) uitgevoerde onderzoeken geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, mits de in de rapportages genoemde aanbevelingen en maatregelen in acht worden genomen. De genoemde aanbevelingen en maatregelen zullen worden (over)genomen, waarbij de werkzaamheden worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol teneinde te voldoen aan de specifieke zorgplicht. Het nader onderzoek huismus en hazelworm vindt in 2026 plaats, waarbij wordt bepaald of de werkzaamheden negatieve effecten zullen hebben. Indien dit het geval is, wordt tevens een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aangevraagd. Het treffen van mitigerende maatregelen zal hier dan onderdeel van uitmaken. Daarmee is de buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet evident onuitvoerbaar.

4.16.

Duurzaamheid

Duurzame leefomgeving Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie.

Klimaatbestendigheid Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.

Energietransitie Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie

ruimte voor ontwikkeling

43

is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Dit kan bijvoorbeeld op de volgende wijzen: •

de woningen zullen voldoen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving ten aanzien van de energieprestatie;

•

de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd.

Beoordeling Met voorgenomen ontwikkeling worden duurzame woningen gerealiseerd. Door middel van geïntegreerd bouwen met circulaire prefab elementen wordt een flexibel en adaptief gebouw gerealiseerd. Hiermee worden gebouwen gemaakt met een verlengde levensduur, daarmee levert de ontwikkeling een sterke bijdrage aan een duurzaam woningaanbod. Daarnaast wordt er in het ontwerp van de woningen aandacht besteedt aan toekomstbestendigheid. Zo worden de woningen volgens een energetisch concept gerealiseerd waar een comfortabel en gezond binnenklimaat centraal staat. De woningen worden zo gebouwd dat zij minder snel zullen opwarmen of afkoelen. Daarnaast draagt het ontwerp ook bij aan een lager energieverbruik. Energie wordt opgewekt door middel van warmtepompen en PV panelen. Daarnaast vind er ook wartmewinning plaats via het ventialatiesysteem, die tevens zorgt voor een gezond binnenklimaat. De gebouwen voldoen aan de BENG-normen en halen bijna allemaal de TO-juli norm zonder toevoeging van extra maatregelen. De woningen die de TO-juli norm niet halen worden voorzien van maatregelen zoals screens zodat de kans op oververhitting van de woningen gereduceerd wordt. Daarnaast wordt er ook aandacht besteedt aan een klimaatbestendige inrichting van de buitenruimte. Een voorbeeld hiervan is parkeerplaatsen met infiltratiecapaciteit en groenvoorziening.

Conform de ‘Nota Klimaatadaptatie’ dient tenminste 40 millimeter per m2 gesloten verhard oppervlakte binnen het plangebied te worden geborgd, geïnfiltreerd en/of hergebruikt. Zoals in paragraaf 4.2 nader uitgewerkt, wordt hier met onderhavige ontwikkeling door middel van diverse voorzieningen aan voldaan.

Conclusie Voorgenomen ontwikkeling draagt op verschillende manieren bij aan het aspect duurzaamheid, hieruit volgen geen belemmeringen ten aanzien van het initiatief.

4.17.

Parkeren en verkeer

Parkeren De gemeentelijke parkeernormering van de gemeente Wijdemeren was voorheen geregeld in de beleidsregel ‘Parkeernormen gemeente Wijdemeren’ van maart 2015. In december 2025 is een nieuwe beleidsregel ‘Parkeernormen gemeente Wijdemeren’ in werking getreden. Op basis van deze nieuwe beleidsregel kan inzicht worden verkregen in de benodigde parkeerbehoefte. Onderstaand is in een

44

Onderbouwing BOPA - Loosdrecht, Dennenlaan – fase 2

tabel zowel de oude als de nieuwe parkeerbehoefte inzichtelijk gemaakt voor de beoogde nieuwe situatie, waarbij de nieuwe parkeerbehoefte leidend is. Berekening Parkeerbehoefte Dennenlaan, Loosdrecht

Rijwoningen Huurhuis Vrije sector Appartementen Norm Huur, appartement, Vrije sector 75100m2 Norm Huur, appartement Sociaal <75m2 Totaal

Totaal aantal woningen

Parkeernorm (oud)

Parkeerbehoef -te (oud)

Parkeernorm (nieuw)

Parkeerbehoefte (nieuw)

