Bijlage 9: Proefsleuvenonderzoek Oostflank 2012 (ZAN 283)
Tekst van het document
22
den, namelijk tussen 782 en 989 na Chr.20 Deze datering is zeer interessant. Sites die gespecialiseerd zijn in metaalbewerking uit de Middeleeuwen zijn in deze regio namelijk erg zeldzaam. Doorgaans wordt de Veluwe in de Vroege Middeleeuwen en de streek rond Montferland in de Volle Middeleeuwen als het centrum van ijzerproductie in deze periode gezien.21 Dit gebied heette destijds Hamaland. Hier blijkt dat vroegmiddeleeuwse machtscentra hun positie kunnen behouden door een grote rol in te nemen in de grootschalige ijzerproductie.22 Wijchen ligt net buiten de grenzen van dit gebied. Het is denkbaar dat, gezien de rijke vroegmiddeleeuwse achtergrond van Wijchen, een soortgelijke, relatie bestaat tussen de Merovingische bewoning en de perioden er na. De omvang van de productie moet echter nog worden vastgesteld. Hierdoor is het nog veel te vroeg om een dergelijke conclusie te trekken. De datering van de ovens en de vindplaats in de Karolingisch/Ottoonse tijd en het begin van de Volle Middeleeuwen toont aan echter wel aan dat Wijchen ook na de bloei in de Vroege Middeleeuwen nog een aantrekkelijk plaats in de omgeving moet zijn geweest om zich te vestigen. Niet alle dateringen hebben opgeleverd waar op gehoopt was, toch vormen ze een mooie aanvulling op de resultaten uit het veld.
Daarnaast is het nog eens een bevestiging van het vermoeden dat de bewoning op de Oostflank zich over een lange periode uitstrekt.
20
Tabel 5.1.
21
Heidinga 1990, 9-40.
22
Heidinga 1990, 9-40.
23
6
sporen en structuren
6.1
inleiding
In totaal zijn tijdens het veldwerk op de Oostflank 529 spoornummers uitgedeeld (tab. 6.1). Zowel recente sporen als archeologische sporen, maar ook archeologische en geologische lagen zijn voorzien van een spoornummer. Voor de analyse van de sporen en structuren zijn de sporen uit de Nieuwste Tijd weggeselecteerd.23 Ook een deel van de bodemlagen is niet relevant voor de sporenanalyse. Spoordefinitie
Aantal
Bouwvoor* Ophogingslaag* (sub)recente laag* Plaggendek recente verstoring* (sub)recente sloot* Cultuur-/vondstlaag Laag Natuurlijke laag Natuurlijke verstoring Boomval Muurwerk* Paalkuil Kuil Greppel Oven Recente waterput*
13 1 4 1 38 3 22 21 68 9 1 1 210 111 24 1 1
Totaal
529
Tabel 6.1. Wijchen-Oostflank. Overzicht van de spooraantallen per definitie.
De sporen zijn in enkele putten verdeeld over meerdere vlakken (fig. 6.1). Hierbij is het niet automatisch zo dat sporen daadwerkelijk op verschillende niveaus zijn ingegraven, sterker nog sporen uit verschillende perioden lijken meestal vanaf hetzelfde niveau te zijn ingegraven. Door de intensieve bewoning van het plangebied ontnamen de jongste sporen en cultuurlagen in de vorm van nazakken het zicht op de oudere sporen. Pas tijdens het verdiepen kwamen sporen los of werden de oudere sporen zichtbaar. Omdat sporen uit verschillende perioden door elkaar in één opgravingsvlak lagen is er, in tegenstelling tot de gebruikelijke methode, voor gekozen om eerst al het vondstmateriaal uit de sporen te analyseren om vervolgens de sporen toe te wijzen aan een archeologische periode. Dit heeft echter tot gevolg dat sporen waar geen materiaal uit is verzameld, niet kunnen worden voorzien van een sluitende datering. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet bij een vlakdekkend onderzoek kunnen sporen zonder materiaal veelal worden gedateerd doordat ze onderdeel uitmaken van een structuur. Tijdens het onderzoek is slechts één mogelijke structuur aangetroffen waardoor deze manier van dateren maar beperkt kon worden toegepast.
23
Deze zijn in de tabel gemarkeerd met een *.
24
A
B
C Fig. 6.1a. Wijchen-Oostflank. Allesporenkaart vlak 1. A relevant antropogeen spoor; B recente verstoring; C laagscheiding. Fig. 6.1b. Wijchen-Oostflank. Allesporenkaart vlak 2. A relevant antropogeen spoor; B recente verstoring; C laagscheiding; D locatie vondstrijke depressie. Fig. 6.1c. Wijchen-Oostflank. Allesporenkaart vlak 3. A relevant antropogeen spoor; B recente verstoring; C laagscheiding; D locatie vondstrijke depressie.
25
Een andere vorm van relatief dateren die nogal eens wordt toegepast op de zandgronden gebeurt op basis van de kleur en textuur. Dit bleek in Wijchen ook niet mogelijk. De kleur van de sporen varieerde van lichtgrijs tot donkerbruin en in een enkel geval zwart. Dit onderscheid kon in het vlak echter niet gemaakt worden. Doordat sporen snel uitdroogden en snel werden overstoven, kregen alle sporen een donker grijze kleur. De ware kleur en textuur van de sporen werd pas duidelijk in de coupes. Aangezien niet alle sporen gecoupeerd zijn, kunnen deze sporen op deze wijze ook niet relatief ten opzichte van elkaar gedateerd worden.
6.2
conservering van de grondsporen
De conservering van de antropogene sporen is wisselend. Dit is deels te wijten aan de grote verschillen op het gebied van de absolute hoogte, de hoogte van het sporenvlak ten opzichte van de bouwvoor en de mate van verstoring. Op de kop van het duin bijvoorbeeld zijn (delen van) sporen verstoven doordat de wind daar in bepaalde perioden vrij spel had. Geheel bovenop, ter hoogte van werkput 7, was de bouwvoor daarbij nog eens erg dun waardoor recentere activiteiten de archeologische sporen ook nog deels hebben aangetast. Verder is een deel van het plangebied en daarmee ook een deel van de archeologische sporen verstoord door (sub)recente graafwerkzaamheden. Niet alleen de bouw- en sloopwerkzaamheden aan de school in het centrum van het plangebied hebben de resten verstoord, maar ook zandwinningwerkzaamheden rond het midden van de 20ste eeuw hebben een deel van het plangebied verstoord. Volgens omwonenden zou het deel van het plangebied rondom werkput 9 op deze manier zijn verstoord. Deze melding komt ook overeen met de waarnemingen in deze werkput. Op een aantal locaties binnen het plangebied speelt ook bioturbatie een grote rol in de conservering van de sporen. Dit komt op de Oostflank op twee manieren voor.
Ten eerste hebben dieren door het graven van gangen de sporen her en der wat verstoord en ten tweede heeft de aanwezigheid van bomen in sommige delen bijgedragen aan een slechte conservering van de sporen. Niet alleen zijn de sporen verstoord door wortelgroei, maar is de conservering ervan ook verslechterd door de uitdroging van de bodem. De boom onttrekt water uit de bodem waardoor deze sterk uitdroogt en in sommige gevallen ook bijzonder hard wordt. De sporen worden door deze vorm van uitdroging bijzonder slecht leesbaar. Een ander aspect dat van grote invloed is geweest op de conservering van de sporen is tijd. Naarmate de tijd is verstreken, zijn sporen meer en meer uitgespoeld. Vanwege de structuur van de ondergrond zijn de sporen uit het Mesolithicum, indien deze aanwezig waren, en waarschijnlijk ook een deel van de neolithische sporen uitgespoeld tot op een niveau dat er geen spoor meer is waar te nemen. De sporen die wel goed waarneembaar waren enkele sporen uit het Neolithicum en de sporen uit de Bronstijd tot en met de Volle Middeleeuwen. Over het algemeen kan worden gesteld dat de sporen uit bovengenoemde periodes goed leesbaar waren, maar dat de conservering door bioturbatie en uitspoeling wisselend is.
