Bijlage 9: Proefsleuvenonderzoek Oostflank 2012 (ZAN 283)
Tekst van het document
Pas in de Bronstijd, op zijn minst 600 jaar later, zijn er weer aanwijzingen dat mensen zich bezighouden met het bewerken van vuursteen. Uit de geringe hoeveelheid vuursteenvondsten uit de Bronstijd kan men opmaken dat het gebruik van vuursteen op een veel lager plan stond dan in de voorbije perioden. Kwalitatief stelt het vuursteen niet veel voor en ook de gebruikte technieken wijzen erop dat vuursteenbewerking uitsluitend nog snel gebruik tot doel had. De voorwerpen hoefden duidelijk niet mooi of degelijk te zijn. Bij een eventueel vervolgonderzoek is het raadzaam om van te voren een goede strategie uiteen te zetten voordat het veldwerk van start gaat. In eerste instantie zouden alle bovenliggende sporen en lagen verwijderd moeten worden ten einde zicht te krijgen op de mesolithische bodem. Hierin zouden zeer goed haardkuilen aanwezig kunnen zijn waarop nu het zicht wordt ontnomen door de jongere lagen en sporen. Wanneer deze bodem is blootgelegd, moet de kern van de nederzetting worden bepaald door een beperkte zeefcampagne. Wanneer deze is vastgesteld kan een grootschalige zeefcampag-
71
ne worden opgezet. Deze aanpak is strikt noodzakelijk wanneer men inzicht wil krijgen in de vindplaats. Wanneer men zou willen volstaan met een beperkte zeefcampagne zou dit een enorm dataverlies betekenen waardoor onderzoek van de vindplaats feitelijk zinloos wordt. Bij eventueel vervolgonderzoek naar het Neolithicum is het zinvol om een zo groot mogelijk opgravingsvlak open te leggen ten einde eventuele structuren te kunnen herkennen in het vlak. Indien deze worden aangetroffen zal een eventuele zeefcampagne kunnen helpen bij het bepalen van activiteitenzones. Deze kunnen wederom worden begrensd door enkele testzeefvakken. Ten aanzien van het vuursteen uit de Bronstijd dient geen speciale strategie te worden uitgezet. Het materiaal wijst op een dusdanig opportunistische manier van verzamelen en bewerken dat de kans zeer klein is dat er een binnen het plangebied een daadwerkelijke werkplaats wordt aangetroffen. Daarbij zijn de sporen uit deze periode zo goed zichtbaar dat activiteitenzones toch wel zichtbaar zullen zijn.
12
metaalslakken
Gerard Boreel
12.1
inleiding
Tijdens het onderzoek zijn in totaal 298 stuks slak verzameld met een totaal gewicht van 20.665 g, uit 48 vondstnummers. Al deze stukken zijn gedetermineerd op type metaalslak, waarna de gegevens zijn vastgelegd in een database.
12.2 methode In het kader van het waarderend proefsleuvenonderzoek is het voor het onderzoek van de metaalslakken vooral van belang inzicht te krijgen in de aard van de ambachtelijke activiteiten waarbij ze zijn geproduceerd, de datering ervan en in de omvang van de materiaalcategorie. Om hier grip op te krijgen is al het materiaal bekeken en globaal gedetermineerd. Deze globale determinatie is uitgevoerd door de vondsten in te delen in slaktypen. Er is gedetermineerd op het oog en waar nodig met behulp van een 10x vergrotende loep. Met een kleine handmagneet is vastgesteld of stukken magnetisch zijn of niet. Chemische en fysische analyses vielen buiten het budget van onderhavig onderzoek en zijn niet uitgevoerd. Tijdens de opgraving is de vulling van de enige in situ aangetroffen ijzeroven volledig meegenomen om te worden gezeefd. Hierbij is gebruik gemaakt van een 4 mm zeef. De data is ingevoerd in een database. Per vondstnummer is onder andere het aantal en gewicht per slaktype vastgelegd, evenals eventuele bijzondere kenmerken. Alvorens de resultaten te bespreken zullen hieronder eerst de gehanteerde slaktypen kort beschreven worden, samen met de aanvullende of afwijkende criteria, zoals die gehanteerd zijn in deze analyse.
12.3
achtergrond
Regelmatig worden tijdens archeologische opgravingen metaalslakken aangetroffen in vindplaatsen daterend vanaf de late prehistorie tot en met de Nieuwe Tijd. Deze meestal goed geconserveerde vondstcategorie wordt gevormd door het afval dat vrijkomt bij verschillende ambachtelijke processen die zich richten op de winning of productie van metaal en de bewerking daarvan. Meestal gaat het
72
daarbij om ijzer, maar ook de resten die vrijkomen bij de productie en bewerking van koper, lood, tin, legeringen en edelmetalen worden aangetroffen.75 Metaal wordt gewonnen uit metaaloxidehoudende gesteenten, de zogenaamde ertsen. Tot in de Middeleeuwen was men vooral afhankelijk van lokaal voorkomende ertsen. In Nederlandse contexten gaat het dan om klapperstenen en moerasijzererts.76 Om hieruit bruikbaar metaal te winnen moeten de oxiden worden gereduceerd. IJzer werd bijvoorbeeld gewonnen door houtskool in een oven onder reducerende omstandigheden, samen met het erts te verbranden. Het zo verkregen metallische ijzer verzamelde zich als zogenaamde wolf of loep in het heetste deel van de oven. De uitgesmolten slak stroomde naar het diepste deel van de oven, of werd hier uit verwijderd. De samenstelling en vorm van dergelijke smelt- of productieslakken is afhankelijk van de gebruikte grondstoffen, het aangewende type smeltoven en de omstandigheden daarin. Uit archeologische context zijn productieslakken bekend uit kuilovens (bowl furnace), koepelovens (domed furnace), kuilslakovens (slag pit furnace) en de slak-tap ovens (slag-tapping furnace).77 Ook voor de winning of productie van non-ferro metalen, als koper, lood, tin of edelmetalen konden ovens worden ingezet. Meestal werd voor dit proces echter gebruik gemaakt van smeltkroezen.
Deze, meestal van klei gemaakte, (open) potjes maakten het mogelijk met kleinere hoeveelheden te werken en de omstandigheden beter te controleren. Vaak bevatten de smeltkroezen aan de binnenzijde slak (smeltkroesslak), dat kan bestaan uit verschillende metalen, hun oxiden, as en brandstof. De buitenzijde van de kroezen zijn vaak versinterd en verglaasd als gevolg van het plaatsen van de kroes in een vuur. Het gewonnen ijzer dient verder bewerkt te worden voordat het als smeedijzer tot gebruiksvoorwerpen kan worden gevormd. De wolf is zeer blazig en heterogeen van structuur. Door het stuk opnieuw te verhitten in een smeedhaard kan de nog resterende slak worden uitgesmeed en het geheel worden gecomprimeerd. De slak die hierbij vrijkomt wordt een herverhittingsslak genoemd en vormt zich in het heetste deel van de smeedhaard, vaak op de bodem daarvan, net onder de luchtinlaat (tuyère). Dergelijke slakken hebben vaak een planoconvexe vorm en kennen een vergelijkbare samenstelling als de productieslak. De gebruikte smeedhaarden bestonden vaak uit niets meer dan een plaat klei of leem. Naast het kuiltje, dat hierin werd gemaakt om de brandstof (houtskool) bijeen te houden, werd aan één of beide zijden een doorboorde plaat klei of leem opgericht. Deze haardsteen beschermde de kwetsbare blaasbalgen, die vaak van hout en leer waren vervaardigd.
De luchtinlaat zelf, de tuyère, vormde de verbinding tussen de balg en haardsteen en stak hier soms doorheen. 78 Deze van aardewerk vervaardigde stukken konden cilinder- of blokvormig zijn, maar ook platen en schijven zijn teruggevonden. Voor het maken van een smeltoven en een smeedhaard werd vaak gebruik gemaakt van sterk en grof gemagerde klei.79 Ook werd dit gesmeerd tegen de binnenkant van een uit natuursteen opgebouwde constructie.80 Omdat de meestal lokaal gewonnen klei een relatief laag smeltpunt heeft, raakte de binnenzijde vaak versinterd en verglaasd. Alle stukken deels versinterde en verglaasde verbrande klei zijn in deze analyse tot het betreffende type oven- of haardwand gerekend. Daarmee worden dus smeedhaardbodems, smeedhaardwanden en wanden van smeltovens bedoeld. De vaak kleine stukken maken het niet mogelijk deze nader te determineren. Ook is op het oog geen onderscheid te maken tussen de ovenwanden, die zijn aangewend voor het smelten van verschillende soorten metaal. Dit kan alleen chemisch worden vastgesteld.
