Rapport Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid - Rekenkamer Wijchen
Tekst van het document
In combinatie met de beperkte uitvoeringskracht in deze periode, circa 1,5 fte, leidde dit tot versnippering en een beperkt integraal overzicht in de uitvoering.
4.2.3 Omslag in uitvoering, maar blijvende risico’s In de aanloop naar de LES is een duidelijke omslag zichtbaar. De ambtelijke capaciteit is gegroeid en de gemeente zet expliciet in op het actiever aanjagen van uitvoering. Ook laten de ambtelijke uitvoeringsagenda en de professionaliseringsslagen die in aanloop naar en met de LES zijn gemaakt, zien dat de randvoorwaarden voor betere sturing wezenlijk zijn verbeterd. Daarmee is een fundament gelegd voor meer samenhang en gerichtere uitvoering. Tegelijkertijd blijft uitvoeringskracht een structureel aandachtspunt. Uit landelijke analyses blijkt dat gemeenten gemiddeld slechts circa een derde van de benodigde personele capaciteit voor de warmtetransitie beschikbaar hebben. Dit capaciteitsgat is ook voor Wijchen relevant en vormt een blijvend risico voor het tempo en de uitvoerbaarheid van het beleid. Tot slot is een risico voor de uitvoering de grote afhankelijkheid van tijdelijke landelijke middelen. Doordat de financiering door landelijke middelen zoals de CDOKE en SPUK tijdelijk van aard en sterk afgebakend zijn, bieden ze geen structurele basis voor langdurige capaciteitsopbouw en continuïteit. Dit maakt de organisatie kwetsbaar: zodra deze regelingen aflopen, is de continuïteit van de formatie en de projecten niet geborgd.
Voor gemeenten is dit gat niet op te vangen binnen de reguliere begroting als zij elders niet fors bezuinigen en andere beleidsdoelen fors afschalen of schrappen. Zij staan als er onvoldoende landelijke middelen zijn dus voor de keuze: doelen op het terrein van klimaat- en energie bijstellen of laten varen of financiën vrijmaken ten koste van andere beleidsterreinen.
- 26 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
4.3 De rol van regionale samenwerking in het behalen van de gemeentelijke doelen 4.3.1 Ontwikkeling in de regionale samenwerking De rol van regionale samenwerking bij het realiseren van de gemeentelijke klimaat- en energiedoelstellingen is in de afgelopen jaren sterk toegenomen. In de periode vóór de Regionale Energiestrategieën stond samenwerking op het thema energie nog in de kinderschoenen. Regionale afstemming vond toen vooral plaats binnen het kader van het Gelders Energie Akkoord. Het gemeentelijke beleid in SDW was hierop gebaseerd. De regionale samenwerking was toen echter meer ondersteunend en dienstbaar van aard, in plaats van de huidige samenwerking waarin gemeenten zich committeren aan harde regionale doelen zoals de RES-doelstelling. Met de komst van de RES is de regionale samenwerking ook structureler en intensiever geworden. Er is een vast regionaal overleg ontstaan waarin gemeenten gezamenlijk optrekken bij het formuleren en realiseren van energie- en klimaatdoelstellingen. De doorwerking van regionale afspraken naar lokaal beleid verloopt sindsdien via de RES. Daarmee is de regionale samenwerking uitgegroeid tot een noodzakelijke schakel in de uitvoering van het gemeentelijk beleid.
4.3.2 Succesfactoren in de regionale samenwerking Binnen de GMR profiteert Wijchen duidelijk van de regionale samenwerking. Een belangrijke succesfactor is het schaalvoordeel dat ontstaat door een gezamenlijke aanpak. Opgaven in de energietransitie, zoals netcongestie en duurzame energieopwek, overstijgen de gemeentegrenzen en kunnen effectiever in regionaal verband worden opgepakt dan door individuele gemeenten afzonderlijk. Bovendien faciliteert deze samenwerking kennisdeling, zodat gemeenten niet afzonderlijk het wiel opnieuw hoeven uit te vinden. Door krachten te bundelen kunnen gemeenten gezamenlijk meer bereiken dan individueel mogelijk is. Dit geldt onder meer voor gezamenlijke onderzoeken en studies, maar ook voor het verkennen van collectieve oplossingen zoals gezamenlijke inkoop van groen gas en duurzame elektriciteit, waarmee schaalvoordelen en betere marktposities kunnen worden gerealiseerd. De regio draagt bij aan de uitvoeringskracht door gezamenlijke onderzoeken te financieren en te coördineren, handreikingen te ontwikkelen en projectleiders beschikbaar te stellen. Ook fungeert de regio als kennisplatform. Er is een regionaal expertiseteam energie voor bedrijven en er zijn vaste structuren voor kennisdeling via werkgroepen en actielijnen. Dit maakt het mogelijk om te leren van elkaars ervaringen en best practices.
Tot slot helpt de regio bij de vertaling van abstracte regionale zoekgebieden uit de RES naar lokaal beleid. Dit ondersteunt gemeenten bij het maken van ruimtelijke en beleidsmatige keuzes die passen binnen de regionale afspraken. Daarnaast is een belangrijk onderdeel van de regionale samenwerking de gezamenlijke vertegenwoordiging richting provincie en netbeheerders. De GMR fungeert als bestuurlijk platform in gesprekken met partijen zoals Liander, onder meer via de Energy Board en het regionaal actieplan netcongestie. Deze gezamenlijke vertegenwoordiging vergroot de bestuurlijke invloed van individuele gemeenten, die afzonderlijk slechts beperkte onderhandelingsruimte hebben richting provincie en netbeheerders. Dit vergroot de invloed van individuele gemeenten, die afzonderlijk minder bestuurlijke slagkracht zouden hebben. Het regionaal actieplan netcongestie ondersteunt gemeenten bijvoorbeeld ook bij netbewust bouwen en integraal programmeren. Voor netbeheerders biedt de GMR een duidelijk aanspreekpunt om niet alleen bilateraal met gemeenten, maar ook op regionaal niveau te spreken over de toekomstige energie-infrastructuur.
- 27 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
Ook bij de warmtetransitie is regionale samenwerking van grote betekenis en in grensoverschrijdende gevallen noodzakelijk. Bovenlokale warmtebronnen, zoals de afvalverbrandingsinstallatie ARN, kunnen in regionaal verband worden ontwikkeld en benut. De effecten van warmtenetten reiken letterlijk over gemeentegrenzen heen, zowel qua infrastructuur als qua gebruikers. Afstemming vindt plaats over de inzet en verdeling van warmtebronnen. Deze afstemming is van belang omdat warmtebronnen vaak een bovenlokaal karakter hebben en meerdere gemeenten hier aanspraak op kunnen maken. Zonder regionale afstemming bestaat het risico dat warmtebronnen niet doelmatig of rechtvaardig worden ingezet ten behoeve van de regionale energietransitie. Regionale samenwerking maakt het daarnaast mogelijk om projecten te bundelen, wat kan leiden tot schaalvoordelen en lagere investerings- en exploitatiekosten per aansluiting. Dit vergroot tevens de kans op rijksfinanciering voor kapitaalintensieve warmtenetten.
4.3.3 Uitdagingen en knelpunten in de regionale samenwerking Naast de meerwaarde van regionale samenwerking stelt de netbeheerder een belangrijk knelpunt. De korte termijn van lokale politieke besluitvorming maakt het lastig om de langjarige zekerheid te bieden die nodig is voor investeringen in energie-infrastructuur. Netbeheerders hebben behoefte aan bestuurlijke continuïteit en voorspelbaarheid om ook na 2030 tijdig te kunnen plannen en investeren. In regionale overleggen wordt dit spanningsveld nadrukkelijk benoemd. Het vraagt van gemeenteraden dat zij over bestuursperioden heen durven te kijken en, waar mogelijk, langdurige beleidszekerheid bieden om investeringsbeslissingen te faciliteren. Ook voor verdere uitbreiding van zon-op-landprojecten zijn de mogelijkheden in Wijchen op korte termijn beperkt. De LES benoemt expliciet dat door netcongestie weinig ruimte wordt gezien voor nieuwe grootschalige zonnevelden. Dit betekent dat, ondanks de beleidsmatige aansluiting, de realisatie van regionale doelen lokaal onder druk kan komen te staan. Daarnaast wordt in de regionale samenwerking door de woningcorporatie aandacht gevraagd voor de betaalbaarheid van warmtenetten. Zij geven aan dat de investerings- en aansluitkosten voor huurders een reëel risico vormen en dat betaalbaarheid in de verdere uitwerking van warmtenetten een spanningsveld kan worden.