6.3
neolithicum
Vier sporen zijn met zekerheid in het Neolithicum te dateren. Dit aantal lijkt laag, maar wanneer we in ogenschouw nemen dat er tot nu toe slechts een tiental sporen uit het volledige Neolithicum (53002000 voor Chr.) zijn gevonden Wijchen is dit aantal hoog, zeker omdat het aantal vondsten uit deze periode laat zien dat dit gebied in het Neolithicum druk bevolkt moet zijn geweest. Spoor 9.55 is in de vulling van de neolithische depressie ingegraven. Het spoor is op zijn beurt afgedekt door een vondstrijke laag (S9.46) uit het Neolithicum. Het is niet duidelijk waarom men deze kuil heeft gegraven of welke relatie er is tussen de kuil en de nederzetting uit deze periode. Uit de vulling is een kleine hoeveelheid aardewerk verzameld wat duidt op een datering rond 3000 voor Chr. 26
Naast S9.55 zijn er in werkput 6 en 7 nog drie kuilen (6.4, 7.63, 7.84) aangetroffen waarin uitsluitend aardewerk is aangetroffen dat in dezelfde periode wordt gedateerd. Dit zijn de enige sporen op het duin die met zekerheid tot de neolithische nederzetting worden gerekend. Het is goed mogelijk dat er in de wirwar van sporen in werkput 7 meerdere sporen of zelfs delen van structuren uit het neolithicum verscholen liggen. Tijdens een eventueel vervolgonderzoek is het daarom raadzaam om een zo groot mogelijke oppervlakte open te leggen zodat structuren uit het Neolithicum, maar ook andere perioden, beter zichtbaar worden. Op dit moment is het lastig om een beeld te krijgen van het uiterlijk van een huis, erf of nederzetting uit het Neolithicum. Helaas heeft het voor Wijchen nog geen zin om naar andere sites in Noord of Zuid Nederland te kijken om een idee te krijgen van de samenstelling van een woonplaats.
Hiervoor zijn de verschillen tussen Noord en Zuid te groot en Wijchen ligt precies op de scheiding van beiden en kan bijvoorbeeld qua huizenbouwtraditie aansluiten bij zowel het zuidelijke dekzandgebied waar men in vrij grote huizen met een stevige constructie woonde of juist bij het noordelijk en westelijk kustgebied waar de huizen juist klein zijn en een lichte constructie hebben.24 Ook het aangetroffen aardwerk kan hierin geen soelaas bieden aangezien het materiaal de kenmerken heeft van vrijwel alle bekende cultuurgroepen uit het begin van het Laat Neolithicum (zie hoofdstuk 8.2). Hoewel depressies en cultuurlagen feitelijk niet tot sporen en structuren behoren zijn ze voor de interpretatie van de neolithische nederzetting op de oostflank wel van groot belang. Om deze reden worden zowel de cultuurlaag als de depressie uit het Neolithicum hier besproken. Ondanks dat sporen en structuren grotendeels ontbreken, kunnen we op basis van zowel de spreiding als het aantal vondsten concluderen dat de nederzetting of vrij groot is geweest.
6.4
bronstijd
In totaal zijn er 7 sporen aangetroffen die op basis van het aardewerk in de Bronstijd kunnen worden gedateerd. Deze sporen bevinden zich uitsluitend in de werkputten 1 en 7. Het gaat hier om een aantal grote tot middelgrote kuilen en een grote greppel. Alle sporen zijn waarschijnlijk vanaf hetzelfde niveau ingegraven. In werkput 1 echter is het mogelijk dat een aantal sporen is verstoord door de latere middeleeuwse bewoning. Daarnaast is een deel van de sporen afgedekt met een laag stuifzand. Hierdoor zijn sommige sporen op een lager vlak gedocumenteerd. Daarnaast is het niet uitgesloten dat een groot deel van de ondiepere sporen is verstoord door de latere menselijke bewoning binnen het plangebied. Een drietal zeer interessante sporen ligt in werkput 1. Het betreft twee kuilen, S 1.4 en 1.127 en een grote greppel, S 1.70. Spoor 4 is een kuil met een diepte van 40 cm. De vulling bestaat uit meerdere lagen. De onderste laag bevatte een grote hoeveelheid houtskool. Hiervan is een monster gedateerd.25 De datering komt uit aan het einde van de Midden Bronstijd en sluit goed aan op de datering van het aardewerk. De laag die hierboven ligt is gevuld met nagenoeg schoon stuifzand. Uit laag 1, de bovenste laag, is eveneens materiaal verzameld dat wordt gedateerd aan het einde van de Midden Bronstijd. Dit betekent dat de kuil gedurende de gebruiksperiode ooit eens is ondergestoven.
Na deze gebeurtenis lijkt de kuil namelijk op dezelfde manier te zijn gebruikt; er is geen waarneembaar verschil tussen het aardewerk uit laag 1 en laag 3. De twee andere sporen uit de Bronstijd uit dezelfde werkput liggen meer naar het westen. De insnijding van greppel S 1.70 werd op het niveau van vlak 1 oversneden door een middeleeuwse greppel, S 1.45 en een recente verstoring. Daarnaast is het spoor afgedekt door een donkerbruine laag, S1.44. Mogelijk is dit een deel van een middeleeuwse cultuurlaag die is nagezakt in het spoor. Omdat ten tijde van het couperen van de greppel op vlak 2 alle bovengenoemde sporen verwijderd waren valt 24
Van Kampen/Van den Brink in voorb.; Drenth 2005, 333-365.
25
Zie hoofdstuk 5.3.
27
een relatie tussen spoor 44 en spoor 70 niet meer vast te stellen. Op basis van het verzamelde aardewerk kan het spoor echter met vrij grote zekerheid in de Bronstijd worden gedateerd. Voor kuil 1.127 geldt vrijwel hetzelfde als voor spoor 1.45. Deze kuil is pas op een derde vlak gezien omdat hij op een hoger niveau is afgedekt door een nagezakte cultuurlaag. De kuil zelf is vrij groot, ca. 1.60 in diameter, en wanneer hij inderdaad vanaf het niveau van vlak 1 is ingegraven, vrij diep. Op het derde vlak bedroeg de diepte nog 26 cm. Wanneer we daar het verschil tussen vlak 1 en vlak 3 bij optellen komt de diepte van de kuil op 63 cm. Het is niet duidelijk wat de functie van de kuil is geweest. Naast de sporen uit werkput 1 zijn nog drie sporen geïnterpreteerd als mogelijke bronstijdsporen. De sporen 7.60, 7.66 en 7.72 liggen alle in de zuidelijke helft van werkput 7. Het materiaal dat hieruit is verzameld, wordt gedateerd tussen de Midden Bronstijd en de IJzertijd. Een zekere datering in de Bronstijd is dit dus allerminst. Daarnaast kunnen er nog zeker kuilen uit de Bronstijd schuil gaan in de wirwar aan sporen in de noordelijke helft van werkput 7. Concluderend kunnen we stellen dat het aantal sporen dat tot de Bronstijd gerekend kan worden klein is.
Vermoedelijk strekt de kern van de nederzetting zich, vanuit de noordoostelijke hoek van het plangebied, richting het noorden en oosten uit. Interessant gegeven in deze is de datering van de sporen die zijn gevonden tijdens een opgraving aan de Kasteellaan. Hier heeft RAAP een nederzetting uit het begin van de Late Bronstijd aangesneden.26 De datering van de sporen overlapt deels met de datering verkregen uit spoor 1.4. De nederzetting aan de Kasteellaan ligt ten hoogste 500 meter verwijderd van de vindplaats op de Oostflank. Het is niet waarschijnlijk dat de twee vindplaatsen tot dezelfde nederzetting hebben behoord, maar mogelijk wel deel uitmaakten van één nederzettingsterritorium. Wel is het mogelijk of zelfs zeer waarschijnlijk dat de beide nederzettingen op een of andere manier met elkaar in verband staan. Ze hebben waarschijnlijk deels gelijktijdig bestaan. In dat geval ligt het voor de hand dat er contacten zijn geweest tussen de bewoners van de Oostflank en die van het terrein aan de Kasteellaan. Een andere mogelijkheid is dat de bewoners van de Oostflank nadat ze de nederzetting hebben verlaten, een nieuwe nederzetting hebben gesticht op de locatie aan de Kasteellaan. Deze theorie is uitsluitend gebaseerd op de overeenkomsten in de datering van de beide vindplaatsen en de geografische ligging.
Hij kan echter pas getoetst worden wanneer er meer gegevens bekend zijn over het tussengelegen gebied. Deze zijn op het moment van schrijven nog niet beschikbaar.
6.5
ijzertijd
Slechts twee sporen (S1.58 en S2.8) binnen het plangebied zijn op basis van het aardewerk gedateerd in de IJzertijd. Hierbij is enige voorzichtigheid geboden daar het aardewerk uit de sporen bestaat uit in totaal twee kleine fragmenten. Wel is het zo dat spoor 2.8 behoort tot een mogelijke structuur (fig. 6.2). Het is de laatste paalkuil in een rij van drie paalkuilen (S2.6 en S2.7). Even ten oosten van deze rij liggen nog 2 paalkuilen (S2.1 en S2.3). Het is niet duidelijk of deze sporen allemaal tot één structuur behoren. Hiervoor is het opengelegde vlak te klein. Wanneer we kijken naar de diepte van de verschillende palen valt op dat ze bijna allemaal dieper zijn 40 cm. De sporen liggen echter in een dusdanig kleine hoek ten opzichte van elkaar dat ze hoogstwaarschijnlijk niet tot dezelfde structuur behoren. De sporen 2.3, 6 en 7 hebben geen dateerbaar materiaal opgeleverd. Uit spoor 2.1 zijn 7 scherven verzameld die worden gedateerd tussen het Laat Neolithicum B en de Bronstijd. De kans is dus aanzienlijk dat dit spoor ouder is dan de overige paalkuilen. Op dit moment gaan we er vanuit dat de sporen 2.6, 7 en 8 tot één gebouw behoren. Het is niet duidelijk of het hier de palen van een zespalige spieker betreft of toch de middenstaanders van een huis. De palen liggen gemiddeld 2,5 m uit elkaar.
