CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9 Archeologisch inventariserend veldonderzoek, BAAC, februari 2015.pdf

Raad openbaar Wijchen 24 november 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 83052 Beslisnota Bestemmingsplan Huurlingsedam fase 427.837 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De grondsporen zijn nader gedateerd aan de hand van vondstmateriaal, stratigrafie en mogelijke ruimtelijke relaties met andere grondsporen (bijlage 5 en 6). Ook de uitkomsten van studies naar het vondstmateriaal van de diverse specialisten zijn verwerkt in het eindrapport. Het vondstmateriaal is per categorie en vindplaats gedetermineerd en beschreven. De determinatielijsten zijn in de bijlagen 7 tot en met 14 terug te vinden. Per vindplaats is een tabel opgesteld met daarin de aantallen vondsten per periode, zie tabel 2.3, 2.4 en 2.5. Voor enkele vondstcategorieën wordt hieronder de onderzoeksstrategie beschreven: Van het prehistorisch aardewerk zijn in totaal zijn 390 scherven met een gewicht van 1.774 gram verzameld. De scherven zijn verzameld bij het aanleggen van het vlak en uit sporen. De kenmerken die zijn genoteerd zijn uiterlijke kenmerken als verschraling, wanddikte, vorm (randtype/potvorm), versiering en wandafwerking. De kenmerken zijn weergegeven conform de beschrijvingsmethodiek van Van den Broeke, ongeacht of het aardewerk uit de ijzertijd betrof of niet.33 De potvormen komen overeen met de typen die Van den Broeke heeft gepresenteerd voor de kernregio Oss-Ussen. Van den Broeke geeft aan dat de typologie eveneens goed toepasbaar is op de ruime kernregio met een beperking per fase.34 Wijchen valt binnen deze ruime kernregio.

Het aardewerk uit het neolithicum is ook genoteerd conform de beschrijvingswijze

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

32 De Winter 2014. 33 Van den Broeke 2012. 34 Van den Broeke 2012, 148-149.

34

Tabel 2.3 Vindplaats 1: overzicht vondsten per periode en naar aantal.

Tabel 2.4 Vindplaats 2: overzicht vondsten per periode en naar aantal.

Tabel 2.5 Vindplaats 3: overzicht vondsten per periode en naar aantal.

35

materiaal

aantal

aardewerk, neolithicum

52

aardewerk, prehistorie

31

aardewerk, ijzertijd

127

aardewerk, ijzertijd-Romeinse tijd

7

aardewerk Romeinse tijd

29

aardewerk, middeleeuwen

3

aardewerk, nieuwe tijd

2

bot

2

bouwkeramiek, Romeinse tijd

15

bouwkeramiek, middeleeuwen/nieuwe tijd

4

brons, Romeinse tijd

1

ijzer, nieuwe tijd

6

slak

2

natuursteen, prehistorie

52

natuursteen, onbewerkt

6

vuursteen, neolithicum-midden-bronstijd

151

vuursteen, onbewerkt

2

monsters, neolithicum

2

materiaal

aantal

aardewerk, neolithicum

1

aardewerk, prehistorie

17

aardewerk, ijzertijd

82

aardewerk, nieuwe tijd

2

bouwkeramiek, middeleeuwen/nieuwe tijd

1

glas, nieuwe tijd

1

ijzer, nieuwe tijd

1

natuursteen, prehistorie

18

natuursteen, onbewerkt

8

vuursteen, neolithicum-midden-bronstijd

1

vuursteen, onbewerkt

4

materiaal

aantal

aardewerk, neolithicum

50

aardewerk, prehistorie

9

aardewerk, ijzertijd

14

aardewerk, Romeinse tijd?

4

aardewerk, middeleeuwen

3

aardewerk, middeleeuwen/nieuwe tijd

4

bouwkeramiek, middeleeuwen/nieuwe tijd

1

natuursteen, prehistorie

19

natuursteen, onbewerkt

7

vuursteen, neolithicum-midden-bronstijd

7

vuursteen, onbewerkt

2

Wijchen, Huurlingsedam

van Drenth/Chtcheglov en Beckerman/Raemaekers.35 Tijdens het onderzoek werden 172 stukken vuursteen ingezameld waarvan er zes als natuurlijk zijn gedetermineerd. Het vuursteen bestaat uit diverse varianten van een matige tot slechte kwaliteit. Het is waarschijnlijk in de bedding en terrassen van de Maas ingezameld. Meer dan een derde van de stukken is verbrand (35%). Na waardering is het natuursteen per vindplaats geanalyseerd, waarbij onbewerkt natuursteen met een overduidelijke natuurlijke herkomst niet is meegenomen. Natuursteen werd als natuurlijk beschouwd indien geen onnatuurlijke breuk werd gezien en indien sporen van verhitting of andere gebruikssporen (zoals slijtagesporen) afwezig waren. In totaal werd 5290 gram natuursteen verzameld, waarvan uiteindelijk 1126 gram natuursteen niet bewerkt of gebruikt bleek te zijn. De overige 4164 gram aan bewerkt natuursteen (totaal 90 stuks) werd per vindplaats geanalyseerd. Voor de volledigheid zijn per vindplaats wel de aantallen en gewichten van het natuurlijke grind/keien opgenomen, maar deze zijn vervolgens buiten de tabellen gehouden. Na analyse van de sporen en het vondstmateriaal en de daaruit voortvloeiende conclusies zijn de onderzoeksvragen beantwoord en de onderscheiden vindplaatsen gewaardeerd.

Hieruit is een advies aan de gemeente over de verdere omgang met de aangetroffen archeologische waarden binnen het plangebied naar voren gekomen.

35 Drenth & Chtcheglov 2012; Beckerman & Raemaekers 2009.

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

36

3

Vindplaats 1: bodem, sporen en vondsten

3.1

Lithologie, bodemopbouw en lithogenese (C. Kalisvaart)

Vindplaats 1 ligt grotendeels op een relatief hoog gelegen rivierduincomplex, dat kan worden onderverdeeld in een uiterst hoog gelegen rivierduin in het noordwestelijke deel en een lager gelegen rivierduin in het zuidoostelijke deel van de vindplaats. Ter hoogte van de werkputten 18, 22, 23, 24 en 33 komt een uitblazingslaagte voor; een zone waar het duinzand niet aanwezig is en er (onder een verstoord niveau) een gleyrijke, leemlaag aanwezig is. In noordelijke richting loopt het rivierduinzand geleidelijk aan af en raakt deze verspoeld en uiteindelijk wordt het afgedekt door oever- of overstromingsafzettingen. Deze zones zijn respectievelijk als flank rivierduin en als rivierdalvlakte aangeduid. Het noordwestelijke deel van vindplaats 1 wordt gekenmerkt door het voorkomen van goed gesorteerd, matig grof, matig afgerond, grijsgeel tot grijs, kalkloos, parallel tot niet gelaagd afgezet zand (bijlage 4; profielen 4701 en 4702). De top van dit zandpakket komt direct onder de ca. 40 cm dikke bouwvoor voor op circa 7,8 m +NAP. Het betreft hier typisch afzettingen die als rivierduinafzettingen kunnen worden geclassificeerd. De allerhoogste top van de rivierduinafzettingen wordt gekenmerkt door een bruine tot oranjebruine, moderpodzol-B-horizont (Bh-horizont) met zelfs al enkele humusfibers die duiden op een relatief zuur en dus sterk ontkalkt milieu.

Deze Bh-horizont gaat over in een bruingele tot gele (B)C-horizont. De top van het duinzand in de lagere delen van het rivierduin bevatten een wat donkerbruine tot oranjebruine, stuggere, siltrijke Bw-horizont. De onderliggende C-horizont vertoont reeds duidelijke gley-verschijnselen in de vorm van roestvlekken als gevolg van de wisselende grondwatercondities (bijlage 4; profiel 4704). De profielen 4701 tot en met 4704 vertonen allen een donkergrijze tot zwartgrijze, humushoudende vegetatiehorizont (2Ahb-horizont) tussen ca. 7,1 en 7,6 m +NAP (ca. 0,6/1,0 m –mv). Het betreft hier een overstoven paleoleefoppervlak, waaronder in de noordwestelijke profielen 4702, 4703 en 4704 een gebleekte, grijze, gereduceerde Cg-horizont op een gleyrijke Cghorizont wordt aangetroffen. De Cr-horizont betreft hier een schijn (pseudo)gereduceerde horizont vanwege de aanwezigheid van een onderliggende, slecht waterdoorlatende, sterk siltig zand- tot zandig leempakket. Het betreft hier afzettingen behorende tot het Laagpakket van Wijchen. In dit leemrijke pakket kan een onderscheid worden gemaakt in een onderliggend meer kleiig, donkergrijs tot oranjegrijs overstromingspakket en een bovenliggend meer zandig overstromingspakket. Hogerop het begraven duin ter hoogte van profiel 4701 (bijlage 4; afb. 3.1) is zichtbaar dat vanuit de top van het rivierduin een paalkuil is ingegraven. De top

37

Wijchen, Huurlingsedam

van het rivierduin wordt verder gekenmerkt door een bruine tot geelbruine, circa 20 cm dikke moderpodzol-B-horizont, waaronder een geelbruine BC- en een lichtgele C-horizont voorkomt. Verder zijn veel graafgangen in de top van het duinzand zichtbaar, waardoor de top van het duin een licht vlekkerig geheel laat zien.

