CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 01 Wijdemeren Oplegnotitie bodem onder Ow WSP SOB022552

gemeenteraad 7 december 2023, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Addendum Grondstromenbeleid van de gemeente Wijdemeren onder de Omgevingswet (technische wijziging i.h.k.v. de omgevingswet) (Het raadsvoorstel is zonder stemming aangenomen.)34.287 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

vanaf 0,5 meter tot en met 2,0 meter diepte)

Bebouwd gebied

Bebouwd gebied

Bedrijventerrein

Arseenhoudende grond

Arseenhoudende grond

Overige gebieden

Bebouwd gebied en buitengebied Wegbermen hoofdwegen (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,3 meter diepte)

Voor elke zone is de verwachte gemiddelde chemische bodemkwaliteit in beeld gebracht. De vastgestelde verwachte gemiddelde kwaliteit per zone is opgenomen in tabel 2.2. De kwaliteit is ingedeeld volgens de landelijk vastgestelde klassen voor ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’, ‘Industrie’ en ‘Niet toepasbaar’. De statistische onderbouwing en de vastgestelde kwaliteitsklassen zijn weergegeven in bijlage 3. Uit tabel 2.2 blijkt dat volgens het generieke kader van het Besluit de ontgraven grond niet altijd kan worden hergebruikt. Grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ kan zeer beperkt in de gemeente worden hergebruikt. En grond vanuit het buitengebied in de gemeente Wijdemeren kan niet in het buitengebied worden hergebruikt of toegepast. Dit komt omdat de toepassingseisen strenger zijn dan de ontgravingskwaliteit (zie ook bijlage 1 kopje ‘Toetsing toepassen grond’). Hierdoor zijn de mogelijkheden om gebiedseigen grond nuttig her te gebruiken beperkt. Binnen het gebiedsspecifieke kader van het Besluit heeft de gemeente de mogelijkheid om beleid te formuleren waardoor meer grond kan worden 5

Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, voormalig Ministerie van VROM en van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en bijbehorende wijzigingsbladen d.d. 1 maart 2012 (sinds 1 april 2012 in werking getreden) , d.d. 1 januari 2013 en 1 januari 2014.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

8 / 42

hergebruikt dan mogelijk is in het generieke kader van het Besluit. Dit gebiedsspecifieke beleid is in hoofdstuk 4 van deze nota bodembeheer beschreven. Tabel 2.2: Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen, toepassingseisen bij de voorkomende bodemfuncties conform het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit. Bodemkwaliteitszone

Bodemfunctieklasse

Verwachte ontgravingsklasse

Toepassingseis generiek

Bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) Industrie Bebouwd gebied

Wonen

Wonen

Landbouw/natuur Bedrijventerrein

Industrie Wonen

Landbouw/natuur Wonen

Industrie Arseenhoudende grond

Wonen

buitengebied

Niet toepasbaar

Wonen Landbouw/natuur

Industrie Wonen

Wonen Industrie

Landbouw/natuur Bebouwd gebied en

Wonen

Wonen

Landbouw/natuur

Wonen Landbouw/natuur

Wegbermen hoofdwegen (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,3

Industrie

Industrie

Industrie

meter diepte) Ondergrond (bodemlaag vanaf 0,5 meter diepte tot en met 2,0 meter diepte) Industrie Bebouwd gebied

Arseenhoudende grond

Wonen

Wonen

Wonen

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Industrie

Industrie

Wonen

Industrie

Landbouw/natuur

Wonen Landbouw/natuur

Industrie Overige gebieden

Wonen

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

9 / 42

3

Maatschappelijke opgave De gemeente verwacht de komende 5 tot 10 jaar dat continu grond (tijdelijk) wordt ontgraven, opgeslagen en toegepast. Dit speelt met name in onverharde wegbermen, openbaar groen, rioleringswerkzaamheden en (vervangende) nieuwbouwprojecten. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente blijkt dat met de generieke regels van het Besluit gebiedseigen grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ zeer beperkt kan worden hergebruikt. Ook is hergebruik van gebiedseigen grond niet mogelijk in de bodemkwaliteitszones “Arseenhoudende grond”, waarin onder meer de Horstermeerpolder ligt, en in de bovengrondzone “Bebouwd en buitengebied” (onderdeel buitengebied). Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Ook moet hierdoor grond van elders (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank), die wel voldoet aan de toepassingseisen, worden aangekocht en aangevoerd. De gemeente wil invulling geven aan een duurzamer en goedkoper bodembeheer. Grond vrijkomend uit het ene project wil de gemeente kunnen hergebruiken in het andere project. Werk met werk maken. Er zijn dan minder onderzoeks- en grondverwerkingskosten nodig. Ook hoeft er minder grond van elders te worden aangekocht en worden de transportafstanden gereduceerd.

De verkeersdruk en de uitstoot van schadelijke stoffen zoals fijnstof en CO2 nemen af. Het gebiedsspecifiek beleid bij de toepassingen van grond is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen risico’s met zich mee. Het gebiedsspecifiek beleid is in hoofdstuk 4 onderbouwd en beschreven.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

10 / 42

4

De uitwerking van het gemeentelijke grondstromenbeleid

4.1

Kwaliteitsdoelstelling bij hergebruik grond Bij het nuttig toepassen van grond hanteert de gemeente het ‘standstill’ principe op beheergebiedsniveau (het gemeentelijk grondgebied van Wijdemeren). Het ‘standstill’ principe betekent dat de bodemkwaliteit op het gemeentelijk grondgebied gelijk moet blijven en op termijn verbetert. Binnen het gemeentelijke grondgebied is een vermindering van de kwaliteit alleen toelaatbaar:  met grond die is vrijgekomen bij grondverzet binnen het beheergebied van de gemeente Wijdemeren;  als de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3) niet worden overschreden;  als elders in de gemeente Wijdemeren een verbetering van de bodemkwaliteit wordt gerealiseerd. De Lokale Maximale Waarden voldoen aan de landelijke definitie voor ‘duurzaam geschikt voor het beoogde gebruik’. Er treden met de plaatselijke vermindering van de kwaliteit en/of hergebruik van grond geen risico’s op voor het (toekomstig) bodemgebruik. Op beheergebiedsniveau wordt als volgt invulling gegeven aan het ‘standstill’ principe:  Daar waar de grond wordt ontgraven treedt een lokale verbetering op van de bodemkwaliteit.  In gebieden waar een strengere toepassingseis geldt dan de kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt een verbetering gerealiseerd.

