Bijlage 9: Proefsleuvenonderzoek Oostflank 2012 (ZAN 283)
Tekst van het document
10.000 jaar Wonen en Werken in Wijchen Sporen van nederzettingen en werkplaatsen vanaf het Midden Mesolithicum tot en met de Late Middeleeuwen johan van kampen
met bijdragen van: gerard boreel michail chtcheglov erik drenth laura kooistra afra koopman pawel kubistal jan van renswoude mark van waijjen
Zuidnederlandse Archeologische Notities
283
Amsterdam 2012 VUhbs Archeologie
De serie Zuidnederlandse Archeologische Notities is een uitgave van VUhbs Archeologie
Colofon Opdrachtgever: Project: Plaats documentatie: Objectcode: CIS-code: Coördinaten:
Status: Auteur: Co-Auteurs:
Illustraties:
Autorisatie: Omslagontwerp: ISBN:
Gemeente Wijchen Wijchen-Oostflank VUhbs Archeologie, dependance Beesd WIJ-OF-10 41207 N: 178.470 – 424.240 O: 178.630 – 424.130 Z: 178.570 – 424.040 W: 178.400 – 424.110 Definitief drs. J.C,G. van Kampen drs. G.L. Boreel M.V. Chtcheglov Ba. Drs. E. Drenth Dr. L.I. Kooistra A.A. Koopman Ba. Dr. P.S. Kubistal Drs. M.C.A. van Waijjen Drs. J.C.G. van Kampen Dr. P. Kubistal Drs. M. Magnee B. Rijns drs. M.D.R. Schurmans Bert Brouwenstijn (VU) 978-90-8614-230-9
©VUhbs Amsterdam, oktober 2012. VUhbs Archeologie De Boelelaan 1105 1081 HV Amsterdam
1
inleiding
1
2
vooronderzoek 2.1 Algemeen 2.2 Vooronderzoek binnen het plangebied 2.3 Onderzoek buiten het plangebied
3 3 3 3
3
onderzoek 3.1 Algemeen 3.2 Doel- en vraagstellingen 3.3 Veldwerk 3.3.1 Puttenplan 3.3.2 Meetsysteem 3.3.3 Hoogtemetingen 3.3.4 Vondstverzameling 3.3.5 Grondsporen 3.3.6 Evaluatie 3.3.7 Uitwerking
5 5 5 6 6 8 8 9 11 11 11
4
fysische geografie Gerard Boreel 4.1 Inleiding, vraagstelling en methode 4.2 Achtergrond 4.3 Resultaten 4.4 Conclusie
12 12 12 15 17
5
de vindplaatsen en hun globale datering 5.1 Inleiding 5.2 Vindplaatsen 5.2.1 Mesolithicum 5.2.2 Midden en Laat neolithicum 5.2.3 Bronstijd 5.2.4 IJzertijd 5.2.5 Romeinse tijd/Vroege Middeleeuwen 5.2.6 Ottoonsetijd, Volle en Late middeleeuwen 14 5.3 C-dateringen
18 18 18 18 19 19 20 20 20 22
6
sporen en structuren 6.1 Inleiding 6.2 Conservering van de grondsporen 6.3 Neolithicum 6.4 Bronstijd 6.5 IJzertijd 6.6 Middeleeuwen 6.6.1 Merovingische periode 6.6.2 Karolingische / Ottoonse periode 6.6.3 Volle Middeleeuwen 6.6.4 Late Middeleeuwen
24 24 26 26 27 28 29 29 29 30 30
7
vondsten
31
8
aardewerk 8.1 Neolithisch aardewerk uit de depressie Erik Drenth en Michail Chtcheglov 8.1.1 Inleiding 8.1.2 Methode 8.1.3 Resultaten 8.1.3.1 Intrinsieke eigenschappen en typologie 8.1.3.2 Culturele toewijzing en datering 8.1.3.3 Aard van de vondsten 8.1.3.4 Conclusie en aanbevelingen 8.2 Overig prehistorisch aardewerk 8.3 Niet-prehistorisch aardewerk Afra Koopman en Johan van Kampen 8.3.1 Inleiding 8.3.2 Methode 8.3.3 Resultaten 8.3.4 Conclusie
32 32
9
10
metaal Jan van Renswoude 9.1 Inleiding 9.2 Methode 9.3 Conservering 9.4 Resultaten 9.4.1 vroeg-Romeinse tijd 9.4.2 midden-Romeinse tijd 9.4.3 laat-Romeinse tijd 9.4.4 Late Middeleeuwen 9.4.5 Nieuwe Tijd 9.5 Conclusie en aanbeveling natuursteen Gerard Boreel 10.1 Inleiding, vraagstelling en methode 10.1.1 Inleiding 10.1.2 Vraagstelling 10.1.3 Methode 10.2 Resultaten 10.3 Conclusie
32 32 33 33 39 41 41 42 44 44 44 44 47 48 48 48 49 49 49 49 50 50 52 52 52 52 52 52 53 53 55
11
12
13
vuursteen Paweł Kubistal 11.1 Inleiding 11.2 Methodologie 11.3 Mesolithicum 11.3.1 Algemeen 11.3.2 Grondstofkeuze 11.3.3 Debitagemateriaal 11.3.4 Werktuigen 11.3.5 Verspreiding 11.3.6 Conclusie 11.4 Neolithicum 11.4.1 Inleiding 11.4.2 Enkelgrafcultuur 11.4.3 Vlaardingencultuur 11.4.3.1 Algemeen 11.4.3.2 Grondstofkeuze 11.4.3.3 Debitagemateriaal 11.4.3.4 Kernen 11.4.3.5 Werktuigen 11.4.4 Verspreiding 11.4.5 Conclusie 11.5 Bronstijd 11.5.1 Algemeen 11.5.2 Grondstofkeuze 11.5.3 Artefacten 11.5.4 Verspreiding 11.5.5 Conclusie 11.6 Overige artefacten 11.7 Conclusie en aanbevelingen
56 56 56 57 57 57 58 58 60 61 61 61 61 62 62 62 64 65 66 68 68 69 69 69 69 70 70 71 71
metaalslakken Gerard Boreel 12.1 Inleiding 12.2 Methode 12.3 Achtergrond 12.4 Resultaten 12.5 Conclusie
72 72 72 72 74 78
overige materiaalcategorieën 13.1 Baksteen 13.2 Glas 13.3 Verbrande leem 13.4 Mortel 13.5 Bot
78 78 78 79 79 79
14
archeobotanie 14.1 Inleiding 14.2 Polleninventarisatie 14.2.1 Doelstelling en werkwijze 14.2.2 Resultaten 14.2.3 Conclusie 14.3 Zadenonderzoek 14.3.1 Inleiding 14.3.2 Resultaten 14.3.3 Conclusie 14.4 Houtonderzoek 14.4.1 Methode 14.4.2 Resultaten 14.4.3 Conclusie
80 80 80 80 81 81 82 82 82 82 83 83 83 83
15
vindplaatsen in relatie tot de omgeving 15.1 Inleiding 15.2 Mesolithicum 15.2 Neolithicum 15.3 Middeleeuwen
84 84 84 85 87
16
beantwoording onderzoeksvragen 16.1 Algemene vragen 16.2 Specifieke vragen
88 88 90
17
waardering 17.1 Inleiding 17.2 Waardering vindplaats 1 (Mesolithicum) 17.2.1 Waardering gebaseerd op belevingsaspecten 17.2.2 Waardering gebaseerd op fysieke kwaliteiten 17.2.3 Waardering gebaseerd op inhoudelijke kwaliteiten 17.2.4 Conclusie 17.3 Waardering vindplaats 2 (Neolithicum) 17.3.1 Waardering gebaseerd op belevingsaspecten 17.3.2 Waardering gebaseerd op fysieke kwaliteiten 17.3.3 Waardering gebaseerd op inhoudelijke kwaliteiten 17.3.4 Conclusie 17.4 Waardering vindplaats 3 (Bronstijd) 17.4.1 Waardering gebaseerd op belevingsaspecten 17.4.2 Waardering gebaseerd op fysieke kwaliteiten 17.4.3 Waardering gebaseerd op inhoudelijke kwaliteiten 17.4.4 Conclusie 17.5 Waardering vindplaats 4 (IJzertijd) 17.5.1 Waardering gebaseerd op belevingsaspecten 17.5.2 Waardering gebaseerd op fysieke kwaliteiten 17.5.3 Waardering gebaseerd op inhoudelijke kwaliteiten 17.5.4 Conclusie
91 91 91 91 91 92 93 94 94 94 94 95 96 96 96 96 97 98 98 98 98 99
17.6
17.7
17.8
18
Waardering vindplaats 5 (laat-Romeinse tijd/Vroege Middeleeuwen) 17.6.1 Waardering gebaseerd op belevingsaspecten 17.6.2 Waardering gebaseerd op fysieke kwaliteiten 17.6.3 Waardering gebaseerd op inhoudelijke kwaliteiten 17.6.4 Conclusie Waardering vindplaats 6 (Ottoonse periode) 17.7.1 Waardering gebaseerd op belevingsaspecten 17.7.2 Waardering gebaseerd op fysieke kwaliteiten 17.7.3 Waardering gebaseerd op inhoudelijke kwaliteiten 17.7.4 Conclusie Waardering vindplaats 7 (Volle en Late Middeleeuwen) 17.8.1 Waardering gebaseerd op belevingsaspecten 17.8.2 Waardering gebaseerd op fysieke kwaliteiten 17.8.3 Waardering gebaseerd op inhoudelijke kwaliteiten 17.8.4 Conclusie
besluit
literatuur bijlagen 1 Overzicht archeologische perioden 2 Sporenlijst 3 Vondstenlijst 4 Determinatietabel niet-prehistorisch aardewerk 5 Determinatietabel vuursteen 6 BIAX-rapport botanisch onderzoek
100 100 100 100 101 102 102 102 102 103 104 104 104 104 105 106 107
1
inleiding
In de zomer van 2010 heeft VUhbs (voorheen ACVU-HBS) in opdracht van de gemeente Wijchen een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied Oostflank te Wijchen (fig. 1.1). De gemeente is van plan om dit braakliggend terrein te ontwikkelen en hier een onderkelderd appartementencomplex te bouwen. De bodemverstoring die dit met zich mee brengt zal zeker enkele meters diep gaan en eventueel aanwezige archeologische resten zullen tijdens deze werkzaamheden zeker verstoord worden. Het onderzoek door VUhbs moest uitwijzen in hoeverre de archeologische resten binnen het plangebied nog intact zijn en of deze behoudenswaardig zijn. Voorafgaand aan gravend onderzoek in Nederland vindt er doorgaans eerst een bureauonderzoek plaats. Dit wordt gevolgd door of gecombineerd met één of meerdere booronderzoeken. Doel hiervan is het bepalen van de aan- of afwezigheid van archeologische resten binnen een plangebied. Daarnaast is een tweede doel het bepalen van de mate van verstoring en in hoeverre de sporen en vondsten behoudenswaardig zijn. In het geval van Wijchen-Oostflank is men, op aanraden van directievoerend bedrijf Hazenberg Archeologie uit Leiden, afgestapt van deze methode.