75
Tylecote 1987, 291.
76
Laban et al. 1988, 1-11.
77
Joosten 2004, 12-15.
78
Craddock 1995, 185-189; Tylecote 1987, 115-125.
79
Joosten 2004, 15.
80
Craddock 1995, 172.
73
Het smeedijzer werd vervolgens rood- tot witgloeiend gestookt in de smeedhaard, waarna het op een aambeeld kon worden bewerkt. Opnieuw komen hierbij slakken vrij. De nog aanwezige vervuilingen in het smeedijzer worden in de smeedhaard uitgesmolten onder toevoeging van een flux (zand, leem, as, ijzervijlsel, kalk en tegenwoordig borax).81 Samen met een deel van het ijzer en de vervuilingen vormt deze flux een ijzersilicaat, dat als slak uitvloeit. Deze smeedslakken zijn vaak grillig van vorm, heterogeen van samenstelling, magnetisch en hebben een roestig uiterlijk. Een karakteristieke smeedslak is de smeedhaardslak. Deze vormen zich op de bodem van de smeedhaard en hebben een planoconvexe of concavoconvexe vorm.82 Ook deze slakken hebben een heterogene samenstelling en bestaan uit geoxideerd ijzer, ijzersilicaat (fayaliet), zand, leem houtskool en as. Smeedhaardslakken van voor de Nieuwe Tijd zijn vaak niet groter dan ca. 15 cm in doorsnede.83 Bij het behameren op een aambeeld springen van het werkstuk kleine schilfers geoxideerd ijzer af. Ook worden hierbij door comprimatie kleine druppels slak uitgedreven. Dergelijke vaak magnetische kleine slakfragmenten worden hamerslag genoemd. Verdere bewerking van non-ferro metalen vond opnieuw plaats in smeltkroezen. Om het ruw gewonnen metaal bewerkbaar te maken moet het worden gezuiverd.
Voor koper betekent dit bijvoorbeeld het omlaag brengen van het nog altijd te hoge gehalte ijzer. Ook het legeren van de metalen vond plaats in smeltkroezen. In beide gevallen komen slakken vrij. Zij zullen afhankelijk van het proces bestaan uit verschillende metalen, hun oxiden, as en brandstof. Vaak worden deze slakken, net voor het gieten, afgeschuimd en uit de kroes verwijderd. Soms echter blijft de slak achter in de smeltkroes. Een laatste type slak dat regelmatig wordt aangetroffen is de sintel. Dergelijke slakken komen vrij bij alle hierboven beschreven processen en slechts de chemische samenstelling maakt onderscheid daarin mogelijk. As van de voor het pyrotechnische proces gebruikte brandstof treedt op als flux in de reactie waarin de as zelf en het aanwezige silicium versmelten tot een verglaasde slak. Dit silicium is afkomstig van de oven- of haardwand, van de smeltkroes of van bewust toegevoegd zand of leem. De zo gevormde sintel heeft een sterk blazige structuur, een relatief laag soortelijk gewicht en kan versinterde en onversinterde delen van de gebruikte grondstoffen en ovenwand insluiten. 11.4
resultaten
Tabel 12.3 geeft de aantallen en gewichten weer voor de verschillende onderscheiden slaktypen. Iets meer dan 90 gewichtsprocent bestaat uit fragmenten productieslak. Daarnaast zijn wat fragmenten sintel en ovenwand gevonden en één mogelijke smeedhaardslak. Deze laatste is op basis van de vorm ervan als smeedhaardslak gedetermineerd. Het stuk is echter zo slecht geconserveerd dat de determinatie niet zeker is. Ook 36 andere kleine fragmenten waren zo klein en/of sterk verweerd dat deze niet tot een type konden worden gerekend. Deze zijn als ‘indet.’ gedetermineerd. Een laatste type betreft ‘gruis’. Dit is niet zozeer een type slak, als wel een aanduiding voor sterk gefragmenteerd materiaal, niet groter dan 1 cm doorsnede. Hiervan is slechts het gewicht gemeten. Al het slakmateriaal is te associëren met de productie van ijzer. De productieslakken zijn allemaal fragmenten van slakblokken uit een kuilslakoven. Ook de sintels en de fragmenten ovenwand komen uit dezelfde soort ovens. Deze interpretatie wordt ondersteund door de in situ vondst van één van deze ijzerovens. In deze oven is een volledig slakblok met sintels en ovenwand aangetroffen. Het type slak en sintel is dezelfde als de rest van het materiaal. Uit de genoemde oven komt meer dan de helft van al het gevonden slakmateriaal. Tabel 12.1 laat per type slak de gevonden aantallen en gewichten zien.
81
Joosten 2001, 311.
82
Joosten 2001, 312; Joosten 2004, 17; Tylecote 1987, 318.
83
Tylecote 1987, 318.
74
type
aantal
gewicht (g)
indet gruis ovenwand productieslak sintel smeedhaardslak
90 26 173 8 1
1.344 210 432 18.363 108 208
totaal
298
20.665
Tabel 12.1. Wijchen-Oostflank. Aantallen, gewichten en totalen per gevonden slaktypen.
IJzeroven S1.132 Figuur 12.1 laat de in situ resten zien van de ijzeroven in spoor S1.132. De oven is geweest van het type kuilslakoven, waarvan een schematische doorsnede wordt weergegeven in figuur 12.2. Wat rest van de oven is de kuil, waarin de smeltslak kon weglopen. Door postdepositionele processen en/of het uitbreken van de wolf na het stoken is het slakblok en de verglaasde en versinterde wand gebroken. De resten ervan zijn in delen maar op hun juiste plaats teruggevonden.
Fig. 12.1. Wijchen-Oostflank. Foto ijzeroven
Wat rest van de oven heeft nu een hoogte van 30 cm en een ronde doorsnede met een diameter van ca. 20 cm. Ook op basis van de verglaasde wanden van de kuil kon een diameter worden gereconstrueerd van ca. 20 cm. De bodem van de kuil is dus rond en concaaf. Op basis van de verglaasde wanden van de kuil kan worden gesteld dat deze niet zijn afgesmeerd met leem, maar rechtstreeks ingegraven is geweest in het zand. Slechts hogerop, richting het maaiveld zijn fragmenten gevonden met aangebakken leem.
75
De vulling van de kuil bestaat voor een groot deel uit fragmenten van de productieslak, gruis en iets grotere fragmenten, zand en houtskool (zie tabel 12.2).
type uit oven S1.132
aantal
gewicht (g)
indet gruis ovenwand productieslak
35 9 34
376 210 60 4.543
totaal
132
9.126
Tabel 12.2. Wijchen-Oostflank. Aantallen, gewichten en totalen per gevonden slaktypen uit oven S1.132. Fig. 12.2. Wijchen-Oosttflank. Dwarsdoorsnede van een kuiloven. (uit: Joosten 2004, 14)
Naast een grote hoeveelheid houtskool kleiner dan 4 mm zijn achttien fragmenten gevonden met een grootte van 1 tot 3 cm. Dit zijn waarschijnlijk onverbrande stukken houtskool die als brandstof waren bedoeld. De resten van de oven zijn zeer goed geconserveerd. De ijzeroven duidt op de productie van ijzer op de Oostflank. Een 14C-datering aan een fragment houtskool uit de vulling van de oven laat zien dat het hout dat voor de houtskool is gebruikt, geveld is tussen 782 en 989 na Chr. Naast deze datering zijn uit de gezeefde vulling van de oven drie fragmenten Paffrath-aardewerk gevonden. Dit type aardewerk dateert tussen 880 en 1300 na Chr. Dit zou betekenen dat de oven gefunctioneerd kan hebben ergens aan het einde van de 9de eeuw of in de 10de eeuw. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat het hout dat werd gebruikt voor het vervaardigen van de houtskool bestond uit takken of stammetjes met een diameter niet veel groter dan 10 tot 15 cm. Dit is een ideale maat om houtskool van te maken en deze aanname impliceert dat de datering van de oven op enkele jaren na juist is.