Afb. 3.1 Foto van het overstoven duinreliëf met in de top een donkergrijze vegetatiehorizont ter hoogte van werkput 47 gezien vanaf het noordoosten kijkende in

De rivierduinzandlagen duiken vanaf het gebied ten zuidoosten van werkput 47 in noordelijke en noordoostelijke richting snel naar beneden toe weg tot een hoogte van respectievelijk 7,0 m + NAP en 7,2/7,3 m +NAP ter hoogte van de werkputten 44 en 46. Op de flanken van het rivierduin is de top van het rivierduinzand verspoeld als gevolg van latere fluviatiele activiteit. Hierdoor bevat het duinzand relatief meer fijnkorrelig sediment (Zs4/Kz3). Dit verspoelde duinzand is in de top sterk verbruind als gevolg van interne verwering en de nieuwvorming van kleimineralen (zie bijlage 4; werkput 46). Op andere locaties binnen vindplaats 1 wordt het oudst afgezette pakket rivierduinzand afgedekt door jongere oever-, overstromings- of geulafzettingen (zichtbaar in afb. 3.2 door de aanwezigheid van een begraven Ah-horizont). Ter plekke van profiel 2603 is nog net een donkergrijze, zwak humeuze top behorende bij het oudste begraven duinzandniveau zichtbaar (3Ahb-horizont; Afb. 3.2). Deze houtskoolhoudende vegetatielaag ligt hier op 6,5 m +NAP en wigt in noordelijke richting (links op de foto) uit. Deze grens tussen het wel en niet aanwezig zijn van een begraven Ahb-horizont markeert de arbitraire grens tussen de flank van het rivierduin enerzijds en de rivierdalvlakte anderzijds (bijlage 4).

De afdekkende sterk siltige klei kan als geulafzetting worden betiteld, maar betreft feitelijk het equivalent van de jongste Laag van Wijchen. Deze kleilaag wordt namelijk gekenmerkt door de aanwezigheid van een (ijzerhoudende) paleo-gleylaag en een slecht zichtbare, zwak gerijpte AChorizont, die op haar beurt weer wordt afgedekt door een verbruinde bodem met duidelijke gley-verschijnselen (mangaan- en ijzervlekken).

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

zuidwestelijke richting (d.d. 01-07-2014). Op de voorgrond ligt het overstoven duin vrijwel direct onder de bouwvoor. In de top komt een bruine moderpodzolB-horizont voor. Verder in noordwestelijke richting duikt het duin naar beneden toe weg, waarbij naarmate het duin lager komt te liggen, een grijze pseudo-reductie laag zichtbaar wordt. De rode lijn geeft grofweg de scheiding weer tussen beide overstuivingsfasen.

38

De bodemopbouw duidt op twee stratigrafisch te onderscheiden sedimentpakketten, die allebei gedurende lange perioden aan het oppervlak hebben gelegen. Deze sedimentpakketten kunnen gerelateerd worden aan overstromingsfases gedurende het Preboreaal (Laag van Wijchen) en gedurende het neolithicum (afzetting door het Wijchens Maasje). Indien het jongere sedimentpakketten waren geweest, had bodemvorming (en dan met name verbruining) niet op een dergelijke wijze kunnen plaatsvinden. Afb. 3.2 Profiel 2603 gelegen op de flank van het rivierduin. Er is in deze zone nog net een houtskoolhoudende vegetatiehorizont zichtbaar (3Ahb-horizont) in de top van het door gley-verschijnselen gekenmerkte rivierduinzand. Verder in noordelijke richting verdwijnt deze Ahbhorizont en is er sprake van een rivierdalvlakte. Boven het duin zijn tijdens twee periodes van overstroming gedurende het Holoceen nog sedimentpakketten afgezet. Deze dateren vermoedelijk uit het Preboreaal en het Laat-Atlanticum/Subboreaal (vroeg-mesolithicum en neolithicum). In profiel 2603 worden deze sedimentpakketten gekenmerkt door een sterk zandige leemlaag (Lz3) die duidelijk verbruind is en op een pakket sterk siltige klei (Ks3) met gleyverschijnselen ligt.

36 Zie afb. 2.1; Cohen et al. 2012.

39

De basis van profiel 2603 bestaat uit een pakket zwak siltig, matig tot zeer grof, zwak grindig, matig gesorteerd, bleek grijs zand. De top van dit grove zandpakket ligt rond 6,0 m + NAP (ca. 1,4 m –mv). Uit de lithologische opbouw van de geplaatste boringen ter hoogte van werkput 48 blijkt dat op dezelfde diepte ten opzichte van NAP ook dergelijk, grindhoudend, grof zand met een slechte afronding voorkomt. Het betreft hier hoogstwaarschijnlijk beddingzand dat is afgezet gedurende de Late Dryas en momenteel als rivierterrasrelict is overgebleven. Opvallend is dat onder het duinzand geen leem behorende tot de Laag van Wijchen voorkomt. De eerste fase van afzetting van het duinzand lijkt derhalve reeds gedurende de Late Dryas te hebben plaatsgevonden en niet pas gedurende het Preboreaal (destijds kwam de naastgelegen meandergordel droog te liggen).36 Het brongebied van het duinzand ter plekke van vindplaats 1 lijkt dan ook van elders afkomstig te zijn. Het rivierduincomplex wordt omgeven door met lemige en kleiige geul- en oeverafzettingen opgevulde holocene rivierdalvlakten. Op deze locaties komt, evenals ter plekke van een uitgeblazen depressie rondom werkput 23 (afb. 3.3), (vrijwel) geen duinzand meer in de profielen voor.

Hier bestaat de bodemopbouw uit sterk siltige oeverafzettingen op sterk zandige klei, uiterst siltig zand en/of sterk zandige leem waarin veel ijzer- en mangaanvlekken (pseudogley) voorkomen. De oeverafzettingen behoren tot de Formatie van Echteld en zijn vermoedelijk pas na de Romeinse tijd afgezet, aangezien in de top van het onderliggende leemrijke sedimentpakket resten uit de Romeinse tijd zijn aangetroffen. Het onderliggende leemhoudende pakket behoort tot de

Wijchen, Huurlingsedam

Formatie van Kreftenheye, het Laagpakket van Wijchen.

Ter plekke van de uitblazingslaagte komen vaalbruine oudere akkerlagen voor. Dergelijke licht-vlekkerige bodemhorizonten met ingespoelde humus, waarbij de onderliggende oorspronkelijke bodem is afgetopt (afb. 3.4), worden ook op de oostelijke en zuidoostelijke flanken van het rivierduin aangetroffen. Deze oudere akkerlagen/cultuurlagen dateren vermoedelijk uit de middeleeuwen afgaande op het aardewerk dat plaatselijk werd aangetroffen (zie ook paragraaf 3.3.8). Vermoedelijk betreft het hier akkers behorende bij de huisplaats ’t Slotje.

Afb. 3.3 Foto van profiel 2401 gelegen in een uitgeblazen depressie (d.d. 26-06-2014). Deze depressie was voorafgaand aan de afzetting (of het opbrengen) van sterk zandige leem tot sterk siltig zand relatief nat geweest. De natte condities zijn te relateren aan de aanwezigheid van een ondiep voorkomende, slecht waterdoorlatende leemhoudende laag en parallel aan de laagte lopende greppels. Op het leempakket ligt nog een roodbruin, verspoeld restant van het rivierduin. In het afdekkende sterk zandige leempakket (Lz3; (B)C-horizont) heeft lichte bodemvorming plaatsgevonden, waaruit blijkt dat het geen heel oud sedimentpakket betreft. Mogelijk is dit sedimentpakket later als akkerlaag in gebruik genomen. Dit verklaart de aanwezigheid van humus in deze horizont.

Afb. 3.4 Foto van profiel 2901 gelegen op de flank van het rivierduin (d.d.26-06-2014) waarop een vaalbruine oude akkerlaag zichtbaar is. De oorspronkelijke bodem is hier duidelijk afgetopt als gevolg van ploegen.

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

40

Afb. 3.5 Allesporenkaart van vindplaats 1.

