CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9 Archeologisch inventariserend veldonderzoek, BAAC, februari 2015.pdf

Raad openbaar Wijchen 24 november 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 83052 Beslisnota Bestemmingsplan Huurlingsedam fase 427.837 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Ondanks de hoeveelheid vondsten uit met name de ijzertijd die is verzameld, zijn geen sporen uit deze periode aangesneden. Dit kan mogelijk veroorzaakt zijn door bioturbatie waarbij sporen worden opgenomen in B-horizont en de vulling van de sporen zich niet meer onderscheidt van die zelfde horizont. Waarschijnlijker is, dat sprake is van een vondststrooiing in de periferie van een nederzetting. De terreinenten zuiden van het onderzoeksgebied, aan de overzijde van de Huurlingsedam, liggen fors hoger (afb. 2.3). Verondersteld

71

Wijchen, Huurlingsedam

180.000

423.000

179.900

423.000

179.800

422.900

422.900

3

422.800

422.800

2

179.800

179.900

180.000

Wijchen, Huurlingsedam

Vindplaats 2 en 3 op kadastrale kaart 1811-1832 vindplaatsen 2 en 3 greppel kuil natuurlijke laag natuurlijke verstoring

N

paalkuil(gat) recente verstoring

0

50 m A-14.0147© BAAC bv

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

Afb. 4.4 Uitsnede van de allesporenkaart van vindplaats 2 geprojecteerd op de minuut van 1811-1832.

72

Afb. 4.3 Allesporenkaart van vindplaats 2. A3?

179.800

179.900

180.000

180.100

Wijchen, Huurlingsedam

Allesporenkaart vindplaats 2 vindplaats 2

423.000

423.000

bouwvoor

3

greppel kuil natuurlijke laag natuurlijke verstoring paalkuil(gat)

422.900

422.900

recente verstoring

1

2

422.800

422.800

3

2

N 0

50 m A-14.0147© BAAC bv

179.800

73

179.900

180.000

180.100

Wijchen, Huurlingsedam

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

74

mag worden dat daar één of meer nederzettingsterreinen uit de periode neolithicum-ijzertijd liggen.

4.3

Determinatie van het vondstmateriaal

4.3.1

Prehistorisch aardewerk (S. Bloo)

Het aardewerk van vindplaats 2 bestaat vooral uit kleine wandfragmenten met een licht bruine kleur. Er zijn 100 fragmenten met een gewicht van 364 gram verzameld (afb. 3.9 en 3.10).46 De meeste scherven zijn afkomstig van potten gemaakt van klei met een potgruis verschraling, een enkele bevat ook kwarts in het baksel. Een paar scherven zijn van besmeten potten afkomstig en de meerderheid van gegladde potten. Eén fragment springt er uit doordat het afkomstig is van de bovenzijde van een open schaal met een zwakke binnenwaartse knik (vormtype 3b; afb. 4.5).47 De rand is vlak maar aan de binnenzijde verdikt (randtype B1). De randdiameter ligt rond de 35 cm maar is door enkele onregelmatigheden in de top niet precies meetbaar. Volgens Van den Broeke komen schalen met een diameter van boven de 10 cm tot ongeveer 50 cm vooral in de tweede helft van de vroege ijzertijd voor (fase C en D).48 Vindplaats 2 kan op het geringe aantal (diagnostische) scherven dat is aangetroffen (totaal aangetroffen fragmenten 100 stuks) in het neolithicum en in de vroege en/of midden-ijzertijd worden gedateerd.

Afb. 4.5 Randfragment van open schaal met lichte binnenwaartse knik, vroege ijzertijd (vnr. 4.4); schaal 1:2.

4.3.2

Vuursteen (C. Verbeek)

Op de flank van de rivierduin zijn in werkput 2 vijf vuurstenen aangetroffen (afb. 3.13). Vier stukken zijn als onbewerkt gedetermineerd en de vijfde betreft een mogelijk bewerkt brok vuursteen. Deze laatste vuursteen is in de BC-horizont aangetroffen waarin ook een fragment bekeraardewerk uit het neolithicum werd gevonden, evenals een fragment prehistorisch aardewerk. Indien daadwerkelijk sprake is van een artefact zou deze in de prehistorie en vermoedelijk in het neolithicum gedateerd kunnen worden. Op vindplaats 2 zijn in ieder geval geen zekere antropogene artefacten gevonden. Er kan dan ook niet worden gesproken over een vuursteenvindplaats op deze locatie.

46 MAI = 2 47 Van den Broeke 2012, 47 e.v. 48 Van den Broeke 2012, 49.

75

Wijchen, Huurlingsedam

4.3.3

Natuursteen (L. Tebbens)

Op vindplaats 2 werd in totaal 1919,1 gram natuursteen verzameld (n = 26), waarvan 202,7 gr (n=7) natuurlijk bleek te zijn (afb. 3.15). De overige negentien stuks hadden een totaalgewicht van 1716,4 gram (tabel 4.1). Hiertussen zat één aambeeldsteen van kwartsiet van 1148,7 gram, waardoor het gewichtspercentage van vooral kwartsiet (76,2 %) erg vertekend is. Opvallend op vindplaats 2 is verder het grote aantal verhitte stenen, te weten sporen van verhitting op vijftien van de negentien stuks, ofwel 79%. De volgende steensoorten konden worden onderscheiden: Aantal,

Steensoort

(waarvan verhit)

Aantal (%)

Gewicht

Gewicht (%)

Kwarts

3 (3)

15,8

66,5

3,9

Kwartsiet Kwartsitische

4 (2)

21,1

1308,6

76,2

5 (5)

26,3

266,7

15,5

3 (3)

15,8

12,6

0,7

Steenkool

1 (0)

5,3

2,4

0,1

Zandsteen

3 (2)

15,8

59,6

3,5

Totaal

19 (15)

100

1716,4

100

zandsteen Siltsteen

Tefriet ontbreekt op vindplaats 2, en is op vindplaats 1 en 3 in lage aantallen en gewichtspercentages aanwezig. Tefriet komt pas voor vanaf de late bronstijd. Het ontbreken van tefriet op een vindplaats wijst er op dat als het op andere locaties in het plangebied wel gevonden wordt, maar in de spoorcontexten van vindplaats 2 niet, er sprake kan zijn van een vindplaats ouder dan de late bronstijd.49 Dit komt overeen met de datering van een deel van het aangetroffen aardewerk van vindplaats 2, dat de vindplaats in het neolithicum plaatst.

Tabel 4.1 Steensoort naar aantal en gewicht (incl. %) op vindplaats 2.

49 Zo is het archeologisch onderzoek te Well-Aijen een goed voorbeeld: in werkvak 1 (ijzertijd-Romeinse tijd) was 50% van het natuursteenassemblage in zowel gewicht als aantal stuks tefriet. Blijkbaar was het tefriet toen dus ruim aanwezig in het gebied. In het direct aangrenzende werkvak 2 (neolithicummesolithicum) werden slecht drie kruimels tefriet in de jongere lagen gevonden. De conclusie was dat tefriet nog niet gebruikt werd en dat er blijkbaar ook geen bewoning uit de ijzertijdRomeinse tijd aanwezig was in werkvak 2: dan had je immers veel meer tefriet verwacht in het natuursteenassemblage in werkvak 2. Van werkvak 1 weten we immers dat het wel beschikbaar was in het gebied in die tijd. Ter Wal & Tebbens 2012.

Afb. 4.6 Mogelijk aambeeld van natuursteen (vnr. 5); schaal 1:2.

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

76

Op één groot fragment kwartsiet van 1147,8 gram (vnr. 5; afb. 4.6) werden op een concave zijde butsen of klopsporen aangetroffen. Deze steen is geïnterpreteerd als een aambeeldsteen, maar komt uit een natuurlijke laag (spoor 2002). Op de stenen uit vondstnummers 3, 4, 6 en 7 werd een craquelépatroon aangetroffen (afkomstig uit de natuurlijke lagen met spoornummer 2001 of 2002). Deze stenen zijn mogelijk als kooksteen gebruikt, waarbij vnr. 6-1 mogelijk als mageringskwarts is achtergelaten. Het steenkool betreft een klein fragment uit spoor 2001, de B-horizont, direct onder de bouwvoor.