Ook de totstandkoming van het RES-bod kent beperkingen. Het regionale bod van 1,62 TWh is vastgesteld in een fase waarin nog beperkt verdiepend onderzoek was gedaan. Achteraf bezien had een plan-MER eerder in het proces meer duidelijkheid kunnen geven over haalbaarheid en consequenties. Dit leidt tot spanning tussen de vastgestelde regionale ambities en de uitvoeringspraktijk. Tot slot signaleert de GMR dat er een gebrek is aan ambtelijke capaciteit om de samenwerking met Wijchen te versterken. Zij merkt op dat dit een knelpunt is voor kleinere gemeenten in zijn algemeenheid. Zij worstelen met de brede en zware opgaven op het gebied van klimaat, duurzaamheid en energie.
- 28 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
Hoofdstuk 5 | Resultaten, monitoring en evaluatie van het beleid In dit hoofdstuk beschrijven we hoe het klimaat- en energiebeleid wordt gemonitord en of en hoe er aan de hand daarvan bijsturing plaatsvindt. We maken inzichtelijk wat er bekend is over de doeltreffendheid (effectiviteit) en doelmatigheid (efficiëntie) van het beleid en we beschrijven wat de gemeente doet met ervaringen van inwoners. We sluiten het hoofdstuk af met een beschrijving van de manier waarop de gemeente opgedane ervaringen en lessen meegenomen heeft in het ontwikkelen van de recent vastgestelde LES. Hiermee geven we antwoord op de volgende onderzoeksvragen: 6. Hoe wordt de voortgang van het gemeentelijke klimaatbeleid gemonitord (en geëvalueerd) en hoe zijn de uitkomsten benut voor bijsturing? 7. Wat is er bekend over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid? 8. In hoeverre heeft de gemeente inzicht in de ervaringen van inwoners en hoe zijn zij meegenomen door de beleidscyclus heen? 9. In hoeverre en op welke manier zijn opgedane ervaringen en lessen meegenomen in de ontwikkelingen van het opvolgende beleid (de recent vastgestelde LES)? a. Welke risico’s en onbenutte kansen kunnen op basis hiervan geïdentificeerd worden in het nieuwe beleid (recente ontwikkelingen)?
5.1 Kernbevindingen De monitoring en evaluatie van het klimaat- en energiebeleid in Wijchen zijn in de afgelopen jaren verbeterd. In de SDW-periode was sprake van beperkte monitoring, het ontbreken van formele evaluaties en vooral reactieve bijsturing. Met de LES is ingezet op een meer systematische en planmatige aanpak, met expliciete indicatoren, periodieke metingen en betere sturingsinformatie. Daarmee is een basis gelegd voor meer cyclische beleidssturing, al is deze nog in ontwikkeling. De doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid zijn lastig te beoordelen doordat er weinig consistente en over meerdere jaren vergelijkbare gegevens beschikbaar zijn over gerealiseerde effecten, ingezette middelen en kosten in relatie tot de beleidsdoelstellingen. Op hoofdlijnen is sprake van voortgang, zoals een daling van de CO₂-uitstoot en groei van hernieuwbare energie. Tegelijkertijd blijft de bijdrage aan de landelijke doelen onvoldoende, verloopt de ontwikkeling van windenergie in een gematigd tempo en wordt verdere groei geremd door netcongestie en capaciteitsproblemen.
5.2 Voortgang van het gemeentelijk klimaat- en energiebeleid: monitoring, evaluatie en bijsturing 5.2.1 Monitoring en voortgang In de periode van SDW was de monitoring van het gemeentelijk klimaatbeleid beperkt uitgewerkt. Rapportage aan de gemeenteraad vond hoofdzakelijk plaats via de jaarrekening of losse projectrapportages. Doelen waren onvoldoende SMART geformuleerd en de beschikbare data was beperkt en vaak projectgericht, zoals bij zon-op-dak-initiatieven. Hierdoor ontbrak een integraal beeld van de voortgang op beleidsdoelen uit SDW. In de recent vastgestelde LES is bewust ingezet op versterking van monitoring. In het uitvoeringsprogramma zijn expliciete monitoringscriteria opgenomen en wordt gestuurd op het beter meetbaar maken van resultaten. In de
- 29 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
afgelopen zes maanden heeft de ambtelijke organisatie hierin al concrete stappen gezet. Interne monitoringsdocumenten zijn aangescherpt, waarbij doelen en activiteiten systematischer zijn gekoppeld aan beoogde resultaten, indicatoren, databronnen en meetmomenten.
5.2.2 Evaluatie Tijdens en na de SDW-periode vond geen formele evaluatie plaats van het klimaat- en energiebeleid. Er is geen systematische ex-post evaluatie uitgevoerd waarin doelbereik, doeltreffendheid en doelmatigheid zijn geanalyseerd. Ook bij de overgang van SDW naar LES zijn geleerde lessen niet expliciet vastgelegd of formeel geëvalueerd. Dit beperkt het lerend vermogen van de organisatie. Tegelijkertijd laat de inrichting van de LES zien dat binnen de ambtelijke organisatie en het college wel degelijk lering is getrokken uit de eerdere periode. Deze lessen zijn niet expliciet benoemd als evaluatie-uitkomsten, maar komen impliciet tot uitdrukking in de keuze om sterker te sturen op SMART geformuleerde doelen, een meer samenhangende monitoringssystematiek en een explicietere koppeling tussen beleid, uitvoering en resultaten. De LES fungeert daarbij nadrukkelijk als nieuwe kapstok voor het gehele klimaat- en energiebeleid en markeert een nieuw startmoment, inclusief een feitelijke nulmeting. Uit de gesprekken komt naar voren dat het beleid voorheen "wolliger" en minder meetbaar was, en dat er nu wordt gestuurd op een SMART-geformuleerde aanpak en monitoring. Er is bewust gekozen voor de LES als nieuw vertrekpunt.
Daarmee lijkt het lerend vermogen van de organisatie zich vooral impliciet en gaandeweg te hebben ontwikkeld, zonder dat hierover bewust en expliciet is gereflecteerd in de vorm van een formele evaluatie. De LES biedt daarom een stevig fundament voor de volgende beleidsperiode. Hoewel een volledige evaluatiecyclus nog in ontwikkeling is, waarbij nu wordt gewerkt aan het verder uitwerken van indicatoren en meetmomenten, wordt expliciet toegewerkt naar periodieke evaluatie op basis van meetbare resultaten en tussentijdse metingen. Daarmee wordt de basis gelegd voor een meer cyclische beleidsevaluatie in lijn met de beleidscyclus.
5.2.3 Bijsturing Door het ontbreken van structurele monitoring en evaluatie in de periode van SDW, was bijsturing in de SDW-periode reactief. De gemeente stuurde bij wanneer externe ontwikkelingen daartoe noodzaakten, zoals maatschappelijke discussies over windenergie. Proactieve bijsturing en vooruitdenken waren daardoor beperkt mogelijk. In de LES-periode wordt nadrukkelijk geanticipeerd op bijsturing. Recente monitoringsdocumenten bevatten al ruimte voor jaarlijkse metingen en voortgangsrapportages. Daarmee ontstaat de mogelijkheid om tijdig te signaleren waar doelen achterblijven en gericht bij te sturen. Ook wordt hiermee een structurelere informatievoorziening aan de gemeenteraad beter mogelijk, wat de voorwaarden verbetert voor kaderstelling en controle door de raad.