De reden hiervoor is dat de bekende archeologische waarden rondom het plangebied genoeg aanleiding vormen om te vermoeden dat er ook binnen de grenzen van het plangebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Enkele meters ten noorden van het plangebied lag een groot Merovingisch grafveld.1 Hoewel de grenzen hiervan reeds bekend zijn ging men er vanuit dat de bijbehorende bewoningssporen zich onder andere binnen het plangebied bevinden. Naast deze hoge verwachting voor het aantreffen voor resten uit de Vroege Middeleeuwen werd er voorafgaand aan het onderzoek ook rekening gehouden met de aanwezigheid van sporen en vondsten uit alle archeologische tijdvakken vóór deze periode. Direct rondom het plangebied zijn vindplaatsen bekend uit het Mesolithicum, Neolithicum, Bronstijd en de Romeinse tijd. Bekende vindplaatsen uit de IJzertijd liggen iets verder weg, maar er was geen aanleiding om te veronderstellen dat het plangebied in deze periode geheel gevrijwaard is gebleven van menselijke activiteit. Het lag dus voor de hand dat het plangebied een archeologisch rijk terrein was. Na afloop van het onderzoek kan deze aanname bevestigd worden. In de onderzochte delen zijn resten aangetroffen uit verschillende perioden. De oudste vondsten gaan terug tot in het Mesolithicum. Het Midden en Laat Neolithicum is sterk vertegenwoordigd.
Dit komt omdat we in een lager deel van het terrein een deel van een depressie hebben opgegraven die volledig gevuld bleek met vondstmateriaal dat wordt toegeschreven aan de Vlaardingencultuur (3500-2500 voor Chr.). Het complex dat hier in Wijchen is aangesneden, is zeer veelbelovend als het gaat om onze kennis over deze periode. Uit de perioden hierna, de Bronstijd en de IJzertijd, zijn slechts wat losse kuilen gevonden die waarschijnlijk deel uitmaken van nederzettingen waarvan het grootste deel buiten de grenzen van het plangebied ligt. Ook de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen bleken, tegen de verwachting in, niet sterk vertegenwoordigd in de resultaten. In de Volle Middeleeuwen nam de bewoningsintensiteit toe. Met name in het noordelijke deel van de opgraving zijn veel sporen en vondsten uit deze periode aangetroffen. De belangrijkste ontdekking hierbij is de vondst van de resten van kleine ijzerovens geweest in werkput 1. Dit zijn sterke aanwijzingen dat het hier om een productieplaats gaat. Nederzettingen uit deze periode waarbij dergelijk duidelijke resten van ijzerproductie zijn aangetroffen, zijn zeer zeldzaam in dit deel van Nederland en de ontdekking in Wijchen is mogelijk een aanwijzing dat Wijchen ook na haar bloeitijd in de Merovingische periode een belangrijk centrum is gebleven.
1
Heeren/Hazenberg 2010.
1
Samenvattend kunnen we concluderen dat het onderzoek aan de Oostflank een aantal zeer bijzondere en unieke resultaten heeft opgeleverd. Dankzij de inzet van een groot aantal mensen heeft de uitwerking in een zeer kort tijdsbestek plaatsgevonden. Zoals reeds vermeld lag de directievoering in handen van Hazenberg Archeologie. Zij werden hier vertegenwoordigd in de persoon van dr. S. Heeren en bij diens afwezigheid door dr. W. Vos. Zij hebben een belangrijke rol gespeeld in de communicatie tussen de gemeente Wijchen enerzijds en VUhbs anderzijds. Vanuit de gemeente waren bij dit project betrokken: dhr. T. Meijer (projectontwikkelaar), dhr. A. de Kleijn, dhr. M. Dalderup en mevr. E. van der Linden. Daarnaast toonde het college van B en W zich tijdens het veldwerk enthousiast over de voorlopige resultaten. De projectleiding voor het veldwerk en de uitwerking lag in handen van J. van Kampen en J. van Renswoude. In het veld werden zij ondersteund door G. Boreel, V. van den Brink, P. Kubistal, M. Langeveld en J. Schokker. Het uitzetten van de putten voorafgaand van het veldwerk is gedaan door W. Jozen en J. van Ooijen. Na afloop van het veldwerk zijn de veldtekeningen gedigitaliseerd door A. van Eenbergen. De uitwerking van de resultaten is verzorgd door J. van Kampen (ed.), E. Drenth en M. Chechtlov (handgevormd aardewerk), A. Koopman (gedraaid aardewerk), J.
van Renswoude (metaal), G. Boreel (fysische geografie, slakken, natuursteen), P. Kubistal (vuursteen), L. Kooistra en M. van Waijjen (arccheobotanie). De aardewerk- en metaaltekeningen zijn vervaardigd door M. Magnee en het vuursteen is getekend door P. Kubistal.
Fig. 1.1. Wijchen-Oostflank. Locatie van plangebied Oostflank in Wijchen. Inzet: Wijchen in Nederland. (Bron: Alterra)
2
2
vooronderzoek
2.1
algemeen
In het vorige hoofdstuk is al vermeld dat er geen regulier onderzoekstraject is doorlopen voorafgaand aan het archeologisch onderzoek op de Oostflank. Behalve een archeologische waarneming zijn er van het plangebied geen archeologische gegevens bekend. In dit hoofdstuk zullen, naast de resultaten van de waarneming, enkele archeologische onderzoeken uit de directe omgeving van het plangebied worden besproken. In Wijchen is de laatste jaren veel onderzoek verricht op het gebied van archeologie en het voert dan ook te ver om alle onderzoeken te bespreken. Er is daarom gekozen om de resultaten van de onderzoeken te bespreken die direct relevant zijn voor het onderhavig onderzoek.
2.2
vooronderzoek binnen het plangebied
Het plangebied is nooit onderwerp geweest van een regulier archeologisch onderzoek. Wel is er, in de tijd dat het plangebied braak lag, een veldkartering uitgevoerd door dhr. L. Flokstra. De vondsten die hij hierbij heeft verzameld, heeft hij overgedragen aan VUhbs. Ook zou er nog een waarneming zijn uitgevoerd in het noorden van het plangebied.2 Hiervan is echter geen documentatie beschikbaar.