Mogelijke resten van andere ijzerovens Twee andere sporen – S1.57 en S1.23 - vallen op door hun inhoud, vorm en locatie. S1.57 bevatte drie grote passende fragmenten van een slakblok uit een vergelijkbare kuiloven als S1.132. Hier kon niet meer de diameter van worden vastgesteld, maar het ovale spoor meet ca. 20 x 17 cm. Naast de fragmenten van de slakblok met resten van de ovenwand, komen er nog elf fragmenten verbrande leem uit. Spoor 1.57 is ingegraven in spoor 1.23. Dit spoor heeft een kern en een buitenvulling. In de kern is naast een fragment verbrande leem en een stukje ondetermineerbaar handgevormd aardewerk een fragment van een slakblok uit een kuilslakoven gevonden met daaraan een deel van de ovenwand. Daarnaast zijn nog vier fragmenten van het slakblok gevonden met in totaal een gewicht van bijna een kilo. De kern van S1.23 ligt symmetrisch ten opzichte van S1.57 binnen de buitenvulling. De locatie van beide sporen ligt binnen enkele meters van oven S1.132. Mogelijk is hier sprake van de resten van ijzerovens, vergelijkbaar met S1.132.
76
Aard, omvang en datering van het slakmateriaal Het aangetroffen slakmateriaal wijst éénduidig in de richting van de productie van ijzer door middel van het uitsmelten in kleine kuilslakoventjes. Eén van deze ovens is in situ teruggevonden. Twee andere sporen vallen daarnaast op door hun inhoud, vorm en locatie en vormen mogelijk de resten van nog twee vergelijkbare oventjes. Op basis van een 14C-datering en enkele fragmenten aardewerk kan het gebruik van oven S1.132 worden gedateerd aan het einde van de 9de eeuw of in de 10de eeuw. De resten van de mogelijke andere oventjes werden teruggevonden in werkput 1. De rest van het slakmateriaal is vooral gevonden in de werkputten ten zuiden van de Oosterweg. Het is verspreid gevonden in de werkputten 1, 3, 4, 5 en 6. Binnen deze concentratie is het meeste materiaal gevonden in werkput 1 (70% van het gewicht). Hiervan is een aanzienlijk deel teruggevonden in greppel S1.26 (22 fragmenten). Wat opvalt, is dat ook in het zuidelijk deel van het plangebied enkele slakken zijn gevonden. Tien fragmenten met een gewicht van in totaal 256 g komt uit de werkputten 2 en 7 (waarvan twee kleine fragmenten uit een paalkuil en een kuil). Een deel van het aardewerk dat uit greppel S1.26 komt dateert uit de Volle Middeleeuwen van 1000 tot 1300 na Chr. en één fragment is laatmiddeleeuws.
Opvallend is dat alle – vooral productie - slakken die uit deze greppel komen sterk verweerd zijn. Een dikke zandige korst van corrosie lijkt erop te duiden dat deze slakken zich een lange tijd aan het oppervlak of in een cultuurlaag hebben bevonden. Dat zou betekenen dat het voorkomen van het slakmateriaal in een spoor niet hoeft te betekenen dat het spoor gelijktijdig is, iets wat het aardewerk ook suggereert. Met het dichtraken van de greppel is veel slakmateriaal als zwerfvuil erin terecht gekomen. De sterke verwering van het slakmateriaal is in de meeste sporen waargenomen en contrasteert sterk met zeer goede conservering in de aangetroffen (mogelijke) oventjes. Naast deze oventjes (S1.132, S1.23 en S1.57) zijn er nog twee sporen waarin de productieslakken zeer goed zijn geconserveerd. Het gaat om de sporen S1.25 en S1.95. Deze als paalkuil geïnterpreteerde sporen liggen beide binnen enkele meters afstand van de herkende oventjes en hebben ongeveer een diameter van 50 cm, vergelijkbaar met de buitenvulling van S1.23. Uit beide sporen komt alleen slakmateriaal. Uit S1.25 komt een deel van een slakblok uit een kuilslakoven van bijna een halve kilo, met daaraan een deel van de ovenwand. Uit S1.95 komt naast een deel van een vergelijkbare slakblok zes fragmenten ovenwand en nog eens 4 niet verder determineerbare slakken.
Het is niet duidelijk of deze sporen ook als ovenresten kunnen worden gedetermineerd, maar de locatie, vorm en goede conservering van de inhoud ervan doet vermoeden dat deze in ieder geval gelijktijdig zijn geweest met de ijzeroventjes. In vergelijking van de vondsten met bekende locaties in Nederland waar ijzerproductie heeft plaats gevonden lijkt de ijzerproductie te associëren te zijn met die in oostelijk gelegen Montferland/Liemersstreek. Hier is ijzerproductie bekend uit het einde van de 9de eeuw en de 10de eeuw.84 Hier lijkt de productie die van de Veluwe op te volgen, waar vooral in de 9e eeuw ijzerproductie plaats vond. Samenvattend is met betrekking tot het slakmateriaal op Wijchen Oostflank het volgende beeld ontstaan. Ergens in de Ottoonse tijd (880 – 989 na Chr.) heeft ijzerproductie plaatsgevonden ten zuiden van de huidige Oosterweg, maar voornamelijk in en rond werkput 1. Eén van de oventjes met een binnendiameter van ca. 20 cm is in situ teruggevonden. Van twee andere sporen wordt vermoed dat deze de resten zijn van vergelijkbare ovens en van nog eens twee sporen wordt op basis van vorm, locatie en conservering van de slakken vermoed dat deze gelijktijdig zijn geweest. Het afval uit de ovens heeft rondgeslingerd in en rond werkput 1 en is later – in de loop van de Volle Middeleeuwen (vanaf ca.
1000 na Chr.) – als sterk verweerd zwerfvuil en sterk verweerd in jongere sporen terecht gekomen. Opvallend is dat, op één mogelijke smeedhaardslak na, alleen productiemateriaal is gevonden. Dit suggereert dat het verdichten en uitsmeden van de wolf elders heeft plaats gevonden. Dit kan echter op korte afstand zijn geweest, nog binnen het plangebied.
84
Joosten 2004, 31-32.
77
12.5 conclusie Tijdens het onderzoek zijn in totaal 298 stuks slak verzameld met een totaal gewicht van 20.665 g, uit 48 vondstnummers. Het PvE heeft met betrekking tot het vondstmateriaal de volgende vraag geformuleerd: Wat is de aard, datering en omvang van de archeologische sporen en resten? Het slakmateriaal wijst eenduidig in de richting van ijzerproductie op de Oostflank in Ottoonse tijd (880 – 989 na Chr.). Buiten één mogelijke smeedhaardslak zijn geen aanwijzingen gevonden voor het bewerken van de wolf of ijzer. Van de kuilslakoventjes zijn resten (deels in situ) teruggevonden en van het afval eruit is een groot deel gevonden in jongere sporen van na 1000 na Chr. De ruimtelijke spreiding van het slakmateriaal wijst op een concentratie ten zuiden van de huidige Oosterweg, maar vooral in en rond werkput 1. De conservering ervan is zeer goed in de sporen die geassocieerd kunnen worden met de ijzerproductie en zeer slecht in de jongere sporen, waarin het later als zwerfafval terecht is gekomen. Bij eventueel vervolgonderzoek is het aan te raden in het veld op zoek te gaan naar eventuele ovenresten en deze contexten als speciale contexten te behandelen. Al het slakmateriaal zou verzameld moeten worden uit alle contexten, omdat dit veel kan leren over sporen en activiteiten die niet meer direct zijn aan te wijzen.
Mogelijk brengt dit ook in kaart of en waar de wolf als halfproduct werd verwerkt.
13
overige materiaalcategorieën
13.1
baksteen
Het aangetroffen baksteen bestaat volledig uit fragmenten en gruis. Onder gruis worden in dit geval alle fragmenten kleiner dan 3 x 3 x 3 cm verstaan. Vanwege het geringe formaat van het gruis is het lastig om deze stukken te determineren. Vandaar dat daar de datering Romeinse tijd tot Middeleeuwen aan gegeven is. Nagenoeg alle baksteen is gemagerd met grind en zand. De kleur van het baksteen varieert van donker rood tot en met licht oranje. De stukken zijn gedateerd op grond van hun kleur en magering en waar mogelijk de overige context. De donkerrode fragmenten (V2.40 en 3.26) doen erg recent of subrecent aan. Er zijn echter te weinig diagnostische kenmerken om de vondsten te dateren. Acht stukken baksteen zijn nader te determineren. Het zijn allemaal fragmenten van Romeins baksteen. Bij twee fragmenten (V3.22 en V3.27) is het zeker dat het om een deel van een tegula handelt. De overige zes vondsten zijn ofwel afkomstig van een tegula of van een vloer- of hypocausttegel. Het zijn allemaal platte stukken Romeins baksteen zonder randen waardoor de oorspronkelijke vorm niet meer te bepalen is. Vandaar dat er enige onzekerheid over de oorspronkelijke vorm van de stukken baksteen bestaat. De verklaring voor de herkomst is minder onzeker. Hoewel het baksteen over het gehele plangebied is aangetroffen, is het vrij zeker dat het van Romeinse oorsprong is.