5.3 Doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid 5.3.1 De beschikbaarheid van gemeentelijke data is beperkt Voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het klimaat- en energiebeleid is de beschikbaarheid van gemeentelijke data beperkt. Er zijn weinig consistente en over meerdere jaren vergelijkbare gegevens beschikbaar over gerealiseerde effecten, ingezette middelen en kosten in relatie tot
- 30 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
de beleidsdoelstellingen. Daarom vindt de beoordeling in dit rekenkameronderzoek noodgedwongen plaats op hoofdlijnen en bij benadering. Om tot een onderbouwde beoordeling te komen, hebben we gekozen voor een vergelijkende benadering. Daarbij wordt de ontwikkeling van de gemeente Wijchen afgezet tegen die van andere gemeenten in de regio en algehele provincie. De analyse is gebaseerd op NINOX-data4 en openbaar beschikbare gegevens uit Waarstaatjegemeente.nl. Deze bronnen bieden geen fijnmazig inzicht in de directe effecten van afzonderlijke beleidsinterventies. Aanvullend op deze kwantitatieve vergelijking is gebruikgemaakt van beschikbare gemeentelijke documenten, zoals jaarstukken, jaarverslagen, de programmarekening, programmarapportages en relevante passages uit beleidsdocumenten, waaronder de LES en EED-auditrapportages. Daarmee bieden zij een aanvullende kwalitatieve basis om enkele uitspraken te doen over de samenhang tussen doelen, activiteiten en middelen.
5.3.2 Uitkomsten op basis van kwantitatieve data-analyse Onderstaande vergelijking plaatst de ontwikkeling van Wijchen in provinciaal en regionaal (GMR) perspectief. Deze vergelijking is nadrukkelijk bedoeld als positionering en niet als toetsing aan vastgestelde beleidsdoelen. Zij laat zien hoe Wijchen zich verhoudt tot andere gemeenten in Gelderland, maar zegt op zichzelf niets over het behalen van gemeentelijke ambities. Ook kan uit deze cijfers geen directe relatie worden afgeleid tussen waargenomen ontwikkelingen en het specifieke beleid of de projecten van de gemeente Wijchen. Een deel van deze ontwikkelingen wordt beïnvloed door landelijke regelgeving, marktontwikkelingen en autonome keuzes van inwoners en bedrijven.Tegelijkertijd kan gemeentelijk beleid op energiearmoede, verduurzaming van woningen of bijvoorbeeld zonne-opwek effect hebben gehad op de resultaten. Kortom, deze cijfers bieden een hoog-over beeld zonder dat daar conclusies uit kunnen worden getrokken over directe effecten. Voor de regionale vergelijking op het gebied van duurzame energieopwekking wordt gebruikgemaakt van NINOX-data. Gemeenten hebben geen direct inzicht in elkaars individuele datasets. Vergelijking met soortgelijke gemeenten in de regio is daarom niet mogelijk.
In de RES 2.0, die op dit moment ter inzage ligt en nog niet is vastgesteld, is een overzichtstabel opgenomen met de bijdragen van alle gemeenten. Dit overzicht is door de GMR samengesteld op basis van alle beschikbare NINOX-data en is vastgesteld na bestuurlijke goedkeuring. Uit dit overzicht blijkt dat Wijchen momenteel circa 0,093 TWh bijdraagt aan het regionale totaal van 1,32 TWh, wat neerkomt op ongeveer 7%. Een mogelijk tweede windpark is hierin nog niet opgenomen, omdat hiervoor nog geen concreet plan bestaat. In de toekomst kan de bijdrage van Wijchen aan de regionale opgave daardoor toenemen.
Figuur 4 Aandeel per gemeente in gerealiseerde, vergunde en vergevorderde initiatieven van duurzame elektriciteitsopwek, uitgedrukt in TWh (totaal 1,32 TWh). Bron: Ontwerp RES 2.0.
4
Ninox is de tool (een database-applicatie) waarmee de GMR datagestuurd werkt aan de energietransitie en inzicht geeft in de lokale en gemeentelijke duurzame opwek van energie.
- 31 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
Uit landelijke data blijkt dat de CO₂-uitstoot in Wijchen in de periode 2011-2023 is gedaald van 251 naar 176 kiloton. Dat komt neer op een afname van circa 30%. Deze daling is substantieel, maar kan niet eenduidig worden toegeschreven aan lokaal beleid. Factoren zoals landelijke energiewetgeving, verduurzaming van de elektriciteitsmix en economische ontwikkelingen spelen hierbij eveneens een rol. Op het gebied van de kwaliteit van de woningvoorraad laat Wijchen een gunstiger beeld zien dan het provinciale gemiddelde. In Wijchen heeft 90,7% van de woningen energielabel D of beter, tegenover 85,3% in Gelderland (figuur 5). Ook bij kantoren presteert Wijchen relatief sterk. Het aandeel kantoren met een groen energielabel bedraagt 84%, terwijl dit in Gelderland gemiddeld 72,6% is (figuur 6). Figuur 5 Woningen met geregistreerd energielabel, Wijchen + Gelderland. Bron: waarstaatjegemeente.nl
Figuur 6 Kantoren met geregistreerd energielabel. Bron: waarstaatjegemeente.nl
Bij de opwek en het gebruik van hernieuwbare energie is het beeld gemengd. Het aandeel hernieuwbare energie in het totale energieverbruik bedraagt in Wijchen 10,1%, wat lager is dan het provinciale gemiddelde van 12,7%. Tegelijkertijd is het aandeel woningen met zonnepanelen in Wijchen hoger dan gemiddeld. In Wijchen heeft circa 45% van de woningen zonnepanelen, tegenover 42% in Gelderland. Daarnaast is de totale hoeveelheid hernieuwbare energie in Wijchen sterk toegenomen, van 76 terajoule in 2010 naar 274 terajoule in 2022. Dit betekent een groei van ruim 260%. Het vermogen aan zonne-energie is met circa 1,45 tot 1,95 mW in Wijchen gemiddeld binnen de regio. Figuur 7 toont het regionale overzicht. Ook hier geldt dat deze ontwikkeling mede wordt gestuurd door landelijke subsidies en marktontwikkelingen, en niet uitsluitend door lokaal beleid.
- 32 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
Figuur 7 Vermogen zonne-energie per 1000 inwoners. Bron: waarstaatjegemeente.nl
Ten aanzien van energiearmoede zijn de resultaten in Wijchen iets gunstiger dan het provinciale gemiddelde. In Wijchen heeft 5,0% van de huishoudens te maken met energiearmoede, tegenover 5,7% in Gelderland. Dit verschil is beperkt, maar plaatst Wijchen licht onder het provinciale niveau (zie figuur 8). Figuur 8 Percentage huishoudens met energiearmoede. Bron: waarstaatjegemeente.nl
- 33 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
Tot slot laat de beschikbare informatie zien dat het gasverbruik van woningen in Wijchen is gedaald. Na een piek in 2021 neemt het verbruik jaar op jaar af, zowel bij huur- als koopwoningen. Het totale gemiddelde gasverbruik daalt van 1.200 m³ in 2020 naar 860 m³ in 2024. Dat is een afname van circa 28%. Figuur 9 toont de daling voor huur- en koopwoningen. Figuur 9 Gemiddeld gasverbruik woningen in Wijchen. Bron: waarstaatjegemeente.nl
5.3.3 Uitkomsten op basis van documentenanalyse Bij particuliere woningeigenaren zijn duidelijke stappen gezet. Met campagnes zoals Winst uit je Woning en de inzet van energiecoaches is een groot aantal inwoners bereikt. Dit heeft geleid tot honderden concrete maatregelen, zoals dak- en vloerisolatie. Tegelijkertijd blijkt uit het warmteplan dat deze inspanningen nog onvoldoende zijn om de totale warmtevraag substantieel te verlagen. Het merendeel van de woningen is nog steeds afhankelijk van aardgas en een grootschalige omslag in de gebouwde omgeving blijft vooralsnog uit. Ook bij de grootschalige opwek van duurzame energie is sprake van voortgang. Gezien de huidige realisatie en de resterende opgave richting 2030 i.c.m. netcongestie is echter onzeker of de gestelde doelen behaald kunnen worden. Voor zonne-energie is circa dertig hectare aan zonneparken mogelijk gemaakt. Projecten zoals Zonnepark Kampbroek zijn gerealiseerd. Deze ontwikkelingen zijn terug te vinden in de jaarstukken en programmarekeningen. De ontwikkeling van windenergie kent daarentegen aanzienlijke vertraging. Het beoogde windproject op bedrijventerrein Bijsterhuizen is nog niet gerealiseerd. Hoewel de procedure is gestart, wordt realisatie volgens de LES pas na 2030 verwacht. Binnen de eigen gemeentelijke organisatie zijn meetbare resultaten geboekt.
