CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Spoorstraat-Herenstraat_Toelichting

Raad openbaar Wijchen 26 juni 2025, gemeente wijchenBij agendapunt: 147889 Beslisnota bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat Wijchen27.688 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

5.3

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

Door het planvoornemen zal het aantal aanwezige personen binnen het plangebied toenemen. Aangezien de planlocatie op korte afstand van de spoorlijn Den Bosch Diezebrug aansl. – Nijmegen is gesitueerd, zijn de externe veiligheidsrisico’s van deze spoorlijn nader onderzocht. Daarnaast is er een verantwoording van het

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

33

groepsrisico uitgevoerd. 5.3.1 Externe veiligheid Spoor Door Kragten is een onderzoek naar de veiligheidsrisico's van de spoortlijn uitgevoerd (Kragten, rapportnummer 20250428-POU038-RAP-RBM 3.0, d.d. 28 februari 2025, Bijlage 5). De belangrijkste kenmerken van de fN-curves zijn onderstaand samenvattend weergegeven.

Figuur: Samenvatting kenmerken fN-curves Uit de resultaten blijkt dat zowel vóór als na planrealisatie sprake is van een groepsrisico dat lager is dan de oriëntatiewaarde (OW), zelfs lager dan 0,1 * OW. Er is geen sprake van een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico. Op grond van de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Wijchen, ligt het plangebied binnen zone 2 van de spoorlijn. Voor kwetsbare gebouwen binnen deze zone geldt een zware verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. 5.3.2

Verantwoording groepsrisico

Door Kragten is er bovedien een verantwoording van het groepsrisico opgesteld (Kragten, rapportnummer 20250428-POU038-NOT-VGR 2.0, d.d. 28 april 2025). Deze is toegevoegd als Bijlage 6 bij deze toelichting. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een spoorlijn en een weg, waardoor conform het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) invulling gegeven moet worden aan de verantwoordingsplicht. In de Beleidsvisie wordt voor de verschillende verantwoordingniveau’s aangegeven hoe de invulling van deze verantwoording uitgewerkt dient te worden. Ter plaatse van het plangebied is er op basis van de beleidsvisie sprake van een zware verantwoordingsplicht. De bijbehorende verantwoordingsaspecten bij een zware verantwoording zijn weergegeven in de volgende tabel.

34

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

Figuur: Nadere specificatie verantwoording (bron: Beleidsvisie)

De algemene beschouwing van het plan is hieronder verder uitgewerkt. Personendichtheid binnen invloedsgebied Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een spoorlijn. Als gevolg van de ontwikkeling wijzigt de personendichtheid binnen het plangebied. In de huidige situatie zijn op de planlocatie een winkelfunctie, een sportfunctie en woningen aanwezig. Deze functies worden vervangen door woonfuncties. In de toekomstige situatie worden binnen de planlocatie 51 woningen gerealiseerd. Als gevolg van het planvoornemen neemt de personendichtheid af in de dagperiode, maar toe in de nachtperiode. Hoogte groepsrisico Uit de kwantitatieve berekeningen blijkt dat de hoogte van het groepsrisico van het spoor lager is dan deoriëntatiewaarde (OW), zelfs lager dan 0,1 * OW. Als gevolg van de planvorming heeft geen rekenkundigeinvloeds op de hoogte van het groepsrisico.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

35

Maatgevende scenario’s Als gevolg van vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en door buisleidingen dient binnen de planlocatie rekening gehouden te worden met verschillende scenario’s. BLEVE-scenario Een BLEVE is een afkorting voor “Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion” (kokende vloeistof-gasexpansieexplosie). Er bestaat een koude en een warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen. Bij een warme BLEVE explodeert de tank als gevolg van een brandhaard. Toxisch scenario Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tankwagon, of -container met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk. Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven. Noodzaak ruimtelijke ontwikkeling Het plan omvat de realisatie van woningen. Door de sloop van de bestaande woningen en bedrijvigheid, wordt de mogelijkheid gecreëerd om meer woningen op deze centrale locatie te realiseren. Aangezien binnen de gemeente Wijchen vraag is naar woningen, sluit dit aan bij deze woningbehoefte. Ruimtelijke veiligheidsmaatregelen Het plangebied valt geheel binnen het invloedsgebied van het spoor.

Het plaatsen van de bebouwing buiten het invloedsgebied van het spoor is dan ook geen optie. Aangetoond is dat de planvorming geen rekenkundige invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico waardoor zowel vóór als na de planvorming sprake is van een laag groepsrisico. Ruimtelijke veiligheidsmaatregelen zijn dan ook niet aan de orde. Bronmaatregelen Bronmaatregelen aan de spoorlijn zijn doorgevoerd in het kader van het Basisnet Spoor. Hierdoor is de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het spoortransport de afgelopen jaren gedaald. Object gerelateerde veiligheidsmaatregelen Het planvoornemen betreft de realisatie van een appartementengebouw. Het plan betreft vervangende nieuwbouw op een locatie die door bestaande bebouwing wordt afgeschermd van de spoorlijn. Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid De bestrijdbaarheid en beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland.

Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar zijn. Opgemerkt wordt dat de vaststelling van het bestemmingsplan geen invloed heeft op de bereikbaarheid en bluswatervoorziening ter plaatse van de risicobronnen. Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s

36

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men nodig heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar de plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Bestrijdbaarheid per scenario Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagon of -container meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Ten behoeve van het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen, -wagon of container tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Hiervoor dient voldoende bluswater nabij de risicobron aanwezig te zijn. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxische scenario niet relevant.

Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Doordat het plan vervangende nieuwbouw betreft, heeft de planvorming geen invloed op de bereikbaarheid van zowel de risicobronnen als het plangebied. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied zijn geen nieuwe functies voorzien die specifiek gericht zijn op minder zelfredzame personen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie op eigen kracht in veiligheid kunnen brengen danwel in veiligheid gebracht kunnen worden door valide personen. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen per scenario Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt. Bij een koude BLEVE op het spoor of weg, ter hoogte van het plangbied, is van zelfredzaamheid geen sprake, aangezien onmiddellijk onherstelbare schade zal ontstaan.

