CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9: Proefsleuvenonderzoek Oostflank 2012 (ZAN 283)

Raad openbaar Wijchen 30 juni 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 30066 Beslisnota Vaststelling Bestemmingsplan TKWM 202239.402 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Hoewel alle perioden vanaf de Romeinse tijd aanwezig zijn in het aardewerkspectrum, is het niet mogelijk om op basis van het aardewerk vast te stellen of het terrein ononderbroken in gebruik is geweest. Het is goed mogelijk dat er perioden zijn geweest waarin er geen bewoning plaatsvond. Dergelijke bewoningshiaten zijn echter zeer moeilijk te duiden aan de hand van het aardewerk.

9

metaal

Jan van Renswoude

9.1

inleiding

Tijdens het veldwerk is intensief gezocht met de metaaldetector. In totaal zijn hierbij 97 metalen objecten verzameld. Deze vondsten dateren globaal vanaf de Late IJzertijd tot in de Nieuwe Tijd. In het kader van de vraagstellingen uit het PvE zijn de metaalvondsten gewaardeerd. In dit hoofdstuk zijn de resultaten van deze waardering weergegeven.

9.2

methode

Voor de waardering van het metaal zijn alle vondsten bekeken. Hierbij zijn vondsten geselecteerd op context en datering van het materiaal. Het gros van de metaalvondsten is afkomstig uit de bouwvoor of het plaggendek (tabel 9.1). De meeste vondsten met een dergelijke herkomst zijn niet geselecteerd voor verdere analyse.

WP

VN

1 1 1 1 1 1 1 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 3 3 3 3 3

SN

1 12 17 21 22 25 46 8 9 13 27 31 40 119 125 143 145 151 1 9 10 25 42

Spoordefinitie

1 29 26 999 40 38 47 10 998 998 13 13 21 999 13 22 39 999 2 999 6 10 45

recente verstoring kuil greppel bouwvoor greppel kuil paalkuil laag (sub)recente laag (sub)recente laag cultuur-/vondstlaag cultuur-/vondstlaag laag bouwvoor cultuur-/vondstlaag laag natuurlijke laag bouwvoor greppel bouwvoor kuil kuil paalkuil

AANTAL

4 1 2 10 1 1 1 1 1 4 1 1 2 13 2 1 1 7 1 4 3 2 1

48

7 7 9 9 9 9 9 9 10 13

17 39 1 2 5 7 27 56 1 5

55 999 15 23 9 4 37 999 999 1

paalkuil bouwvoor kuil natuurlijke laag paalkuil cultuur-/vondstlaag kuil bouwvoor bouwvoor plaggendek

1 8 1 1 1 1 1 16 1 1

Tabel 9.1. Wijchen-Oostflank. Overzicht van de contexten van de metaalvondsten.

De vondsten die wel geselecteerd zijn voor analyse, zijn ingevoerd in een database. Hierin zijn verschillende kenmerken als gewicht, formaat en datering opgenomen. Deze vondsten worden in de volgende paragrafen per periode besproken.

9.3

conservering

Het metaal is opvallend goed geconserveerd. Zeker wanneer men in ogenschouw neemt dat het merendeel van de vondsten afkomstig is uit lagen. Metaal afkomstig uit sporen is doorgaans minder onderhevig aan aantasting door wat voor postdepositionele processen dan ook. Het gegeven dat de vondsten uit de lagen ook goed zijn geconserveerd geeft aan dat de conserveringsomstandigheden binnen het plangebied ondanks de zandige ondergrond erg goed zijn.

9.4

resultaten

9.4.1

vroeg-romeinse tijd

Eén object dateert helemaal aan het einde van de Late IJzertijd of het begin van de Romeinse tijd. Het is een bronzen AVAUCIA-munt (V9.7), die dateert tussen ca. 30 voor tot 9 na Chr. De munt is afkomstig uit een cultuurlaag in werkput 9 (S9.4). Het reliëf op de munt is nog deels zichtbaar. Afgebeeld zijn een paard op de voorzijde en een zonnerad op de keerzijde.

9.4.2

midden-romeinse tijd

Uit de midden-Romeinse tijd stamt een fragment van bronzen riemgeleider of beslag van een dubbeljuk (V1.17, fig. 9.1). Dit object is gevonden in een greppel in werkput 1 (S1.26, 3). Uit hetzelfde spoor is onder hetzelfde vondstnummer nog een druppel smeltbrons verzameld (fig. 9.2a). De patina van het brons wijst op een Romeinse datering. Net als het Romeins aardewerk uit de middeleeuwse sporen moet ook dit brons als opspit worden beschouwd.

Fig. 9.1. Wijchen-Oostflank. Fragment van een riemgeleider of dubbeljuk.

49

De vondst van een tweede bronsdruppel (V1.22, fig. 9.2b) uit dezelfde werkput met een soortgelijk Romeins patina doet vermoeden dat er in de Romeinse tijd in de directe omgeving van werkput 1 een metaalbewerkingswerkplaats heeft gelegen. Ook in werkput 2 zijn nog twee druppels smeltbrons (V2.27 en V2.145 fig. fig. 9.2c, d) in een cultuurlaag aangetroffen. Ook dit brons heeft een kenmerkende groene patina, dat wijst op een Romeinse oorsprong. Het smeltbrons wijst op ambachtelijke activiteiten die te maken hebben met metaalbewerking of productie. Aanwijzingen voor dergelijke werkzaamheden zijn ook aangetroffen binnen het villaterrein de Tienakker.56 Hoewel de bronsdruppels door gebrek aan duidelijke contextinformatie niet nauwkeurig te dateren zijn, worden ze toch besproken bij de middenRomeinse tijd. Reden hiervoor is dat de aanwijzingen voor bronsbewerking op het naastgelegen terrein Tienakker in de midden-Romeinse tijd worden gedateerd.

Fig. 9.2. Wijchen-Oostflank. De verschillende bronsdruppels die zijn verzameld tijdens het veldwerk. 9.4.3

laat-romeinse tijd

Ook de laat-Romeinse tijd is vertegenwoordigd in het metaalspectrum. Een klein bronzen muntje (V3.1, fig. 9.4) dateert uit de tweede helft van de 4de eeuw na Chr. Het is een AES IV van Valentinianus II, Theodosius Arcadius of Honorius (keizersnaam is niet meer te lezen); op de keerzijde staat SALVS R[EIPVBLICAE] met een Victoria naar links. Het is een muntje uit Aquileia (N-Italië), RIC X 58, daterend tussen 28 augustus 388 tot de lente van 393 na Chr.57

9.4.4

late middeleeuwen

Typische metaalvondsten zijn voor de Vroege en Volle Middeleeuwen niet aangetroffen. De eerste middeleeuwse vondsten dateren uit de Late Middeleeuwen. Deze vondsten bestaan uit een ringbroche, een vingerhoed en een gespplaat. V13.6 is een complete ringvormige broche (fig. 9.3a). Langs de rand bevinden zich acht opstaande buisjes die zijn ingelegd met wit email.58 De broche heeft een diameter gehad van 2.2 cm. De buisjes hebben een diameter van 3 mm. Dit soort broches wordt regelmatig aangetroffen op middeleeuwse opgravingen. Ze zijn onder andere bekend uit Kerk-Avezaath, Empel, Velddriel en Kapel-Avezaath.59

56

Heirbout/Van Enckevort 2011.

57

Determinatie Dr. J.G. Aarts(VU Amsterdam).

58

De kleur is vrijwel niet zichtbaar door oxidatie.

59

Nooijen 2000, 165; Van Renswoude 2009, 28; Van Renswoude 2010, 33.

50

Een directe parallel die is gevonden te Kerk-Avezaath wordt gedateerd vanaf de 13de eeuw tot de vroege 16de eeuw na Chr.60 De exemplaren uit Empel, Velddriel en ook die van Wijchen komen helaas uit slecht of niet te dateren contexten. De ringbroche uit Kapel-Avezaath-Muggenborch is gevonden in een greppel. Dit spoor dateert op basis van het aardewerk tussen ca. 1250 en 1300 na Chr. 61 Daarom is deze vroege datering voor de drie ringbroches uit Kerk-Avezaath, Empel, Velddriel ook mogelijk, aangezien op deze opgravingen ook sporen en vondsten uit de 13de eeuw na Chr. zijn aangetroffen. Deze vroege datering past zeker ook bij het exemplaar uit Wijchen aangezien het merendeel van de gedateerde sporen uit de Volle en het begin van de Late Middeleeuwen stamt. Binnen het rivierengebied is dit type broche een object dat veelvuldig voorkomt, getuige het aantal vindplaatsen.

