CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

BP CPO de Steenuil Bergharen

Raad openbaar Wijchen 22 juni 2023, gemeente wijchenBij agendapunt: 111196 Beslisnota Vaststelling juridisch en ruimtelijk kader voor CPO de Steenuil27.579 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.7

Geur

4.7.1

Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

31

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

Niet-concentratiegebied

diercategorieën Rgv

maximaal 3 ouE/m³

maximaal 2 ouE/m³

andere diercategorieën

minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object

minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object

diercategorieën Rgv

maximaal 14 ouE/m³

maximaal 8 ouE/m³

andere diercategorieën

minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object

minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. De gemeente Wijchen heeft geen gemeentelijke geurverordening vastgesteld. De normen voor de geurbelasting op basis van de Wet geurhinder en veehouderij zijn daarom van toepassing. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:  de geurbelasting wordt bepaald;  de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

4.7.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van agrarische bedrijven met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is gelegen aan de Laarsdijk 3 en betreft een melkveebedrijf met een richtafstand van 100 m voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. De afstand van de beoogde woningbouwontwikkeling tot het melkveebedrijf betreft circa 400 m. Het melkveebedrijf vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bovendien zijn tussen de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied al andere gevoelige woonbestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.

32

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied). Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren.

Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. Het Bevt verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Voor het bepalen van de risico's op het gebied van externe veiligheid is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Hieruit komt het volgende naar voren:

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering)

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

33

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen Inrichtingen c.q. bedrijven Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Transport over waterwegen Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een waterweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Transport over wegen Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Transport over het spoor Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een spoorweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een buisleiding waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9

Waterhuishouding

Wettelijk kader Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, moet een watertoets worden uitgevoerd op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (artikel 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (artikel 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en -opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. In de waterparagraaf is tevens het advies van de waterbeheerder verwerkt. Er is een infiltratieonderzoek uitgevoerd voor het plangebied.

De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd. Doel van dit onderzoek is om een beschrijving te geven van de huidige bodemkundige en (geo)hydrologische situatie (bureaustudie), de gehanteerde uitgangspunten en de randvoorwaarden, de mogelijkheden om (afgekoppelde) neerslag in de toekomstige situatie te verwerken. Dit om zo tot een duurzame ontwikkeling te komen. Om na te gaan of de doorlatendheid van de bodem ter plaatse geschikt is, zijn veldmetingen verricht. Hierna is de K-waarde bepaald en zijn de resultaten beschreven met aanbevelingen om te komen tot een hemelwater neutrale planontwikkeling. De resultaten van dit onderzoek vormen de basis voor navolgende waterparagraaf.

34

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen

Beschrijving watersysteem Geomorfologie en geohydrologie Het plangebied is op dit moment een agrarisch perceel zonder terreinverharding. Het plangebied ligt net als het westelijk gelegen centrum hoger gelegen met noordoostelijk een hoger gelegen heuvel (noordoost). Binnen het plangebied is een lichte helling aanwezig van circa 8,6 m +NAP (oost) naar 8,3 m +NAP (west). De westelijk gelegen Dorsvlegel ligt op circa 8,2 m +NAP waarbij de woningen op circa 8,4 m +NAP. Om de lokale bodemopbouw vast te stellen zijn er binnen het plangebied drie handmatige profielboringen geplaatst tot circa 2,4 m. De lokale bodemopbouw bestaat, op basis van veldwaarnemingen, uit een zwakke humeuze toplaag van 0,5 tot 1,0 m dik met matig grof, zwak siltig zand. Onder deze humeuze laag gaat de bodem over in zwak siltig, matig grof zand met een grijzige kleur. Het grondwater is bij de uitvoering aangetroffen op 1,5 m -mv of circa 6,8 m +NAP. Dit is hoger dan de op basis van meetgegevens uit het Dinoloket verwachte hoogste grondwaterstand. Gezien de hoogteligging van het plangebied is er ter plaatse voldoende ontwateringsdiepte aanwezig voor de voorgenomen woningbouw. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied.

Het plangebied ligt wel net binnen het intrekgebied van het op circa 5 km noordwestelijk gelegen drinkwaterwingebied Druten. Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater niet toegestaan is. Door de voorgenomen nieuwbouw van woningen en door te voldoen aan de DUBO-maatregelen is geen toekomstige vervuiling en dus geen nadelige invloed door het lokaal te verwerken hemelwater te verwachten Oppervlakte- en afvalwatersysteem Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is ook door de ligging op een rivierduin geen oppervlaktewater aanwezig. Het is derhalve niet mogelijk om vanuit het plangebied water rechtstreeks te lozen op het oppervlaktewater. Het planvoornemen heeft derhalve geen direct effect op het bestaand oppervlaktewatersysteem. Het plangebied wordt aangesloten op de riolering onder de Dorsvlegel in de bestaande kern Bergharen. Ecosysteem Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (Gelders Natuurnetwerk) en ook niet in een beschermingszone voor natte natuur. Waterbeleid en waterbeheer Gemeentelijk waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn thema's en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven.

Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater Een perceeleigenaar moet het huishoudelijk afvalwater of het bedrijfsafvalwater op de openbare riolering lozen (Besluit lozing afvalwater huishoudens artikel 7 en 10 en Activiteitenbesluit artikel 2.1 en 2.2). Als dit niet mogelijk (doelmatig) is, zorgt de perceeleigenaar voor een zo milieuvriendelijk mogelijke manier van verwerking of verwijdering van het afvalwater. De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wet milieubeheer artikel 10.33). Zorgplicht hemelwater Een perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein of voor het eventueel lozen van hemelwater op oppervlaktewater. Als dit niet mogelijk is zorgt de gemeente voor het inzamelen, transporteren en verwerken van het hemelwater, mits doelmatig (Waterwet artikel 3.5).

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

35

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen Zorgplicht grondwater Een perceeleigenaren is zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. Als dit niet mogelijk is treft de gemeente maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet artikel 3.6). Zorgplicht oppervlaktewater (waterschap) De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Voor lozing op oppervlaktewater (A-, B- en C-water) heeft de perceeleigenaar een vergunning van het waterschap nodig (Waterwet artikel 6.2). Een perceeleigenaar (of aanliggende perceeleigenaar) is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van oppervlaktewater (B- en C-water volgens de legger van het waterschap) dat op eigen terrein ligt. Het waterschap draagt zorg voor het onderhoud van A-watergangen. Voor ingrepen of activiteiten in of nabij watergangen danwel in of nabij een waterkering heeft een perceeleigenaar een Keur-ontheffing van het waterschap nodig. Leefomgeving en ruimtegebruik Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied.

De ruimtelijke ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening is gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven zijn gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, welzijn, volkshuisvesting, verkeer/vervoer en energie. Gevolgen van/voor het plan Zoals verderop onder 'Waterberging' is aangegeven, neemt de hoeveelheid verhard oppervlak in het plangebied toe ten opzichte van de bestaande situatie. De ruimtelijke ontwikkeling heeft daarmee invloed op de waterhuishouding van het plangebied. Verderop in deze paragraaf is aangegeven welke maatregelen genomen worden om de effecten te compenseren. Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde kwaliteitseisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater wordt voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a.

door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater alleen lozen via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij zijn water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt. Waterstromen zichtbaar (bovengronds) afvoeren. Gevolgen van/voor het plan Het plangebied wordt aangesloten op de riolering onder de Dorsvlegel in de bestaande kern Bergharen. waarnaar het afvalwater kan worden afgevoerd. De precieze aansluiting van de nieuwe woningen op de riolering zal in een later stadium (in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen) in overleg met de gemeente Wijchen worden uitgewerkt.

36

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. De afstroming van het hemelwater van het verhard oppervlak in het plangebied naar de wadi's wordt expliciet beleefbaar gemaakt. De wadi’s krijgen een flauw talud waardoor het onderdeel wordt van de groene ruimte en niet ervaren wordt als een technische bak met harde randen. De wadi’s worden ingezaaid met bloem- en kruidenrijk grasland van inheemse, gebiedseigen soorten. Op twee plekken wordt de wadi doorsneden door de oprit van een aantal woningen. Door middel van een buis of goot onder de oprit staan de verschillende delen van de wadi met elkaar in verbinding. Daarmee is de 'belevingswaarde' van toepassing op het plangebied.

Klimaatadaptatie Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving, anticiperend op hevigere perioden met hitte, neerslag en droogte. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Zorgdragen voor voldoende waterberging, tegen hemelwateroverlast en ter buffering van water in droge tijden (zie ook waterberging). Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. Grondwateronttrekking (verdroging) beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Verder bij de ruimtelijke ontwikkeling rekening houden met de droogtegevoeligheid van de locatie en mogelijke bodemdaling die daardoor kan ontstaan. Gevolgen van/voor het plan Drinkwaterverspilling moet worden voorkomen.

Gebruik van hoogwaardig drinkwater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot hoogwaardige toepassingen. Zo mogelijk wordt hemelwater gebruikt voor laagwaardige toepassingen. Dit punt wordt nader uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen. Zoals verderop onder 'Waterberging' is aangegeven, neemt de hoeveelheid verhard oppervlak in het plangebied toe ten opzichte van de bestaande situatie. De ruimtelijke ontwikkeling heeft daarmee invloed op de waterhuishouding van het plangebied. Verderop in deze paragraaf is aangegeven welke maatregelen genomen worden om de effecten te compenseren. Waterberging Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken zoveel mogelijk afkoppelen van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool.