Aangezien het echter lijnbronnen betreft waar een incident zich overal kan voordoen, kan indien een incident verder weg plaatsvindt, wel sprake zijn van zelfredzaamheid. Indien een warme BLEVE dreigt ter hoogte van het plangebied, is de vluchttijd ook bijzonder kort. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de weg en de spoorlijn af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer lagere kans hebben te overlijden dan personen die zich bevinden in de buitenlucht (PGS3). Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg, het spoor en

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

37

het water is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kunnen worden gesloten. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden. Het onderhavige plan betreft een nieuwbouwplan waar hoge eisen aan de luchtdichtheid gesteld worden. Aanwezige luchtbehandelingsinstallaties moeten met één handeling zijn uit te schakelen. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. De toxische wolk kan van alle kanten komen, waardoor het nodig is dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Het gebied kent naar bijna alle richtingen vluchtroutes. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de eerder genoemde scenario’s BLEVE en toxisch). In geval van een calamiteit is het van levensbelang aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Volgens de Wet veiligheidsregio’s draagt het bestuur van de Veiligheidsregio er zorg voor dat de noodzakelijk informatie wordt verschaft ter voorkoming en bestrijding of beheersing van een ramp. De Veiligheidsregio adviseert hierin de gemeenten.

In het regionaal beleidsplan dient uitgewerkt te zijn hoe binnen de regio aan risicocommunicatie vorm gegeven wordt. 5.3.3 Advies Veiligheidsregio en Brandweer Gelderland-Zuid Bovengenoemde punten ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dienen voor advies te worden voorgelegd aan de regionale Brandweer dan wel de Veiligheidsregio. Op grond van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transport dient de VRGZ in de gelegenheid te worden gesteld advies uit te brengen. De aanvullende adviezen van de brandweer of veiligheidsregio dient de gemeente Wijchen mee te wegen in haar besluitvorming. Vanuit de Brandweer Gelderland-Zuid is er op 28 november 2023 een reactie ontvangen. De reactie van de Brandweer Gelderland-Zuid is toegevoegd als Bijlage 7. Beoordeling Brandweer In de nabijheid van de planlocatie zijn de volgende relevante risicobronnen aanwezig (bron: EV Signaleringskaart) De planlocatie ligt in zijn geheel binnen het invloedsgebied (gelegen binnen de 200 meter zone) van een basisnetroute spoor. Het betreft de spoorlijn Den Bosch Diezebrug aansl. – Ressen Noord. De afstand tot objecten in het plangebied +/- 120 meter. Het betreffende spoortracé heeft geen plasbrandaandachtsgebied. Vanwege de ligging van het plangebied binnen het toekomstig explosieaandachtsgebied, resteert het volgende scenario. Scenario-omschrijving:ketelwagon LPG

38

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

Figuur: Scenarioboek Externe veiligheid NIPV Het maatgevende scenario binnen het explosieaandachtsgebied is een koude BLEVE die wordt veroorzaakt door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing. Dit is een explosie die kan voorkomen als een houder met een vloeistof onder druk openscheurt. Afkorting ‘Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion'. Hierdoor scheurt de ketel op. LPG komt vrij en ontsteekt direct. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een koude BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Groepsrisico Uit het onderzoek ‘Externe veiligheid spoor – Spoorstraat/Herenstraat te Wijchen’ blijkt dat er geen rekenkundige toename is van het groepsrisico in de huidige- en toekomstige situatie. Het groepsrisico blijft daarmee onder 0,1 x de oriëntatiewaarde. Wij zijn daarbij uitgegaan van de cijfers en de fN-curve zoals getoond in afbeelding 4 van de rapportage. Gelet op de uitkomst van het groepsrisico is slechts lid 2 artikel 8 Bevt van toepassing. Er dient daarbij ingegaan te worden op de maatregelen ter beperking van het groepsrisico en de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Tevens is er sprake van een zware verantwoording gelet op de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Wijchen.

Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Gelet op de geografisch (beperkte) omvang van het plan zal er bij de aanvraag omgevingsvergunning bouw een advies volgen inzake de bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Conclusie Op basis van de aangeleverde documenten voor het bestemmingsplan: Spoorstraat-Herenstraat te Wijchen heeft de Brandweer Gelderland-Zuid het volgende geconstateerd: Er is in de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan voldoende ingegaan op de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid; Over de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening wordt in een later stadium geadviseerd.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

39

5.3.4 Conclusie Gelet op het bovenstaande vormt het aspect Externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornmen.

5.4

Bodem

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. 5.4.1 Verkennend bodem- en asbestonderzoek Voor voorliggende ontwikkeling is er door Buro Antares is een Verkennend bodemonderzoek en een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de percelen gelegen aan de Herenstraat 36 en 42 en de Spoorstraat 53 en 57 te Wijchen (Buro Antares, rapportnummer MRO\400333\24-03-2020\Versie 2, d.d. 24 maart 2020, Bijlage 8). De resultaten hiervan zijn hieronder weergegeven. Verkennend bodemonderzoek Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan geconcludeerd dat de bovengrond ter plaatse van de boringen 04 en 07 sterk verontreinigd is met PAK. De omvang van de PAK-verontreiniging en de eventuele spoedeisendheid dient vastgesteld te worden middels de uitvoering van een nader bodemonderzoek conform de NTA-5755. Afhankelijk van de omvang van de verontreiniging wordt bepaald wie het Bevoegd gezag is voor deze bodemverontreiniging (gemeente Wijchen <25 m3 of provincie Gelderland >25 m3). Nadat de omvang van de verontreiniging is vastgesteld dient ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling op locatie eerst de verontreiniging gesaneerd te worden.

Dit kan eventueel middels een BUSmelding of een saneringsplan, welke goedgekeurd dient te worden door het bevoegd gezag. Verder kan geconcludeerd worden dat de overige bovengrond licht verontreinigd is met kobalt, lood, nikkel, minerale olie, PAK en/of som PCB•fs en dat de ondergrond en het grondwater geen verhoogde gehalten/ concentraties bevatten. Verkennend asbestonderzoek Op basis van het uitgevoerde asbest in bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat in de bovengrond ter plaatse van het bedrijfs-/winkelpand en in het puin afkomstig uit boring 03 geen asbest is aangetoond. Wel is in de bovengrond van het buitenterrein een asbestconcentratie van 1,0 mg/kg ds. gewogen aangetoond. Deze asbestconcentratie ligt ruim beneden de interventiewaarde/restconcentratienorm van 100 mg/kg ds., maar ook nog ruim beneden de norm voor nader asbestonderzoek van 50 mg/kg ds., waardoor het uitvoeren van een nader asbestonderzoek niet noodzakelijk is. Op basis van het uitgevoerde asbest in bodemonderzoek zien wij geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling van de locatie. 5.4.2 Nader bodemonderzoek conform NTA-5755 Door Buro Antares is er een nader onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de aangetroffen verontreinig tijdens het verkennend bodemonderzoek. Het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 9 bij deze toelichting.