Diverse gemeentelijke panden zijn verduurzaamd, hebben inmiddels energielabel A en zijn voorzien van zonnepanelen, onder andere op de gemeentewerf en bij cultureel centrum ’t Mozaïek. Uit het EED-auditrapport blijkt echter dat de gemeentelijke organisatie als geheel nog niet energieneutraal is en dat verdere stappen nodig blijven. Ten slotte laten de programmarapportages zien dat de beschikbare middelen niet altijd volledig zijn benut. In meerdere jaren is sprake van structurele onderbesteding van duurzaamheidsbudgetten, waaronder CDOKE-middelen en programmagelden. Als belangrijkste oorzaken worden een opstartfase van het beleid en capaciteitsproblemen genoemd.
- 34 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
5.4 Inwoners: inzicht in hun ervaringen en participatie in de beleidscyclus 5.4.1 Participatie bij SDW en LES Zowel in SDW als de LES wordt beschreven hoe stakeholders zijn betrokken bij het opstellen van het beleid. SDW is opgesteld met input van bewoners, woningbouwverenigingen, maatschappelijke organisaties, het Wijchense bedrijfsleven en kennisinstellingen. In het beleidsplan is opgenomen dat het belangrijk is om inwoners bewust te maken van hun belangrijke rol bij het realiseren van de ambities, waardoor de gemeente vindt dat zij moet investeren in informatie en positieve prikkels richting inwoners. Er wordt gefocust op samenwerking met bedrijven, om te werken aan de gemeentelijke energieambitie. In elk van de vijftien projecten die vallen onder dit beleidsdocument is beschreven welke partijen betrokken zijn. Afhankelijk van het project zijn dat ook inwoners(initiatieven) en vertegenwoordigers van het Wijchense bedrijfsleven. Bij het opstellen van de LES heeft er een participatietraject plaatsgevonden. De routes voor de LES zijn voorgelegd in een bijeenkomst met een brede groep stakeholders en er zijn drie participatiemomenten georganiseerd: Een digitale peiling aan de hand van stellingen onder inwoners, transitietafels LES en een serious game workshop voor jongeren.
De opbrengsten zijn meegenomen in het ontwikkelen van de LES en in de LES is per spoor opgenomen wie betrokken zijn bij de uitvoering van het spoor. Hier vallen, afhankelijk van het spoor, ook inwoners(initiatieven) en vertegenwoordigers van het Wijchense bedrijfsleven onder.
5.4.2 Participatie binnen projecten en jaarlijkse kennismetingen Naast de bovengenoemde participatie bij het opstellen van de beleidsstukken vindt er ook participatie plaats in de projecten die uitgevoerd worden, zoals het ontwikkelen van windparken, of bij het opstellen van documenten zoals de zonnevisie, blijkt uit de interviews. Daarnaast geeft de gemeente aan dat er jaarlijkse kennismetingen uitgevoerd worden onder inwoners in het kader van de communicatiecampagne “Pak je moment”. Deze meting is gericht op het peilen in hoeverre inwoners in staat zijn om met verduurzaming aan de slag te gaan. Er wordt in z’n algemeenheid (domeinoverstijgend) door de gemeente nog gezocht naar een manier om structureel feedback van inwoners op te halen via een inwonerspanel. Op 1 januari 2026 zijn drie gebiedscoördinatoren gestart, blijkt uit de gevoerde gesprekken. Het is de bedoeling dat zij de wijken in gaan, contact leggen met sleutelfiguren en inzicht vergaren in welke thema’s er in de samenleving spelen. De gebiedscoördinatoren werken domeinoverstijgend, wat maakt dat er een verbinding gelegd kan worden tussen hun activiteiten en het klimaat- en energiebeleid.
5.4.3 Het inrichten van participatie is complex Het vormgeven en in de praktijk brengen van participatie is ingewikkeld, blijkt uit de gevoerde gesprekken. Betrokkenheid van inwoners(initiatieven) en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven bij beleid en uitvoering kan complex zijn en vraagt van alle betrokkenen veel inzet en tijd. Er is wel veel welwillendheid om dit op een passende manier te doen, waarbij men soms zoekende is naar de beste manier om dit in te richten en om het contact met elkaar op een goede manier vorm te geven. Knelpunten waar men in de praktijk tegenaan loopt zijn onder andere het bereiken van de juiste doelgroepen in de participatietrajecten, de ervaren complexiteit van het onderwerp en de onzekerheden die zitten in de mogelijkheden, de gevolgen van plannen en de handelingsperspectieven. Bovendien ontstaat aandacht van inwoners soms pas wanneer beleid of uitvoering directe consequenties heeft voor hun eigen leefomgeving.
- 35 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
Inzoomend op de samenwerking tussen gemeente, inwonersinitiatieven en vertegenwoordigers van bedrijven laat zien dat ook hier de welwillendheid aanwezig is bij alle betrokkenen en dat men veel inzet pleegt om goed met elkaar samen te werken maar dat dit in de praktijk soms wel en soms iets minder goed verloopt. Knelpunten zijn beperkingen in tijd die men beschikbaar heeft om hier aan te besteden, het soms moeizaam (structureel) in contact kunnen komen met elkaar door o.a. wisseling van contactpersonen, het krijgen van onvoldoende praktische ondersteuning bij bijvoorbeeld het organiseren van activiteiten of communicatie- uitingen en het voelen van een groter wordende afstand tussen inwoners en gemeentelijke organisatie. Maar er zijn ook voorbeelden waarbij de samenwerking tussen de gemeente en (inwoners)initiatieven heel soepel verloopt en men blij is met zowel de resultaten als de samenwerking. In GMR-verband is er ook aandacht voor samenwerking tussen gemeente en bewonersinitiatieven. Er wordt herkend dat dit een complex krachtenveld is waar gemeenten handelingsperspectieven voor nodig hebben. Daarom wordt er onderzoek gedaan naar hoe omgegaan kan worden met bewonersinitiatieven in relatie tot de warmtetransitie.
In dat onderzoek wordt gekeken welke rollen een gemeente hierin kan aannemen en wat een gemeente kan doen als er geen bewonersinitiatief is om inwoners toch te activeren en te betrekken. Het doel van het onderzoek is om gemeenten handelingsperspectieven te geven voor het werken met bewonersinitiatieven.
5.5 Verwerking van lessen en ervaringen uit het verleden in de LES 5.5.1 Onbewuste lessen vormen input voor de LES Eerder in dit rapport hebben we al geconstateerd dat er binnen SDW op beperkte schaal werd gemonitord en dat er geen evaluatie heeft plaatsgevonden aan het einde van de looptijd van het beleid. Dit heeft onherroepelijk invloed gehad op de mate waarin er geleerd kon worden van SDW voor het daaropvolgende beleid, zowel voor de ambtelijke organisatie als het college en de raad. Ondanks dit gegeven blijkt dat er wel degelijk sprake is geweest van het meenemen van ervaringen en lessen uit SDW naar de LES. Zo is er bewust gekozen voor het overstappen van SDW naar de LES. Er was behoefte aan een concreter, beter en planmatiger overzicht met duidelijke kaders en bijbehorende monitoring. Deze behoefte kwam voort uit het gegeven dat SDW als heel omvangrijk, breed en vrijblijvend werd ervaren en in zekere zin daardoor wat ongrijpbaar voelde. Deze behoefte aan nieuw en verbeterd beleid had ook invloed op de manier waarop de LES is opgesteld. Er is gekozen voor een zeer gestructureerde aanpak waarbij begonnen is met een startnotitie met de veelzeggende titel “Naar een eigen Lokale Energiestrategie met uitvoeringsprogramma, die beweging én grip oplevert”.
