CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

01. Bestemmingsplan Het Achtererf - Nieuw-Loosdrecht (29-09-2021) concept

commissie Ruimte en Economie 10 november 2021, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Commissiestuk bestemmingsplan Het Achtererf19.071 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke welstandnota Het plan is voorgelegd aan de welstandscommissie en op hoofdlijnen akkoord bevonden.

3.3.4

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten, zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept

HOOFDSTUK 4

MILIEU-EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit Milieueffectrapportage.

4.1

Geluid

4.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

4.1.2.1 Wegverkeerslawaai Algemeen In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. De grootte van de bij het type weg horende geluidszone is opgenomen in onderstaande tabel. Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

De zones uit de tabel gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Nieuw-Loosdrechtsedijk en de Tjalk. Het plangebied ligt daarnaast nabij verschillende 30 km/uur wegen. Deze wegen fungeren enkel ter ontsluiting van bestemmingsverkeer. De verkeersintensiteit op deze wegen zal dan ook laag zijn, waardoor verwacht wordt dat de geluidsbelasting niet hoger dan 48 dB zal zijn. Deze omliggende 30 km/uur wegen zijn dan ook buiten beschouwing gelaten in het akoestisch onderzoek. De geluidbelasting als gevolg van de Nieuw-Loosdrechtsedijk en de Tjalk bedraagt respectievelijk maximaal 47 dB en 46 dB ter plaatse van de te realiseren woningen en appartementen. Hiermee wordt aan de voorkeurswaarde van 48 dB voldaan. Een hogere waarde is niet benodigd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept 4.1.2.2 Railverkeerslawaai De te realiseren woningen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidszone van een spoorweg. Een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai kan achterwege blijven.

4.1.2.3 Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de zone van een gezoneerd bedrijventerrein, het aspect industrielawaai kan buiten beschouwing worden gelaten. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid.

4.1.2.4 Luchthaven Hilversum Voor de luchthaven Hilversum is de Verordening luchthavenbesluit Hilversum het Besluit burgerluchthavens van belang. Het Besluit burgerluchthavens is opgesteld in het kader van de Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens (RBML) en vervangt het oude Besluit geluidsbelasting kleine luchtvaart (BGKL). In het Besluit burgerluchthavens is bepaald dat de provincie uiterlijk 1 november 2014 een luchthavenbesluit moet nemen waarin de geluidszones voor deze luchthaven zijn vastgelegd. Voor de luchthaven Hilversum heeft de provincie Noord-Holland geluidscontouren aangegeven. De provincie Noord-Holland heeft haar regels omtrent de luchthaven Hilversum vastgelegd in de Verordening luchthavenbesluit Hilversum. Het plangebied ligt op basis van de Verordening Luchthavenbesluit Hilversum in het zogeheten aanvullende beperkingengebied. In artikel 4.2 van de genoemde Verordening is opgenomen dat de leden 2, 3 en 4 van artikel 12 van het Besluit burgerluchthavens overeenkomstig van toepassing zijn op het aanvullende beperkingengebied. Dit betekent dat een verklaring van geen bezwaar door Gedeputeerde Staten moet worden verleend voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling, waarbij situatie waarin deze verklaring kan worden verleend limitatief in het Besluit burgerluchthavens zijn genoemd.

De memorie van toelichting van bij het Besluit burgerluchthavens geeft aan dat de bevoegdheid tot het afgeven van een verklaring van geen bezwaar voor onder het derde lid, onderdeel b, onder 2’, onder andere “functieverandering van gebouwen, zoals de ombouw van een voormalige school of bedrijfsgebouw tot woning(en)” mogelijk maakt. Vorenstaande brengt mee dat een verklaring van geen bezwaar is aangevraagd en verkregen. De verklaring van geen bezwaar is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. Luchthaven Hilversum vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. In voorliggend hebben ter plaatse van het plangebied een aantal bodemonderzoeken plaatsgevonden. Deze onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 4 tot en met 7 bij deze plantoelichting. Hierna wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen van de verschillende onderzoeksrapporten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept 4.2.2

Onderzoeksresultaten

4.2.2.1 Verkennend bodem- en asbestonderzoek Nieuw Loosdrechtsedijk 87 Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: •