179.400

179.500

179.600

179.700

179.800

Wijchen, Huurlingsedam

Allesporenkaart vindplaats 1 vindplaats 1 bouwvoor greppel

423.300

423.300

kuil natuurlijke laag natuurlijke verstoring paalkuil(gat)

423.200

423.200

recente verstoring

1

3

423.100

423.100

2

N 0

50 m A-14.0147© BAAC bv

179.400

41

179.500

179.600

179.700

179.800

Wijchen, Huurlingsedam

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

42

3.2

Analyse van de sporen op het onderzoeksterrein

3.2.1

Algemeen

Binnen de contouren van vindplaats 1 liggen grondsporen en vondsten die wijzen op landgebruik, aanwezigheid of bewoning in het neolithicum, de ijzertijd en de Romeinse tijd (afb. 3.5). De voor het onderzoek relevante sporen betreffen paalsporen (9x), kuilen (2x) en greppels (19x). De meerderheid van deze resten liggen in het hoger gelegen westelijk deel van het duin waarop vindplaats 1 zich bevindt. Het oostelijk deel van de vindplaats heeft significant minder grondsporen en vondsten opgeleverd. Mogelijk is dit deels te wijten aan de vochtige depressie die midden in dit deel aanwezig is. De conservering van de sporen is gezien de goede bodemconservering echter wel overwegend goed te noemen. De zichtbaarheid en herkenbaarheid van grondsporen is ongunstig; vanwege verbruining van de bodem in combinatie met bioactiviteit zijn veel sporen vervaagd. Met name voor kleinere sporen, zoals staken en paalsporen, geldt hierdoor in sommige zones een lage trefkans. In navolgende paragrafen worden eerst de paalsporen en kuilen beschreven, gevolgd door de greppels (paragraaf 3.2.2 en 3.2.3). Vervolgens komt de vindplaats uit het neolithicum aan bod waarbij de stratigrafie, het vondstmateriaal en mogelijke sporen uit werkput 47 worden belicht (paragraaf 3.2.4).

3.2.2

Paalsporen en kuilen uit het neolithicum, de ijzertijd en Romeinse tijd

De grootste concentratie van sporen en vondsten bevindt zich ter plaatse van werkput 40 en 41. In deze putten is zowel aardewerk uit het neolithicum als de ijzertijd en de Romeinse tijd aangetroffen. Bovendien werden vijf paalsporen, een kuil en een aantal greppels blootgelegd. De paalsporen tekenden zich relatief duidelijk af in de natuurlijke ondergrond en waren gevuld met (licht) bruingrijs zand. Tussen de paalsporen onderling kon geen relatie herkend worden. Eén van de paalsporen is gecoupeerd, spoor 40011. Dit spoor is 25 cm breed en 20 cm diep. In het spoor werden geen vondsten gedaan wat een datering lastig maakt. De uitgeloogde vulling maakt een globale datering in de prehistorie aannemelijk. De kuil in werkput 40 is eveneens gecoupeerd (spoor 40013; afb. 3.6). Het spoor meet 95 cm in breedte en is 32 cm diep. De vulling van de kuil bestaat onderin uit een 10 cm dikke baan zwartgrijs zand met veel houtskool. Deze baan is afgedekt door bruin zand met aardewerk. Vanwege de aanwezigheid van het houtskool onderin de kuil kan het spoor geïnterpreteerd worden als haardkuil of graansilo. Het aardewerk dateert uit het neolithicum. Uit de houtskoollaag is een monster genomen wat behalve zeer kleine fragmenten houtskool geen botanische resten opleverde.

Op de oostelijke helft van de vindplaats zijn in werkput 21, 23 en 25 nog enkele antropogene sporen aangetroffen: drie paalsporen en twee kuilen. In werkput 21 zijn zes ronde sporen blootgelegd. Na couperen bleken twee sporen als paalspoor geïnterpreteerd te kunnen worden. De overige sporen waren ontstaan door bodemvorming of door dieren. Spoor 21006 betreft een

43

Wijchen, Huurlingsedam

Afb. 3.6 Opname van de coupe van de kuil in werkput 40, spoor 40013; gezien naar het noordoosten.

paalspoor van 22 cm diep, gevuld met bruingrijs zand (afb. 3.7). Van spoor 21009 is in het vlak alleen de onderzijde van het paalspoor nog aanwezig, op een hoger niveau was het spoor nog wel zichtbaar. In de sporen zijn geen vondsten gedaan, evenals bij de aanleg van het vlak. Gezien de lichtgrijze, uitgeloogde vulling kan het spoor alleen globaal in de prehistorie worden geplaatst. Eén van de kuilen werd aangesneden in werkput 23. Het betreft een spoor van 24 cm diep dat was gevuld met donkergrijs zand met veel houtskoolbrokjes. In het spoor, maar ook in de werkput zijn geen (dateerbare) vondsten aangetroffen. Gezien de uitloging van het spoor is de kuil vooralsnog in de prehistorie geplaatst. Mogelijk deed het dienst als haardkuil. In werkput 25 is een paalspoor en een kuil aangetroffen. De sporen zijn hier door uitdroging en bioturbatie relatief slecht geconserveerd. Het paalspoor is 40 cm diep en gevuld met grijs tot donkergrijs zand. Van de kuil is alleen de onderzijde aangesneden. De bovenzijde was door bioturbatie verstoord. In de sporen bevonden zich geen vondsten. Bij de aanleg van het vlak is één scherf roodbakkend aardewerk (1300-1800) aangetroffen (vnr. 70) en een nagelfragment.

Een nauwkeurige datering van de sporen is niet te geven, maar gezien de uitloging, die iets minder sterk is dan elders in het plangebied, kan gedacht worden aan een datering in de prehistorie of Romeinse tijd.

3.2.3

Greppels uit de prehistorie tot en met de nieuwe tijd

In werkput 40 zijn drie greppels aangetroffen die alle noordoost-zuidwest georiënteerd zijn, spoor 40006, 40007 en 40009. De eerste en meest oostelijke greppel is 3 m breed, tenminste 5 m lang en 85 cm diep. Het spoor is ingesneden in de B/C- en de C-horizont. De greppel is gevuld met onderin lichtgrijsbruin zand afgedekt door een laag lichtgrijs donkerbruin zand en een pakket grijsbruin zand. Bovenuit het spoor zijn acht scherven handgevormd aardewerk uit de ijzertijd en grind zonder bewerkingssporen afkomstig (vnr. 124, 125 en 126).

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

44

Afb. 3.7 Opname van de coupe van het paalspoor in werkput 21, spoor 21006; gezien naar het zuiden.

Spoor 40007 is een smallere greppel in vergelijking met de andere twee sporen en loopt aan de onderzijde uit in afgeronde punt (afb. 3.8). De greppel is 1,25 m breed, tenminste 4 m lang en 58 cm diep. Het spoor loopt niet over de gehele breedte van de put door. Aan de zuidwestzijde loopt het spoor in een ronde vorm uit. Het spoor snijdt door de B/C- en de C-horizont. De vulling van de greppel bestaat uit lichtgrijsgeel gevlekt zand afgedekt door een laag grijsbruin zand. Bij de aanleg van het vlak werden bovenin de greppel negentien fragmenten handgevormd aardewerk aangetroffen (vnr. 87). Deze scherven zijn getypeerd als bekeraardewerk en mogelijk ook Stein-Vlaardingenaardewerk die dateren uit het laat-neolithicum A (zie ook paragraaf 3.3.1). Tevens werden hier ook zeven brokken bewerkte natuurstenen gevonden waarvan een deel verhit is geweest en vermoedelijk als kookstenen heeft gediend. Als laatste zijn een vuurstenen brok en twee afslagen aangetroffen. Ook tijdens het couperen van het spoor werd neolithisch aardewerk gevonden evenals twee stukken bewerkte natuursteen waarvan één stuk eveneens verbrand is (vnr. 127). Op basis van het vondstmateriaal dateert deze greppel in het neolithicum. De meest westelijke greppel betreft een spoor van 3,40 m breed, tenminste 5 m lang en bijna 60 cm diep, spoor 40009. Ook dit spoor snijdt door de B/C- en de C-horizont.

De greppel is gevuld met onderin een laag geellichtgrijs gevlekt zand met daarboven een pakket lichtgrijsbruin zand. Bovenin het spoor waren een vuurstenen afslag en zes fragmenten handgevormd aardewerk uit de ijzertijd of Romeinse tijd aanwezig (vnr. 89 en 123). Onderin het spoor bevonden zich een vuurstenen afslag en twee bewerkte natuurstenen waarvan één verhit was (vnr. 123). Wat de exacte functie van de greppels was, kon in deze fase van het onderzoek niet achterhaald worden. Wellicht deden ze dienst als begrenzing van ofwel een nederzetting ofwel een erf. Op basis van het in de greppels aangetroffen aardewerk kan met enige voorzichtigheid worden vastgesteld dat spoor 40007

45

Wijchen, Huurlingsedam

de oudste greppel is, daterend uit het neolithicum. De sporen 40006 en 40009 kunnen op basis van het aardewerk in respectievelijk de ijzertijd en de ijzertijd of Romeinse tijd gedateerd worden.

Afb. 3.8 Opname van de greppel in het profiel van werkput 40, spoor 40007; gezien naar het noordoosten.