Op basis van het geheel aan onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat binnen de projectlocatie ter plaatse van de boringen 04, 04.1 en 07 sprake is van een sterke bodemverontreiniging met PAK. Ter plaatse van de boringen 04 en 04.1 is de bodemlaag 0,22 tot 0,70 a 1,10 m-mv sterk verontreinigd met PAK. De omvang van de sterke bodemverontreiniging met PAK is afgeperkt tot gehalten beneden de interventiewaarde. In de boringen 04.2 en 04.5 is er sprake van een overschrijding van de tussenwaarde en in 4 afperkende boringen zijn overschrijdingen van de achtergrondwaarde aanwezig. Ter plaatse van boring 07 is de bodemlaag 0,08 tot 1,20 m-mv sterk verontreinigd met PAK. De omvang van de

40

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

sterke bodemverontreiniging met PAK is afgeperkt tot gehalten beneden de interventiewaarde. In boring 07.4 is er sprake van een overschrijding van de tussenwaarde en in 4 andere boringen zijn overschrijdingen van de achtergrondwaarde aanwezig. De aangetoonde verontreinigingen met PAK zijn hoogstwaarschijnlijk te relateren aan de visueel aangetroffen bijmengingen met kolengruis. De totale omvang van de sterke bodemverontreiniging met PAK binnen de projectlocatie wordt ingeschat op ongeveer 62,5 m3, waardoor er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (meer dan 25 m3 sterk verontreinigd). Uit het vooronderzoek blijkt dat op de locatie al jarenlang bedrijvigheid aanwezig is, waardoor ervan uitgegaan kan worden dat de aangetoonde bodemverontreiniging met PAK voor 1987 is ontstaan. Hierdoor is er sprake van een 'historisch' geval. Op basis van de conclusies van het nader bodemonderzoek geldt het volgende: Op basis van de onderzoeksresultaten is er momenteel sprake van een milieuhygienische belemmering voor de voorgenomen nieuwbouw door de aanwezigheid van de sterke bodemverontreiniging met PAK. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling van de projectlocatie dient de aangetoonde bodemverontreiniging met PAK gesaneerd te worden tot deze voldoet aan het beoogde gebruik (functie wonen). Geadviseerd wordt om de saneringsvoorbereiding op te starten.

Het is namelijk niet toegestaan om werkzaamheden in de sterke bodemverontreiniging uit te voeren zonder toestemming van het bevoegd gezag, in dit geval de Provincie Gelderland. Vanwege de voorgenomen ontwikkelingen adviseren wij om een BUS-melding of een saneringsplan op te laten stellen en ter goedkeuring in te dienen bij het bevoegd gezag. Na instemming van het bevoegd gezag kan de startdatum gemeld worden aan het bevoegd gezag. Vervolgens kan de bodemverontreiniging volgens de geldende wet- en regelgeving worden gesaneerd. De sanering moet begeleid worden door een BRL SIKB 6000, protocol 6001 erkend adviesbureau en de sanering mag alleen door een BRL SIKB 7000, protocol 7001 erkend aannemer uitgevoerd worden. Gezien het beoogde toekomstige gebruik, “functie wonen”, dient als saneringsdoelstelling in de BUSmelding of saneringsplan de kwaliteitsklasse ‘wonen’ opgenomen te worden. Dit houdt in dat naast de sterk verontreinigde grond (circa 65 m³) ook de grond welke geclassificeerd is als klasse ‘industrie’ (circa 500 m³) ontgraven en afgevoerd dient te worden naar een erkend verwerker. 5.4.3 Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan, maar dient de grond bij de realisatie van voorliggend plan conform de conclusies van het nader bodemonderzoek gesaneerd te worden.

5.5

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wet geurhinder en veehouderij geldt één toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderij in de gehele gemeente. Voor niet vergunningverplichte veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbeluit het toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarnaast geeft de Wet geurhinder en veehouderij gemeenten de beleidsvrijheid om maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting. Beoordeling Het planvoornemen voorziet in het toevoegen van woningen, zijnde geurgevoelige objecten. Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van geuremissiebronnen, zo blijkt uit een quickscan op dit aspect. Een nadere toetsing is daarom niet nodig. Conclusie

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

41

Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.6

Luchtkwaliteit

De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Figuur: Grenswaarden stikstofdioxide en fijn stof

NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM1 0 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Beoordeling De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 51 appartementen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het 'Besluit niet in betekenende mate' onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Onderhavige ontwikkeling betreft geen permanente toevoeging aan de woningvoorraad, maar is redelijkerwijs wel met een dergelijke ontwikkeling gelijk te stellen. Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening is eveneens gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2)

42

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

en fijnstof (zowel PM1 0 als PM2.5) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling. Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van de resultaten uit kaarten van de Atlas Leefomgeving, een initiatief van de Rijksoverheid. De Atlas Leefomgeving biedt informatie over de kwaliteit van de Nederlandse leefomgeving. Om de huidige stikstofdioxide en fijnstof (PM1 0) concentraties in beeld te brengen zijn actueleluchtkwaliteitskaarten beschikbaar. Voor fijnstof (PM2,5) bestaat er geen kaart van de actuele PM2,5-concentratie, hierom is gekozen om gebruik te maken van de meest recente concentratiekaart uit 2021. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseert veel lagere concentraties fijnstof voor een gezonde leefomgeving. Zij adviseren sinds 22 september 2021 de volgende normen: 15 µg/m³ PM1 0 en 5 µg/m³ PM2,5.

Figuur: Uitsnede Actuele concentratie stikstofdioxide in Nederland (Bron: Atlas Leefomgeving)

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

43

Figuur: Uitsnede Actuele concentratie fijnstof PM1 0 in Nederland (Bron: Atlas Leefomgeving)

Figuur: Uitsnede kaart Fijnstof 2021 PM2,5 (Bron: Atlas Leefomgeving)

Uit bovenstaande kaarten blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 , PM10 en PM2,5 ter plaatse van de locatie niet overschreden worden. De bijdrage van het initiatief op de luchtkwaliteit is verwaarloosbaar/ niet aanwezig en er wordt geen NO2 , PM10 of PM2,5 producerende activiteit op locatie mogelijk gemaakt. Voor fijnstof PM2,5 geldt dat de concentratie met (10-11) boven de WHO advieswaarde ligt, maar dat deze nog steeds ruim aan de gestelde Europese-norm van maximaal 25 µg/m³ PM2,5 voldoet en hierom geen

44

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

belemmering vormt voor het planvoornemen. Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor het planvoornemen.