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

37

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen Compenseren van het verlies aan waterberging, indien hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater. De compensatieplicht (Keur waterschap) houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Dit met een eenmalige uitzondering van 500 m² (stedelijk gebied) en 1.500 m² (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. De compensatieplicht geldt niet in individuele gevallen als op een afstand van 100 m of meer van het oppervlaktewater wordt geïnfiltreerd (beleidsregels Keur artikel 5.16 toetsingscriterium 2). Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Gevolgen van/voor het plan Om tot een hydrologisch duurzame ontwikkeling te komen, dient het hemelwater op eigen terrein verwerkt te worden, waarbij de voorkeur uit gaat naar infiltratie. Uit de resultaten van het infiltratieonderzoek (zie bijlage 5) blijkt dat er een zeer goede infiltratiesnelheid aanwezig in zowel de verzadigde als onverzadigde zone (4-7 m per dag).

Er zijn tot de verkende diepte van circa 2,4 m -mv ook geen belemmerende bodemlagen zoals leemlagen waargenomen die een belemmering kunnen zijn voor de infiltratiesnelheid. Uit de profielboringen blijkt dat er geen slecht doorlatende bodemlagen aanwezig zijn. Dit wordt bevestigd door de uitgevoerde zeefkromme analyses. De humeuze bovengrond is geschikt voor gebruik als zandbed en de hieronder gelegen niet humeuze bodemlaag is geschikt beschouwd als draineerzand. De lokale bodem is zeer geschikt voor de aanleg van een infiltratievoorziening en kan voldoende snel infiltreren om een voorziening binnen 24 uur te ledigen. Wel is enige waterberging geadviseerd om piekneerslagen tijdelijk op te vangen. De benodigde capaciteit van de infiltratievoorziening is afhankelijk van het toekomstig verhard oppervlak. Op basis van de ontwerptekening is een toekomstige verharding ter plaatse van de woonkavels bepaald op circa 3.035 m². Als maximale variant is op basis van kengetallen in onderstaande tabel voor het uitgeefbaar terrein (woningen) een overzicht van de bepaalde toekomstige verhardingen opgenomen (80 - 90% verharding rekening houdend met paden, terras en tuinhuis, zie bijlage 2 van het infiltratieonderzoek. Soort oppervlak

Toekomstige situatie (m2)

Woonkavels

Daken: 1.485 Tuinverharding: 2.200*0,5 = 1100 Opritten: 450

Woonkavels kengetallen

4.009 totaal, waarvan (1.743 x 0,8) tweekappers (2.905 x 0,9) rij + patio (geschakeld)

Openbare wegen en paden

1.320

Parkeerplekken

420

Totaal verhard openbaar

1.740

Totaal verhard eigen terrein

2.900

Uit de tabel kan worden afgelezen dat er in totaal 1.740 m² aan openbare verharding wordt aangebracht en circa 4.009 m² verwachte verharding ter plaatse van de woonkavels. Dit is meer dan de bepaalde 3.035 m² aan verharding op basis van de huidige plantekening (inclusief 50 % verharding tuin). De planopzet is dat de woonkavels hun eigen hemelwater verwerken. De benodigde voorziening is afhankelijk van het toekomstig gesloten verharding. De openbare verharding zal door middel van wadi’s in het openbare gebied verwerkt worden. Een voorziening dient tijdig (24/48u) weer beschikbaar te zijn.

38

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen

Conform het gemeentelijk beleid mogen de wadi's in openbaar gebied niet dieper zijn dan 0,5 m ten opzichte van de insteek met een talud van maximaal 1:3 en mogen worden gedimensioneerd op:  T=5+10% waarbij het hemelwater niet hoger mag staan dan 0,10 m onder de instreek;  T=10+10% waarbij het hemelwater niet hoger mag staan dan de insteek. Vanuit het beleid van waterschap Rivierenland (beleidsregel 5.16) dient een voorziening bij berging met infiltratie een bui van T=100+10% te kunnen bergen (tot aan het maaiveld). Rechtstreekse aansluiting van het plangebied op het oppervlaktewater is door de ligging van het plangebied (ingesloten door particuliere percelen) moeilijk toepasbaar. Ter plaatse is een zeer goede doorlatendheid vastgesteld. De gemeten infiltratiesnelheid in de lokale bodem is ruim voldoende om een voorziening tijdig terug beschikbaar te krijgen middels infiltratie. In eerste instantie dient nieuw verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt te worden. Voorts kan men aanvullend groendaken, waterpasserende bestrating of halfverharding toepassen. Vanuit de gemeente is de toepassing van waterpasserende bestrating niet wenselijk geacht. Het hemelwater van het openbaar gebied zal onder afschot getransporteerd worden naar het openbare groen waarin wadi’s voorzien zijn om het hemelwater te verwerken.