Behalve deze drie greppels zijn op vindplaats 1 nog zestien greppels aangesneden. Enkele van deze sporen staan met elkaar in verband. Zo ligt spoor 40006 in het verlengde van spoor 39004. Dit laatste spoor loopt naar het noorden toe buiten de werkput door. Onbekend is welke richting dit spoor vervolgens opgaat. Bij de aanleg van het vlak is bovenin de greppel een klein fragment handgevormd aardewerk gevonden (vnr. 91). Ondanks dat het een vrij klein fragment betreft, kon het in de ijzertijd gedateerd worden. De greppel in werkput 41 zal aangesloten zijn op één van de greppels in werkput 40, waarbij spoor 40009, gezien de breedte en ligging, het eerste in aanmerking komt. In werkput 39 snijdt spoor 39005 over spoor 39004. In het profiel is te zien dat het spoor van vrij hoog komt en van onder de bouwvoor in de Bw-, BC- en C-horizont snijdt. Het spoor is direct onder de bouwvoor bijna 4 m breed, is over een lengte van 5 m waargenomen en is 80 cm diep. Gezien de stratigrafie, de vulling (blauwgrijze klei) en de brokjes baksteen heeft het spoor geen hoge ouderdom en dient zelfs aan een datering in de nieuwe tijd gedacht te worden. Als de loop van het spoor wordt doorgetrokken, is de verwachting dat het spoor ook in werkput 38 en 44 zou moeten worden aangesneden. In deze werkputten, maar ook in andere omliggende werkputten is hiervoor echter geen aanwijzing gevonden.

De vraag is dan ook of dit spoor daadwerkelijk als greppel geïnterpreteerd dient te worden. Aan de uiterste westzijde van de vindplaats zijn in werkput 45, 46, 48 en 49 verschillende greppels aangesneden die mogelijk in relatie tot elkaar staan. De werkputten bevinden zich aan de rand en op de flank van de rivierduin wat een

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

46

rol zou kunnen spelen in de aanleg van de sporen op juist deze locatie. Deze greppels vormen mogelijk de begrenzing van bijvoorbeeld een nederzetting op het duin, of juist de afscheiding van graaslanden buiten het duin. De grond ten westen van de greppels, waar het land lager gelegen was, zou vermoedelijk geen geschikte locatie voor bewoning zijn geweest. De greppels zijn 45-170 cm breed, 12-46 cm diep en gevuld met (geel)bruin zand of (bruin)grijze klei. De kenmerken van de greppels (afmetingen en vulling) vertonen weinig overeenkomsten. Mogelijk ligt de oorzaak hiervan in de afwisseling van de bodem: de greppels liggen op de rand van de overgang van zandige naar kleiige gronden ofwel de overgang van de rivierduin naar de flanken ervan. Een andere mogelijkheid is dat de greppels uit verschillende perioden dateren. Vanwege het diverse vondstmateriaal kon echter niet vastgesteld worden uit welke periode. In de greppels is zowel aardewerk, vuursteen, natuursteen als metaal. In de greppels in werkput 48 is een fragment aardewerk uit de Romeinse tijd, een ijzeren nagel en een verbrand brok vuursteen aangetroffen (vnr. 115 en 185). De greppels in de werkput 46 bevatten een vuurstenen afslag, fragmenten aardewerk uit de ijzertijd/Romeinse tijd en bewerkt natuursteen (vnr. 121 en 116). De greppels zijn vooralsnog niet aan een duidelijke gebruiksfase van het terrein te koppelen.

In de werkputten 22 en 23 is een greppel aangetroffen (spoor 22005 en 23005). Het spoor komt in werkput 22 vanuit het noordwesten, maakt een min of meer rechte hoek en loopt verder naar het noordoosten tot in en voorbij werkput 23. In de noordelijke gelegen werkput 24 is de greppel niet meer waargenomen. De greppel is circa 95 cm breed, maximaal 40 cm diep en is over een lengte van 30 m te volgen. Stratigrafisch gezien bevindt de greppel zich onder de Bw- en BC-horizont en snijdt in de C-horizont. Het spoor is gevuld met bruingrijs lemig zand in werkput 22 en in werkput 23 met zandige klei. Onderuit de greppel is een wrijfsteen met een recht, horizontaal slijtvlak afkomstig (vnr. 69). Uit de bodemopbouw in beide werkputten is af te leiden dat hier sprake is van een depressie die is opgevuld met kleiafzettingen. Mogelijk is de greppel gegraven ter drainage van het terrein. Omdat in deze werkputten geen vondstmateriaal is aangetroffen kan de greppel niet nauwkeurig gedateerd worden. Op basis van stratigrafie en op basis van de vulling kan bepaald worden dat de greppel vermoedelijk in de prehistorie of Romeinse tijd gegraven is. De sporen 12004, 18007 en 20005 in werkput 12, 18 en 20 liggen in elkaars verlengde en sluiten vermoedelijk op elkaar aan. De noordoost-zuidwest georiënteerde greppel is 1,40 m breed en 0,45 tot 0,60 m diep.

Het spoor volgt de oriëntatie van de huidige perceelsindeling. In het spoor zijn fragmenten baksteen (1300-1900) aangetroffen. Op basis van deze gegevens is de greppel in de late middeleeuwen/nieuwe tijd gedateerd. Als laatste is in werkput 35 nog een noordoost-zuidwest lopende greppel blootgelegd. Deze greppel ligt op de huidige perceelsgrens. Het spoor bevatte papier, plastic en hout en dateert uit de 20e eeuw.

3.2.4

Een vindplaats uit het midden- of laat-neolithicum

In de zuidwesthoek van vindplaats 1 is ter hoogte van werkput 47 een vindplaats uit het neolithicum aangetroffen. Resten van deze vindplaats

47

Wijchen, Huurlingsedam

bevinden zich tussen 7,00 en 7,60 m +NAP (1,0 tot 1,5 m –mv). De vindplaats bestaat uit een concentratie vuursteen, enkele scherven en in ieder geval één en waarschijnlijk meerdere grondsporen. De resten liggen in de top van een (dek)zanddek waarin een humuspodzol is gevormd (afb. 3.1). Deze is door een jongere duinfase overstoven en hierdoor gaaf bewaard gebleven. Na aantreffen van de eerste vuurstenen is in de A-horizont een vak van 1 x 1 m handmatig schavend verdiept en getroffeld tot vanaf circa 45 cm diepte geen vondsten meer werden aangetroffen. Het onderste deel van het zoekvak is in een vak van 50 x 50 cm laagsgewijs doorzocht. Uiteindelijk zijn op deze wijze 138 stuks vuursteen verzameld en ingemeten. Het vuursteen bestaat uit met name debitageafval waarbij vooral afslagen en schilfers zijn geproduceerd, maar waar eveneens kernen en een stekerafslag toe behoren. Behalve vuursteenafval zijn ook werktuigen aangetroffen waaronder klingen en een groot fragment van een gepolijste bijl. Dit soort bijlen worden gefabriceerd in het midden- en laat-neolithicum, maar hergebruik of –bewerking komt ook voor in bronstijdcontexten. Vuursteen uit het mesolithicum is niet aanwezig. Bij het opschaven van het profiel zijn ook nog enkele vuurstenen artefacten aangetroffen, maar geen concentratie als zojuist beschreven.

Behalve vuursteen is uit het zoekvak ook aardewerk afkomstig waarvan één scherf uit het neolithicum dateert. Ook waren kleine fragmenten aardewerk aanwezig waarop aankoeksel is waargenomen en die aan een kookpot zijn toe te wijzen. Deze fragmenten zijn in periode neolithicum/bronstijd gedateerd. Van één kleine scherf kon alleen worden vastgesteld dat het om handgevormd prehistorisch aardewerk ging. Bij de aanleg van het vlak zijn twee neolithische scherven verzameld. Eén van deze scherven maakt onderdeel uit van bekeraardewerk en is meer specifiek in het laat-neolithicum te plaatsen. In de rand van het hand geschaafde vak zijn mogelijk twee grondsporen aangesneden die samenhangen met de aangetroffen vondstconcentratie. Eén van de sporen zou mogelijk de rand van een kuil kunnen zijn. De sporen zijn gezien de aard van het onderzoek niet verder onderzocht om deze te behouden of in een eventuele latere fase beter te kunnen bestuderen. Bovendien werd in de oostelijke hoek van de werkput in het profiel een duidelijk paalspoor waargenomen dat wel nader onderzocht kon worden (afb. 3.1). Het spoor bevindt zich onder de begraven A-horizont en is 45 cm diep. De vulling van het paalspoor bestaat uit grijs zand met houtskool.