Fig. 9.3. Wijchen-Oostflank. A Ringbroche (V13.6) afkomstig van de Oostflank. B ringbroche V1.22 uit Velddriel. Schaal 2:3.

Opvallend aan het exemplaar uit Wijchen is dat de inleg van email is. De overige exemplaren zijn namelijk ingelegd met glas. Het exemplaar uit Velddriel is ter vergelijking afgebeeld (fig. 9.3b). De broche uit Wijchen toont aan dat er kennelijk twee varianten op dit type ringbroche in omloop zijn geweest, namelijk die ingelegd zijn met email en die ingelegd zijn met glas. Of dit gegeven ook een indicatie voor de datering is, kan vanwege het gebrek aan duidelijke vondstcontexten niet worden vastgesteld. Een bronzen vingerhoed (V13.6, fig. 9.4a) kan in de 14de eeuw gedateerd worden. Het is een gegoten exemplaar dat voorzien is van een boordribbel. De vingerhoed is met de hand is geput. Het topje is zwaar beschadigd. Een gespplaat (V10,1 fig. 9.5b) zou ook nog in de 15de of de eerste helft van de 16de eeuw kunnen dateren. Deze drie vondsten zijn afkomstig uit de bouwvoor of subrecente akkerlagen.

Fig. 9.4. Wijchen-Oostflank. Vondsten uit de Late Middeleeuwen

60

Nooijen 2000, 165.

61

Van Renswoude 2011, 63-64.

51

9.4.5

nieuwe tijd

Uit het metaalspectrum komt een beeld naar voren dat het terrein vanaf de Late Middeleeuwen in gebruik is geweest tot in de Nieuwe Tijd. De metaalvondsten uit de Nieuwe Tijd zijn echter geen van allen geselecteerd voor verdere analyse daar ze niet uit relevante contexten afkomstig zijn.

9.5 conclusie en aanbeveling Hoewel een beperkte hoeveelheid metaal is gevonden, is de potentie hoog. De conservering is goed. Daarnaast zijn objecten aangetroffen die uit de gehele Romeinse tijd dateren. Deze zijn aangetroffen in sporen. Vooral de vondst van de laat-Romeinse munt is interessant. Wanneer laat-Romeinse sporen en vondsten binnen het plangebied aanwezig zijn, zou dit belangrijke informatie kunnen opleveren voor het laat-Romeinse en vroegmiddeleeuwse grafveld van Wijchen. Daarnaast wijst het metaalbewerkingsafval op ambachtelijke activiteiten. Ook zijn vondsten te verwachten uit de Late Middeleeuwen. Hoewel objecten uit Vroege en Volle Middeleeuwen niet zijn gevonden, kan op basis van het aardewerkonderzoek deze wel verwacht worden bij een opgraving. Wanneer het terrein door middel van een opgraving onderzocht wordt, is het aan te bevelen veel aandacht te laten uitgaan naar metaaldetectie. Meestal is laat-Romeinse bewoning vooral herkenbaar door de metaalvondsten.

10

natuursteen

Gerard Boreel

10.1

inleiding, vraagstelling en methode

10.1.1 inleiding

Tijdens het proefsleuvenonderzoek op Wijchen Oostflank is in totaal 887 stuks natuursteen verzameld met een gewicht van 37.850 g. Al het natuursteen is bekeken en de resultaten ervan zijn digitaal vastgelegd.

10.1.2 vraagstelling

Het archeologisch proefsleuvenonderzoek is bedoeld om vast te stellen wat de inhoudelijke en fysieke kwaliteit van de locatie (aard, ouderdom, omvang, gaafheid en conservering) is en indien nodig sporen en vondsten veilig te stellen en te bergen. Om een zo compleet mogelijk beeld te verkrijgen is een grondig proefsleuvenonderzoek voorzien, dat het mogelijk maakt om bij het verwachte vervolgonderzoek (opgraving) selecties te maken en bij te sturen gedurende het onderzoek. Het uitgangspunt daarbij is een kosteneffectief en kwaliteitsvol archeologisch onderzoek op dit deel van het archeologisch rijke Oostflankgebied’.62 De enige vraagstelling die in het PvE is geformuleerd en deels betrekking heeft op de verschillende materiële vondsten is de volgende:63 62

Doelstelling is overgenomen uit het Programma van Eisen (PvE), Heeren/Besuijen 2010, 3.

63

Heeren/Besuijen 2010, 7.

52

-Wat is de aard, datering en omvang van de archeologische sporen en resten?

10.1.3 methode

Het is gebruikelijk bij de analyse van natuursteen het onderzoek te richten op de bewerkte stukken, de artefacten. Dit geeft een beeld van de gebruikte voorwerpen van natuursteen op een vindplaats. Het vertelt ook meer over activiteiten die zijn uitgevoerd op de vindplaats. Het niet-bewerkte natuursteen wordt doorgaans als restgroep behandeld, waarbij mogelijk iets gezegd wordt over de herkomst ervan. Hoewel het onbewerkte materiaal vaak ook is gebruikt, kunnen we aan de stenen niet altijd meer zien waarvoor. Echter, of we onbewerkt natuursteen als archeologische vondst kunnen beschouwen hangt af van locale omstandigheden. De mate van aanwezigheid van natuursteen is namelijk afhankelijk van de geologie van een vindplaats. Aan het oppervlak van Wijchen Oostflank bevindt zich van nature géén natuursteen van bruikbare grootte. Al het materiaal dat is gevonden moet dus elders zijn verzameld en dient als archeologische vondst te worden beschouwd. Gecombineerd met de vaststelling dat het meeste natuursteen zal zijn verzameld uit een fluviatiele afzetting, kunnen we veronderstellen dat het meeste materiaal zal zijn verzameld uit afzettingen van de holocene Maas of van de pleistocene terrassen ten oosten en zuiden van Wijchen.

Voor de waardering van het natuursteen van Wijchen Oostflank is daarom gekozen voor een werkwijze waarbij de nadruk wordt gelegd op het geheel als vondstcategorie, in plaats van een selectie daarvan. De omvang van de categorie natuursteen maakt het echter wel noodzakelijk de werkwijze zo in te richten dat niet van elk fragment uitputtend gegevens worden verzameld. Dit zou een te grote en niet proportionele onderzoeksinspanning betekenen. Ook het gegeven dat het meeste materiaal is gevonden in een depressie die in het Neolithicum is opgevuld maakt dat vooral het hoofdtype gesteente (sedimentair, magmatisch of metamorf) van belang is om vast te leggen. Dit is in navolging van de methode die is gehanteerd bij de uitwerking van Cuijk - De Nielt.64 Daarnaast wordt vastgelegd welke vorm het fragment natuursteen heeft, in welke grootteklasse het valt en of er sporen van bewerking zijn te herkennen. Al het natuursteen is bekeken. Per vondstnummer zijn de fragmenten geteld en is vastgesteld hoeveel fragmenten tot sedimentair, magmatisch of metamorf gesteente gerekend kunnen worden. Van het magmatische gesteente is bijgehouden hoeveel bestaat uit kwarts. Daarnaast is het aantal hoekig, afgerond hoekig en afgerond materiaal geteld.

Hoekig materiaal vertoont aan alle zijden scherpe breuken, afgerond hoekig materiaal laat naast de breuken ook een deel van het oorspronkelijke afgeronde en/of verweerde oppervlak zien en afgerond materiaal vertoont geen breuken. Van het volledig afgeronde materiaal is tevens de grootteklasse vastgesteld: grind, stenen en keien (2 mm tot 63 mm) of blokken (groter dan 63 mm).65 Vervolgens is vastgelegd hoeveel fragmenten sporen van bewerking vertonen en/of als een artefact beschouwd mogen worden.

10.2

resultaten

Tabel 10.1 geeft een overzicht van de aantallen en percentages voor een aantal kenmerkende eigenschappen van het natuursteen als vondstcategorie. In totaal zijn 887 fragmenten natuursteen gevonden met een totaal gewicht van 37.850 g. Het materiaal is niet gelijkmatig verspreid over de vindplaats. Bijna 70% van al het natuursteen (80 gewichtsprocent) komt uit een opvullingslaag (S9.46) van de neolithische depressie in werkput 9. De overige 30% is verspreid over vooral de werkputten 1, 2, 3, 4 en 7. 64

Boreel, in voorb.

65

Hierbij is de korrelgrootte classificatie aangehouden volgens NEN 5104.

53

Dit betekent dat de aantallen en percentages die worden weergegeven in tabel 10.1 vooral beïnvloed zijn door het materiaal in de neolithische depressie. aantallen en gewichten

aantal totaal gewicht totaal

%

887 37.850 g

aantal per type gesteente sedimentair

608

69

magmatisch

249

28

metamorf

19

2

kwarts

229

26

indet.