Voor grond van buiten het beheergebied van de gemeente Wijdemeren die op het gemeentelijke grondgebied wordt toegepast, gelden andere voorwaarden. Als dit van toepassing is, is dat in deze nota aangegeven. Op basis van de vastgestelde verwachte bodemkwaliteit in de gemeente en de regels van het generieke kader van het Besluit (zie hoofdstuk 2) treden knelpunten op bij de beoogde grondstromen. In de gemeente Wijdemeren zijn relatief weinig mogelijkheden om vrijkomende grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ weer nuttig her te gebruiken. Ook is hergebruik van gebiedseigen grond niet mogelijk in de bodemkwaliteitszone “Arseenhoudende grond”, waarin onder meer de Horstermeerpolder ligt, en in de bovengrondzone “Bebouwd en buitengebied” (onderdeel buitengebied). De toepassingseisen zijn strenger dan de verwachte kwaliteit van de grond die hier vrijkomt. De vrijkomende grond moet dan worden getransporteerd naar een erkend verwerker wat leidt tot extra uitstoot van schadelijke stoffen zoals fijnstof en CO2. Hierdoor worden ook extra verwerkings- en aanschafkosten voor grond gemaakt. En dat terwijl het hergebruik van de af te voeren grond geen risico’s oplevert bij het duurzaam hergebruik. Om knelpunten bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond in de praktijk op te lossen binnen de regels van het Besluit, is gebiedsspecifiek beleid geformuleerd.

Dit is in de hierna volgende paragrafen uitgewerkt. In eerste instantie zijn de beperkingen van het generiek beleid ten aanzien van hergebruik van grond aangegeven. Vervolgens is het gebiedsspecifiek beleid verder uitgewerkt. Dit beleid is er op gericht de beperkingen zo veel als mogelijk weg te nemen binnen de kaders van wet- en regelgeving en beleid én voor

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

11 / 42

zover risico’s voor het (toekomstig) bodemgebruik dit toelaten. Voor een aantal situaties is strenger beleid geformuleerd. Naast het gebiedsspecifiek beleid is ook algemeen beleid voor het hergebruik van grond en het gebruik van de bodemkwaliteitskaart in dit hoofdstuk uitgewerkt. 4.2

Uitbreiding van het beheergebied van de gemeente Wijdemeren Het generieke kader van het Besluit gaat uit van het gemeentelijke grondgebied als beheergebied. Om grondstromen tussen gemeenten mogelijk te maken en de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten te gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, moet het (generieke) gemeentelijke beheergebied worden uitgebreid. Deze uitbreiding valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifieke kader. Met deze nota wordt het beheergebied van de gemeente Wijdemeren voor het grondstromenbeleid vastgesteld als zijnde het gemeentelijke grondgebied van de gemeenten Wijdemeren, Gooise Meren en Stichtse Vecht.

4.3

Vaststellen Lokale Maximale Waarden

4.3.1

Inleiding De mogelijkheden voor hergebruik van Wijdemerense grond in de bodemkwaliteitszone “Arseenhoudende grond” (waarin onder meer de Horstermeerpolder ligt) en met de ontgravingskwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’, worden vergroot door gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Het gebiedsspecifieke beleid staat toe dat meer gebiedseigen grond mag worden hergebruikt en toegepast. Om dit te realiseren worden zogenaamde Lokale Maximale Waarden vastgesteld. Met het gebiedsspecifieke beleid wordt voorkomen dat de gemeente en derden onnodig hoge kosten moeten maken voor de afvoer en verwerking van grond uit de bodemkwaliteitszone “Arseenhoudende grond” (waarin onder meer de Horstermeerpolder ligt) en met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of ‘Wonen’. Het gebiedsspecifieke kader van het Besluit staat toe dat voor gebiedseigen grond ruimere toepassingseisen (Lokale Maximale Waarden) mogen worden vastgesteld onder voorwaarde dat er geen risico’s ontstaan bij het (toekomstige) bodemgebruik. In de hierna volgende paragrafen worden de verschillende Lokale Maximale Waarden gedefinieerd. Ten slotte zijn strengere Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het toepassen van grond op terreinen met een gevoelig bodemgebruik. De in deze paragraaf vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor de grond van buiten het beheergebied van de gemeente Wijdemeren (zie ook § 4.2 en § 4.10).

Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (zie § 4.3.5).

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

12 / 42

4.3.2

Lokale Maximale Waarden bodemkwaliteitszone “Arseenhoudende grond”

4.3.2.1

Inleiding Uit bijlage 3 blijkt dat in de boven- en ondergrondzone “Arseenhoudende grond”, waarin onder meer de Horstermeerpolder ligt, arseen in relatief erg hoge gehalten is vastgesteld. Het betreft met name de grond in de Horstermeerpolder. Gebiedseigen grond van deze zone kan niet in dezelfde zone worden hergebruikt. Dit leidt tot knelpunten bij grondverzet in dit gebied. Daarom heeft de gemeente voor deze zone Lokale Maximale Waarden onderbouwd en vastgesteld. In de onderstaande paragrafen is hier nader op ingegaan.

4.3.2.2

Van nature verhoogd arseen Arseen is een stof die van nature in een hoge concentratie voorkomt in grond- en grondwater ter plaatse van de Horstermeerpolder, zonder dat de hoge concentraties het directe gevolg is van emissies van stoffen door de mens. Menselijke ingrepen in de Horstermeerpolder, zoals turf- en zandwinning, kunnen echter wel een bijdrage leveren. Proces en herkomst Arseen6 Over het algemeen worden van nature verhoogde arseengehalten aangetroffen in gebieden met ijzerrijke gronden. De met arseen verrijkte bodem is een gevolg van jarenlange verwering van ijzer- en arseenhoudende mineralen in hooggelegen gebieden, gevolgd door uitspoeling en precipitatie (neerslag) van het ijzer en arseen in lager gelegen gebieden. IJzeraanrijking van grond komt met name voor op plaatsen waar grondwater opkwelt. Gemiddelde gehalten arseen in de bovengrond zijn het hoogst, daar waar klei, venige klei of veen wordt aangetroffen. Het proces dat verantwoordelijk is voor de hoge arseengehalten in de Horstermeerpolder verloopt vermoedelijk als volgt:  In de Spiegelplas hebben tot op grote diepte zandwinningen plaatsgevonden. Het arseen is mogelijk vanuit het vergraven basisveen gemobiliseerd, door oxidatie van arseenhoudend pyriet met opgelost zuurstof. Zo kan het op grote diepte vanuit de zandwinput in de watervoerende pakketten terecht zijn gekomen.

Dit proces speelt het sterkst in de ondergrond in het noordwesten van de Horstermeerpolder.  In de Horstermeerpolder zijn drie kwelstromen te onderscheiden. Ten eerste het zoete arseenhoudende grondwater dat in het noorden kwelt, waarschijnlijk aangevoerd vanuit het plassengebied ten noorden van de polder. Ten tweede het zoete grondwater dat in het zuiden kwelt (en nauwelijks arseen bevat), mogelijk aangevoerd vanuit de Kortenhoefse plassen. Ten derde het brakke tot zoute grondwater dat in het centrum van de polder kwelt. Dit grondwater wordt aangetrokken vanuit de diepere watervoerende pakketten ten noorden van de polder en is in deze pakketten terecht gekomen door transgressies van de Zuiderzee in vooral de Middeleeuwen.