2.3
onderzoek buiten het plangebied
Het PvE maakt melding van een aantal onderzoeken, hoofdzakelijk klein van aard, die in de directe omgeving van het plangebied zijn uitgevoerd. Hierin wordt voornamelijk ingegaan op de theoretische mogelijkheid dat er archeologische sporen en vondsten in het plangebied aanwezig zijn.3 Hieruit komt naar voren dat met uitzondering van de verstoorde delen de bodemopbouw nog intact lijkt te zijn. Dit impliceert dat cultuurlagen en verschillende sporenniveaus nog bewaard kunnen zijn gebleven. Er is echter geen enkel onderzoek beschikbaar dat dit kan bevestigen. In de eerste instantie voorzag het PvE vooral in methoden en vragen die betrekking hadden op de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen.4 Deze perioden zijn dan ook sterk vertegenwoordigd rondom het plangebied. Even ten westen lag een Romeinse villa en enkele tientallen meters naar het oosten lag een laat-Romeins grafveld.5 Daarnaast lag op een kleine 200 meter ten noordwesten van het plangebied het Merovingisch grafveld van Wijchen. Hoewel deze vindplaatsen in de toekomst nog van groot belang kunnen zijn voor archeologisch onderzoek op de Oostflank zijn ze voor het onderhavig rapport van minder grote waarde gebleken. Het aandeel sporen en vondsten uit de Romeinse en Merovingische periode is namelijk gering. Belangrijker voor dit onderzoek is de opgraving uit 2007 aan de Oosterweg.
Deze opgraving ligt een paar honderd meter ten oosten van het plangebied. Hier zijn onder andere de resten opgegraven van een nederzetting uit het Neolithicum.6 Hoewel sporen uit deze periode ontbreken is er een relatief groot aantal scherven en vuursteen verzameld dat wordt toegeschreven aan de Vlaardingen-cultuur. Het materiaal is vrijwel uitsluitend afkomstig van één locatie; een ondiepe depressie waarin naast aardewerk en vuursteen ook nog wat bot bewaard is gebleven. Een nauwkeuriger datering dan Vlaardin2
Mondelinge mededeling M. Dalderup (gem. Wijchen).
3
Heeren/Besuijen 2010, 3-5.
4
Heeren/Besuijen 2010.
5
Heeren/Besuijen 2010, 4.
6
De Koning 2010.
3
gen kon helaas niet worden verkregen.7 Hoewel het vondstmateriaal en de overige gegevens van het onderzoek aan de Oosterweg nauwgezet zijn geanalyseerd, konden er geen uitspraken gedaan worden over de omvang van de bijbehorende nederzetting. Tijdens het onderzoek aan de Oostflank is eveneens een vindplaats aangesneden die op basis van het vondstmateriaal wordt toegeschreven aan de Vlaardingencultuur. Daarnaast heeft de AWN even ten noordwesten van het plangebied op De Markt tijdens een begeleiding ook een grote hoeveelheid materiaal van dezelfde cultuurgroep verzameld.8 In hoofdstuk 15 zal worden getracht een completer beeld van het Neolithicum omstreeks 3000 voor Chr. te schetsen. Figuur 2.1 geeft het uitgevoerde onderzoek en de al dan niet daaraan gekoppelde waarnemingen rondom het plangebied weer. Hierin valt op dat de onderzoeken veelal klein van aard zijn. Het betreft vooral begeleidingen van rioleringswerkzaamheden en proefsleuven. De grotere onderzoeken op dit overzicht hebben betrekking op bureau- of booronderzoek.
Fig. 2.1. Wijchen-Oostflank. Overzicht van het plangebied en de daaromheen uitgevoerde onderzoeken en waarnemingen (Bron: ARCHISII).
7
De Koning 2012,182.
8
Tuijn 1991, 28-30.
4
3
onderzoek
3.1
algemeen
Het gravend onderzoek is uitgevoerd tussen 10 en 28 juni 2010. Deze periode was bijzonder warm en droog waardoor de werkbaarheid binnen het plangebied sterk werd bemoeilijkt. Er was gedurende de dag nauwelijks schaduw waardoor de toch al droge ondergrond nog sneller uitdroogde. Vanwege de aard van het stuifduin werd het vlak doordat het zo snel uitdroogde bij een beetje wind al bedekt onder een dunne laag stuifzand. Het PvE schreef in eerste instantie voor dat de werkputten niet dichtgedraaid hoefden te worden. De werkputten waren echter vrij diep. Wanneer de putten open zouden blijven liggen vormde dit een mogelijk gevaar voor de veiligheid. Daarbij zijn niet alle sporen afgewerkt. Het niet dichtdraaien van de putten zou betekenen dat deze sporen hoogstwaarschijnlijk verstoord zouden worden. In overleg met de directievoerder is daarom besloten om de werkputten toch dicht te maken.
3.2
doel- en vraagstellingen
Het Programma van Eisen is opgesteld door dr. S. Heeren van Hazenberg Archeologie. Omdat het nog niet duidelijk was wat de aard en conservering van de archeologische waarden binnen het plangebied waren is de insteek van het onderzoek in eerste instantie inventariserend en waarderend. Het heeft tot doel de aanwezige archeologische resten binnen het plangebied te inventariseren. Een tweede doel is het waarderen van de archeologische waarden om aan de hand van de waardering een advies op te stellen voor de verder te nemen stappen. Hoewel het onderzoek aan de Oostflank onder de term inventariserend veldonderzoek valt, is het grotendeels uitgevoerd als een opgraving. Het PvE omschrijft het onderzoek als een ‘grondig proefsleuvenonderzoek’.9 In de praktijk betekent dit dat in plaats van het couperen van een kleine selectie sporen ten behoeve van een waardering, nu alle sporen gecoupeerd en afgewerkt moesten worden. De reden hiervoor ligt in het gegeven dat het plangebied op een stuifduin ligt. In de perioden waarbij het duin niet begroeid of bewoond was had de wind vrij spel. Hierdoor vond verstuiving van het zand plaats en raakten sporen en vondsten van nederzettingen uit voorgaande perioden bedekt. Bewoning in latere perioden vond plaats op deze stuiflagen. De vindplaatsen uit de verschillende perioden kunnen dus door stuiflagen stratigrafisch van elkaar gescheiden zijn.
Wanneer het proefsleuvenonderzoek alleen de jongste bewoning zou vaststellen is het niet mogelijk een goede inschatting te maken voor de uitvoering, de uitwerking en de kosten van het vervolgonderzoek. Om dit te voorkomen is in het PvE bepaald dat, wanneer het vermoeden voor een complexere stratigrafie bestond, de sporen op het hoogste vlak volledig gedocumenteerd, dat wil zeggen gecoupeerd, getekend en afgewerkt, moesten worden. In een enkel geval is van deze werkwijze afgeweken. In het geval van werkputten 5, 11, 12 en 13 liet de logistieke situatie de aanleg van een tweede vlak niet toe. De beschikbare ruimte voor het in depot zetten van het stort was te beperkt. In werkput 7 is na overleg met de directievoerder besloten geen tweede vlak aan te leggen omdat enerzijds de stratigrafische situatie duidelijk was; onder het sporenvlak ligt een oudere laag uit het Mesolithicum. Anderzijds maken de sporen in werkput 7 zeker deel uit maken van meerdere structuren. Deze kunnen pas worden herkend wanneer er een grotere oppervlakte kan worden aangelegd. In dit geval zou dat pas zijn bij een eventueel vervolgonderzoek. Daarnaast zou bij het couperen van de sporen de onderliggende mesolithische vindplaats verloren gaan.
9
Heeren/Besuijen, 4.
5
In de overige putten is, wanneer het archeologisch relevant was na het couperen en afwerken, een tweede vlak aangelegd. Ondanks dat het veldwerk dus meer het karakter had van een opgraving, zijn de onderzoeksvragen in het PvE louter waarderend van aard. In totaal zijn er tien onderzoeksvragen opgesteld. Deze zijn weergegeven in hoofdstuk 10 waar ze, voor zo ver mogelijk, zullen worden beantwoord.
3.3
veldwerk
3.3.1
puttenplan
De globale locatie van de werkputten was vastgelegd in het PvE.10 Het puttenplan is zo opgesteld dat er bijna 13 procent van het ca. 1.76 ha grote plangebied onderzocht zou worden. (fig. 3.1) Daarnaast zijn de werkputten zo gepland dat er zowel een noordzuid- als een oostwestprofiel gedocumenteerd kon worden van het gehele onderzoeksgebied.
Fig. 3.1. Wijchen-Oostflank. Projectie van het oorspronkelijke puttenplan op de kadastrale ondergrond. (Bron: Heeren 2010, 8).
10
Heeren/Besuijen, 8.