Naar de locatie van de nederzetting waarvan dit baksteen afkomstig is kan alleen worden geraden. Eén mogelijkheid is dat het afkomstig is van de villa aan de Tienakker, enkele tientallen meters ten westen van het plangebied.
13.2
glas
Van de drie stukken glas die zijn verzameld is één groot fragment (V 3.28.1) recent. Een ander fragmentje uit hetzelfde vondstnummer is waarschijnlijk een fragmentje van een subrecente ruit. Het derde stuk glas vondst 8.9 is eveneens moeilijk te determineren. Vermoedelijk is het een fragment van een Romeins of vroegmiddeleeuws flesje. Het is een groen fragment van de schouder. Het glas is rijk aan luchtbelletjes waardoor een datering in de Romeinse tijd waarschijnlijker is. 78
13.3
verbrande leem
Het verbrande leem is binnen het vondstmateriaal redelijk goed vertegenwoordigd. De kleur van het leem varieert van lichtbruin/oranje tot donkergrijsbruin. Voor de analyse zijn alle fragmenten bekeken en geïnspecteerd op tak- of twijgindrukken. Daarnaast is er nog gekeken of er sporen van enige vorm van afwerking zijn aangetroffen. Het merendeel bestaat uit kleine fragmenten waar niet veel informatie uit te vergaren valt. Enkele fragmenten verdienen meer aandacht. Vondst 1.26 bijvoorbeeld heeft een duidelijke gladde zijde en aan de andere kant van het stuk zijn duidelijk indrukken van riet zichtbaar. Een tweede interessant stuk is gevonden in werkput 7. Vondst 7.14 is een groot brok leem met aan twee kanten een afgeplatte zijde. Vermoedelijk betreft het hier een onderdeel van de hoek of uiteinde van een wand. Deze twee fragmenten zijn beiden afkomstig uit middeleeuwse context. Leem is echter in alle periode een belangrijk dichtmiddel geweest. Dit blijkt ook uit enkele vondsten uit de depressie.
13.4
mortel
De twee gevonden fragmenten kalkmortel zijn afkomstig uit een tweetal kuilen in werkput 2 (S2.17) en werkput 3 (S3.6). De datering van het spoor uit werkput 2 is onduidelijk, maar in het veld werd op basis van de gebrokte structuur van de vulling van de kuil als middeleeuws geïnterpreteerd. Het spoor in werkput 3 dateert aan het einde van de Volle Middeleeuwen of aan het begin van de Late Middeleeuwen. De geringe hoeveelheid mortel in de sporen vormt geenszins een argument dat er binnen het plangebied steenbouw aanwezig is geweest in de Volle Middeleeuwen of Late Middeleeuwen. De overige sporen en vondsten die zijn aangetroffen laten een beeld van een nederzetting opgetrokken uit houtbouw zien. Waarschijnlijk is het mortel afkomstig van een (gesloopt) stenen gebouw in de omgeving van het plangebied.
13.5
bot
De verklaring voor het geringe aantal botfragmenten, twee in getal, dat is verzameld tijdens het veldwerk ligt in de aard van de ondergrond. In de relatief grote ruimte tussen de zandkorrels kan lucht komen. Het zuurstof in de lucht tast al het organisch materiaal aan waardoor het snel verteerd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er maar een kleine hoeveelheid is aangetroffen. Verbrand bot wordt minder snel aangetast, maar ook dat heeft sterk te lijden onder de slechter conserveringsomstandigheden van het zand. Ook in de depressie is geen bot aangetroffen en ook hier is de aard van het substraat de oorzaak. De venige afzettingen in de geul maken het vanwege de hoge zuurgraad onmogelijk dat bot bewaard blijft. Het collageen in het bot wordt door het zuur in het veen sterk aangetast waardoor het snel vergaat terwijl het overig organisch materiaal als huid, haar, ingewanden, hout, planten en zaden, wel bewaard blijft. Het botmateriaal noch het verbrand botmateriaal kon worden gedetermineerd.
79
14
a r c h e o b o t a n i e 85
14.1
inleiding
In het kader van de vraagstellingen in het PvE is een drietal archeobotanische onderzoeken verricht. Daarnaast is er botanisch materiaal geselecteerd ten behoeve van 14C-onderzoek. Alle onderzoeken zijn verricht door dr. L. Kooistra en drs. M. van Waijen van BIAX-consult. De resultaten van hun bevindingen worden in dit hoofdstuk beknopt weergegeven. Het door BIAX geschreven rapport is als bijlage opgenomen aan het einde van deze publicatie (bijlage 3). Het botanisch onderzoek heeft zich primair geconcentreerd op de vullingslagen van de depressie. Deze zijn vanwege het feit dat ze zeer humeus en venig zijn, bijzonder geschikt voor archeobotanisch onderzoek. Omdat de lagen ook nog deels onder het grondwater liggen is de depressie bijzonder geschikt voor dit onderzoek. Doorgaans blijft in archeologische context alleen verkoold organisch materiaal over, maar doordat de lagen van de depressie grotendeels onder het grondwater liggen zijn de conserveringsomstandigheden voor onverkoolde organische resten ook zeer goed. Uitzondering hierop is bot. Door de hoge zuurgraad van de venige lagen zal bot hier nagenoeg volledig verdwenen zijn. Voor zaden en ander organisch materiaal zijn de omstandigheden echter uitstekend. 14.2
polleninventarisatie
14.2.1 doelstelling en werkwijze
Tijdens het veldwerk zijn er in totaal drie pollenbakken geslagen in het profiel over de depressie. Hierin zijn alle lagen die op dat moment zichtbaar waren in het profiel vertegenwoordigd. Twee van deze pollenbakken, M9.44 en M9.46 zijn geselecteerd om te worden onderworpen aan een inventarisatie van het pollenspectrum. Doel hiervan is het bepalen in hoeverre de analyse van pollenmonsters in een eventueel vervolgonderzoek kunnen bijdragen aan een reconstructie van het landschap in het Neolithicum. De bovenste laag S49 is alleen in M44 vertegenwoordigd. Een tussenlaag (S50) komt alleen in M46 voor. Uit elke organische laag is een pollenmonster genomen. Van boven naar beneden gaat het om de lagen S49, S46, S52, S50 en S54. De pollenmonsters hadden een volume van 2 cm3 (tabel 14.1). vnr.
laag
diepte in cm
BX-nr.
volume in ml
M44
S49
8-9
BX4833
2
M46
S46
10-11
BX4834
2
M46
S52
29-30
BX4835
2
M46
S50
39-40
BX4836
2
M46
S54
46-47
BX4837
2
Tabel 14.1. Wijchen-Oostflank. Adminstratieve gegevens van de pollenmonsters.
De pollenmonsters zijn onder leiding van M. Konert op het Laboratorium voor Sedimentanalyse van de Vrije Universiteit in Amsterdam geprepareerd.86 Hierbij is de acetolysemethode van Erdtman gebruikt met modificaties van Konert.87 Om een indruk te krijgen van de pollenconcentratie is aan elk 85
Grotendeels overgenomen uit Kooistra/Van Waijjen, 2011.
86
Faculteit Aard- en Levenswetenschappen.
87
Erdtman 1960; Konert 2002.
80
monster een vaste hoeveelheid sporen (twee tabletten met circa 18.583 sporen per tablet) van een niet in Nederland voorkomende wolfsklauwsoort (Lycopodium) toegevoegd. Het resultaat van de pollenbereiding bestaat per pollenmonster uit een residu en één of twee preparaten. De pollenpreparaten zijn geïnventariseerd, dat wil zeggen dat de preparaten zijn bekeken op de pollenrijkdom, de soortenvariatie en de conservering van het pollen. De polleninventarisatie is uitgevoerd door M. van Waijjen met gebruikmaking van een doorvallend-lichtmicroscoop met vergrotingen tot 1000x.