De benodigde bergingshoeveelheid bedraagt circa (1740 x 0,0436 = ) 75,8 m³. In het huidige ontwerp is circa 375 m² als wadi ingetekend. Bij een talud van 1/3 en een diepte van circa 0,35 m wordt hierin een bui van T=10+10% opgevangen en is er nog een wakingshoogte van 0,1 m ten opzichte van het maaiveld aanwezig. Rekening houdend met een veiligheidsfactor van 2 zal de infiltratievoorziening na circa 14 uur weer beschikbaar zijn. Voor de openbare verhardingstoename is dus afdoende bergingsruimte voorzien:

Impressie ligging wadi's in plangebied Voor de leidingstelsels op particulier terrein zijn de voorschriften uit het Bouwbesluit van toepassing. Aan de hemelwatervoorzieningen op particulier terrein stelt de gemeente geen nadere voorschriften. Wel wordt de aanleg en instandhouding van een dergelijke voorziening opgenomen in de bestemmingsregels (voorwaardelijke verplichting aanleg waterberging voor de toekomstige bestemming). Het hemelwater van het toekomstig verhard oppervlak dient derhalve op eigen terrein verwerkt te worden. Veiligheidshalve is hieronder gerekend met de verharding op basis van kengetallen.

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

39

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen Afhankelijk van de kavelgrootte en terreininvulling dient per kavel een infiltratievoorziening van 6 - 13 m³ voor een bui T=10+10% aangelegd te worden. Op de uitgeefbare kavels kan afhankelijk van de terreininvulling gekozen worden voor een verlaagde tuin, diepere wadi of ondergrondse voorziening boven de GHG op circa 1,5 m -mv. Met de inpassing van een infiltratievoorziening dient rekening gehouden te worden bij het ontwerp van een woonkavel. Bij de kleinere kavels zal een wadi of verlaagde tuin voor infiltratie moeilijk inpasbaar zijn (verwacht groen 0,4 m verlagen) en zal tevens ondergronds infiltratie benodigd zijn door het gebruik van IT-kratten, Rockflow of infiltratieputten. Afhankelijk van de vormgeving (wandoppervlak) en het aangesloten oppervlak zal een voorziening na circa 10 - 20 uur weer beschikbaar zijn. Gezien de afwezigheid van een rechtstreekse (nood)overloop naar het oppervlaktewater wordt ondanks de goede infiltratie geadviseerd dat een voorziening zodanig gedimensioneerd is dat minimaal het hemelwater voor een bui T=10+10% wordt opgevangen met nog een wakingshoogte. Het planvoornemen is derhalve ook getoetst aan de potentiële risico’s van extreme neerslag.

Bij een extreme bui van T=100+10% mag er hinder en zelfs tijdelijk overlast zijn, maar geen letsel of schade ontstaan door het hemelwater in bebouwing of buiten het plangebied door afstroming. Een neerslagbui van T=100+10% of 664 m³/ha) zorgt voor een bijkomende waterhoeveelheid van circa 40 m³ (openbaar gebied) en circa. 91,4 m³ (woonkavels). Bij deze bijkomende neerslaghoeveelheid is er afhankelijk van de omvang van de aangelegde infiltratievoorziening bij de woningen (T10 of T100) tijdelijk water in de tuin en/of op straat te verwachten. Bij overloop van een voorziening van T=10+10% op het uitgeefbaar terrein (worst case) en de neerslag welke op openbaar gebied valt, is er in het openbaar gebied ca. 4-8 cm water op straat te verwachten. Bij verdieping van de wadi’s naar circa 0,5 m diepte (wat mogelijk is) is er nog circa 2 cm water op straat te verwachten. Door de vloerpeilen van de woningen minstens 0,2 m boven het straatpeil aan te leggen, stroomt er bij deze buineerslag geen water in de panden en is de overlast zeer beperkt. Door de goede lokale infiltratiesnelheid van de bodem zal dit water vervolgens circa 34 uur geheel wegzijgen in de bodem. Indien deze dunne laag water bij een bui van T=100+10% op straat niet wenselijk of toegestaan is, dienen alle hemelwatervoorzieningen op een bui van T=100+10% ontworpen te worden (zoals vereist door het waterschap).