6

Verspreiding van arseen in de bodem en het grondwater van de provincie Noord-Holland; P. van Rossum, sectie Hydrologie, faculteit der Aardwetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam, 1996.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

13 / 42

4.3.2.3

Het arseen dat in de ondergrond vrijkomt, wordt met de stroom kwelwater meegevoerd naar de Horstermeerpolder. Dit kwelwater komt uiteindelijk in de watergangen en de bovengrond van de polder terecht. Hier adsorbeert arseen aan de aanwezige ijzer(hydr)oxiden en mogelijk aan het organisch materiaal. Door de adsorptie hoopt het arseen zich op in de sliblaag en in de landbodem. Mogelijk is de ophoping in de waterbodem het sterkst, omdat het grootste deel van het kwelwater direct in de watergangen terechtkomt.

Onderbouwing Lokale Maximale Waarden Uit de voorgaande paragraaf blijkt dat in de zone “Arseenhoudende grond”, waarin onder meer de Horstermeerpolder ligt, arseen een stof is die van nature in een hoge concentratie voorkomt in grond- en grondwater. De hoge concentraties zijn niet het directe gevolg is van emissies van stoffen door de mens. Menselijke ingrepen in de Horstermeerpolder, zoals turf- en zandwinning, kunnen echter wel een bijdrage leveren. Op basis van provinciaal beleid7 mag grondverzet ter plaatse van de Horstermeerpolder plaatsvinden, als aan drie voorwaarden wordt voldaan: 1. De concentratie arseen moet een natuurlijke herkomst hebben en niet het gevolg zijn van emissie van arseen door de mens. 2. Er treedt geen significante verslechtering op van de kwaliteit van de ontvangende bodem (grond- en grondwater). Het standstill principe is een belangrijk uitgangspunt. 3. Geen grond met hoge gehalten mag worden toegepast op grond met hoge gehalten aan van nature voorkomende stoffen. Om aan deze regels te voldoen zijn de volgende regels geformuleerd:  Grond afkomstig van de zones “Arseenhoudende grond” kan niet toegepast worden in andere zones binnen de gemeente Wijdemeren (zie bijlage 2), tenzij aanvullend onderzoek uitgevoerd wordt (zie § 6.2.2). Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond elders nuttig worden toegepast.

 Grondverzet binnen de zones “Arseenhoudende grond” is toegestaan, ondanks de vastgestelde hoge arseengehaltes.  De gemeente behoudt zich het recht voor om –bij de beoordeling van meldingenafhankelijk van de bestemming van de locatie waar de grond wordt toegepast, een strengere norm voor te schrijven. De verwachting is dat in de toekomst meer onderzoek gaat plaatsvinden naar arseen in de grond in relatie tot het bodemgebruik. Relevante resultaten uit deze onderzoeken worden door de gemeente beoordeeld. Zo nodig wordt het in deze paragraaf geformuleerde gebiedsspecifieke beleid aangepast.

7

Werkwijze Bodemsanering, Aanpak van bodemsanering in Noord-Holland, Provincie Noord-Holland, oktober 2014.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

14 / 42

Ten slotte adviseert de gemeente, gebaseerd op onderzoek van de GGD Kennemerland, de volgende gebruiksbeperkingen:  Afgeraden wordt om vee te laten grazen waar de grond duidelijk verkleurd is door slibafzetting, omdat grassen op die plaatsen hogere arseenconcentraties kunnen bevatten.  Afgeraden wordt om vee te drenken met slootwater, aangezien zwevend slib in dit water hoge concentraties arseen en ijzer kan bevatten. Het in deze paragraaf geformuleerde beleid is een voortzetting van het huidige beleid. 4.3.3

Lokale Maximale Waarden bovengrond buitengebied gemeente Wijdemeren Binnen de gemeente Wijdemeren zijn er met het generieke kader van het Besluit geen mogelijkheden om grond van de bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte in het buitengebied op of in dezelfde bodemlaag her te gebruiken. Daarom stelt de gemeente voor de bovengrond van het buitengebied Lokale Maximale Waarden vast. De kwaliteit van de toe te passen grond in dit gebied moet voldoen aan de LAC2006waarde8. De LAC-waarde is een ‘veilige bovengrens’ voor het kunnen realiseren van de gewenste functie. Als de LAC2006-waarde hoger ligt dan de Maximale Waarde voor de functie Wonen, dan wordt deze laatste, strengere, norm gehanteerd. Als de LAC2006waarde lager is dan de AW2000, dan wordt de AW2000 gehanteerd. De gemeente vindt deze laatste keuze gerechtvaardigd omdat de AW2000 de norm is voor schone grond. De Lokale Maximale Waarden zijn in tabel 4.1 gespecificeerd en geldt alleen voor grond vanuit het buitengebied van de gemeente Wijdemeren (bodemfunctie ‘Overig’). De gemiddelde waarden van de bovengrond in het buitengebied (bovengrondzone “Bebouwd gebied en buitengebied”) voldoen aan de aan de in tabel 4.1 vermelde Lokale Maximale Waarden.

8

Overschrijding van de LAC2006-waarde houdt in dat de kans op problemen voor de agrarische functie niet verwaarloosbaar wordt geacht en dat nader onderzoek gewenst is om na te gaan of zich daadwerkelijk nadelige effecten voordoen.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

15 / 42

Tabel 4.1 Specificatie Lokale Maximale Waarden voor grond vanuit en op of in de bovengrond van het buitengebied van de gemeente Wijdemeren (gehalten in mg/kg ds bij standaard bodem: lutum 25% en organisch stof 10%) Norm Stof

4.3.4

AW2000

Wonen

LAC2006

9 10

LMW

zand

klei

veen

zand

klei

veen

30

50

50

27

27

27

Arseen

20

27

Barium

-

-

Cadmium

0,6

1,2

1

2

2

Kobalt

15

35

-

-

-

Koper

40

54

30 /50

Kwik

0,15

0,83

2

2

2

0,83

Lood

20

210

150

150

150

150

Molybdeen

1,5

88

-

-

-

88

-

11

12

11

30 /80

-

12

12

1

1,2

1,2

35 12

30 /80

12

40/50

40/54

40/54

Nikkel

35

39

15

50

60

35

39

39

Zink

140

200

150

660

720

150

200

200

PCB138

0,02

0,04

0,1/0,2

0,04

PCB153

0,02

0,04

0,1/0,2

0,04

PAK (som10)

1,5

6,8

3,4

3,4

Lokale Maximale Waarden tijdelijke opslag van grond uit de bovengrondzone “Arseenhoudende grond” In het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) de ontgravingskwaliteit van de grond gelijk of beter zijn dan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem (zie respectievelijk de tabellen 3.7 en 3.6 uit de rapportage van de bodemkwaliteitskaart13). Deze voorwaarde past goed binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader. En dus wanneer de betreffende partij grond van een locatie buiten het beheergebied van de gemeente Wijdemeren (zie § 4.2) wordt aangevoerd of wanneer het baggerspecie betreft. Met het tijdelijk opslaan van grond uit de bovengrondzone “Arseenhoudende grond” leidt dit tot knelpunten. De kwaliteit van de (tijdelijk) ontvangende bodem is beter dan de kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen. Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit bodemkwaliteit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." Daarom verruimt de gemeente de regels voor de tijdelijke opslag van grond.

