CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Spoorstraat-Herenstraat_Toelichting

Raad openbaar Wijchen 26 juni 2025, gemeente wijchenBij agendapunt: 147889 Beslisnota bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat Wijchen27.688 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Type woning Aantal woningen Koop (Duur) 26 Huur Midden 17 Huur Vrije Sector 8 Totaal 51 Figuur: Verkeersgeneratie

Verkeersgeneratie 7,5 3,6 5,5

Totaal Verkeersgeneratie 195 61,2 44 300,20

De Herenstraat ligt in een matig stedelijk gebied in het centrum. De maximale verkeersgeneratie is 7,5 motorvoertuigen (mvt) voor de koopappertementen. Voor de huurappartmenten duur betreft dit een maximale verkeersgeneratie van 5,5 mvt. Bij de middenhuur appartementen is dit 3,6 mvt. Volgens de CROW norm is de verkeersgeneratie (26x7,5=195)+(17x3,6=61,2)+(8x5,5=44) = 300,20 verkeersbewegingen. Afgerond moet er dus rekening gehouden worden met 300 verkeersbewegingen per dag. Uitgaand van 150 aankomende en 150 vertrekkende auto's op een etmaal, is dat een gemiddelde van ca. 12,50 auto's per uur aankomend en vertrekkend. In de huidige situatie zijn er bedrijven en woningen gesitueerd die eveneens verkeer generen. Bovendien is de locatie gelegen in het centrum, waar vele bezoekers de winkels en horeca bezoeken. Deze bezoekers zorgen in de huidige situatie niet voor een hinderlijke verkeersdruk. Door de bestaande verkeersintensiteiten in het centrum, kan geconcludeerd worden dat de woningen niet voorzien in een sterk toenemende verkeersdruk in

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

59

de omgeving.

Ontsluiting De ontsluiting van de parkeergarage wordt gerealiseerd aan de Herenstraat, schuin tegenover de poort. De inrit zal een breedte hebben van circa 5,40 meter, waardoor ruimte wordt geboden voor twee auto's. Omdat auto's bij een breedte van circa 5,40 meter gelijktijdig in- en uit kunnen rijden, ontstaat er op de Herenstraat geen verkeershinder. Rondom het plangebied geldt een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Door de lage snelheid ontstaan er geen risicovolle situaties. Verkeersmaatregelen ter plaatse van de ontsluiting aan de Herenstraat worden hierdoor niet noodzakelijk geacht. Er zijn tekeningen van de aansluiting ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeente Wijchen. De tekeningen van de parkeergarage zijn akkoord bevonden door de gemeente Wijchen. De gemeente Wijchen is akkoord met zowel het aantal parkeerplaatsen als met de vormgeving en situering van de inrit naar de parkeergarage aan de Herenstraat.

Plattegrond ontwerp wooncomplex met ligging in- en uitrit parkeergarage ter illustratie 5.8.4 Parkeren Om de parkeerbalans voor de locatieontwikkeling aan de Spoorstraat/ Herenstraat op te maken, is het woonprogramma getoetst aan de bestaande en toekomstige situatie. De vergelijking met uiteindelijke verschilbereking is in onderstaande onderbouwing uitgewerkt.

60

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

5.8.4.1 Bestaande situatie In de bestaande situatie is er een parkeerbehoefte voor 7 (gemiddeld) middeldure reguliere woningen, 673 m² winkelvloeroppervlak en 230 m² sportvoorziening (fitness). Daarbij is een maatgevende parkeerbehoefte berekend van maximaal 17.03 parkeerplaatsen, ofwel afgerond naar boven 18 parkeerplaatsen. In de bestaande situatie is er op eigen terrein voorzien in 6 parkeerplaatsen, c.q. mogelijk te parkeren auto's. Deze mogelijkheden zijn aan de Herenstraat, links (1) en rechts (5) van de fitnessstudio, zie ook navolgend beeld. Dit impliceert dat de overige behoefte van 12 plaatsen is opgelost in het openbaar gebied. Aan de Spoorstraat zijn ter hoogte van het plangebied geen parkeergelegenheden. 5.8.4.2 Toekomstige situatie Benodigde parkeerplaatsen inclusief bezoekersparkeren In het woningbouwprogramma wordt het gebied gekenmerkt als matig stedelijk, centrum gebied. In de toekomstige situatie is er een parkeerbehoefte voor: 26 koop appartementen (etages, gemiddeld middelduur in de CROW categorisering); 17 huurappartementen midden huur (etages, gemiddeld middelduur in de CROW categorisering) 8 huurappartementen vrije sector (etages, huur duur in de CROW categorisering). De gehanteerde norm voor koop/ duur is 1,4 parkeerplaatsen.

De huurappartementen worden gesplitst in middenhuur met een parkeernorm van 1,2 per appartement en in huur duur (vrije sector) met een parkeernorm van 1,3 per appartement. Daarbij is een maatgevende parkeerbehoefte berekend van maximaal 67,2 parkeerplaatsen, ofwel afgerond naar boven 68 parkeerplaatsen. De berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen is weergeven in onderstaande tabel.

Type woning Aantal Koop (Duur) 26 Huur Midden 17 Huur Vrije Sector 8 Totaal 51 Tabel: Bepaling parkeeropgave

Parkeernorm 1,4 1,2 1,3

Totaal parkeerplaatsen 36,4 20,4 10,4 67,2 parkeerplaatsen

Parkeerplaatsen bewoners Volgens de CROW-normen wordt voor bezoekersparkeren 0,3 parkeerplaats per woning gehanteerd. Dit betekent dat er voor 51 appartementen afgerond 16 parkeerplaatsen nodig zijn (51 * 0,3 = 15,3). Deze parkeerplaatsen zijn al inbegrepen in het totaal aantal van 68 parkeerplaatsen. Oorspronkelijk was het plan om alle bewoners in de parkeergarage te laten parkeren. De garage biedt voldoende ruimte om 52 parkeerplaatsen voor bewoners op eigen terrein te realiseren. Dit betekent dat er in totaal 52 parkeerplaatsen voor bewoners in de parkeergarage worden voorzien.

Parkeerplaatsen bezoekers Voor de geplande ontwikkeling is er een behoefte aan 16 (of 15,3) parkeerplaatsen voor bezoekers. Aangezien er al 12 openbare parkeerplaatsen beschikbaar zijn, is besloten dat deze parkeerplaatsen ook in toekomst mogen worden gebruikt voor het bezoekersparkeren.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

61

Dit resulteert in een resterende behoefte van 4 (of 3,3) parkeerplaatsen. Omdat het gebruik van openbare ruimte voor parkeren niet mag toenemen, moeten er minimaal 56 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd om aan de totale parkeerbehoefte van 68 te voldoen. Naast de 52 parkeerplaatsen voor bewoners biedt de parkeergarage ruimte voor 4 bezoekersparkeerplaatsen. Omdat niet alle bezoekers gebruik kunnen maken van de parkeerplaatsen in de garage, worden de overige bezoekersparkeerplaatsen op de 12 bestaande openbare parkeerplaatsen behouden. De parkeerdruk op het openbare terrein blijft gelijk, aangezien de 12 bestaande parkeerplaatsen al in gebruik zijn en de overige 56 parkeerplaatsen op eigen terrein komen. Zo wordt voldaan aan de totale parkeerbehoefte van 68 parkeerplaatsen. Een visuele weergave van de toekomstige parkeergarage en het gedetailleerde ontwerp zijn te vinden in Bijlage 16.