Wanneer we op deze afstand ten noorden en ten zuiden van de palenrij een paalkuil reconstrueren valt de noordelijke 26
Verhelst 2011.
28
paalkuil net buiten de putgrens. De zuidelijke paalkuil komt onder een hoger gelegen laag terecht. De aan- of afwezigheid van dit spoor hebben we niet vast kunnen stellen omdat bij het verdiepen de vuursteenvindplaats verstoord zou worden. Samenvattend kunnen we stellen dat de IJzertijd op basis van de vondsten niet goed lijkt vertegenwoordigd binnen het plangebied. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er mogelijk nog sporen uit de IJzertijd tussen het sporencluster in werkput 7 liggen. Eén mogelijke structuur uit deze periode is aangesneden in werkput 2. Deze is echter verre van compleet en de interpretatie hiervan moet daarom met de nodige omzichtigheid behandeld worden. Fig. 6.2 Mogelijke structuur uit de IJzertijd in werkput 2. Schaal 1:200.
6.6
middeleeuwen
6.6.1
merovingische periode
Er zijn nagenoeg geen sporen of structuren uit de Vroege Middeleeuwen aangetroffen. De enige uitzonering hierop is zijn twee kuilen in werkput 4 en 5. Spoor 4.2 moet op basis van het aardewerk worden gedateerd op de overgang van de laat-Romeinse tijd naar de Merovingische periode. Kuil 5.16 kan op basis van één scherf ook voorzichtig aan deze periode worden toegeschreven. De datering van deze sporen is bijzonder interessant omdat deze aansluit op periode II fase 1 van het noordelijk gelegen grafveld.27 In de grafveldpublicatie wordt de bewoning die hierbij hoort geplaatst op de Westflank, maar gezien de datering van deze sporen zou de bijborende nederzetting ook op de Oostflank kunnen hebben gelegen. Om deze hypothese te toetsen is er echter meer onderzoek nodig.
6.6.2
karolingisch⁄ottoonse periode
De enige sporen die met zekerheid in de Karolingisch/Ottoonse tijd gedateerd kunnen worden, zijn een oven (S1.132) en twee mogelijke ovens (S1.23 en 57). Daarnaast is er slechts één kuil aangetroffen waaruit een kleine hoeveelheid aardewerk is verzameld dat in deze periode gedateerd kan worden. Overigens is in andere sporen ook aardewerk gevonden dat tot deze tijd kan worden gerekend. Dit materiaal kent echter een lange gebruiksperiode en wordt op basis van de dateringen van het overig vondstmateriaal uit deze sporen in een latere periode gedateerd. ovens Meest in het oog springend is de oven, S1.132 en de twee mogelijke ovens S1.23 en 1.57. De eerste is gevonden tijdens het aanleggen van het lengteprofiel in werkput 1 en is tevens het meest compleet overgeleverd. De ovenkuil heeft een doorsnede ca. 35 cm op de bodem. Het spoor loopt taps toe naar boven. De lemen ovenwand die hieromheen was gebouwd was op enkele plaatsen nog aanwezig. De kern van het oventje bestaat uit een peervormig blok slakkenmateriaal vermengd met houtskool. Spoor 1.23 is tijdens de uitwerking gemarkeerd als ‘mogelijke oven’. Het spoor vertoont qua opbouw en vondstmateriaal overeenkomsten met S1.132. 27
Heeren/Hazenberg 2010, 173.
29
Spoor 1.57 is een mogelijk een derde oven. Het betreft een klein kuiltje dat qua omvang niet onderdoet aan spoor 1.132. Ook het materiaal dat eruit is verzameld, slakken, houtskool en verbrande leem, wijst sterk in de richting van een ijzeroven. Het enige argument dat tegen deze interpretatie spreekt is de vorm van het kuiltje. De voor ovens kenmerkende taps toelopende vorm is niet wargenomen in de coupe. Hoewel hier slechts twee ovens zijn beschreven, is het vrij zeker dat er binnen het plangebied meer van dit soort oventjes hebben gestaan. De enorme hoeveelheid slakkenmateriaal die is verzameld in werkput 1 vormt een sterk argument voor deze bewering. In totaal is er meer dan tien kilo ijzerslak verzameld. Het is onmogelijk dit toe te schrijven aan de resten van de twee oventjes die zijn gevonden. Op basis van het vondstmateriaal en de uitkomst van het koolstofonderzoek worden de ovens gedateerd in de eerste helft van de Volle Middeleeuwen.
6.6.3
volle middeleeuwen
De Volle Middeleeuwen zijn het sterkst vertegenwoordigd in het plangebied. De sporen uit deze periode lijken zich te concentreren in het noordelijk deel van het terrein. Hier wordt dan ook de kern van de nederzetting vermoed. Op basis van het vondstmateriaal kunnen verschillende kuilen en paalkuilen worden gedateerd in deze periode. Helaas zijn hierin geen structuren te herkennen. De sporen met hun datering zijn weergegeven in bijlage 1. Meest in het oog springend is de middeleeuwse greppel is spoor 26 in werkput 1. Deze greppel varieert sterk in diepte. Gemiddeld zal hij slechts 20 cm diep zijn geweest, maar op een enkel punt is hij 50 cm diep. Opvallend is de hoeveelheid slakkenmateriaal dat uit deze greppel is verzameld. Dit is ca. één derde van al het slakkenmateriaal dat tijdens het project is geborgen. Een verband tussen deze greppel en de ijzerovens leek dan ook evident. Echter de datering van de ovens en die van de greppel loopt dusdanig uiteen dat het waarschijnlijker is dat het slakmateriaal in de Volle Middeleeuwen is verzameld en als afval in de greppel is gedumpt.
6.6.4
late middeleeuwen
De sporen uit de Late Middeleeuwen concentreren zich in de zuidelijke helft van het plangebied. Op basis van de dateringen van het aardewerk uit de greppels 2.20 en 3.2 moeten deze beide aan het begin van de Late Middeleeuwen worden gedateerd. Opvallend is dat beide greppels nagenoeg dezelfde noordwest-zuidoostelijke oriëntatie hebben. Het is niet duidelijk of de functie van deze greppels moet worden gezocht in de afbakening van een erf of dat het eerder gaat om afwateringsgreppels. Ten noorden van spoor 2.20 ligt een klein cluster paalkuilen (S2.16-19). Uit één spoor is een scherf steengoed verzameld. Op basis van overeenkomsten in kleur en textuur kunnen de overige sporen als gelijktijdig worden gezien. In dit cluster is echter geen structuur te herkennen.
30
7
vondsten
Het totaal aantal vondsten dat tijdens het veldwerk is gedaan bedraagt 4051 (tabel 7.1). Hiervan is een aanzienlijk deel, 50 %, afkomstig uit de depressie in werkput 9. De overige vondsten komen uit de verschillende sporen en lagen binnen het plangebied. Inhoud
Aantal
Gewicht in gr.
aardewerk baksteen/dakpan bot glas hout houtskool kalkmortel metaal natuursteen slakken verbrand bot verbrande leem vuursteen
2298 22 2 3 3 24 2 98 878 298 5 96 347
23572 1419 1 11 329 37 140 643 37850 2066513889 7 1737 1473
Totaal
4051
85664
Tabel 7.1. Wijchen-Oostflank. Overzicht van de vondsten per categorie en gewicht.