11

1

aantal afgerond per grootteklasse grind, stenen en keien (≥2 mm - 63 mm) blokken (≥63 mm)

349

96

16

4

hoekig (0 - 63 mm)

263

30

hoekig (> 63 mm)

42

5

aantal per vormklasse

hoekig totaal

305

35

afgerond hoekig (0 - 63 mm)

153

16

afgerond hoekig (> 63 mm)

50

6

afgerond hoekig totaal

203

22

afgerond

365

42

8

<1

aantal bewerkte fragmenten artefact

Tabel 10.1. Wijchen-Oostflank. Aantallen en percentages voor een aantal eigenschappen van het natuursteen als vondstcategorie.

Een groot deel van het natuursteen - 42% - heeft een afgeronde vorm. Hiervan valt bijna al het materiaal in de grootteklasse tot 63 mm (96%). Dit betekent dat het meeste natuursteen zal zijn verzameld uit fluviatiele afzettingen. De 22% waarvan kon worden vastgesteld dat het een afgerond hoekige vorm heeft en dus ook als fluviatiel materiaal zal zijn verzameld, ondersteunt dit beeld. Een groot deel van het natuursteen bestaat uit sedimentair gesteente en slechts 26% uit kwarts. Doorgaans ligt het gehalte kwarts hoger in de huidige rivierafzettingen, maar in pleistocene afzettingen van Rijn en/of Maas kan dit de natuurlijke situatie zijn. Meest waarschijnlijk is echter dat een deel van het natuursteen selectief verzameld is en dat een voorkeur zal hebben bestaan voor sedimentair gesteente ten behoeve van vooral maal- en slijpgereedschap. Niet in de tabel zichtbaar, maar wel waargenomen is dat het natuursteen overwegend grijs van kleur is, dat er verschillende fragmenten lydiet en Revinienkwartsiet zijn aangetroffen naast een groot aantal (fragmenten van) maaseitjes (vuursteen). Dit zijn allemaal kenmer-

54

ken van grindafzettingen van de Maas. Het meest waarschijnlijk is dan ook dat men gebruik heeft gemaakt van grindafzettingen van het holocene Wijchens Maasje, die in het Neolithicum en de Bronstijd direct ten zuidwesten van het plangebied heeft gestroomd en niet van de pleistocene terrasafzettingen, die bestaan uit afzettingen van Maas én Rijn. Een groot deel van het natuursteen is al tijdens het gebruik ervan gefragmenteerd (meer dan de helft). Het meeste materiaal vertoont sporen van verbranding (niet in de tabel opgenomen), wat erop wijst dat een groot deel zal zijn gebruikt als haard- en/of kooksteen (ervan uitgaande dat het meeste materiaal uit een prehistorische context komt). In het even ten zuidoosten gelegen Cuijk - De Nielt is vastgesteld dat meer dan driekwart van het natuursteen gefragmenteerd is geraakt.66 In een zuiver neolithische/bronstijdcontext bleek dit percentage nog hoger te liggen. Ook hier vertoonden veel stenen sporen van verbranding of verhitting. De conservering van het natuursteen is zeer goed. Acht fragmenten vertonen sporen van bewerking. Deze zullen hieronder apart worden besproken.

Bewerkt natuursteen Uit de vullingen van de neolithische depressie komen zes fragmenten met sporen van bewerking. Twee fragmenten van niet-roterende maalstenen (V9.30 en V9.31) zijn vervaardigd uit een grijze en grove zandsteen. De fragmenten zijn klein, maar vertonen nog een deel van het oorspronkelijke maalvlak. Uit dezelfde laag komen twee klopstenen (V9.32) van een harde zandsteen - waarvan één sporen van verbranding vertoont - en een fragment van een wetsteen van een harde fijne zandsteen (V9.30). Uit de nieuwtijdse cultuurlaag S9.4 komt een eindfragment van een langwerpige wetsteen van een donkergrijze siltsteen (V9.8). Vermoed wordt dat het een middeleeuwse wetsteen is. De resterende lengte is 4 cm en de afgerond rechthoekige doorsnede meet 2 x 1.5 cm. Twee fragmenten van roterende maalstenen van tefriet zijn gevonden in werkput 1. Eén daarvan komt uit een ongedateerde paalkuil (V1.53, S1.24). Het is een klein fragment, waaraan nog een deel van het oorspronkelijke maalvlak is te herkennen en waarvan de oorspronkelijke dikte 4 cm is geweest. Het tweede fragment (V1.60) lijkt sterk op de vorige, maar is 3 cm dik. Het komt uit de volmiddeleeuwse greppel S1.26.

10.3

conclusie

Tijdens het proefsleuvenonderzoek op Wijchen Oostflank is in totaal 887 stuks natuursteen verzameld met een gewicht van 37.850 g. Al het natuursteen is bekeken. Het grootste deel van het materiaal is gevonden in de vulling van de neolithische depressie in werkput 9. Het natuursteen is zeer goed geconserveerd en vooral het materiaal uit de depressie vormt een bijzondere, gedateerde en gesloten context. Het depositiepatroon van het aardewerk suggereert een intentionele depositie in de depressie. Dit beeld wordt niet direct herkend in het natuursteen, maar valt niet uit te sluiten. Het natuursteen laat zien dat vooral grind en keien uit afzettingen van de Maas zijn gebruikt als haarden/of kookstenen. Daarnaast zijn vijf bewerkte stukken natuursteen gevonden in dezelfde depressie. Twee daarvan zijn fragmenten van klopstenen, één een deel van een wetsteen en twee vormen delen van niet-roterende maalstenen. Naast een fragment van een middeleeuwse wetsteen in een nieuwtijdse context, zijn twee kleine fragmenten van roterende maalstenen van tefriet gevonden. Beide komen uit werkput 1 en één ervan komt uit een volmiddeleeuwse greppel. Het natuursteen op Wijchen Oostflank komt dus voornamelijk uit het Neolithicum en een deel van de artefacten uit de Middeleeuwen.

De neolithische context in de depressie lijkt een afvalcontext en over de middeleeuwse contexten kan op dit moment niet veel gezegd worden. In het geval dat er vervolgonderzoek zal plaatsvinden, wordt 66

Boreel in voorb.

55

geadviseerd al het natuursteen te verzamelen en dit in de analyse allemaal en per context te bestuderen. De nadruk dient hierbij te liggen op hoofdkenmerken, zoals gesteentetype, vorm en afmeting, terwijl artefacten uitgebreider bestudeerd kunnen worden.

11

vuursteen

Paweł Kubistal 11.1

inleiding

Tijdens het veldwerk zijn 347 fragmenten vuursteen verzameld met een totaalgewicht van 1473 g. Deze vondsten zijn alle zo ver mogelijk gedetermineerd. Het resultaat hiervan is weergegeven in de determinatietabel in bijlage 2. Uiteindelijk zijn er 28 vuursteenvondsten weggeselecteerd. Hieronder bevinden zich achttien stukken (140.4 g) natuurlijke brokken en kiezels, tien ondetermineerbare fragmenten (13.8 g). De overige 319 stukken vuursteen (619 g) bleken goed te determineren. Binnen de vuursteenvondsten zijn drie en mogelijk zelfs vier archeologische perioden vertegenwoordigd. Eén artefactgroep is afkomstig uit het Midden Mesolithicum (Laat Boreaal - Vroeg Atlanticum). Eén grote artefactgroep wordt toegeschreven aan de Vlaardingencultuur (NEOM B-NEOL A). Daarnaast is er een tweede groep artefacten die kenmerken vertoont van de gelijktijdige Enkelgrafcultuur, maar ook van de oudere Michelsbergcultuur. In het deelhoofdstuk over het Neolithisch vuursteen wordt deze groep, hoewel waarschijnlijk gelijktijdig, apart van het grote Vlaardingenassemblage besproken. De laatste artefactgroep dateert uit de Bronstijd.

11.2

methodologie

Om de verschillende assemblages goed te kunnen interpreteren en de bijbehorende vindplaatsen te kunnen waarderen is het vuursteenmateriaal uitgebreid geanalyseerd. Hierbij is in de eerste plaats de herkomst van de gebruikte grondstof vastgesteld. Per fragment zijn soort, kleur, vorm, gewicht, type van cortex, type van kapsporen en andere kenmerken bepaald. Hierdoor konden twee algemene groepen worden onderscheiden: vuursteen met een primaire locatie van herkomst en vuursteen met een secondaire locatie van herkomst. In het eerste geval gaat het om vuursteen dat is gewonnen op de plek waar het is ontstaan. Dit type vuursteen is geïmporteerd en/of verkregen door handel of uitwisseling. Het tweede type is vuursteen dat door natuurlijke processen is getransporteerd uit het gebied waar het is ontstaan. Hierbij is het vuursteen verplaatst door bijvoorbeeld rivieren of gletsjers. De volgende stap in de analyse van het lithisch materiaal is het vaststellen van chrono typologische en technologische kenmerken. Hiervoor zijn van ieder artefact de volgende variabelen bekeken: afmetingen, lengtekromming, dwarsdoorsnede, hiel (restslagvlak), slagvlakhoek, impact, bult, type van retouche, afbouwpatroon, positie van retouche, type en subtype van artefact, bijbewerking/reparatie, debitagemethoden en percussietechniek.