De startnotitie was nodig omdat het (nog) niet duidelijk was waar de gemeente op dat moment stond in de warmteen energietransitie, het (nog) niet duidelijk was waar de gemeente heen wilde en heen gaat en het (nog) niet duidelijk was wat er aan acties te doen was om dit te bereiken. Bovendien werd in de startnotitie aangegeven dat er recente beleidswijzigingen en snelle ontwikkelingen op allerlei niveaus plaatsvonden die aanleiding gaven om aan te scherpen en door te rekenen welke stappen in de toekomst nodig zijn voor de warmte- en energietransitie. In de startnotitie is uitgewerkt wat de LES inhoudt, welke kaders en uitgangspunten worden gehanteerd, hoe de gemeente er nu voorstaat (de nulmeting), hoe er wordt gekeken naar participatie en communicatie in de totstandkoming van de LES en welk proces wordt doorlopen. Er is ook expliciet aangegeven dat de raad op verschillende momenten geïnformeerd wordt en wanneer de raad daadwerkelijk aan zet is, namelijk bij de keuze voor de voorkeursroute en het vaststellen van de LES. Het uitvoeringsprogramma valt onder de verantwoordelijkheid van het college.
- 36 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
Naast de gestructureerde aanpak voor het ontwikkelen van de LES, zijn er ook een paar cruciale onderdelen opgenomen in de LES die in SDW ontbraken of onvoldoende tot wasdom zijn gekomen. Zo was er in SDW beperkt sprake van monitoring en heeft er geen eindevaluatie plaatsgevonden. Binnen de LES is hier veel meer aandacht voor. Er is een nulmeting als basis voor het beleid gebruikt en binnen de LES wordt sterk ingezet op monitoring. In het document zelf is dit op hoofdlijnen omschreven. In het uitvoeringsplan is hier een plan voor opgenomen en er wordt op dit moment gewerkt aan het verder uitwerken en inrichten van dat monitoringskader. In 2030 wordt opnieuw inzichtelijk gemaakt waar de gemeente staat en wordt een nieuwe prognose en strategie gemaakt voor de periode tot 2035. Ook heeft de LES, in tegenstelling tot SDW, wel een uitvoeringsplan en zijn de financiële kaders verder uitgewerkt, ook al bieden deze kaders nog niet de volledige duidelijkheid die wel gewenst is. Zie wat we eerder daarover schreven in paragraaf 3.3.3 op pagina 16. Organisatieontwikkelingen hebben ook invloed gehad op de transitie van SDW naar LES. Door de herstructurering van de teams die zich bezighielden met dit onderwerp ontstond de mogelijkheid om de focus van duurzaamheid in SDW naar energietransitie in de LES te verschuiven.
Bovendien speelde de sterk veranderende context een rol bij het opstellen van de LES. Er kwamen meer gelden beschikbaar (CDOKE, SPUK), waardoor er voor de gemeente ook meer mogelijkheden kwamen om in te zetten op de energietransitie. Maar, hierbij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat met deze verruiming van mogelijkheden ook de opdracht voor de gemeente in omvang is toegenomen, wat ook weer uitdagingen met zich meebracht, bijvoorbeeld op het gebied van personele capaciteit. Bij het opstellen van de LES werd dus meebewogen met de veranderende situatie, zowel intern als extern.
5.5.2 Risico’s en onbenutte kansen op basis van lessen en ervaringen SDW Op basis van de ervaringen uit de periode van SDW en de overgang naar de LES kunnen verschillende risico’s en onbenutte kansen worden geïdentificeerd. Een prominent risico ligt bij de financiën, aangezien de financiering momenteel zwaar leunt op tijdelijke rijksbijdragen zoals de CDOKE- en SPUK-gelden. Dit beschreven we al eerder in paragraaf 4.2.3 op pagina 20. Een relevant leerpunt dat uit de gevoerde gesprekken naar boven kwam, is dat het gesprek tussen het college en de raad vaak niet gaat over het maken van expliciete financiële keuzes. Zo is er door het college voor gekozen om minder eigen structurele middelen in het budget op te nemen, omdat deze nu niet nodig zijn. Echter, een tegenargument is dat het behouden van structurele middelen nu de mogelijkheid geeft om een reserve aan te leggen voor het moment dat de landelijke budgetten omlaag gaan of om de mogelijkheid te hebben het geld in te zetten voor activiteiten die niet passen binnen de kaders van de landelijke gelden. Dit is daarmee een onderwerp waar het gesprek tussen college en raad over zou moeten gaan, maar op dit moment gebeurt dat niet of slechts in beperkte mate. Kijkend vanuit SDW, vertoont de volledige beleidscyclus nog een lacune, omdat er na de SDW-periode geen formele ex-post evaluatie heeft plaatsgevonden.
Dit beschreven we eerder in paragraaf 5.2.1 op pagina 23. In de LES is er wel ruimte gemaakt voor evaluatie zodat de beleidscyclus volledig kan worden doorlopen, maar het is wel van belang dat dit ook daadwerkelijk in de praktijk gebracht wordt. We constateren ook een knelpunt op het gebied van realisme in uitvoeringscapaciteit, het ontbreken van structurele middelen, een krapte op de arbeidsmarkt en technische beperkingen zoals eerder al beschreven in paragraaf 4.2 op pagina 19. De intentie van de LES is om als kapstok voor het volledige klimaat- en energiebeleid te dienen. De gestructureerde en degelijke opzet en ontwikkeling van de LES zouden daar sterk aan moeten bijdragen. De praktijk laat echter zien dat een deel van de raadsleden nog steeds een gebrek aan samenhang ervaart en dat het overzicht over het beleidsveld lijkt te ontbreken. Mogelijk had de evaluatie van SDW hier aan kunnen bijdragen.
- 37 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
Tot slot liggen er kansen in het versterken van de verbinding met de samenleving. Er heeft geen evaluatie van de participatie van inwoners bij SDW plaatsgevonden en hoewel er veel welwillendheid is voor participatie, blijft het contact met inwoners en bedrijven in de praktijk complex. Lessen uit SDW hadden mogelijk kunnen helpen bij het beter vormgeven van inwonersparticipatie binnen de LES.
- 38 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
Hoofdstuk 6 | Rol van de raad In dit hoofdstuk beschrijven we de rol van de raad bij het klimaat- en energiebeleid van de gemeente Wijchen. We kijken naar hoe de raad geïnformeerd wordt, welke informatie hij ontvangt, hoe de raad invulling geeft aan zijn kaderstellende en controlerende rol en we zoomen in op (het gebruik van) sturingsmogelijkheden van de raad. Hiermee geven we antwoord op de volgende onderzoeksvragen: 10. Hoe wordt de raad geïnformeerd en welke informatie ontvangt hij? 11. Hoe heeft de raad invulling gegeven aan zijn kaderstellende en controlerende rol? 12. Welke tussentijdse sturingsmogelijkheden heeft de raad tot zijn beschikking en in hoeverre maakt de raad gebruik van deze mogelijkheden?
6.1 Kernbevindingen Het college informeert de raad primair op hoofdlijnen via de P&C cyclus over de voortgang van het klimaat- en energiebeleid. Andere vormen van informatievoorziening zijn beleids- en visiedocumenten en informatienota’s, informatieavonden en BOT-overleggen (benen-op-tafel-overleggen). De inhoudelijke informatievoorziening wordt wisselend ervaren door de raadsleden, waarbij de meningen veelal uiteenlopen. Waar de raadsleden het wel over eens zijn, is dat de integraliteit tussen de beleidsdocumenten ontbreekt. Dit heeft invloed op zowel hun kaderstellende als controlerende rol. De ontbrekende monitoring ten tijde van SDW speelt de raad ook parten. Het ontbreken van een totaaloverzicht van doelen, resultaten en tussenstanden bemoeilijkt het voeren van het goede gesprek en daarmee ook het controleren van het beleid. De raad maakt veelvuldig gebruik van instrumenten zoals moties, amendementen en schriftelijke vragen, al is deze sturing vaak ad hoc en gericht op specifieke onderwerpen in plaats van de integrale samenhang. Door de snelle beleidsontwikkelingen en de grote verscheidenheid aan thema's blijven sturingsvragen over de consequenties voor het grotere geheel soms onderbelicht.