Het gros van de vondsten bestaat uit aardewerk. Deze materiaalgroep maakt 58 % uit van het geheel. Ook hier is het Neolithicum sterk vertegenwoordigd. Het tweede grote cluster vondsten bestaat uit vondsten uit de Volle Middeleeuwen. Hoewel er in het kader van de vraagstellingen in het PvE en de aard van het proefsleuvenonderzoek feitelijk alleen een waardering van het materiaal wordt gevraagd, is het materiaal in de meeste gevallen volledig geanalyseerd. De reden hiervoor is tweeledig. Ten eerste diende een groot deel van het materiaal geanalyseerd te worden omdat de specifieke datering van de vondsten doorslaggevend is voor de interpretatie van het spoor. Daarnaast was een aantal contexten van een dusdanig bijzonder karakter dat ze uitgebreid zijn bekeken ten einde een gedegen advies voor eventueel vervolgonderzoek te kunnen formuleren. Deze contexten zijn primair de depressie in de geul in werkput 9 en de ovens in werkput 1. Daarnaast is ook het middeleeuws aardewerk volledig geanalyseerd om het een eventueel verband tussen de overige sporen en de ovens vast te kunnen stellen. Aangezien de analyse van handgevormd prehistorisch aardewerk een andere discipline is dan de analyse van het niet-prehistorisch aardewerk zijn deze aardewerkgroepen apart geanalyseerd. De resultaten van deze analyses zijn gezamenlijk weergegeven in hoofdstuk 8.
31
8
aardewerk
8.1 neolithisch aardewerk uit de depressie Erik Drenth28 en Michail Chtcheglov 8.1.1
inleiding
Tijdens het archeologische onderzoek te Wijchen-Oostflank (verder Wijchen) is een substantiële hoeveelheid handgevormd aardewerk (11.185 g) uit het Neolithicum in een depressie aangetroffen. De vondsten bestaan uit fragmenten van vaatwerk en bakplaten. Daarnaast is van het aangrenzende duin een geringere hoeveelheid keramiek (198 g) uit dezelfde periode verzameld. In overeenstemming met de onderzoeksvraagstelling in het PvE richtte de analyse van het aardewerk zich op 1) de typologie en intrinsieke eigenschappen, 2) de datering en 3) de betekenis van de vondsten in termen van aard van de voormalige menselijke activiteiten.
8.1.2
methode
Helaas bleek een gedetailleerde studie niet mogelijk. Daarom is de keramiek gesplitst in twee hoofdcategorieën: scherven en gruis. Als scheidslijn tussen beide is 4 cm2 aangehouden, waarbij alles kleiner dan dit getal als gruis is beschouwd. Er zijn wel drie uitzonderingen op deze regel gemaakt. In de eerste plaats zijn fragmenten groter dan 4 cm2 zonder originele buiten- en/of binnenkant tot het gruis gerekend. Verder zijn fragmenten kleiner dan de genoemde maat wel als scherven beschouwd, indien zij markante eigenschappen vertonen, zoals versiering of diagnostische vormkenmerken. Tot slot, stukken van bakplaten, hoe klein ook, zijn geschaard onder de categorie scherven. Vanwege de beperkte onderzoeksmogelijkheden zijn alleen de eigenschappen van de scherven nader onder de loep genomen. Dit is niet gedaan op individueel niveau, maar per vondstnummer. Aldus is de inhoud van acht vondstnummers beschreven. Het aantal rand-, wand- en bodemscherven alsmede bakplaatfragmenten is geteld en het gewicht van deze categorieën tezamen is opgeschreven.
Voor zover mogelijk, zijn verder systematisch gegevens vastgelegd over: de algehele potvorm en type; - de vorm van de rand; - de vorm van de voet29; - de versiering (inclusief gaatjes/putjes onder de rand, knobbels en richels); - het soort verschraling; - de afwerking van de buitenkant; - de aanwezigheid van verkoold residu op buiten- en of binnenzijde. Het moeten maken van keuzes heeft er, ten slotte, toe geleid dat de huidige bijdrage uitsluitend verslag doet van de studie naar het materiaal uit de geul.
28
ArcheoMedia, Capelle aan den IJssel.
29
Naar de indeling door Glasbergen et al . 1967.
32
8.1.3
resultaten
8.1.3.1 intrinsieke eigenschappen en typologie
Algemeen Uit de geul zijn in totaal 842 scherven verzameld. Zij wegen samen 10.032 g. Hoewel de vondsten aan één spoornummer (S9.46) zijn toegekend zijn ze uit twee verschillende niveaus verzameld. Het grootste deel van de scherven is verzameld tijdens de aanleg van vlak 2. De rest is tijdens de aanleg van vlak 3 verzameld. De beide niveaus liggen ca. 30 cm uit elkaar. Omdat tijdens de analyse bleek dat er een significant verschil zit tussen de vondsten uit vlak 2 en 3 worden de vondsten uit de vlakken hier telkens separaat weergegeven. Tabel 8.1 laat zien wat per vlak het aantal en het gewicht is.30 vlak
randscherven
wandscherven
bodemscherven
bakplaatfragmenten
totale gewicht (g)
2 3
64 19
513 188
21 13
14 -
7043 2989
totaal
83
701
44
14
10032
Tabel 8.1. Wijchen-Oostflank. Aantallen neolithische scherven uit de geul per vlak.
Slechts bij hoge uitzonderingen verraden de scherven meer over het vormenrepertoire. Behalve bakplaten (6 MAE ) zijn herkend: - twee kraag(hals) flessen(fig. 8.1a en b); - een drieledige beker van de Enkelgrafcultuur – vroeger standvoetbeker genoemd - met spitse rand (buitendiameter rand ca. 16 cm) en horizontale groeflijnversiering op de rand (fig. 8.1c); type 1b31; - een eenledige kom (fig. 8.1d) en kleine fragmenten van minimaal twee andere open vormen; - twee fragmenten van tweeledige potten of kommen (fig. 8.1e) (2 MAE); - een groot aantal (37 MAE) drieledige potten met soms cilindrische, maar in de regel uitstaande halzen (fig. 8.1f t/m k).
30
Door omstandigheden konden niet van alle scherven de intrinsieke eigenschappen worden vastgelegd. Dit verklaart waarom
er discrepanties tussen de hier genoemde aantallen zijn. 31
Typologie naar Van der Waals/Glasbergen 1955, 9-10.
33
Fig. 8.1. Wijchen-Oostflank. In de tekst besproken scherven uit de depressie. Schaal 1:3.
34
Randen De randen van het vaatwerk en de bakplaten zijn veelal afgerond, zoals een morfologisch overzicht van deze component laat zien (tabel 8.2). vorm rand
aantal scherven vlak 2
aantal scherven vlak 3
afgerond afgerond-afgevlakt afgerond-spits afgevlakt naar binnen afgeschuind spits
31 5 11 1 2 13
12 4 1 1
totaal
63
18
Tabel 8.2. Wijchen-Oostflank. Morfologie van de randen van het aardewerk uit de depressie per vlak.
Voeten In navolging van Glasbergen et al zijn voeten morfologisch opgesplitst in drie varianten (fig.8.2 ).32 Type A is gelijk aan een buiten staande voet ofwel een standvoet. Type C heeft geen standvoet; de wand loopt in een (min of meer) rechte lijn door tot aan de bodem (fig. 8.1l). Type B, ten slotte, houdt het midden tussen A en C. Er is geen sprake van een standvoet, maar de wand is wel direct boven de bodem ingesnoerd. Onder de vondsten uit Wijchen domineren de typen B en C (tabel 8.3).
Fig. 8.2. Wijchen-Oostflank. Voetvormen Vlaardingenaardewerk. (Bron: Glasbergen 1976, 10, fig. 6)
vorm voet
aantal scherven vlak 2
aantal scherven vlak 3
type A
-
1
type B
7
2
type B/C
1
1
type C
7
6
Tabel 8.3. Wijchen-Oostflank. Vorm van de voet per vlak.
Wanddikte De wanddikteverdeling komt bij de scherven van de vlakken 2 en 3 sterk overeen (fig. 8.3a en 8.3b). Het overgrote deel van de scherven meet tussen 8 en 10 mm, waarbij 9 mm de meest gangbare dikte is. Het uniforme karakter van de wanddikteverdeling tussen de twee vlakken is opmerkelijk.
32
Glasbergen et al 1967, 10 en fig. 6.
35
Fig. 8.3a. Wijchen-Oostflank. Staafdiagram van de wanddikteverdeling per scherf per vlak.
Fig. 8.3b. Wijchen-Oostflank. Impressie van de variatie in wanddikte en potvorm. Schaal 1:3.
Verschraling Het aardewerk uit beide niveaus blijkt hoofdzakelijk verschraald te zijn met steengruis (tabel 8.4). Om bovengenoemde redenen was een specificering en een kwantificering van de gebruikte gesteentesoorten niet mogelijk. Wel bestaat de indruk dat vooral gebroken kwarts aan de klei is toegevoegd. Deze grondstof kon verzameld worden in de lokale en regionale Maas- en Rijnafzettingen. Daarnaast is geconstateerd dat in elk geval ook graniet, gneis of een aanverwant soort gesteente als verschraling is gebruikt. Dergelijk materiaal was en is te vinden in de Midden-Nederlandse keileemafzettingen (of het erosieproduct ervan, het keizand), dat tijdens het Saalien is afgezet. Plantaardige verschraling, al dan niet in combinatie met steengruis, is typisch voor de bakplaatfragmenten. Verder blijkt de EGK-beker een afwijkende verschraling te hebben: zand. soort verschraling
aantal scherven vlak 2
aantal scherven vlak 3
chamotte chamotte + steengruis steengruis steengruis + organisch zand
1 10 576 8 3
4 4 210 2 0
totaal
598
220
Tabel 8.4. Wijchen-Oostflank. Soort verschraling per scherf per vlak.
