Bijlage 9 Archeologisch inventariserend veldonderzoek, BAAC, februari 2015.pdf
Tekst van het document
Wijchen - Huurlingsedam. Bewoning op en gebruik van het plangebied tussen neolithicum en nieuwe tijd
Auteur:
Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven
Status:
BAAC rapport A-14.0147
februari 2015
drs. J. de Winter
Definitief
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
2
Colofon ISSN
1873-9350
Auteur: Met een bijdrage van: Vondstdeterminatie: Afbeeldingen: Tekeningen, kaarten: Tekeningen, artefacten: Inhoudelijke controle: Redactie:
drs. J. de Winter drs. C. C. Kalisvaart drs. S. Bloo dr. ir. L.A. Tebbens drs. C. Verbeek drs. S. Bloo (aardewerk prehistorie) M. Hendriksen (metaal) drs. S.A.L. Peters (keramiek middeleeuwen en nieuwe tijd) dr. ir. L.A. Tebbens (natuursteen) drs. C. Verbeek (vuursteen) drs. P. Weterings (keramiek Romeinse tijd) vervaardigd door BAAC bv tenzij anders vermeld J. van Gestel R. Timmermans drs. C. van der Linde drs. C. van der Linde
Copyright:
VOF Huurlingsedam/ BAAC bv, ‘s-Hertogenbosch
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van VOF Huurlingsedam en/of BAAC bv te ‘s-Hertogenbosch.
BAAC bv Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie. Graaf van Solmsweg 103 Bergsingel 81-85 5222 BS ‘s-Hertogenbosch 7411 CN Deventer Tel.: (073) 61 36 219 Tel.: (0570) 67 00 55 Fax: (073) 61 49 877 Fax: (0570) 618 430 E-mail: denbosch@baac.nl E-mail: deventer@baac.nl
3
Wijchen, Huurlingsedam
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
4
Inhoud n
Samenvatting
7
1
n
Inleiding
9 9 11 12 13
2
n
3
n
4
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging en aard van het terrein Administratieve gegevens Leeswijzer
Onderzoekskader 2.1 Landschappelijke situering (C. Kalisvaart) 2.1.1 Algemene geologie, geomorfologie en bodem 2.1.2 Gebiedsspecifieke landschappelijke ligging 2.2 Archeologische achtergrond in en rondom het plangebied 2.3 Historische achtergrond van het plangebied 2.4 Onderzoeksvragen 2.5 Werkwijze van het onderzoek 2.5.1 Veldwerk 2.5.2 Uitwerking
Vindplaats 1: bodem, sporen en vondsten
3.1 Lithologie, bodemopbouw en lithogenese (C. Kalisvaart) 3.2 Analyse van de sporen op het onderzoeksterrein 3.2.1 Algemeen 3.2.2 Paalsporen en kuilen uit het neolithicum, de ijzertijd en Romeinse tijd 3.2.3 Greppels uit de prehistorie tot en met de nieuwe tijd 3.2.4 Een vindplaats uit het midden- of laat-neolithicum 3.3 Determinatie van het vondstmateriaal 3.3.1 Prehistorisch aardewerk (S. Bloo) 3.3.2 Keramiek uit de Romeinse tijd 3.3.3 Vuursteen (C. Verbeek) 3.3.4 Natuursteen (L. Tebbens) 3.3.5 Metaal 3.3.6 Dierlijk bot 3.3.7 Paleo-ecologisch onderzoek 3.3.8 Keramiek uit de middeleeuwen en nieuwe tijd
n
Vindplaats 2: bodem, sporen en vondsten 4.1 Lithologie, bodemopbouw en lithogenese (C. Kalisvaart) 4.2 Analyse van de sporen op het onderzoeksterrein 4.3 Determinatie van het vondstmateriaal 4.3.1 Prehistorisch aardewerk (S. Bloo) 4.3.2 Vuursteen (C. Verbeek) 4.3.3 Natuursteen (L. Tebbens) 4.3.4 Keramiek uit de nieuwe tijd 4.3.5 Glas en metaal uit de nieuwe tijd
5
Wijchen, Huurlingsedam
15 15 15 20 23 27 27 28 28 34 37 37 43 43 43 44 47 49 49 50 57 61 65 65 66 66 69 69 71 75 75 75 76 77 77
5
6
n
n
Vindplaats 3: bodem, sporen en vondsten 5.1 Lithologie, bodemopbouw en lithogenese (C. Kalisvaart) 5.2 Analyse van de sporen op het onderzoeksterrein 5.3 Determinatie van het vondstmateriaal 5.3.1 Prehistorisch aardewerk (S. Bloo) 5.3.2 Vuursteen (C. Verbeek) 5.3.3 Natuursteen (L. Tebbens) 5.3.4 Keramiek uit de middeleeuwen en nieuwe tijd
79 79 80 83 83 84 86 87
Synthese, waardering en advies
89
6.1 Synthese: gebruik van en bewoning op een rivierduin complex 6.1.1 Vindplaats 1: menselijke activiteiten van neolithicum tot Romeinse tijd 6.1.2 Vindplaats 2: periferie van een nederzetting uit de prehistorie 6.1.3 Vindplaats 3: gebruik van of bewoning op de rivierduin? 6.2 Waardering van de archeologische waarden 6.2.1 Vindplaats 1 6.2.2 Vindplaats 2 6.2.3 Vindplaats 3 6.3 Advies betreffende vervolgonderzoek in het plangebied
7 8
89 89 94 95 96 96 99 101 103
n
Literatuur en bronnen
107
n
Lijst van afbeeldingen
109
n
Bijlagen:
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
Geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksvragen uit het Programma van Eisen Allesporenkaart op natuurlijke ondergrond en met vondstlocaties Gedigitaliseerde profielen werkputten 46 en 47 inclusief foto’s