14.2.2 resultaten
Alle monsters zijn zeer rijk aan pollen en het pollen is in alle monsters goed geconserveerd. De variatie en globale samenstelling aan pollentypen is per laag verschillend en wordt hieronder besproken. S49 (M44), 8-9 cm (BX4833) De globale verhouding tussen boompollen en niet-boompollen (AP/NAP) is 70/30. Het pollenspectrum bestaat dus voornamelijk uit boompollen waarbij eik (Quercus), els (Alnus) en hazelaar (Corylus avellana) het meest voorkomen. Er is een enkele pollenkorrel van haagbeuk (Carpinus) aangetroffen een soort die pas vanaf 1100 voor Chr. in Nederland wordt aangetroffen. In lage percentages is stuifmeel van granen en akkeronkruiden gevonden. Verder zijn grassen, diverse algemene kruiden, ruigtekruiden en heide aanwezig. S46 (M46), 10-11 cm (BX4834) De globale AP/NAP-verhouding is 70/30 waarbij het pollen van eik het meest voorkomt, gevolgd door els en hazelaar. Er is pollen van maretak (Viscum) en klimop (Hedera) aanwezig. Deze soorten kunnen een aanwijzing zijn voor een Laat-Atlanthisch bos. Er is ook een enkele pollenkorrel van het graan-type (Cerealia-type) aanwezig alsmede enkele pollenkorrels van akkeronkruiden of ruderalen. De sporen van zwart hauwmos (Anthoceros punctatus), een soort die voorkomt op open omgewerkte grond, worden regelmatig aangetroffen. Tenslotte is het pollen van grassen, diverse algemene kruiden, ruigtekruiden en heide aanwezig.
S52 (M46), 29-30 cm (BX4835) De globale AP/NAP-verhouding is 90/10. Het pollen van hazelaar domineert het pollenbeeld. Daarnaast komt het pollen van den (Pinus) veelvuldig voor. Er is stuifmeel van andere boomsoorten, van grassen, van andere kruidachtige planten en heide aanwezig. S50 (M46), 39-40 cm (BX4836) De globale verhouding tussen boompollen en niet-boompollen is 85/15. Den domineert het pollenbeeld. Daarnaast is het pollen van berk (Betula) veelvuldig aanwezig. Er is pollen van andere bomen, van grassen, van diverse kruidachtige planten en heide aanwezig. S54 (M46), 46-47 cm (BX4837) De globale AP/NAP-verhouding is 80/20. Berk domineert het pollenbeeld. Daarnaast is het stuifmeel van den, grassen en diverse kruidachtige planten aanwezig. Ook zijn de sporen van het niervaren-type (Dryopteris-type) regelmatig gezien. Hoewel het hier gaat om inventarisatiegegevens en er geen uitspraken over de vegetatieontwikkeling, noch ouderdom van de afzettingen gezegd kan worden, lijkt het erop dat de meeste organische pakketten in de eerste 5000 jaar van het Holoceen zijn afgezet. Het bovenste monster waarin ook indicatoren voor menselijke aanwezigheid zijn gevonden, is van jongere datum. 14.2.3 conclusie
In verband met proefsleuvenonderzoek bij Wijchen zijn vijf pollenmonsters uit evenzoveel organische lagen uit een depressie geïnventariseerd. Het pollen is in alle monsters goed geconserveerd. De pollenrijkdom en het globale pollenbeeld is in alle monsters erg veelbelovend voor vervolgonderzoek. Analy-
81
se van deze pollenmonsters is daarom zeer aan te bevelen, aangezien daaruit voor Wijchen een goed beeld kan worden verkregen van de vegetatiegeschiedenis gedurende een groot deel van het Holoceen tot aan het begin van de IJzertijd. Als er tot vervolgonderzoek wordt besloten, dan is het wenselijk om ook een aantal tussenliggende niveaus op pollen te laten onderzoeken, zodat de vegetatiegeschiedenis op deze locatie goed in kaart gebracht kan worden.
14.3
zadenonderzoek
14.3.1 inleiding
Tijdens het zeven van de vulling van spoor 9.55 ten behoeve van vondsten is er een aantal vruchten en zaden aangetroffen. Sporen in combinatie met botanisch materiaal uit het Neolithicum in deze regio zijn uiterst zeldzaam. Op basis van de stratigrafie en de determinatie van de vondsten is geconcludeerd dat spoor 9.55 zeker uit de Vlaardingenperiode stamt. Dit is dus een zeer interessante kuil voor onze beeldvorming over het Neolithicum in Wijchen. Helaas zijn er voor de analyse van het botanisch monster geen fondsen beschikbaar. Om toch iets meer te weten te komen over de inhoud van de kuil is besloten om op zijn minst de grote zaden te determineren die in deze vulling zijn aangetroffen te laten determineren. Dit werk is verricht door BIAX-Consult in de persoon van dr. L. Kooistra. Ook is het monster gewaardeerd.
14.3.2 resultaten
In totaal zijn vijf zaden en vruchten gedetermineerd. Het betreft een aantal eikels en wat bessen van de rode kornoelje. Naast deze zaden en vruchten is het monster zeer rijk aan botanisch materiaal. Analyse hiervan kan een prachtig inzicht leveren in het landgebruik en mogelijk ook in de wijze van voedselvoorziening van de mensen in het Neolithicum op de Oostflank. Daarnaast zou een 14C-datering van één van de zaden ook een mooie kans geven om dit complex goed te dateren. Zeker nu de enige 14Cdatering niet echt bruikbaar blijkt voor het vondstcomplex. We kunnen slechts speculeren of de eikels en bessen door menselijke activiteiten, al dan niet opzettelijk, in de kuil terecht zijn gekomen. Eén argument pleit voor een interpretatie waarbij de vruchten door menselijk handelen in de kuil terecht zijn gekomen. In de pollenbakken en tijdens het verzamelen zijn geen vruchten gezien. De voorzichtige conclusie kan worden getrokken dat de eikels en de bessen van de rode kornoelje door menselijk handelen in de kuil zijn geraakt.
14.3.3 conclusie
Het botanisch materiaal uit S9.55 is zeer interessant. Het genomen monster kwalificeert als zeer rijk en biedt een uitgelezen mogelijkheid om meer inzicht te verwerven over het landschap, het landgebruik en de voedselvoorziening van 5000 jaar geleden. De zaden en vruchten die in de kuil lagen zijn afkomstig van twee planten. Onzeker is of dit materiaal intentioneel in de kuil is gedeponeerd.
82
14.4
houtonderzoek
14.4.1 methode
Tijdens het aanleggen van het profiel over de depressie is er relatief veel (onbewerkt) hout waargenomen. In spoor 9.46 lag ook een grote stam of balk waarvan tijdens het veldwerk werd vermoed dat hij bewerkt was. Vervolgens is aan BIAX Consult de opdracht verstrekt om het hout te onderzoeken op bewerkingssporen en de houtsoort te determineren. Om dit laatste te bewerkstellingen is een houtmonster genomen dat is opgestuurd naar BIAX Consult waar het met behulp van een doorvallendlichtmicroscoop met vergrotingen tot 400 maal onderzocht om de houtsoort te bepalen. Het onderzoek naar sporen van bewerking is verricht door dr. L. Kooistra. Hierbij zijn de relevante maten genomen en is het gevonden boomonderdeel is vastgesteld. Vervolgens is gezocht naar sporen van bewerking en gebruik.
14.4.2 resultaten
Het in de depressie aangetroffen stuk hout mat tenminste 215 bij 12.5 bij 6.5 cm (lengte x breedte x dikte). Het betreft een stam van den (Pinus), waarschijnlijk grove den (Pinus sylvestris), waarvan een deel van de buitenste ca. 25 jaarringen bewaard gebleven zijn. De stam is tenminste 13 cm dik geweest (= 2 x 6.5 cm). Op basis van de kromming van de jaarringen zou de stam een diameter van 20 tot 30 cm kunnen hebben gehad. Gezien het grillige verweringspatroon lijkt het grootste deel van de stam te zijn verrot. Wellicht is één zijde van het hout door splijting ontstaan. Het splijtvlak kan door een natuurlijke oorzaak zijn ontstaan, maar het kan ook door de mens zijn bewerkstelligd. Bewerkings- of gebruikssporen zijn evenwel niet aangetroffen (of bewaard gebleven). Tijdens de groei raakt bij naaldbomen de basis van de zijtakken ingebed in het weefsel van de uitdijende stam. Aan één van de uiteinden van het stuk dennenhout is een zijtakje gevonden. Om de zijtak heen bevinden zich de resten van het hout van de stam, dat er omheen groeide. Het gaat hier dus om een zogenoemde kwast in naaldhout, een zijtak die ligt ingebed in het hout van de stam. Den kwam met name in de eerste helft van het Holoceen op uitgebreide schaal in Nederland voor. In het Atlanticum werd de plaats ingenomen door een verscheidenheid aan loofbomen.