5.7

Natuur

De bescherming van plant- en diersoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Om kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wnb enkele verbodsbepalingen, zoals het verbod op het doden of verontrusten van dieren, en het beschadigen van voortplantings- of rustplaatsen. Dit houdt concreet in, dat voor bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen zoals het verwijderen van bebouwing en beplanting en het bouwen dient te worden vastgesteld of daarin, of in de directe nabijheid beschermde soorten aanwezig zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ingrepen en activiteiten dient daarom te worden nagegaan of deze ingrepen en/of activiteiten eventueel negatieve gevolgen hebben voor aanwezige dier- en plantensoorten. 5.7.1 Gebiedsbescherming Er dient aannemelijk te worden gemaakt dat het plan geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Europees beschermde Natura2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waaronder het provinciaal natuurnetwerk (Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone). Natura 2000-gebieden De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Hierdoor is er uitsluitend sprake van externe werking.

Gezien de kleinschalige aard van het planvoornemen (planologisch mogelijk maken van de bouw van één gebouw binnen bestaand stedelijk gebied) en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden Rijntakken (ca. 7,8 km), Sint Jansberg (ca. 14,5 km); Vogelschutzgebiet 'Unterer Niederrhein (ca. 15,2 km) en De Bruuk (ca. 16,2 km), s geen sprake van verstoring door licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand echter niet uit te sluiten. Derhalve is een nadere beoordeling stikstofeffecten uitgevoerd, zie hiervoor paragraaf 5.7.2 van deze toelichting.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

45

Figuur: Ligging plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden

Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt, overeenkomstig de Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023), niet in het Gelders natuurnetwerk. Daarom is er met het voornemen geen sprake van aantasting van NNN. Doordat het plangebied eveneens niet is gelegen binnen het NNN, is er uitsluitend sprake is van een externe werking. Op een afstand van circa 2,2 km ten oosten van het plangebied is het Gelders Natuurnetwerk gelegen. Ten zuiden van het plangebied is op circa 1,4 km afstand ook een onderdeel van Gelders Natuurnetwerk gelegen.

Figuur: Ligging plangbied t.o.v. NNG Gezien de relatief kleinschalige aard van het voorgenomen plan en de afstanqwd is het uit te sluiten dat het

46

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

voornemen een (significant) negatief effect heeft op de kernkwaliteiten van het Natuurnetwerk Gelderland. 5.7.2 Stikstof Gezien de ligging ten opzichte van de Natura 2000-gebieden en uit te voeren activiteiten, sloop en nieuwbouw, zijn geen directe effecten op de Natura 2000-gebieden te verwachten. Wel kan een mogelijk indirecte effect stikstofdepositie optreden. Daarom is een afzonderlijke notitie beoordeling stikstofeffecten opgesteld (Pouderoyen Tonnaer, rapportnummer P204641, d.d. 29 oktober 2024, Bijlage 10). Op basis van de onderzoeksresultaten kunnen negatieve effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is. Bouwfase Er worden met het voornemen 51 appartementen gerealiseerd op het achtererf van het plangebied. Op dit moment is er nog geen informatie over de in te zetten mobiele werktuigen, de duur van de inzet en de bouwjaren/ stageklassen van de mobiele werktuigen die tijdens de bouwfase ingezet worden. Om toch een beoordeling te maken ten aanzien van de emissies in de realisatiefase is een worst-case scenario uitgewerkt. Er is in dit kader aansluiting gezocht bij de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS’ opgesteld door het Rijk, bijgevoegd in bijlage 1 van deze handreiking.

Hierin wordt voor de realisatie van woningen een gemiddelde emissie in de realisatiefase verondersteld van 3 kg NOx/jaar. Voor de realisatie van appartementen, welke kleiner zijn, zal de emissie echter lager uitvallen: eengezinswoningen zijn gemiddeld 1,6 keer zo groot als appartementen. Er worden met het bouwplan appartementen van verschillende formaten gerealiseerd. Daarom is aangenomen dat de emissie per appartement voor de bouwfase gemiddeld 2 kg NOx/jaar zal bedragen. Voor 51 appartementen bedraagt de totale emissie tijdens de bouwfase 102 kg NOx/jaar. Gebruiksfase Het project zal gasloos worden uitgevoerd. In de gebruiksfase is derhalve alleen sprake van een verkeersgeneratie. Met het planvoornemen worden 51 appartementen gerealiseerd. De locatie ligt in het ‘centrum’ van een ‘matig stedelijk’ gebied. Gelet op de maximale norm op basis van de CROW, wordt voor de gebruiksfase uitgegaan van de volgende verkeerscijfers. Type woning Aantal woningen Koop (Duur) 26 Huur Midden 17 Huur Vrije Sector 8 Totaal 51 Figuur: Verkeersgeneratie

Verkeersgeneratie 7,2 3,6 5,5

Totaal Verkeersgeneratie 187,2 61,2 44 292,40

Op basis van de maximale CROW-norm bedraagt de verkeersgeneratie voor de 51 appartementen 293 verkeersbewegingen per etmaal. Ten aanzien van het modelleren van verkeerstromen in de Aerius calculator is de vraag aan de orde op welk moment het verkeer op gaat in het heersende verkeersbeeld en dus niet meer onderscheidend is door het planvoornemen. Er wordt verondersteld dat het verkeer via de Herenstraat op de Stationslaan zal afwikkelen, waar het verkeer niet langer te onderscheiden is van het heersend verkeersbeeld. Daarbij wordt een stagnatiepercentage van 10% verondersteld. Naast de verkeersbewegingen dient ook de koude start van de voertuigen te worden bepaald. Er wordt aangenomen dat de helft van de verkeersgeneratie een koude start betreft. Dit resulteert in 147 koude starten.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

47

Conclusies De bovenstaande gegevens zijn ingevoerd in de AERIUS calculator (versie 2024). Uit deze berekening volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Rekening houdend met voorgaande conclusies kunnen significant nadelige effecten op Natura 2000-gebieden ten gevolge van de gebruiksfase worden uitgesloten. 5.7.2.1 Conclusie Stikstof Het bouwplan leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is. 5.7.3 Soortenbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb).

Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Tevens geldt onder de Wet Natuurbescherming dat bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden moet worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Met voorliggend plan wordt de bestaande bebouwing binnen de planlocatie volledig gesloopt. Om vast te stellen of er geen negatieve gevolgen zijn voor aanwezige flora en fauna, zijn er diverse onderzoeken uitgevoerd. Deze worden in de onderstaande paragrafen toegelicht.

5.7.3.1 QuickscanFlora & Fauna (1) In het kader van het planvoornemen is een eerste Quickscan Flora & Fauna uitgevoerd ter plaats van de bebouwing van huisnummer 36 (Buiting advies B.V., rapportnummer 19063, d.d. juni 2019, Bijlage 11). Hieronder is de conclusie van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 11. Door de voorgenomen sloop worden mogelijk geschikte voortplantings- en/of rustplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, steenmarters en vleermuizen aangetast. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of er voortplantings- en/of rustplaatsen van deze soorten aanwezig zijn.

48

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

5.7.3.2 Aanvullend Fauna onderzoek (1) Op basis van de resultaten van de Quickscan Wet natuurbescherming is een vervolgonderzoek (Buiting Advies B.V., rapportnummer 2020-062, d.d. oktober 2020, Bijlage 12) uitgevoerd. Dit onderzoek is op 4 december 2023 aangepast.

Figuur: Weergave onderzoekslocatie De resultaten van het aanvullend onderzoek zijn hieronder weergegeven. Het volledige onderzoek is als Bijlage 12 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Huismus, gierzwaluw, steenmarter Tijdens het onderzoek is geen voortplantings- of rustplaats van een huismus, gierzwaluw of steenmarter vastgesteld. Uit dit onderzoek blijkt daarmee dat de voorgenomen werkzaamheden niet zullen leiden tot vernieling of beschadiging van een voortplantingsplaats of rustplaats van de steenmarter. Van een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de steenmarter, gierzwaluw en steenmarter is dan ook geen sprake. Vleermuizen Paarverblijfplaats Tijdens het onderzoek is een paarverblijfplaats van twee gewone dwergvleermuizen aangetroffen. Het verstoren of vernietigen van vaste rust- of verblijfplaatsen in niet toegestaan. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet Natuurbescherming is noodzakelijk om de geplande werkzaamheden uit te voeren.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

49

Vliegroutes en foerageerplatsen Tijdens het onderzoek is binnen het plangebied is geen essentiële vliegroute vastgesteld. Er zijn foerageerplekken nabij het kasteel vastgesteld. Voorgenomen plannen hebben geen effect op deze gebieden en hebben geen invloed op de functionele leefomgeving. Het verdient de aanbeveling om tijdens werkzaamheden rekening te houden met de aanwezigheid van vleermuizen door het plangebied (en omgeving) tussen zonsondergang en zonsopkomst niet extra te verlichten. Conclusie Bij doorgang van de werkzaamheden is het aanvragen van een ontheffing met betrekking tot vleermuizen noodzakelijk. Dit gaat om een ontheffing voor het vernielen van een paarverblijfplaats met twee individuen. De ontheffing wordt aangevraagd bij de Provincie Gelderland, welke momenteel een doorlooptijd van 20 weken kent. Bij tijdelijke mitigatie van paarverblijfplaatsen geldt een gewenningsperiode van 6 maanden voor de aanvang van het paarseizoen. Dit betekent dat de voorzieningen uiterlijk half februari aanwezig moeten zijn alvorens er aangevangen kan worden met werkzaamheden. 5.7.3.3 QuickscanFlora & Fauna (2) Met het bovenstaande onderzoek is nog niet het gehele plangebied afgedekt. Om deze reden is er een verdere Quickscan uitgevoerd ter plaatse van de huisnummers 28,30 en 32 aan de Herenstraat (Buiting Advies B.V., rapportnummer 2020-176, d.d. januari 2021, Bijlage 13).

Dit onderzoek is op 4 december 2023 aangepast. Hieronder is de conclusie van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 13. Negatieve effecten op huismussen, vleermuizen en steenmarters kunnen als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden niet worden uitgesloten. Voor deze soortgroepen is aanvullend onderzoek noodzakelijk om vast te stellen of deze soorten gebruik maken van het gebouw. 5.7.3.4 Aanvullend Fauna onderzoek (2) Op basis van de resultaten van de Quickscan Wet natuurbescherming is een vervolgonderzoek (Buiting Advies B.V. ,rapportnummer 2021-018, d.d. 28 oktober 2021, Bijlage 14) uitgevoerd.

50

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

Figuur: Weergave onderzoekslocatie De resultaten van het aanvullend onderzoek zijn hieronder weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 14 bij dit bestemmingsplan. Huismus en steenmarter Tijdens het onderzoek is geen voortplantings- of rustplaats van een huismus of steenmarter vastgesteld. Wel zijn huismussen in de tuin aangetroffen. De huismussen hadden echter geen binding met de woning. Het groen dat verdwijnt betreft geen onderdeel van hun essentiële leefgebied. De constarering dat het verdwijnende groen geen onderdeel van het essentiële leefgbied uitmaakt, wordt verder onderbouwd in paragraaf 5.7.3.5. Uit dit onderzoek blijkt daarmee dat de voorgenomen werkzaamheden niet zullen leiden tot vernieling of beschadiging van een voortplantingsplaats of rustplaats van de steenmarter. Van een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de huismus en steenmarter is dan ook geen sprake. Vleermuizen Tijdens het onderzoek zijn geen voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Uit dit onderzoek blijkt daarmee dat de voorgenomen werkzaamheden niet zullen leiden tot vernieling of beschadiging van voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen Van een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de steenmarter, gierzwaluw en steenmarter een vleermuizen is dan ook geen sprake.