Daarnaast zitten er ook lacunes in de rolinvulling door de raad, zoals het niet bevragen van het college over de ontbrekende monitoring en slechts beperkt het gesprek voeren over de financiële kaders van het klimaat- en energiebeleid.
6.2 Informatievoorziening aan de raad De raad wordt door het college over de voortgang van het klimaat- en energiebeleid primair geïnformeerd via de P&C-cyclus, die zich door de jaren heen ook heeft ontwikkeld. Voor 2025 bestaat de cyclus uit een rapportage op hoofdlijnen in april, een programmarapportage in mei, de perspectiefnota en de jaarrekening in juli, een rapportage op hoofdlijnen in september, de programmarapportage en de begroting in november en de budgetoverhevelingen in december. Het uitgangspunt is dat de raad in de P&C-cyclus op hoofdlijnen wordt geïnformeerd. In de jaarrekening wordt bijvoorbeeld kort beschreven wat er op hoofdlijnen rondom het beleid is gebeurd in dat jaar en tot op zekere hoogte wat er in de uitvoering heeft plaatsgevonden, vaak zonder (uitgebreide) argumentatie waarom iets anders is gelopen dan gepland. Omdat er ten tijde van SDW weinig gebruik werd gemaakt van indicatoren is de informatie voornamelijk beschrijvend. We zien ook een verschuiving in verstrekte financiële informatie in de jaarrekening. Vanaf 2023 wordt er uitgebreider ingezoomd op beschikbare middelen en bijbehorende uitgaven dan in de jaren daarvoor. Dit valt te verklaren door het beschikbaar komen van de CDOKE- en SPUK-gelden, waar we eerder in dit rapport ook al over hebben geschreven.
- 39 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
Naast documenten uit de P&C-cyclus gaan er ook andere stukken naar de raad, zoals beleids- en visiedocumenten en informatienota’s. Er wordt ook mondeling informatie aan de raad verstrekt via bijvoorbeeld informatieavonden, een toelichting van de portefeuillehouder of zogenoemde BOT-overleggen. De inhoudelijke informatievoorziening wordt wisselend ervaren, blijkt uit het gesprek met een afvaardiging van raadsleden. Aan de ene kant zijn er raadsleden die zich goed meegenomen voelen in het onderwerp en daardoor dit onderwerp goed kunnen volgen. Aan de andere kant zijn er raadsleden die aangeven dat ze een gebrek aan samenhang en overzicht (“helikopterview over het grotere geheel en de onderlinge relaties”) ervaren in de verschillende beleidsstukken en verstrekte informatie. Ditzelfde verschil zien we ook op de hoeveelheid informatie die door het college verstrekt wordt (voldoende versus te weinig) en op de inhoud van de informatie (te oppervlakkig versus te technisch). Voor deze laatste worsteling is ook wel begrip - de materie is complex en het is lastig om het juiste informatieniveau te vinden. Deze wisselende wensen in relatie tot de informatievoorziening aan de raad maken dat het voor het college en de ambtelijke organisatie moeilijk is om de informatievoorziening zo in te richten dat deze voldoet aan de behoefte van de raad.
Zeker ook omdat hier sprake is van een spanningsveld tussen detail en hoofdlijnen waarbij de vraag is waar de raad nou wel en niet over gaat. Waar de raadsleden het wel over eens zijn is dat de integraliteit tussen de beleidsdocumenten ontbreekt. Uit de reflectiesessie kwam naar voren dat de aanwezige raadsleden ook niet per se behoefte hebben aan extra schriftelijke informatie, maar dat het gesprek voeren met elkaar als wenselijk wordt gezien. Bijvoorbeeld door het organiseren van informatieavonden of BOT-overleggen. Al worden daar ook kanttekeningen bij geplaatst, zoals het informele karakter van de BOT-overleggen waardoor het weer ingewikkeld wordt om een politieke discussie te hebben, geeft men aan. Op het gebied van beschikbare informatie speelt de ontbrekende monitoring ten tijde van SDW de raad ook parten, blijkt uit het gesprek met een afvaardiging van de raad. Het ontbreken van een totaaloverzicht van doelen, resultaten en tussenstanden bemoeilijkt het voeren van het goede gesprek en daarmee ook het controleren van het beleid. Hier gaan we verder op in in paragraaf 6.3. De raadsleden benoemen het sociaal domein als goed voorbeeld, waarbij ze op een gestructureerde manier schriftelijke informatie ontvangen, gevolgd door een presentatie in de raad.
Ze vragen zich wel af of dit past bij monitoring van klimaat- en energiebeleid, omdat dit beleidsterrein wel sterk verschilt van het sociaal domein.
6.3 Kaderstellende en controlerende rol van de raad 6.3.1 Kaderstellende rol Op basis van de gevoerde gesprekken en de bestudeerde documenten zien we dat de raad zoekende is naar de juiste invulling van zowel de kaderstellende als de controlerende rol die ze moeten vervullen. Voor SDW hebben we weinig inzicht kunnen krijgen in hoe de kaderstelling daar heeft plaatsgevonden, wegens het ontbreken van collectief geheugen zowel aan de kant van de raad als aan de kant van het college en de ambtelijke organisatie. Dat is niet vreemd, gezien SDW ruim zes jaar geleden in oktober 2018 is vastgesteld en het traject om te komen tot dat beleid nog langer geleden heeft plaatsgevonden. Bovendien was er toen geen centrale portefeuillehouder voor het klimaat- en energiebeleid. Voor de beleidsdocumenten die in de meest recente raadsperiode (2022-2026) zijn vastgesteld, hebben we beter inzicht in hoe de raad zijn kaderstellende rol heeft vervuld. In de stukken zien we dat de raad sturingsinstrumenten inzet (hier gaan we dieper op in in paragraaf 6.4 op pagina 36), maar dat er ook sprake is van een worsteling. Het gevoel van invloed op het beleid wisselt binnen de raad. Waar het ene raadslid het gevoel heeft voldoende invloed te hebben, heeft het andere raadslid dit gevoel niet. Dit geldt zowel voor lokaal als regionaal beleid.
Er wordt aangegeven dat de raad vaak niet goed weet wanneer en waarop invloed
- 40 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
uitgeoefend kan worden. Ook voert de raad vaak goede discussies over deelonderwerpen, maar mist het overzicht op het totale beleidskader, de samenhang en de historische lijn van besluiten en afspraken en de voortgang daarop. Wanneer we inzoomen op de totstandkoming van de LES, dan zien we dat dat een uitgebreid traject is geweest, waarbij er op diverse momenten raadsbetrokkenheid is geweest. Wat daarin het meest naar voren springt, is dat de keuze voor de te volgen route aan de hand waarvan de LES uiteindelijk is opgesteld en uitgewerkt door de raad is gemaakt. Uit de gesprekken met een afvaardiging van de raad komt ook naar voren dat ze ervaren op veel momenten betrokken te zijn bij de ontwikkeling van de LES specifiek en beleid in z’n algemeenheid, al geven een aantal raadsleden aan dat toch de grote lijn in het beleid ontbreekt. Ook constateren we een lacune in hoe de raad zijn kaderstellende rol vervult, namelijk op het gebied van de financiële kaders van het klimaat- en energiebeleid. Uit de documentenstudie en de gesprekken die we hebben gevoerd bleek dat er gekozen is om het structurele budget te verminderen omdat er voor nu voldoende middelen vanuit het Rijk beschikbaar zijn. Echter, deze rijksmiddelen zijn eindig en er zitten voorwaarden vast aan het uitgeven ervan die beperkend kunnen werken.