Hiervoor is zoals eerder aangegeven afdoende ruimte beschikbaar. Er is afdoende ruimte voor de wadi’s in openbaar gebied voorzien om deze te verdiepen naar 0,5 m diepte. Indien men in het openbaar gebied tevens al hemelwater voor de woonkavels wil verwerken, dient het oppervlak aan wadi uitgebreid te worden. Het bestaand oppervlak wadi is dan ontoereikend en dan zou hiervoor bijvoorbeeld noordelijk in het groen bijkomende ruimte gereserveerd kunnen/dienen te worden (maximaal 0,5 m diep en talud van 1:4 of 1:5). In het infiltratieonderzoek is voor de hemelwaterverwerking ruim gerekend middels kengetallen. Opgemerkt wordt dat de bergingseis van het waterschap hoger ligt dan de eis vanuit de gemeente. Gezien de vastgestelde goede infiltratiesnelheid waarbij voor de ledigingstijd tevens gerekend is met een veiligheidsfactor kan gemotiveerd afgeweken worden van de T=100+10% bergingseis. Bij de nadere planuitwerking dient de uiteindelijke keuze en eventueel aangevulde onderbouwing in onderling overleg vastgesteld te worden zodat bij of door de planontwikkeling geen wateroverlast ontstaat. Middels een bijhorend maaiveldprofilering kan er dan ook inzicht verkregen in de stromingsrichtingen. Insteek is dat hemelwater oppervlakkig in eigen tuin of naar het openbaar gebied afstroomt en ter plaatse verwerkt wordt en niet naar de naastgelegen (woon)percelen afstroomt.

Door met de genoemde aspecten rekening te houden, wordt hydrologisch gezien neutraal ontwikkeld en is geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten door het planvoornemen. Gezondheid en veiligheid Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het watersysteem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico's voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico's van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele risico's van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling (verdroging) of -fluctuatie (zie ook Klimaatverandering).

40

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water). Gevolgen van/voor het plan Zoals onder de kop 'beschrijving watersysteem' al is aangegeven, blijkt uit het infiltratieonderzoek dat het grondwaterniveau zich op 1,5 m -mv of circa 6,8 m +NAP bevindt. Gezien de hoogteligging van het plangebied is er ter plaatse voldoende ontwateringsdiepte aanwezig voor de voorgenomen woningbouw. Overwegingen & conclusie Het verhard oppervlak in het plangebied zal toenemen, waardoor de waterhuishouding ter plaatse van het plangebied zonder compenserende maatregelen zal verslechteren. De tuin en de te behouden agrarische gronden rondom de woonpercelen bieden voldoende ruimte om dit hemelwater te bergen. Het plan heeft, na het uitvoeren van de hiervoor genoemde compenserende maatregelen, geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Overleg met waterbeheerder Beleidsuitgangspunt Afhankelijk van de aard en locatie moet het ruimtelijk plan voor advies en/of vooroverleg worden voorgelegd aan de waterbeheerder en het advies van de waterbeheerder zijn verwerkt in de waterparagraaf.

Veelal zijn de waterbeheerders het waterschap, maar kunnen ook Rijkswaterstaat of de Provincie zijn. Voor wat betreft het waterschapsbelang geldt voor alle ruimtelijke plannen dat bij aanvang van het planproces een digitale watertoets moet worden ingevuld door de initiatiefnemer (www.digitalewatertoets.nl), waarna zo nodig een vooroverleg volgt. Gevolgen van/voor het plan Er is een digitale watertoets uitgevoerd via www.dewatertoets.nl. Deze toets is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan waarvoor de gangbare watertoetsprocedure gevolgd moet worden. Het bestemmingsplan moet in het kader van het vooroverleg voorgelegd worden aan het waterschap.

4.10

Ecologie

4.10.1 Regelgeving In 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien moet voor de start van die werkzaamheden ontheffing worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan moet duidelijk zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten.

Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

41

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en c. sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:  de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of  de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In Wijchen is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb.

Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook moet gelet worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Gebiedsbescherming De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht.

Middels een 'habitattoets' moet worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag.

42

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan 4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan In het kader van de herbestemming is een quickscan naar de aanwezige flora en fauna uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 7 bij de toelichting opgenomen. Soortenbescherming Steenuil Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor de steenuil door de aanwezigheid van kruidenrijke vegetatie. In het plangebied bevinden zich geen voortplantingsplaatsen en/of vaste rustof verblijfplaatsen van de steenuil. Er bevinden zich wel twee steenuilen territoria in de nabijheid van het plangebied, waardoor het plangebied onderdeel is van het functioneel leefgebied van de soort. Door de geplande woningbouw is er een afname van circa 0,75 hectare geschikt leefgebied.