4.3.4

Keramiek uit de nieuwe tijd

Het aandeel keramiek uit deze periode is op vindplaats 2 zeer klein. Uit de meest noordelijke greppel in werkput 3 is een fragment aardewerk en een fragment bouwkeramiek afkomstig (afb. 3.18). Het betreft een bodem van grijs steengoed (1575-1650) en een stuk van een grijsbakkende dakpan die tussen 1550 en 1900 is gedateerd. Ook is uit de bouwvoor een bodem van een kan van grijs steengoed aangetroffen met een zelfde datering als de scherf uit de greppel, 1575-1650. De fragmenten kunnen als mestaardewerk geïnterpreteerd worden en wijzen gebruik van het terrein als akkergrond.

4.3.5

Glas en metaal uit de nieuwe tijd

Op vindplaats 2 is één fragment glas gevonden (bijlage 14). Het betreft een fragment van een groen gekleurde fles die niet ouder is dan de 18e of 19e eeuw. Het fragment is afkomstig uit de greppel in werkput 3. De vondst in combinatie met de stratigrafie en de vulling van de greppel kan dit spoor aan het einde van de nieuwe tijd dateren. Ook de categorie metaal is minimaal vertegenwoordigd op vindplaats 2. In de bouwvoor van werkput 1 werd een ijzeren spie of boutfragment aangetroffen, dat na 1800 dateert. Metaalvondsten behorende tot de nederzetting uit de ijzertijd zijn niet gevonden.

77

Wijchen, Huurlingsedam

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

78

5

Vindplaats 3: bodem, sporen en vondsten

5.1

Lithologie, bodemopbouw en lithogenese (C. Kalisvaart)

Vindplaats 3 ligt grotendeels op een hoog gelegen rivierduin, waarvan de top van het duinzand voorkomt op 8,0 m + NAP. De C-horizont bestaat veelal uit matig grof, goed gesorteerd, matig afgerond, lichtgeel zand (afb. 5.1). Op de C-horizont ligt een sterk gebioturbeerde, bruingele BC-horizont, waarboven een (oranje)bruine tot geelbruine Bh-horizont (moderpodzol-B) voorkomt. De top van de rivierduin is licht verrijkt met silt dat tijdens hoogwaters bovenop het duinzand is afgezet. Vandaar dat in de meeste gevallen gesproken wordt over een Bw(s)-horizont. Op sommige locaties, waaronder ter plekke van profiel 603 (afb. 5.1), lijkt de top van het rivierduin als akkergrond in gebruik te zijn geweest. De top van het rivierduin is hier licht gemêleerd, bevat ietwat veraard humus en heeft een relatief strakke ondergrens.

Afb. 5.1 Foto van profiel 603 met daarin duidelijk herkenbare graafgangen van dieren op de overgang van de bruingele BC- naar de gele C-horizont (d.d. 24-06-2014). In de top van het duinzand is mogelijk een oudere akkerlaag aanwezig.

Het goed gesorteerde zand komt vooral in de werkputten 6, 7 en 8 voor. Ter plekke van de werkputten 10 en 11 ligt de top van het rivierduinzand op respectievelijk 7,5 en 7,3 m +NAP. De top van het rivierduinzand is hier minder goed gesorteerd, bevat meer silt en er komt geen duidelijke moderpodzol-Bhorizont in voor. Het verspoelde duinzand wordt in deze werkputten afgedekt door een 40 tot 70 cm dik pakket sterk tot uiterst siltig, grof zand. In het noordelijke deel van werkput 8 en in werkput 9 komt een sterk zandig tot zandig leempakket in het vlak voor. Dit afdekkende klei- of leempakket

79

Wijchen, Huurlingsedam

bevat veel roest- en mangaanvlekken als gevolg van de ligging in lagere en dus nattere gebieden (oxidatie/reductie-verschijnselen). Na bestudering van een kijkgat ter hoogte van profiel 901 blijkt dat onder dit kleidek het duinzand vanaf 7,0 m +NAP (1,0 m –mv) voorkomt en in noordoostelijke richting geleidelijk afloopt. Onder het duinzand komt vanaf 6,4 m + NAP een dun fijnzandig, siltrijk laagje voor waarboven een dun grindsnoer voorkomt. Daar weer onder komt grindrijk, grof zand voor dat als beddingzand kan worden beschouwd.

5.2

Analyse van de sporen op het onderzoeksterrein

De zichtbaarheid van (paal)sporen op vindplaats 3 is door verbruining en bioturbatie niet optimaal (bijlage 6). Vermoedelijk zijn hierdoor sporen niet waargenomen. Alleen in werkput 6 is mogelijk een paalspoor aangesneden (spoor 6005; afb. 5.2 en 5.3). Dit spoor is niet eenduidig antropogeen en lijkt solitair te liggen. De omliggende verkleuringen in de bodem zijn veroorzaakt door dieren en zijn als natuurlijke sporen geïnterpreteerd. Spoor 6005 is 26 cm in doorsnede en 18 cm diep. Het spoor is gevuld met uitgeloogd bruingrijs zand en bevatte geen vondsten. Indien daadwerkelijk van een spoor sprake is, doet de vulling van het spoor een datering in de prehistorie vermoeden. Op basis van het vondstmateriaal dat op de gehele vindplaats is aangetroffen is dat zeer wel mogelijk. Met name de relatief grote aantallen aardewerk uit het neolithicum en in mindere mate de ijzertijd wijzen op gebruiksfasen van het terrein in deze perioden en mogelijk op bewoning. In drie werkputten op de flank van de rivierduin zijn in totaal acht bewerkte stukken vuursteen verzameld, één vuursteen bleek onbewerkt. Ook dit natuursteen geeft aan dat de vindplaats in het neolithicum of de bronstijd in gebruik is geweest. Eventueel andere sporen zullen mogelijk door bioturbatie in de bovenliggende bodemlagen zijn opgenomen waardoor geen onderscheid meer bestaat in de verschillende vullingen.

Een andere mogelijkheid is dat de bewoningssporen zich meer richting het zuidoosten van de vindplaats bevinden. Als gekeken wordt naar een kaart van het Actueel Hoogtebestand Nederland is te zien dat de rivierduin zich buiten de begrensde vindplaats naar het zuidoosten toe uitstrekt (afb. 2.3). In de boringen werd buiten de rand van de huidige vindplaats echter geen vondstmateriaal aangetroffen. RAAP heeft onder andere op basis van de aanwezigheid van het vondstmateriaal de begrenzing van de vindplaats aangewezen. Wellicht zijn antropogene sporen ten zuidoosten van de vindplaats wel aanwezig. Een laatste mogelijkheid is, dat sporen of vindplaatsen tussen de huidige sleuven in te vinden zijn. Van de huidige sleuven liggen er tenminste 3 op de laaggelegen randzone van het duintje, waardoor het potentieel van het hoger gelegen deel mogelijk niet afdoende verkend is.

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

80

Afb. 5.2 Allesporenkaart van vindplaats 3.

179.800

179.900

180.000

180.100

Wijchen, Huurlingsedam

Allesporenkaart vindplaats 3 vindplaats 3

423.000

423.000

bouwvoor

3

greppel kuil natuurlijke laag natuurlijke verstoring paalkuil(gat)

422.900

422.900

recente verstoring

1

2

422.800

422.800

3

2

N 0

50 m A-14.0147© BAAC bv

179.800

81

179.900

180.000

180.100

Wijchen, Huurlingsedam

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

82

Afb. 5.3 Opname van de coupe van spoor 6005; gezien naar het zuidwesten.