Een partij grond uit de bovengrondzone “Arseenhoudende grond” die volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie § 4.3.2) binnen de eigen zone mag worden toepast, mag ook, 9

NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007, Ministerie van VROM, december 2008. 10 Betreffen LAC2006-waarden voor “Beweid grasland”. 11 12 13

Waarde voor beweid grasland. Waarde voor veevoer op basis van norm in gewas Bodemkwaliteitskaart gemeente Wijdemeren, projectcode: 14M1252, LievenseCSO Milieu B.V., 30 oktober 2015.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

16 / 42

voorafgaand aan de definitieve toepassing, op deze toepassingslocatie tijdelijk worden opgeslagen. De Lokale Maximale Waarde voor tijdelijke opslag van grond uit het beheergebied van de gemeente Wijdemeren (zie § 4.2) is gelijk aan de in § 4.3.2 vastgestelde Lokale Maximale Waarden. 4.3.5

Lokale Maximale Waarden bij toepassen van grond op nog te realiseren onverharde recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen De gemeente stelt voor het toepassen van grond bij nog te realiseren onverharde recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen strengere eisen dan het generieke kader van het Besluit. Dit om eventuele risico’s bij het (toekomstig) bodemgebruik uit te sluiten. Binnen de gemeente moet de grond die wordt toegepast op deze terreinen voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000; Landbouw/natuur). Dit moet worden aangetoond met een partijkeuring (zie § 6.2.1). De partijkeuring moet worden aangevuld met een onderzoek op asbest (historische gegevens, zintuiglijk en analytisch; zie § 4.5). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal (zie § 4.4). De Lokale Maximale Waarde voor nog te realiseren onverharde recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’. Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5).

4.4

Toepassen grond met bodemvreemd materiaal Het Besluit stelt dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Omdat in de bodemkwaliteitszones van de gemeente lang niet altijd 20 gewichtsprocent bodemvreemde materiaal (zie bijlage 1 bij het kopje ‘Bodemvreemd materiaal’) wordt aangetroffen, scherpt de gemeente de generieke voorwaarde uit het Besluit aan. Concreet betekent dit het volgende:  Bij het aanleveren van historische gegevens (zie § 6.1) voorafgaand aan het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond moet aandacht besteed worden aan het voorkomen van bodemvreemd materiaal in de grond. Tijdens de grondwerkzaamheden moet een visuele controle plaats te vinden of de grond mogelijk verontreinigd is met bodemvreemde bijmengingen. Voor het buitengebied (bodemfunctie Overige – Landbouw/natuur, zie kaartbijlage 1) en de bodemgebruiken ‘onverharde recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen’, ‘moes-/volkstuinen’ en ‘wonen met tuin’ stelt de gemeente een maximale bijmenging van bodemvreemd materiaal vast van maximaal 5 gewichts- en/of volumeprocent. Als blijkt dat de toe te passen grond een bijmenging heeft van meer dan de hierboven gegeven en toegestane gewichts- en/of volumeprocent bodemvreemd materiaal, is het niet toegestaan deze (ongezeefd) als zijnde grond toe te passen.

Overigens is het toegestaan om door civiel technisch zeven het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar het toegestane gewichtspercentage. Het civiel technisch zeven wordt niet al een

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

17 / 42

tussentijdse bewerking beschouwd. Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht. Als tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal wordt waargenomen, moeten de werkzaamheden direct gestaakt worden (Arbo omstandighedenbesluit) en mag de grond niet zonder partijkeuring, en afhankelijk van de keuringsresultaten, toegepast worden (zorgplicht). Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die redelijkerwijs op een bodemverontreiniging kunnen wijzen. Voor het buitengebied (bodemfunctie Overige – Landbouw/natuur, zie kaartbijlage 1) en de bodemgebruiken ‘‘onverharde recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen’, ‘moes-/volkstuinen’ en ‘wonen met tuin’ mag in de toe te passen grond maximaal 5 gewichts- en/of volumeprocent bijmenging van bodemvreemd materiaal bevatten.

4.5

Toepassen grond ter plaatse van gevoelig bodemgebruik en met asbest verdacht materiaal Bij het aantreffen van asbest moet rekening worden gehouden met speciale maatregelen die moeten worden getroffen in het kader van de Wet bodembescherming en het Arbeidsomstandighedenbesluit. Maar ook bij het aantreffen van puin in de bodem bestaat de kans dat asbest aanwezig is. In onderdeel E.2.6 van de NEN 5707 is het volgende aangegeven: “Of puin daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat aanwezig is, het historisch gebruik van de locatie (bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel in de bodem terechtgekomen) en de hoeveelheid puinbijmenging. Er zijn verschillende typen ongebroken puin: metselpuin, betonpuin, puin van asfalt, klinkers en/of straatstenen, historisch puin. Vooral bij ongedefinieerd gemengd bouwpuin is de kans groot dat dit asbestcement plaatmateriaal bevat (stukjes golfplaat, vlakke plaat, daklei en buis). Ook in betonpuin (met name funderingspuin) komt incidenteel asbestcement voor, in de vorm van asbestcementbuizen, verloren bekisting en -stelplaatjes. In de overige soorten puin (puin van asfalt, cement, klinkers en/of straatstenen en historisch puin) zit in de regel geen asbesthoudend materiaal en de aanwezigheid van die soorten puin maakt een locatie niet verdacht.