Vliegroutes en foerageerplaatsen Tijdens het onderzoek zijn binnen het plangebied geen essentiële vliegroutes of foerageerplaatsen vastgesteld.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

51

5.7.3.4.1 Broedperiode

Advies op basis van de algemene zorgplicht

De werkzaamheden die bestaan uit vellen van bomen en struiken of andere werkzaamheden die tot verstoring kunnen leiden van broedende vogels dienen buiten de indicatieve broedtijd (1 maart - 31 juli) uitgevoerd te worden. Echter is het ook buiten de indicatieve broedperiode is nog mogelijk dat vogels broeden. Daarnaast zijn coniferen jaarrond groen, waardoor een visuele inspectie lastig is. Om uit te sluiten dat er gebroed wordt dient een check uitgevoerd te worden door een ecoloog of er geen in gebruik zijnd nest aanwezig is, maximaal drie dagen voordat de werkzaamheden van start gaan. Aanwezige bomen De in het openbaar gebied aanwezige bomen moeten blijven gehandhaafd. Omdat ze vlak tegen het plan aan staan is het noodzakelijk hier tijdens de bouw afdoende beschermende maatregelen voor te treffen. Deze maatregelen moeten, niet alleen dienen voor de bescherming van stam en kroon, maar ter bescherming van de ondergrondse groeiplaats. De maatregelen voor de bescherming van de ondergrondse groeiplaats, beschermen tegen het optreden van verdichting van de bodem door bouwverkeer en plaatsen materiaal of materieel. Dit alles geldt ook voor het groen en de bomen aan de overzijde van de straat. 5.7.3.4.2 Conclusie ecologische onderzoeken Met de uitvoering van de twee aanvullende onderzoeken is de gehele onderzoeklocatie onderzocht.

Op basis van de resultaten zal er een ontheffing voor dwergvleermuizen moeten worden aangevraagd voor de locatie van het eerste aanvullende onderzoek bij de Provincie Gelderland. Dit betreft de kadastrale percelen, gemeente Wijchen, sectie H, 2180; 3011; 4659; 4660; 5365; 5367. Deze percelen behoren bij de huisnummers, Herenstraat 36 en 40 en de Spoorstraat 49; 51; 53; 55 en 57. 5.7.3.5 Notitie Essentieel leefgebied voor de huismus De gemeente heeft in de conceptfase van het voorliggende plan gereageerd op het nader ecologisch onderzoek aan de Herenstraat 28,30 en 32. In het onderzoek is geconstateerd dat de huismussen geen binding met de woning hadden en het groen dat verdwijnt geen onderdeel van hun essentiële leefgebied betreft. Vanuit de gemeente Wijchen werd gevraagd om deze constatering verder te onderbouwen. De ecoloog van Buiting Advies is gevraagd om hierop te reageren. De reactie op de vraag van de gemeente is hieronder uitgewerkt. In het naderonderzoek (Bijlage 14) wordt geconcludeerd dat in de woning geen nestgelegenheden van huismus zijn aangetroffen. Hiermee wordt een functie als voortplantingsplaats binnen de onderzochte woningen op basis van het Aanvullend onderzoek voldoende uitgesloten. Tevens wordt gesignaleerd dat in de tuin huismussen zijn waargenomen. Vervolgens wordt de conclusie getrokken dat deze huismussen geen directe binding met de woningen hebben.

En dat klopt natuurlijk omdat er in de woningen geen nestlocaties van huismus zijn aangetroffen. Is het groen dat verdwijnt ook geen onderdeel van het essentiële leefgebied? Waarnemingen van huismussen in de tuin impliceert in ieder geval dat het plangebied door huismus bezocht wordt. Tijdens het onderzoek is goed opgelet hoe huismussen verder gebruik van het plangebied maken (dus rustend in struiken, foeragerend in het plangebied etc.) en ook hoe het gebruik van de omgeving is. Als bijlage is de afbeelding uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) met waarnemingen van huismus in de laatste 5 jaar toegevoegd. Deze waarneming worden weergegeven op onderstaande afbeelding.

52

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

Figuur: Uitsnede waarnemingen Huismus (Bron: NDDF) Op de bovenstaande kaart is te zien dat de meeste waarnemingen van huismus westelijk, redelijk ver van het plangebied, liggen. In die omgeving is de groenopbouw ook veel geschikter voor huismus. Dat laat ook de als onderstaande afbeelding met 'geschiktheid huismussen' zien.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

53

Figuur: Geschiktheid huismussen, waarbij blauw geschikt is en rood niet geschikt (Bron: Buiting Advies) Rond het plangebied (in rood) is sprake van een meer versteende omgeving, terwijl meer (noord)westelijk (blauw) wel geschikt leefgebied aanwezig is. Huismuspopulaties zullen waarschijnlijk in het versteende gebied (rood) niet genoeg dekking en voedsel kunnen vinden, ondanks dat hier mogelijk wel kansrijke broedplaatsen liggen (vandaar dat in QS huismus niet kan worden uitgesloten, terwijl Naderonderzoek toch uitwijst dat er geen nestlocaties aanwezig zijn, alhoewel het dak wel geschikt is). Concluderend ligt het plangebied waarschijnlijk aan de randzone van een huismussenpopulatie. Of de waarneming in de tuin incidenteel is geweest of dat de tuin inderdaad een deel uit maakt van de functionele leefomgeving is niet eenduidig te beantwoorden. Wat we wel weten is dat het om een beperkte hoeveelheid 'groen' gaat en dat er in westelijke richting veel geschikt leefgebied aanwezig is. Leefgebied dat ook wordt gebruikt. Ons voorstel is dan ook om in de nieuwbouw (voldoende) nestlocaties voor huismus op te nemen en de groene omgeving rond de bebouwing (vooral) als leefgebied voor huismus in te richten. De kans is dan groot dat het leefgebied van huismus hierdoor in oostelijke richting wordt uitgebreid.

Het creëren van leefgebied voor huismus kan (naast het aanbrengen van nestlocaties) door: Ontwikkelen van dekkingsmogelijkheid Aanplant van doornige struiken als vuurdoorn en meidoorn, groenblijvende heesters, klimplanten als klimop of wingerd, beukenhagen, en dergelijke binnen 5 à 10 meter (bij voorkeur binnen 2,5 meter) van plekken waar gefoerageerd wordt. Aanplant van opgaand groen binnen 5 à 10 meter (bij voorkeur binnen 2,5 meter) van de plekken waar (door het realiseren van nestlocaties) gebroed kan worden. Ontwikkeling van slaapgelegenheid Aanbrengen van groenblijvende gevelbegroeiing of ander verticaal groen, bijvoorbeeld met vuurdoorn, klimop en aanplant van groenblijvende heesters (bijvoorbeeld liguster, hulst) of coniferen (bijvoorbeeld