5.3

Determinatie van het vondstmateriaal

Op vindplaats 3 is divers vondstmateriaal aangetroffen waaronder aardewerk, vuur- en natuursteen. Het aardewerk kan met zekerheid in het neolithicum, de ijzertijd en de middeleeuwen/nieuwe tijd gedateerd worden. De datering van een viertal gedraaide scherven is onzeker, deze vertonen weinig diagnostische kenmerken. Mogelijk kunnen ze als Romeins geïnterpreteerd worden.

5.3.1

50 MAI = 3. 51 Werkput 8, spoor 8003 (in de B/C horizont). Vnr. 23 komt uit de B-horizont, Spoor 7002. Rand met vnr 30.1 heeft randtype A2, rand 16 van Van den Broeke 2012. 52 Drenth & Chtcheglov 2012, 83. In deze publicatie wordt aardewerk uit de Vlaardingencultuur en het aardewerk uit de Steingroep als een culturele eenheid beschouwt en Stein-Vlaardingen-complex genoemd. 53 Lanting & Van der Plicht 2002.

83

Prehistorisch aardewerk (S. Bloo)

Het aardewerk van vindplaats 3 bestaat vooral uit dunwandig aardewerk dat vaak sterk gefragmenteerd is. Er zijn 73 scherven met een gewicht van 303 gram verzameld (afb. 3.9 en 3.10).50 Opvallend is de kwartsverschraling die in grote hoeveelheden is toegevoegd, zeker in vergelijking met het aardewerk van vindplaats 1. De brokjes kwarts zijn weggewerkt in de wand maar zijn wel zichtbaar gebleven. Het aardewerk heeft een bruine kleur en heeft regelmatig een lichte buitenzijde maar donkere kern en binnenzijde. De dunwandige fragmenten zijn tussen 5 en 7 mm dik. Het dikwandige aardewerk, waarvan twee randfragmenten zijn aangetroffen, is10 mm dik. De randen staan sterk naar buiten gebogen in een vloeiende overgang naar de hals (Afb. 5.4, vnr. 30.1 en 23.4.). Een rand heeft een ronde top en de andere een vlakke top.51 De randfragmenten kunnen van Stein-Vlaardingen-aardewerk52 afkomstig zijn, maar ook bekeraardewerk is niet geheel uit te sluiten. Gezien de grote hoeveelheid kwarts in de breuk behoort dit aardewerk tot de fase VL1b of VL1c zoals omschreven voor West-Nederland (3000-2750 v.Chr.).53

Wijchen, Huurlingsedam

Vnr. 23.4

Afb. 5.4 Randen uit vindplaats 3, Stein-Vlaardingen-complex, laat-neolithicum (vnr. 23.4 en

Vnr. 30.1

30.1); schaal 1:1.

In put 8, spoor 8002, zijn enkele fragmenten van een bodem van mogelijk een Stein-Vlaardingenpot aangetroffen.54 De buik loopt vloeiend over in de bodemplaat zoals bij vormtype C naar de indeling van Glasbergen te zien is in afb. 5.5. 55 Bodemtype

Afb. 5.5 Bodemtypen (Stein-) A

B

C

Vlaardingenaardewerk. Naar Glasbergen e.a. 1967, 10.

Ruim 70% is toe te schrijven aan het neolithische aardewerk, een vijfde deel (19%) is jonger en dateert in de ijzertijd. Deze scherven onderscheiden zich van het neolithische materiaal doordat ze afkomstig zijn van met potgruis verschraalde potten en doordat een enkel fragment besmeten is.56

5.3.2

Vuursteen (C. Verbeek)

In vier werkputten op vindplaats 3 zijn negen vuurstenen aangetroffen waarvan twee stukken onbewerkt waren (afb. 3.13). Het vuursteen is verspreid over een relatief groot oppervlak aangetroffen wat de aanwezigheid van een vuursteensite niet aannemelijk maakt. In tegenstelling tot het vuursteen van vindplaats 2 zijn op deze locatie enkele goed dateerbare artefacten aanwezig. Behalve een brok en enkele afslagen, zijn

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

54 Vnr. 32.1. 55 Glasbergen e.a. 1967, 10. 56 l komt besmijting ook voor bij Vlaardingen-aardewerk! Dit is waarschijnlijk ontstaan door het bewust opruwen van de wand van de pot maar resulteert in dezelfde reliëfrijke afwerking (aangetroffen op aardewerk van Voorschoten-De Donk, waarneming van de auteur).

84

Vnr. 29

Vnr. 41

Vnr. 49

Afb. 5.6 Vuurstenen enkelvoudige schrabber (vnr. 29), schrabber op afslag (vnr. 41 en 49) en een spitskling (vnr. 50); schaal 1:1.

85

Vnr. 50

Wijchen, Huurlingsedam

twee schrabbers en een spitskling gevonden (afb. 5.6). De spitskling wijst op een datering van het vuursteen in het midden-neolithicum, de schrabbers worden in de periode midden-neolithicum tot midden-bronstijd geplaatst. Determinatie

Aantal

Verbrand

Opmerking

Debitagemateriaal Afslag

3

0

Brok

2

0

Subtotaal

5

0

onbewerkt: 2

Werktuigen Schrabber op afslag

3

0

Spitskling

1

0

Subtotaal

4

0

Totaal

9

0

Tabel 5.1 Determinatie

5.3.3

vuursteen naar aantal.

Natuursteen (L. Tebbens)

Op vindplaats 3 werd in totaal 1382,3 gram natuursteen verzameld (n = 26), waarvan 117,8 gram (n=7) onbewerkt bleek te zijn (afb. 3.15). De overige negentien stuks hadden een totaalgewicht van 1263,5 gram (tabel 5.2). Vanwege een groot brok verhitte kwarts (538,9 gram) is op deze vindplaats het gewichtspercentage kwarts relatief hoog (69,8%). De kwarts is mogelijk verhit om fijn gefragmenteerde kwarts te verkrijgen ten behoeve van de magering van aardewerk, omdat de steen als kooksteen wel erg groot en zwaar is. Van de in totaal negentien stuks bewerkt natuursteen op deze vindplaats waren er zes verhit, ofwel 31,6%. De volgende steensoorten konden worden onderscheiden: Aantal

Steensoort

(waarvan verhit)

Aantal (%)

Gewicht

Gewicht (%)

Kwarts

7 (4)

36,8

882,3

69,8

Kwartsiet

3 (1)

15,8

213,7

16,9

6 (0)

31,6

154,5

12,2

1 (1)

5,3

7,5

0,6

Kwartsitische zandsteen Siltsteen Steenkool

1 (0)

5,3

2,7

0,2

Tabel 5.2 Steensoort naar

Tefriet

1 (0)

5,3

2,8

0,2

aantal en gewicht (incl. %) op

Totaal

19 (6)

100

1263,5

100

vindplaats 3.

Op vindplaats 3 zijn geen werktuigen aangetroffen. Op vier stuks verhitte kwarts (vnr. 28, 36, 40, 46 uit de natuurlijke lagen spoor 8002 en spoor 10002) werd een craquelépatroon aangetroffen. Het kan hier gaan om kwarts dat als grondstof voor magering werd gebruikt of als kooksteen. Tefriet is op vindplaats 3 nauwelijks aanwezig wat kan duiden op het feit dat het tefriet erg verweerd is, waardoor het niet meer verzamelbaar was, of dat tefriet weinig voorkwam

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

86

of gebruikt werd in de nederzetting. Omdat tefriet pas vanaf de late bronstijd voorkomt, zou dit fragment aan de vindplaats uit de ijzertijd toebehoren.

5.3.4

Keramiek uit de middeleeuwen en nieuwe tijd

Op vindplaats 3 zijn acht fragmenten keramiek verzameld waarvan zeven scherven aan aardewerk toe te schrijven zijn en één fragment aan bouwmateriaal (afb. 3.18). Het aardewerk bestaat uit een fragment Elmptaardewerk (1150-1350), twee fragmenten grijs steengoed (1300-1450/1550) en vier scherven roodbakkend aardewerk (1225-1800). Alle scherven zijn in bodemlagen aangetroffen waaronder de bouwvoor en de B- en BC-horizont. In deze laatste horizont is ook een fragment roodbakkend bouwkeramiek aangetroffen. Het stuk is afkomstig van een baksteen dat tussen 1200 en 1800 na Chr. gedateerd wordt. Bij gebrek aan antropogene sporen uit deze periode waaraan de vondsten gekoppeld kunnen worden, is vermoedelijk sprake van mestaardewerk op deze locatie.