Lange tijd is gedacht dat de den vanaf de IJzertijd tot en met de Middeleeuwen niet in Nederland was vertegenwoordigd (na die tijd is deze soort in bossen aangeplant). Er komen echter steeds meer aanwijzingen dat de den nooit echt weg is geweest uit de natuurlijke vegetatie. De soort is echter verdrongen naar (extreem) voedselarme milieutypen (droge, voedselarme zandgrond en hoogveen).
14.4.3
conclusie
Hoewel tijdens het veldwerk nog werd gedacht dat het stuk hout bewerkt was heeft het onderzoek helaas uitgewezen dat dit niet het geval is. Het hout is mogelijk door mensenhanden gespleten, maar hiervoor ontbreken overtuigende argumenten. Gezien het gebrek aan sporen die wijzen op enige menselijke invloed en het gegeven dat er veel meer hout in de vulling van de depressie ligt, moet deze vondst als natuurlijk worden gezien. Mogelijk is het een deel van een stam van een den op de oever van de depressie die nadat hij was afgebroken in de depressie is gevallen.
83
15
vindplaatsen in relatie tot de omgeving
15.1
inleiding
Dat Wijchen en haar omgeving een bijzondere positie inneemt in de Nederlandse archeologie komt ook duidelijk tot uiting in de resultaten van het onderzoek aan de Oostflank. De sporen en vondsten die zijn aangetroffen, behoren tot vindplaatsen uit nagenoeg alle archeologische perioden. De vindplaatsen en nederzettingen die zijn aangesneden beperken zich, zoals is beschreven in het hoofdstuk sporen en structuren, niet tot de begrenzingen van het plangebied. Daarnaast staan de vindplaatsen niet op zichzelf, maar maken ze deel uit van een groter geheel van kampementen, nederzettingen en grafvelden in de omgeving. Hoewel het geen onderdeel is van de vraagstellingen in het PvE is er voor gekozen om een aantal van de vindplaatsen van de Oostflank te plaatsen in de bekende archeologische gegevens van Wijchen. Hierin zal geen poging worden gedaan om alle archeologische onderzoeken en vindplaatsen in Wijchen te koppelen aan de resultaten van de Oostflank. Daarvoor is er te veel data beschikbaar. Voor dit hoofdstuk is gekeken naar een aantal onderzoeken in de directe nabijheid van het plangebied. Daarnaast zijn er gegevens uit verschillende grotere onderzoeken meegenomen waarvan al bekend was dat ze op de één of andere manier van toepassing zouden zijn voor het onderhavig onderzoek.
Wanneer ARCHIS II geraadpleegd wordt valt op dat het merendeel van de onderzoeken in Wijchen zich concentreert in het centrum. Het betreft hier vooral kleinschalige opgravingen of wat verkenningen en waarnemingen. Desalniettemin is de informatie die hieruit naar voren komt in sommige gevallen bijzonder relevant voor dit onderzoek. In dit hoofdstuk worden alleen de vindplaatsen uit het Mesolithicum, het Neolithicum en de Middeleeuwen belicht. De vindplaats uit de Bronstijd is in de voorgaande hoofdstukken in verband gebracht met de vindplaats aan de Kasteellaan.88 Dit is de enige relevante bronstijdsite in de nabijheid van het plangebied. Daarom zal de vindplaats uit de Bronstijd verder niet worden besproken. Vindplaatsen uit de IJzertijd zijn bijzonder schaars in Wijchen. Het heeft daarom geen zin om de vindplaats van de Oostflank in een breder kader te plaatsen.
15.2
mesoliticum
Het Mesolithicum is in het plangebied relatief sterk vertegenwoordigd. Sporen uit deze periode zijn echter niet aangetroffen. Het is goed mogelijk dat deze zijn afgedekt door verschillende lagen stuifzand of dat deze buiten de opgravingsputten liggen. Sporen uit deze periode bestaan vrijwel uitsluitend uit zogenaamde haardkuilen. De kuilen zijn in tegenstelling tot andere sporen uit deze perioden nog zichtbaar omdat ze doorgaans volledig zijn gevuld met houtskool. Vaak liggen de kuilen in groepjes bijeen. Binnen Wijchen zijn (gedocumenteerde) vindplaatsen uit het Mesolithicum bijzonder zeldzaam Alleen in het plangebied Bijsterhuizen en in Alverna zijn tot nu toe twee vindplaatsen aangetroffen waarvan zeker is dat het om Mesolithische sites gaat.89 Daarnaast is er mogelijk nog een vindplaats opgegraven door de toenmalige Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in het plangebied 'de Berendonk'. Hierover is tot nog toe alleen een masterscriptie verschenen waarin het vermoeden wordt uitgesproken dat er een Mesolithische vindplaats heeft gelegen.90
88
Verhelst 2011.
89
Schurmans in voorb./Harmsen 2011.
90
Van Veldhuizen 2012.
84
Een laatste waarneming waarbij vondsten zijn gedaan uit het Mesolithicum betreft een vindplaats even ten noorden van Wijchen met het toponiem Wezel. Hier zijn enkele mesolithische stukken vuursteen gevonden.91 Het hier weergegeven aantal vindplaatsen is bijzonder klein wanneer men zich realiseert dat het landschap van in deze omgeving in het Mesolithicum bijzonder geschikt was voor de mens om zich te vestigen. Het reliëfrijke landschap leende zich goed voor de jacht, de toppen van de duinen vormden een aantrekkelijke woonlocatie omdat ze goed verdedigbaar waren en men had nagenoeg altijd toegang tot water door de rivieren, geulen en vennen in het gebied. Daarnaast kon er op beperkte schaal lokaal vuursteen worden gevonden. Hierdoor konden mensen hun werktuigen ter plaatse maken. De grootte van de sites in het Mesolithicum verschillen onderling sterk. Doorgaans clusterde de bewoning zich in één grote nederzetting. Hieruit ontstonden in de buurt kleinere nederzettingen waar men gedurende een seizoen of een iets langere periode woonde. Vanuit deze sites gingen mensen op jacht en maakten daarbij gebruik van kleine jachtkampjes waar ze maar kort bivakkeerden. De vindplaatsen die zijn gevonden in Bijsterhuizen en Alverna en mogelijk ook 'de Berendonk' moeten waarschijnlijk worden gezien als een dergelijk jachtkamp.
De vondsten van de Oostflank wijzen op een woonplaats waar men zich voor een langere periode ophield, maar het is nog geen 'moedersite'. Het is onduidelijk of er binnen het gebied van de gemeente Wijchen vindplaatsen liggen van een aanzienlijk formaat waar men meerdere jaren achtereen heeft gewoond. Gezien de voor het Mesolithicum aantrekkelijke leefomstandigheden is het niet ondenkbaar dat een dergelijke site zich ergens in de Wijchense ondergrond bevindt.
15.2
neolithicum
Het Neolithicum in Wijchen is vrij goed vertegenwoordigd. Helaas betreft het telkens vondstmeldingen of kleinschalige opgravingen. Hierdoor is het erg lastig om een goed beeld te krijgen van de bewoning in het Neolithicum. Daarbij komt dat sporen uit deze periode uiterst zeldzaam zijn. In archeologisch Nederland heerste tot voor kort de opvatting dat sporen uit het Neolithicum in zandige bodems niet of nauwelijks te traceren zijn. De meeste sporen zouden dusdanig zijn uitgeloogd dat het verschil tussen het spoor en de omringende bodemlagen niet meer waar te nemen is. Opgravingen in Veldhoven (N.B.), maar ook in Odoorn (Dr.) laten zien dat deze veronderstelling niet langer houdbaar is.92 Dichter in de buurt van het plangebied zijn af en toe sporen gevonden uit het Neolithicum. Onder andere in Grave, Linden en Gassel, maar ook in Wijchen zelf zijn er enkele kuilen bekend.93 De sporen zijn gevonden tijdens een opgraving in Woezik, aan de Suikerbergseweg.94 Deze kuilen worden gedateerd in het Laat Neolithicum B (2450-2000 voor Chr.). Enkele kilometers ten westen van het plangebied is in het Vormer in de jaren ’70 van de vorige eeuw een vindplaats uit dezelfde periode opgegraven.
Destijds is deze toegeschreven aan de Michelsbergcultuur.95 Deze, naar nu blijkt, foutieve datering komt voort uit het feit dat men destijds nog geen kalibratiecurve hanteerde wanneer er een 14C-datering was verkregen. Het materiaal dat is gepubliceerd van deze noodopgraving wijst onherroepelijk in de richting van de Vlaardingencultuur. Alle vormen die daar zijn aangetroffen komen ook terug in het aardewerkspectrum uit de depressie in de restgeul. Eveneens uit de jaren ’70 stamt de opgraving door de AWN aan de Homberg in Wijchen. Deze vindplaats dateert, getuige het vondstmateriaal, in exact dezelfde periode als de nederzetting op de Oostflank. Ook het beeld dat uit het vondstenspectrum naar voren komt vertoont grote parallellen met dat 91
ACHISII.