Bij het debitagemateriaal wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende fasen van het bewerken.67 Wanneer men een vuursteenkern gaat voorbereiden wordt begonnen met het verwijderen van de cortex. Afslagen als gevolg van deze decorticatie worden afslagen van de eerste serie genoemd. Deze stukken worden als zodanig gekwalificeerd wanneer ten minste de helft van het oppervlak bedekt is met cortex. Wanneer de kern grotendeels is voorbereid wordt hij bijgewerkt tot zijn uiteindelijke vorm. De afslagen die hierbij ontstaan, zijn al vrij regelmatig van vorm en ook bruikbaar om verder te worden be-

67

Dit onderscheid is gebaseerd op Kobusiewicz/Kabacinski, 1993, 20.

56

werkt. Op deze artefacten kan nog wel cortex aanwezig zijn, maar dit beslaat nooit meer dan de helft van het oppervlak. Debitagemateriaal met deze kenmerken is materiaal van de tweede serie. Materiaal van de derde serie is afgeslagen in het laatste stadium van de kernbewerking. De vuursteenkern en daarmee ook de afslagen en klingen zijn volledig vrij van cortex en klaar om verder bewerkt te worden tot werktuigen. Alle variabelen zijn ingevoerd in de determinatietabel. Tot slot is gekeken naar de verspreiding, zowel horizontaal als verticaal, van de verschillende assemblages. De resultaten van deze analyse worden per archeologische periode beschreven in de volgende paragrafen.

11.3

mesolithicum

11.3.1 algemeen

Het veldwerk heeft in totaal 56 artefacten opgeleverd die worden geïnterpreteerd als vuursteen uit het Mesolithicum. Ten eerste omdat ze tekenen vertonen die typisch zijn voor de mesolithische vuursteenbewerkingstechnieken. Ten tweede is de grondstofkeuze van het materiaal vaak een indirecte bevestiging gebleken voor de determinatie. In het Mesolithicum maakte men doorgaans gebruik van vuursteen van een zeer hoogwaardige kwaliteit. Van de artefacten die als mesolithisch zijn geïnterpreteerd op grond van de gebruikte technieken bleek iets meer dan de helft vervaardigd uit kwalitatief hoogwaardig materiaal. Vier artefacten zijn verbrand en vertonen sporen van potlids. Het grootse deel van artefacten uit Mesolithicum is matig gepatineerd. De bulk van het mesolithisch materiaal is in werkput 2 gevonden (78%). De rest van het materiaal lag over de werkputten 1, 7, 8 en 9 verspreid.

11.3.2 grondstofkeuze

De grondstofanalyse van het silexmateriaal leidt tot de conclusie dat 33 artefacten zijn vervaardigd uit noordelijk vuursteen. In deze groep zijn de meest gebruikte soorten noordelijk semitransparant bryozoenvuursteen (23 artefacten) en noordelijk opaak bryozoënvuursteen (zeven artefacten). Van de overige artefacten van noordelijk vuursteen kon niet worden vastgesteld tot welke soort ze behoren. De eerste soort heeft meestal een homogene structuur en evenals het opaak vuursteen is het zeer fijnkorrelig. Vaak is het vuursteen licht doorschijnend en soms bijna glasachtig. De kleur is lichtgrijs tot lichtbruin. Het opaak vuursteen is lichtgrijs tot grijsbruin van kleur. De textuur van deze vuursteensoort is overwegend fijnkorrelig. In een enkel geval komen er fossielen in voor. Tien stukken zijn gemaakt uit zuidelijk vuursteen. Hierin zijn drie herkomstgebieden onderscheiden: Rijckholt, Haspengouw en Valkenburg. Hier zijn de vuursteenknollen waaruit de artefacten vervaardigd zijn echter niet verzameld. De artefacten van zuidelijk vuursteen zijn namelijk van terrasvuursteen. Dit betekent dus dat het materiaal niet direct geïmporteerd is naar de site, maar dat men het lokaal uit de (fossiele) rivierbedingen heeft verzameld. Er is slechts één artefact van Wommersomkwartsiet gevonden (V 2.51/1). Van zestien exemplaren was het niet mogelijk om de herkomst van de grondstof te bepalen.

57

11.3.3 debitagemateriaal

De mesolithische stukken debitagemateriaal zijn regelmatig en meestal keurig geproduceerd. Het patroon van negatieven dat zichtbaar is op de dorsale zijden van de afslagen wijst op een regelmatige manier van kernreductie waarbij de sequenties zeer zuiver zijn. De afslagen zijn met twintig stukken de grootste groep binnen het debitagemateriaal uit het Mesolithicum. Typomorfologisch gezien zijn het allemaal afslagen van de tweede of derde serie en zijn dus afkomstig van volledig geprepareerde kernen. Meer dan de helft van afslagen is van een dergelijk klein formaat dat ze niet geschikt zijn voor gebruik. De klingen en microklingen vormen gezamenlijk de tweede groep binnen het debitagemateriaal. In totaal zijn er dertien klingen gevonden waarvan er negen als microklingen kwalificeren. De microklingen zijn niet breder dan 1 cm en het lengte is niet groter dan 2.5 cm. Bij een groot deel van de microklingen lopen de boorden en ribben niet parallel (Coincy-stijl). Alle negen exemplaren zijn vervaardigd uit noordelijk semitransparant bryozoënvuursteen. De overige vier klingen bezitten te weinig diagnostische kenmerken voor verdere determinatie. Op basis van verschillende uiterlijke kenmerken is geconcludeerd dat het debitagemateriaal is geproduceerd met gebruik van directe of indirecte zachte percussie.

Om dit vast te stellen is onder andere gekeken naar de hoek van het slagvlak, de mate van ontwikkeling van de slagbult en de aan- of afwezigheid van littekens. De slagvlakrestanten laten zien dat bijna alle slagvlakken zorgvuldig zijn voorbereid. Een uitzondering hierop wordt gevormd door twee corticale slagvlakrestanten. Bijna de helft van het debitagemateriaal heeft een vlak slagvlakrestant. Dit type slagvlak komt in andere mesolithische assemblages ook zeer frequent voor. Daarnaast blijkt dat men in Wijchen in 20% van de gevallen extra aandacht heeft besteed aan de verbetering van het slagplatform van de kernen door facettering van het slagvlak en de scheidingsrib te gebruiken als slagpunt. De aanwezigheid van microklingen is een goede indicatie voor de datering van de vindplaats. De techniek die gebruikt wordt om dergelijke klingen te maken komt pas aan het eind van het Vroeg Mesolithicum op om vervolgens ergens aan het begin van het Midden Mesolithicum te verdwijnen.68 Vanwege de onduidelijkheid die deze beschrijving van de datering met zich meebrengt wordt in sommige gevallen voor het aanduiden van perioden gebruik gemaakt van geologische tijdvakken of de absolute datering. In dit specifieke geval worden de microklingen gedateerd vanaf het Laat Boreaal tot en met het Vroeg Atlanticum (ca. 7500-6500 voor Chr.).

11.3.4 werktuigen

In totaal zijn er 22 werktuigen geïdentificeerd. Het gaat hierbij om artefacten die zeer kenmerkend zijn voor het Mesolithicum. Het betreft een aantal schrabbers, enkele gemodificeerde afslagen en klingen, een kerfrest, een boor en enkele microlithische spitsen. Opvallend is het relatief hoge percentage werktuigen ten opzichte van het debitagemateriaal. De verhouding 1:1,5 duidt erop dat het hier om een vindplaats gaat van een semipermanent karakter. Op kort bewoonde sites wordt voornamelijk debitagemateriaal teruggevonden; de werktuigen werden meegenomen en het afval liet men achter. Op langer bewoonde sites gingen werktuigen na verloop van tijd kapot en werden gerepareerd of afgedankt. Van beide activiteiten worden dan resten teruggevonden in de vorm van al dan niet gerepareerde werktuigen. Het assemblage uit Wijchen wijst op een langer bewoonde nederzetting. Waarschijnlijk woonde men op deze site gedurende één of twee seizoenen om vervolgens terug te keren naar een grotere nederzetting. De gebruikte term voor dit soort sites is seizoenskamp of satellietkamp. 68

Taute 1973,60-64; Galiński 1997.