Wandafwerking De buitenzijde van de scherven vertoont qua afwerking een homogeen beeld (tabel 8.5). De overgrote meerderheid van de scherven is telkens geglad dan wel gepolijst. Een deel van de scherven voelt ruw aan en is mogelijk niet speciaal nabewerkt. Het is echter niet uitgesloten dat dit te maken heeft met lichte verwering van de buitenkant, die oorspronkelijk wel degelijk glad is geweest. De scherven bin36
nen de categorie ‘indet’ zijn matig tot sterk verweerd, maar ook deze groep heeft vermoedelijk oorspronkelijk bestaan uit voornamelijk gegladde of gepolijste scherven. afwerking buitenkant
aantal scherven vlak 2
aantal scherven vlak 3
gepolijst geglad ruw/onafgewerkt indet
33 380 70 115
8 129 30 53
totaal
598
220
Tabel 8.5. Wijchen-Oostflank. Afwerking van de buitenkant van de scherven per vlak.
Versiering Een beperkt aantal scherven is versierd. Daarnaast vertoont ook een aantal scherven elementen waarvan niet zeker is of ze primair als versiering zijn bedoeld. Het gaat hier om knobbels, gaatjes dan wel putjes en horizontale lijsten (fig. 8.4a t/m d). Deze zouden ook een functionele in plaats van een decoratieve betekenis gehad kunnen hebben. Zelfs wanneer scherven met deze elementen als versierd worden beschouwd is versiering eerder uitzondering dan regel. Tabel 8.6 toont een overzicht van de verschillende soorten decoratie en de bijbehorende aantallen. Ter nadere toelichting, verscheidene scherven tonen dat gaatjes en/of putjes een enkele horizontale rij vormen die zich kort onder de rand bevindt. Hetzelfde is duidelijk bij de twee scherven met een lijst die mogelijk deel hebben uitgemaakt van dezelfde pot. Twee andere scherven zijn vlakdekkend versierd met nagel- of spatelindrukken (fig. 8.4e en f). Bij de derde scherf uit deze categorie bevinden de indrukken zich precies op overgang van de wand naar de uitstaande voet (fig. 8.4g). Deze positie geeft aan dat zij ontstaan zijn bij het uitknijpen van de klei om de standvoet te vormen. Er is derhalve geen reden de indrukken als opzettelijke versiering te beschouwen, hoewel de scherf in kwestie zekerheidshalve wel in tabel 6 is opgenomen. Twee bakplaatfragmenten zijn achtereenvolgens versierd met lange groeven (fig.
8.4h en i) en één met pin pricks (fig. 8.4j). Tot slot, de meest opvallende versiering heeft een scherf die, zoals wij in de volgende paragraaf zullen zien, binnen het ensemble atypisch is. Op de hals van dit fragment van een EGK-beker prijken dicht op elkaar gestelde horizontale groeflijnen (fig. 8.1c). soort versiering
vlak 2
vlak 3
knobbel gaatjes/putjes kort onder rand horizontale lijst kort onder rand horizontale groeflijnen lange strepen nagel-/spatelindrukken pin pricks vingertopindruk kraagflesje
2 8 2 1 1 1 1 1
1 11 3 -
totaal
17
15
Tabel 8.6. Wijchen-Oostflank. Overzicht van het aantal versierde scherven per vlak.
37
Fig. 8.4. Wijchen-Oostflank. In de tekst besproken scherven uit de depressie. Schaal 1:3.
38
8.1.3.2 culturele toewijzing en datering
De bovengenoemde intrinsieke eigenschappen laten geen twijfel bestaan dat het aardewerkensemble aan het Stein-Vlaardingen-complex uit het Midden-Neolithicum B en Laat-Neolithicum (ca. 34002650/2550 voor Chr.) moet worden toegewezen.33 Op dit moment is onduidelijk in hoeverre het gerechtvaardigd is dit culturele complex, waarvan het verspreidingsgebied binnen Nederland grofweg het westelijke kustgebied, pleistoceen Zuid-Nederland en het centrale rivierengebied beslaat, uiteen te trekken in enerzijds de Stein-groep en anderzijds de Vlaardingen-cultuur (of -groep). Sommigen stellen de verschillen in de materiële cultuur binnen het totale verspreidingsgebied voorop, anderen benadrukken de overeenkomsten.34 Wat deze overeenkomsten en verschillen uiteindelijk waard zijn, valt te bezien. Wel is duidelijk dat nieuwe ontdekkingen nopen tot bijstelling van eerdere beweringen. Zo weerleggen vondsten die sindsdien te Tilburg-Schaapsven en Veldhoven-Habraken zijn gedaan de uitspraak van Drenth et al. uit 2007 dat de Stein-groep geen aardewerken bakplaten kent.35 Omdat zich met het aardewerk uit Wijchen geen nieuwe munitie aandient voor deze discussie, heeft het geen zin langer bij deze kwestie stil te staan. Eveneens problematisch is de chronologische ontwikkeling van het Stein-Vlaardingencomplex.
Vooral op basis van aardewerk uit vindplaatsen in het West-Nederlandse kustgebied is getracht een fasering aan te brengen. Maar over hoeveel fasen onderscheiden kunnen worden en wat hun inhoud is, lopen de meningen uiteen.36 De opgraving te Wijchen heeft gelukkig een duidelijke chronologische indicatie opgeleverd, waardoor deze problematiek gedeeltelijk omzeild kan worden. Vlak 2 heeft een fragment opgeleverd van een EGK-beker van het type 1b. Versiering, vorm en baksel suggereren dat de vondst uit een importstuk uit de Enkelgrafcultuur voorstelt. Deze cultuur wordt in onze streken gedateerd tussen ca. 2800-2400 voor Chr.37 Bekers van het type 1b komen in alle vier fasen van de Enkelgrafcultuur voor.38 Het exemplaar uit Wijchen is een variant die gebonden lijkt te zijn aan de fasen 1 en 2. Deze duren volgens Lanting en Van der Plicht achtereenvolgens van ca. 2800-2750 en ca. 2750-2650 voor Chr.39 Het is de onversierde richel op de hals, te midden van de groeflijnen, die daarop duidt.40 Daarmee is in elk geval een datering van de vondsten van vlak 2 gegeven. Statistisch onderzoek leert dat er tussen de vlakken 2 en 3 significante verschillen zijn wat het voorkomen van scherven met gaatjes/putjes betreft. Het blijkt dat dit kenmerk beduidend vaker bij
33
Zie in dit verband geciteerde literatuur. Verder wordt voor aardewerk van andere sites van het Stein-Vlaardingen-complex
verwezen naar Drenth 2010; 2011. 34
Zie in dit verband Drenth et al. 2007, 121-122; Van Gijn/ Bakker 2005; Louwe Kooijmans 1983; Verhart 2010.
35
Drenth et al. 2007, 122; vgl. Van Gijn/Bakker 2005, 301. De bakplaatfragmenten uit Tilburg-Schaapsven zijn beschreven
door de schrijver (Drenth in voorbereiding a); Van Kampen/Van den Brink in voorb. 36
Vgl. bijvoorbeeld Lanting/Van der Plicht 1999, speciaal 33 met Beckerman/Raemaekers 2009; voor een meer gedetailleerd
overzicht zie Drenth in voorb. 37
Lanting/Van der Plicht 1999/2000, 35.
38
Drenth/Lanting 1991.
39
Volgens de chronologie van Drenth/Lanting 1991. Zij hebben de Enkelgrafcultuur in Nederland opgedeeld in vier fasen.
Zij hebben volgens Lanting en Van der Plicht (1999, 35) de volgende absolute dateringen: fase 1 ca. 2800-2750 voor Chr., fase 2 ca. 2750-2650 voor Chr., fase 3 ca. 2650-2550 voor Chr. en fase 4 ca. 2550-2400 voor Chr. 40
Zie in dit verband Drenth/Meurkens 2011, 303-304, die aan de hand van verscheidene vondsten betoogd hebben dat 1a-
beker met een richel binnen de Enkelgrafcultuur vroeg zijn. Daarbij verwijzen zij onder meer naar de Duitse vindplaats Hunte 1 (Kossian 2007). Daar zijn de genoemde 1a-bekervarianten geassocieerd met 1b-bekers met op de hals een horizontale ribbel. 14
C-dateringen voor deze site geven overigens aan dat de Enkelgrafcultuur wellicht reeds vóór 2800 voor Chr. is begonnen,
dat wil zeggen ergens tussen 3000-2800 voor Chr. Het voert evenwel te ver in het huidige kader uitgebreid in te gaan op de absolute chronologie van deze cultuur.