92
Van Kampen/Van den Brink in voorb; Raemakers in voorb.
93
Janssen/Tuijn 1972; Verhart/Louwe Kooijmans 1989;Louwe Kooijmans/Verhart, 1990.
94
Heirbaut 2011.
95
Jansen 1974, 264-278.
85
van deze site. Zo is op de gepubliceerde foto’s een soortgelijk fragment van een kraaghalsflesje als V9.31, (fig. 8.1a) zichtbaar.96 Daarnaast is op de foto hieronder een scherf van een ‘standvoetbeker’ zichtbaar die bijzonder veel overeenkomsten vertoont met de scherf van de drieledige beker, (V9.35, fig. 8.1c) uit de depressie.97 Ook op deze site is het Laat Neolithicum vertegenwoordigd getuige het aantal klokbekerfragmenten. Hiervan vertoont één scherf veel overeenkomsten met V9.29 (fig. 8.5c).98 Het ziet er dus naar uit dat de vindplaats op de Homberg een zelfde soort nederzetting is geweest als die op de Oostflank. De belangrijkste vindplaatsen uit het Midden en Laat Neolithicum voor dit onderzoek liggen echter nog dichter bij het plangebied. Het betreft in de eerste plaats de vindplaats op de Markt waarvan de AWN een zeer vondstrijke laag uit deze periode heeft gedocumenteerd in het profiel van een bouwput. Het materiaal dat hierbij is verzameld, vertoont zeer sterke overeenkomsten met het materiaal dat uit de depressie in werkput 9 is verzameld. Ook de textuur van de vondsthoudende lagen komt overeen. Beiden zijn zeer humeuze, bijna venige lagen. Van de depressie uit werkput 9 kon niet worden vastgesteld of die doorliep in de richting van de Markt.
De kans is zeer groot dat dit niet het geval is en dat de vondsthoudende laag op de Markt deel uitmaakt van een tweede depressie in dezelfde fossiele restgeul. Het is echter wel aannemelijk dat beide complexen behoorden tot dezelfde (zeer) grote nederzetting die een groot deel van het rivierduin besloeg. De tweede belangrijke vindplaats uit deze periode ligt enkele honderden meters naar het oosten aan de Oosterweg.99 Hier heeft hoogstwaarschijnlijk ook een nederzetting bestaan ten tijde van de bewoning op de Oostflank, maar hiervan zijn geen sporen aangetroffen. Daarbij is het zo dat het materiaal aan de Oosterweg een stuk minder divers is als het gaat om versiering. Daarnaast is het aandeel van het materiaal dat niet aan de Vlaardingencultuur wordt toegeschreven een stuk kleiner.100 Deze gegevens maken het aannemelijk dat de vindplaats aan de Oosterweg een ander type site is dan die op de Oostflank, de Markt en de Homberg. Tot slot is er nog een vondstmelding uit het Wijchensmeer die betrekking heeft op ons plangebied. Hier hebben duikers eveneens aardewerk uit deze periode en mogelijk zelfs afkomstig van deze nederzetting verzameld. De exacte locatie en de vondstomstandigheden zijn echter onbekend.101 Hoewel er dus een aantal vindplaatsen uit het Midden en Laat Neolithicum bekend is in Wijchen, is onze kennis over deze periode gering.
Dit is vooral te wijten aan het gebrek aan goed onderzochte vindplaatsen. Duidelijk is wel dat het een dichtbevolkt gebied zal zijn geweest in deze periode. De vindplaats op de Oostflank biedt als geen ander perspectieven om eindelijk meer grip te krijgen op deze gecompliceerde periode in Wijchen, maar ook in Nederland. Niet alleen bestaat hier een kans om een (zeer groot) complex te bestuderen, maar is er ook een mogelijkheid om nauwsluitende typologie van het aardewerk op te stellen. Wanneer er uiteindelijk een vervolgonderzoek zou plaatsvinden in het plangebied dient deze vindplaats zeker veel aandacht te krijgen.
15.3
middeleeuwen
Hoewel het plangebied slechts een steenworp verwijderd ligt van vroegmiddeleeuwse grafveld in het centrum is deze periode in het sporen en vondstenspectrum slechts vertegenwoordigd in een handjevol scherven en een enkele kuil. Hoewel dit aantal laag is, zijn de sporen wel van groot belang voor toe96
Jansen/Tuijn 1978, 244 fig. 7.8.
97
Jansen/Tuijn 1978, 244 fig. 8.11.
98
Jansen/Tuijn 1978, 245 fig. 9.23.
99
De Koning 2010.
100
De Koning 2010.
101
Teubner/Tuijn 2010 180-181.
86
komstig onderzoek. De datering van de sporen wijst namelijk in de richting van een nederzetting die dateert rond de overgang van de laat-Romeinse tijd naar de Vroege Middeleeuwen. Hoewel het bewijs schaars is zou hier wel eens een nederzetting kunnen liggen die de bewoning op de Tienakker opvolgt en de woonplaats is van de eerst begraven overledenen op het grafveld op de Markt. In dit grafveld zijn enkele graven gevonden die qua datering aansluiten bij de datering van de vindplaats op de Oostflank.102 Onduidelijk is de relatie tussen de vindplaats op de Oostflank en de Merovingische nederzetting op de Westflank. Vermoedelijk hebben beide locaties (deels) gelijktijdig bewoning gekend. Dit is op basis van dit onderzoek echter niet vast te stellen. Dit verandert omstreeks de Ottoonse tijd en mogelijk zelfs eerder. Niet alleen is een groot deel van het verzamelde middeleeuws aardewerk aan deze periode toe te schrijven, maar is het vondstmateriaal ook nog eens afkomstig uit gesloten contexten. Het vondstmateriaal uit deze periode is niet van een dusdanig bijzonder karakter dat hier uitzonderlijke nederzetting gereconstrueerd kan worden. Het aardewerk geeft een beeld weer van een reguliere rurale nederzetting en ook het metaal spreekt niet voor een overdaad aan luxe. Wat de nederzetting uitzonderlijk maakt is dat men hier op een zekere schaal ijzer heeft geproduceerd.
Tijdens het veldwerk is één min of meer intacte ijzeroven gevonden (fig. 6.3). Daarnaast zijn er in verschillende sporen, zowel greppels als kuilen, grote hoeveelheden ijzerslakken gevonden die erop wijzen dat er zeker meerdere ovens binnen het plangebied hebben gefunctioneerd. Vanwege de geringe schaal van het onderzoek is echter niet vast te stellen om hoeveel ovens het hier precies gaat. Deze vondsten laten echter wel zien dat het hier om bijzondere vindplaats gaat. In deze regio zijn de aanwijzingen voor ijzerproductie in de vorm van ovens schaars. We weten daarom niet of ijzerproductie hier een even belangrijke plaats in de samenleving innam als in het gebied rondom de Utrechtse heuvelrug en de Veluwe. Daar vormt de ijzerproductie de basis voor het (voort)bestaan van de elites vanaf de Vroege Middeleeuwen tot en met de Volle Middeleeuwen.103 Het voert in dit stadium van het archeologisch proces veel te ver om hier een dergelijk verband tussen de Wijchens elite uit de Merovingische fase van de Vroege Middeleeuwen en de bewoners van de Ottoonse en volmiddeleeuwse vindplaats op de Oostflank te vermoeden. De functie en de plaats in de samenleving van deze nederzetting zal bij eventueel vervolgonderzoek moeten blijken.
102
Heeren/Hazenberg 2010, 167-173.
103
Heidinga 1990, 9-36.
87
16
beantwoording onderzoeksvragen
16.1
algemene vragen
Wat is de aard, datering en omvang van de archeologische sporen en resten? Splits deze uit per individuele vindplaats (diverse complextypen uit verschillende perioden; bijvoorbeeld nederzetting Romeinse tijd; grafveld laat-Romeins; nederzetting Late Middeleeuwen). In totaal zijn er zeven vindplaatsen onderscheiden omdat de verschillende vindplaatsen in dit rapport uitgebreid zijn besproken wordt het antwoord op deze vraag in tabelvorm weergegeven. Complextype
Datering
Omvang
binnen
Bijzonderheden
het plangebied
Nederzetting Mesoli-
7500-6500 voor Chr.