•

•

De hypothese voor het bodemonderzoek “De bovengrond van de onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als heterogeen verdacht worden beschouwd op het voorkomen van bestrijdingsmiddelen” wordt verworpen. De hypothese voor het asbestonderzoek “De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als heterogeen verdacht worden beschouwd” wordt aangenomen. Hierbij is plaatselijk (druppelzone DZ2 en DZ3) een asbestconcentratie aangetoond boven de hergebruiksnorm van 100 mg/kg.ds. Bij druppelzone DZ1 blijft de asbestconcentratie aangetoond onder de hergebruiksnorm van 100 mg/kg.ds.

De zink verontreiniging in het grondwater overschrijdt de tussenwaarde waarbij formeel gezien een nader onderzoek noodzakelijk is. Mogelijk komt het verhoogde Zink van nature voor in de bodem. Zeker gezien het feit dat er meerdere metalen verhoogd zijn aangetroffen. Verder zijn er geen antropogene bronnen aan te wijzen en ligt de onderzoekslocatie in een van oorsprong agrarisch gebied. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. Aanbevolen wordt om geen grondwater op te pompen. Mochten er eventuele bronneringswerkzaamheden worden uitgevoerd, dient met de aanwezigheid van de zinkverontreiniging rekening gehouden te worden. Op basis van een overschrijding van het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) in de bovengrond ter plaatse van de druppelzone (2 en 3), wordt gesteld dat er aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem ter plaatse van de aangetoonde asbestverontreinigingen. Aangezien het hier duidelijk is dat het gaat om de druppelzone, waar normaalgesproken in een strook van circa 1,0 m en een diepte van maximaal 20 cm asbest aanwezig is, wordt een nader onderzoek niet zinvol geacht. Mede gezien de situatie en de conditie van het maaiveld bij druppelzone 3 lijkt een aanvullend onderzoek niet zinvol. Omdat er sprake is van een zogenaamd nieuw geval van bodemverontreiniging (ontstaan na ’87), is er sprake van een zorgplicht.

Dit betekent dat de verontreiniging zal moeten worden verwijderd door middel van sanering. Geadviseerd wordt dat de verontreiniging zal moeten worden weggenomen tot gehalten beneden de 50 mg/kg d.s. De gemeente is hiervoor bevoegd gezag. Hiervoor is een plan van aanpak ter goedkeuring aan de gemeente voorgelegd. Het plan van aanpak is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting.

4.2.2.2 Verkennend bodemonderzoek Nieuw Loosdrechtsedijk (achter 75 en 85) Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: •

• • •

• •

Zintuigelijk zijn in de opgeboorde grond afwijkingen gevonden die wijzen op het voorkomen van een potentiële verontreiniging in de bodem van de onderzoekslocatie. Ter plaatse van de gedempte sloot zijn sporen baksteen, puin en glas aangetroffen. In de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) zijn analytisch licht verhoogde gehalten aan zware metalen en/ of PAK vastgesteld. In de ondergrond is plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan molybdeen aangetroffen. Gelet op de toetsing aan het Tijdelijk Handelingskader PFAS kan gesteld worden dat de grond, wat betreft PFOS en PFOA, formeel toegepast kan worden in gebieden met bodemfunctieklasse landbouw/ natuur (met uitzondering van een grondwaterbeschermingsgebied en oppervlaktewater). In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan zware metalen (kopen en zink) vastgesteld. Ter plaatse van de gedempte sloot zijn in het grondwater géén verhoogde concentraties vastgesteld.

De licht verhoogde gehalten komen overeen met de eerder aangetoonde resultaten uit het vooronderzoek. De licht verhoogde gehalte, ter plaatse van de gedempte sloot, zijn mogelijk te relateren aan de zintuigelijke waarnemingen (sporen baksteen en/ of puin). De gemeten waarden zijn van dien aard dat deze géén aandacht behoeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept De licht verhoogde gehalten aan zware metalen in het grondwatermonster, representatief voor de gehele terrein, zijn niet eenduidig te verklaren, de concentraties zijn echter van dien aard dat deze geen verdere aandacht behoeven.