Op de vraag of deze vermindering een keuze is geweest naar aanleiding van een gesprek tussen raad en college bleek dat dit niet het geval is. Uit het gesprek met een afvaardiging van raadsleden blijkt dat het onderwerp financiën voor klimaat- en energiebeleid vooral terugkomt tijdens de bespreking van de begroting/perspectiefnota en er dan vooral een integrale afweging wordt gemaakt en niet zo zeer over dit soort specificiteiten wordt gesproken. De politieke keuze - het structurele budget wel of niet verminderen en de voor- en nadelen van beide - is daardoor niet bewust/expliciet gemaakt. Er wordt in het gesprek ook aangegeven dat het een afweging is voor raadsleden aan welke onderwerpen ze aandacht besteden en op welke manier. Spreken over financiën in relatie tot klimaat- en energiebeleid staat minder hoog op de prioriteitenlijst dan spreken over de inhoud ervan. Wanneer we inzoomen op de Routekaart Duurzame Warmte Wijchen, dan zien we dat de raad daar een extra go-no-go-moment heeft opgenomen om zo beter geïnformeerd een beslissing te kunnen nemen. Dat is een concrete vorm van de regie pakken in het kaderstellende proces.
6.3.2 Controlerende rol Kijkend naar de controlerende rol in relatie tot SDW, dan zien we daar verschillende knelpunten. Door het ontbreken van een uitvoeringsplan met bijbehorende monitoring was het voor de raad niet goed mogelijk om de voortgang en het doelbereik te volgen. Maar daar heeft de raad ook zelf een rol in gespeeld. Het college is niet actief bevraagd op het ontbreken van het uitvoeringsplan en bijbehorende monitoring. Uit het gesprek met een afvaardiging van raadsleden komt naar voren dat dat komt door de waan van de dag en de snelle opvolging van stukken. Het is moeilijk om dan in de gaten te houden of het college daadwerkelijk doet wat is toegezegd. Met de komst van de LES zijn de randvoorwaarden voor het beter vervullen van de controlerende rol verbeterd. Er is een duidelijk uitvoeringsplan en er wordt sterk ingezet op het ontwikkelen van een monitor die inzichtelijk kan maken wat de voortgang op het bereiken van de doelen is. Dit is nog in ontwikkeling, maar het zijn goede aanknopingspunten om te denken dat deze monitor daadwerkelijk het gezochte inzicht gaat bieden. Het knelpunt van het gebrek aan overzicht en inzicht dat we beschrijven bij de kaderstellende rol, geldt ook voor de controlerende rol van de raad. Het is een knelpunt dat over de verschillende rollen heen wordt ervaren en zowel voor lokaal als regionaal beleid geldt.
- 41 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
6.3.3 Versterken kaderstellende en controlerende rol Op de vraag wat de raad nodig heeft om de kaderstellende en de controlerende rol goed te vervullen, worden voornamelijk antwoorden gegeven die te maken hebben met het verbeteren van de informatievoorziening aan de raad en het creëren van overzicht binnen het gehele beleidsveld. De raadsleden noemden onder andere: ● Het hebben van een helder overzicht over alle beleidsstukken heen - hoe hangen ze samen en welke invloed heeft het ene stuk op het andere stuk? ● Het hebben van een helder overzicht van alle doelen en bijbehorende afspraken. ● Duidelijke monitoring van de voortgang waarbij ook regelmatig terugkoppeling aan de raad plaatsvindt. ● Het krijgen van informatie op het juiste niveau - niet te diep en niet te hoog-over. ● Op werkbezoek gaan en praktijkvoorbeelden zien om de complexiteit van het onderwerp hanteerbaar te maken. ● Het hebben van duidelijkheid over op welke momenten en op welke manier de raad invloed kan uitoefenen, zowel lokaal als regionaal. Het nieuwe beleidskader, de LES, biedt voor een aantal van bovenstaande wensen al aanknopingspunten. Met name de wensen die gericht zijn op monitoring van de voortgang en informatie krijgen op het juiste niveau hebben daarin al een plek gekregen.
Daarnaast is de ambtelijke organisatie voornemens te gaan werken met een infographic waarin de samenhang der dingen en de voortgang inzichtelijk worden gemaakt en het de raad helpt te sturen op hoofdlijnen.
6.4 Sturingsmogelijkheden van de raad 6.4.1 Algemene sturingsmogelijkheden Gemeenteraden hebben een aantal instrumenten ter beschikking om te sturen. Hieronder vallen onder andere moties, amendementen, schriftelijke of mondelinge vragen, het initiatiefrecht, het recht van interpellatie en het recht van onderzoek (bijvoorbeeld uitgevoerd door de Rekenkamer). Uit de deskresearch komt naar voren dat de gemeenteraad vanaf het vaststellen van SDW veel schriftelijke vragen heeft gesteld en ook gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om moties en amendementen in te dienen. De vragen stippen een grote verscheidenheid aan onderwerpen aan en lopen uiteen van het vragen naar overzicht, samenhang en prioriteiten in de energietransitie tot zorgen over de plaatsing van transformatorhuisjes, het wel of niet willen van warmtenetten, mogelijkheden tot waterstof, effectiviteit van energiecoaches, verduurzaming van huurwoningen, energiearmoede bij mensen in de schuldsanering, hoge energiekosten bij ondernemers, de energiebesparingsplicht, geluidsoverlast van windmolens en het beoordelen van aanvragen voor zonneparken. Wat opvalt, is dat er niet altijd vragen worden gesteld wanneer dat misschien wel nodig zou zijn.
Over het ontbreken van het uitvoeringsplan bij SDW zijn bijvoorbeeld geen schriftelijke vragen gesteld door de raad, terwijl dat een instrument is dat veelvuldig door raadsleden wordt ingezet5. De verklaring die hiervoor gegeven wordt door de gesproken raadsleden is de snelle opvolging van stukken en de vele ontwikkelingen binnen dit beleidsveld. Bovendien geven ze aan dat vragen vaak ad hoc zijn en gericht op kleine, afgebakende onderwerpen. De onderliggende vraag wat een keuze betekent voor het grotere geheel en de consequenties daarvan, komt niet vaak terug. Dit geldt ook voor de moties. Zowel bij het vaststellen van SDW als bij het vaststellen van de LES zijn er moties ingediend door de raad, bijvoorbeeld over de handhaving energiebesparingsplicht (LES), de gemeentelijke organisatie energieneutraal en toewerken naar Wijk van de Toekomst (SDW). 5
In de jaarstukken vanaf 2018 wordt door het college melding gemaakt van de voortgang van het opstellen van een uitvoeringsplan. Echter, het opstellen ervan loopt vertraging op om diverse (beperkt uitgewerkte) redenen (gemeld in de jaarstukken 2019, 2020 en 2021) en vanaf 2022 wordt niet meer gesproken over het opstellen van een uitvoeringsplan voor SDW.
- 42 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
Ook voor andere stukken die raken aan klimaat- en energiebeleid zijn moties ingediend. Voorbeelden hiervan zijn de motie “Grote daken bij bedrijven zien de zon” in relatie tot de Visie op zonne-energie gemeente Druten & Wijchen en de aanpalende motie “Meer zonnepanelen op bedrijfspanden” in relatie tot de begroting 2023, maar ook de motie voor het mogelijk inzetten van meer energiecoaches in relatie tot diezelfde begroting en de motie voor het inzichtelijk maken van alternatieven voor het ARN-warmtenet in relatie tot de Routekaart Duurzame Warmte Wijchen. De raad heeft amendementen ingediend voor SDW, waarbij extra projecten zijn toegevoegd en gevraagd is om aan alle voorstellen waarmee het college naar de raad komt toe te voegen wat de besparing in kWh/m3 gas is, wat de op dat moment actuele opgave is (maar dit niet vaker dan eenmaal per jaar uit te laten rekenen) en wat het rendement van de investering is. Ook zijn er voor andere stukken die raken aan klimaat- en energiebeleid amendementen ingediend. Bijvoorbeeld een aanvullend go-no-go-moment bij de Routekaart Duurzame Warmte Wijchen en het niet rijp voor besluit zijn van de Transitievisie Warmte en daarom het verzoek aan het college een strategische visie op de warmtetransitie uit te werken.