Indien het puingranulaat duidelijk visueel herkenbaar is als eenduidig materiaal en voldoende kan worden onderbouwd dat dit materiaal niet vermengd kan zijn met asbesthoudend materiaal (bijvoorbeeld asfalt, klinkers, dakpannen, bakstenen, enz.) is de locatie onverdacht. Archieven of oude luchtfoto’s kunnen helpen bij de beoordeling of aangetroffen puin ‘historisch’ is. Bij geproduceerd puingranulaat (afkomstig van puinbrekers) is het onderscheid veel minder goed te zien. Indien het oorspronkelijke puin asbesthoudend materiaal bevatte zal door opmenging het gehalte aan asbest veelal relatief laag zijn. Het geproduceerde puingranulaat kan in drie groepen worden verdeeld.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

18 / 42

 

Niet-gecertificeerd puingranulaat van voor 1998: voor 1998 bestond er nog geen certificeringstraject en dit granulaat moet als asbestverdacht worden aangemerkt. Gecertificeerd puingranulaat van tussen 1998 en 2005: tussen 1998 en 2005 bestonden er minder strenge certificeringseisen waarbij nog onvoldoende naar asbest werd gekeken, dit puingranulaat is in principe nog steeds asbestverdacht. Gecertificeerd puingranulaat van na 2005; sinds 2005 wordt er bij de ingangscontrole bij brekers structureel naar asbest gekeken, dit ‘recente’ puingranulaat maakt een locatie niet verdacht.

Bouwarchieven (selectieve sloop), asbestinventarisatierapporten en certificaten kunnen helpen bij de beoordeling of puingranulaat onverdacht is. Naast het type puingranulaat en de ouderdom ervan is de hoeveelheid puinbijmenging ook relevant voor de verdenking op de aanwezigheid van asbest. Het aantreffen van enig puin maakt een locatie niet automatisch asbestverdacht. Echter, er moet wel goed worden onderbouwd dat dit puin geen asbest bevat. Voor een nadere uitwerking van de kans op het aantreffen van asbest in puin en granulaat wordt verwezen naar NEN 5897. Alleen indien voldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat puin en puingranulaat eenduidig definieerbaar zijn en er gezien typering, ouderdom, bijmengingen en historisch onderzoek niet kan worden gerelateerd aan asbest, dan mag de locatie als onverdacht worden beschouwd. Indien onvoldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat in het aanwezige puin en granulaat geen asbest voorkomt, dan moet de locatie altijd als asbestverdacht worden beschouwd.” Als asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen in de toe te passen grond moet een aanvullend asbestonderzoek conform de NEN 5707 plaatsvinden waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. De maximale waarde voor asbest bedraagt 100 mg/kg ds (gewogen).

Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden, is sprake van sterk verontreinigde grond en kan deze niet worden hergebruikt. Omdat sprake is van (in de meeste gevallen > 25 m3 grond) sterk verontreinigde grond, is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Voor de gemeente Wijdemeren is dat de provincie Noord-Holland. Als de maximale waarde voor asbest niet wordt overschreden, maar hoger dan 0 mg/kg ds kleiner of gelijk aan 100 mg/kg ds is sprake van licht met asbest verontreinigde grond. Deze grond mag worden hergebruikt. Sinds augustus 2015 is de NEN 5707 geactualiseerd. Een relevante wijziging ten opzichte van de voorgaande NEN 5707 is dat de grens voor het percentage bodemvreemd materiaal in grond is verhoogd van 20 % (V/V) tot 50 % (V/V) bij onderzoek volgens de huidige NEN 5707. In het Besluit wordt specifiek nog verwezen naar de NEN 5707 uit 2003. De geactualiseerde NEN 5707 geeft echter de nieuwste stand der techniek weer. Daarom heeft het de voorkeur van de gemeente, en de Omgevingsdienst Flevoland en Gooi & Vechtstreek (hierna ‘OFGV’) die namens de gemeente handhaaft, dat de meest recente NEN 5707 wordt gehanteerd.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

19 / 42

Dit in tegenstelling tot de statische verwijzing in het Besluit die naar verwachting op korte termijn hierop wordt aangepast. Als meer dan het in de gehanteerde NEN 5707 toegestane percentage bodemvreemd materiaal wordt aangetroffen, moet de NEN 5897 worden gehanteerd. Als asbestveracht materiaal in een partij grond wordt waargenomen, dan moet altijd een asbestonderzoek uitgevoerd worden. Voor toepassingen van grond die in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd, is het niet toegestaan zintuiglijk met asbest verontreinigde grond toe te passen. Als in opdracht van de gemeente grond wordt toegepast ter plaatse van gevoelig bodemgebruik is het niet toegestaan zintuiglijk én analytisch met asbest verontreinigde grond toe te passen. De gemeente hanteert hierbij de zogenaamde ‘nulnorm’ (0 mg/kg ds gewogen). De volgende gevoelige bodemgebruiken worden onderscheiden:  wonen met tuin;  onverharde recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen;  intensief gebruikt openbaar groen (zoals bijvoorbeeld parken en plantsoenen);  moes-/volkstuinen;  agrarisch gebruik. Burgers of bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeente te volgen.

Als burgers/bedrijven dit niet willen geldt het volgende: Als uit het NEN 5707 onderzoek blijkt dat de maximale waarde voor asbest (100 mg/kg ds) niet wordt overschreden en er geen sprake kan zijn van mogelijke nevenverontreinigingen door menselijke activiteiten, dan mag de grond worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart (in combinatie met het volledig ingevulde vragenformulier historische gegevens, zie bijlage 5) als bewijsmiddel. Als in de grond meer asbesthoudend bodemvreemd materiaal is vastgesteld dan in § 4.4 van deze nota is aangegeven, en er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, mag de grond met de daartoe passende wijze gezeefd worden. Dit tussentijdse (civiel technische) zeven wordt niet als een bewerking gezien. Aandachtspunt is het voorkomen van asbest in de grond in de grove of fijne fractie. Als asbest in de fijne fractie voorkomt, is het ter beoordeling van de OFGV of de grond na zeving nog aanvullend moet worden onderzocht. Toe te passen grond, in opdracht van de gemeente Wijdemeren, op locaties met een gevoelig bodemgebruik mag zintuiglijk én analytisch geen asbest bevatten.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

20 / 42

4.6

Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is tijdelijke uitname van grond op een niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat:  er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging;  er geen tussentijdse bewerking14 plaatsvindt;  de grond onder dezelfde condities weer worden toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan.

Vanwege de voornoemde knelpunten bij tijdelijke uitname van grond verruimt de gemeente voor niet-verdachte locaties de regels voor graafwerkzaamheden bij de tijdelijke uitname van grond bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen als volgt: Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op onverdachte locaties, hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. Als grond na ontgraving niet meer kan worden teruggeplaatst, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit. Omdat de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen. Voor tijdelijke uitname van grond, bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Hiervoor wordt verwezen naar § 6.1, § 7.2.1 en § 7.2.3. Bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op onverdachte locaties hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. 14

Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

21 / 42

4.7

Toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden maaiveld Zoals uit hoofdstuk 4 van de bodemkwaliteitskaart15 blijkt, maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond vanuit deze bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd als grond vrijkomt bij bijvoorbeeld rioleringswerkzaamheden, ondertunneling, kelders en ondergrondse parkeergarages. Omdat de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag dieper dan 2 meter niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 0,5 meter tot en met 2 meter diepte), wordt dit niet duurzaam geacht. De gemeente verruimt voor niet-verdachte locaties de regels voor het toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat de vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag van 0,5 meter diepte tot en met 2 meter diepte (zie tabel 2.2 van deze nota).

De vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze beoordeeld worden als de bovenliggende bodemlaag van 0,5 meter diepte tot en met 2 meter diepte.

4.8

Toepassen van grond vanuit de bovengrondzone ‘Wegbermen hoofdwegen’ De grond vanuit de bovengrondzone ‘Wegbermen hoofdwegen (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,3 meter diepte)’ mag worden hergebruikt op een toepassingslocatie met de toepassingseis ‘Industrie’. Omdat in de onverharde wegbermen relatief hoge gehalten van PAK voorkomen, wordt het door de gemeente niet toegestaan om deze grond toe te passen bij een oppervlak van meer de 50.000 m² . Hiermee wordt voorkomen dat eventuele ecologische risico’s ontstaan (zie ook hoofdstuk 4 en bijlage 5 van bodemkwaliteitskaart15.

4.9

Toepassen van grond in een grootschalige bodemtoepassing De toepassing van grond in een grootschalige bodemtoepassing is beschreven in § 2.1.1 van bijlage 2. De initiatiefnemer van de grootschalige bodemtoepassing neemt in de planfase contact op met de OFGV. Per situatie worden de uitgangspunten voor grootschalige bodemtoepassingen in overleg tussen de initiatiefnemer en de OFGV vastgelegd. De initiatiefnemer van de grootschalige toepassing moet aantonen dat de grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ heeft. Ook moet worden voldaan aan de emissietoetswaarden zodat wordt voorkomen dat er onaanvaardbare uitloging van stoffen naar de onderliggende bodemlaag kan plaatsvinden. Ook moet worden aangetoond dat de grond die wordt 15

Bodemkwaliteitskaart gemeente Wijdemeren, projectcode: 14M1252, LievenseCSO Milieu B.V., 30 oktober 2015.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

22 / 42

verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voldoen aan de generieke toepassingseisen, of aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (de gebiedsspecifieke toepassingseisen, zie § 4.3). Aanvullende voorwaarde die hierbij geldt is, dat in de grond die wordt toegepast in de leeflaag maximaal 5 gewichts- en/of volumeprocent aan bodemvreemd materiaal bevat. 4.10

Grond afkomstig van buiten het beheergebied van de gemeente Wijdemeren Grond van buiten het beheergebied van de gemeente Wijdemeren (zie § 4.2) moet altijd zijn gekeurd (zie § 6.2.1) en voldoen aan de toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit (zie tabel 2.2 en de kaartbijlage 5A en 5B van deze nota). De in § 4.3 vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor de grond van buiten het beheergebied van de gemeente Wijdemeren. Uitzondering hierop zijn de gebieden met strengere Lokale Maximale Waarden ten opzichte van de generieke toepassingseis van het Besluit. In deze gebieden gelden voor toe te passen grond van buiten het beheergebied van de gemeente Wijdemeren de door de gemeente vastgestelde strengere Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.5), de strengere eisen aan bijmenging van bodemvreemd materiaal (zie § 4.4) en, bij grondtoepassingen in opdracht van de gemeente Wijdemeren, de strengere eisen voor asbest (zie § 4.5).

4.11

Toepassen van grond van een tijdelijke opslag Het toepassen van grond van een tijdelijke opslag moet in de meeste situaties voorafgegaan worden door een partijkeuring (zie § 6.2.1). Een partijkeuring op de grond van een tijdelijke opslag is niet noodzakelijk, de bodemkwaliteitskaart mag als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond gebruikt worden, als wordt aangetoond dat de grond: 1. afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit historisch onderzoek; zie § 6.1); én 2. afkomstig is uit een zone van het beheergebied van de gemeente Wijdemeren (zie § 4.2); én 3. niet tussentijds is bewerkt (bijvoorbeeld samengevoegd met andere partijen grond). Als aan één of meerdere voorwaarden niet kan worden aangetoond, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. Als al een partijkeuring is uitgevoerd, dan moet alleen aan de derde voorwaarde worden voldaan. Samenvoegen van partijen grond mag alleen onder erkenning van de BRL SIKB 9335 of de BRL SIKB 7500. Splitsen van een partij grond is toegestaan, ook zonder erkenning. Het splitsen moet goed worden gedocumenteerd (zie hiervoor artikel 4.3.1 Regeling bodemkwaliteit) door de initiatiefnemer. Het beschikbare bewijsmiddel blijft geldig voor verschillende gesplitste deelpartijen.

Als de grond wordt toegepast onder certificaat van de BRL SIKB 9335 of de BRL NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

23 / 42

SIKB 7500 moet ook rekening gehouden worden met wat er in de BRL met bijbehorende protocollen staat over het opsplitsen van een partij. Als partijen herbruikbare grond illegaal zijn samengevoegd, dan volgt de gemeente het document “Omgaan met illegaal samengevoegde partijen” 16. De notitie ziet expliciet niet toe op het samenvoegen van niet herbruikbare (ernstig verontreinigde) grond met hergebruiksgrond (licht verontreinigd). 4.12

Toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag of leeflaag in een sanering Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming bepalend. Grond kan binnen de saneringslocatie worden herschikt. Als grond van buiten de saneringslocatie op de saneringslocatie nuttig wordt toegepast, dan gelden dezelfde eisen als voor het toepassen van grond in de zone waarin de saneringslocatie is gelegen. Voor grond uit het beheergebied van de gemeente Wijdemeren (zie § 4.2) gelden de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie kaartbijlage 6A en 6B). Voor grond van buiten het beheergebied van de gemeente Wijdemeren gelden de generieke toepassingseisen (zie kaartbijlage 5A en 5B). De grond die wordt toegepast als aanvulgrond van de saneringsput, of als ophooglaag/leeflaag in een sanering, moet ook worden gemeld bij het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

4.13

Bijzondere omstandigheden bij het tijdelijk opslaan en toepassen van grond

4.13.1

Van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten locaties en gebieden In de gemeente zijn een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze locaties en gebieden zijn in § 1.2.3.1 gespecificeerd. Voor de gebieden die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart geldt het generieke kader van het Besluit (zonder bodemkwaliteitskaart). Dit betekent dat:  het toepassen van grond vanuit deze locaties of gebieden voorafgegaan moet worden door een partijkeuring (zie § 6.2.1).  als grond op deze locaties of gebieden toegepast wordt, de ontvangende bodem onderzocht moet worden met een verkennend bodemonderzoek (zie § 6.2.2). Alleen de ontvangende bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. De kwaliteit van de toe te passen grond moet enerzijds voldoen aan de maximale waarden van de functie die voor de ontvangende bodem is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1). Anderzijds moet de kwaliteit van de toe te passen grond van een vergelijkbare of betere kwaliteit zijn als die van de ontvangende bodem. Op basis van de systematiek van het generieke kader van het Besluit wordt de toepassingseis bepaald. Deze wordt vastgesteld op basis van de bodemfunctie en de kwaliteit van de ontvangende bodem waarbij de meest strenge eis leidend is. Dus als de 16