Figuur: Uitsnede parkeergarage Overschot parkeerplaatsen In de parkeergarage worden in totaal 65 parkeerplaatsen gerealiseerd. Van deze plaatsen zijn 52 gereserveerd voor bewoners en 4 voor bezoekers, waardoor er een overschot van 9 parkeerplaatsen blijft (65 - 52 - 4 = 9). Deze 9 parkeerplaatsen kunnen worden verhuurd aan omwonenden of bewoners met meerdere auto's, of ze kunnen worden gebruikt om een groter aantal bezoekers op te vangen, wanneer ze niet zijn verhuurd. Dit overschot biedt dus een buffer die voor verschillende doeleinden kan worden ingezet. Akkoord gemeente De gemeente heeft haar goedkeuring gegeven voor de bovenstaande parkeeroplossing, aangezien de parkeerdruk op het openbare terrein niet zal toenemen. Zowel in de bestaande als toekomstige situatie blijft de parkeerdruk op het openbare terrein 12 parkeerplaatsen. In de anterieure overeenkomst wordt vastgelegd

62

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

dat de parkeerdruk op het openbare terrein niet mag toenemen en dat er minimaal 4 parkeerplaatsen in de parkeergarage voor bezoekers moeten worden gereserveerd. 5.8.4.3 Conclusie Met de ruime parkeergarage, die zowel de parkeerbehoefte voor bewoners als voor een deel van de bezoekers op eigen terrein oplost, en de 12 openbare parkeerplaatsen voor bezoekers, wordt voldaan aan de parkeeropgave. Het parkeren vormt daarom geen belemmering voor het plan.

5.9

Archeologie

Als wettelijk toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. De op 1 juli 2016 in werking getreden Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 deels vervangen als het gaat om archeologie. In de Erfgoedwet is vastgelegd wat onder cultureel erfgoed (waar archeologie onder valt) wordt verstaan. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving betreffen, gaan naar de Omgevingswet. Voor een aantal onderdelen (onder andere bestemmingsplannen) is voor de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen.

Archeologie beleidskaart Gemeente Wijchen Gemeenten zijn met de inwerkingtreding van Wamz in grote mate verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. De gemeente Wijchen heeft in 2010 een erfgoedverordening met een in 2009 door RAAP Archeologisch Adviesbureau opgestelde bijbehorende archeologische beleidskaart. Deze archeologische beleidskaart vormt de onderlegger voor het Wijchense archeologiebeleid en is het gemeentelijk toetsingsinstrument voor archeologie bij ruimtelijke ontwikkelingen, bouwplannen en andere bodemverstoringen. Op deze kaart wordt een archeologische verwachtingswaarde toegekend aan een plangebied.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

63

Figuur: Archeologische beleidskaart (Bron: 2009) Op deze kaart is het plangebied aangewezen als een gebied met een hoge archeologische verwachting, mede door de ligging van de Laag van Wijchen en het feit dat vlak naast een archeologisch zeer waardevol terrein dat is opgenomen in de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Op korte afstand van het plangebied is eerder onderzoek verricht. Op deze kaart zijn enkele vindplaatsen weergeven in de directe omgeving. Hierbij zijn sporen vondsten uit de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd aangetroffen. Volgens de kaart is archeologisch onderzoek verplicht bij een ingrepen met een oppervlakte groter dan 60m². Aangezien het planvoornemen voorziet in een ontwikkeling groter dan 60m² is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

64

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

Figuur: Archeologische terreinen, vondslocaties en onderzoeken uit Archis (Bureau voor Archeologie, Rapportnr. 1286)

5.9.1 Archeologisch Bureau- en inventariserend veldonderzoek Vanwege de hoge archeologische verwachting is door Bureau voor Archeologie een bureauonderzoek in combinatie met een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Bureau voor Archeologie; rapportnr. 1286; Onderzoeksmeldingsnummer ISSN 2214-6687; d.d 2 november 2023). Dit onderzoek is als Bijlage 17 bij deze Toelichting.

Resultaten bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied op de noordflank van een rivierduin ligt. Onder de rivierduinafzettingen liggen Pleistocene afzettingen (Formatie van Kreftenheye en Laag van Wijchen). In de top van de rivierduinafzettingen heeft zich waarschijnlijk een podzolprofiel gevormd. Hierop ligt vermoedelijk een humeus (plaggen)dek en een ophogingspakket.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

65

Sinds het ontstaan van de rivierduinen in het Laat Paleolithicum is het gebied geschikt voor bewoning. In en rondom Wijchen en het plangebied zijn vindplaatsen bekend uit de Bronstijd tot en met de Middeleeuwen en zijn vondsten gedaan die op zijn vroegst dateren uit de prehistorie. Aan het begin vande 19e eeuw is bebouwing aanwezig in het plangebied. Mogelijk heeft deze bebouwing middeleeuwse voorlopers, mede gezien de aanwezigheid van het aangrenzende kasteelterrein waar al bebouwing heeft gestaan in de 14e eeuw. De 19e eeuwse bebouwing wordt rond 1900 gesloopt. De oudste huidige bebouwing dateert uit 1937 en 1938.

Archeologische verwachting Tijdens het booronderzoek zijn vijf boringen gezet met einddieptes tussen 320 en 450 cm -mv. Hieruit blijkt dat de bodem bestaat uit rivierduinafzettingen op rivierafzettingen (de Laag van Wijchen) en Pleistocene beddingafzettingen. Aanbevolen wordt om eventuele archeologisch resten op te sporen (kartering) en daarna te waarderen. Rondom boorpunten 2, 3 en 4 betreft dit de resten in de top van rivierduinafzettingen en de eventuele resten van historische erven. Bij boorpunten 1 en 5 betreft het resten uit het Paleolithicum op de overgang van de rivierduinafzettingen naar de Laag van Wijchen. Archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen in de top van de rivierduinafzettingen zullen zich voornamelijk manifesteren als een sporenniveau. Dit geldt tevens voor de resten van historische erven uit de Nieuwe tijd. De meest geschikte methode voor het karteren en waarderen van dergelijke resten is een proefsleuvenonderzoek. Omdat de zone gedeeltelijk bebouwd is, wordt aanbevolen om het onderzoek uit te voeren na de sloop van de huidige bebouwing. Archeologische resten uit het Paleolithicum zullen zich voornamelijk manifesteren als een strooiing van artefacten. Dergelijke resten zijn op te sporen door middel van een karterend booronderzoek of proefputten.