In het spoor zelf zijn geen vondsten gedaan, maar gezien de stratigrafie en de vondsten in de nabijheid van het spoor, ligt een datering in het (laat-)neolithicum voorhanden. Als gekeken wordt naar de ligging van deze vindplaats, dan kan worden vastgesteld dat het zich op de noordelijke, hogere deel van de flank van de rivierduin bevindt. De kleipakketten uit de noordelijk gelegen werkput 48 zijn afgezet tegen deze zelfde flank. Het vuursteen is gevonden op de locatie waar de begraven A-horizont naar beneden duikt en afvlakt. Die zelfde A-horizont loopt naar het zuidoosten op en wordt aan het einde van werkput 47 vermoedelijk gesneden door de moderne bouwvoor. Als gekeken wordt naar de noordoostwand van de put, is te zien dat de A-horizont hier vervaagt. Ditzelfde gebeurt vermoedelijk ook aan de noordwestzijde. In boringen op 5 m ten noordwesten van de putrand is de A-horizont niet meer teruggevonden. Ter controle op de aanwezigheid van een begraven A-horizont zijn de profielen

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

48

in werkput 42 en 43 verdiept. Deze bodemlaag werd hier niet aangetroffen. Op basis van deze gegevens kan worden verondersteld dat de rand van een vindplaats is geraakt en dat de grootste vondstdichtheid vermoedelijk ten zuidwesten van werkput 47 zal liggen, richting de Huurlingsedam. De meest vondstrijke zone zal zeker 10 x 10 m meten, de overstoven zone is naar schatting 25 x 10 m groot. In de laatstgenoemde zone is de kans op het aantreffen van sporen en vondsten het grootst. De totale omvang van de vindplaats kon (nog) niet worden vastgesteld. Gezien de ligging van werkput 47, parallel en op korte afstand van de Huurlingsedam, is het de vraag in welke mate de vindplaats nog intact is. Tussen werkput 47 en de weg ligt een strook van circa 4 m breed. Het vuursteen is op een diepte tussen 1,00 en 1,50 m –mv aangetroffen. Afhankelijk van de diepte van verstoring die de aanleg van de weg heeft veroorzaakt, zou de vindplaats nog intact kunnen zijn. Indien de verstoringen niet dieper dan 1 m reiken, zou dit betekenen dat de vindplaats beschermd is gebleven.

3.3

Determinatie van het vondstmateriaal

3.3.1

Prehistorisch aardewerk (S. Bloo)

Op vindplaats 1 werden in totaal 217 aardewerkfragmenten met een gewicht van 1107 gram gevonden (afb. 3.9 en 3.10; bijlage 7).37 Het aardewerk bestaat uit vrij grote scherven in vergelijking met de andere twee vindplaatsen. De scherven zijn beter geconserveerd en minder afgerond. Een enkel fragment is secundair gebrand. De gebruikte verschraling bestaat uit gebroken kwarts en potgruis. Aan het neolithische aardewerk van vindplaats 3 is aanzienlijk meer gebroken kwarts toegevoegd. Er is weinig diagnostisch materiaal aangetroffen, een enkele randscherf met vingertopindrukken en een rand van een versierde EGK-beker daargelaten. De rest bestaat uit wandfragmenten. De eerder genoemde versierde beker is bij het aanleggen van put 40, in vak 4 aangetroffen (afb. 3.11).38 De biconische beker heeft een spitse, licht uitgebogen rand. De lange, rechte schouder is vlakdekkend versierd met groeflijnen die onregelmatig onder elkaar zijn geplaatst en een rij met puntjes. Net onder de rand is nog een deel van een doorboring zichtbaar. Het fragment dateert uit het laat-neolithicum. Een vergelijkbaar exemplaar is op de vondstlocatie WijchenOostflank en Wijchen-Homberg aangetroffen.39 Afb. 3.11 Randfragment van versierd EGK-aardewerk, laat-neolithicum (vnr. 90.1); schaal 1:1.

37 MAI = 7 38 Spoor 40001. 39 Drenth & Chtcheglov 2012, 85 afb. 8.1 V9.35; Jansen & Tuyn 1978, 244 fig. 8 pot 11.

49

Wijchen, Huurlingsedam

Een paar fragmenten zijn voorzien van een reliëfrijke versiering vermoedelijk gemaakt met een spatel. Deze stukken kunnen afkomstig zijn van een potbeker of van de onderzijde van een klokbeker en te dateren in het laat-neolithicum. Meer dan de helft van de fragmenten dateert in de ijzertijd. Het merendeel heeft een lichte buitenzijde en een donkere kern en binnenzijde. De gebruikte klei is verschraald met potgruis of met potgruis en organisch materiaal, potgruis met gebroken kwarts of met zand (al is daar niet van duidelijk of het verschraling betreft of onderdeel is van de klei zelf). Negentien fragmenten zijn aan de buitenzijde voorzien van een kleipapje wat een reliëfrijk oppervlak geeft (besmijting genoemd). Een scherf is versierd waarbij vingertopindrukken op de rand zijn aangebracht. Een ander fragment toont een doorboring. Dit is echter niet bedoeld als versiering maar is na het bakken van de pot aangebracht. Deze doorboringen worden gezien als reparatiegaten om barsten in de pot te repareren (een touwtje werd door twee gaten aan weerszijden van de breuk gehaald en strak getrokken). Het is een aanwijzing dat men zuinig was met het serviesgoed. Op basis van het nagenoeg ontbreken van versiering, het geringe aandeel besmeten aardewerk en het voorkomen van minerale verschraling wijst op een datering in de eerste helft van de ijzertijd.

Vindplaats 1 is op basis van diagnostische scherven zowel in het laat-neolithicum als in de vroege- en midden-ijzertijd in gebruik of bezocht geweest.

3.3.2 Keramiek uit de Romeinse tijd Het keramiek is onder te verdelen in fragmenten gebruiksaardewerk en fragmenten bouwkeramiek (bijlage 8). Het aardewerk bestaat uit 34 scherven die op de westelijke helft van de vindplaats in werkput 40, 47 en 48 zijn aangetroffen. Er zijn binnen het aardewerkspectrum zowel scherven handgevormd (24 stuks) als wielgedraaid (tien stuks) aardewerk aanwezig met aanzienlijke sporen van verwering. Het verzamelde handgevormde aardewerk bestaat uit minimaal negen individuen, die zich op basis van kleur en baksel van elkaar onderscheiden. Eén scherf bevat opvallende groeven, een andere is vervaardigd uit een kurkurn-achtig baksel. Verder bevat een scherf een grove kwartsmagering. Aangezien een prehistorische datering voor dit laatste fragment uitgesloten kan worden,40 kan het mogelijk als stuk van een dolium (voorraadvat) geïnterpreteerd worden. In werkput 40 is bij de aanleg van het vlak een rand van een wrijfschaal van het type Stuart 149 gevonden. Deze rand is relatief goed dateerbaar en kan in de periode tussen 70 en 270 geplaatst worden. Twee scherven van een gladwandige kruik zouden mogelijk in de 2e eeuw gedateerd kunnen worden. Het betreft een wandfragment en vermoedelijk een voet van een kruik. Dit laatste stuk is erg verweerd waardoor het lastig te determineren is.

De voet/standring lijkt niet al te wijd te zijn geweest waardoor een datering in de 2e eeuw voor de hand ligt.41 De overige fragmenten kunnen allen als Romeins worden aangeduid. Behalve het hierboven besproken bodemfragment van een gladwandige kruik uit een greppel in werkput 48 is het overige aardewerk uit de Romeinse tijd niet aan sporen te relateren; de scherven zijn bij de aanleg van het vlak gevonden. Gezien de hoeveelheid Romeins aardewerk dat werd verzameld en de verwering van het materiaal, in combinatie met de aangetroffen sporen, lijkt er weliswaar

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

40 Vriendelijke mededeling Simone Bloo (aardewerkspecialist prehistorie bij BAAC bv). 41 Vriendelijke mededeling Ester van der Linden (archeoloog bij ArcheoFocus en verbonden aan de gemeente Wijchen).

50

Afb. 3.9 Verspreiding van het aardewerk uit het neolithicum naar aantal scherven.

179.500

179.600

179.700

179.800

179.800

179.900

14

5

423.000

423.000

1

3

423.300

423.300

4 1 29

2 2

8 4

4

3 5 2

12

422.900

423.200

423.200

422.900

8

1

1

4

50 m 422.800

N

0

A-14.0147© BAAC bv

423.100

423.100

179.800

N

4

0

50 m

179.900

Wijchen, Huurlingsedam Vondstverspreiding aardewerk uit het neolithicum 1-2

9 - 14

3-5

15 - 29

6-8

lege vakken

A-14.0147© BAAC bv

179.500

51

179.600

179.700

179.800

Wijchen, Huurlingsedam

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

52

Afb. 3.10 Verspreiding van het aardewerk uit de ijzertijd naar aantal scherven.