58

Vanuit dit seizoenskamp zal men regelmatig op jacht zijn gegaan in de omgeving. Hierbij maakte men ook gebruik van kleine kampjes of werkplaatsen waar men kortstondig verbleef. Een dergelijk klein kamp is gevonden tijdens de opgravingen in het plangebied Bijsterhuizen, enkele kilometers ten noordoosten van het onderhavig onderzoek.69

Schrabbers Er zijn zes schrabbers van mesolithische makelij verzameld. Eén exemplaar is gebroken de overige schrabbers zijn compleet. Alle exemplaren zijn vervaardigd uit een afslag. De kleinste schrabber meet 1.2 x 0.9 cm en de grootste 1.8 x 1.3 cm. Er zijn vijf verschillende subtypen van schrabbers verzameld: een dubbelschrabber, V2.26/1, waarbij de twee schrabhoofden zijn geplaatst op twee zijden van het werktuig, twee duimnagelschrabbers, V2.97/8 en V2.29/1, een halfronde schrabber, V2.48/1, een eindschrabber, V9.35/1 en een boordschrabber V2.29/2. Alle schrabbers hebben aflijning van microretouche op het boord en vertonen bijna dezelfde standaard van debitagetechniek. De hoofden van drie exemplaren zijn bijgeretoucheerd.

Gemodificeerde afslagen De groep is samengesteld uit drie artefacten. Vondst 1.55 (fig. 11.1a) is een afslag met fijne afknotting op de dorsale en ventrale zijde van een boord. De tweede geretoucheerde afslag, V2.71, is gedetermineerd als een fragment van afslag met microretouche. Het derde exemplaar is een gekerfde afslag V1.68. Deze vertoont steile retouche in de vorm van kleine, ondiepe kerf.

Gemodificeerde klingen Er zijn drie gemodificeerde klingen verzameld. Hiervan vallen er twee in de categorie microklingen. De eerste microkling, V2.70/1, heeft driehoekige dwarsdoorsnede. Fijne afknotting is zichtbaar op de ventrale zijde. Op het distale deel van het artefact is de retouche dieper aangebracht waardoor er een kleine kerf wordt gevormd. Mogelijk is deze modificatie uitgevoerd door gebruik te maken van de microstekertechniek. De andere gemodificeerde microkling, V9.51/1, heeft fijne afknotting op het mediale en distale deel van het linker boord. Het laatste artefact in deze categorie is de gereduceerde kling V7.26. Deze vertoont fijn afknotting op de ventrale zijde aan het mediale en distale deel.

Kerfrest Dat men gebruik maakte van microstekertechniek wordt bevestigd door de vondst van een kerfrest V2.83/3 (fig. 11.1b). Het betreft een distale kerfrest met een kenmerkend breukvlak en een deel van een geretoucheerde kerf. Het gebruik van microstekertechniek is een indicatie voor de datering van het materiaal. Deze techniek werd namelijk vooral in het Laat Boreaal en Vroeg Atlanticum gebruikt.70

69

Kubistal 2012.

70

Bats et al 2010, 82.

59

Fig. 11.1. Wijchen-Oostflank. Selectie van vuursteenvondsten uit het Mesolithicum. Schaal 1:1.

Spitsen In totaal zijn tijdens het onderzoek drie microlithische spitsen gevonden. Twee stukken zijn volledige exemplaren en één is afgebroken. Vondst 2.83/2 (fig. 11.1c) is een spits met een ongeretoucheerde basis en schuine afknotting. Dit type spitsen staat bekend als B-spits. De afgebroken spits, V2.79/2 (fig. 11.1d), is geïnterpreteerd als fragment van een A-spits. Dit type spitsen wordt gekenmerkt door een afgestompt boord. V2.106/3 (fig. 11.1e) is een spits waarvan beide randen geretoucheerd zijn. Opvallend is dat de basis dun en gericht is naar het distale uiteinde van de kling. In vaktermen worden dergelijk gevormde spitsen benoemd als "Lancetspitsen". Alledrie de typen spitsen die hier zijn beschreven zijn kenmerkend voor het Vroeg en Midden Mesolithcium.

11.3.5 verspreiding

Wat direct opvalt aan de verspreiding van het mesolithisch vuursteen binnen het plangebied is de concentratie in werkput 2. Dit beeld is deels vertekend omdat hier ook de meeste vakken zijn gezeefd. Statistisch gezien komen de meeste mesolithische vondsten nog steeds uit werkput 2. Gemiddeld per zeefvak zijn er in werkput 2 ca. 3.5 fragmenten verzameld tegen twee of minder in de overige werkputten. Op het eerste gezicht zou men hier de conclusie trekken dat de kern van de mesolithische vindplaats in werkput 2 ligt. Wanneer echter wordt gekeken naar de verticale spreiding van de vondsten moet worden geconcludeerd dat de mesolithische vondsten nagenoeg allemaal hoger liggen dan de vondsten uit het Neolithicum. Vermoedelijk is de laag waarin de vondsten zijn aangetroffen, S2.13, als gevolg van erosie ontstaan. Door regenwater of een ander transportmiddel is het sediment met daarin de mesolithische vondsten van de kop van het duin afgeschoven en op een andere plek terecht gekomen. Dit idee lijkt te worden gestaafd door de locatie van de mesolithische vondsten in werkput 7, even ten noorden van werkput 2. In deze put ligt de laag met mesolithisch materiaal onder de lagen uit het Neolithicum.

60

Hier lijkt de stratigrafie dus nog intact. De kern van de vindplaats zal dan ook eerder ter hoogte van werkput 7 liggen dan in werkput 2. Er zijn echter te weinig vakken gezeefd om dit te kunnen toetsen. Verder is opvallend aan de concentratie in werkput 2 dat zich een relatief groot aantal splinters onder het materiaal bevindt. De splinters, maar ook de afslagen van de tweede en derde serie wijzen erop dat men binnen de nederzetting ook aan vuursteenbewerking deed. Het is echter niet mogelijk om de zone waar deze bewerking plaatsvond aan te wijzen vanwege het gegeven dat het materiaal uit werkput 2 uit secundaire context verzameld is.

11.3.6 conclusie

Op basis van grondstof en technotypologische kenmerken zijn 56 artefacten geïdentificeerd als mesolithisch. Onder deze artefacten bevindt zich een groot aantal werktuigen. Het gegeven dat men een relatief groot aantal werktuigen heeft achtergelaten, duidt op een, voor mesolithische begrippen, langdurige bewoning. Waarschijnlijk is hier een zogenaamd seizoenskamp uit het Mesolithicum aangesneden. De datering van een aantal kenmerkende vondsten wijst op een datering van de site tussen het Laat Boreaal en het Vroeg Atlanticum. Een groot deel van de vondsten ligt echter niet meer in situ, maar is door erosie of andere postdepositionele processen van de kop van het rivierduin afgeschoven naar de flank. De vermoedelijke kern van de nederzetting ligt waarschijnlijk rond het zuiden van werkput 7.

11.4 neolithicum 11.4.1 inleiding

Het grootste deel van de vuursteenvondsten uit Wijchen-Oostflank wordt gedateerd in het Neolithicum. Het materiaal is onder te verdelen in twee groepen. De eerste groep bestaat uit een relatief groot aantal macrolithische voorwerpen. De andere groep bestaat uit vondsten kenmerkend voor de Vlaardingencultuur. De groep macrolithische voorwerpen bevat te weinig chronotypologische kenmerken en is te klein om unaniem aan een cultuur toe te wijzen. Macrolieten zijn in het Neolithicum kenmerkend voor zowel de Michelsbergcultuur als de Enkelgrafcultuur (EGK).71 Het dateringsverschil tussen beide groepen is echter zeer groot. De Michelsbergcultuur wordt in het Midden Neolithicum A (4400-3500 voor Chr.) gedateerd, terwijl de EGK pas in het Laat Neolithicum A (2850-2450 voor Chr.) voorkomt. Dit is een dateringsverschil van meer dan 1000 jaar. Hoewel het niet uitgesloten is dat er ten tijde van de Michelsbergcultuur mensen binnen het plangebied actief waren hanteren wij in het kader van dit onderzoek de werkhypothese dat de macrolithische artefacten tot de EGK gerekend moeten worden. De reden hiervoor is dat er binnen het plangebied een zeer grote groep materiaal is aangetroffen die wordt toegeschreven aan de deels gelijktijdige Vlaardingencultuur. Tussen dit materiaal zijn ook enkele typische EGK vondsten gedaan.

Het is dus aannemelijk dat het macrolithisch materiaal uit dezelfde periode stamt.