Gezien de diepteligging van het niveau wordt aanbevolen eerst een karterend booronderzoek uit te voeren. Mogelijk is dit niveau ook onder de bebouwing nog intact, dus dienen de boringen na de sloop van de huidige bebouwing uitgevoerd te worden in de groen gearceerde zone in onderstaand figuur. Het waarderen van eventuele archeologische resten in dit niveau zou daarna met proefputten moeten worden gedaan.

Advies In het midden, noorden en oosten van het plangebied kunnen nog archeologische resten van historische erven en resten in de top van rivierduinafzettingen aanwezig zijn. Door de beoogde ingrepen kunnen eventuele archeologische resten vergraven worden. Bureau voor Archeologie adviseert om in deze zones een proefsleuvenonderzoek uit te voeren met het doel eventuele archeologische resten te karteren en te waarderen, zoals weergegeven in onderstaand figuur.

66

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

Figuur: Verwachtingen en advieskaart op basis van het bureau- en veldonderzoek (Bureau voor Archeologie, Rapportnr. 1286) De werkwijze van het proefsleuvenonderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). In het zuiden en oosten van het plangebied kunnen archeologische resten uit het Paleolithicum aanwezig zijn op de overgang van de rivierduinafzettingen naar de Laag van Wijchen, zoals weergegeven in bovenstaande figuur. Bureau voor Archeologie adviseert om in deze zone na de sloop van de huidige bebouwing een

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

67

karterend booronderzoek uit te voeren met het doel eventuele archeologische resten te karteren. 5.9.2 Selectieadvies Onderzoeksbureau Door Bureau voor Archeologie wordt aanbevolen om eventuele archeologisch resten op te sporen (kartering) en daarna te waarderen. Proefsleuvenonderzoek Archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen in de top van de rivierduinafzettingen zullen zich voornamelijk manifesteren als een sporenniveau. Dit geldt tevens voor de resten van historische erven uit de Nieuwe tijd. De meest geschikte methode voor het karteren en waarderen van dergelijke resten is een proefsleuvenonderzoek in de rode zone in figuur 30. Omdat deze zone gedeeltelijk bebouwd is, wordt aanbevolen om het onderzoek uit te voeren na de sloop van de huidige bebouwing. Karterend booronderzoek Archeologische resten uit het Paleolithicum zullen zich voornamelijk manifesteren als een strooiing van artefacten. Dergelijke resten zijn op te sporen door middel van een karterend booronderzoek of proefputten. Gezien de diepteligging van het niveau wordt aanbevolen eerst een karterend booronderzoek uit te voeren. Mogelijk is dit niveau ook onder de bebouwing nog intact, dus dienen de boringen na de sloop van de huidige bebouwing uitgevoerd te worden in de groen gearceerde zone in bovenstaand figuur.

Het waarderen van eventuele archeologische resten in dit niveau zou daarna met proefputten moeten worden gedaan. 5.9.3 Selectiebesluit Gemeente Wijchen Aan de hand van het bureau- en inventariserend veldonderzoek is er een selectieadvies afgegeven. Het bovenstaande selectieadvies van Bureau voor Archeologie wordt overgenomen door het bevoegd gezag de gemeente Wijchen. Dit betekent het volgende: Er is een proefsleuvenonderzoek nodig in de rode zone op bovenstaande advieskaart uit het archeologisch rapport. Dit moet gebeuren na de sloop van de bestaande bebouwing. De bestaande bebouwing moet in verband hiermee zonder extra bodemverstoringen worden uitgevoerd. In de groen gearceerde zone zijn karterende boringen nodig om het diepste potentiële archeologische niveau in kaart te brengen en proefputten om eventuele archeologische resten te waarderen. Deze onderzoeken moeten gezamenlijk een rapport opleveren waaruit de archeologische waardering van het plangebied blijkt. Als blijkt dat er sprake is van behoudenswaardige archeologische vindplaats(en), dan is vervolgonderzoek nodig (archeologische opgraving).

5.9.4 Conclusie & Aanpak aanvullend onderzoek in het kader van de herontwikkeling Na de sloop van de huidige bebouwing dienten er karterende boringen en onderzoek in de vorm proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd op basis van de advieskaart uit het archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek. De werkwijze van het proefsleuvenonderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Doordat dit pas na de sloop kan gebeuren heeft het selectieadvies geen invloed op de bestemmingsplanprodure. Wel wordt de verplichting opgenomen om het bovenstaande besluit op de volgen. Het aspect archeologie is zodoende afgesloten tot na de vaststelling en begin van de herontwikkeling.

68

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

5.10

Cultuurhistorie

Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft de gemeente Wijchen besloten om samen met de gemeenten Beuningen, Druten en Heumen een beleidsnota cultuurhistorie op te stellen. Deze beleidsnota is de planologische borging van cultuurhistorische waarden binnen de Gemeente Wijchen in de vorm van het 'Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen'. Dit parapluplan voegt een dubbelbestemming toe aan het vigerend bestemmingsplan: 'Waarde Cultuurhistorisch waardevol gebied'. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Wijchen is het plangebied aangeduid met een middelmatige tot hoge cultuurhistorische waarde. In een gebied van middelhoge stedenbouwkundige waarde is dat verband in potentie aanwezig of nog herkenbaar maar aangetast. Het zijn gebieden met een gemiddelde cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit in de samenhang tussen bebouwing, openbare ruimte en beplanting, en/of enige relatie met de historische en landschappelijke hoofdstructuren.

Figuur: Uitsnede cultuurlandschappelijke waardering (Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen)

Het centrum van Wijchen en het beschermd dorpsgezicht vormen een interessant en belangrijk gebied. Om deze reden is er door Pouderoyen Tonnaer al in de voorbereidsfase van het project een Cultuurhistorisch

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

69

onderzoek uitvoerd (projectnummer P204641, d.d. oktober 2021, Bijlage 19). De Resultaten, conclusies en aanbevelingen van dit onderzoek zijn hier onderzoek weergegeven. Resultaten Algemeen Het centrum van Wijchen en het beschermd dorpsgezicht vormen een interessant en belangrijk gebied. Het oorspronkelijke historische dorpscentrum langs de twee hoofdaders gelegen nabij het Wijchens meer hebben invloed op het dorpse karakter dat in grote delen van Wijchen terug te vinden is. Voor dorpsbewoners heeft het centrum een speciale betekenis, niet alleen de winkelstraten en horeca zijn hier te vinden, ook de cultuurhistorie van Wijchen met het Kasteel, de molen en de omliggende straten is hier terug te vinden. Het dorp is vanuit de kern aan de Markt en het Kasteel uitgegroeid tot wat het nu is, een waardevol gebied dat zich onderscheid ten opzichte van de omliggende gebieden. Het bouwkundig oog ziet in de huidige dorpskern nog steeds de restanten terug van de oorspronkelijke structuren. De aanwezigheid van oude karakteristieke bebouwing en openbare ruimte met verwijzingen naar vroegere tijden zorgt voor een interessante cultuur binnen de dorpskern. Het historische dorpsweefsel is terug te vinden in de korrelgrote, fijnmazigheid en materiaalgebruik terwijl de 20e -eeuwse ontwikkeling Wijchen wel een nieuw gedaante heeft gegeven.