4.2.2.3 Verkennend bodemonderzoek Nieuw Loosdrechtsedijk (achter 73) en asbestonderzoek Nieuw Loosdrechtsedijk (achter 73 t/m 85) Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Verkennend bodemonderzoek NEN5740 In het bovengrondmengmonster (BM1) zijn lichte verhogingen PCB (som 7) en lood aangetroffen. In het bovengrondmengmonster (BM3) zijn lichte verhogingen PCB (som 7), koper, zink, lood en PAK 10 VROM aangetroffen. In het bovengrondmengmonster (BM2) zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster (PBbest WM1) is een lichte verhoging minerale olie aangetroffen. Op basis van het onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Verkennend bodemonderzoek NEN5707 (asbest in bodem) Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters (MM1 en MM2) is analytisch geen asbest aangetroffen. Het mengmonster (MM3) is licht asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.

Ter plaatse van inspectiegat 18A is asbestmateriaal aangetroffen in een puinlaag. De puinlaag bevat meer dan 50% bodemvreemd materiaal, wat betekent dat de Wbb hier niet van toepassing is. In het inspectiegat 18A is een concentratie asbest aangetoond boven de interventiewaarde. De inspectiegaten 17, 19 en 20 zijn zintuiglijk schoon of bevatten een lichte hoeveelheid puin. Van inspectiegat 19 is een monster samengesteld en hierin is analytisch geen asbest aangetroffen. De laag onder de puinlaag van inspectiegat 18A (0,50-0,70 m-mv) is zintuiglijk beoordeeld en hierin is tevens geen puin of ander asbestverdacht materiaal aangetroffen. Hiermee is de verontreiniging (deels zintuiglijk) horizontaal en verticaal afgeperkt. De geschatte verontreinigde oppervlakte bedraagt circa 55 m2, maal 0,30 m-mv komt neer op een geschatte hoeveelheid van 16,5 m3 met asbest verontreinigd puin. Druppelzones Ter plaatse van elke druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven en is er een mengmonster samengesteld. Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De gewogen asbestgehalten in de mengmonsters van DZ1 en DZ2 zijn hoger dan de interventiewaarde (100 mg/kg ds). Tevens zijn er in de fractie <0,5mm asbestverdachte vezels aangetroffen. Dit geeft aanleiding tot een SEM-analyse. Formeel geven deze druppelzones aanleiding tot nader onderzoek.

Echter is er een reden om af te zien van een nader onderzoek. Het "Bijzonder inventariserend onderzoek, erosie van asbestdaken" van Geofox-Lexmond (20131980/JOOS, d.d. 29-9-2014) heeft onderzocht dat de verontreiniging in de bodem van de afwateringszone van dakgootloze asbestdaken zich lijkt te beperken tot een diepte van 10cm bij een horizontale spreiding van circa 1 meter.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept Opgemerkt dient te worden dat de verontreiniging van druppelzone 1 wordt veroorzaakt door een schuur van een naastliggend adres. Het is niet bekend of de bron hiervan wordt weggenomen, waardoor het de vraag is of het zinvol is om de verontreiniging nu al te saneren.

4.2.3

Conclusie

Na sanering van de geconstateerde saneringsplichtige verontreinigingen wordt de bodem geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen en tuin).

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10.

4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept 4.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.

4.3.3

Conclusie

Op basis van het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

4.4.2

Situatie plangebied

4.4.2.1 Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. De blauwe contour geeft het plangebied weer.

Afbeelding 4.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat er in de omgeving van het plangebied een aantal risicovolle inrichtingen/functies aanwezig zijn. Deze zijn allen gelegen op ruim 300 meter afstand van het plangebied. Er is geen sprake van enige invloed van deze inrichtingen op het plangebied. Geconcludeerd wordt dat de locatie: • • • •

4.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving van externe veiligheid.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNGuitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een ‘gemengd gebied’. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

Hoewel in de omgeving van het plangebied naast de woonfunctie verschillende bedrijfsfuncties voorkomen, kan het plangebied het best worden aangemerkt als een ‘rustige woonwijk’. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

4.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

4.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept 4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het voornamelijk om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor omwonenden. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. In de onderstaande tabel worden de activiteiten/functies benoemd welke zijn gelegen in de nabijheid van het plangebied. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen de gevel van de nieuwe woning en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Functie