54

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

taxus). Ontwikkeling van plekken waar gefoerageerd kan worden In stand houden of ontwikkelen van overhoekjes of stroken ruigte met onkruid als bron voor zaden en kleine zachte insecten; Extensiever beheer van gazons door het terugbrengen van de maaifrequentie naar 1 maal per jaar. Het maaien vindt niet in het najaar plaats. 5.7.3.6 Ontheffing De ontheffingsaanvragen zijn reeds ingediend voor Buiting Advies. De Provincie Gelderland heeft de aanvraag inmiddels verwerkt. De samenvatting van de ontheffingsaanvraag is toegevoegd als Bijlage 15 bij deze toelichting. De periode waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd, begon op 1-5-2022. De periode waarvoor de ontheffing is aangevraagd, eindigt op 1-5-2025. Alle vereiste werkzaamheden om te voldoen aan de ontheffing zijn uitgevoerd. De Provincie Gelderland is gevraagd om de ontheffing te verlengen, omdat de datum van 1 mei 2025 niet haalbaar is. 5.7.3.7 Conclusie Soortenbescherming Beoogd wordt dat de werkzaamheden, waarvoor een ontheffing is aangevraagd tot mei 2025 zijn afgerond. Op basis van de verleende ontheffing vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering voor de periode tot 1 mei 2025. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning zal een plan van aanpak worden aangeleverd waarin alle zaken rondom de ontheffing en het mitigatieplan staan.

In dit PvA zal verwerk worden uitgewerkt dat er rekening gehouden wordt met de huidige bomen en bestaand groen, zodat zorg gedragen wordt voor de bescherming hiervan tijdens de werkzaamheden. In de omgevingsvergunning moet op aanraden van de gemeente een tekening en PvA komen over hoe de bomen beschermd worden. Met hekwerken onder de kroon- en stambescherming. Op bouwtekeningen moeten deze bomen ook weergeven worden, zodat er voldoende rekening mee gehouden wordt. In de omgevingsvergunning moet de ontheffing Wnb toegevoegd worden. Daarbij moet in tekeningen en plannen duidelijk worden hoe de mitigerende maatregelen en maatregelen uit de ontheffing worden toegepast. Met behulp van dit PvA, wordt voor het verkrijgen van den omgevingsvergunning aangetoond, hoe invulling wordt gegeven aan alle voorschriften uit de ontheffing, de voorgaande ecologische onderzoeken en de algemene zorgplicht. Dit PvA sluit aan de in paragraaf 4.4.6. besproken aspecten duurzaamheid en natuurinclusief bouwen. Bij naleving van de vereisten bij de omgevingsvergunningsaanvraag binnen de ontheffingstermijn vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering voor het planvoornemen. Binnen de bestemmingsplanprocedure bestaan er geen belemmeringen voor de realisatie van het project.

5.8

Verkeer en parkeren

5.8.1 Beleid in de gemeente Wijchen De gemeente Wijchen vraagt om het toepassen van een aantal beleidsstukken die betrekking hebben op het aspect verkeer en parkeren. De belangrijkste aandachtspunten vanuit de gemeente Wijchen zijn het parkeren en de ontsluiting.

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

55

5.8.1.1 Mobiliteitsvisie 2020-2030 'Duurzaam onderweg tussen Maas en Waal' Het gemeentelijke mobiliteitsbeleid van Druten en Wijchen lag tot nu toe vast in twee afzonderlijke Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplannen (GVVP’s). Veel van de hierin opgenomen doelstellingen en uitvoeringsplannen zijn inmiddels gerealiseerd, dan wel aan herziening en/of harmonisatie toe. Om het hoofd te bieden aan de steeds grotere opgaven waarvoor de gemeenten staan en in te spelen op sociaal-maatschappelijke en technologische ontwikkelingen, hebben de gemeenten Druten en Wijchen besloten samen te werken. Ook op het gebied van mobiliteit. De ‘oude’ mobiliteitsplannen van de gemeenten zijn daarom niet alleen geactualiseerd, maar ook samengevoegd tot één mobiliteitsbeleid. Voordat de gemeente Wijchen een beleid kan maken is er echter een visie nodig. De gemeente Wijchen heeft nu een visie gemaakt voor toekomstig verkeersbeleid in de vorm van de moboliteitsvisie 'Duurzaam onderweg tussen Maas en Waal'. In deze visie is rekening gehouden met nieuwe ontwikkelingen zoals zelfrijdende auto's en de gevolgen van woningbouw. De mobiliteitsvisie heeft vijf belangrijke punten om de ambities op het gebied van mobiliteit te kunnen verwezenlijken: 1. 2. 3. 4. 5.

Leefbaarheid in de gemeente Bereikbaarheid tussen de kernen Verbonden met de regio Duurzaam verplaatsen tussen Maas en Waal Verkeersveiligheid

De gemeente zet binnen de kern Wijchen in op de fietser en voetganger, waarbij we ervoor zorgen dat voorzieningen goed met de auto bereikbaar blijven. De bereikbaarheid tussen alle kernen in Wijchen is van groot belang. Elke verkeersdeelnemer moet tussen de kernen kunnen reizen. De gemeente wil daarnaast verbonden blijven met de regio. Het openbaar vervoer en de fiets zijn in 2030 een realistisch alternatief voor de auto voor reizen van en naar de belangrijkste bestemmingen in de omliggende regio’s. Ook zet de gemeente in op duurzaam verplaatsen. Dat wil zeggen dat in 2030 voor iedereen een duurzame manier van vervoer beschikbaar is. En natuurlijk is verkeersveiligheid een overkoepelend en belangrijk punt. 5.8.1.2 Mobilitietsplan Wijchen (Uitwerking Mobiliteitsvisie) Het mobiliteitsplan is het vervolg op de mobiliteitsvisie en geeft antwoord op de ‘hoe-vraag’. Welke maatregelen worden genomen om de wensen en ambities van de gemeenten Druten en Wijchen waar te maken? In het mobiliteitsplan heeft de gemeente een lijst aan maatregelen opgenomen. Deze lopen uiteen van het actualiseren van het parkeerbeleid tot het veiliger maken van bepaalde wegen. En van het verstevigen van bermen tot het stimuleren van duurzame mobiliteit. De maatregelen voor de gemeente Wijchen om de doelstellingen te bereiken zijn hieronder opgenomen.

56

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

De doelstellingen en bijbehorende maatregelen op basis van het mobiliteitsplan

5.8.1.3 Parkeervisie Wijchen De ‘Parkeervisie Wijchen’ sluit aan op het Mobiliteitsbeleid. Het parkeerbeleid van Wijchen zet in op een passende parkeercapaciteit voor inwoners en bezoekers. Daarnaast stimuleert het duurzame mobiliteit door het faciliteren van goede voorzieningen voor de fiets, deelauto’s en elektrische auto's. De Parkeervisie is een integraal beleidsdocument dat verschillende facetten van parkeren belicht. In het beleidsplan komt onder andere het centrumgebied aan bod en wordt ingegaan op het parkeren van auto's, fietsen, grote en/of zware voertuigen en de gehandicaptenvoertuigen. In het vastgestelde mobiliteitsplan komen de volgende uitgangspunten naar voren: 1. 2.