De drie periodes waaruit Wijchen is opgebouwd, van agrarisch dorp, tot fabrieksdorp naar de naoorlogse ontwikkeling weven naadloos in elkaar over en vormen het geheel van tegenwoordig. Door middel van de Toelichting beschermd dorpsgezicht is in 2009 een goede stap gezet voor het handhaven van het cultureel materieel erfgoed, want het is van grote waarde voor Wijchen om deze structuren in stand te houden. Waardering van stedenbouwkundige inpassing Dat gezegd hebbende, is voor het dubbelpand Spoorstraat 57 Herenstraat 42 geconstateerd dat de relatie en verankering binnen het beschermd dorpsgezicht nauwelijks terug te vinden is. Het gebouw is in haar bouwvorm, ruimtelijke functie en als entree van het winkelgebied van Wijchen een markant element in de route naar het dorpscentrum. Tegelijkertijd vormt het pand een op zichzelf staand element zonder een context van bebouwing met een historische betekenis. Bovendien zorgt de afscheiding van het dorpsgezicht door het kasteel met dichte bebossing ervoor dat een sterke relatie met de verdere bebouwing in dit deel van Wijchen achtergesteld is geraakt. Wij vinden dan ook nader beschouwd de gekozen begrenzing van het dorpsgezicht ter plaatse niet logisch; het bestaande gebouw maakt deel uit van bebouwingswanden langs straten waarvan het wegbeloop en de rooilijnen historische betekenis hebben, maar de bebouwingsstructuur niet.

De belangrijkste functie van het gebouw is dat het onderdeel dat het uitmaakt van de gevelwanden langs routes van noord naar zuid over de Herenstraat vanaf de Stationslaan en van oost naar west over de Spoorstraat langs het de kasteeltuin. Het gebouw staat hierbij meer in het zicht als waardig visueel eindpunt dan als hoogwaardig historisch gebouw. Waar de waarde beter is terug te vinden in de aanliggende openbare ruimte, het wegbeloop de rooilijnen daarbij en het contrast met het kasteelpark. De routes langs en tussen de bomenlanen door bieden een aantrekkelijke entree van het winkelgebied en de zichtlijnen naar het kasteel toe zorgen voor een interessant punt om het dorp te verkennen. Waardering van architectonisch beeld ten opzichte van de bebouwde omgeving Net zoals het ontbreken van een voormalige relatie met het beschermd dorpsgezicht kan dit ook gezegd worden over de relatie met de bebouwde omgeving. De naastgelegen bebouwing van Bristol en Jumbo zorgen ervoor dat de potentie van de noordelijke entree in enige mate wordt verzwakt, met name de achterkantarchitectuur zorgt voor onaantrekkelijke gevels op een locatie waar je dit niet zou verwachten. Hetzelfde gebeurd door de achterkant van de Bristol, waar de relatie van het hoekpand met de woningen Herenstraat 26 tot 32 wordt onderbroken door witte achterkantarchitectuur.

Een betere samenhang binnen de verschillende gebouwen zou een sterkere stedenbouwkundige structuur kunnen bieden binnen het straatbeeld van de Herenstraat. In de huidige situatie is het gebouw samen met vergelijkbare panden in haar omgeving niet meer dan een laatste overblijfsel uit de vooroorlogse geschiedenis, verdere stedenbouwkundige historische verwantschap is in de bebouwde omgeving niet meer afleesbaar.

70

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

Advisering Uit de conclusie blijkt dat de huidige stedenbouwkundige omgeving van het plangebied zodanig is veranderd (in met name de 20e eeuw) dat de sterke historische stedenbouwkundige relatie met de omgeving en de gebieden benoemd in de beschermde dorpskern is afgezwakt. De drie tijdsperiodes die het dorp Wijchen hebben gemaakt tot wat het is hebben gezorgd voor afbrokkeling van de oorspronkelijke samenhang. Het advies om bij nieuwe ontwikkelingen op de locatie van het plangebied terug te verwijzen naar het verleden zal hierbij lastig uit te leggen zijn en zal ook redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn in deze schil rond het centrum. Door de voornaamste functie als entree van het winkelgebied over de Spoorstraat en de recent aangelegde brug naar het kasteelterrein is het aannemelijker om de focus van nieuwe ontwikkeling te leggen op deze routes, dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op de oriëntatie en relatie met het dorpscentrum. Kijkend naar de aanvulling op de routes naar het zuidoosten lijkt het logisch om op de locatie een ondersteunde en begeleidende rol te kiezen voor bebouwing (bestaand of nieuw) met een juiste inpassing in de ruimtelijke setting in dit deel van Wijchen.

Hieruit kan worden geadviseerd om: Spoorstraat 57 en Herenstraat 42 te behouden dan wel nieuwbouw te plegen waarbij historisch bepaald wegbeloop, rooilijnen en het realiseren van meer samenhangende gevelreeksen ter versterking van de aanlooproute naar het centrum vereist zijn. Tegelijkertijd is behoud van de asymmetrische wegopzet met enerzijds kasteelpark en anderzijds de bebouwingsreeks van belang, waarbij panden naar het kasteelpark en de weg worden gericht. Het Bristol gebouw, en met name de achterkantarchitectuur aan de Herenstraat, te amoveren. De oriëntatie onderdeel te maken van de hoek waarin het pand zich bevindt, het pand heeft een begeleidende rol en het is aan te raden dit voor alle langslopende routes in stand te houden. De korrelgrootte te laten aansluiten op het dorpscentrum. Een waardige relatie te bieden met het kasteelterrein en tegelijkertijd eventuele vervangende nieuwbouw een betere samenhang te geven met omliggende bebouwing als deel van een bebouwingsreeks. Eventuele nieuwbouw ondergeschikt te maken aan het kasteel en het kasteelterrein. Conclusie De betekenis van de bebouwing Spoorstraat 57 en Herenstraat 42, bezien vanuit de historische stedenbouwkundige beoordeling, is beperkt tot het element op zich, als zijnde een laatste element met historische betekenis in een verder meer recent getransformeerd bouwblok.