6
Op het oorspronkelijke puttenplan is tijdens een opstartoverleg al een aanpassing gemaakt. Het betrof de werkputten die in het PvE zijn weergegeven als werkput 1 en 8.11 Deze putten lagen onder monumentale bomen rondom het parkeerterrein in het noordwesten van het plangebied. Deze bomen mochten niet worden gekapt en de graafwerkzaamheden mochten niet binnen de straal van de kruin plaatsvinden. Hierdoor zijn de werkputten opgedeeld in kleinere putjes die tussen de bomen gepland zijn. Ook tijdens het veldwerk zijn er in overleg met de directievoerder nog enkele aanpassingen geweest op het oorspronkelijke puttenplan. Deze aanpassingen werden vooral geïnstigeerd door de toegankelijk heid van de locaties. Op de locatie van de oorspronkelijke werkput 7 stond nog een drietal bomen en lag nog bestrating. Deze put is komen te vervallen. Daarnaast bleek de beschikbare ruimte in werkput 4 een stuk beperkter dan was aangegeven in het oorspronkelijke puttenplan. Deze werkput is daarom ingekort. Verder zijn er veranderingen in het puttenplan doorgevoerd ter hoogte van de locatie waar voorheen een schoolgebouw stond. Tijdens het veldwerk bleek dat de bouw- en sloopwerkzaamheden die hier hebben plaatsgehad de bodem zover verstoord hadden dat er geen archeologische waarden konden worden aangetroffen.
Op basis van die bevindingen is het puttenplan aangepast zodat het plangebied in de beschikbare ruimte rondom de verstoring, dat wil zeggen de ruimte die niet bestraat of begroeid was, onderzocht kon worden.
Fig. 3.2. Wijchen-Oostflank. Projectie van het uiteindelijke puttenplan op de kadastrale ondergrond. (Bron: gemeente Wijchen.)
11
Tijdens het veldwerk is van de nummering in het PvE afgeweken en zijn de werkputnummers uitgedeeld al naar gelang de
volgorde van aanleggen. Tenzij anders vermeld wordt deze nummering weergegeven in dit rapport.
7
De hierboven genoemde aanpassingen hebben een puttenplan opgeleverd dat is weergegeven in fig. 3.2. Uiteindelijk is er slechts 1607 m2 van het terrein onderzocht. Dit komt neer op ca. 9 % van het gehele plangebied. In verschillende werkputten zijn meerdere vlakken aangelegd. Daarom is de oppervlakte van het werkelijk onderzochte terrein groter dan 1607 m2. De uiteindelijk gedocumenteerde oppervlakte bedraagt 2577 m2. De breedte van de werkputten was in alle putten 5 meter met uitzondering van werkput 4 en 5. De lengte varieert van 7.5 tot 50 m. In tabel 3.1 zijn de oppervlaktes van iedere werkput per vlak weergegeven. Werkput
Vlak 1
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 Totaal
Vlak 2
Vlak 3
175 235 110 28 28 55 215 217 245 183 37 41 38
177 102 75 31
167
215 119
33
1607
770
200
51
Tabel 3.1. Wijchen-Oostflank. Overzicht van het aantal m2 per vlak per werkput.
3.3.2
meetsysteem
Deze situatie is voorafgaand aan het veldwerk in een lokaal meetsysteem geplaatst in AutoCad. Vervolgens zijn de werkputten uitgezet met behulp van een Total Station. Hierbij is aan iedere korte zijde van de werkput een buis op 1 of 2 meter buiten de putrand geplaatst. Na de aanleg van het vlak is er een lint gespannen tussen de buizen en is het meetsysteem in de put gebracht. Daarnaast zijn er op verschillende punten in het terrein buizen geplaatst met de coördinaten van het lokale meetsysteem. Een aantal van deze buizen was ook voorzien van een Z-waarde ten behoeve van de hoogtemetingen. De veranderingen in het puttenplan die tijdens het veldwerk hebben plaatsgevonden zijn ingemeten aan de hand van de vooraf uitgezette buizen van het lokale meetsysteem.
3.3.3
hoogtemetingen
Van iedere werkput en van ieder vlak zijn de hoogtes gedocumenteerd. Hierbij zijn de vlakhoogtes om de 5 meter op één raai gemeten. Daarnaast zijn van die putten waar geen lengteprofiel is getekend ook de maaiveldhoogtes om de 5 meter gedocumenteerd. In tabel 3.2 zijn de gemiddelde vlakhoogtes per werkput weergegeven.
8
Werkput
Vlak 1
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
8.15 H8.35 7.35 9.95 7.85 8.40 9.35 H8.30 H8.30 8.25 8.90 8.21 8.40
Vlak 2
L6.90
Vlak 3
7.95 H7.05 7.05 8.25
7.75 L6.05
8.20 L7.40 L7.00
H7.60 6.80
L6.80
6.30
Tabel 3.2. Wijchen-Oostflank. Weergave van de gemiddelde vlakhoogtes per vlak en per werkput.12
3.3.4
vondstverzameling
reguliere vondstverzameling
In een gebied als de Oostflank waar op een klein gebied een groot aantal archeologische perioden is vertegenwoordigd, is het zeer belangrijk dat de vondstverzameling uit sporen en lagen correct gebeurt. De herkomst van een vondst binnen een spoor is leidend voor de interpretatie van de vondst als dateringsmiddel voor het spoor. Vondsten kunnen op allerlei wijzen in sporen terecht komen. Wanneer een vondst uit de nazakking van een spoor komt, betekent dat het spoor geruime tijd voor de datering van de vondst in gebruik is geweest. Een scherf uit de vulling van een spoor wijst op een datering van het spoor kort voor de datering van de scherf. Een scherf uit een de vulling van een ouder spoor kan echter ook door opspit in een spoor terecht zijn gekomen. Hierbij is een oudere laag of een ouder spoor vergraven tijdens het graven van het spoor waarin de scherf gevonden is. Daarnaast kan het spoor gevuld zijn met zwerfvuil uit oudere perioden. Om deze reden zijn de aanlegvondsten zo goed mogelijk aan lagen of sporen gekoppeld. Wanneer vondsten in lagen werden gevonden, zijn ze in vakken van 5 bij 5 m verzameld. De vondsten uit sporen zijn zowel tijdens de aanleg als tijdens het couperen en afwerken aan het spoor en de juiste laag in het spoor toegeschreven.
zeefvakken Naast de hierboven beschreven manier van verzamelen zijn er op enkele plaatsen aanpassingen op deze methode in de vorm van zeefvakken doorgevoerd. Dit is gebeurd in werkput 2, 7, 8 en 9. Hoewel naar aanleiding van de nota van inlichtingen een stelpost is gecreëerd voor zeefvakken, is de te hanteren methode niet omschreven in het PvE noch in de aanvulling hierop. In overleg met de directievoerder en het bevoegd gezag is daarom besloten om te zeven wanneer er sprake was van meer dan vijf vuursteenvondsten per vierkante meter. Dit was het geval in werkput 2. Over de hier aangetroffen vuursteenconcentratie is een grid uitgezet van vakken van 50 bij 50 cm (fig. 3.3). Binnen dit grid zijn twee raaien uitgezet waarbij de vakken telkens 50 cm uit elkaar lagen. Raai 1 is noordzuid over de concen-
12
Omdat het terrein in hoogte sterk verschilt is er bij sommige putten voor gekozen om het hoogste en het laagste niveau
weer te geven. Deze waarden zijn gemarkeerd met respectievelijk een H of een L.
9
tratie uitgezet en raai 2 staat hier haaks op. Van deze vakken zijn telkens lagen van 5 cm dik gezeefd met behulp van een schudzeef. Wanneer twee opeenvolgende lagen vrij waren van vondsten is gestopt met zeven. In de werkputten 7, 8 en 9 is gezien hun nabijheid tot de concentratie in werkput 2 een klein aantal vakken gezeefd. Deze hadden alleen tot doel het begrenzen van de vindplaatsen uit de steentijd. Er is in overleg met de directievoering besloten om deze werkwijze te staken omdat ieder vak een aanzienlijke hoeveelheid materiaal bevatte en het niet mogelijk bleek om de vindplaats te begrenzen omdat deze waarschijnlijk de gehele flank bestrijkt.
Fig. 3.3 Wijchen-Oostflank. Uitsnede van het puttenplan met daar op de locatie van de zeefvakken in rood.
depressie De methode van vondstverzameling in de depressie in werkput 9 is weer anders. Hier zijn 7 vakken uitgezet van 1.5 x 2.5 meter. In deze eenheden is het materiaal verzameld tijdens de aanleg van het profiel. Hierdoor is het materiaal dat is verzameld, gekoppeld aan twee lagen. Tijdens het documente10
ren van het profiel bleek dat er meerdere vullingslagen in de depressie aanwezig zijn. Tijdens de aanleg van het profiel kon dit uiteraard nog niet worden vastgesteld. Vanwege de aard van het onderzoek kon er niet nog een deel van de depressie worden opgegraven waarbij de verworven kennis van de opbouw van de depressie benut kon worden. Wanneer er een vervolgonderzoek wordt uitgevoerd dient de stratigrafie, zoals deze is weergegeven in het profiel van de depressie, nauwkeurig in de gaten te worden gehouden. Op die manier kan het materiaal nog beter worden verzameld.