Ca. 600 m2
Seizoenskamp
3500-2500 voor Chr.
Ca. 4650 m2
Nederzetting van een aanzienlijk formaat.
1800-775 voor Chr.
Ca. 1550 m2
Onderdeel van een groter nederzettings-
thicum Nederzetting Neolithicum Nederzetting MiddenLate Bronstijd
complex dat zich naar het noordoosten uitstrekt.
Nederzetting IJzertijd
775-250 voor Chr.
Onbepaald
Rurale nederzetting, slecht zichtbaar in het vondstenspectrum. Mogelijk enkel erf.
Nederzetting
Laat
275-750 na Chr.
2
Ca. 1500 m
Enige sporen aangetroffen in noordwest-
Romeinse tijd/Vroege
hoek van het plangebied. Mogelijke voor-
Middeleeuwen
ganger van vroegmiddeleeuwse nederzetting.
Nederzetting Ottoonse
936-ca. 1000 na Chr.
Ca. 9000 m
2
Gehele noordelijke helft van het plangebied
tijd Nederzetting Volle en Late Middeleeuwen
en de ijzerovens in werkput 1. 1000-1500 na Chr.
2
Ca. 15000 m
Best vertegenwoordigt in het vondstenspectrum. Beslaat nagenoeg hele plangebied. Meest bijzonder zijn de aanwijzingen voor gespecialiseerde ijzerbewerking.
Tabel 16.1. Wijchen-Oostflank. Datering en omvang binnen het plangebied van de vindplaatsen.
Hoe is de gaafheid (conservering) van de sporen? Wat is de aard van eventuele verstoringen? Met uitzondering van de sporen uit het Mesolithicum is de conservering van de sporen overwegend goed te noemen. De sporen zijn goed leesbaar en slechts in een deel van de gevallen aangetast door recentere verstoringen en bioturbatie. Verder is in alle werkputten met uitzondering van werkput 4 en 5 nog sprake van een afdekkende cultuurlaag. Alle sporen die hieronder liggen zijn in de regel goed geconserveerd. De verstoringen zijn binnen het plangebied, indien aanwezig, meteen grootschalig. De oostelijke helft van het terrein is voor een groot deel verstoord door de bouw- en sloopwerkzaamheden van een basisschool. Daarnaast heeft men rond het begin van de 20ste eeuw zand gewonnen ter hoogte van werkput 9. Hierdoor zijn de sporen uit alle perioden na het Midden en Laat Neolithicum grotendeels verstoord.
88
Overige verstoringen zijn niet vastgesteld, maar men mag veronderstellen dat de sloop van de sporthal in het zuidwestelijk deel van het plangebied ook de nodige schade zal toebrengen aan het archeologisch bestand. De Neolithische depressie die hieronder ligt, bevindt zich echter op een dusdanig grote diepte dat hij nog grotendeels intact zal zijn. Is er sprake van stratigrafisch gescheiden sporenniveaus? Wat is de aard en de datering van de diverse sporenniveaus en wat is hun begrenzing in het verticale en horizontale vlak? In verschillende delen van het plangebied is sprake van gescheiden sporen niveaus. In werkput 7 ligt op ca. 30 cm onder het vlak een begraven bodem uit het Mesolithicum. In de lagen hierboven zijn sporen ingegraven vanaf het Midden Neolithicum. Deze lijken allemaal vanaf hetzelfde niveau te zijn ingegraven. Het feit dat sommige sporen pas op een lager vlak zichtbaar werden zoals dit in werkput 1 het geval was, lijkt eerder te komen doordat de dichtheid van jongere sporen het zicht op de oudere sporen ontneemt en niet zozeer doordat er daadwerkelijk stratigrafisch gescheiden niveaus aanwezig zijn. Wat is de onderlinge relatie tussen de aangetroffen resten, de vastgestelde stratigrafie, de bodemgesteldheid en het landschap (geomorfologie en reliëf)? Duidelijk is dat de bewoning zich van oudsher op de kop van het duin heeft geconcentreerd.
In het Neolithicum gebruikt men de flanken hooguit voor het bewerken van vuursteen. Daarnaast wordt de depressie aan de voet van het duin gebruikt als (intentionele of afval-) dumpsite. Het gegeven dat er nauwelijks vuursteenafval in de vullingen is aangetroffen, kan een aanwijzing zijn dat de geul naast dumpsite ook een andere functie heeft gehad. De hoeveelheid aardewerk suggereert dat de plek druk bezocht is door mensen. Het scherpe vuursteenafval zou voor nare verwondingen kunnen zorgen. Mogelijk is dit een verklaring voor het ontbreken van debitagemateriaal in de depressie. In latere bewoningsfasen is deze depressie afgedekt door een dik pakket stuifzand. Dit deel van het plangebied is dan een gewone helling waarop weliswaar menselijke activiteit plaatsvindt, maar waar getuige het schaarse vondstmateriaal en het beperkt aantal sporen niet echt sprake kan zijn geweest van bewoning. Deze bevindt zich dan nog steeds op de kop van het duin. Vanaf de Volle Middeleeuwen vindt er ook bewoning plaats aan de voet van het duin. Het is echter goed mogelijk dat dit moet worden gezien als uitbreiding van de nederzetting in deze periode omdat de kop van het duin te druk werd. Is er een relatie tussen de landschappelijke ligging (geomorfologie, reliëf en bodem) en de conservering van de archeologische resten? In twee zaken is het antwoord op deze vraag bevestigend.
In de eerste instantie is daar de depressie rondom werkput 9. De aard van deze depressie heeft zowel nadelige als positieve gevolgen voor de conservering van archeologische resten. De lagen bestaan uit een zeer venig substraat. Vanwege de hoge zuurgraad van het veen zal bot niet bewaard zijn. Het is in theorie echter wel mogelijk dat huid en andere delen van menselijke of dierlijke resten wel bewaard zijn gebleven (vgl. veenlijken in Drenthe). Een tweede element van de depressie dat gunstig is voor de conservering van archeologische resten is het feit dat de lagen grotendeels onder de waterspiegel liggen. Hierdoor zijn de archeologische resten afgesloten van zuurstof. Omdat het zuurstof de resten niet kan aantasten blijven ze goed geconserveerd. Dit geldt in dit specifieke geval dan vooral voor alle organische resten met uitzondering van bot. Een tweede relatie tussen de geomorfologie en de conservering van archeologische resten is aangetoond in de noordelijke helft van werkput 2. Hier liggen de mesolithische vondsten hoger dan de
89
jongere Neolithische vondsten. Dit duidt erop dat de mesolithische woonlaag door erosie van het duin is afgegleden. In de noordelijker gelegen werkput 7 ligt de mesolithische woonlaag nog wel in situ. Wat zijn de verbanden van de hier aangetroffen sporen met vindplaatsen uit de (naaste) omgeving? Tot welke (grotere) vindplaats behoren de aangetroffen sporen en vondsten? Deze vraag is uitvoerig behandeld onder hoofdstuk 14. Voor het antwoord hierop wordt dan ook verwezen naar hoofdstuk 9.
16.2
specifieke vragen
Zijn in het onderzoeksgebied begravingen of andere sporen aanwezig die deel uitmaken van vroegmiddeleeuwse en laat-Romeinse grafvelden (Esdoornstraat)? Zo ja, geef aantallen, spreiding, datering van de graven. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van grafvelden. Wel zijn er sporen en vondsten gedaan die in relatie kunnen worden gebracht met de bewoners die op respectievelijk het laatRomeinse grafveld en het vroegmiddeleeuwse grafveld zijn begraven. Zijn watergerelateerde vondsten terug te vinden in en naast de loop van het Wijchens Maasje? Zo ja, geef aard, spreiding en datering aan van de sporen. In het plangebied is een oude geul van het Wijchens Maasje aangesneden. Ten tijde van de vroegst gedocumenteerde bewoning binnen het plangebied zal deze echter niet meer constant watervoerend zijn geweest. Wel zijn er in deze loop enkele waterrijke depressies blijven liggen die met name in het Midden en Laat Neolithicum in gebruik zijn geweest als dumpplaats voor afval en mogelijk ook als was- en drenkplaats hebben gefungeerd. Deze vondsten concentreren zich uitsluitend tot de depressie die zich rondom werkput 9 bevindt. Mogelijk loopt hij verder door naar het noordwesten. Zijn bewoningssporen aanwezig die behoren tot de middeleeuwse (of nieuwtijdse) dorpskern van Wijchen? Zo ja, geef aard, datering en spreiding van de sporen aan.