Het resterend geschikt foerageergebied dat beide territoria overlapt is 11,3 hectare. Dit zal voldoende draagkracht hebben als foerageergebied voor beide steenuilenparen. Ondanks dat de functionaliteit van het leefgebied van de steenuil niet aangetast wordt door dit oppervlakteverlies, door de aanwezigheid van voldoende alternatieven, is er wel sprake van een verslechtering van het leefgebied. Daarnaast komt de nieuwbouw vrijwel direct naast een erf met nestlocatie wat zowel tijdens de bouwfase als de gebruiksfase voor extra verstoring kan zorgen. Ook kunnen er in het overlappende foerageergebied tussen de twee steenuilenparen conflictsituaties ontstaan, doordat het steenuilenpaar aan de Wijksestraat 29/31a meer is aangewezen op noordelijk gelegen foerageergebieden. Er kan bovendien sprake zijn van een cumulatief effect van de huidige woningbouw ten noordwesten van het plangebied. De functionaliteit van (met name) de vaste rust en verblijfplaats van de steenuil aan de Wijksestraat 29/31a komt daarmee mogelijk in het geding. De volgende mitigerende en compenserende maatregelen zijn noodzakelijk om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen met betrekking tot de steenuil (zie ook onderstaand figuur):  Om verstoring tijdens de aanlegfase te voorkomen, moeten aanleg- en bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen van de steenuil uitgevoerd worden (februari – juli).

 Bij de verkaveling van het plangebied moet zoveel mogelijk rekening gehouden worden met de nestlocatie van de steenuil, door woningen zover mogelijk van dit erf (Wijksestraat 29) te situeren. In de regels en op de verbeelding van het bestemmingsplan is dit vastgelegd door de bouwvlakken voor de hoofdgebouwen aan deze zijde strak om de bebouwing heen te leggen. En (indien van toepassing) met de ligging van de bijgebouwenzone ook deze afstand te respecteren.  Er moet een foeragebied voor de steenuilen aangebracht worden aan de noordoostrand van het plangebied, grenzend aan het erf van de Wijksestraat 29. Dit wordt bij voorkeur een dichte struweelhaag/houtsingel, bestaande uit inheems bosplantsoen, met enkele boomvormers. Langs de rand van de singel kan een takkenril aangebracht worden, om extra voedselaanbod voor de steenuil te creëren.  Het foeragegebied voor de steenuilen moet doorgetrokken worden aan de noordwestrand, zodat aansluiting gevonden wordt met het bestaande compensatiegebied.  Ter versterking van het leefgebied moet het huidige compensatiegebied uitgebreid worden in noordoostelijke richting (zie figuur 7). Invulling van de uitbreiding kan op dezelfde wijze als het huidige compensatiegebied.

 Het reeds ingerichte compensatiegebied (zie figuur 7) voor de huidige woningbouw moet op steenuil vriendelijke wijze beheerd worden, door de grazige vegetatie extensief (en bij voorkeur gefaseerd) te maaien of te begrazen. Inboet van afgestorven bosplantsoen (door de droogte van afgelopen jaren) is noodzakelijk.  De maatregelen moeten tijdig gerealiseerd zijn om te kunnen functioneren.

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

43

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen 

De omgeving van het plangebied vormt in de huidige situatie verder een optimaal foerageergebied voor de soort, door de aanwezigheid van extensieve graslanden en dierenweides met paaltjes er langs, bestaande uit gras van verschillende lengten en door de aanwezigheid van verschillende opgaande groenstructuren (bomenrijen, bosranden en singels). De waarde van dit gebied zit bovendien in de afwisseling van de kleinschalige graslanden/dierenweiden met opgaande groenstructuren en de aansluiting op aangrenzende bosschages, zoals het rivierduin ten noordoosten hiervan. Versterking van het leefgebied van de steenuil is hier uitsluitend mogelijk door het aanbrengen van hagen langs de percelen. Aanbevolen wordt om in overleg met de grondeigenaren te kijken naar mogelijkheden om hier hagen te realiseren. In dit gebied zijn momenteel geen plannen voor woningbouw.

Navolgende figuur geeft het mitigatieplan weer:

Voorstel mitigatie steenuil Voor de steenuil zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk om aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats te voorkomen. De provincie Gelderland heeft het opgestelde mitigatieplan in het kader van de ingediende ontheffingsaanvraag beoordeeld, ter inzage gelegd en in maart 2023 de ontheffing verleend.