Omgaan met illegaal samengevoegde partijen (uitvoeringsvraagstuk Besluit bodemkwaliteit besproken in taskforce verbeteren beleid & regelgeving), kenmerk: mca/201209003, AgentschapNL, Milieu en Regelgeving, 24 september 2012 (met aanvulling d.d. 12 november 2012); http://www.rwsleefomgeving.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/nieuws/2012/omgaan-illegaal/.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

24 / 42

bodemkwaliteit in de klasse ‘Wonen’ valt en de bodemfunctie is ‘Industrie’, dan is de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (zie ook bijlage 1, kopjes 'Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem' en 'Toetsing toepassen van grond'). 4.13.2

Onderzochte locatie De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving een specifiek onderzoek van de NEN574017 of een partijkeuring (BRL SIKB protocol 1001) is uitgevoerd. Als het onderzoek of de partijkeuring voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit (zie § 6.2.1) en in de periode tussen het onderzoek en de melding van het toepassen van grond er geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel en is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart. Bij twijfel beslist de OFGV (Toezicht & Handhaving) of het bewijsmiddel gebruikt mag worden. Als het onderzoek ouder is dan 5 jaar, dan moet aantoonbaar zijn geverifieerd dat tussentijds geen activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de toe te passen grond negatief hebben kunnen beïnvloeden.

4.13.3

Gesaneerde en te saneren locaties Ter plaatse van gesaneerde en te saneren locaties mag niet zonder meer grond worden ontgraven, tijdelijk worden opgeslagen en toegepast. Het toepassen van grond om een saneringsdoelstelling te behalen valt onder het bevoegde gezag van de Wet bodembescherming, voor de gemeente Wijdemeren is dat de provincie Noord-Holland. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (zie § 2.1.1 in bijlage 2) en voldoet aan de toepassingsvoorwaarden uit deze nota bodembeheer. Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen. De in deze nota bodembeheer vastgestelde Lokale Maximale Waarden zijn uitsluitend van toepassing bij het toepassen van grond , bijvoorbeeld ter aanvulling van de saneringsput (Circulaire bodemsanering artikel 4.1.2), en als terugsaneerwaarden bij saneringen in het kader van het Besluit en de Regeling Uniforme Saneringen (RUS, artikel 3.1.6).

4.13.4

Beschermde gebieden Op het grondgebied van de gemeente Wijdemeren liggen provinciale beschermingsgebieden. Voorbeelden hiervan zijn archeologie en cultuurhistorie, Natura2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS), aardkundig waardevolle gebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. Voor een actueel beeld van de ligging van deze gebieden wordt verwezen naar de provincie Noord-Holland. De provincie kan hier aanvullende eisen stellen. Voorafgaand aan het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond moet zowel voor de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie worden nagegaan of er naar aanleiding van de ligging in één of meerdere beschermingsgebieden restricties zijn ten 17

Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

25 / 42

aanzien van de werkzaamheden. Bij grondwerkzaamheden binnen beschermingsgebieden wordt het provinciale beleid gevolgd. 4.14

Verspreiden onderhoudsbaggerspecie (generiek kader Besluit bodemkwaliteit)

4.14.1

Verspreiden baggerspecie in een oppervlaktelichaam Voor het verspreiden van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is voor de gemeente Wijdemeren het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht het bevoegde gezag. Hiervoor moet contact worden opgenomen met het Waterschap (http://www.agv.nl/ ).

4.14.2

Verspreiden baggerspecie op aangrenzend perceel In de Waterwet en de Keur van waterschappen is geregeld dat de aangrenzende percelen van watergangen een ontvangstplicht hebben. Voorafgaand aan het verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel moet de kwaliteit van de baggerspecie worden getoetst. De baggerspecie in de bodemkwaliteitszones “Arseenhoudende grond” is verdacht op arseen. Voorafgaand aan baggerwerkzaamheden in dit gebied moet de kwaliteit van de baggerspecie worden vastgesteld conform de NEN 5720. Dit onderzoek moet plaatsvinden voor het standaard stoffenpakket variant A18, aangevuld met arseen. Bij de normstelling van deze toets wordt rekening gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De Maximale Waarden voor het verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen zijn opgenomen in tabel 2 uit bijlage B van de Regeling. De normstelling is geschematiseerd in figuur 4.1. In bijlage 1 onder het kopje ‘aangrenzend perceel’ is nader ingegaan op de definitie van ‘aangrenzend perceel’.

<Ontvangstplicht> Verspreiden over Vrij toepasbaar aangrenzend perceel

Achtergrondwaarden (AW2000)

Niet verspreidbaar over aangrenzend perceel

Maximale Waarden verspreiden over aangrenzende percelen en interventiewaarde droge bodem

Figuur 4.1. Normstelling voor verspreiding van baggerspecie over aangrenzende percelen.

Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden:  Voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel en de interventiewaarden droge bodem geldt de ontvangstplicht.  De baggerspecie mag tot aan de perceelgrens worden verspreid.  Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem.  De verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld.

18

Standaard NEN 5720 stoffenpakket variant A bestaat uit, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, PAK, PCB, minerale olie, organisch stof en lutum en AS3000 voorbehandeling.

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

26 / 42

Voor weilanddepots, een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie, gelden aanvullende eisen:  De kwaliteit van de baggerspecie moet voldoen aan de Maximale waarden voor verspreiding over aangrenzende percelen.  De tijdelijke opslag mag maximaal drie jaar duren.  De tijdelijke opslag met de voorziene duur en eindbestemming wordt vijf dagen van tevoren gemeld.  De tijdelijk opgeslagen baggerspecie moet vanaf het weilanddepot in een nuttige toepassing worden gebracht, waarbij verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is uitgezonderd als nuttige toepassing. 4.15

Totaaloverzicht gebiedsspecifiek beleid gemeente Wijdemeren De gemeente Wijdemeren heeft het onderstaande gebiedsspecifieke beleid vastgesteld:  Het beheergebied van de gemeente Wijdemeren bestaat uit de grondgebieden van de gemeenten Wijdemeren, Gooise Meren en Stichtse Vecht (zie § 4.2).  Lokale Maximale Waarde voor de bodemkwaliteitszones “Arseenhoudende grond” (boven- en ondergrond) waardoor grond uit deze zones weer in deze zones kan worden hergebruikt (zie § 4.3.2).  Lokale Maximale Waarden voor de bovengrondzone “Bebouwd en buitengebied” waardoor grond uit het buitengebied in deze zone weer in deze zone kan worden hergebruikt (zie § 4.3.3).  De Lokale Maximale Waarde voor tijdelijke opslag van grond uit het beheergebied van de gemeente Wijdemeren (zie § 4.2) is gelijk aan de in § 4.3 vastgestelde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.4).  De Lokale Maximale Waarde voor onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’ (zie § 4.3.5). Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5)  In de toe te passen grond mag maximaal 5 gewichts- en/of volumeprocent bijmenging van bodemvreemd materiaal bevatten (zie § 4.4).