Milieucategorie 3.2

Richtafstand ‘rustige woonwijk’ 100 m

Daadwerkelijke afstand (circa) 50 m

Bedrijf Nieuw-Loosdrechtsedijk 82 Bedrijf Nieuw-Loosdrechtsedijk 76a, 76b, 76c en 76h Bedrijf Nieuw-Loosdrechtsedijk 72-74 en 74a Bedrijf Nieuw-Loosdrechtsedijk 62 Bedrijf Nieuw-Loosdrechtsedijk 71 Maatschappelijk Nieuw-Loosdrechtsedijk 65

2

30 m

60 m

2

30 m

60 m

2

30 m

45 m

3.2

100 m

5m

2

30 m

50 m

In voorliggend geval kan in de meeste gevallen aan de richtafstanden worden voldaan. Hierna wordt ingegaan op de bedrijfspercelen aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 82 en Nieuw-Loosdrechtsedijk 71. Nieuw-Loosdrechtsedijk 82 Ten aanzien van de Nieuw-Loosdrechtsedijk 82 wordt opgemerkt dat er in de feitelijk situatie sprake is van een (zeer) kleinschalig bedrijf wat qua milieubelasting het best is te vergelijken met een milieucategorie 2 bedrijf. Het is bovendien niet aannemelijk dat zich hier in de toekomst een bedrijf zal vestigen met een hogere milieucategorie, dit gelet op de aanwezigheid van omliggende woonpercelen van derden. Gelet hierop kan in dit geval een richtafstand van 30 meter aangehouden worden. Hier kan in voorliggend geval aan worden voldaan. Nieuw-Loosdrechtsedijk 71 Ten aanzien van de Nieuw-Loosdrechtsedijk 71 wordt opgemerkt dat hier in de feitelijk situatie geen bedrijf (meer) aanwezig is. Ook voor dit bedrijf geldt dat het niet aannemelijk is dat zich hier in de toekomst een milieucategorie 3.2 bedrijf zal vestigen. Dit omdat ook ten aanzien van dit bedrijf geldt dat het bedrijfsperceel reeds wordt omgeven door woonpercelen van derden. Gelet op de ligging van dit bedrijfsperceel in relatie tot de omgeving is een bedrijf met een milieucategorie 2 het meest realistisch.

Hoewel dergelijke bedrijven zich over het algemeen goed voegen nabij woningen wordt niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter. Gelet op het vorenstaande en in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’, is er een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Bedrijven en milieuzonering

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ten gevolge van de planologische rechten van het perceel Nieuw-Loosdrechtsedijk 71 bedraagt ter plaatse van (een deel van) de woningen meer dan de richtwaarde van 45 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. De hoogste geluidniveaus (47 dB(A)) treden op ter plaatse van de noordgevel van de woningen en bedraagt daarmee niet meer dan de richtwaarde van 50 dB(A) uit stap 3 van de VNG-publicatie: “Bedrijven en milieuzonering”. Deze langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus zijn niet zondermeer acceptabel. Het maximaal geluidniveau (LAmax) ten gevolge van de planologische rechten van het bedrijf(sperceel) bedraagt ter plaatse van (een deel van) de woningen meer dan de richtwaarde van 65 dB(A) uit stap 2 van de VNGpublicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Echter op dit moment worden het bedrijf(sperceel) ook al omringd door geluidgevoelige bestemmingen, waardoor bedrijfsmogelijkheden en dientengevolge optredende maximale geluidniveaus worden begrensd. Ook met inachtneming hiervan bedragen de maximale geluidniveaus ter plaatse van de nieuwe woningen ruim meer dan genoemde richtwaarden uit zowel stap 2 als stap 3 van de VNG-publicatie.