87

Wijchen, Huurlingsedam

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

88

6

Synthese, waardering en advies

6.1

Synthese: gebruik van en bewoning op een rivierduincomplex

De vindplaatsen 1, 2 en 3 liggen op een grootschalig rivierduincomplex dat gedurende de tweede fase van het Late Dryas en gedurende het Preboreaal is afgezet op het Late Dryas terras. Op dit rivierduincomplex hebben in verschillende perioden activiteiten plaatsgevonden die in navolgende paragrafen beschreven worden. Het duinzand reliëf wordt binnen alle vindplaatsen vanaf een hoogte van ca. 7,5 m +NAP hoogte geleidelijk afgedekt door siltrijke tot zandige klei. Dit oeverof overstromingspakket is sterk verweerd/verbruind en duidt op een relatief hoge ouderdom van het sediment en een langdurige ligging aan het oppervlak. Dit maximaal 100 cm dikke pakket oever- of overstromingsafzettingen lijkt te zijn afgezet door het Wijchens Maasje, dat tijdens het neolithicum actief was. Deze aanname geeft een antwoord op de reden waarom op de lagere delen van het rivierduin (vrijwel) geen archeologische resten uit het neolithicum (en de bronstijd) worden aangetroffen. Jongere afzettingen zijn binnen de onderzochte, hoog in het plangebied gelegen vindplaatsen vrijwel niet aangetroffen. Deze zijn vermoedelijk alleen afgezet ter plaatse van of rondom de nog op de hoogtekaart zichtbare restgeulen ten noordoosten en ten zuidwesten van de centrale rivierduinopduiking binnen het plangebied.

Resten uit de ijzertijd en de Romeinse tijd bevinden zich zowel op de ruggen als op de flanken van de aanwezige rivierduinen. Dit duidt er op dat de flanken van het rivierduin destijds droog lagen. De klei-op-zand-gronden waren uitermate geschikte locaties om akkers op aan te leggen vanwege de goede bewerkbaarheid en bodemvruchtbaarheid van de grond. Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist op de flanken van de rivierduinen de meeste oude akkerlagen zijn aangetroffen.

6.1.1

Vindplaats 1: menselijke activiteiten van neolithicum tot Romeinse tijd

Ter plekke van het noordwestelijke deel van vindplaats 1 is sprake van een overstoven duinzandoppervlak op een zeer hoog geëxposeerd deel van het rivierduin. In het centrale deel van vindplaats 1 komt een uitblazingslaagte voor tot vrijwel op het Laagpakket van Wijchen. Dit heeft geresulteerd in vochtige omstandigheden tot en met de Romeinse tijd. Plaatselijk is hier, mogelijk ter drainage, een greppel aangelegd die waarschijnlijk uit de ijzertijd of Romeinse tijd dateert. Blijkbaar heeft deze greppel niet aan alle eisen voldaan, aangezien de depressie lijkt te zijn opgehoogd door de mens. Het kan echter ook een natuurlijke afdekking zijn door jonger sediment, die vervolgens in de

89

Wijchen, Huurlingsedam

middeleeuwen verder opgehoogd is en als akkergrond in gebruik is genomen. In die delen van vindplaats 1 waar het duinzand diep wegduikt of zelfs helemaal afwezig is, zijn eveneens greppels uit de ijzertijd en/of Romeinse tijd aangetroffen. De water stagnerende Laag van Wijchen of klei afkomstig van het Wijchens Maasje hebben ook op die locaties geleid tot wateroverlast. Het overtollige water kon tijdens natte perioden in de richting van de noordoostelijk van de vindplaats gelegen restgeul worden afgevoerd. In het zuidoostelijk deel van de vindplaats komt wederom een hoger rivierduinzandniveau voor. Op vindplaats 1 zijn diverse archeologische overblijfselen aangetroffen. De grootste concentratie sporen en vondsten ligt in het westelijk deel van de vindplaats en met name in werkput 40. De sporen en vondsten behoren toe aan nederzettingen uit het neolithicum, de ijzertijd en de Romeinse tijd. Zoals reeds vermeld kon een deel van vindplaats 1 niet onderzocht worden vanwege de aanwezigheid van asbest op locatie. Maar ook waren enkele sleuven op particulier terrein gepland, alwaar geen bouwontwikkelingen zullen plaatsvinden. Op basis van de blootgelegde sporen uit de prehistorie en Romeinse tijd maar met name vondstmateriaal uit deze perioden is de verwachting dat de nederzetting zich juist richting de locatie met asbest en de huidige bewoning uitstrekt.

De nederzettingen lijken te zijn omgeven door greppels op de rand en flank van de rivierduin, alhoewel niet duidelijk is uit welke periode deze sporen exact dateren. De vuursteenvindplaats uit het midden- of laat-neolithicum lijkt op het hogere deel van de duinflank te liggen, dat afvlakt in noordoostelijke richting en dat geleidelijk afloopt in een depressie of geullaagte in noordwestelijke richting (afb. 6.1). Deze geullaagte vormt mogelijk de periferie van de vindplaats. De grootste vondstdichtheid wijst naar het zuidwesten, richting de huidige Huurlingsedam. Op basis van aanvullende profielwaarnemingen en boringen moet rekening worden gehouden met een uitermate vondstrijke zone van tenminste 10 x 10 meter (afb. 6.1: grijze zone). De overstoven zone meet naar schatting tenminste 25 x 10 meter (afb. 6.1: lichtgroene zone). Dit is het best bewaarde deel van de vindplaats. De totale omvang van de vindplaats, de landschappelijke situering, de aansluiting op de werkputten 42 en 48 zijn echter nog niet duidelijk. Indien de vindplaats niet behouden kan blijven dient de donkergele zone (afb. 6.1) onderzocht te worden: de maximale omvang van de vindplaats, waarin ook de precieze landschappelijke ligging geduid kan worden. Mogelijk sluiten de vondsten ook aan op de sporen en vondsten in werkput 40.

Sporen in het oostelijk deel van de locatie bevinden zich in een depressie in het landschap. Deze sporen kunnen vermoedelijk in verband worden gebracht met off-site activiteiten die niet binnen de nederzetting konden plaatsvinden, maar ook tot de ontwatering van het gebied. Op de rand net buiten de depressie zijn enkele paalsporen blootgelegd. Mogelijk behoren deze sporen tot de periferie van een nederzetting. Tijdens eerder onderzoek op vindplaats 1 aan de andere zijde van de Huurlingsedam zijn sporen uit de periode midden-bronstijd tot vroege ijzertijd blootgelegd.58 Deze archeologische overblijfselen sluiten aan op de resultaten uit onderhavig onderzoek waarbij onder andere sporen en vondsten uit de vroege ijzertijd werden blootgelegd. Vermoedelijk behoren de eerder gevonden sporen en structuur toe aan de periferie van de nederzetting uit de vroege

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

58

90

Kooi & Verbeek 2009, 20.

Afb. 6.1 Omvang van de

179.475

179.500

179.525

vindplaats uit het neolithicum. In grijs de zone met

de zone met een overstoven

423.325

(aangetoond). In lichtgroen

423.325

zeer hoge vondstdichtheid

niveau (aangetoond) waar grondsporen en vondsten verwacht mogen worden. In

49

donkergeel de vermoedelijk maximale omvang van de

landschappelijke situatie van de vindplaats onderzocht

423.300

sporen, vondsten en de

423.300

vindplaats. Hierin kunnen

worden.57

48

423.275

423.275

42

uu rli

ng

se d

am !! ! ! ! ! ! ! !! !! !! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! !! ! !! !! ! ! !!

!

47

423.250

!

423.250

H

!