39
keramiek uit het onderste vlak optreedt.41 Zoals gezegd bevinden de gaatjes/putjes zich kort onder de rand. Onderzocht is derhalve of het geconstateerde onderscheid verklaard kan worden, omdat de onderlinge verhouding tussen rand-, wand en bodemscherven per vlak duidelijk anders is. Een statistisch significant onderscheid is echter niet gevonden.42 Het voornoemde verschil past wel in het chronologische beeld dat Lanting en Van der Plicht op grond van het aardewerk schetsen van de chronologische ontwikkeling van de Vlaardingen-cultuur. Zij menen dat het aandeel van gaatjes en putjes kort onder de rand afnam in de loop van de tijd. Voornoemden splitsen de Vlaardingen-cultuur op in vijf fasen. Hier zijn hun fasen Vl-1b en -1c van belang zijn.43 De eerstgenoemde fase onderscheidt zich volgens hen van de fase Vl-1c onder meer door het relatieve voorkomen van gaatjes en putjes direct onder de rand.44 Op de Hazendonk is een laag gevonden met daarin potten met hoge S-vormige tot bijna emmervormige profielen. Sommige van de laatste bezitten een wandknik. Gaatjes en putjes kort onder de rand zijn bij een groot deel van de potten aanwezig. Daarentegen ontbreken knobbels. Daar staat tegenover dat het aardewerk van de Vl-sites te Vlaardingen en Voorschoten-Boschgeest een buikiger S-vormiger profiel heeft, dikwijls met een cilindrische of een uitstaande hals.
Gaatjes en putjes onder de rand zijn voorhanden, echter in mindere mate dan in het geval van de bovengenoemde laag op de Hazendonk. In Vlaardingen hadden, halverwege het onderzoek, van de 728 randen slechts 80 doorboorboringen dan wel putjes, terwijl in werkput 17 op deze site 33 van de 287 randen deze kenmerken bezitten. In het geval van Voorschoten-Boschgeest ligt het percentage doorboorde of ‘geputte’ randen uit de lagen 2-5 hoger. Van de 54 randfragmenten waren er 18 met gaatjes en 12 met putjes. Zowel te Vlaardingen als Voorschoten-Boschgeest zijn aardewerkfragmenten met knobbels aangetroffen: 7 van 287 randfragmenten uit werkput 17 respectievelijk 9 op een totaal van 540 scherven, waarvan 54 randfragmenten, uit de lagen 2-5. Helaas wordt de chronologie van Lanting en Van der Plicht niet ondersteund door het voorkomen van knobbels in Wijchen. Daar staat tegenover dat het optreden van bakplaten dit wellicht wel doet. In tegenstelling tot het bovenste vlak blijken die te Wijchen op het onderste niveau afwezig te zijn. Statistisch blijkt dit verschil zo groot dat het niet door toeval veroorzaakt zal zijn.45 Het zou goed kunnen dat bakplaten pas in de loop der tijd in het Stein-Vlaardingen-complex in zwang zijn geraakt. Voor zover uit de literatuur blijkt, zijn zij uiterst zeldzaam op de Hazendonk in de assemblage dat door Lanting en Van der Plicht als Vl-1b is bestempeld.
Raemaekers vermeldt slechts de fragmenten van één exemplaar.46 Daarentegen zijn bakplaten op de vindplaatsen die door Lanting en Van der Plicht zijn gerekend tot Vl-1c talrijker. Bij ons weten is de bakplaat gevonden te Hazendonk het vroegste voorbeeld in Vl-context. De 14C-dateringen aan monsters uit dit vondstniveau wijzen op een bewoning in het begin van het derde millennium. Lanting en Van der Plicht noemen als jaartal 2850 voor Chr.47 Ver zullen zij er niet naast zitten, ofschoon een iets vroegere datering wel tot de mogelijkheden behoort. Tot de nevenvondsten van de bakplaat uit de Hazendonk behoren twee versierde scherfjes trechterbekeraardewerk.48 De decoratie is aangebracht in puntige diepsteek, die kenmerkend is voor de horizonten 5 en 6 van de Westgroep van de Trechterbekercultuur. Deze fasen worden achtereenvolgens tussen ca. 3050/30002950/2900 en 2950/2900 en 2900/2850 voor Chr. geplaatst.49
41
Een two-tailed Chi-kwadraat toets resulteert in p = 0.0048.
42
Een two-tailed Chi-kwadraat toets resulteert in p = 0.4624.
43
Lanitng/Van der Plicht 1999/2000, 33-34, met verdere verwijzingen.
44
Lanting/Van der Plicht 1999/2000, 33-34, met verdere verwijzingen.
45
Een two-tailed Chi-kwadraat toets resultaat in p = 0.024.
46
Raemaekers 1999, 171 en fig. 4.10.
47
Lanting/Van der Plicht 1999/2000, 69.
48
Raemaekers 1999, fig. 4.10.
49
Brindley en Lanting 2003, 123; Lanting en Van der Plicht 1999/2000.
40
Omdat uit de 14C-dateringen voor het Stein-Vlaardingen-complex in Zuid-Nederland vooral op een bewoning in het derde millennium voor Chr. wijzen, gezien de ouderdom van vlak 2 en indachtig de bovengenoemde bevindingen voor het westelijke kustgebied, is het verleidelijk vlak 3 rond 3000 voor Chr. of kort daarna te dateren.50 14C-onderzoek ter toetsing van deze hypothese is welkom.
8.1.3.3 aard van de vondsten
Het is verleidelijk het aardewerk uit de depressie als gedumpt nederzettingsafval te zien. Argumenten die daarvoor aan te voeren zijn, zijn de fragmentatie van het aardewerk – er zijn geen complete potten aangetroffen - de hoeveelheid potten (vlak 2: 33 MAE; vlak 10 MAE), het brede typologische spectrum, de aanwezigheid van bakplaatfragmenten en het voorkomen van verkoold residu (voedselresten?) op verscheidene scherven (vlak 2: 18 scherven; vlak 3: 2 scherven). De feitelijke bewoning zou dan gesitueerd moeten worden op het aangrenzende duin, waar eveneens scherven van het SteinVlaardingen-complex zijn aangetroffen. Bij nadere beschouwing van de vondstverspreiding blijkt dat de verhouding tussen rand-, wand- en bodemscherven bij vergelijking van de verschillende vondstnummers verscheidene keren statistisch verschilt (tabel 8.7).51 De gevonden verschillen suggereren geen onbewuste maar een intentionele, doordachte depositie dan wel dump. Ontdekkingen elders zullen hierover hopelijk meer uitsluitsel geven en tevens een tip van de sluier lichten over de eventuele achterliggende redenen en motieven. vondstnummer (WP 9)
30 31 32 33 35 51 52
30
xxx xxx xxx xxx xxx xxx xxx
31
32
33
35
51
52
0.013
0.075 0.536
0.036 0.364 0.653
0 0.006 0.001 0.005
0.015 0.99 0.559 0.359 0.019
0.03 0.625 0.464 0.146 0.003 0.734
xxx xxx xxx xxx xxx xxx
xxx xxx xxx xxx xxx
xxx xxx xxx xxx
xxx xxx xxx
xxx xxx
xxx
Tabel 8.7. Wijchen-Oostflank. Statische vergelijking met behulp van een multiple contingency test tussen vondstnummers wat de verhouding tussen rand-, wand- en bodemscherven betreft.
8.1.3.4 conclusie en aanbevelingen
Het aardewerk uit de depressie is overduidelijk toe te schrijven aan de Stein-Vlaardingen groep. Het materiaal is bijzonder goed geconserveerd en getuigt in aantal van een langdurige of zeer intensieve bewoningsperiode. Daarnaast lijkt een verschil in de datering waarneembaar tussen vondsten die van een hoger niveau in spoor 9.46 afkomstig zijn en die van een lager niveau. Dit impliceert dat spoor 46 samengesteld is uit meerdere lagen. Het onderscheid in deze lagen kon in het veld niet gemaakt worden omdat spoor 46 een homogeen pakket lijkt. Bij een eventueel vervolgonderzoek is het zeer belangrijk dat er wordt gekeken of dit onderscheid toch valt aan te brengen. Vervolgens dient het materiaal uit deze vullingslagen zorgvuldig in vakken en per stratigrafische eenheid verzameld te worden. Deze 50
Zie voor de 14C-dateringen Drenth in voorb. b.