Gezien de mogelijkheden tot het vestigen van bedrijf in milieucategorie 2 is het niet te verwachten dat de betreffende piekgeluiden (als gevolg van rijdende vrachtwagens) in de dagperiode vaak voorkomen. Wel is het aannemelijk dat er op het achterterrein relevante akoestische activiteiten plaats kunnen vinden. Op basis hiervan kunnen de geluidbelastingen niet zondermeer als acceptabel worden aangemerkt. Tevens worden de maximale planologische mogelijkheden van het bedrijfsperceel door de nieuwe woningen in het plangebied beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er niet zondermeer sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Activiteitenbesluit milieubeheer Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van de milieurechten van een op het perceel NieuwLoosdrechtsedijk 71 te vestigen bedrijf (c.q. op basis dat de geluidimmissie waarmee de vigerende geluidnormen ter plaatse van de bestaande woningen worden gerespecteerd) bedraagt ter plaatse van het plangebied meer dan 50 dB(A) etmaalwaarde, de standaard grenswaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Een te vestigen bedrijf kan zodoende worden beperkt in de mogelijkheden van bedrijfsvoering.

De optredende maximale geluidniveaus, uitgaande van de maximale mogelijkheden door de beperking vanwege bestaande woningen, voldoen ter plaatse van een deel van de woningen binnen het plangebied niet aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Er is op dit moment geen bedrijf meer actief op het perceel. Er is geen zicht op de akoestisch relevante activiteiten van een mogelijk nieuw te vestigen bedrijf, zodat eventueel noodzakelijke bronmaatregelen op dit moment niet beschouwd kunnen worden. Overdrachtsmaatregelen (hoge schermen) stuiten mogelijk op stedenbouwkundige bezwaren, waarbij door de initiatiefnemer een scherm op de noordelijke perceelsgrens met een hoogte van 2,5 meter en dove gevels ter plaatse van de verdiepingen van de noordgevels van de twee noordelijke woningen als acceptabel is aangemerkt. Met een dergelijke voorziening kan voldaan worden aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en zal ook in de tuinen van de woningen sprake zijn van een aanvaardbaar geluidniveau. Indien de woningen op een afstand van minimaal circa 35 meter ten opzichte van het bedrijfsperceel wordt gepositioneerd (zoals de woningen aan de Tjotter), voldoen de optredende maximale geluidniveaus aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Binnen het stedenbouwkundig plan is dit mogelijk ongewenst.

Indien bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk dan wel wenselijk zijn, kan het bevoegd gezag tot op zekere hoogte hogere geluidniveaus toestaan. Bij het vaststellen hiervan moet het binnenniveau in de nieuwe woningen worden gewaarborgd.

4.5.4

Conclusie

Met inachtneming van het realiseren van een geluidscherm van 2,5 hoog en het realiseren van dove gevels ter plaatse van de verdiepingen van de noordgevels van de twee noordelijke woningen, kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende bedrijven/inrichtingen niet (verder) in de ontwikkelmogelijkheden

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept belemmerd, temeer omdat woningen van derden reeds dichter op de omliggende bedrijven/inrichtingen zijn gelegen en hierdoor maatgevend zijn.

4.6

Geur

4.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruik.

4.6.2

Situatie plangebied

De dichtstbijzijnde locatie waar planologisch gezien een veehouderij is toegestaan betreft het agrarisch bedrijfsperceel aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 105b. Het bestemmingsplan “Loosdrecht landelijk gebied noordoost – 2012” schrijft voor dat ter plaatse een grondgebonden veehouderij is toegestaan. De beoogde woningen liggen binnen de bebouwde kom, waardoor getoetst dient te worden aan de vaste afstand van 100 meter. Het plangebied ligt op circa 260 meter van het betreffende agrarische bedrijfsperceel. Verder zijn er binnen een straal van en minste 500 meter rondom het plangebied geen agrarische bedrijfspercelen aanwezig. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de omliggende agrarische bedrijven niet (verder) in de ontwikkelmogelijkheden worden beperkt, , temeer omdat woningen van derden reeds dichter op de omliggende omliggende agrarische bedrijfspercelen zijn gelegen en hierdoor maatgevend zijn voor de ontwikkelmogelijkheden van de betreffende agrarische bedrijven.

4.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept

4.7

Ecologie

4.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

4.7.2

Gebiedsbescherming

4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Afbeelding 4.2 geeft de ligging van het plangebied ten opzichte van de voor Natura 2000 aangewezen gebieden.