179.475

179.500

179.525

Wijchen, Huurlingsedam Vindplaats neolithicum topografie

vindplaats grote vondstdichtheid 57 De begrenzing van de verschillende zones zijn doorgetrokken tot aan de andere zijde van de Huurlingsedam. Deze grenzen zijn echter nog niet aangetoond en daarom gestippeld getekend.

91

overstoven zone met sporen en vondsten maximale omvang vindplaats

N 0

25 m A-14.0147© BAAC bv

Wijchen, Huurlingsedam

ijzertijd op vindplaats 1. Op 1300 m ten noordwesten van vindplaats 1 is, in plangebied WijchenOostflank, een nederzetting uit het neolithicum aangesneden, evenals enkele sporen uit de ijzertijd. Volgens de onderzoekers maakt de vindplaats uit het neolithicum deel uit van een omvangrijk bewoningsareaal dat tot aan de Markt van Wijchen zal hebben gelopen en op dezelfde rivierduin lag.59 Volgens Archis 2 is in Wijchen een aanzienlijke hoeveelheid waarnemingen met betrekking tot het neolithicum aanwezig. Het gaat hier echter steeds om vondstmeldingen of kleinschalige archeologische onderzoeken. Sporen zijn overwegend zeldzaam, alhoewel in Wijchen, maar ook in de omliggende gemeenten wel kuilen uit deze periode zijn aangetroffen. Vanwege het gebrek aan sporen is het lastig een goed beeld van de bewoning in deze periode te verkrijgen. Het aardewerkspectrum dat in Wijchen-Oostflank is verzameld, wijst op Vlaardingencultuur. Dit geldt ook voor de opgravingen Wijchen-Hombergen, Wijchen-Markt en een noodopgraving enkele kilometers ten westen van het plangebied.

Ongeveer 500 m ten noordwesten van het plangebied Huurlingsedam is tijdens onderzoek Wijchen-Oosterweg eveneens een vindplaats uit het neolithicum aangetroffen bestaande uit vondstmateriaal.60 Eventuele sporen zijn op deze locatie niet herkend vanwege de verschillende door elkaar gebruikte onderzoekstechnieken.61 Het aardewerk uit het neolithicum laat hier een iets ander beeld zien dan in de hiervoor genoemde onderzoeken. Het is minder divers wat versieringen betreft. De neolithische nederzetting op vindplaats 1 lijkt wat betreft aardewerk vergeleken te kunnen worden met die van Wijchen-Oostflank. Hierbij dient echter opgemerkt worden dat het geringe aantal diagnostische scherven te klein is om dit met zekerheid vast te stellen. De nederzetting op vindplaats 1 maakt in ieder geval duidelijk dat Wijchen relatief dichtbevolkt was in deze periode. Het prehistorische aardewerk van vindplaats 1 is goed geconserveerd en levert enkele diagnostische, dateerbare scherven op. Een paar scherven zijn sterk verschraald met gebroken kwarts dat weggesmeerd is aan het oppervlak. Deze fragmenten zijn vermoedelijk van het Stein-Vlaardingen-aardewerk dat ook op vindplaats 3 is aangetroffen (3000-2750 voor Chr.). Enkele andere fragmenten zijn toe te wijzen aan bekeraardewerk uit het laat-neolithicum (2800-2000 voor Chr.).

Ze zijn vlakdekkend versierd met vingertopindrukken en kunnen afkomstig zijn van potbekers. Het versierde randfragment, met een doorboring zou van een EGK-beker afkomstig kunnen zijn maar mogelijk ook nog van een potbeker. Dat de locatie gedurende het laat-neolithicum is gebruikt, is aangetoond met deze fragmenten maar ook het vuursteen laat eenzelfde beeld zien (zie paragraaf 3.3.2). Het vuursteen wijst globaal op bewoning in de periode tussen het midden-neolithicum en de middenbronstijd. Ouder materiaal is niet aangetroffen. Het aardewerk en vuursteen in werkput 47 wijzen op een bewoningsfase in het midden- of laat-neolithicum. De hoeveelheid en verspreiding van het materiaal is groot en geassocieerd met grondsporen. Dit wijst eerder op bewoning met een permanent karakter en een breed spectrum aan activiteiten, dan op kortstondig éénzijdig gebruik, zoals jachtkampementen. In de periode hierna, tot aan de ijzertijd zijn geen resten achtergelaten door bewoners. Pas in de (vroege?) ijzertijd maakt men weer

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

59 Van Kampen 2012, 86. 60 Van Kampen 2012, 86; De Koning 2010. 61 Vriendelijke mededeling Ester van der Linden (archeoloog bij ArcheoFocus en verbonden aan de gemeente Nijmegen).

92

gebruik van deze locatie. Het aardewerk uit deze periode kan men beschouwen als nederzettingsafval. Het is weinig gefragmenteerd of verweerd, hetgeen wijst op goede conservering. Op basis van diagnostische scherven is de vindplaats zowel in het late neolithicum als in de vroege- en midden-ijzertijd in gebruik of bezocht geweest. Opmerkelijk is dat de meeste fragmenten bewerkt natuursteen gevonden zijn bij aanleg van het vlak in natuurlijke lagen. Dit kan er op wijzen dat het natuursteen als een strooiing over het maaiveld heeft gelegen. Slechts enkele natuurstenen komen uit een spoorcontext, uit greppels en een kuil. Het natuursteen uit de natuurlijke lagen kan, gezien de geassocieerde scherfvondsten in zowel de prehistorie als de Romeinse tijd gedateerd worden. Tussen de natuursteensoorten overheersen de hardere soorten kwarts, kwartsiet en kwartsitische zandsteen, die van nature in de bedding van de Rijn en Maas gevonden worden. Tefriet was in opvallend lage aantallen en gewichtspercentages aanwezig op zowel vindplaats 1 als 3. Gezien deze lage aantallen en gewichtspercentages wordt verwacht dat het om maalsteenfragmenten gaat, die al behoorlijk verweerd waren. Ook kan het zijn dat maalsteen nauwelijks op de vindplaats aanwezig was. Tefriet wordt overwegend in contexten uit de ijzertijd en Romeinse tijd aangetroffen.

Op vindplaats 1 is een aantal werktuigen gevonden, waaronder een klopsteen, een wrijfsteen, een gebroken slijpsteen en een mogelijke aambeeldsteen. In de Romeinse tijd vinden er op deze locatie opnieuw menselijke activiteiten plaats. Fragmenten aardewerk uit deze periode evenals een bronzen draadfibula zijn hier bewijzen van. Op basis van een enkele scherf en de fibula kan worden vastgesteld dat het terrein in ieder geval in de midden-Romeinse tijd in gebruik is geweest. Activiteiten in de perioden daarvoor en –na kunnen op basis van het vondstmateriaal evenwel niet worden uitgesloten. Gezien de verwering van het vondstmateriaal uit de Romeinse tijd kon de aard van menselijke activiteit echter niet achterhaald worden. Bewoning uit de middeleeuwen en nieuwe tijd is niet aangetoond. In die tijd wordt het terrein wel gebruikt als akker- of weidegrond. Het bezit was mogelijk in handen van de bewoner van ’t Slotje. Resten uit de middeleeuwen/nieuwe tijd concentreren zich voornamelijk ten noorden en ten oosten van huisplaats ’t Slotje en ter plekke van de overgangen naar de lagere natte gebieden. De resten uit deze perioden kunnen veelal gerelateerd worden aan de verbetering van de waterhuishouding (aanleg greppels), vruchtbaarheid (verrijken arme zandgronden met potstalmest) en bewerkbaarheid van de bodem (ploegen).

Op basis van bovenstaande is gebleken dat deze vindplaats niet continu bewoond is geweest. Na bewoning van het terrein in de (midden-) Romeinse tijd heeft er geen bewoning meer plaatsgevonden. Nederzettingssporen ontbreken, maar wel zijn enkele scherven uit de middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen. Deze vondsten dienen echter als mestaardewerk gezien te worden. Het terrein was dus wel in gebruik in de middeleeuwen en nieuwe tijd, maar dan als akkergrond. Vanwege het kleine aantal vondsten is onduidelijk of het terrein continu in gebruik was.