51
Daarbij staat elk vondstnummer staat voor de inhoud van twee vakken, elk 2,5 m x 1,5 m waaruit het aardewerk is verza-
meld. Vondstnummer 32 is een uitzondering. In dit geval komt het materiaal slechts uit één vak (nr. 6).
41
vindplaats biedt namelijk de mogelijkheid om een typologie op te stellen voor het aardewerk uit deze periode. Een aardewerktypologie van het materiaal uit het Midden en Laat Neolithicum bestaat vooralsnog niet. Deze site lijkt het antwoord op het vraagstuk omtrent de datering van het aardewerk uit deze perioden in zich te hebben en het is daarom van groot belang dat wanneer er vervolgonderzoek zal plaatsvinden dit goed voorbereid en doordacht gebeurt.
8.2
overig prehistorisch aardewerk
De prehistorische scherven die uit andere contexten verzameld zijn, dateren van het Midden of Laat Neolithicum tot en met de IJzertijd. Dit materiaal is gedetermineerd aan de hand van de voor de bepaalde periode kenmerkende eigenschappen op het gebied van vorm, baksel, magering en versiering. Op basis van deze kenmerken dateren twee exemplaren uit cultuurlaag S8.3 waarschijnlijk in dezelfde periode als het hierboven beschreven aardewerk uit de depressie. Het betreft een drieledige pot en een archeologisch compleet bord (fig. 8.5a en b). Uit het Laat Neolithicum is verder een randscherf aangetroffen van een klokbeker (fig. 8.5c). Een klein aantal scherven was dusdanig verweerd dat ze niet te determineren zijn. De rest van het materiaal is gebruikt om de sporen waaruit het is verzameld te dateren. Het resultaat hiervan is weergegeven in tabel 8.8.
WP
SN
AANTAL
GEWICHT
1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 2 2 2 2 2 2
32 40 47 127 58 4 9 70 55 12 14 17 113 134 8 11
1 5 4 3 1 37 2 31 3 9 1 1 9 3 1 22
2 42 11 6 3 292 47 119 31 18 1 2 4 8 4 205
2 2 2 2
1 4 10 13
7 41 9 234
6 7 7 7 7 7
4 3 66 72 60 55
4 2 11 5 1 65
BEGINPERIODE
EINDPERIODE
OPMERKINGEN
indet indet indet Bronstijd IJzertijd Midden Bronstijd Midden Bronstijd Midden Bronstijd Midden Neolithicum B
IJzertijd IJzertijd Midden Bronstijd Midden Bronstijd Midden Bronstijd Laat Neolithicum A indet indet indet indet indet
IJzertijd Laat Neolithicum
IJzertijd Nieuwe Tijd?
13 301 73 566
Midden Neolithicum B Midden Neolithicum B Midden Neolithicum B Midden Neolithicum B
Bronstijd Laat Neolithicum A IJzertijd Laat Neolithicum A
36 2 23 16 12 182
Midden Neolithicum B
Laat Neolithicum A
laat-Neolithisch aardewerk + keramisch bouwmateriaal in laag
enkele middeleeuwse scherven wrsch. intrusief indet
Bronstijd Bronstijd Late Bronstijd Midden Neolithicum B
IJzertijd IJzertijd IJzertijd IJzertijd
Laat Neolithicum is ook vertegenwoordigd: klokbekerfrag-
42
ment 7 7 8 8 8 9 9
63 84 5 21 3 4 37
18 5 1 1 20 8 1
157 11 1 3 314 120 4
Midden Neolithicum B Midden Neolithicum B
9 9 9 9 9 9 12 12 12 12 12 13
1 2 26 30 46 52 12 23 999 10 1 10
1 45 11 41 1141 4 1 1 6 1 2 1
53 329 117 304 13364 46 4 0 202 2 9 24
Laat Neolithicum A Laat Neolithicum A indet indet
Midden Neolithicum B
Laat Neolithicum A
Late IJzertijd
Romeinse tijd
Midden Bronstijd Midden Neolithicum B Midden Neolithicum B Midden Neolithicum B Midden Neolithicum B Midden Neolithicum B
Midden Bronstijd Midden Bronstijd Laat Neolithicum A Laat Neolithicum A Laat Neolithicum A Laat Neolithicum A
indet hardgebakken handgevormde scherf?
indet indet indet indet Midden Neolithicum B Midden Neolithicum B
Bronstijd Laat Neolithicum A
Tabel 8.8. Wijchen-Oostflank. Overzicht van de sporen met prehistorische scherven en de daaruit voortvloeiende datering
Fig. 8.5. Wijchen-Oostflank. Overige Neolithische scherven. Schaal 1:3.
Hoewel het aardewerk uit de Bronstijd niet talrijk is, dient dit materiaal hier nader besproken te worden. Het aardwerk uit de Bronstijd is allemaal toe te schrijven aan een vindplaats uit de Midden Bronstijd. Deze datering wordt bevestigd door de 14C-datering uit spoor 1.4. Dit is tevens ook het spoor waar het meeste materiaal uit is verzameld. In totaal zijn hier 37 scherven aangetroffen met een gezamenlijk gewicht van 292 g, waaronder vier randscherven die kunnen worden toegewezen aan 2 MAE. Het aardewerk is goed geconserveerd, maar relatief sterk gefragmenteerd. De scherven zijn 43
oxiderend gebakken en beige tot lichtbruin van kleur, met soms een grijze kern. De wanddikte is relatief groot, er zijn vrijwel geen scherven die onder de 10 mm meten. De magering bestaat uit grove gebroken kwarts met af en toe wat ongebroken grind. De magering steekt dikwijls door de wand heen. Dit resulteert in voor de Midden Bronstijd kenmerkende krimpscheuren op het scherfoppervlak. De meeste wandscherven zijn niet speciaal nabewerkt, slechts één scherf is geglad. De aanwezige randscherven zijn eigenlijk te klein voor het vaststellen van het potopbouwtype, maar het gaat vermoedelijk om een pot van potopbouwtype II (tweeledig) en een pot van potopbouwtype III (drieledig). Alle randscherven zijn eenvoudig afgerond. Versierde scherven ontbreken.
8.3 niet-prehistorisch aardewerk Afra Koopman/Johan van Kampen 8.3.1
inleiding
In totaal zijn er 261 niet-prehistorische scherven bestudeerd. Naast het waarderen van het materiaal diende het ook grotendeels geanalyseerd te worden om een bijdrage te leveren aan de datering en fasering van de verschillende vindplaatsen.
8.3.2
methode
De scherven zijn geteld, per stuk gewogen, op soort en waar mogelijk op type gedetermineerd. Van iedere scherf is genoteerd of het een rand, wand of bodemfragment betrof. Daarnaast zijn de overige kenmerken als versiering in een opmerkingenveld weergegeven. Het materiaal is om budgettaire redenen niet onderworpen aan bakselonderzoek. Wel is er onderscheid gemaakt op baksel wanneer dit zonder de hulp van een microscoop kon gebeuren. De gegevens van de determinaties zijn in een database ingevoerd. De resultaten hiervan zijn weergegeven in bijlage Hierna is gekeken in hoeverre het vondstmateriaal een sluitende datering kon verschaffen voor individuele sporen. In deze paragraaf zal het aardewerk chronologisch per archeologische periode worden besproken. Hierbij gaat het specifiek om de Romeinse tijd, de Vroege Middeleeuwen en de Volle Middeleeuwen. Verder zal worden ingegaan op zowel het algemene beeld dat het aardewerkspectrum laat zien als de opmerkelijke of kenmerkende vondsten uit een bepaalde periode. Vervolgens zullen per periode indien aanwezig de sporen worden behandeld die op basis van het aardewerk zijn voorzien van een datering.
8.3.3
resultaten
Uit de resultaten blijkt dat de meeste scherven te dateren zijn van de Vroege tot en met de Late Middeleeuwen, waarvan het grootste percentage dateert in de Volle Middeleeuwen. Ook is er wat nieuwtijds aardewerk verzameld. Omdat dit laatstgenoemde aardewerk echter geen relevantie heeft voor het onderzoek zal dat hier verder niet worden behandeld. Voor een compleet overzicht van de determinaties wordt verwezen naar tabel 8.9.
Romeinse tijd Slechts een handvol scherven is te dateren in de Romeinse tijd. De meesten hiervan zijn afkomstig uit middeleeuwse sporen. Deze vondsten worden beschouwd als opspit. De enige laat-Romeinse context is
44
aangetroffen in werkput 4. Het betreft een kuil waaruit een grote, handgevormde laat-Romeinse scherf is verzameld. Het baksel van de scherf is vergelijkbaar met dat van scherven uit laat-Romeinse contexten in onder andere Cuijk, Horst en Gennep.52
Fig. 8.6 Middeleeuwse scherven. Schaal 1:3.
52
Van Kerckhove/Magnee in voorb.