Het stratenbeloop, de rooilijntoepassingen en de relatie met het kasteelpark zijn behoudenswaardig en te respecteren. Het gebouw draagt verder niet bij aan de historische stedenbouwkundige context. De betekenis is wat dat betreft nihil vanuit stedenbouwkundig oogpunt, omdat een historische bebouwingsstructuur verwijzend naar het verleden, niet realistisch is en niet terug kan komen in deze omgeving. Vanuit dat oogpunt is behoud van de huidige bebouwing ook niet vereist en is sloop en vervangende bebouwing aanvaardbaar, zolang rooilijnen, wegbeloop en zichtrelatie met het park (park – en straatgerichte voorgevels) worden gerealiseerd. De structuur van de huidige wijk wordt hiermee niet aangetast en het voornemen wordt zorgvuldig ingepast in het wijkbeeld zonder historische waarden aan te tasten.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

71

Figuur: Omgeving van het plangebied in de loop van de jaren (linksboven 1880, rechtsboven 1940, linksonder 1980, rechtsonder 2020, bron: TopoTijdreis) De locatie van het plangebied heeft al in 1880 onderdeel uitgemaakt van de bebouwde kom in het centrum naar het kasteel. De topografische kaarten laten zien dat het plangebied teruggaand tot 1880 bebouwd is geweest. Het centrum heeft zoals hierboven omschreven door de loop der jaren een gedaantewisseling ondergaan. Hierbij zijn gebouwen gesloopt en herbouwd en mee gegroeid met de tijd. Met het planvoornemen worden panden gesloopt om weer aan te sluiten bij de huidige vraag. Hiermee wordt meer aangesloten op de huidige tijd en de benodigde woningvoorraad in de centrumomgeving van Wijchen. Hiermee kan worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen oplevert voor het planvoornemen.

5.11

Molenbiotoop

Het plangebied ligt binnen de molenbiotoop van de Wijchense Molen. De Wijchense Molen is gebouwd in 1799 in opdracht van de kasteelheer van het Kasteel van Wijchen. De molen wordt nog steeds gebruikt als korenmolen. In het vigerend bestemmingsplan 'Centrum Wijchen 2013' is ter bescherming van de molenbiotoop de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' opgenomen.

72

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

Figuur: De Wijchense Molen Ter plaatse van de vrijwaringszones gelden, aanvullend op de voor deze gronden aangegeven bestemmingen, nadere regels voor het beschermen van de functie van de molen als werktuig en van de waarde als landschapsbepalend element. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de biotoop van de molen.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

73

Figuur: Ligging molenbiotoop en molen ten opzichte van het plangebied De aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' is overgenomen in het bestemmingsplan 'Tussen Kasteel en Wijchens Meer'. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' gelden voorwaarden voor nieuwe bebouwing. In één van de uitwerkingsregels is opgenomen dat bij uitwerking een maximale bouwhoogte moet worden gehanteerd, die op de verbeelding is opgenomen als maatvoering. Bij het bepalen van deze maximale bouwhoogte is vooraf beschouwd of de molenbiotoop wordt gerespecteerd. Voor het bepalen van de bouwhoogtes binnen een molenbiotoop worden binnen de Gelderse Molenverordening, afhankelijk van de afstand tot de molen, verschillende criteria gehanteerd. Er gelden drie categorieën op basis van de afstand tot de molen.

I. Afstand: 0-100 meter Op een afstand van 100 meter vanaf de molen en het gebied binnen een straal van 100 meter vanaf de molen mag de hoogte van objecten niet meer bedragen dan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek.

74

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

Figuur: Visuele weergave van de normen

II. Afstand: 100 tot 400 meter Vanaf een afstand van 100 meter vanaf het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht of mag geen beplanting aanwezig zijn met een hoogte die meer bedraagt dan een bepaalde maximale hoogte (= Hx). Deze hoogte komt tot stand op basis van de volgende formule: Hx = (X/ N + C * Z) + peilverschil. Bij deze formule geldt het volgende: H(x) = maximaal toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (m); x = afstand van een obstakel tot de molen (m); n = een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie; c = een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie; Z = askophoogte (in meters) = ((Lengte gevlucht/ 2) + (stelling- of belthoogte)). Voor de stelling- of belthoogte geldt dat het maaiveldniveau van de toegangsdeur maatgevend is. Dat is in dit geval onderkant belt.

III. Afstand: Groter dan 400 meter Bij een afstand boven de 400 meter wordt de molenbiotoop losgelaten

5.11.1 Motivering van de bouwhoogte Voor dit planvoornemen geldt dat de oostelijke perceelsgrens zich op 280 meter en de westelijke perceelsgrens op circa 300 meter van de molen bevindt. Binnen een afstand van 100 tot 400 meter van de molen moet de bouwhoogte worden bepaald met behulp van de molenbiotoopformule. In de ontwerpfase van het voorliggende plan heeft de provincie Gelderland vastgesteld dat het bouwplan hoger is dan de toegestane maximale bouwhoogte volgens de biotoopformule. Daarom is een nadere onderbouwing gevraagd. Peutz B.V. heeft om deze reden een onderzoek uitgevoerd (Referentie: OO/JGZ//17189-2-NO-002, d.d. 6 november 2024) om de invloed van het bouwplan op de windvang van de Wijchense Molen te bepalen. Aan de hand van een berekening met statistische windgegevens en een aanvullende kwalitatieve beschouwing is het effect van het plan op de windvang van de molen inzichtelijk gemaakt. De volledige notitie is toegevoegd als Bijlage 21 Bepaling invloed op windvang Wijchense Molen bij deze toelichting. De bevindingen op basis van het onderzoek zijn hieronder opgenomen.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

75

De situatie De planlocatie ligt 290 meter ten west-zuidwesten van de molen. De geplande bouw heeft een hoogte van 18,3 meter, terwijl de bomen tussen de locatie en de molen ongeveer 25 meter hoog zijn. Het plan is hoger dan de omgevingsbebouwing, maar lager dan de bomen. In het onderstaande hoogteprofiel is te zien dat de impact van de geplande bebouwing op de windaanvoer van de molen minimaal is, aangezien bestaande bomen al verstoringen veroorzaken.

Figuur: Hoogteprofiel volgens de AHN, hoogtes t.o.v. NAP Het windklimaat Voor de beschouwing van het windklimaat op de locatie van de molen wordt gebruikgemaakt van een windstatistiek volgens de NPR 6097:2006 "Toepassing van de statistiek van de uurgemiddelde windsnelheden voor Nederland". Met behulp van de bijbehorende software wordt voor de specifieke locatie een windstatistiek berekend op basis van meteogegevens van verschillende meteostations en gegevens over terreinruwheden tot 6 km afstand van de molen. De terreinruwheden van het omliggende gebied worden per categorie weergegeven, waarbij de kleur de terreinruwheid aanduidt. Rood staat bijvoorbeeld voor de locatie aan de Spoorstraat voor 'Stedelijk bebouwd gebied'. De windroos in de notitie is gebaseerd op de met de NPR 6097 berekende windstatistiek op 60 meter hoogte boven de molen. In de windroos wordt de kans op wind uit een bepaalde richting weergegeven, evenals de verdeling van windsnelheden binnen de betreffende richtingen. Hieruit blijkt onder meer dat de wind bij de molen relatief vaak uit het zuidwesten komt. De planlocatie bevindt zich in de westzuidwestelijke windsector, waar hogere windsnelheden minder vaak optreden. Deze gegevens beïnvloeden de beoordeling van de windaanvoer.