93

Wijchen, Huurlingsedam

Uit de waardering van de botanische monsters blijkt dat de mogelijkheden tot botanisch onderzoek gering zijn en dat vragen betreffende het landschap en de benutting daarvan in de neolithische periode niet beantwoord kunnen worden. Omdat geen geschikte monsters uit de ijzertijd en Romeinse tijd aanwezig waren, kunnen over die perioden geen uitspraken worden gedaan. In aanvulling op de botanische monstername kan worden vastgesteld dat één van de monsters wel geschikt materiaal opleverde voor een 14C-datering.

6.1.2

Vindplaats 2: periferie van een nederzetting uit de prehistorie

Vindplaats 2 lijkt grotendeels op een restant van het overgangsterras uit het Laat Glaciaal te liggen. Het bijbehorende beddingzand wordt hier afgedekt door een dun siltrijk zandpakket waarop een maximaal 1 m dik pakket duinzand is afgezet. Het beddingzand wordt reeds vanaf ca. 6,9 m +NAP aangetroffen. In het uiterst noordoostelijke deel van vindplaats 2 komt een lager terrasniveau voor op ca. 6,2 m +NAP. Dit niveau komt overeen met de meest voorkomende beddingzandhoogte behorende tot het Late Dryas elders binnen het plangebied. De aanwezige steilrand binnen vindplaats 2 ter hoogte van de Huurlingsedam (zie bijlage 2) betreft een mogelijke restant van een dergelijke terrastrede. Een andere werkhypothese betreft de aanname dat vindplaats 2 zich in z’n geheel op het Late Dryas terras bevindt. In dit geval ligt de vindplaats grotendeels op een vlechtende rivierbank die wordt afgedekt door (siltrijk) duinzand. Het uiterste noordoostelijke deel zou dan ter hoogte van een voormalige vlechtende, lager gelegen geul liggen. In de proefsleuven op vindplaats 2 zijn afgezien van twee greppels uit de nieuwe tijd en een kuil met onbekende datering geen antropogene sporen aangesneden. Het aardewerk laat echter dezelfde gebruiksperioden in het prehistorisch aardewerk als die op vindplaats 1 zien. Wel valt op dat het aardewerk minder goed geconserveerd is.

Mogelijk is hier wel geakkerd in de ijzertijd waarbij de scherven regelmatig zijn geraakt en aan het toenmalig maaiveld zijn verweerd. Een enkele vondst uit het laat-neolithicum is een bekerfragment versierd met spatelindrukken (circa 2500-1900 voor Chr.). De open schaal uit de tweede helft van de vroege ijzertijd (circa 650-500 voor Chr.) geeft inzicht in het servies uit deze periode. Dergelijke schalen werden gebruikt om voedsel in te bewaren of te serveren. Van andere huisnijverheid zijn geen aanwijzingen teruggevonden. Op deze vindplaats zijn geen aanwijzingen voor een vuursteensite. Op één mogelijk bewerkte stuk vuursteen na, is het vuursteen onbewerkt. Evenals op vindplaats 1 lag het natuursteen verspreid over natuurlijke grondlagen; steen uit sporen ontbreekt. Ook zijn hier met name de hardere steensoorten aanwezig zoals kwarts, kwartsiet en kwartsitische zandsteen. Opmerkelijk is dat vooral op vindplaats 2 ongeveer 79% van het natuursteen verhit is geweest. Ook werd, in tegenstelling tot vindplaats 1, slechts één werktuig aangetroffen. Het brokje steenkool dat op vindplaats 2 is aangetroffen, is vermoedelijk het gevolg van recente (stook)activiteiten. Na het in onbruik raken van de nederzetting uit de ijzertijd is het terrein niet meer bewoond. Sporen of vondsten uit de Romeinse tijd en middeleeuwen zijn niet aangetroffen.

Op basis van enkele scherven uit de nieuwe tijd is vastgesteld dat het terrein in deze periode gebruikt is als akkergrond.

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

94

Aan de andere zijde van de Huurlingsedam bevindt zich het zuidelijke deel van vindplaats 2. Het zuidoostelijke deel is reeds middels twee proefsleuven door BILAN onderzocht en leverde onder andere een paalspoor uit mogelijk de bronstijd of ijzertijd op.62 De top van de rivierduin is daar echter sterk verstoord door de aanleg van greppels en zandwinningskuilen waardoor sporen mogelijk verdwenen zijn. Het paalspoor zou onderdeel kunnen vormen van een bewoningsfase in de ijzertijd waartoe ook het vondstmateriaal behoort dat in onderhavig onderzoek is aangetroffen. De tijdens een archeologische begeleiding aangetroffen handgevormde fragmenten aardewerk ter plaatse van vindplaats 2 ten zuidwesten van de Huurlingsedam wijzen eveneens op gebruik van het terrein in de prehistorie of mogelijk het begin van de Romeinse tijd.63 Deze vondsten werden in het zuidwestdeel aangetroffen, terwijl sporen uit deze periode werden niet waargenomen. Uit bovenstaande wordt duidelijk dat ter plaatse van de gehele vindplaats 2 activiteiten hebben plaatsgevonden in de ijzertijd. Afgezien van één spoor zijn (vooralsnog) geen sporen van de bijbehorende nederzetting aangetroffen. Omdat het noordwestelijk deel van de vindplaats niet onderzocht is, is het mogelijk dat zich hier nog sporen kunnen aftekenen. Nader onderzoek op deze locatie zal dit kunnen uitwijzen.

6.1.3

Vindplaats 3: gebruik van of bewoning op de rivierduin?

Vindplaats 3 omvat het grootste deel van een rivierduin, waarvan het hoogste deel ten zuiden en ten zuidoosten van de huidig aangegeven contour lijkt te liggen. In noordoostelijke, noordelijke en noordwestelijke richting loopt het duinreliëf geleidelijk af en wordt afgedekt door jongere oeverafzettingen. Afgezien van een paalkuil zijn geen antropogene sporen in dit deel van het plangebied aangetroffen. Het aardewerk van vindplaats 3 wijst met name op gebruik van de vindplaats in het laat-neolithicum en de ijzertijd. Tijdens de oudste periode zal bewoning in de buurt hebben gelegen aangezien het aardewerk uit nederzettingsmateriaal bestaat dat vrij goed geconserveerd is. Het aardewerk uit de ijzertijd is deels besmeten, deels glad afgewerkt. De kwartsverschraling wijst op een datering in de vroege- of het begin van de midden-ijzertijd. De geringe hoeveelheid scherven uit de ijzertijd kan wijzen op incidenteel gebruik of als periferie van een nederzetting. Of dit gebied is beakkerd in de ijzertijd is op basis van de scherven niet te bepalen. De dateerbare vuurstenen artefacten wijzen op een nog oudere gebruiksof bewoningsfase in het midden-neolithicum. Het overige vuursteen kan gekoppeld worden aan zowel de midden- als laat-neolithische gebruiksfasen. Het bewerkte natuursteen is gevonden in de natuurlijke lagen.