Digitale bijlagen: Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14
Allesporenkaart met genummerde sporen Sporenlijst Determinatielijst aardewerk, prehistorie Determinatielijst keramiek, Romeinse tijd Determinatielijst keramiek, middeleeuwen en nieuwe tijd Determinatielijst vuursteen Determinatielijst natuursteen Determinatielijst metaal Determinatielijst dierlijk bot Determinatielijst glas
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
6
Samenvatting
In opdracht van VOF Huurlingsedam heeft BAAC bv (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie) te ‘s-Hertogenbosch een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) in plangebied Huurlingsedam te Wijchen uitgevoerd. De aanleiding tot het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van een nieuwe woonwijk in het plangebied. De bouw van de wijk vindt gefaseerd plaats. Het nu onderzochte terrein valt onder fase 2. Tijdens het IVO-P is op drie vindplaatsen archeologisch onderzoek uitgevoerd. De vindplaatsen 1, 2 en 3 liggen op een rivierduinencomplex. Vindplaats 1: In het onderzoeksgebied zijn aanwijzingen voor bewoning op het terrein uit het neolithicum, de ijzertijd en de Romeinse tijd aangetroffen. Op de vindplaats zijn paalkuilen, kuilen en greppels blootgelegd evenals vondstmateriaal dat onderverdeeld kan worden in keramiek, vuur- en natuursteen, metaal en bot. Structuren zoals hoofd- en bijgebouwen zijn in deze fase van het onderzoek niet herkend. Behalve deze nederzettingssporen en vondsten zijn ook off-site structuren in de vorm van greppels aangesneden, evenals een geringe hoeveelheid aardewerk, bouwkeramiek en metaal uit de middeleeuwen/nieuwe tijd.
Voor deze vindplaats is op basis van de resultaten het advies van BAAC bv om deze deels te beschermen middels behoud in situ en indien dit niet mogelijk is door behoud ex situ door middel van een opgraving. Vindplaats 2: Deze vindplaats bestaat uit met name aardewerk uit de ijzertijd. Ook is een enkele scherf aardewerk en een brok bewerkte vuursteen uit de periode neolithicum-bronstijd aangetroffen. Sporen als zodanig zijn niet blootgelegd. Vermoedelijk is op deze locatie sprake van de periferie van een nederzetting waarvan de kern ten zuidwesten van de Huurlingsedam ligt. Evenals op vindplaats 1 zijn ook hier off-site structuren als greppels en kuil uit de middeleeuwen/nieuwe tijd aangetroffen. Ook is een kleine hoeveelheid vondstmateriaal uit deze periode verzameld. Het gaat om aardewerk, bouwkeramiek, glas en metaal. Naar aanleiding van de resultaten acht BAAC bv het niet noodzakelijk om een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. Het archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat op het onderzoeksterrein geen bewoning in de periode neolithicum-nieuwe tijd heeft plaatsgevonden; bewoningssporen ontbreken. Wel is het terrein in de nieuwe tijd en naar verwachting ook de middeleeuwen gebruikt als akker- of weidegrond.
7
Wijchen, Huurlingsedam
Vindplaats 3: Op vindplaats 3 is een enkel antropogeen spoor uit vermoedelijk de prehistorie blootgelegd. Met name het vondstmateriaal (aardewerk, vuur- en natuursteen) wijst op bewoning of gebruik van het terrein in het neolithicum en de ijzertijd. Op basis van het lage aantal aangesneden sporen is de verwachting dat hier sprake is van de periferie van een nederzetting. De mogelijkheid dient echter overwogen te worden of zich in de relatief grote ruimte tussen de sleuven niet ook nog sporen zullen bevinden. Bovendien is de verwachting op basis van het AHN dat ook sporen ten zuidoosten van de vindplaats aanwezig kunnen zijn. Naar aanleiding van de resultaten op vindplaats 3 acht BAAC bv het noodzakelijk, indien geen behoud in situ kan plaatsvinden, een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. Vanwege het grote aantal vondsten, maar in verband met een gebrek aan sporen, wordt voorgesteld om middels een aantal aanvullende proefsleuven het terrein nader te onderzoeken en de dekkingsgraad te verhogen. Bovendien verdient het de voorkeur om aan de zuidoostzijde van de vindplaats ook archeologisch onderzoek uit te laten voeren middels aanvullende proefsleuven. Het onderzoek heeft uitgewezen dat buiten de grenzen de rivierduin doorloopt en dat er een reële kans is op het aantreffen van sporen van bewoning.