179.500

179.600

179.700

179.800

179.800

179.900 3

1

2

1

423.000

12

1

1

423.300

423.300

1 1 27

15

423.000

3

1

11

14

1

2

9

5

7

7 17

2

3

6

5

422.900

3

1

4

19

2

13 12

20

7 1

7

1

N

0

50 m 1

A-14.0147© BAAC bv

2 423.100

423.100

179.800

N

1

8

0

50 m

2

2

2

179.900

Wijchen, Huurlingsedam Vondstverspreiding ijzertijd/prehistorisch aardewerk 1-2

10 - 17

3-5

18 - 27

6-9

lege vakken

A-14.0147© BAAC bv

179.500

53

179.600

179.700

179.800

Wijchen, Huurlingsedam

422.800

4

2

423.200

423.200

422.900

1

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

54

Afb. 3.12 Verspreiding van het keramiek uit de Romeinse tijd naar aantal.

179.500

179.600

179.700

179.800

179.800

179.900

2

1

423.000

423.300

423.300

423.000

8

27

1

1

422.900

422.900

1

1 423.200

N

0

1

50 m 422.800

423.200

1

A-14.0147© BAAC bv

423.100

423.100

179.800

179.900

Wijchen, Huurlingsedam Vondstverspreiding keramiek uit de Romeinse tijd 1 lege vakken 2

N 0

50 m

8 27

A-14.0147© BAAC bv

179.500

55

179.600

179.700

179.800

Wijchen, Huurlingsedam

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

56

menselijke activiteit in het plangebied te hebben plaatsgevonden, maar is de aard van deze activiteiten niet goed te achterhalen. De veertien fragmenten bouwkeramiek zijn verspreid over de vindplaats aangetroffen zoals weergegeven in afbeelding 3.12. Het merendeel is echter afkomstig van het westelijk deel van het terrein en gevonden in de werkputten 40 en 44. Deze fragmenten kunnen niet nader geïnterpreteerd worden dan ‘brok’. Met name de acht fragmenten uit werkput 44 zijn zeer verweerd en kunnen gezien de ligging op de flank van de rivierduin als verspoeld worden aangeduid. De brokken bouwkeramiek uit werkput 40 sluiten aan op het Romeinse vondstmateriaal dat eveneens in deze put is gevonden. Ook deze brokken bevatten duidelijk afgeronde hoeken en zijn dan ook net zo verweerd als de fragmenten uit werkput 44. In het oostelijk deel van de vindplaats zijn drie fragmenten bouwkeramiek gevonden waarvan er één gezien het welvende uiterlijk als imbrex42 gedetermineerd worden. Vanwege de grote spreiding van deze drie stukken over het terrein kan dit bouwkeramiek niet aan een eventuele Romeinse vindplaats op het oostelijk deel van het terrein gerelateerd worden.

3.3.3

42 Een imbrex is een halfronde Romeinse dakpan, die de naden tussen de tegels (tegulae) afdekt. 43 Determinatie Sjaak Mooren (archeoloog bij BAAC bv).

57

Vuursteen (C. Verbeek)

De 158 stukken vuursteen van vindplaats 1 zijn verdeeld over verschillende werkputten aangetroffen waardoor de verspreiding vrij groot is (afb. 3.13 en bijlage 10). In werkput 47 echter is een concentratie vuursteen aanwezig wat wijst op een vuursteensite uit het neolithicum. Het bestaat grotendeels uit debitagemateriaal. Op een vierkante meter die handmatig verdiept is werden hier 138 klingen, afslagen en schilfers verzameld, maar ook fragmenten van bijlen, kernen en een stekerafslag (afb. 3.14). De kern voor de productie van (micro)klingen heeft twee tegenoverliggende slagvlakken. Tijdens de debitage werden vooral afslagen en schilfers geproduceerd. De (micro)klingen zijn meestal gebroken. Een stekerafslag wijst op het gebruik van stekers voor de bewerking van hout of bot. Een bijzondere vondst is een afslag van RomignyLhéry vuursteen uit Noord-Frankrijk.43 Deze vuursteensoort is zeldzaam in Nederland en is meestal geassocieerd met de Michelsbergcultuur of de Enkelgrafcultuur. De fragmenten van gepolijste bijlen kunnen in het midden-neolithicum of mogelijk ook jonger gedateerd worden. Deze artefacten worden nog tot in de (midden-)bronstijd gebruikt. Het cluster in werkput 47 kan, samen met het aardewerk, gedateerd worden in het midden- of laat-neolithicum.

Behalve het debitagemateriaal werden op vindplaats 1 nog kleine schrabbers aangetroffen, fragmenten van bijlen en een spitskling. In de nabij werkput 47 gelegen werkput 48 zijn drie vuurstenen artefacten gevonden. Mogelijk maken zij onderdeel uit van de zelfde site. In werkput 40 werden behalve sporen, aardewerk en andere vondstmateriaal nog zeven vuurstenen artefacten aangetroffen. Het vuursteenmateriaal van vindplaats 1 wijst op een datering in het neolithicum met een uitloop naar de (midden-)bronstijd. Gezien het aardewerk dat op vindplaats 1 aanwezig is, is een datering van het vuursteen in de bronstijd echter uit te sluiten; scherven uit deze periode zijn niet aangetroffen. Vuursteen ouder dan het neolithicum lijkt niet voor te komen.

Wijchen, Huurlingsedam

Determinatie

Aantal

Verbrand

Opmerking

Kern

1

0

Kernvoorbereidingsstuk

1

0

Kling

9

4

Microkling

12

6

Afslag

83

30

Schilfer

32

11

Brok

10

5

onbewerkt: 1

Kiezel

1

0

onbewerkt

Potlid

3

2

Stekerafslag

1

0

Subtotaal

153

58

Fragment gepolijste bijl

3

1

Geretoucheerde afslag

1

0

Afgeknotte afslag

1

0

Subtotaal

5

1

Totaal

158

59

Debitagemateriaal

Werktuigen

Tabel 3.1 Determinatie vuursteen naar aantal.

Vnr. 180

Vnr. 186

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

Afb. 3.14 Vuurstenen bijl en afslag, vnrs. 180 en 186; schaal 1:2.

58

Afb. 3.13 Verspreiding van het vuursteen naar aantal. 179.500

179.600

179.700

179.800

179.800

179.900 1

1

1

1 2

423.000

2

2

423.300

423.300

423.000

1

3

1 1

3

1

1 2 31

1

423.200

423.200

2

422.900

2

422.900

106

2 1 1

2

1

N

50 m 422.800

0

A-14.0147© BAAC bv

423.100

423.100

179.800

N 0

50 m

179.900

Wijchen, Huurlingsedam Vondstverspreiding vuursteen 1

31

2

106

3

lege vakken

A-14.0147© BAAC bv

179.500

59

179.600

179.700

179.800

Wijchen, Huurlingsedam

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

60

3.3.4

Natuursteen (L. Tebbens)

Op vindplaats 1 werd in totaal 1989,6 gram natuursteen verzameld (n = 58), waarvan 805,1 gr (n=6) onbewerkt bleek te zijn (afb. 3.15 en bijlage 11). De overige 52 stuks hadden een totaalgewicht van 1184,3 gram (tabel 3.2). In aantallen blijkt vindplaats 1 het rijkst aan verzameld natuursteen te zijn (57,8% van het totaal), maar in gewicht gaat het om 28,4% van het bewerkte natuursteen. Van de 52 stuks natuursteen waren er 20 verhit, ofwel 38,4 %. De volgende steensoorten konden worden onderscheiden: Steensoort

Aantal (waarvan verhit)

Aantal (%)

Gewicht

Gewicht (%)

Indet

2 (0)

3,8

2,1

0,2

Kwarts

10 (8)

19,2

78,4

6,6

Kwartsiet

7 (5)

13,5

261,3

22,1

23 (6)

44,2

700,4

59,1

Siltsteen

1 (0)

1,9

4,2

0,4

Tefriet

3 (0)

5,8

24,2

2,0

Tabel 3.2: Steensoort naar

Vuursteen

1 (0)

1,9

0,1

0

aantal en gewicht (incl. %)

Zandsteen

5 (1)

9,6

113,8

9,6

op vindplaats 1.

Totaal

52 (20)

100

1184,5

100

Kwartsitische zandsteen

Op vindplaats 1 werden enkele werktuigen aangetroffen, hoofdzakelijk afkomstig uit natuurlijke lagen (bv. spoor 40001, spoor 12002). Op de steen uit vondstnummer 53 (uit spoor 12002) werden butsen/klopsporen aangetroffen (afb. 3.16). Deze grijsbruine kwartsitische zandsteen is min of meer ovaal en is als mogelijke klopsteen geïnterpreteerd. Vondstnummer 69 bevat een zandsteen met scherpe hoeken en een recht, horizontaal, slijtvlak. De steen is als wrijfsteen met slijtsporen geïnterpreteerd en is mogelijk voor maalactiviteiten gebruikt. Vondstnummer 85 (uit spoor 22005, een greppel) is een gebroken, oranjegrijze langwerpige kwartsitische zandsteen met een concaaf slijtvlak (afb. 3.16). De steen is als een gebroken en verbrande slijpsteen geïnterpreteerd. Onder vondstnummer 93 (uit natuurlijke laag spoor 40002) bevindt zich een afgerond hoekige en plaatvormige kwartsitische zandsteen met butsen op een concave zijde (afb. 3.16). De steen is als een mogelijke aambeeldsteen geïnterpreteerd, maar is dan wel erg plat en relatief licht (119,2 gram). De interpretatie als werktuig blijft hier dus onzeker. Met name kwarts en kwartsiet vertonen sporen van verhitting. De vondstnummers 88, 90, 101 en 113 bevatten kwarts of kwartsitische zandsteen met een craquelépatroon en zijn mogelijk als kooksteen gebruikt (afb. 3.16).