3.3.5
grondsporen
Ook hier zijn in verschillende putten andere werkwijzen gehanteerd. De wijze van documenteren is echter overal gelijk. De spoorvlakken zijn getekend op millimeterpapier op een schaal van 1:50. De sporen zijn gecoupeerd, getekend op schaal 1:20 en indien nodig gefotografeerd. Wanneer de interpretatie van het spoor op basis van de coupe veranderde werd de coupe ingemeten en indien nodig werd het spoor aangepast op de vlaktekening. Deze werkwijze is ook gehanteerd bij oversnijdende sporen. Wanneer er een tweede of zelfs derde vlak moest worden aangelegd, werden alle antropogene sporen handmatig afgewerkt. Uitzondering hierop vormen de greppels. Deze zijn tijdens het verdiepen machinaal afgewerkt. Hierbij zijn de vondsten verzameld in segmenten van 5 m lang. Wanneer uit profielopnames duidelijk was dat er geen extra vlak moest worden aangelegd, is volstaan met het couperen en documenteren van enkele sporen ten einde een waardering te kunnen geven. Deze sporen zijn niet afgewerkt.
3.3.6
evaluatie
Na afloop van het veldwerk is er een beknopt evaluatierapport opgesteld met daarin een advies over de uitwerking van het onderzoek. De aanbevelingen en voorstellen zijn door de opdrachtgever overgenomen. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat niet alle gegevens ten tijde van het schrijven van de evaluatie beschikbaar waren. Daarom zijn in de begroting telkens stelposten opgenomen voor een aantal deelonderzoeken. De gunning van de offerte zoals deze is opgesteld is dan ook uitsluitend voor de aantallen zoals deze zijn weergegeven bij de stelposten. In het evaluatierapport staat expliciet vermeld dat de aantallen bij de stelposten voorstellen zijn en dat deze nog gewijzigd kunnen worden. Er heeft echter geen overleg meer plaatsgevonden naar aanleiding van het evaluatierapport waardoor het aantal deelonderzoeken als 14C-datering hetzelfde is gebleven. Voortschrijdend inzicht leerde echter dat het zinvol was geweest om in sommige gevallen hogere aantallen bij de stelposten te hanteren om op deze manier een gedetailleerder beeld te krijgen van de verschillende vindplaatsen. Misschien bestaat er in de toekomst nog een mogelijkheid om deze onderzoeken alsnog uit te voeren.
3.3.7
uitwerking
Voor de uitwerking van de resultaten van het veldwerk zijn alle vondsten gewaardeerd. De resultaten hiervan zijn weergegeven in hoofdstuk 7. Naast de waardering en datering van het materiaal is aardewerk uit de depressie ook geanalyseerd. Dit is gedaan omdat het hier een bijzonder mooi complex betreft. De analyse van het vondstmateriaal in dit stadium van het archeologisch traject is van nut voor de strategische keuzes bij een eventueel vervolg onderzoek. Omdat er noch op basis van de stratigrafie, noch de kleur van de sporen uitspraken gedaan kunnen worden over de datering van de sporen, is de datering van het vondstmateriaal leidend geweest voor de datering van de sporen en de vindplaatsen. Hierbij zijn de context van de vondsten en de formatieprocessen van sporen nauwlettend in de gaten gehouden. Hierbij bleek het helaas niet mogelijk om opspit van andere vondsten te onderscheiden. Wanneer er slechts een beperkte oppervlakte gedo11
cumenteerd kan worden, zoals het geval is bij proefsleuven, is het erg lastig om structuren te identificeren. De inhoud van de sporen die onderdeel uitmaken van een structuur vormt een indicatie voor de datering van de gehele structuur. Afwijkingen hierop door de aanwezigheid van veel ouder materiaal maken een interpretatie als opspit mogelijk. Vanwege het algehele gebrek aan structuren is het voor dit onderzoek niet mogelijk gebleken het opspitvondsten te onderscheiden van vondsten uit de gebruiksperiode van het spoor. De datering van de sporen op basis van de vondsten moet dus met enige voorzichtigheid benaderd worden.
4
fysische geografie
Gerard Boreel
4.1
inleiding, vraagstelling en methode
Tijdens het archeologisch proefsleuvenonderzoek in het plangebied Wijchen Oostflank is fysisch geografisch onderzoek uitgevoerd teneinde inzicht te verwerven in de landschappelijke context van de vindplaats. Het voor dit onderzoek geschreven PvE formuleert een aantal vragen met betrekking tot de fysische geografie:13 -Hoe is de gaafheid (conservering) van de sporen? Wat is de aard van eventuele verstoringen? -Is er sprake van stratigrafisch gescheiden sporenniveaus? Wat is de aard en de datering van de diverse sporenniveaus en wat is hun begrenzing in het verticale en horizontale vlak? -Wat is de onderlinge relatie tussen de aangetroffen resten, de vastgestelde stratigrafie, de bodemgesteldheid en het landschap (geomorfologie en reliëf)? -Is er een relatie tussen de landschappelijke ligging (geomorfologie, reliëf en bodem) en de conservering van de archeologische resten? Om tot beantwoording te komen van deze vragen zijn in totaal vijf profielen aangelegd in de werkputten 1, 2, 3, 4 en 9.
De profielen zijn allen met de hand opgeschaafd en beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB), die gebaseerd is op NEN5104.14 Naast lithologische en bodemkundige aspecten is in het bijzonder aandacht besteed aan het wel of niet voorkomen van archeologische indicatoren als houtskool, verbrande klei/leem, aardewerk, (on)verbrand bot, natuursteen, fosfaatvlekken en baksteen en andere niet-natuurlijke insluitsels. Documentatie in het veld heeft plaatsgevonden op tekenfolie. Naderhand zijn de lange profielen gedigitaliseerd. Deze zijn weergegeven in figuur 4.1.
4.2
achtergrond
De belangrijkste landschappelijke ontwikkelingen hebben zich voor Wijchen Oostflank voorgedaan in het laatste deel van de laatste ijstijd, het Weichselien (90.000 tot 10.000 jaar geleden) en het Holoceen (10.000 tot heden).15 Gedurende het Weichselien bereikte het landijs Nederland niet, maar maakte het deel uit van een poolwoestijn. De rivieren Rijn en Maas stroomden hier in brede riviervlaktes als verwilderde rivieren doorheen. De grove afzettingen hiervan worden gerekend tot de Formatie van Kref-
13
Heeren/Besuijen, 7.
14
Bosch 2007 en Nederlands Normalisatie Instituut 1989.
15
Berendsen 2008, 181-310.
12
N
Fig. 4.1. Wijchen-Oostflank.Weergave lengteprofielen. a profiel werkput 2, P27, b profiel werkput 9, P13; c profiel werkput 1, P48; d profiel werkput 3, P27; e profiel werkput 4, P6. Schaal horizontaal: 1:100, verticaal 1:50.
P2.27
8.00
8.00
Z
P9.13
7.00
7.00
6.00
6.00
N 9.00
9.00
Z
8.00
7.00
8.00
7.00
S9.46
erosieve overgang
P1.48
W O
9.00
9.00
primitieve pleistocene oeverwal cultuurlaag/ophoging middeleeuwen-nieuwe tijd geerodeerde cultuurlaag Mesolithicum
8.00
8.00
cultuurlaag Midden-Neolithicum zandige klei, oeverafzetting gemengde laag, colluvium
S1.132
7.00
7.00
(sub)recent sporen (br)gr ZS2 glbr Zs1 stuifzand glbr Zs1 stuifzand
W
P3.27 8.00
O
P4.6 8.00
BC-horizont
N
Z
9.00
9.00
8.00
8.00
cultuurlaag vroege middeleeuwen-volle middeleeuwen grbr Zs1-Zs2, rivierduin glbr Zs1; stuifzand met banden B, cultuurlaag Midden-Neolithicum - bronstijd
7.00
7.00
tenheye. Het terras dat tijdens de koudste periode van het Weichselien wordt gevormd, het Pleniglaciaal, wordt gerekend tot Kreftenheye 5 en wordt ook het Laagterras genoemd. In het wat warmere Bølling/Allerød-interstadiaal transformeren de verwilderde rivieren naar zich insnijdende meanderende rivieren. Hierbij worden primitieve oeverwallen opgeworpen en wordt tijdens hoogwater een zandige klei afgezet, die op veel plekken is terug te vinden op het Laagterras. Deze laag wordt de Laag van Wijchen genoemd. In het Jonge Dryas vindt een terugval plaats van het klimaat en wordt het kouder. Door toenemende piekafvoeren en sedimentlast veranderen de rivieren weer terug in een verwilderd patroon. De oude diepe geulen worden uitgeruimd en een nieuwe, maar lager gelegen brede riviervlakte ontstaat. Dit niveau, of terras wordt gerekend tot Kreftenheye 5 en Terras X genoemd. De riviervlakte staat in deze droge en koude periode echter regelmatig droog. De sterke zuidwesten winden nemen hieruit veel zand op en zetten dit aan de noordoostelijke randen van de riviervlakte af op het wat hoger gelegen Laagterras, over de Laag van Wijchen. Het huidige Wijchen is ontstaan op de top van een dergelijk rivierduin. Wijchen Oostflank is gelegen op de zuidoostelijke uitloper van een duinrug van dit rivierduin (figuur 4.2).