3.

Gratis parkeren voor iedere doelgroep. Parkeren in Wijchen is gratis. Ook in de twee parkeergarages. De bereikbaarheid met de auto blijft belangrijk. Ook stimuleren we het delen van gezamenlijke voorzieningen zoals deelauto’s. Hiermee kan de parkeervraag in woonwijken veranderen en spelen we in op een milieubewuste manier van bouwen en leven. Parkeren van grote voertuigen is niet toegestaan met uitzondering van enkele locaties op bedrijventerreinen en voor het laden en lossen in de kernen of winkelgebieden.

5.8.1.4 Beleidsregels Parkeernormen Wijchen (2024) Het actualiseren van het parkeerbeleid is als actie opgenomen in het Mobiliteitsplan Wijchen en het Meerjaren Uitvoeringsprogramma Mobiliteit (MUP). De beleidskaders zijn op 20-06-2024 door de gemeenteraad vastgelegd in de ‘Parkeervisie Wijchen’. Op 15 juli 2024 zijn de 'Beleidsregels Parkeernormen Wijchen' door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin zijn

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

57

parkeernormen voor verschillende functies opgenomen. Door middel van een Omgevingsplan met een dynamische verwijzing naar deze beleidsregels zijn de parkeernormen van toepassing verklaard, met normen die afgestemd zijn op de ligging van de locatie en de functionele invulling. Doel van de actualisatie van de parkeernormen was om deze zo vast te stellen dat ze recht doen aan de huidige en toekomstige situatie ter plaatse. Welke parkeernormen er voor een gebied gelden is onder andere afhankelijk van de stedelijkheidsgraad. De stedelijkheidsgraad wordt bepaald op basis van de omgevingsadressendichtheid (aantal adressen per km²), kortweg OAD van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In een gebied met een hoge OAD is het aanbod – en de kwaliteit – van andere vervoerswijzen over het algemeen groter dan in een gebied met een lage OAD. Daarom worden in een gebied met een hoge stedelijkheidsgraad lagere parkeernormen toegepast. De gemeente Wijchen valt qua stedelijkheidsgraad -in zijn geheel- in de categorie ‘weinig stedelijk’. Niet elk gebied heeft echter deze stedelijkheidsgraad (OAD). de bebouwde kom van Wijchen en Batenburg valt onder ‘matig stedelijk’; de bebouwde kom van Bergharen, Hernen en Balgoij valt onder ‘weinig stedelijk’; de bebouwde kom van Niftrik valt onder ‘niet stedelijk’ het buitengebied van de gemeente Wijchen valt onder ‘niet stedelijk’.

Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen de stedelijke zones (centrum, schil, rest bebouwde kom en buitengebied) van de kernen in de gemeente. Hoe dichter bij het centrum, des te beter normaliter de kwaliteit en het aanbod van overige vervoerswijzen en des te lager dus de parkeernorm kan zijn. Wijchen is op basis hiervan onderverdeeld in een aantal stedelijke zones. Dit zijn gebieden die qua geografische ligging, ruimtelijke kenmerken en stedelijke dichtheid zorgen voor een bepaald mobiliteitspatroon en bijbehorende parkeervraag. De begrenzing van het centrumgebied Wijchen is weergegeven in een aparte bijlage. De overige gebieden binnen de bebouwde kom vallen onder de zone ‘rest bebouwde kom’. Alles buiten de planologische bebouwde komgrenzen valt onder ‘buitengebied’. In onderstaande tabel is de indeling samengevat weergegeven.

Figuur: Overzicht stedelijkheidsgraad en stedelijke zones Voor de ontwikkeling ‘Tussen Kasteel en Wijchens Meer’ zijn specifieke parkeernormen vastgelegd in het bestemmingsplan. Deze parkeernormen blijven onverminderd hetgeen gesteld in deze beleidsregels van

58

bestemmingsplan Spoorstraat-Herenstraat

kracht. 5.8.1.5 Beleidsregels uitwegen Gemeente Wijchen 2023 (1 mei 2023) In de nota beleidsregels uitwegen is de te doorlopen procedure voor de activiteit uitweg opgenomen. Deze beleidsregels gelden voor openbare wegen (Wegenwet) die in eigendom en beheer zijn van de gemeente Wijchen. Ook zijn de toetsingscriteria voor het verlenen van een (omgevings-)vergunning en de inrichtingseisen van uitwegen opgenomen. Het doel van deze beleidsregels is een eenduidig beleid hanteren voor de inrichting van uitritten in de openbare ruimte en het beoordelen van aanvragen voor (omgevings-)vergunningen voor de activiteit ‘uitweg’. Voor de uniforme inrichting van de uitritten en uitwegen worden de CROW-publicaties als basis gebruikt. De inrichting openbare ruimte moet voldoen aan de laatste CROW eisen. 5.8.2 Uitgangspunten Op basis van de 'Beleidsregels Parkeernormen Wijchen (2024)' is de locatie aangeduid als Centrum Wijchen. Naast de parkeernormen op basis van 'Beleidsregels Parkeernormen Wijchen (2024)' dient er voor het project met betrekking verkeer te worden aangesloten bij de verkeersnormen van de CROW (publicatie 381). Voor het besluitgebied en het voornemen wordt aangesloten bij koop (duur), huur (midden) en huur (vrije sector) in een matig stedelijk, centrum gebied.

5.8.3 Verkeer Voor een goede infrastructurele inpassing van het planvoornemen is een onderbouwing met betrekking tot de verkeersgeneratie uitgewerkt. Hier is rekening is gehouden met het effect van het wegvallen van de bestaande functies en de nieuwe verkeersgeneratie als gevolg van het woningbouwplan. Gekozen is om de toegang naar de parkeergarage bij het appartementencomplex aan de Herenstraat te realiseren. Aan de hand van de CROW-kengetallen is voor de typen en aantallen woningen aan de hand van de kengetallen de verkeersgeneratie bepaald. De uitkomsten met betrekking tot de verkeersgeneratie is hieronder weergegeven in een resultatentabel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=6e8dd679-9816-4688-b1ac-f5be631f9f65