8

1,4

11,2

1,15

9,2

5

1,3

6,5

0,8

4

16

1

16

0,8

12,8

29

33,7

26

Tabel parkeren

Gelet op bovenstaande tabel zijn ten behoeve van de beoogde ontwikkeling in totaal 26 parkeerplaatsen benodigd. Daarnaast vervalt één parkeerplaats aan de Rading en drie parkeerplaatsen voor de naastgelegen tiny houses. Daarmee omvat de totale parkeerbehoefte 30 parkeerplaatsen. In het (toekomstig) openbaar gebied worden, binnen het plangebied, in totaal 37 parkeerplaatsen gerealiseerd. Met het realiseren van in totaal 37 parkeerplaatsen wordt derhalve (ruim) voldaan aan de parkeereis, zoals deze geldt voor onderhavige ontwikkeling.

Verkeer De ontsluiting voor autoverkeer vindt rechtstreeks op de Rading plaats via de bestaande in- en uitrit voor de tiny houses. Voor langzaam verkeer is er tevens een mogelijkheid om het plangebied te verlaten via de Dennenlaan. Daarnaast is er in het ontwerp rekening gehouden met een mogelijkheid om in een later stadium verder in westelijke richting aan te sluiten. In de gewenste situatie is de verkeersgeneratie te bepalen aan de hand van kencijfers van de CROWpublicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering’. Hierbij is rekening gehouden met een locatie in rest bebouwde kom in een weinig stedelijk gebied. Op basis van de planopzet is de volgende inschatting van de totale verkeersgeneratie te maken.

ruimte voor ontwikkeling

45

Type woning

Aantal woningen

Totaal

8 5

Verkeersgeneratie (mvt/etmaal) 6,0 – 6,8 3,4 – 4,2

Huur, huis, Vrije sector Huur, appartement, vrije sector, 75-100m2 bvo (type A en C) Huur, appartement, sociale huur, < 75 m2 bvo (type B) Totaal

16

2,9 – 3,7

46,4 – 59,2

29

-

111,4 – 134,6

48 – 54,4 17 - 21

Tabel verkeersgeneratie

Op basis van bovenstaande berekening resulteert het aantal (extra) verkeersbewegingen per dag in de beoogde nieuwe situatie in maximaal 135 verkeersbewegingen als gevolg van het initiatief. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de voormalige functie als gemeentewerf. Met inachtneming van het karakter en inrichting van de Rading als gebiedsontsluitingsweg van de kern Nieuw-Loosdrecht, heeft de toename met maximaal 135 verkeersbewegingen per etmaal een verantwoord effect op de verkeerssituatie ter plaatse. Gelet op de relatief beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling in verhouding tot de bestaande verkeersintensiteit op de Rading, mag worden aangenomen dat dit niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkeling in de omgeving van het plangebied.

Conclusie De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen.

4.18.

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: •

gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;

•

aardgasleidingen afhankelijk van druk;

•

defensiebrandstoffen;

•

warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Uit het geldende omgevingsplan is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

46

Onderbouwing BOPA - Loosdrecht, Dennenlaan – fase 2

4.19.

Milieueffectrapportage

Wettelijk kader De wet- en regelgeving omtrent de m.e.r. is geen puur nationale aangelegenheid. De verplichting om in bepaalde gevallen een soort m.e.r. op te stellen volgt uit het Europese recht, te weten de m.e.r.-richtlijn en de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (hierna: SMB-richtlijn). De m.e.r.-regelgeving wordt onder de Omgevingswet geïmplementeerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien de regelgeving moet blijven voldoen aan de Europese richtlijnen verandert er relatief weinig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit in 1 lijst zijn zowel de mer-plichtige als de merbeoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.

Beoordeling Voorliggende ontwikkeling kan gezien worden als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor beoordeeld moet worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten. Bij deze beoordeling is rekening gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect).

Kenmerken van het project Het initiatief ziet op de realisatie van een nieuw kleinschalig woongebied met in totaal 29 wooneenheden in diverse typologieën op een braakliggend perceel (voormalige gemeentewerf) in de bebouwde kom van Loosdrecht. Er is sprake van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. De ontwikkeling ziet niet op productie van afvalstoffen en/of verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieubelastende functies. Risico op ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgenomen functiewijziging.