11.4.2 enkelgrafcultuur

Uit de horizontale verspreiding van artefacten blijkt dat het cluster van EGK artefacten alleen in werkput 2 is aangetroffen. Tot deze groep behoren veertien exemplaren, namelijk: drie afslagen, twee schrabbers, vier klingen, een RA steker, een kernpreparatiekling en drie splinters. Alle exemplaren zijn

71

Schreurs 1998, 65; Beuker 2010,193

61

vervaardigd uit vuursteen van zeer goede kwaliteit. Drie voorwerpen (V2.83/1, V2.150, V2.1./2) zijn van geïmporteerd Rijckholtvuursteen en vier artefacten, waaronder de drie splinters zijn gemaakt uit noordelijk Senonvuursteen. Kenmerkend voor dit laatste vuursteentype is dat het uiterst fijnkorrelig is. Daarnaast heeft het een zeer dunne cortex. Het materiaal is zo homogeen van structuur dat het bij de productie van artefacten mogelijk was om zeer scherpe boorden te krijgen en lange/brede voorwerpen te produceren. Het meest karakteristiek voor het assemblage van de EGK is een groep voorwerpen van regelmatige, lange klingen. Twee van deze klingen, V2.83/1 en V2.150 (fig. 11.2 a/b), zijn geretoucheerd. Daarnaast bevindt zich onder deze vondsten een eindschrabber op een gedeeltelijk geretoucheerde kling (V2.137 fig. 11.2 c). De laatste van deze groep is een fragment van RA steker en de laatste is een grote zijschrabber/schaaf (V2.1, fig. 11.2d ). Binnen de categorie afslagen bevindt zich nog één interessant voorwerp. Het formaat is zo groot (7.74 cm lang en 4.2 breed) dat het zich niet laat vergelijken met de overige afslagen uit deze groep. Daarnaast vertoont deze afslag duidelijke zichtbare gebruikssporen (V2.66/4 fig. 11.2e).

11.4.3 vlaardingencultuur 11.4.3.1 algemeen

De grootste groep binnen het bestudeerde vuursteenmateriaal vormt het assemblage dat aan de Vlaardingencultuur wordt toegeschreven. Het ensemble telt in totaal 77 artefacten. Onder de artefacten bevinden zich ook achttien kookstenen. Deze vondsten vallen technisch gezien niet onder de categorie bewerkt vuursteen. Vanwege de context waarin ze zijn aangetroffen en grondstof zullen ze toch binnen deze vondstgroep besproken worden. Het vuursteenmateriaal dat kenmerkend is voor de Vlaardingencultuur, is verspreid over bijna het gehele duin aangetroffen. Ongeveer 70% van besproken materiaal is in werkput 9 verzameld. Daarnaast is 25 % van de vondsten afkomstig uit werkput 2. Een fractie van materiaal is in de werkputten 6, 7 en 13 gevonden. 11.4.3.2 grondstofkeuze

Wat direct opvalt aan het vuursteenmateriaal uit het Laat Neolithicum is de grondstofkeuze. Voor de productie van artefacten werd in deze periode vaak lokaal verzameld vuursteen gebruikt. In dit geval gaat het specifiek om terrasvuursteen. Dit werd in de buurt van de site verzameld uit (fossiele) rivierbeddingen en op de oevers van de actieve rivieren. In Wijchen en omstreken lijkt deze manier van verzamelen vaker voor te komen. De gelijktijdige vindplaats aan de Oosterweg heeft, zij het in beperkte mate, ook vondsten van lokaal vergaard terrasvuursteen opgeleverd.72 Ook in Leidschendam heeft grondstofanalyse aangetoond dat men hier kleine kiezels van lokale oorsprong met afmetingen tot 3.5 cm als basis voor de vuursteenproductie gebruikte.73 Het lijkt er in het geval van de Oostflank op dat de kwaliteit van het vuursteen niet doorslaggevend is geweest voor de selectie. Een uiteenzetting van de statistische gegevens laat zien dat de grootste groep materiaal wordt gevormd door vuursteenmateriaal van gemiddelde kwaliteit. Dit duidt erop dat men een laag selectiecriterium hanteerde als het gaat om de grondstof voor hun werktuigen.

72

Drenth 2010, 131.

73

Grin 1989, 134.

62

Fig. 11.2. Wijchen-Oostflank. Selectie vuursteenvondsten van de Enkelgrafcultuur.

63

Vuursteen oorsprong

Fijnkorrelig doorzichtig (goede kwaliteit)

Fijnkorrelig ondoorzichtig (gemiddelde kwaliteit)

Matiggrofkorrelig ondoorzichtig (gemiddelde kwaliteit)

Grofkorrelig ondoorzichtig (slechte kwaliteit)

Noordelijk Zuidelijk Onbekend Onbepaald

18% 5%

2% 22% 7%

1% 8% 15%

3% 3%

17%

Tabel 11.1. Wijchen-Oostflank. Het overzicht van texturen van artefacten behorende tot Vlaardingencultuur assemblage.

Op 30% van de natuurlijke oppervlakken zijn regelmatige sporen van afronding zichtbaar. Dit duidt erop dat het vuursteen door water getransporteerd is. Dit zelfde watertransport heeft er voor gezorgd dat de cortex, indien deze niet geheel verwijderd was, dun en hard is. Een groot deel van het vuursteen uit dit assemblage is van Noordelijke herkomst. Waarschijnlijk is dit tijdens ijstijden vanuit het noorden getransporteerd en met het smelten van de ijskappen van de stuwwallen afgespoeld. Hier is het verzameld door de bewoners van de Oostflank. 5% van de artefacten is vervaardigd uit Rijckholt- of Valkenburgvuursteen. Mogelijk is dit geïmporteerd, maar het is ook mogelijk dat het door de rivieren richting Wijchen is getransporteerd en daar lokaal is verzameld. Van een aantal stukken waaronder vijf kernen was het niet mogelijk de herkomst vast te stellen. Deze vondsten waren door verhitting te erg aangetast om een betrouwbare uitspraak over de herkomst te geven. 11.4.3.3 debitagemateriaal

Slechts 27 artefacten zijn geïnterpreteerd als debitagemateriaal. Het grootste deel, 47 %, bestaat uit afslagen. 7 % van het debitagemateriaal wordt ingenomen door klingen en de overige 46% bestaat uit splinters.

Afslagen De afslagen vertonen een groot scala aan vormen. Deze variëren van regelmatige ovale of ronde afslagen tot zeer onregelmatige en hoekige stukken. De volledige afslagen hebben afmetingen tussen 1.5x1.2x0.5 mm en 4x3x0.7 mm. Op basis van sequenties van productie zijn er vier typen onderscheiden. Tot de eerste groep behoren afslagen van de eerste serie (dekorticatie afslagen). Deze vormen 15 % van alle afslagproducten. De grootste groep, 61% van het afslagmateriaal, wordt gevormd door afslagen van tweede serie. Dit debitagemateriaal hoeft niet verklaard te worden als een voorbereidend product. In het algemeen zijn ze geschikt voor direct gebruik of voor de productie van werktuigen. De rest van de afslagproducten behoort tot de derde serie afslagen (4 %). Bij 20% van de afslagen valt niet meer vast te stellen of ze van de eerste, tweede of derde serie zijn. Het gebruik van bipolaire slagtechniek is vastgesteld op afslag V2.100. Deze afslag vertoont tegenover elkaar liggende slagranden en een lensvormige doorsnede.

64

Klingen Op basis van statistische gegevens blijkt dat klingproductie slechts een marginaal onderdeel was van het productieproces. Klingen vormen slechts 7% van al het verzamelde debitagemateriaal. De verzamelde klingen zijn vaak onregelmatig en kort.

10.4.3.4 kernen

Tijdens het onderzoek zijn twaalf vuursteenkernen gevonden (Tabel 11. 2). Met uitzondering van twee vondsten (V2.90 en V 2.35) zijn al deze kernen afkomstig uit werkput 9. Op basis van volumeorganisatie en reductierichting kunnen we spreken over kernen die voor de productie van afslagen zijn gebruikt. Bijna alle kernen hebben eenvoudig voorbereide, vlakke slagvlakken en een flexibel systeem van bijkomende reparatieretouche (meestal op de zone tussen reductieplatform en slagvlak). Veel kernen vertonen los georganiseerde debitagesequenties. In de reductierichting is vaak ook geen duidelijk schema te ontdekken. Het gebrek aan planning en chaotische voorbereiding hebben er toe geleid dat de kernen een groot aantal hinge fractures vertonen. Door deze hinge fractures was men niet meer in staat de kernen verder te gebruiken. Dit blijkt ook uit het relatief grote aantal kernen (V9.31/1, V9.35/3, V9.35/4, V9.51/2 (fig. 11.3a)) dat is hergebruikt als kooksteen. VNr

Type

Subtype

Omschrijving

Slagvlak type

Gewicht in g.