Vondstnummers 88, 90 en 113 komen uit een natuurlijke laag (spoor 40001, respectievelijk spoor 48004). Vondstnummer 101 komt uit spoor 40013 (een neolithische kuil).

61

Wijchen, Huurlingsedam

Vnr. 53

Vnr. 85

Vnr. 113 Vnr. 93

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

Afb. 3.16 Natuurstenen klopsteen (vnr. 53), slijpsteen (vnr. 85), mogelijk aambeeld (vnr. 93) en kooksteen (vnr. 113); schaal 1:2.

62

Afb. 3.15 Verspreiding van het natuursteen naar aantal.

179.500

179.600

179.700

179.800

179.800

179.900 1

2

7

2

423.000

423.000

1

1

4

423.300

423.300

2 9 13

1

11

3

3 2

1 1

422.900

1

3

1 1

6

1

5

7

1

1 1

3

1

1

N

0

2

50 m 422.800

2

2

3

423.200

423.200

422.900

1

A-14.0147© BAAC bv

423.100

423.100

179.800

N

2

0

50 m

179.900

Wijchen, Huurlingsedam Vondstverspreiding natuursteen 1

8-9

2-4

10 - 13

5-7

lege vakken

A-14.0147© BAAC bv

179.500

63

179.600

179.700

179.800

Wijchen, Huurlingsedam

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

64

3.3.5

Metaal

Op vindplaats 1 zijn negen metalen objecten aangetroffen (bijlage 12). Hiervan zijn twee voorwerpen van de oostelijke helft van de vindplaats afkomstig: een fragment van een hoefijzer en een nagelfragment. Beide zijn direct onder de bouwvoor in de B-horizont gevonden. Het hoefijzer betreft een groot exemplaar van het boogtype en is na 1800 na Chr. te dateren. De nagel was niet nader te determineren. Van de westelijke helft van de vindplaats zijn de overige zeven voorwerpen afkomstig. Ook hier werden nagelfragmenten verzameld die niet nader te determineren waren. Eén fragment werd in een greppel aangetroffen in werkput 48, de overige stukken werden in de B-horizont gevonden. Het in de C-horizont in werkput 44 gevonden ijzeren plaatje was te gefragmenteerd om goed te kunnen onderzoeken. Tijdens het onderzoek werden ook twee niet-magnetische vloeislakken gevonden. De slak is een afvalproduct van ijzerbewerking. Deze vloeislakken zijn tijdens het herverhitten van ijzer (wolf) ontstaan. De eerste bewerking van ijzeroer/erts naar wolf gebeurde overwegend in de direct omgeving waar het gedolven werd. Vermoedelijk is in het plangebied wolf of ijzer aangevoerd en hier opnieuw bewerkt. Indien er op enige schaal aan ijzerverwerking of aan productie van ijzeren voorwerpen heeft plaatsgevonden zouden veel slakken, maar vooral smeedhaardslakken aanwezig moeten zijn.

Deze laatste zijn (vooralsnog) niet aangetroffen. Toch kan gezien het materiaal een smid in de nederzetting actief zijn geweest. De slakken kunnen niet gedateerd worden, al kan een datering in het neolithicum en de bronstijd uitgesloten worden aangezien het ijzerslakken betreft. De meest opvallende vondst is de draadfibula uit werkput 40 die in de B-horizont ter hoogte van de greppel met spoornummer 40006 werd gevonden. Het betreft een fibula van het type Almgren 15 Bf waarbij de naald en naaldschoen ontbreken (afb. 3.17). Dit type wordt gedateerd tussen 25 en 140 na Chr. Behalve deze fibula uit de Romeinse tijd werden op dezelfde locatie ook nog eens 27 scherven aardewerk uit dezelfde periode aangetroffen.

Afb. 3.17 Opname van de draadfibula, type Almgren 15 Bf. Schaal 2:1.

3.3.6 Dierlijk bot In het zoekvak van de vuursteenconcentratie zijn bij het verdiepen naar het derde vlak twee kleine fragmenten verbrand bot aangetroffen (bijlage 13). Deze waren samen met vuurstenen objecten aanwezig in de E/B-horizont. Afgezien van deze twee fragmenten is op vindplaats 1 geen ander dierlijk bot gevonden.

65

Wijchen, Huurlingsedam

3.3.7

Paleo-ecologisch onderzoek

Uit twee sporen zijn monsters genomen voor paleo-ecologisch onderzoek en, bij de aanwezigheid van verkoolde resten, voor 14C-onderzoek. Het gaat om de sporen 40013, een neolithische kuil (vnr. 102) en spoor 47005 (vnr. 243). Dit laatste spoor betreft de begraven A-horizont uit werkput 47 waar de vindplaats uit het neolithicum werd aangesneden. De monsters zijn onderzocht op botanische resten. In spoor 40013 bleken in het geheel geen plantenresten aanwezig te zijn, met uitzondering van enkele piepkleine stukjes houtskool. Deze fragmentjes houtskool zijn te klein om de soort te kunnen bepalen. Tevens zijn ze ongeschikt (althans niet betrouwbaar) voor een 14C-datering. In het monster van spoor 47005 werden tijdens de waardering twee verkoolde graankorrels gevonden. Er werden geen andere plantenresten gezien. Ten opzicht van het eerste monster bevatte dit monster veel houtskool. Een analyse van het botanisch materiaal wordt niet aangeraden vanwege de zeer geringe informatie die het op zal leveren. Het bevat wel geschikt materiaal voor een 14 C-datering.

3.3.8

Keramiek uit de middeleeuwen en nieuwe tijd

In totaal zijn op deze vindplaats negen fragmenten keramiek gevonden (afb. 3.18). Hieronder bevindt zich een fragment Mayen-aardewerk (725-900), een fragment Elmptaardewerk (1150-1350), een fragment proto-steengoed (1225-1300), een fragment roodbakkend aardewerk (1300-1800) en een fragment grijs steengoed (1600-1750). Het aardewerk is niet aan antropogene sporen te koppelen, maar is afkomstig uit verschillende bodemlagen waaronder vaalbruine akkerlagen die vermoedelijk vanaf de middeleeuwen zijn opgeworpen. Dit vondstmateriaal kan dan ook als mestaardewerk geïnterpreteerd worden. De scherven zijn als huis- of stadsafval met (an) organische stof vermengd geraakt en ter bemesting over de akkers uitgereden en vervolgens verploegd.Vier fragmenten bouwmateriaal behoren toe aan dakpan en baksteen en dateren globaal tussen 1200 en 1900 (bijlage 9). Alleen de dakpan is van grijs aardewerk gemaakt, de bakstenen zijn alle van roodbakkend aardewerk vervaardigd. Eén van de stukken is uit de greppel in werkput 20 afkomstig. Het betreft een stuk baksteen dat tussen 1300 en 1900 gedateerd kan worden. Meer recent bouwkeramiek betreft een fragment dakpan uit de bouwvoor in werkput 17 dat tussen 1550 en 1900 is te plaatsen. Daarnaast is nog een stuk baksteen in de AC-horizont in werkput 24 en een stuk in de B-horizont van werkput 40 gevonden.

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

66

Afb. 3.18 Verspreiding van het keramiek uit de middeleeuwen en nieuwe tijd naar aantal.