Locatie van het project Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Loosdrecht en ligt niet binnen de directe invloedssfeer van een Natura 2000-gebied. Uit een stikstofdepositieberekening is gebleken dat de ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Aan de overzijde van de Rading liggen gronden die behoren tot Natuurnetwerk Nederland. Het initiatief aan de Dennenlaan leidt niet tot oppervlakteverlies van Natuurnetwerk Nederland. De ontwikkeling leidt verder niet tot een aantasting van historische, culturele of archeologische belangen.

Kenmerken van het potentiële effect Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer. Evenmin is er sprake van luchtvervuiling of geluidhinder en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd.

ruimte voor ontwikkeling

47

In deze onderbouwing zijn de diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet gelegen in kwetsbaar of waardevol gebied en het heeft geen nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Voor deze BOPA is het dan ook niet noodzakelijk een milieueffectrapportage op te stellen.

Conclusie Op grond van het voorgaande wordt het uitvoeren van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht.

4.20.

Bezonning

Wettelijk kader Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.

TNO-norm Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO heeft een norm voor bezonning: De bezonningsliniaal – Een nieuw eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • •

de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam

Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht.

Voldoende zon en schaduw Sommige plekken hebben voldoende zon nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplaatsen. Dit draagt bij aan een aangenaam verblijfsklimaat. Ook voldoende schaduw op deze plekken is wenselijk. Zodat mensen in de steeds hetere zomers ook de schaduw kunnen opzoeken. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De gemeente kan voorkomen dat er te veel schaduw ontstaat. En juist zorgen voor voldoende schaduw.

Bezonningsdiagrammen Bezonningsdiagrammen geven inzicht of er voldoende zonlicht is op bijvoorbeeld gevel, tuin, terras en speelplek. Ook geven deze diagrammen inzicht in toename van schaduw op de omgeving door de nieuwbouw. Een vergelijking van de bestaande situatie met de toekomstige situatie is mogelijk met een driedimensionaal model.

48

Onderbouwing BOPA - Loosdrecht, Dennenlaan – fase 2

Dagen De volgende dagen van de 4 seizoenen zijn maatgevend: • • • •

22 december: de dag dat de zon het laagst staat 21 juni: de dag dat de zon het hoogst staat 21 maart: de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 22 december en 21 juni in (zomertijd) 23 september: de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 21 juni en 22 december in (wintertijd)

Conclusie Voor de ontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd (bijlage 11). Hieruit volgt dat er een wijziging optreedt in de schaduwwerking op omliggende bebouwing. Dit geldt met name voor de woning Rading 56, waarbij de (toename van) schaduwwerking zich in ochtendperiode voordoet. Vanwege de ligging van de woning Rading 56 op het zuiden, resteert er het overige deel van de dag in ruime mate zonlicht. De bezonningssituatie wordt aanvaardbaar geacht.

ruimte voor ontwikkeling

49

5. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1.

Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Omgevingswet. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft nadeelcompensatie zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1. Voortraject Op 22 september 2022 heeft de gemeenteraad een motie aangenomen waarin de kaders voor de verkoop van fase 2 van de locatie zijn vastgelegd. De destijds vastgestelde stedenbouwkundige kaders luiden: 1. Sociaal bestemd voor woningcorporaties; 2. De bouwvlakken hebben een bebouwingspercentage van 45%, waarvan minimaal 2/5 gestapeld; 3. Bebouwing van maximaal 3 lagen; 4. Het totaal van de te realiseren woningen is voor circa 60% sociaal en voor circa 40% in het middensegment. Gelet op de grote behoefte aan nieuwbouwwoningen in de gemeente Wijdemeren is bestudeerd wat de consequenties zijn bij een bebouwing van maximaal 4 lagen. Het college van B&W heeft op 21 november 2023 de randvoorwaarden vastgesteld met de kanttekening dat ook de input van de te houden informatieavond moet worden verwerkt. Op 6 december 2023 is een informatieavond gehouden voor de omwonenden. Op basis van de input tijdens deze avond is de positionering van de 4e bouwlaag verschoven van het midden van de locatie naar de zone langs de Rading. Bij raadsbesluit van 15 februari 2024 heeft de gemeenteraad ingestemd met de realisatie van maximaal 4 bouwlagen in plaats van maximaal 3 bouwlagen voor de locatie Dennenlaan fase 2. Eén en ander conform het Stedenbouwkundig Plan d.d. 18 december 2023 en de Ruimtelijke randvoorwaarden d.d. 20 december 2023.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17033305/1