44

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen

Huismus Bij diverse woningen in de directe omgeving van het plangebied zijn huismussen waargenomen, waardoor het plangebied mogelijk tot het functioneel leefgebied van de soort behoort. Door de geplande woningbouw is mogelijk sprake van verstoring van nabijgelegen nestlocaties en oppervlakteverlies van functioneel leefgebied. Aanvullend onderzoek naar deze soort is noodzakelijk. Om uit te sluiten, dan wel aan te tonen dat de huismus broedt binnen de invloedsfeer van de geplande woningbouw in het plangebied, dienen 2 veldbezoeken uitgevoerd worden in de periode van 1 april tot en met 15 mei tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang. Het aanvullend huismussenonderzoek is als bijlage 8 bij de toelichting gevoegd. Uit het gericht onderzoek blijkt dat de geplande woningbouw geen negatief effect heeft op de huismus. Er is geen sprake van aantasting van (de functionaliteit van) vaste rust- en verblijfplaatsen. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk. Bij de aanlegwerkzaamheden moet wel rekening worden gehouden met het broedseizoen van de huismus. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er moet worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen.

Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord. Gebiedsbescherming Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied ligt niet in het GNN. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden niet aangetast door de geplande inrichting. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. Natura 2000 Er is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd om vast te stellen of een vergunningsaanvraag met betrekking tot stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied “Rijntakken” en andere Natura 2000-gebieden noodzakelijk is. De berekeningen van het projecteffect zijn verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator op basis van voornoemde uitgangspunten. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 9 van de toelichting. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/j. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Nader onderzoek is zodoende niet noodzakelijk. Houtopstanden Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.11

Archeologie en cultuurhistorie

4.11.1 Regelgeving Erfgoedwet De Erfgoedwet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen golden, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende zaken:

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

45

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen  

Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie.  Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Wijchen Volgens de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Wijchen ligt het hele plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Voor gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde geldt dat voor bodemingrepen groter dan 120 m2 of die dieper reiken dan 0,3 m dat archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Bovendien valt de noordwest- en zuidzijde van het plangebied in een zone van 50 m rondom een archeologische vindplaats. Ten zuiden van het plangebied is een AMK-terrein aanwezig met een aandachtszone van 50 m:

Beleidsnota cultuurhistorie In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een bepaling opgenomen, op grond waarvan het gemeentebestuur bij het opstellen van een bestemmingsplan moet aangeven op welke wijze zij rekening heeft gehouden met de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Ter onderbouwing van deze afweging hebben de gemeenten Beuningen, Wijchen, Heumen en Druten gezamenlijk de beleidsnota cultuurhistorie 'Samen in verscheidenheid' opgesteld. Borging van de geïnventariseerde cultuurhistorische waarden vindt plaats door middel van het 'Parapluplan Cultuurhistorie'. Op de waarderingskaart, behorende bij de beleidsnota, is het plangebied aangewezen als cultuurhistorisch waardevol gebied. Dit zijn gebieden waarvan de cultuurlandschappelijke waardering zeer hoog, hoog of middelhoog is.

46

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen In hoeverre een ruimtelijke ontwikkeling afbreuk kan doen aan de cultuurhistorische waarden in een gebied is afhankelijk van:  De aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling;  De cultuurhistorische waarden in een gebied. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan Archeologie Ter plaatse van het plangebied is een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 10 bij de toelichting opgenomen. Op grond van dit onderzoek is besloten om archeologisch vervolgonderzoek (opgraving) uit te laten voeren binnen het plangebied. Het plangebied kan daardoor grotendeels vrijgegeven worden vanuit het aspect archeologie. Alleen voor het gebied van vindplaats 3, de groene zone op navolgend kaartje, geldt nog een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' voor graafwerkzaamheden dieper dan 6,6 m +NAP.

Selectiebesluit Het bevoegd gezag, de gemeente Wijchen, sluit zich aan bij het advies, dat wordt afgegeven door het onderzoeksbureau na het uitvoeren van het proefsleuvenonderzoek. Het selectiebesluit van de gemeente Wijchen is bijgevoegd als bijlage '11' bij de toelichting. Het zuidelijke deel van het totale plangebied, dus het deel dat is bestemd voor de nu geplande woningen en bijbehorende infrastructuur (CPO de Steenuil), moet gedeeltelijk worden opgegraven, namelijk ter plaatse van de groene zone op het bijgevoegde kaartje. Ter plaatse van de grijze zone is de bodem verstoord. Hier hoeft geen archeologisch onderzoek meer plaats te vinden. Het diepere archeologische niveau aan de zuidzijde van het plangebied wordt niet opgegraven, maar wordt beschermd door een archeologische dubbelbestemming die geldt voor werkzaamheden dieper dan 6,6 m +NAP. Daarmee blijft dit niveau, met een buffer daarboven, onaangeroerd. Voor de opgraving moet een Programma van Eisen worden opgesteld, dat moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag, de gemeente Wijchen. De opgraving moet worden uitgevoerd door een hiervoor gecertificeerd archeologisch bureau en worden vastgelegd in een archeologisch rapport. Dit rapport moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag.