Fig. 4.2. Wijchen-Oostflank. Uitsnede van de archeologische verwachtingskaart ter hoogte van het plangebied met daarop de fysisch geografische situatie. Het plangebied is gemarkeerd met de pijl. (Bron: Goossens/Flokstra 2008, Kaartbijlage 1)
13
Met het warmer worden van het klimaat vanaf het begin van het Holoceen, gaan de rivieren weer meanderen en insnijden. De Maas speelt daarbij voor de ontwikkeling van Wijchen een grote rol. De rivier ligt ten zuiden van het uitgebreide rivierduincomplex en waarschijnlijk al vanaf het Vroeg Holoceen op de plek waar deze nu ligt. Eerst snijdt de Maas zich in en pas vanaf ca. 3000 voor Chr. begint deze te accumuleren en een meandergordel op te bouwen. Ongeveer vanaf diezelfde periode wordt in de directe nabijheid van Wijchen een nevengeul van de Maas actief, het Wijchens Maasje (3578 - 1715 voor Chr.).16 Hoewel het Wijchens Maasje dus al in de Bronstijd begint te verlanden, blijft deze open liggen gedurende de Romeinse tijd. Zelfs nu nog vormt het Wijchens Meer een niet volledig opgevulde restgeul van het Wijchens Maasje. Het meest zuidelijke deel van het plangebied Oostflank vormt een deel van de riviervlakte van het Wijchens Maasje, het pleistocene rivierduin is hier door het water aangesneden en ondermijnd.
Fig. 4.3. Wijchen-Oostflank. Weergave van de geologisch/geomorfologische interpretatie van de resultaten van het fysisch geografisch onderzoek op Wijchen Oostflank.
16
Berendsen/Stouthamer 2001, addendum 4.
14
4.3
resultaten
Figuur 4.3 geeft een geologisch/geomorfologische interpretatie van de resultaten van het fysisch geografisch onderzoek op Wijchen Oostflank. Het landschap van het plangebied Oostflank kent een belangrijke tweedeling, die is ontstaan doordat het water van het Wijchens Maasje het pleistocene rivierduin heeft aangesneden en ondermijnd. Het meest zuidelijke deel van het terrein wordt gevormd door herafgezet eolisch en pleistoceen materiaal, afgezet tijdens hoog water van de Maas. In werkput 3 was in dit pakket een gelaagdheid te herkennen van zwak siltig zand en iets kleiiger zand (fig. 4.4a). Tijdens hoog water heeft ook insnijding plaats gevonden. Deze insnijding is het best te herkennen in het profiel door werkput 9. De bodem van deze hoogwatergeul is niet bereikt, maar wel konden de (zwarte en zandige) venige opvullingen van de restgeul grotendeels onderzocht worden (fig.4.4b). Deze restgeul zal in het Neolithicum als een natte depressie in het landschap zichtbaar zijn geweest. In de venige lagen van de depressie, vooral in S9.46, is een enorme hoeveelheid neolithisch materiaal gevonden, wat vanaf ca. 3400 voor Chr. is te dateren (zie hoofdstuk 6 en 8 ). Kennelijk is de geul ongeveer gelijktijdig ontstaan met het Wijchens Maasje zelf en hebben zich mensen meteen na het ontstaan ervan gevestigd langs het water.
De neolithische geul heeft de pleistocene ondergrond van het Laagterras versneden. In het profiel van werkput 9 werd in het meest zuidelijke deel een restant van een primitieve oeverwal aangetroffen, die moet zijn gevormd tijdens het Bølling/Allerød-interstadiaal. Meer noordelijk gaat de zandige oeverwal over in de lemige Laag van Wijchen. Nadat het rivierduin was aangesneden en ondermijnd door de hoogwatergeul van het Wijchens Maasje is door een combinatie van hellingprocessen, verstuiving en zo nu en dan een overstroming de nieuwe zuidelijke flank van het rivierduin geërodeerd en afgezet over de fluviatiele afzettingen. Dit colluviaal pakket is herkend in de werkputten 2 en 9. Als de geul begint te verlanden vormt zich in de top van dit colluviaal pakket een cultuurlaag en in de geul wordt zandig veen afgezet. Resten van deze midden-neolithische cultuurlaag zijn waargenomen in de werkputten 2 en 9, maar ook in de zuidelijke delen van de werkputten 7 en 8. In werkput 9 gaat de cultuurlaag over in de vondstlaag in de restgeul. Gedurende het Neolithicum verandert de situatie op Wijchen Oostflank drastisch. Mogelijk als gevolg van een te intensief gebruik van het landschap, begint het te verstuiven en worden delen geërodeerd. In werkput 2 is aangetoond dat een deel van het hoger gelegen duin is geërodeerd en opnieuw afgezet tegen de zuidelijke flank ervan.
In het zuidelijke deel van werkput 7 wordt een mesolithische vindplaats gesitueerd, op basis van vondsten in de BC-horizont, die hier onder de neolithische cultuurlaag is aangetroffen. Vuursteen dat aan deze vindplaats wordt toegeschreven is echter ook teruggevonden in een laag (S2.13) boven de neolithische cultuurlaag (S2.24) in het lager gelegen noordelijke deel van werkput 2 (fig. 4.5a/b). Hieruit blijkt dat erosie moet hebben plaatsgevonden gedurende of na het Neolithicum. Dat dit al gedurende het Neolithicum is geweest blijkt uit de vondsten die komen uit de lagen boven de cultuurlaag. In het uiterste noorden van werkput 9 en in de werkputten 8 en 10 is vastgesteld dat een gelaagd pakket is opgestoven over de neolithische cultuurlaag (fig. 4.4c) in dit gelaagd pakket bevinden zich vondsten uit het Neolithicum tot in de Bronstijd. In de flanken van dit pakket is te zien dat ook gedurende het opstuiven gewoon geakkerd is. In een jongere periode is er een bandenB-horizont in ontstaan. Meer noordelijk heeft meer erosie plaats gevonden. In de werkputten 4, 8, 11 en 13 is vastgesteld dat de oudste neolithische cultuurlaag is verstoven, terwijl hier tijdens de jongere periode een duin is opgestoven. Ook hierin zijn enkele fragmenten aardewerk gevonden en heeft zich later een banden-B-horizont gevormd (fig. 4.4d).
Het stuifzand strekt zich echter over het gehele rivierduin binnen het plangebied uit. Ook in werkput 1 is te zien dat een deel van het pleistocene rivierduin geërodeerd is geweest, waarna het is afgedekt door herverstoven zand (fig. 4.4e). De neolithische cultuurlagen zijn, vooral in het noordelijk deel van het plangebied, opgenomen in de cultuurlagen uit jongere perioden. Deze zullen vooral zijn gevormd in de Middeleeuwen, de eerste periode waaruit weer sporen herkend zijn op het terrein.
15
Fig. 4.4. Wijchen-Oostflank. Foto’s van de in de tekst besproken profielen. A profiel werkput 3; B profiel werkput 9 ter hoogte van de depressie; C profiel van het zeefvak in werkput 9 waarbij zichtbaar is dat het gelaagde pakket over de neolithische cultuurlaag ligt; D profiel werkput 4; E profiel werkput 1.
16
A
B
Fig. 4.5. Wijchen-Oostflank. A detail van de zeefvakken ter hoogte van de vuursteenconcentratie in werkput 2; B reconstructie van het bodemprofiel ter hoogte van de vuursteenconcentratie in werkput 2. Schaal 1:100.