In de zelfde lagen komt aardewerk uit met name het neolithicum voor en in drie gevallen ook aardewerk uit de ijzertijd. Vermoedelijk heeft het natuursteen, zoals ook op vindplaats 1 en 2, als een strooiing over het maaiveld heeft gelegen. Het natuursteen laat eenzelfde beeld zien als op vindplaats 1: de hardere steensoorten kwarts, kwartsiet en kwartsitische zandsteen, overheersen. Ook het tefriet is hier in minimale aantallen en gewichtspercentages aanwezig. De fragmenten die zijn aangetroffen passen het best tot de gebruiksfase van het terrein in de ijzertijd. Opvallend is dat op vindplaats 3 geen werktuigen aanwezig waren. Het kleine fragment steenkool kan als recent geïnterpreteerd

62 Kooi & Verbeek 2009, 20. 63 Kuppens & Van Heijst 2010, 15.

95

Wijchen, Huurlingsedam

worden. Vier scherven kunnen mogelijk wijzen op Romeins gebruik van vindplaats 3. De interpretatie van dit aardewerk is echter onzeker waardoor dit niet met zekerheid vastgesteld kan worden. De vindplaats wordt in de middeleeuwen en nieuwe tijd niet meer bewoond, gezien de afwezigheid van antropogene sporen uit deze perioden. Bovendien zijn zeven scherven uit de middeleeuwen en nieuwe tijd in bovenliggende bodemlagen aangetroffen. Dit aardewerk kan geïnterpreteerd worden als mestaardewerk. Hieruit komt naar voren dat het terrein als akkergrond in gebruik is geweest in globaal de middeleeuwen en nieuwe tijd. Vooralsnog kan gezien het gebrek aan sporen en de geringe hoeveelheid vondstmateriaal gesteld worden dat het terrein niet continu in gebruik is geweest in de periode vanaf de Romeinse tijd tot in de nieuwe tijd. De begrenzing van vindplaats 3 is door RAAP vastgesteld aan de hand van het voorkomen van vondsten uit de boringen, de absolute hoogteligging en de intactheid van het bodemprofiel.64 Als echter gekeken wordt naar het AHN2 in afbeelding 2.3 is te zien dat de rivierduin zich buiten de contour van de vindplaats in zuidoostelijke richting uitstrekt. Daar waren in het PvE geen proefsleuven voorzien. Naar aanleiding van de nu bekende gegevens kan worden verondersteld dat buiten de huidig aangegeven vindplaatscontour sporen kunnen worden aangesneden.

Tijdens het proefsleuvenonderzoek is zoveel vondstmateriaal verzameld dat in de nabijheid bewoningssporen uit het neolithicum en mogelijk ook uit de ijzertijd verwacht mogen worden. Mogelijk kan dit ook al op zeer korte afstand, in de relatief grote ruimten tussen de proefsleuven zijn. In de directe omgeving van vindplaats 3 is niet eerder archeologisch onderzoek gedaan. Volgens meldingen in Archis zouden direct ten oosten van de vindplaats begravingen uit de periode neolithicum-Romeinse tijd zijn gevonden. Over de exactheid van de locatie bestaan echter twijfels. Tijdens onderhavig onderzoek zijn geen aanwijzingen voor een grafveld geconstateerd. Het aardewerk uit het neolithicum is globaal vergelijkbaar met het aardewerkspectrum uit Wijchen-Oostflank. De scherven bieden alleen op basis van verschraling en één rand te weinig houvast voor zekerheid, laat staan een fasering. Voor vindplaats 3 kan in deze fase van het onderzoek dan ook niet bepaald worden of sprake is van een gelijktijdige en vergelijkbare site als die in Wijchen-Oostflank.

6.2

Waardering van de archeologische waarden

6.2.1

Vindplaats 1

In het onderzoeksgebied zijn aanwijzingen voor bewoning op het terrein uit het neolithicum, de ijzertijd en de Romeinse tijd aangetroffen. Op de vindplaats zijn paalkuilen, kuilen en greppels blootgelegd evenals vondstmateriaal dat onderverdeeld kan worden in keramiek, vuur- en natuursteen, metaal en bot. Structuren zoals hoofd- en bijgebouwen zijn in deze fase van het onderzoek niet herkend. Op basis van de onderzoeksresultaten kan voor het plangebied een archeologische waardering opgesteld worden. Conform de KNA 3.3 dienen

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

64 Flokstra & Heuns 2005, 27.

96

vindplaatsen65 te worden gewaardeerd op een aantal criteria: ‘beleving’ en de ‘fysieke en inhoudelijke kwaliteit’. Binnen de contouren van vindplaats 1 is een aantal sleuven niet aangelegd vanwege de aanwezigheid van asbest. Bovendien was een sleuf gepland op particulier terrein dat niet verstoord zal worden. Hierdoor kan een deel van het terrein niet gewaardeerd worden. Hieronder volgt een waardering van die delen van het terrein die wel onderzocht zijn. Beleving De belevingswaarde van een archeologische vindplaats valt uiteen in twee criteria: ‘schoonheid’ en ‘herinneringswaarde’. Het gaat bij beide criteria vooral om zichtbare vindplaatsen. Deze zijn hier niet zichtbaar aanwezig waardoor belevingswaarde niet scoort.

65 Met vindplaats wordt in algemene zin bedoeld een locatie waar sporen en/of vondsten aangetroffen zijn.

97

Fysieke kwaliteit De fysieke kwaliteit wordt bepaald door de mate waarin archeologische overblijfselen nog intact en in hun oorspronkelijke positie aanwezig zijn. Binnen deze waarde wordt onderscheid gemaakt tussen de criteria ‘gaafheid’ en ‘conservering’. Gaafheid is de mate van het niet-verstoord zijn en de stabiliteit van de fysieke omgeving. De vindplaats uit het neolithicum ligt in werkput 47, parallel en op korte afstand van de Huurlingsedam. Het is dan ook de vraag in welke mate de vindplaats nog intact is. Tussen werkput 47 en de weg ligt een strook van circa 4 m breed. Het vuursteen is op een diepte tussen 1,00 en 1,50 m –mv aangetroffen. Afhankelijk van de diepte van verstoring die de aanleg van de weg heeft veroorzaakt, zou de vindplaats nog intact kunnen zijn. Indien de verstoringen niet dieper dan 1 m reiken, zou dit betekenen dat de vindplaats beschermd is gebleven. Op de lagere delen van het rivierduin en ter hoogte van de rivierdalvlakte wordt het archeologisch niveau afgedekt door een maximaal 100 cm dik kleidek dat door het Wijchens Maasje is afgezet. Sporen op dit niveau zullen goed geconserveerd zijn. De zichtbaarheid kan evenwel minder goed zijn vanwege verbruining van de bodemlagen. Oudere sporen worden binnen deze geomorfologische eenheid onder het kleidek niet meer verwacht en zijn niet aangetroffen.

In de top van het kleidek kunnen nog sporen aanwezig zijn, die echter door verbruining en opname in de bouwvoor niet meer zichtbaar of verdwenen zijn. De conservering is voor deze sporen matig te noemen. Op de flanken en de iets hogere delen van het rivierduin is de conservering voor sporen uit het neolithicum, de ijzertijd en Romeinse tijd goed vanwege de afdekking door een kleidek en/of siltrijk zandpakket. De conservering voor post-Romeinse sporen in de top van de afzettingen van het Wijchens Maasje is matig, mede door de aanwezigheid van een bouwvoor ter hoogte van het sporenniveau. Door verbruining is de zichtbaarheid van de sporen relatief ongunstig. Op de hogere delen van het rivierduincomplex is de conservering van alle niet-overstoven sporen matig vanwege de aanwezigheid van een ploeglaag (bouwvoor). Archeologische resten van de steentijdvindplaats die zijn aangetroffen in het overstoven sporenniveau hebben een uitstekende conservering vanwege de afdekking door eolisch zand, waardoor deze buiten het bereik van de voormalige ploeglaag liggen. Ook hier geldt dat door de aanwezigheid van een sterk verbruinde moderpodzol-B-horizont met veel

Wijchen, Huurlingsedam

bioturbatie de sporen minder goed zichtbaar zijn. Door het ontbreken van zeer diep ontwikkelde podzolen in de top van het overstoven duinlandschap zijn eventueel aanwezige resten nog vrijwel geheel goed zichtbaar. Over het algemeen genomen zijn sporen op de hogere delen van de rivierduin, onder een beschermend kleidek, matig tot goed geconserveerd. Op gaafheid wordt daarom ‘gemiddeld’ gescoord. Met conservering wordt de mate bedoeld waarin archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven. Het anorganisch materiaal, zoals aardewerk en natuursteen is overwegend goed geconserveerd. Metaal is in beperkte mate aangetroffen en is redelijk geconserveerd. In algemene zin kan gesteld worden dat de condities voor conservering van organisch materiaal op zandgronden doorgaans slecht zijn, met uitzondering van diepe sporen als waterputten en in sporen met verbrand materiaal. De conservering van anorganisch materiaal zoals aardewerk is doorgaans goed, en de conservering van metaal gemiddeld. Op conservering wordt daarom ‘gemiddeld’ gescoord. Inhoudelijke criteria Binnen de categorie inhoudelijke kwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen de criteria ‘zeldzaamheid’, ‘informatiewaarde’, ‘ensemblewaarde’ en ‘representativiteit’. Binnen de gemeente Wijchen zijn verschillende vindplaatsen uit het neolithicum, de ijzertijd en Romeinse tijd bekend.