9.31/1

Afslagkern

Kern met een slagvlak

corticaal

8

9.35/3

Kern met een slagvlak

13.5 2.23

Afslagkern (fragment) Afslagkern Afslagkern

9.35/2

Afslagkern

Kerm met twee slagvlakken

9.29

Afslagkern

9.36

Afslagkern

9.51/2

Afslagkern

9.35/4

Afslagkern

2.90

Afslagkern

9.31/2

Afslagkern

Kern met twee tegenover elkaar liggende slagvlakken Kern met twee tegenover elkaar liggende slagvlakken Kern met twee tegenover elkaar liggende slagvlakken Kern met twee tegenover elkaar liggende slagvlakken Kern met veranderde oriëntatie. Bipolair

Sterk gereduceerd met sporen van reparatie van reductieplatform Zeer sterk gereduceerd. Mogelijk afgebroken door verbranding. Kern met negatieven van afslagen. Het exemplaar is sterk gereduceerd met sporen van reparatie van slagvlakrand en reductie platform. Het exemplaar is sterk gereduceerd met sporen van reparatie van slagvlakrand en reductieplatform. Sterk gereduceerd met sporen van reparatie van slagvlakrand.

2.35

Testkern

Kern met een slagvlak Kerm met twee slagvlakken

18 Natuurlijk vlak+vlak

16 9

vlak+vlak

24

vlak+vlak

13

Sterk gereduceerd. Op het reductie platform zijn veel reparatienegatieven zichtbaar.

vlak+vlak

16

Sterk gereduceerd met sporen van reparatie van slagvlakrand

vlak+vlak

14

Sterk beschadigd door verbranding.

corticaal + vlak

24

Kern is bijna helemaal afgesleten. Afslag negatieven vertonen geen regelmaat of orde. Klein exemplaar met sporen van reparatie en slagsporen. Op natuurlijke knol met aantal testnegatieven.

vlak

4,4 6

vlak

28

Tabel 11.2. Wijchen-Oostflank. Overzicht van kern artefacten behorende tot assemblage van Vlaardingencultuur.

65

11.4.3.5 werktuigen

In totaal zijn tijdens de analyse veertien werktuigen gedetermineerd als kenmerkend voor de Vlaardingencultuur. Deze selectie is niet alleen gemaakt op basis van technologische en typologische criteria, maar ook op basis van archeologische context. De meeste werktuigen komen uit de depressie waarvan het materiaal nagenoeg uitsluitend dateert in de Vlaardingenperiode. De meeste werktuigen zijn schrabbers (64%). De overige artefacten zijn: een tweetal fragmenten van gepolijste bijlen, een aantal gemodificeerde afslagen, een geretoucheerde kling, een boor en pijlpunt.

Schrabbers Binnen deze categorie van werktuigen zijn vier subtypen uitgedeeld. Het gaat hierbij om ronde of halfronde schrabbers, een dubbelschrabber, een duimnagelschrabber en een boordschrabber. Alle schrabbers zijn vervaardigd op een afslag. De ronde en halfronde schrabbers vormen de grootste groep binnen de schrabbers. Vier determinaties zijn zeker correct. Eén determinatie is minder zeker omdat het een fragment van een schrabber betreft (V9.32/8). Het is daarom mogelijk dat het een ander subtype is. Ter illustratie is V9.35/1 afgebeeld in figuur 11.3b. Bij alle exemplaren is de retouche op de ventrale zijde aangebracht. De schrabhoofden van deze schrabbers zijn onregelmatig bewerkt, vaak met behulp van hard retouchoir. Vondstnummer 9.52/4 (fig. 11.3c) betreft een ronde dubbelschrabber. Dit type heeft twee tegenover elkaar gelegen schrabhoofden. Opmerkelijk is dat het artefact zeer steil geretoucheerd is. Daarnaast bevat het sporen die erop wijzen dat de schrabber opnieuw geretoucheerd is. Een schrabber (V2.50) is vervaardigd op een zeer kleine afslag en is als duimnagelschrabber gedetermineerd. Het laatste type is een boordschrabber (V2.39). De kop van dit voorwerp is op het proximale deel van de afslag geplaatst en is gemodificeerd met een steile retouche. Het schrabhoofd op dit exemplaar bevat sporen van reparatie.

Fragmenten van gepolijste bijlen In totaal zijn twee fragmenten van gepolijste vuurstenen bijlen gevonden (V2.31, V9.31/6). Het betreft relatief kleine fragmenten met een formaat van ca. 1.5cm3. Beide fragmenten zijn te klein of bezitten te weinig diagnostische kenmerken, om enige uitspraak te doen over de originele vorm van de bijlen. Op basis van de archeologische context zijn ze voorlopig gedateerd tussen het Midden Neolithicum B en het Laat Neolithicum A.

Gemodificeerde afslagen De groep gemodificeerde afslagen bestaat uit drie exemplaren. Het eerste is een afslag (V 2.66/3 met een halfsteile retouche, die zichtbaar is op de ventrale zijde. Kenmerkend is dat de retouche is gemaakt met gebruik van hard retouchoir. De twee andere stukken zijn gedetermineerd als afslagen met gebruikretouche (V 2.98/ V 9.31/3).

Gemodificeerde klingen Tot de groep gemodificeerde klingen kan slechts één exemplaar worden gerekend (V2.112/1). Het is een onvolledige kling waarbij alleen het proximale en mediale deel zijn overgeleverd. De kling heeft een driehoekige dwarsdoorsnede en is gemodificeerd met onregelmatig retouche. Deze bevindt zich op het boord aan de dorsale zijde. 66

Boor Vondst 2.126 is een volledig exemplaar van een boor. Het artefact is vrij klein (1.5x1.2x0.8 cm) en ovaal van vorm. De boor is vervaardigd op een afslag. De retouche van dit artefact is afgerond door gebruik. Dit is duidelijk zichtbaar op het zachtere, corticale deel van het werktuig.

Fig. 11.3. Wijchen-Oostflank. Selectie vuursteenvondsten van de Vlaardingencultuur.

Pijlpunt Onder de vondsten bevindt zich één bifaciaal bewerkt voorwerp. V2.148 (fig. 11.3d) is een onvolledig exemplaar van een pijlpunt. De schachtdoorn is afgebroken, evenals de rechtse weerhaak. De spits heeft de vorm van gelijkbenige driehoek met afmetingen 1,7x1,6x0,3 cm. Het dorsale en ventrale deel van het exemplaar is volledig bedekt met oppervlakteretouche. De weerhaken zijn zeer zwak ontwikkeld. De hoek tussen de schachtdoorn en de weerhaak aan de intacte linkerzijde van de spits bedraagt ca. 90 graden. De mate van beschadiging belemmert het uitvoeren van een zekere chronologische determinatie, maar het lijkt dat deze pijlspits vergelijkbaar is met pijlspitsen van de Vlaardingencultuur die onder andere op de site Hekelingen III zijn gevonden.74

Kookstenen Op 27% van het vuursteenmateriaal zijn sporen van verbranding opgemerkt. Deze vondsten zijn geïnterpreteerd als kookstenen. Matige verbranding komt op deze stenen het meest voor. Deze conclusie is 74

Beek 1990; Van Gijn 1989,118, fig. 67.

67

gebaseerd op het feit dat de vuursteenartefacten geen sporen van craquelé vertonen, maar wel potlids bevatten. Uit de archeologische context blijkt dat alle verbrande kookstenen en vuursteen artefacten gelijktijdig dateren met de vondsten die kenmerkend zijn voor de Vlaardingencultuur.