Bepaling Windaanvoer Op basis van de windstatistiek is het potentieel voor windaanvoer bij de molen in de sector van de geplande bebouwing berekend. De molen functioneert bij windsnelheden tussen 5 m/s en 15 m/s op een hoogte van 30 meter. Het windaanbod uit de sector van de geplande bebouwing kan de molen slechts 3,4% van de tijd beïnvloeden. In de onderstaande figuur is de hoeksector weergegeven waarin de geplande bebouwing een belemmering voor de windaanvoer kan veroorzaken.

76

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

Figuur: Overzicht windaanbod bij de molen Impact op de molen De geplande bebouwing blokkeert de wind uit de sector 245°-260°, wat 7% van de tijd voorkomt. Van deze tijd valt 47% binnen het bruikbare windsnelheidsbereik van de molen, wat neerkomt op 3,4% van het jaar (ongeveer 299 uur). De rest van de tijd komt de wind uit andere richtingen of is te zwak. In totaal kan de molen 35,1% van de tijd bruikbare wind benutten, waarvan 9,7% uit de richting van het bouwplan komt. 5.11.2 Conclusie De invloed van de geplande bebouwing op het windaanbod voor de molen is minimaal. In de praktijk zal dit geen merkbaar verschil opleveren in vergelijking met de huidige situatie, vooral omdat de grote bomen tussen de molen en het bouwplan al aanzienlijke verstoringen veroorzaken. Daarmee voldoen de uitwerkingsregels aan de molenbiotoop, en is het belang van de molen als werktuig en de waarde van de molen als landschapsbepalend element gewaarborgd. Op basis van het bovenstaande heeft het planvoornemen geen negatieve invloed op de molenbiotoop en vormt de 'molenbiotoop' geen belemmering voor het voorliggende bestemmingplan.

5.12

Trillingshinder

Voor het aspect trillingen wordt teruggegrepen op een onderzoek van Peutz ten behoeve van bestemmingsplan CPO Duurzaam Wonsick Wijchen (Peutz b.v., rapportnummer H-7525-3-RA, d.d. 2 oktober 2020, Bijlage 20). Dit plan bevindt zich op ca. 1 kilometer van het planvoornemen langs dezelfde spoorweg. Net als deze locatie is de locatie aan de Sleedoornweg/ Kelvinstraat te Wijchen gelegen binnen een afstand van 100 meter van de spoorlijn Nijmegen-Wijchen. Op deze afstand is er een verhoogde kans op trillingshinder in het plangebied. Het onderzoek van Peutz b.v. voor de locatie aan de Sleedoornweg/ Klevinstraat op ca. 1 kilometer van het plangebied aan de Spoorstraat/ Herenstraat geeft een beoordeling van de verwachte trillingen in de woningen. Door Peutz zijn in de periode 6 t/m 14 augustus 2020 metingen in de bodem van het plangebied verricht ter hoogte van de woningen die het dichtst bij de spoorlijn zijn geprojecteerd. Op basis van de verrichte metingen kan worden geconcludeerd dat de, in het kader van trillingshinder, in woningen na te streven waarden voor nieuwe situaties (herhaald voorkomende trillingen) kunnen worden overschreden.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

77

De nieuwbouwlocatie van het bestemmingsplan CPO Wonsick was net als het planvoornemen aan de Spoorstraat/ Herenstraat gelegen in de kern van Wijchen en sluit aan op bestaande bebouwing en vult een bestaande reeds bebouwde ruimte op. De spoorlijn gaat dwars door de kern van Wijchen en dat betekent dat er veel bestaande woningen zijn die veel dichter bij de spoorlijn zijn gelegen dan deze nieuwbouwlocatie. Volgens het onderzoek van Peutz wordt op de nieuwbouwlocatie voldaan aan de normen die gelden in bestaande situaties. Door bij het ontwerp van de woningen rekening te houden met de mogelijkheid dat er trillingen optreden, kan trillingshinder door treffen van technische maatregelen worden voorkomen. Er is, gezien de conclusie dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is en met technische maatregelen bij de uitvoering van de bouw een goed woon- en leefklimaat geborgd kunnen worden, geen aanleiding om hiervoor aanvullende bepalingen op te nemen in de bestemmingsplanregels.

5.13

Leidingen

Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen die een planologische bescherming genieten (zie paragraaf 5.3). Er is dus op dat gebied geen sprake van (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden. Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.14

Water

Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). 5.14.1 Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. Voor dit bestemmingsplan is een digitale watertoets uitgevoerd, de resultaten hiervan zijn bijgevoegd als Bijlage 22 bij deze toelichting. Uit deze toets blijkt dat er een korte procedure gevolgd dient te worden. De gemeente doet dit in het regulier overleg met het waterschap. Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap.

Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. In deze fase van de planvorming (bestemmingsplan) kan volgens het waterschap worden volstaan met dit automatisch gegeneerd wateradvies. Een aanvraagformulier is vanwege het geringe waterschapsbelang in dit geval niet nodig. 5.14.2 Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en –opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. In de waterparagraaf is tevens het advies van de waterbeheerder verwerkt.

78

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

5.14.2.1 Beschrijvingwatersysteem Het plangebied is gelegen in het centrum van de kern Wijchen. Het maaiveld varieert qua hoogte, maar ligt tussen NAP +8,0 m tot NAP +8,8 m. Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie is hiermee gelegen op circa NAP +8,4 m. De regionale bodemopbouw en de geohydrologische situatie in het gebied van de onderzoekslocatie zijn samengevat in onderstaande tabel.

Figuur: Schematische voorstelling van de (hydro)geologische situatie (DINOloket, boring B45F0082) Het freatisch grondwater in de omgeving van de onderzoekslocatie heeft een niveau van circa NAP +5,7 m. Het grondwater stroomt, indien het niet wordt beïnvloed door lokale factoren zoals ligging van sloten,putten, de aanwezigheid van zandlichamen voor kabels en leidingen of funderingen e.d., in westelijke richting, waarbij mogelijk invloed van de Maas kan worden verwacht. Doordat de locatie zijn in de bebouwde centrumomgeving van Wijchen bevindt is de originele bodemsoort geroerd. Op basis van bodemkaarten blijkt dat de gronden rondom het centrum van Wijchen voornamelijk bestaan uit grof zand. Uit de beoordeling van globale bodemeigenschappen per te onderscheiden bodemlaag van een bemonstering binnen de locatie valt ook op dat de grond voornamelijk als zandig omschreven kan worden.