4.4
conclusie
Tijdens het archeologisch proefsleuvenonderzoek in het plangebied Wijchen Oostflank is fysisch geografisch onderzoek uitgevoerd teneinde inzicht te verwerven in de landschappelijke context van de vindplaats. Hiertoe zijn in het PvE een aantal vragen geformuleerd, die hieronder beknopt zullen worden beantwoord: -Hoe is de gaafheid (conservering) van de sporen? Wat is de aard van eventuele verstoringen? Het onderzoek aan de fysische geografie heeft niet heel veel kunnen bijdragen aan de beantwoording van deze vragen, anders dan het archeologisch onderzoek reeds heeft vast gesteld. Wel is duidelijk geworden dat erosie heeft plaats gevonden van de zuidelijke flank van het rivierduin, waardoor een mesolithische vindplaats en een deel van de neolithische cultuurlagen gedeeltelijk is/zijn geërodeerd. Ook is zijn de neolithische cultuurlagen óp het rivierduin niet overal bewaard gebleven. Dit is echter het gevolg van erosie, die al in het Neolithicum zelf heeft plaats gevonden.
-Is er sprake van stratigrafisch gescheiden sporenniveaus? Wat is de aard en de datering van de diverse sporenniveaus en wat is hun begrenzing in het verticale en horizontale vlak? -Wat is de onderlinge relatie tussen de aangetroffen resten, de vastgestelde stratigrafie, de bodemgesteldheid en het landschap (geomorfologie en reliëf)? -Is er een relatie tussen de landschappelijke ligging (geomorfologie, reliëf en bodem) en de conservering van de archeologische resten?
17
Ja, er zijn stratigrafisch gescheiden sporenniveaus. Het oudste niveau is in het Midden Neolithicum te dateren. Hiervan is een cultuurlaag bewaard gebleven op een deel van het rivierduin en een vondstlaag in de lager gelegen restgeul. Al in het Neolithicum vindt erosie door verstuiving plaats. Een deel van de oudere cultuurlaag wordt uitgeblazen, waarna delen van het terrein ook weer worden afgedekt door opgestoven duinen. Het terrein blijft echter in gebruik en vondsten worden aangetroffen in deze opgestoven lagen. De chronologische tweedeling die is aangetroffen in het vondstmateriaal in de restgeul is mogelijk te associëren met de twee genoemde perioden in het Neolithicum. De neolithische cultuurlagen/vondstlagen worden afgedekt en deels opgenomen in de middeleeuwse cultuurlagen. Deze zijn vooral in het noordelijk deel van het terrein aangetroffen. Het gehele plangebied wordt afgedekt door (sub)recente ophogingslagen en de bouwvoor.
5
de vindplaatsen en hun globale datering
5.1
inleiding
Het onderzoek aan de oostflank heeft aangetoond dat er binnen de grenzen van het plangebied een groot aantal archeologische vindplaatsen ligt. In principe wordt er van een vindplaats gesproken wanneer er één of meerdere artefacten of grondsporen in situ worden aangetroffen. De criteria voor de definitie van een vindplaats zijn echter enigszins arbitrair. Het is daarom belangrijk om vooraf te bepalen hoe een vindplaats gedefinieerd wordt. Voor dit onderzoek spreken we van een vindplaats wanneer een complex aan twee voorwaarden voldoet. De eerste voorwaarde is dat er in de ruimte rondom de vondst of het spoor ook sporen of vondsten uit dezelfde periode liggen of verwacht kunnen worden. De tweede voorwaarde is dat de vondsten nog in situ liggen. Is dit laatste niet het geval dan spreken we doorgaans van een vergraven of verstoorde vindplaats. Tijdens het veldwerk van het onderhavig onderzoek zijn er vondsten gedaan uit nagenoeg alle archeologische perioden vanaf het Mesolithicum. Deze vondsten worden echter niet allemaal tot een vindplaats gerekend. Er zijn her en der over het terrein vondsten gedaan uit de Romeinse tijd, maar deze vondsten komen grotendeels uit een zogeheten secundaire context. Dit wil zeggen dat de vondst niet meer in situ ligt, maar in een spoor of laag uit een jongere periode. Het is onmogelijk te bepalen hoe de vondst daarin terecht is gekomen.
De vindplaats uit het Romeinse tijd kan vergraven zijn, maar het is evengoed mogelijk dat iemand in de Middeleeuwen een Romeins voorwerp heeft gevonden en heeft meegenomen. Vervolgens is hij het weer verloren of heeft het weggegooid waarna het in een middeleeuws spoor terecht is gekomen. Aangezien de meeste Romeinse vondsten binnen het plangebied in een soortgelijke situatie zijn aangetroffen kunnen we niet vast stellen of er binnen het plangebied sprake is van een Romeinse vindplaats. Hoewel de vondsten uit deze periode in dit rapport wel worden beschreven, worden deze vondsten niet behandeld als een vindplaats. Het is echter niet uitgesloten dat er tijdens eventueel vervolg onderzoek alsnog een vindplaats uit bijvoorbeeld de vroegRomeinse tijd wordt aangetroffen. De vondsten uit deze periode wijzen er immers op dat er in of in de buurt van het plangebied toch mensen hebben gewoond.
5.2
vindplaatsen
5.2.1
mesolithicum
Binnen het plangebied zijn relatief veel vondsten uit het Mesolithicum aangetroffen. Het gaat hier uitsluitend om vuursteenmateriaal. Sporen uit deze periode ontbreken geheel. De meeste vondsten concentreren zich aan de noordelijke kant van werkput 2 en aan de zuidelijke kant van werkput 7 (fig. 18
5.1a). In werkput 2 gaat het om materiaal dat van een hoger deel van het plangebied komt en door erosie op de uiteindelijke locatie terecht is gekomen. Het materiaal in werkput 7 bevond zich in een oude bodem. Deze laag ligt hier nog in situ. Verondersteld wordt dat hier de kern van de mesolithische vindplaats ligt. Verder zijn er nog enkele vondsten uit deze periode in andere putten gedaan. Deze worden op gezien als zogenaamde off-site vondsten. Bij eventueel vervolgonderzoek dient men er echter rekening mee te houden dat de mesolithische vindplaats groter is dan de hier gestelde begrenzing. Echter de aard van het onderhavig onderzoek is niet toereikend om steentijdvindplaatsen te begrenzen. Hiervoor dienen meer vakken te worden gezeefd. Voor dit onderzoek gaan we uit van een oppervlakte van ca. 300 m2 voor de omtrek van de vindplaats uit het Mesolithicum en nog eens 300 m2 voor de zone met geërodeerde vondsten.
5.2.2
midden en laat neolithicum
Deze periode is bijzonder sterk vertegenwoordigd binnen het plangebied. Toch is er maar beperkt aantal duidelijke contexten gevonden die zonder twijfel aan het Midden en Laat Neolithicum kan worden toegeschreven. De depressie die in werkput 9 is aangesneden bevat grote hoeveelheden aardewerk die worden toegeschreven aan de midden- en laatneolithische Vlaardingen-cultuur.17 Ook op de oevers van de depressie zijn vondsten gedaan uit dezelfde periode. Naast vondsten zijn er ook sporen aangetroffen die op basis van de stratigrafische positie of de datering van de vondsten uit deze periode stammen. Hoewel er in de regio af en toe sporen uit deze periode zijn aangetroffen, is het voorkomen ervan toch een zeldzaamheid binnen Wijchen, maar ook zeker binnen archeologisch Nederland. Doorgaans zijn sporen uit deze periode dusdanig uitgeloogd en gehomogeniseerd dat ze niet meer waarneembaar zijn in de natuurlijke ondergrond. De ontdekking van antropogene sporen uit het Neolithicum op de Oostflank is dus zeer bijzonder. Vermoedelijk heeft er een vrij grote, plaatsvaste, laatneolithische nederzetting op het duin gelegen. Over de aard van de nederzetting zijn geen zekerheden te geven. De omvang hiervan is op basis van dit onderzoek echter niet goed vast te stellen. Dit komt onder andere doordat de vondstconcentratie in de depressie mogelijk helemaal doorloopt tot op de markt van Wijchen.
Hier is in het verleden een soortgelijke context gedocumenteerd door de AWN. Vermoedelijk horen deze twee locaties tot hetzelfde complex. In dat geval beslaat de vindplaats uit de Vlaardingencultuur een oppervlak van enkele tienduizenden vierkante meters. De vermoedelijke omvang van de vindplaats binnen het plangebied bedraagt op basis van de verspreiding van sporen en vondsten uit deze periode minimaal 4650 m2(fig. 5.1b).
5.2.3
bronstijd
De Bronstijd is binnen het plangebied beperkt vertegenwoordigd. Slechts enkele sporen in de proefsleuven zijn aan deze periode toe te wijzen. Het gegeven dat er echter duidelijke sporen en vondsten uit deze periode zijn aangetroffen in een betrekkelijk kleine zone geeft duidelijk aan dat er een bronstijdvindplaats binnen het plangebied aanwezig is. Vermoedelijk gaat het om een nederzettingsterrein. Het is betrekkelijk lastig om de oppervlakte vast te stellen. Binnen het plangebied heeft de vindplaats een omvang van ca. 1200 m2 (fig. 5.1c). Hoe ver de vindplaats zich buiten het plangebied uitstrekt is onbekend. Daarbij zal aanzienlijk deel van de site binnen het plangebied zijn verstoord tijdens de bouw- en sloopwerkzaamheden van het schoolgebouw.