Het gaat echter steeds met name om waarnemingen: losse vondsten en sporen. Nederzettingen uit deze perioden zoals in onderhavig onderzoek zijn aangetroffen, zijn vrij zeldzaam en ook nauwelijks onderzocht. De zeldzaamheid wordt daarom als ‘hoog’ gescoord. De informatiewaarde wordt op basis van zojuist genoemde feiten als ‘hoog’ ingeschat. Dergelijke sporen en vondsten in het geheel bezien leveren veel nieuwe informatie voor de gemeente Wijchen op. De ensemblewaarde is de meerwaarde die aan een vindplaats wordt toegekend, op grond van de mate waarin sprake is van een archeologische en landschappelijke context. Een inter-site analyse of ontwikkeling in de micro-regio heeft hier meerwaarde door de hoge informatiewaarde van de aangetroffen sporen en vondsten. De ensemblewaarde wordt daarom als ‘hoog’ aangemerkt. De beoordeling van het criterium representativiteit is enkel relevant indien bij het uitvoeren van de waardering het vermoeden bestaat dat duurzaam behoud van de vindplaats gerealiseerd kan worden. De beoordeling is op dit punt dan ook als ‘niet van toepassing’ gescoord.

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

98

Wijchen, Huurlingsedam. Archeologische waarderingstabel volgens KNA Vindplaats 1: bewoning in het neolithicum, de ijzertijd en Romeinse tijd Waarden Beleving Fysieke kwaliteit

Inhoudelijke kwaliteit

Criteria

Hoog

Midden

Schoonheid

Wordt niet gescoord

Herinneringswaarde

Wordt niet gescoord

Gaafheid

2

Conservering

2

Zeldzaamheid

3

Informatiewaarde

3

Ensemblewaarde

3

Representativiteit

6.2.2

Scores Laag

N.v.t.

Vindplaats 2

Vindplaats 2 bestaat uit met name aardewerk uit de ijzertijd. Ook is een enkele scherf en een brok bewerkte vuursteen uit het neolithicum-bronstijd aangetroffen. Sporen als zodanig zijn niet blootgelegd. Vermoedelijk is op deze locatie sprake van de periferie van een nederzetting waarvan de kern ten zuidwesten van de Huurlingsedam ligt. Op basis van de onderzoeksresultaten kan voor het plangebied een archeologische waardering opgesteld worden. Conform de KNA 3.3 dienen vindplaatsen66 te worden gewaardeerd op een aantal criteria: ‘beleving’ en de ‘fysieke en inhoudelijke kwaliteit’. Beleving De belevingswaarde van een archeologische vindplaats valt uiteen in twee criteria: ‘schoonheid’ en ‘herinneringswaarde’. Het gaat bij beide criteria vooral om zichtbare vindplaatsen. Deze zijn hier niet zichtbaar aanwezig waardoor belevingswaarde niet scoort.

66 Met vindplaats wordt in algemene zin bedoeld een locatie waar sporen en/of vondsten aangetroffen zijn.

99

Fysieke kwaliteit De fysieke kwaliteit wordt bepaald door de mate waarin archeologische overblijfselen nog intact en in hun oorspronkelijke positie aanwezig zijn. Binnen deze waarde wordt onderscheid gemaakt tussen de criteria ‘gaafheid’ en ‘conservering’. Gaafheid is de mate van het niet-verstoord zijn en de stabiliteit van de fysieke omgeving. Op de lagere delen van het rivierduin en de ter hoogte van de rivierdalvlakte wordt het archeologisch niveau afgedekt door een maximaal 100 cm dik kleidek dat door het Wijchens Maasje is afgezet. Sporen op dit niveau zullen goed geconserveerd zijn. De zichtbaarheid kan evenwel minder goed zijn vanwege verbruining van de bodemlagen. Oudere sporen worden binnen deze geomorfologische eenheid onder het kleidek niet meer verwacht/zijn niet aangetroffen. In de top van het kleidek kunnen nog sporen aanwezig zijn, die echter door verbruining en opname in de bouwvoor niet meer zichtbaar/ verdwenen zijn. De conservering is voor deze sporen matig te noemen. Op de flanken en de iets hogere delen van het rivierduin is de conservering voor sporen uit het neolithicum en de ijzertijd goed vanwege de afdekking door

Wijchen, Huurlingsedam

een kleidek en/of siltrijk zandpakket. De conservering voor post-Romeinse sporen in de top van de afzettingen van het Wijchens Maasje is matig, mede door de aanwezigheid van een bouwvoor ter hoogte van het sporenniveau. Door verbruining is de zichtbaarheid van de sporen relatief slecht. Over het algemeen genomen zijn sporen op de hogere delen van de rivierduin, onder een beschermend kleidek, matig tot goed geconserveerd. Op conservering wordt ‘midden’ gescoord. Met conservering wordt de mate bedoeld waarin archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven. Het anorganisch materiaal, zoals aardewerk en natuursteen is overwegend goed geconserveerd. Het aardewerk lijkt echter minder goed geconserveerd dan op vindplaats 1, wat vermoedelijk door beakkering van het land is veroorzaakt. Metaal en glas is in beperkte mate aangetroffen en is redelijk geconserveerd. In algemene zin kan gesteld worden dat de condities voor conservering van organisch materiaal op zandgronden doorgaans slecht zijn, met uitzondering van diepe sporen als waterputten en in sporen met verbrand materiaal. De conservering van anorganisch materiaal zoals aardewerk is doorgaans goed, en de conservering van metaal gemiddeld. Op conservering wordt daarom ‘gemiddeld’ gescoord.

Inhoudelijke criteria Binnen de categorie inhoudelijke kwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen de criteria ‘zeldzaamheid’, ‘informatiewaarde’, ‘ensemblewaarde’ en ‘representativiteit’. Binnen de contouren van vindplaats 2 is sprake van de periferie van een nederzetting uit mogelijk het neolithicum en ieder geval de ijzertijd. Vindplaatsen uit deze perioden zijn in Wijchen niet zeldzaam, alhoewel deze overwegend uit losse sporen en vondsten bestaan. Omdat sprake is van de periferie van nederzettingen en enkel losse vondsten zijn aangetroffen wordt op zeldzaamheid ‘laag’ gescoord. De informatiewaarde is de betekenis van een vindplaats als bron van kennis over het verleden. Gezien de aard van de vindplaats en het gebrek aan sporen wordt de informatiewaarde voor deze vindplaats ‘laag’ ingeschat. De ensemblewaarde is de meerwaarde die aan een vindplaats wordt toegekend, op grond van de mate waarin sprake is van een archeologische en landschappelijke context. De vindplaats bevindt zich deels op en aan de rand van een hoger gelegen rivierduin die doorloopt naar het zuidwesten. De verwachting is dat op de top van de rivierduin zich hier nederzettingssporen zullen bevinden (buiten het onderzoeksgebied). De ensemblewaarde wordt daarom als ‘gemiddeld’ aangemerkt.

De beoordeling van het criterium representativiteit is enkel relevant indien bij het uitvoeren van de waardering het vermoeden bestaat dat duurzaam behoud van de vindplaats gerealiseerd kan worden. De beoordeling is op dit punt dan ook als ‘niet van toepassing’ gescoord.

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=1421666a-818f-45f6-93e3-e6cda63f5f23