 Toe te passen grond, in opdracht van de gemeente Wijdemeren, op locaties met een gevoelig bodemgebruik mag zintuiglijk én analytisch geen asbest bevatten (zie § 4.5).  Bij tijdelijke uitname van grond bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op onverdachte locaties hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) niet gescheiden te worden ontgraven; het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst (zie § 4.6).  De vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze beoordeeld worden als de bovenliggende bodemlaag van 0,5 meter diepte tot en met 2 meter diepte (zie § 4.7).  De in § 4.3 vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten het beheergebied van de gemeente Wijdemeren (zie § 4.2). Uitzondering hierop zijn de gebieden met strengere Lokale Maximale Waarden ten opzichte van de generieke toepassingseis van het Besluit. In deze gebieden gelden de door de gemeente Wijdemeren vastgestelde strengere Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.5).

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

27 / 42

In tabel 4.2 is een totaaloverzicht gegeven van de bodemkwaliteitszones, bodemfunctieklassen, verwachte ontgravingsklassen, toepassingsklassen conform het gebiedsspecifiek beleid van de gemeente Wijdemeren. Vanwege de verschillende bodemfuncties in een aantal bodemkwaliteitszones, verschillen ook de toepassingseisen (zie ook bijlage 1, kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem[…]’). Ook heeft de gemeente Wijdemeren voor aangewezen gebieden gebiedsspecifieke toepassingseisen vastgesteld. Om te beoordelen of een grondtoepassing is toegestaan, wordt de ontgravingskwaliteit van de toe te passen grond vergeleken met de toepassingseis die is vastgesteld voor de ontvangende bodem. Als de kwaliteit van de toe te passen grond vergelijkbaar of beter is dan de toepassingseis, dan kan de grond worden toegepast (zie ook bijlage 1, kopje ‘Toetsing toepassen grond’). Dus grond met de ontgravingskwaliteit ‘Wonen’ mag worden toegepast op locaties met de toepassingseis ‘Wonen’ of ‘Industrie’. Grond met de ontgravingskwaliteit ‘Industrie’ mag alleen worden toegepast op locaties met de toepassingseis ‘Industrie’ (zie ook hoofdstuk 5). Tabel 4.2: Totaaloverzicht toepassingseisen conform het gebiedsspecifiek beleid gemeente Wijdemeren Bodemkwaliteitszone

Bodemfunctieklasse

Verwachte

Toepassingseis

ontgravingsklasse

gebiedsspecifiek

Bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) Industrie Bebouwd gebied

Wonen

Wonen

Landbouw/natuur Bedrijventerrein

Industrie

Wonen Landbouw/natuur

Wonen

Wonen

LMW1*

LMW1*

Wonen

Wonen

Landbouw/natuur

LMW2**

LMW2**

Industrie

Industrie

Industrie

Wonen Industrie

Arseenhoudende grond

Wonen Landbouw/natuur

Bebouwd gebied en buitengebied

Industrie Wonen

Wegbermen hoofdwegen (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,3 meter diepte) Ondergrond (bodemlaag vanaf 0,5 meter diepte tot en met 2,0 meter diepte) Industrie Bebouwd gebied

Wonen

Wonen

Landbouw/natuur

Wonen Landbouw/natuur

Industrie Arseenhoudende grond

Wonen

Industrie

LMW1*

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur Industrie Overige gebieden

Wonen Landbouw/natuur

*zie § 4.3.2 **zie§ 4.3.3

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

28 / 42

4.16

Mogelijkheden toepassen grond zonder voorafgaand kwaliteitsonderzoek Op basis van het Besluit en de Regeling en de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (§ 4.3) is bepaald tussen welke zones voorafgaand aan de grondstroom al dan niet de chemische kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Bijlage 4 geeft de mogelijkheden van grondstromen binnen en tussen zones weer (grondstromenmatrix). Hierbij moet worden opgemerkt dat deze matrix alleen geldt voor grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Vanwege de verschillende bodemfuncties in een aantal bodemkwaliteitszones, verschillen ook de toepassingseisen (zie ook bijlage 1, kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem[…]’). Ook heeft de gemeente Wijdemeren voor aangewezen gebieden gebiedsspecifieke toepassingseisen vastgesteld. Om te beoordelen of een grondtoepassing is toegestaan, wordt de ontgravingskwaliteit van de toe te passen grond vergeleken met de toepassingseis die is vastgesteld voor de ontvangende bodem. Als de kwaliteit van de toe te passen grond vergelijkbaar of beter is dan de toepassingseis, dan kan de grond worden toegepast (zie ook bijlage 1, kopje ‘Toetsing toepassen grond’). Dus grond met de ontgravingskwaliteit ‘Wonen’ mag worden toegepast op locaties met de toepassingseis ‘Wonen’ of ‘Industrie’.

Grond met de ontgravingskwaliteit ‘Industrie’ mag alleen worden toegepast op locaties met de toepassingseis ‘Industrie’ (zie ook hoofdstuk 5).

NOTA BODEMBEHEER | BELEID (TIJDELIJK) OPSLAAN EN TOEPASSEN GROND EN BAGGERSPECIE GEMEENTE WIJDEMEREN | DOCUMENTCODE: 14M1252.RAP002

Status: Definitief | Herziene versiedatum: 4 april 2016

29 / 42

5

Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel De bodemkwaliteitskaart mag alleen worden gebruikt bij grondstromen tussen voor locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Dit geldt zowel voor de ontgravings- als de toepassingslocatie. Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt afgegraven en elders (ongewenst) wordt toegepast en/of dat een eventuele sterke grondverontreiniging illegaal wordt afgedekt. Een tweede basisprincipe is dat grond nuttig toegepast moet worden (zie ook § 2.1.1 van bijlage 2). Het is niet toegestaan om zich van grond te ontdoen als deze niet naar een erkend verwerker wordt getransporteerd. Vanaf het moment van ontgraven tot aan het moment van verwerking wordt de grond als afvalstof gezien. Als aan deze basisprincipes is voldaan, werkt de bodemkwaliteitskaart als volgt:  De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Lokale Maximale Waarde1’, LMW1 (donker paars op de ontgravingskaart van kaartbijlage 3A) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Lokale Maximale Waarde1’, LMW1 is (donker paars op de toepassingskaart van kaartbijlage 6A en 6B).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13454381/1