6.4.2 Sturingsmogelijkheden in relatie tot gemeenschappelijke regelingen Naast de sturingsmogelijkheden die de raad bij eigen gemeentelijk beleid heeft, zijn er verschillende sturingsmogelijkheden voor de raad binnen gemeenschappelijke regelingen, zoals de GMR. Om raden handvatten te bieden om goed te kunnen sturen heeft BMC een dashboard ontwikkeld waarin aan de hand van het governancemodel in de verschillende fasen van plan, do, check en act de belangrijkste instrumenten en knoppen inzichtelijk zijn gemaakt waarmee de raad kan sturen, controleren, verantwoorden en toezien (figuur 10). We zien dat ook hier met betrekking tot de RES door de raad zowel schriftelijke vragen als moties en amendementen zijn ingediend en dat er gebruikgemaakt wordt van de mogelijkheid van het indienen van zienswijzen (via het college) en dat over de inhoud van deze zienswijzen met het college het gesprek wordt gevoerd. Daarnaast ontvangt de raad veel informatie vanuit de RES en worden er ook regionale sessies georganiseerd die bijdragen aan kennisuitwisseling. Figuur 10 Overzicht instrumenten en knoppen waarmee de raad kan sturen, controleren, verantwoorden en toezien binnen een gemeenschappelijke regeling
- 43 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
6.4.3 Verandering van toekomstige sturingsmomenten warmtetransitie sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2024 is de formele rol van de gemeenteraad binnen de warmtetransitie veranderd. Waar de raad voorheen bevoegd was om de Transitievisie Warmte vast te stellen, is de vaststelling van de opvolger hiervan (het toekomstige warmteprogramma) onder het nieuwe stelsel een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Ook de komende wijkuitvoeringsplannen vallen onder de verantwoordelijkheid van het college. Het warmteprogramma is hierbij een verplicht programma onder de Omgevingswet (samen met het volkhuisvestingsprogramma)6. De raad behoudt echter de regie op hoofdlijnen en de juridische borging via de beleidsstukken/regelgeving die wel exclusief aan hen zijn voorbehouden: de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Hiermee verschuift het zwaartepunt voor de raad van het vaststellen van specifieke uitvoeringsdocumenten naar het stellen van kaders aan de voorkant (omgevingsvisie) en het controleren van deze kaders aan de achterkant (omgevingsplan). Dit vraagt scherpte van de raad bij actualisaties van de omgevingsvisie en omgevingsplannen. Figuur 11 Overzicht sturingsmomenten gemeenteraad binnen de warmtetransitie.
6
https://iplo.nl/regelgeving/omgevingswet/
- 44 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
Hoofdstuk 7 | Beantwoording van de hoofdvraag en normenkader 7.1 Beantwoording van de hoofdvraag In hoeverre is er, sinds het vaststellen van het beleidsplan “Samen naar een duurzaam Wijchen (2018-2023)”, sprake van een doeltreffende en doelmatige aanpak binnen de gemeente Wijchen als het gaat om haar klimaat- en energiedoelstellingen? Op de vraag in hoeverre er sinds het vaststellen van “Samen naar een duurzaam Wijchen (2018-2023)” sprake is van een doeltreffende en doelmatige aanpak van de klimaat- en energiedoelstellingen, luidt het antwoord dat de gemeente Wijchen zich in een duidelijke overgangsfase bevindt. Er is een verschuiving zichtbaar van een zoekende, ad hoc-aanpak in de periode van SDW, waarvan de doeltreffendheid en de doelmatigheid lastig eenduidig is vast te stellen, naar een meer professionele en gestructureerde programmasturing in de huidige periode waarin de LES van toepassing is. Of deze meer professionele en gestructureerde aanpak daadwerkelijk leidt tot het tijdig behalen van de doelen uit de LES, zal moeten blijken uit de toekomstige monitoring. Maar de basis voor een doeltreffende en doelmatige aanpak is in de huidige situatie aanzienlijk steviger dan voorheen.
7.2 Ingevuld normenkader Norm
Antwoord
Score
Er is een vastgesteld beleidsstuk.
Zowel SDW als de LES zijn vastgesteld.
🟢
De ambities en beleidsdoelen zijn benoemd en SMART geformuleerd.
Hier zit een duidelijk verschil tussen SDW en de LES.
Beleid
In SDW worden ambities wel benoemd, maar niet volledig SMART geformuleerd. Er is een duidelijke langetermijnambitie, echter de doorvertaling naar concrete tussendoelen, kortetermijnresultaten en heldere indicatoren voor doelbereik is beperkt. In de LES is een duidelijke verbeterslag gemaakt. De doelen zijn explicieter en beter meetbaar gemaakt, bijvoorbeeld met een concreet doel van 39% CO₂-reductie in 2030.
In het beleidsstuk zijn duidelijke financiële kaders opgenomen, die gelinkt zijn aan de te behalen beleidsdoelen.
Hier zit een duidelijk verschil tussen SDW en de LES. In SDW was er weliswaar een structureel budget beschikbaar, maar waren de financiële kaders beperkt uitgewerkt. Er was onvoldoende inzichtelijk welke middelen nodig waren, waaraan deze besteed zouden worden en welke inzet op de langere termijn vereist was. In de LES zijn er stappen gezet ten opzichte van SDW, maar dit lost niet geheel het knelpunt binnen deze norm op. De financiële kaders zijn explicieter dan binnen SDW, maar het onderscheid tussen eigen gemeentelijke middelen en landelijke financiering is niet geheel duidelijk en de koppeling tussen de financiële kaders
- 45 BMC, Rekenkameronderzoek Klimaat- en energiebeleid
🟡 🟢 🟡 🟡
Norm
Antwoord
Score
en de beoogde doelen is daardoor ook niet geheel duidelijk.
🟢
De gemeentelijke doelstellingen zijn in lijn met de regionale RESdoelstellingen en de mogelijkheden binnen de GMR. Indien de gemeentelijke doelstellingen niet in lijn zijn met de RES-doelstellingen en de mogelijkheden binnen de GMR is dit toegelicht.
De gemeentelijke doelstellingen van Wijchen sluiten in hoge mate aan bij de regionale doelstellingen zoals vastgelegd in de RES Arnhem-Nijmegen. Zowel SDW als de LES zijn consistent met de regionale koers, zonder onderlinge tegenstrijdigheden, ondanks dat SDW is vastgesteld voor de oplevering van de RES 1.0. Dit komt doordat zowel SDW als de RES voortbouwen op eerdere nationale en regionale afspraken. Daarnaast benut Wijchen de mogelijkheden die de samenwerking binnen de GMR biedt.
Het gemeentelijk beleid maakt beargumenteerd duidelijk in hoeverre het aansluit bij de doelen die in het Nationaal Klimaatakkoord (2019) gesteld zijn.
SDW is opgesteld in een periode dat het Nationaal Klimaatakkoord nog in ontwikkeling was. Daarom is deze norm niet van toepassing op SDW. In de LES geeft de gemeente aan de landelijke lijn van 55% CO₂-reductie in 2030 te volgen. Met het Energie Transitie Model is uitgerekend wat ervoor nodig is om dat te halen. Uit de gemeentelijke prognoses blijkt dat wat er voor nodig is om de 55% in 2030 te halen niet haalbaar is. De verklaring die daarvoor gegeven wordt is helder: de groei in bedrijvigheid en bewonersaantallen sinds 1990. NB Er wordt wel aangegeven dat de verwachting is dat 100% reductie in 2050 wel gehaald wordt.
N.v.t.
🟢
Organisatie en uitvoering Er is een uitvoeringsplan, inclusief een overzicht van de taken, rollen en verantwoordelijkheden en hoe deze zijn belegd in de organisatie.
Hier zit een duidelijk verschil tussen SDW en de LES. Voor SDW is geen formeel vastgesteld uitvoeringsplan beschikbaar. Hoewel in het beleid stond dat er een uitvoeringsplan zou komen, is dit nooit bestuurlijk vastgesteld of aan de raad voorgelegd. Er werd gewerkt met een vereenvoudigde interne uitvoeringsagenda zonder formele status. Ook was er niet één verantwoordelijk portefeuillehouder, maar was dat een gedeelde taak binnen het college. Voor de LES is wel een uitvoeringsplan gemaakt en vastgesteld door de raad, waarbij in de LES zelf al per spoor is opgenomen wie er betrokken zijn bij de uitvoering en er is één portefeuillehouder vanuit het college verantwoordelijk voor dit beleid.