Figuur: globale bodemopbouw plangebied Het plangebied ligt in het peilvak CIT008. De grondwaterstand, gemeten met behulp van een peilbuis, bedraagt 2,70 m-mv. Dit komt neer op circa NAP +5,7 m (Bron: bodemonderzoek Bijlage 8). In of nabij het plangebied zijn geen A-, B, of C-watergangen gelegen. Op circa 120 meter ter noorden van het plangebied ligt een B-watergang langs het spoor. Op circa 400 meter van het plangebied bevindt zich het Wijchens Meer dat gekenmerkt is al A-watergang. In de huidige situatie wordt het afvalwater en hemelwater afgevoerd naar de gemende riolering in de Herenstraat en de Spoorstraat. Op basis van Streetsmart (Cyclomedia) lijkt in de omliggende straten enkel een gemengd rioolstelsel aanwezig. 5.14.2.2 Waterbeleid en waterbeheer Gemeentelijk waterbeleid

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

79

Het gemeentelijk waterbeleid is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn thema's en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven. Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater Een perceeleigenaar moet het huishoudelijk afvalwater of het bedrijfsafvalwater op de openbare riolering lozen (Besluit lozing afvalwater huishoudens art. 7 en 10 en Activiteitenbesluit art. 2.1 en 2.2). Als dit niet mogelijk (doelmatig) is, zorgt de perceeleigenaar voor een zo milieuvriendelijk mogelijke manier van verwerking of verwijdering van het afvalwater. De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wm art 10.33). Zorgplicht hemelwater Een perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein of voor het eventueel lozen van hemelwater op oppervlaktewater. Als dit niet mogelijk is zorgt de gemeente voor het inzamelen, transporteren en verwerken van het hemelwater, mits doelmatig (Waterwet art. 3.5).

Zorgplicht grondwater Een perceeleigenaren is zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. Als dit niet mogelijk is treft de gemeente maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6). Zorgplicht oppervlaktewater (Waterschap) De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Voor lozing op oppervlaktewater (A-, B- en C-water) heeft de perceeleigenaar een vergunning van het waterschap nodig (Waterwet art. 6.2). Een perceeleigenaar (of aanliggende perceeleigenaar) is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van oppervlaktewater (B- en C-water volgens de legger van het waterschap) dat op eigen terrein ligt. Het waterschap draagt zorg voor het onderhoud van A-watergangen. Voor ingrepen of activiteiten in of nabij watergangen danwel in of nabij een waterkering heeft een perceeleigenaar een Keur-ontheffing van het waterschap nodig. 5.14.2.3 Leefomgeving en ruimtegebruik Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa.

De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening is gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven zijn gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, welzijn, volkshuisvesting, verkeer/vervoer en energie. Gevolgen van/ voor het plan Ondanks de hoge bebouwings- en verhardingsdichtheid, door de ligging in het stedelijk centrumgebied, is het toch mogelijk geweest om binnen het plangebied ruimte te vinden het hemelwater op het eigen terrein te verwerken (bergen en infiltreren). Hierdoor wordt het grondwater aangevuld, wordt geen onnodig schoon water naar de afvalwaterzuivering getransporteerd en wordt de openbare riolering minder zwaar belast. Het plan levert aldus een positieve bijdrage aan de waterhuishoudkundige situatie.

80

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

5.14.2.4 Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde kwaliteitseisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater wordt voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater alleen lozen via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater moet zo mogelijk verbeterd worden door de aanleg van natuurvriendelijke oevers en een verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden moeten behouden worden of verder ontwikkeld worden door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij zijn water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt. Waterstromen zichtbaar (bovengronds) afvoeren.

Gevolgen van/ voor het plan Verontreiniging van hemelwater afkomstig van het dak wordt primair voorkomen door toepassing van niet-uitlogende materialen, zoals omschreven in de Dubo-bepalingen, maar ook door beperking van de toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Hierdoor wordt vervuiling van oppervlaktewater voorkomen. Er worden geen waterpartijen aangelegd of aangepast. Voor de afvoer van afvalwater wordt gebruik gemaakt van de bestaande aansluitingen op het openbare rioolsysteem. Uitgaande van een toename van 51 appartementen, met een gemiddelde bezetting van 2,5 personen die gedurende 10 uur 12 l/ uur per inwoner aanbieden, bedraagt de hoeveelheid vuilwater die aangeboden wordt vanuit het plangebied: Toekomstige afvoer VWA: 51 x 2,5 x 12 l/uur = 1.530 l/uur = 1,53 m³/uur = 0,42 l/s. Het vuilwater van het plangebied dient aangesloten te worden op de gemeentelijke riolering. Of de bestaande aansluiting daarvoor geschikt is, wordt bij de aanvraag Omgevingsvergunning nader bepaald. Voor de waterhuishouding en daarmee het bestemmingsplan heeft dit verder geen (negatieve) gevolgen. De belevingswaarde van water is hier niet relevant, omdat water bewust geen onderdeel uitmaakt van de openbare of onbebouwde private ruimte. Daarnaast is de watervoorziening, in het kader van dubbel ruimtegebruik, bewust als ondergrondse infiltratievoorziening onder de bebouwing aangebracht.

5.14.2.5 Klimaatadaptatie Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving, anticiperend op hevigere perioden met hitte, neerslag en droogte. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Er moet gekomen worden tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing,

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

81

wegen, groen en water. Ook is het uitgangspunt dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Zorgdragen voor voldoende waterberging, tegen hemelwateroverlast en ter buffering van water in droge tijden (zie ook waterberging). Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. Grondwateronttrekking (verdroging) beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Verder bij de ruimtelijke ontwikkeling rekening houden met de droogtegevoeligheid van de locatie en mogelijke bodemdaling die daardoor kan ontstaan. Gevolgen van/ voor het plan De gemeente Wijchen heeft in 2021 een maaiveldanalyse (stresstest) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de directe omgeving van het plangebied gevoelig is voor water op straat bij extreme neerslag. Bij een bui van 70 mm kan er behoorlijk wat water op straat komen te staan. Op basis van onderstaande uitsnede kan worden geconcludeerd dat er aandacht besteed moet worden aan de gevoeligheid van het plangebied bij extreme neerslag.

Figuur: Uitsnede maaiveldanalyse ter plaatse van het plangebied

Om de gevolgen van klimaatbuien en de bestendigheid van het plan hiertegen in kaart te brengen, is door Buro BOOT een notitie mini-stresstest - water over maaiveld (rapportnr. P22-1290-001; d.d. 12 februari 2024; Bijlage 24) uitgevoerd. De mini-stresstest richt zich op het hemelwater over het maaiveld bij een extreme bui. Met deze analyse wordt gekeken naar de kwetsbaarheid van het plangebied bij een extreme situatie. Aan de

82

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

hand van de stresstest kunnen eventueel maatregelen worden getroffen om toestromend hemelwater uit omringend gebied tegen te houden voordat het voor overlast kan zorgen binnen het plangebied. Op basis van de stresstest wordt geconcludeerd dat bij de gebruikte neerslagsituatie (70 mm in 1 uur), de aangehouden toekomstige maaiveldhoogtes en een volledig gevuld rioolstelsel er oppervlakkig geen water vanaf de Spoorstraat of de Herenstraat het plangebied instroomt. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat hemelwater dat valt binnen het plangebied, daarbinnen wordt verwerkt volgens de eisen van de gemeente. De hemelwatervoorzieningen op het particuliere terrein zijn ontworpen om een klimaatbui met T = 100 + 10% volledig te verwerken (bergen en infiltreren). De bouwpeilen zijn daarnaast zodanig bepaald dat bij een klimaatbui ook geen overtollige neerslag van de openbare ruimte naar het particuliere terrein (parkeerkelder) kan afstromen. In de modellering is rekening gehouden met een drempel ter hoogte van de inrit van de parkeergarage aan de Herenstraat, met een hoogte van NAP +8,45 m. Dit is 0,25 m hoger dan het huidige maaiveldniveau van de Herenstraat. Door de drempel bij de ingang van de parkeergarage wordt voldoende water tegengehouden om inundatie van de parkeergarage te voorkomen.