17
Het gebruik van de term Vlaardingencultuur lijkt door de toename van de kennis omtrent deze periode niet meer houdbaar.
Omdat de term echter voor velen een heel helder beeld oproept als het gaat om de materiële cultuur wordt deze in dit rapport gehandhaafd. In de synthese wordt dieper ingegaan op de problematiek omtrent deze cultuuraanduiding.
19
5.2.4
ijzertijd
Deze periode is eveneens niet sterk vertegenwoordigd in zowel het vondstmateriaal als in de sporen. Er zijn slechts enkele scherven uit deze periode aangetroffen. Daarbij liggen deze vondsten te ver uit elkaar om te spreken van een vindplaats. Met enige moeite is er één mogelijke structuur uit deze periode gereconstrueerd. Daarnaast kunnen er meerdere sporen uit de IJzertijd in werkput 7 verborgen liggen in het niet verder onderzochte sporencluster. Hoewel het bewijs niet overweldigend is lijkt er binnen het plangebied toch een component uit de IJzertijd vertegenwoordigd te zijn. Vanwege de aanwezigheid van een vermoedelijke structuur is hier echter wel sprake van een vindplaats. De beschikbare gegevens zijn echter te gering om uitspraken te doen over de omvang hievan.
5.2.5
romeinse tijd⁄vroege middeleeuwen
Voordat het veldwerk begon waren de verwachtingen omtrent deze perioden vrij groot. Uiteindelijk is alleen in het noordwestelijk deel van het plangebied een kleine vindplaats aangetroffen die wordt gedateerd op de overgang van de laat-Romeinse tijd naar de Vroege Middeleeuwen(fig. 5.1e). Verder zijn verspreid over het gehele plangebied losse vondsten gedaan uit de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen. Deze kunnen op grond van hun context echter niet tot een vindplaats worden gerekend. Omdat de sporen uit de laat-Romeinse/Vroege Middeleeuwen tijd alleen zijn aangetroffen in de smalle werkputten 4 en 5 is het niet mogelijk om deze vindplaats te begrenzen.
5.2.6 ottoonse tijd, volle en late middeleeuwen
Naast het Laat Neolithicum is de overgang van de Vroege naar de Volle Middeleeuwen ook sterk vertegenwoordigd in het plangebied. Ook de Late Middeleeuwen lijken vertegenwoordigd in het sporenbestand. Daar waar in andere onderzoeken de datering tot stand komt door een combinatie van de gebouwtypologie en de datering van het vondstmateriaal, konden hier, vanwege het gebrek aan duidelijke structuren, alleen de sporen worden gedateerd waaruit dateerbaar vondstmateriaal is verzameld. In het geval van de sporen uit de Ottoonsse tijd, de Volle en Late Middeleeuwen is het uitsluitend het aardewerk geweest dat bepalend was voor de datering van de sporen. Dit brengt met zich mee dat sporen niet altijd heel nauwkeurig te dateren zijn omdat bepaalde typen aardewerk voorkomen vanaf het einde van de Vroege Middeleeuwen tot in de Late Middeleeuwen. Het beeld dat ontstaan is naar aanleiding van het onderzoek is dat de vindplaats uit de Ottoonse tijd doorloopt tot in de Volle en mogelijk Late Middeleeuwen. In de gehele noordelijke zone zijn sporen en vondsten aangetroffen die alle deel uitmaken van een vrij grote en mogelijk ook belangrijke nederzetting uit deze periode. Naast de sporen in de noordelijke zone zijn er ook nog enkele sporen gevonden in het zuidelijk deel van het plangebied.
Het is echter niet vast te stellen of en hoe deze sporen in relatie staan tot de sporen aan de noordzijde van het terrein. In de tussenliggende zones zijn geen sporen uit deze periode aangetroffen. Dit kan echter ook komen door de geringe dekkingsgraad van de proefsleuven in het zuidwestelijke deel van het terrein. Door de aanwezigheid van het parkeerterrein en de sporthal kon dit deel niet worden bekeken. Wanneer de sporen in het zuidelijke deel van het plangebied daadwerkelijk onderdeel uitmaken van de nederzetting in het noorden beslaat deze mogelijk het gehele plangebied (fig. 5.1f).
20
Fig. 5.1. Wijchen-Oostflank. A vermoedelijke omvang vindplaats uit het Mesolithicum; B vermoedelijke omvang vindplaats uit het Laat Neolithicum; C vermoedelijke omvang vindplaats de Bronstijd; D vindplaats uit de IJzertijd; E vermoedelijke omvang vindplaats uit laat-Romeinse tijd. Vroege Middeleeuwen; F vermoedelijke omvang vindplaats uit de Ottoonse tijd en de Volle Middeleeuwen.
21
5.3
14
c-dateringen
In totaal zijn er drie 14C-analyses uitgevoerd. Gezien het groot aantal vindplaatsen is dit aantal misschien wat aan de lage kant. Anderzijds is de aard van het onderzoek er niet naar om zeer uitgebreide analyses te verrichten. Een opgraving biedt daar een betere gelegenheid toe omdat de contexten dan vanwege de schaalvergroting van het onderzoek een stuk betrouwbaarder zijn. De contexten die voor analyse zijn geselecteerd, zijn de vondstrijke depressie in werkput 9, een zeer houtskoolrijke kuil in werkput 1 en één van de ovens in werkput 1. In tabel 5.1 zijn de verschillende monsters met de ongekalibreerde datering weergegeven. Monsternummer
Spoor
Datering 1
M1.85
1.4
3025 ± 35 BP
M1.87
1.132
1130 ± 30 BP
M9.44
9.49
3170 ± 35 BP
Tabel 5.1. Wijchen-Oostflank. 14C-monsters de ongekalibreerde dateringen.
Het monster uit de depressie is door BIAX consult geselecteerd uit een pollenbak. Helaas is de waarde van dit laatste monster betrekkelijk gering omdat het is verkregen uit de bovenste laag in de depressie. Deze laag is het laatst gevormd voordat de depressie bedekt is met een dik pakket stuifzand. Gehoopt was om een goed monster uit de vondsthoudende laag met neolithische vondsten te kunnen dateren om de hypothese over de datering in de Vlaardingen II fase te kunnen staven. De laag bevatte echter geen bruikbaar materiaal en daarom is gekozen voor het monster uit de hogere laag. Dit is gedateerd tussen 1512 en 1391 voor Chr.18 Hierdoor is dus een terminus ante quem verkregen voor de laag met neolithisch materiaal. Het verschil in datering tussen het 14C-monster en het aardewerk is echter dermate groot dat er geen duidelijke conclusies kunnen worden geformuleerd op basis van het 14Conderzoek. Het monster uit spoor 4 in werkput 1 is enerzijds geselecteerd vanwege de houtskoolrijke vulling en anderzijds vanwege de onduidelijkheid omtrent de datering van het spoor.19 De uitkomst hiervan valt uit tussen 1376 en 1132 voor Chr., in de Midden Bronstijd B.
Het voert te ver om voor de oostflank een continue bewoningsgeschiedenis van het Laat Neolithicum tot de Midden Bronstijd B te reconstrueren, maar deze datering geeft wel aan dat nagenoeg elke archeologische hoofdperiode binnen het plangebied vertegenwoordigd is. De jongste datering die is verkregen uit de analyses van het verkoold materiaal is van het monster uit één van de ovens, spoor 1.132. Op basis van de globale dateringen van het aardewerk uit de omringende sporen werd al vermoed dat het hier ging om ovens uit de Middeleeuwen. Het was alleen niet duidelijk of het ging om vroeg- of volmiddeleeuwse ovens. De uitkomst van de datering laat zien dat ze min of meer op de overgang van de Karolingische naar de Ottoonse tijd gedateerd moeten wor-
18
Tabel 5.1.
19
In de kuil is namelijk een relatief grote hoeveelheid dikwandig, grof gemagerd, handgevormd aardewerk aangetroffen.
Doorgaans wordt dit aardewerk op opgravingen als prehistorisch aangeduid. Een dergelijk baksel is echter ook bekend uit vroegmiddeleeuwse context. Dit is het zogenaamde Hessens-Schortens aardewerk. De kans dat er binnen het plangebied sporen uit de Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn, is bijzonder groot. Hessens-Schortens aardewerk is vrij zeldzaam en vanwege de grote overeenkomsten met prehistorisch aardewerk lastig te herkennen. Omdat de sporen in werkput 1 uit allerlei verschillende archeologische periodes lijken te stammen was het niet mogelijk om het aardewerk verder te determineren door deductie. Daarom is gekozen voor het uitvoeren van een 14C-analyse.