Afbeelding 4.2: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000 (Bron: AERIUS-calculator)

Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 75 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de ‘Oosterlijke Vechtplassen’. In het kader van het voorliggende bestemmingplan is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 9 van deze toelichting. Uit het stikstofonderzoek volgt dat als gevolg van voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten die resulteren in een overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW). Tevens zal de maximale stikstofdepositiebijdrage van 0,01 mol/ha/j niet leiden tot een dreigende overschrijding van de KDW. Er is hiermee geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Afbeelding 4.3 geeft de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (grijze arcering) weer.

Afbeelding 4.3: Ligging plangebied t.o.v. NNN (Bron: Atlas Leefomgeving)

Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op circa 75 meter afstand. Gezien de afstand van de locatie tot het NNN en de aard en omvang van het voornemen wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

4.7.3

Soortenbescherming

In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel ter plaatse van het plangebied een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 10 van deze toelichting. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten, maar tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantsoorten. Het plangebied behoort waarschijnlijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel- vleermuis-, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, nestelen er vogels en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Bij uitvoering van de voorgenomen activiteiten dient daarom rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van bezette vogelnesten tijdens de voortplantingsperiode.

Voor de amfibieën en beschermde grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige in het plangebied foeragerende beschermde diersoorten aangetast. Deze aantasten leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

4.7.4

Conclusie

Als gevolg van voorliggend initiatief zijn er geen negatieve gevolgen te verwachten op beschermde natuurgebieden, flora en fauna. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.8

Archeologie & cultuurhistorie

4.8.1

Archeologie

4.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.8.1.2 Situatie plangebied In de raadsvergadering van 29 september 2011 is het archeologiebeleid voor de gemeente Wijdemeren vastgesteld. Dit beleid geeft, zowel voor de burger als voor de gemeentelijke organisatie, meer helderheid over hoe de gemeente omgaat met de zorg voor het archeologische erfgoed binnen het grondgebied van Wijdemeren. Het beleid bestaat uit een notitie en een kaart met toelichting. In de afbeelding 4.4 is een uitsnede van de archeologische beleidskaart ter plaatse van het plangebied weergegeven. Het plangebied is met de rode contour aangegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept

Afbeelding 4.4: Uitsnede Beleidskaart Archeologie (Bron: Gemeente Wijdemeren)

Op basis van de archeologische beleidskaart gelden ter plaatse drie verschillende archeologische verwachtingswaarden. Voor het grootste gedeelte geldt ter plaatse van het plangebied dat bij plannen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm rekening dient te worden gehouden met archeologische resten (grijze gebied). Ter plaatse van het blauwe en gele gebied gelden strengere ‘drempelwaarden’. Aangezien de gestelde ‘drempelwaarden’ overschreden zullen worden is in het kader van het voorliggende bestemmingsplan een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 11 bij deze toelichting. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Er zijn archeologische indicatoren aangetroffen bij dit onderzoek. In de meeste gevallen is een onverstoorde bodemopbouw aanwezig met een ten dele opgebrachte humeuze bovengrond (matig dikke tot dikke Ahorizont). De ondergrond bestaat uit dekzanden en deels verspoelde dekzanden. In boring 7 is de Usselobodem aangetroffen op 90 tot 100 cm –mv. Op dit niveau kunnen specifiek vindplaatsen van de Federmesser Cultuur (Laat-Paleolithicum) worden aangetroffen. In één boring is nog een podzol B-horizont (Bh-horizont) aangetroffen.

In alle boringen die tot voldoende diepte konden worden verkend zijn tot grotere diepte sporen van podzolering waargenomen in de vorm van een BC-horizont. Een dergelijke bodemvorming tot grotere diepte kan onder natte omstandigheden plaatsvinden, zoals in de periode dat het terrein door de zeespiegelstijging vernatte, net voordat veengroei optrad (waarschijnlijk Bronstijd). In boring 2 is onder het plaggendek een dempingslaag aangetroffen, die niet ouder kan zijn als de Nieuwe tijd. De resultaten van het verkennend booronderzoek bevestigen de hoge archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum tot Bronstijd en de hoge en middelhoge archeologische verwachting voor de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd voor respectievelijk de ontginningsas van de Nieuw-Loosdrechtsedijk en de rest van het plangebied. Aangezien het potentiële archeologische niveau tamelijk dicht onder het maaiveld ligt worden eventuele archeologische vindplaatsen bij de voorgenomen plannen met zekerheid bedreigd. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept 4.8.2