Tevens heeft het toekomstige maaiveldniveau aan de Spoorstraat voldoende hoogte om ook aan de oostzijde instromend hemelwater tegen te houden. Onderstaande figuur geeft de toekomstige situatie weer zoals deze is bij een extreme neerslagsituatie van 70mm in 1 uur en een volledig gevuld rioolstelsel.

Figuur: Toekomstig water op straat bij 70mm/ 1 uur en een gevuld rioolstelsel Doordat de hemelwatervoorzieningen een klimaatbui met T = 100 + 10% volledig kunnen verwerken en het bouwpeil en de drempel ter hoogte van de parkeergarage voldoende hoog zijn, is het plangebied bestand tegen de effecten van klimaatverandering, zoals wateroverlast. Wel wordt geadviseerd om tijdens de nadere planuitwerking rekening te houden met het instromende hemelwater vanuit het plangebied zelf naar de parkeergarage en om hier afdoende afvoerende maatregelen voor te treffen. 5.14.2.6 Waterberging Beleidsuitgangspunten

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

83

De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken zoveel mogelijk afkoppelen van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool. Compenseren van het verlies aan waterberging, indien hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater. De compensatieplicht (Keur waterschap) houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Dit met een eenmalige uitzondering van 500 m² (stedelijk gebied) en 1500 m² (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. De compensatieplicht geldt niet in individuele gevallen als op een afstand van 100 m of meer van het oppervlaktewater wordt geïnfiltreerd (beleidsregels Keur artikel 5.16 toetsingscriterium 2). Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd.

Gevolgen van/ voor het plan Buro BOOT is een rapportage met de titel 'Weging van het waterbelang' (P22-120-003; d.d. 5 september 2024; Bijlage 23 opgesteld. De belangrijkste zaken ten aanzien van de bergingsopgave worden hieronder samengevat. Voor verdere details wordt verwezen naar het volledige rapport van Buro BOOT (Bijlage 23). Ten aanzien van de waterberging concludeert het rapport dat het verhard oppervlak in het gebied 2.285 m² bedraagt. Op basis van de gestelde eisen geldt er een bergingsopgave van 70 mm (66,4 mm) per m² verhard oppervlak, wat neerkomt op een benodigde berging van 160 m³. Het plan voorziet in een bergings- en infiltratievoorziening met een inhoud van 163 m³, waarmee wordt voldaan aan de gestelde bergingseisen. 5.14.2.7 Gezondheid en veiligheid Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het watersysteem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico's voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico's van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan.

Voorts in het plan rekening houden met eventuele risico's van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling (verdroging) of –fluctuatie (zie ook Klimaatverandering). Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water). Gevolgen van/voor het plan Met het voornemen worden er grondgebonden woningen in de vorm van een appartementencomplex gerealiseerd. Het bouwpeil van alle gebouwen binnen het plangebied is gelegen op het maaiveld, behalve het appartementencomplex. Deze krijgt een verdiepte parkeerkelder. Vanuit het beleidsplan water en riolering van de gemeente Wijchen zijn er richtlijnen betreft het omgaan met water bij ontwikkelingen. Op basis hiervan dient voldoende ontwateringsdiepte aanwezig te zijn. De GHG binnen het plangebied ligt op circa NAP +5,7 m. Op basis van de ontwateringseisen dient het niveau van de

84

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

rijbaan naar minimaal circa NAP +6,4 m te gaan. Het maaiveld binnen het plangebied is gelegen op NAP +8,0 m à NAP +8,8 m. Met de huidige maaiveldhoogte wordt dus ruimschots aan de ontwateringsdiepte voldaan. De eerste woningen zijn ten opzichte van de straat licht opgehoogd en gelegen op ca. NAP +8,4 m. Gelet op wat gesteld is in 5.14.2.1 , kan hiermee voldaan worden aan de eisen voor ontwatering. 5.14.2.8 Overleg met de waterbeheerders Voor voorliggend plan dient er overleg plaats te vinden met de waterbeheerders, de gemeente Wijchen en het Waterschap Rivierenland. Op basis van een overleg met de gemeente Wijchen is er advies ingewonnen ten aanzien van het aspect 'Water'. Vanuit de gemeente zijn op basis van een eerste beoordeling een aantal adviespunten ontvangen. Deze zijn hieronder weergegeven. Er moet aandacht besteed worden aan de maaiveldanalyse van de gemeente. Hieruit blijkt dat het gebied gevoelig is voor overlast door hevige buien. Er dient aangetoond te worden dat het plan hier geen effect op heeft en dat mogelijk water op straat geen effect heeft op het plan. Er dient een indicatie gegeven te worden van hoe hoog de drempel voor de parkeergarage gaat worden om instromend water te voorkomen. Dit dient ook in de conclusie benoemd te worden, aangezien dit een belangrijk punt is om overlast te voorkomen.

Er dient in overleg met de gemeente gegaan te worden voor de verplichting om het hemelwater op het eigen particuliere terrein te verwerken. Formeel overleg met de Waterschap Rivierenland in het kader van de watertoets is volgens de nieuwe beleidslijn van het Waterschap verplicht indien toename verharding > 500 m² (stedelijk gebied) en >1500 m2 (landelijk gebied). Hierop volgt een wateradvies van de waterbeheerder. Het advies van de waterbeheerder dient in de waterparagraaf te worden opgenomen. In overige gevallen kan het ruimtelijke plan (i.c. waterparagraaf) ter kennisneming worden toegezonden aan het waterschap. Voor de voorliggende bestemmingsplanprocedure is een digitale watertoets uitgevoerd. Uitkomst de watertoets blijkt dat er een korte procedure gevolgd dient te worden. De gemeente doet dit in het regulier overleg met het waterschap. Aangezien met dit plan geen waterschapsbelangen worden geraakt, het plan van zeer geringe schaal is en voldoet aan de beleidsuitgangspunten van het waterschap evenals het ingewonnen advies van de gemeente, is na het doorlopen van de digitale watertoets geen aanvullend overleg gevoerd met het waterschap. Het waterschap acht dit in gevallen als deze ook niet nodig. 5.14.2.9 Conclusie Het aspect waterhuishouding levert geen belemmeringen op voor het voornemen, die onoplosbaar is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=6e8dd679-9816-4688-b1ac-f5be631f9f65