De archeologische vondsten moeten worden geconserveerd en samen met alle documentatie worden gedeponeerd bij het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten. Er mag pas met de graafwerkzaamheden voor de nieuwbouw en bijbehorende infrastructuur en groen worden gestart als het definitieve archeologische onderzoek volledig is afgerond.

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

47

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen

Cultuurhistorie Het plangebied heeft vanwege de visueel-ruimtelijke relatie met verschillende landschapstype een hoge waardering op de cultuurhistorische beleidskaart toegekend gekregen. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de cultuurhistorische beleidskaart:

In het 'Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen' heeft de gemeente Wijchen vastgelegd dat cultuurhistorisch waardevolle gebieden bestaan uit:  de mate van visueel-ruimtelijke relatie met de (agrarische) percelen en het onderscheid daarin tussen de verschillende landschapstypen (open, half-open of gesloten);  de overwegend agrarische oorsprong van de bebouwing in de linten;  de maat en schaal van de bebouwing;  de variatie van rooilijnen en bouwmassa's langs de linten;  de compactheid van de bebouwingsensembles op de afzonderlijke percelen;  hoofdgebouwen die gericht zijn op de bebouwingslinten;  een herkenbaar onderscheid in situering en massa tussen hoofd- en bijgebouwen. De beoogde realisatie van 'De Steenuil' betreft een woningbouwontwikkeling die landschappelijk goed is ingepast. Het gehele gebied wordt ingericht als een woonerf met veel ruimte voor groen en aan de randen een houtsingel met een foeragegebied voor de steenuilen, waardoor de verbinding van het dorp met het buitengebied wordt versterkt en de dorpsrand wordt verzacht. De bouwstijl van de woningen in het plangebied sluit aan bij de huidige bebouwing in in de omgeving. Ook wordt er een duidelijk onderscheid gemaakt in situering en massa tussen hoofd- en bijgebouwen.

Nadat het plangebied is ontwikkeld voor de woonfunctie, omvat het woongebied geen cultuurhistorische waarden die in het bestemmingsplan geborgd dienen te worden. De dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied is daarom niet overgenomen ter plaatse van de bestemmingen Verkeer en Wonen. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

48

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen

4.12

Leidingen

4.12.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan In (de directe omgeving) van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen. Het aspect 'leidingen' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.13

Duurzaamheid

De gemeente Wijchen heeft de ambitie om energieneutraal te zijn in 2040. De ontwikkeling van de twee woningen in het plangebied speelt daar nadrukkelijk op in door energiezuinige woningen te realiseren. Deze ambitie wordt onder andere gerealiseerd door:  De woningen worden duurzaam- en bijna energieneutraal (BENG) gebouwd, waarbij er aandacht is voor onder andere klimaatadaptief bouwen. Door slim gebruik te maken van energiebesparende en energieopwekkende voorzieningen zoals zonnepanelen, warmtepompen en/of zonneboilers worden de woningen zo energiezuinig mogelijk. Daarnaast wordt in het kader van een vitale duurzame omgeving voorzien in:  natuurinclusief bouwen; dit betekent dat natuurvoorzieningen worden geïntegreerd in de nieuw te bouwen woningen. Het gaat hierbij om het inbouwen van neststenen voor vogels in de gebouwen en het voorzien van de platte daken van aan- en uitbouwen en/of bijgebouwen van een sedum dakbedekking. Bovendien bufferen groene daken ook regenwater, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan het voorkomen van het overbelast raken van het riool bij hevige regenbuien.  meer biodiversiteit; om meer biodiversiteit te creëren wordt de inrichting van het deel van het plangebied buiten de bestemming 'Wonen' voorzien van een stevige landschappelijke inpassing. Deze aanpassing beslaat meer dan de helft van het plangebied.

Dit wordt vormgeven met diverse soorten inheemse beplanting in de vorm van hagen, een hoogstamfruitboomgaard, een voedselbos en kruidenrijk grasland;  de patiowoningen als levensloopbestendige woning uitgevoerd. Dit betekent dat er ook op de begane grond ruimte is ingeruimd voor een slaapkamer en een badkamer;  in het plangebied zijn diverse groenzones met een wadi ingericht. Hemelwater van verhard openbaar gebied wordt in de wadi’s verwerkt (geborgen en geïnfiltreerd);  de hemelwaterafvoer van de bebouwing in het plangebied is afgekoppeld van het riool.

CPO de Steenuil Bergharen (definitief)

49

bestemmingsplan CPO de Steenuil Bergharen

4.14

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.14.1 Regelgeving Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=ce57fa64-4be2-4720-a795-50e436984c36