45
Vroege Middeleeuwen Het vroegmiddeleeuws materiaal is beperkt vertegenwoordigd in het aardewerkspectrum. Slechts 27 scherven kunnen worden aangemerkt als vroegmiddeleeuws. Helaas zijn vrijwel alle vroegmiddeleeuwse scherven zogenaamde contextloze vondsten. Ze komen ofwel uit lagen die zeker jonger dateren dan de Vroege Middeleeuwen of uit sporen die op basis van het vondstmateriaal eveneens in een latere periode gedateerd moeten worden. Daarom zegt het materiaal verder vrij weinig over een eventuele aanwezigheid van een vroegmiddeleeuwse nederzetting. Omdat de verwachtingen in het PvE echter vrij hoog gespannen waren ten aanzien van het aantreffen van een vroegmiddeleeuwse nederzetting die in relatie stond tot het grafveld op de Markt wordt hier een deel van het Merovingisch aardewerk toch nader belicht.53 Het is namelijk niet uit te sluiten is dat er binnen het plangebied een vindplaats uit deze periode ligt. Wanneer tijdens een eventueel vervolgonderzoek alsnog een vroegmiddeleeuwse vindplaats wordt aangetroffen kunnen de hier weergegeven resultaten bijdragen aan de interpretatie van de site. Van de 27 vroegmiddeleeuwse scherven zijn vier fragmenten afkomstig van schotels of borden. Met uitzondering van één randfragment (V2.14 fig. 8.6a) zijn deze scherven vanwege het ontbreken van diagnostische kenmerken niet verder te determineren.
Naast de borden zijn er nog twee wandscherven met radstempel verzameld die vermeld dienen te worden. Beide radstempels zijn minder zorgvuldig aangebracht dan bijvoorbeeld bij Badorfaardewerk het geval is. De patronen zijn lastig terug te vinden in de literatuur. Het eerste fragment met radstempel (V5.2, fig. 8.6b) is één van de weinige vroegmiddeleeuwse aardewerkvondsten afkomstig uit een antropogeen spoor, S5.16. Het patroon is vrij onregelmatig en daardoor niet gemakkelijk vergelijkbaar met andere vroegmiddeleeuwse scherven. Een vergelijkbaar radstempelpatroon is herkend in het aardewerk dat is gevonden tijdens een opgraving in Odijk. Het daar gevonden exemplaar wordt gedateerd tussen 570-610.54 Het tweede exemplaar met radstempelversiering is vondst 2.43 (fig. 8.6c). Uit spoor 4.2 zijn naast de laat-Romeinse scherf ook nog enkele vroegmiddeleeuwse scherven verzameld. Het betreft wat scherven met een baksel dat zeer kenmerkend is voor het productiecentrum in Mayen, Duitsland. Hier wordt vanaf de Romeinse tijd aardewerk geproduceerd. De scherven zelf moeten gedateerd worden op de overgang van de laat-Romeinse tijd naar de Vroege Middeleeuwen.
Volle Middeleeuwen Met een aandeel van 50% is het aardewerk uit de Volle Middeleeuwen de grootste component binnen het niet-prehistorisch aardewerk. Het aardewerk is goed geconserveerd. Ook het aardewerk dat uit lagen of cultuurlagen komt is nog in goede staat en weinig gefragmenteerd. Het algemene beeld dat uit het volmiddeleeuws materiaal naar voren komt is dat van een volmiddeleeuwse nederzetting waarvan het hoogtepunt tussen de 11de en 13de eeuw ligt. Het aardewerk uit de Volle Middeleeuwen bestaat uit fragmenten Paffrath-aardewerk, enkele scherven zuidlimburgs aardewerk en een vrij grote groep van bijna zestig scherven Elmpter aardewerk. Onder de scherven bevinden zich enkele opmerkelijke stukken. Vondst 3.5 is afkomstig uit een kuil in werkput 3 (fig. 8.6d). Het is de fragment van een kogelpotrand met twee inkervingen onder de rand. De inkervingen zijn na het bakproces waarschijnlijk met een mes aangebracht. Eén van de inkervingen heeft de rand volledig doorboord. Wanneer er gekeken wordt naar de diameter van de rand en de afstand van de inkervingen, is het waarschijnlijk dat er een derde inkerving op het ontbrekende fragment van de rand heeft gezeten. Kogelpotten met dit soort inkervingen zijn uitzonderlijk maar komen al voor vanaf de Karolingische tijd. 55
53
Heeren/Besuijen 2010.
54
Van Kerckhove 2007, 86.
55
Verhoeven 1998, 107.
46
Een tweede bijzonder fragment betreft een stuk van een tuitpot van Elmpterwaar (V2.42, fig. 8.6e). Dit fragment is met streekversieringen bij de tuit versierd. Het stuk is afkomstig uit een laag (S2.21) in werkput 2. Deze laag bevat een grote hoeveelheid aardwerk uit allerlei perioden. Het tuitpotfragment kan daardoor ook niet nader gedateerd worden dan tussen 1025 en 1350 na Chr. Een tweede tuitpotfragment van Elmpt-aardewerk (V5.1, fig. 8.6f) kent dezelfde problemen op het gebied van de datering. Dit fragment is afkomstig uit spoor 5.6. Het aardewerk in deze kuil dateert vanaf de Vroege Middeleeuwen tot en met de Late Middeleeuwen. Omdat tuitpotten van Elpterwaar relatief zeldzaam zijn is er voor gekozen beide scherven ter referentie af te beelden. Een aanzienlijk deel van deze scherven is afkomstig uit cultuurlagen of de (sub)recente bouwvoor. Twee cultuurlagen kunnen aan de hand van het aardewerk gedateerd worden in de Volle Middeleeuwen. Het betreft spoor 4 en 21, beide in werkput 2. Spoor 4 ligt op de flank van het rivierduin en spoor 21 aan de voet. De interpretatie als cultuurlaag van dit spoor is daarom enigszins omstreden. Het zou immers ook een erosielaag kunnen zijn die van een hoger gelegen deel van het duin naar beneden is gekomen. Naast cultuurlagen zijn er verschillende sporen in de Volle Middeleeuwen te dateren. Deze zijn weergegeven is bijlage 1.
Spoor 1.26 is een greppel in werkput 1 en deze wordt op basis van het hieruit verzamelde aardewerk gedateerd in de Volle Middeleeuwen. Het materiaal dat hieruit is verzameld dateert tussen 1050 en 1375 na Chr. Wanneer we uitgaan van enige vorm van continuïteit in de bewoning binnen het plangebied zal de datering van de greppel relatief dicht bij die van de ovens liggen. Vermoedelijk moet deze greppel dan ook rond het einde van de 11de eeuw na Chr. worden gedateerd. Van de kuilen uit de Volle Middeleeuwen is vooral spoor 3.6 van belang. Deze kuil wordt gedateerd op de overgang van de Volle naar de Late Middeleeuwen. Hoewel een direct verband tussen de vindplaats in het noordelijk deel van het plangebied en de sporen in werkput 3 niet kan worden aangetoond, vormt de datering van spoor 3.6 een argument om dit verband te veronderstellen. Mogelijk verschuift de bewoning vanaf de Volle Middeleeuwen langzamerhand van de kop van het duin richting de voet. Een laatste kuil die hier wordt uitgelicht is spoor 11.3. Ook deze kuil moet worden gedateerd in de Volle Middeleeuwen. Door deze datering kan de grens van de vindplaats uit werkput 1 worden doorgetrokken naar het westen tot achter werkput 11. Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd Het aardewerk uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd is voornamelijk afkomstig uit het zuidelijk deel van het plangebied.
Dit heeft waarschijnlijk twee oorzaken. Enerzijds concentreren de antropogene sporen zich in het zuiden van het plangebied en anderzijds is dit het laagst gelegen deel van het terrein en zal een deel van het materiaal zich hier als gevolg van erosie hebben opgehoopt. De enige antropogene sporen die met zekerheid in deze periode zijn te dateren, zijn twee greppels, S2.21 en S3.2. Uit dit laatste spoor is een uitgeslagen bodem van een steengoed fles verzameld (fig. 8.6g).
8.3.4
conclusie
In het niet-prehistorisch aardewerk zijn vrijwel alle perioden vanaf de Romeinse tijd vertegenwoordigd. Hoewel het materiaal uit de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen te klein in getal is om een uitspraak te doen over de aard van de vindplaatsen, is duidelijk dat er gedurende deze perioden sprake is van enige vorm van activiteit binnen de grenzen van het plangebied. In de Volle Middeleeuwen neemt de bewoningsintensiteit gezien de hoeveelheid aardewerk uit deze periode, sterk toe. De bewoning concentreert zich in het noordelijke deel van het terrein en lijkt op basis van het aardewerk langzamerhand te verschuiven of uit te breiden richting het zuiden. 47