179.700

179.800

179.800

179.900

1

423.300

423.300

2

1

423.000

179.600

423.000

179.500

2 2

1

1

1

423.200

423.200

1

422.900

422.900

1

1

2

1 1

50 m

1 A-14.0147© BAAC bv

423.100

423.100

179.800

1

179.900

Wijchen, Huurlingsedam Vondstverspreiding keramiek uit de middeleeuwen en nieuwe tijd 1 2

N

1

0

lege vakken

50 m A-14.0147© BAAC bv

179.500

67

179.600

179.700

179.800

Wijchen, Huurlingsedam

422.800

N

0

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

68

4

Vindplaats 2: bodem, sporen en vondsten

4.1

Lithologie, bodemopbouw en lithogenese (C. Kalisvaart)

Binnen het noordoostelijke onderzochte deel van vindplaats 2 kan een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen een zone met “schoon” rivierduinzand ter hoogte van de werkputten 1 en 2 bestaande uit lichtgeel, matig grof, matig tot goed gesorteerd, matig afgerond zand, een zone met slechter gesorteerd en siltrijker zand ter hoogte van de werkputten 4 en 5 én een zone waar geen rivierduinzand wordt aangetroffen (bijlage 3). Het “schone” rivierduinzand komt voornamelijk voor in een smalle strook langs de Huurlingsedam. Het duinzand is in deze zone maximaal 1 m dik en is niet gelaagd afgezet (zwak siltig, matig fijn tot matig grof zand, Zs1 in afb. 4.1). In het rivierduinzand heeft zich een bruinige tot licht(rood)bruinige moderpodzol-B-horizont kunnen ontwikkelen, die later door bioturbatie meer gehomogeniseerd is geraakt. De reden van homogenisatie is de aanwezigheid van veel bodemleven. Graafgangen van dieren zijn voornamelijk op de overgang van de BC- naar de C-horizont zichtbaar als gele of roodbruine vlekken in een roodbruine of gele matrix (BC-horizont en onderliggende C-horizont; afb. 4.1). In profiel 201 is bovenop het duinzand een dun pakket klei afgezet dat vermengd is met de top van het duinzand (Kz3). De afdekking door fluviatiele afzettingen kan verklaard worden door de relatief lage ligging van de top van het rivierduinzand tussen 7,0 en 7,8 m +NAP.

De zandige klei is door interne verwering en nieuwvorming van kleimineralen sterk verbruind. Ook zijn er al wat ijzeroxides als sesquioxiden uitgespoeld in de B-horizont. Derhalve wordt in profiel 201 (afb. 4.1) gesproken over een Bw(s)-horizont. De top van het rivierduinzand ligt ten opzichte van vindplaats 1 beduidend lager. In de profielen is dan ook op veel plaatsen het onderliggende, matig tot zeer grove beddingzand behorende tot het Late Dryas zichtbaar. Het beddingzand ligt hier echter op enkele plekken beduidend hoger dan ter hoogte van vindplaats 1 zoals bijvoorbeeld ter plaatse van profiel 201 (op 6,5 m +NAP). Ter hoogte van profiel 301 lijkt het terraszand zelfs reeds op circa 6,9 m + NAP voor te komen. Ook wordt de top van het beddingzand ter hoogte van vindplaats 2 afgedekt door een sterk siltige, lemige tot zandige laag. Deze lemige top kan mogelijk als overstromingsafzetting uit het Allerød worden geïnterpreteerd. In dit geval zou het aanwezige, onderliggende beddingzand behoren tot het oudere overgangsterras uit het Laat-Glaciaal. Ter plekke van de werkputten 4 en 5 ligt de top van het rivierduinzand tussen 7,1 en 7,3 m +NAP. Het duinzand is hier minder goed gesorteerd. Ook komt er op deze locaties geen duidelijke moderpodzol-B voor. Wel is er sprake van een verbruinde verweerde Bw-horizont, indien deze tenminste niet is vergraven

69

Wijchen, Huurlingsedam

(werkput 4 bevat grootschalige, diep reikende verstoringen). In de top van het rivierduinzand worden enkele kiezels aangetroffen (hoofdzakelijk gekleurde kwarts, glauconiet houdende zandsteen en gerolde vuurstenen). Het duinzand is hier maximaal 80 cm dik. Daar onder komt grof, grindrijk fluviatiel zand voor, vermoedelijk terraszand. Het duinzand wordt hier afgedekt door een pakket siltrijk, fijn zand tot zwak zandige klei. Het betreft hier weer afzettingen van het Wijchense Maasje en die vervolgens zijn vermengd met het onderliggende duinzand. Het meest noordelijk gelegen deel van vindplaats 2 ligt in een met holocene afzettingen opgevulde rivierdalvlakte (bijlage 2). Er wordt in dit gedeelte van vindplaats 2 (vrijwel) geen rivierduinzand aangetroffen. Het beddingzand komt hier ter hoogte van werkput 2 nog voor vanaf 6,9 m +NAP, terwijl deze ter hoogte van de werkputten 3 (noordoostelijke deel) en 5 pas voorkomt vanaf 6,2 m +NAP. Vermoedelijk liggen de werkputten 3 en 5 grotendeels binnen de contouren van de tijdens het Late Dryas ingesneden rivierdalvlakte, terwijl de werkputten 1, 2 en 4 op een restant van het hoger gelegen overgangsterras liggen. Een andere hypothese is dat het hier om één en hetzelfde rivierterras gaat. De hogere toppen betreffen vlechtende toppen van rivierbanken, terwijl de lagere delen plaatsen van geulen indiceren.

Een dun grindsnoertje op 6,2 m +NAP ter hoogte van werkput 3 zou in dit geval een zogenaamde “channel lag” afzetting44 zijn.45 Zekerheid over welke van de twee hypotheses de meest waarschijnlijke is, kan vooralsnog niet worden gegeven. Bij een mogelijk vervolgonderzoek zal hier extra aandacht aan dienen te worden besteed. Opvallend is dat ter hoogte van werkput 3 wel (verspoeld) rivierduinzand voorkomt bovenop het beddingzand. Dit duinzand is vermoedelijk aan de noordoostelijke, wind luwe zijde van het hoger gelegen overgangsterras/ rivierbank afgezet en daar vervolgens blijven liggen. De bodemopbouw ter plekke van de rivierdalvlakte wordt gekarakteriseerd door een circa 30 cm dikke Bw(s)-horizont die zich heeft ontwikkeld in zandige klei met daaronder ijzer- en mangaanrijke gley-horizonten (afb. 4.2). Deze gley-verschijnselen kunnen worden beschouwd als pseudogley. Dit vanwege de

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

Afb. 4.1 Foto van profiel 201 gelegen op het rivierduin (d.d. 23-06-2014). In de top van het zand heeft zich een bruine tot roodbruine moderpodzol-B kunnen ontwikkelen, die later door bioturbatie meer gehomogeniseerd is geraakt (BC-horizont). Het duinzand is vermoedelijk gedurende de actieve fase van het Wijchens Maasje afgedekt door oeverafzettingen veelal bestaande uit zandige klei (Kz3). Deze klei is vervolgens verweerd, waardoor zich een bruinige Bw(s)-horizont heeft kunnen ontwikkelen. Opvallend in dit profiel is de scheef omhoog lopende top van het aanwezige beddingzand in zuidoostelijke richting.

44 = de basis van een rivier of geul, bestaande uit gerold, grof sediment dat meestal is vermengd met hout- en slibresten. 45 Een mooie, heldere foto van het aangetroffen grindsnoer ontbreekt.

70

Afb. 4.2 Foto van profiel 202 (d.d. 23-06-2014) met daarin duidelijk zichtbaar zandige, kleirijke overstromingsafzettingen die als Laag van Wijchen kunnen worden geïnterpreteerd. Een moderpodzol-B-horizont komt hier niet voor. Wel een verweerde Bw-horizont met daaronder duidelijke (pseudo) gley-verschijnselen in de vorm van roest- en mangaanvlekken. De top van het beddingzand wordt gekenmerkt door wederom een lemige laag met daarin gebleekte wortel- en diergangen.

aanwezigheid van een onderliggend slecht waterdoorlatend leempakket in de top van het beddingzand, dat ervoor zorgt dat er een schijngrondwaterspiegel wordt gecreëerd. Deze put is aangelegd buiten de contouren van het rivierduin.

4.2

Analyse van de sporen op het onderzoeksterrein

Vindplaats 2 heeft een beperkte hoeveelheid grondsporen opgeleverd (bijlage 6). Alleen in werkput 3, op de rand van de hoger gelegen rivierduin, zijn drie antropogene sporen aangetroffen: twee greppels en een kuil. De greppels zijn vanuit de bouwvoor ingegraven wat wijst op een relatief jonge datering van de sporen. Bovendien is in de meest zuidelijke greppel plastic aangetroffen waarmee dit spoor met zekerheid in de 20e of 21e eeuw in gebruik was. In de noordelijke greppel is een fragment aardewerk uit de periode tussen 1575 en 1650 gevonden, evenals een fragment van een dakpan (1550-1900) en een fragment glas dat niet ouder is dan de 18e eeuw. Wanneer de allesporenkaart op de kadastrale minuut van 1811-1832 wordt geprojecteerd, kan worden vastgesteld dat er geen perceelsgrenzen op de locatie van de aangetroffen greppels liggen. De noordelijke greppel is mogelijk aan het einde van de 16e of in 17e/18e eeuw gegraven en aan het begin van de 19e eeuw dichtgeworpen. De zuidelijke greppel zal vermoedelijk pas aan het einde van de 19e of in de 20e eeuw zijn aangelegd. De kuil in het zuiden van werkput 3 heeft een doorsnede van 85 cm en is gevuld met grijs kleiig zand en bevat ijzerinclusies. Door een gebrek aan vondsten in het spoor ligt een exacte datering niet voor de hand.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=1421666a-818f-45f6-93e3-e6cda63f5f23