Cultuurhistorie

4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

4.8.2.2 Situatie plangebied Er bevindt zich, op basis van de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland in het plangebied zelf geen (rijks)monumenten. In de directe omgeving zijn wel diverse (rijks)monumenten in het lint van de Nieuw-Loosdrechtsedijk gesitueerd. De voorgenomen ontwikkeling heeft echter geen nadelige gevolgen voor deze monumenten. Er gelden ter plaatse van het plangebied tevens geen bijzondere cultuurhistorische waarden.

4.8.3

Conclusie

Nadat de binnen het plangebied aanwezige bebouwing is gesloopt dient er een nader archeologische onderzoek (proefsleuven) plaats te vinden. Ter bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden blijven de archeologische dubbelbestemmingen, overeenkomstig het bestemmingsplan “Kernen Ankeveen, Kortenhoef en Nieuw-Loosdrecht” van toepassing op de binnen het plangebied aanwezige gronden. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.9

Besluit Milieueffectrapportage

4.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

4.9.2

Situatie plangebied

4.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 75 meter van het plangebied. Zoals in paragraaf 4.7.2.1 en bijlage 9 (stikstofonderzoek) van deze toelichting is beschreven volgt uit het stikstofonderzoek dat als gevolg van voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten die resulteren in een overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW). Tevens zal de maximale stikstofdepositiebijdrage van 0,01 mol/ha/j niet leiden tot een dreigende overschrijding van de KDW. Er is hiermee geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.beoordelingsplicht. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 12 bij deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat voorliggend bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt.

4.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept

HOOFDSTUK 5

WATERASPECTEN

5.1

Vigerend beleid

5.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

5.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

5.1.3

Provinciaal beleid

De Watervisie 2021 zoekt de koppeling van wateropgaven met ruimte, economie en natuur. Alleen door water goed mee te nemen kunnen duurzame integrale afwegingen gemaakt worden. Zo is er op en aan het water rust, maar ook ruimte voor vertier en activiteiten. Waar water en natuur zijn, ontstaat vaak als vanzelf recreatie. En die combinatie biedt weer kansen voor economische ontwikkeling. Met de Watervisie 2021 als zelfbindend document worden kaders gesteld voor wateropgaven in Noord-Holland. Het lange termijn doel is om heel Noord-Holland in 2050 voor zover redelijkerwijs haalbaar waterrobuust te hebben ingericht. Het gaat hierbij om het zoveel mogelijk: 1. beperken van het slachtofferrisico als gevolg van overstromingen; 2. voorkomen van grote economische schade; 3. voorkomen van maatschappelijke ontwrichting door het uitvallen van vitale functies en/of het vrijkomen van milieugevaarlijke stoffen.

5.1.4

Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht

5.1.4.1 Waterbeheerplan 2016-2021 Het waterbeheerplan 2016-2021 is op 8 oktober 2015 goedgekeurd door het Algemeen Bestuur van het waterschap en is vanaf 1 januari 2016 van kracht. In het Waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 2016-2021 op hoofdlijnen. Hierin staat wat het waterschap doet aan veiligheid, de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en aan efficiënte zuivering van afvalwater. Ook zet het waterschap zich in voor het behoud van cultuurhistorisch erfgoed en de natuur. Het waterschap wil bereiken dat mensen zich bewuster worden van het belang van een veilig en 'robuust' (toekomstbestendig)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept watersysteem. Het waterschap wil open en toegankelijk zijn, actief naar samenwerking zoeken en de dialoog aangaan. De strategische uitgangspunten voor de langere termijn (2030) zijn: • • • • • • • • • •

Samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit;' Een klimaatbestendig en daarmee waterrobuust gebied; Steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; Een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; Water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; Gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; Gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; Vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit voor burgers en bedrijven; Afstemming over alle watertaken per stroomgebied (i.c. Rijn-West); Behoud van de zelfstandige bevoegdheid