11.4.4 verspreiding

De verspreiding van het vuursteen uit het Neolithicum geeft een beeld weer van een vrij grote nederzetting. Het materiaal is voornamelijk gevonden in de werkputten 2 en 9, maar ook op enkele plaatsen in andere werkputten. Opvallend is dat het gros van het materiaal aan de zuidzijde van het duin is gevonden. Deels is dit te verklaren door de aanwezigheid van de depressie in werkput 9. Deze is waarschijnlijk als dumpplaats in gebruik geweest. De andere concentratie van het Neolithisch materiaal ligt in werkput 2. Het is mogelijk dat dit net als het mesolithisch vuursteen ook niet meer in situ ligt, maar gezien het gegeven dat er onder de vondstlagen met neolithisch materiaal geen jongere vondsten zijn gedaan en de ondergrond daar vanwege de oerbrokken behoorlijk stabiel lijkt, is het waarschijnlijker dat dit materiaal wel degelijk op de plek van depositie en dus in situ ligt. De voorlopige minimale omvang van de vindplaats die op basis van deze gegevens gereconstrueerd kan worden bedraagt 2500 m2

11.4.5 conclusie

De vuursteenartefacten uit het Neolithicum worden op basis van hun uiterlijke kenmerken toegeschreven aan twee cultuurgroepen: de EGK en de Vlaardingencultuur. Deze twee groepen komen voor een groot deel gelijktijdig voor in Nederland en de overige vondsten die tijdens het project zijn verzameld wijzen erop dat er zeker sprake van vermenging van artefacten is. In dit geval betekent het waarschijnlijk dat de bewoners tot de Vlaardingencultuur gerekend mogen worden aangezien het materiaal dat wordt toegeschreven aan deze cultuur in aantal verreweg het grootst is. Waarschijnlijk hebben deze mensen handel gedreven met leden van de noordelijker geplaatste Enkelgrafcultuur. De gepresenteerde groep van gemodificeerde artefacten van de Vlaardingencultuur bezit een aantal karakteristieke elementen waaruit onmiskenbaar de toewijzing aan deze cultuurgroep blijkt. Het gebruik van lokaal verworven, kwalitatief niet bijzonder goed vuursteen wordt op meerdere Vlaardingensites herkend. Onder andere in Leidschendam, maar ook dichterbij aan de Oosterweg is het beeld min of meer gelijk. Naast grondstof zijn ook de gebruikte kernreductietechniek, afslagtechniek en de manier waarop het retouche uitsluitend op de randen van de afslagen is aangebracht zeer kenmerkend voor de Vlaardingencultuur.

De hier besproken vuursteenvondsten maken onderdeel uit van een groot materiaalcomplex afkomstig van een vrij grote nederzetting die rond de overgang van het Midden Neolithicum naar het Laat Neolithicum op de Oostflank heeft gestaan.

68

11.5 bronstijd 11.5.1 algemeen

Het jongste vuursteenassemblage van de Oostflank is ook meteen het kleinste. In totaal zijn er tien artefacten uit de Bronstijd geïdentificeerd. Debitagemateriaal uit deze periode is niet herkend omdat men er in de Bronstijd een zeer opportunistische manier van vuursteenbewerking op na hield. Hierbij werden afslagen van de eerste serie vaak al gebruikt als werktuig. Onderscheid tussen artefacten en afslagen is dus moeilijk te maken.

11.5.2 grondstofkeuze

Alle Bronstijdartefacten zijn vervaardigd uit vuursteen van matige tot slechte kwaliteit met secundaire herkomstlocatie. Hieruit blijkt duidelijk dat men in de Bronstijd geen hoge eisen stelde aan de kwaliteit van het vuursteen. Het vuursteengebruik in de Bronstijd kenmerkt zich door een zeer opportunistische wijze van verzamelen en produceren.

11.5.3 artefacten

Op basis van typologische kenmerken zijn tien vuursteenartefacten in de Bronstijd geplaatst. De artefacten zijn gedefinieerd als: drie kernen, vijf afslagen, een boor (V 2.46/2) en een schrabber. Alle werktuigen zijn slordig en chaotisch gemaakt. De gemodificeerde stukken zijn bijgeretoucheerd. Dit past goed in het beeld van de vuursteenproductie in de Bronstijd.

Kernen De kernen zijn allemaal zeer onregelmatig bewerkt waarbij men gebruik maakte van harde percussie. De onregelmatige manier van bewerking komt goed tot uiting in V1.1. Deze kern is aan alle kanten bewerkt waardoor er een polyeder is ontstaan. Hoewel de vondst afkomstig is uit een recente verstoring is een datering in de Bronstijd op basis van de uiterlijke kenmerken vrij zeker. Naast deze kern zijn er nog twee afslagkernen gevonden (V9.22/1, 9.24/2). Op beide kernen zijn de slagvlakken zichtbaar.

Afslagen Onder de afslagen bevinden zich twee bipolaire afslagen (V7.4 en 9.24/1). Eén hiervan is gevonden in een kuil, S7.66. Het andere fragment is afkomstig uit de depressie in werkput 9. Deze laatste is een zeer onregelmatige en dikke afslag. Van de overige drie afslagen (V2.11, V2.46,V2.136), kan nog vermeld worden dat V2.46 een afslag van de tweede serie is. Verder is V2.136 een decorticatieafslag.

Boor Boor V2.46/13 is wederom een slordig vervaardigd werktuig. Het exemplaar is gebroken, maar op de kop is duidelijk zichtbaar dat het retouche onregelmatig is aangebracht. De boor is gemaakt van een afslag.

69

Schrabber De enige schrabber uit de Bronstijd, V9.30/6, is een zogenaamde eindschrabber (fig. 11.4). Hij is gemaakt van een natuurlijk stuk vuursteen en tijdens het gebruik nog eens hersteld. De retouche op deze schrabber is zeer plat en bestaat uit zeer grote negatieven.

Fig. 11.4. Wijchen-Oostflank. Schrabber uit de Bronstijd. Schaal 1.1. 11.5.4 verspreiding

Evenals bij het vuursteen uit het Neolithicum komt het materiaal uit de Bronstijd grotendeels uit de depressie in werkput 9. De uitkomsten van de 14C-analyse van botanisch materiaal uit de bovenste laag van de depressie hebben aangetoond dat de depressie ook gedurende de Bronstijd nog een zichtbaar element in het landschap moet zijn geweest. Het vuursteen uit deze periode zal na of misschien zelfs tijdens de gebruiksduur in de depressie terecht zijn gekomen. Naast de vondsten uit werkput 9 zijn er nog twee stukken afkomstig uit werkput 1 en 2. Hoewel daterende gegevens ontbreken is het niet uitgesloten dat deze vondsten behoren tot de nederzetting waarvan enkele sporen in werkput 1 zijn aangesneden.

11.5.5 conclusie

Het vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is te klein in getal om verregaande conclusies aan te verbinden. Het is niet mogelijk om echte concentraties aan te wijzen noch is het mogelijk om de vondsten aan antropogene sporen te verbinden. Er kan hooguit een vermoeden worden uitgesproken over het verband tussen de nederzetting uit het noordelijk deel van het plangebied en de besproken vuursteenvondsten.

70

11.6 overige artefacten Een deel van het vuursteenmateriaal bevat te weinig kenmerken om goed gedetermineerd te kunnen worden. Deze groep is echter wel van belang voor het bepalen van de omvang van vuursteenconcentraties. De vondsten die onder deze categorie vallen zijn weergegeven in tabel 11.3. WP

Type

Subtype

Aantal

De som van het gewicht (in g)

1 1 2 2 2 2 2 2 2 2

Afslag Afslag Afslag Afslag Afslag Afslag Afslag Kling Splinter Stekerafslag

Tweede serie Onbekend Decorticatie Eerste serie Tweede serie Derde serie Onbekend Onbekend -

1 1 7 2 25 1 21 3 83 1

1 1 10,4 3,8 30,8 2 14,8 2,4 10,1 0,4

Tabel 11.3. Wijchen-Oostflank. Overzicht van artefacten met onbepaalde datering.

11.7 conclusie en aanbevelingen Het vuursteenassemblage dat verzameld is tijdens het veldwerk geeft een beeld van langdurige bewoning op de Oostflank weer. De vroegste vuursteenvondsten wijzen op een semipermanente nederzetting rond het midden van het Mesolithicum. Vervolgens lijkt het duin enkele duizenden jaren onbewoond te zijn geweest om rond 3000 voor Chr., ten tijde van de Vlaardingencultuur, weer te worden bevolkt door mensen. Het vuursteen dat aan deze groep wordt toegeschreven laat zien dat er op een geheel andere manier met vuursteen werd omgegaan dan in het Mesolithicum. Daar waar men in het Mesolithicum veel zorg besteedde aan de selectie en de productie van het vuursteen wordt er in het Neolithicum een meer opportunistische wijze op na gehouden. Toch is het kennelijk niet zo dat mensen uitsluitend vuursteen van middelmatige kwaliteit wilden gebruiken. Dit wordt duidelijk uit een assemblage vuursteen dat wordt toegeschreven aan de noordelijker gelegen Enkelgrafcultuur. De vondst van deze artefacten geeft niet alleen een beeld over de ideeën van de bewoners omtrent de kwaliteit van het vuursteen, maar laat ook zien dat de mensen op de Oostflank toegang hadden tot een handelsnetwerk. Na het begin van het Laat Neolithicum lijkt de Oostflank, in ieder geval op basis van het vuursteen, weer een tijdje vrij te zijn van bewoning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=a472b1fc-41ef-4ed4-95a1-330128d861d8