5.1.4.2 Keur AGV 2019 De 'Keur' is de traditionele naam die waterschappen meestal geven aan een verordening met betrekking tot de aan hen opgedragen zorg voor het watersysteem. De zorg voor het watersysteem omvat het beheer van de oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden, grondwater en ondersteunende waterstaatkundige kunstwerken. Het waterschap oefent zijn taken en bevoegdheden uit met het oog op de doelstellingen van waterbeheer, zoals verwoord in artikel 2.1 van de Waterwet: • • •

5.1.5

voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Gemeentelijk Rioleringsplan Wijdemeren 2018-2021

Het gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de invulling van het beleid voor de gemeentelijke watertaken van de Gemeente Wijdemeren. De primaire doelen van deze watertaken zijn: 1. beschermen van de volksgezondheid 2. bijdragen aan een veilige leefomgeving 3. beperken van hinder en voorkomen van schade door wateroverlast 4. voorkomen van verontreiniging van het milieu 5. bijdragen aan een duurzame leefomgeving 6. bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit 7. en beperken van hinder bij uitvoering van werken. Voor nieuwbouwplannen zijn onder andere de volgende uitgangspunten van toepassing: •

•

•

Bij nieuwbouw moeten openbare én particuliere ruimte zo worden ingericht dat in totaal een neerslag van tenminste 150 mm in 1 uur (incl. riolering) kan worden verwerkt zonder water in de nieuwbouwpanden. Aanleg van klimaatbestendige ontwatering bij bouwrijp maken en aanleg van vloerpeilen minimaal 25 en zo mogelijk 30 cm boven de wegas, om de kans op schade bij regen- en grondwateroverlast te beperken, vast te leggen in bestemmings- /omgevingsplan, project- of exploitatieovereenkomsten. Bij herinrichting en nieuwbouw, zoveel als technisch mogelijk, het regenwater op eigen terrein laten verwerken. Voorkeursvolgorde bij afkoppelen op particulier terrein is: 1. infiltreren in de bodem of hergebruiken, 2. naar oppervlaktewater leiden, 3. lozen op gescheiden regenwaterriool.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan Het Achtererf – Nieuw-Loosdrecht Concept

5.2

Waterparagraaf

5.2.1

Huidige situatie

Nieuw-Loosdrecht ligt op de overgang tussen de oostelijk hoger gelegen zandgronden van 't Gooi (ten oosten van plangebied NAP +1,3 m) en de polders in het veenweidegebied westelijk van Nieuw-Loosdrecht (NAP -0,5 m). Waterhuishoudkundig betekent dat een overgangsgebied tussen infiltratie en kwel. In Nieuw-Loosdrecht treedt lichte kwel op vanuit de Gooise stuwwal en watert af in westelijke richting naar het hoofdwatersysteem van de Drecht en de Loosdrechtse Plassen. Vanuit het plassengebied wordt het water uitgeslagen op de boezem van de Vecht. Binnen het plangebied is geen open water aanwezig en liggen geen hoofdwatergangen. Ook zijn geen waterkeringen aanwezig. Ten zuiden van het plangebied is wel een watergang met een gemaal aanwezig.

5.2.2

Toekomstige situatie

Hemelwater en verontreiniging Op basis van de Keur moet een toename van het verhard oppervlak met meer dan 1.000 m² gecompenseerd worden. Voor de toename van de verharding dient gecompenseerd te worden door open water met een omvang van 10% van de toename van het verhard oppervlak. In geval van voorgenomen ontwikkeling is sprake van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 1.000 m2. Met voorgenomen ontwikkeling wordt rekening gehouden met het vorenstaande en zal worden voorzien in voldoende compensatie (10% van de toename van het verhard oppervlak). Verder is op basis van de Keur AGV 2019 sprake van een vergunningsplicht wanneer in het stedelijk gebied de toename van verhard oppervlak meer dan 1.000 m2 bedraagt. Het hemelwater dient, waar mogelijk, eerst vastgehouden te worden binnen het plangebied voordat het wordt afgevoerd. Hierbij kan gedacht worden aan infiltratiekratten in de ondergrond, wadi’s, een vijver met afwateringsduiker of extra open wateroppervlak. Het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen is daarnaast van belang om diffuse verontreinigingen te voorkomen. Afvalwaterketen en riolering Volgens de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen, om te zorgen dat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10680089/1