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
8
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
In opdracht van VOF Huurlingsedam heeft BAAC bv (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie) te ‘s-Hertogenbosch een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) in plangebied Huurlingsedam te Wijchen uitgevoerd. De aanleiding tot het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van een nieuwe woonwijk in het plangebied. De bouw van de wijk vindt gefaseerd plaats. Fase 1 is reeds grotendeels voltooid; het nu onderzochte terrein valt onder fase 2. Het uitgevoerde onderzoek is het vervolg op een bureau- en verkennend booronderzoek en op een karterend booronderzoek die respectievelijk in juli 2004 en in maart/april 2005 door RAAP zijn uitgevoerd.1 Het plangebied bevindt zich op de overgang van een rivierduinencomplex in het noorden naar een zone met Holocene afzettingen van de Maas in het zuiden. In 2004 zijn tijdens het booronderzoek verspreid over het plangebied verschillende archeologische vondsten aangetroffen. De vondsten waren zowel in de boringen als aan de oppervlakte aanwezig. De locatie van het vondstmateriaal hangt samen met de landschappelijke ligging: de rivierduinopduikingen ofwel de hoger gelegen delen van het plangebied. De vondsten zijn te dateren vanaf de vroege prehistorie tot en met de late middeleeuwen.
Uit de boringen is bovendien gebleken dat de bodemopbouw in een groot deel van het plangebied nog intact is. Voor de rivierduinopduikingen is een hoge verwachting opgesteld voor de aanwezigheid van archeologische sporen van de steentijd tot de late middeleeuwen. Naar aanleiding van deze verwachting is de aanbeveling uitgesproken om indien behoud in situ niet mogelijk is een karterend booronderzoek uit te laten voeren. In 2005 heeft vervolgens een karterend booronderzoek plaatsgevonden. Tijdens dit onderzoek zijn zeven vindplaatsen vastgesteld waar de aanwezigheid van intacte archeologische sporen zeer waarschijnlijk wordt geacht. Voor onderhavig onderzoek zijn de vindplaatsen 1, 2 en 3 van belang. Deze vindplaatsen zijn op basis van vondstmateriaal als volgt gedateerd: vindplaats 1 tussen mesolithicum en vroege middeleeuwen, vindplaats 2 tussen neolithicum en vroege middeleeuwen, vindplaats 3 tussen neolithicum en bronstijd. Op basis van de resultaten is het advies opgesteld dat indien geen behoud in situ kan plaatsvinden deze vindplaatsen middels proefsleuven dienen te worden onderzocht.
1
Het veldwerk heeft plaatsgevonden tussen 23 juni en 2 juli 2014. Als contactpersoon namens de opdrachtgever treedt René Detmers op. De bevoegde
Heunks 2005; Flokstra & Heunks 2005.
9
Wijchen, Huurlingsedam
overheid voor het project is de gemeente Wijchen met als contactpersoon Ester van der Linden. Het veldteam van BAAC bv stond onder leiding van senior KNAarcheoloog Juliette de Winter en bestond verder uit senior KNA-archeologen Cristian van der Linde (vervangend projectleider), Alfred ter Wal en Eugene Ball, KNA-archeoloog Christianne Louvenberg en stagiairs Rik Semeijn en Havanda Ombashi. Voor de bestudering van de bodemopbouw was fysisch geograaf Chris Kalisvaart aanwezig (senior KNA prospector). De graafmachine werd geleverd door Ton Luyten Archeologisch grondwerk.
180000
181000
179000
180000
181000
425000
179000
425000
178000
Wijchen
424000 423000 422000 421000
421000
422000
423000
424000
( !
178000
plangebied
0
N
1,5 km
beeldrecht TOP25: CC-BY basisregistratie Topografie Kadaster
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
Afb. 1.1 De ligging van Wijchen op de schematische kaart van Nederland en ligging van het plangebied weergegeven op een uitsnede van de topografische kaart.
10
1.2
Ligging en aard van het terrein
Het plangebied ligt ten zuidoosten van de bebouwde kom van Wijchen. Aan de noordzijde wordt het gebied door de Oosterweg begrensd en aan de zuidzijde door de nieuwbouwwijk Kerkeveld. De oostelijke grens wordt gevormd door de Graafseweg (N324) en de westelijke grens door de Zuiderdreef. Het onderzoeksgebied, waarbinnen (delen van) de vindplaatsen 1, 2 en 3 zich bevinden, ligt in het noordelijke deel van het plangebied, ten zuiden van de Oosterweg, ten westen van de Graafseweg en ten noorden en oosten van de Huurlingsedam.
Afb. 1.2 Overzichtsfoto van vindplaats 1; gezien naar het westen.
Afb. 1.3 Overzichtsfoto van vindplaats 3; gezien naar het oosten.
11
Wijchen, Huurlingsedam
De oppervlakte van het plangebied bedraagt 28,5 ha. Het onderzoeksgebied heeft een oppervlakte van 0,55 ha. Het onderzoeksgebied is grotendeels in gebruik als akkergrond en was ten tijde van het onderzoek begroeid met mais. Een kleiner deel van het onderzoeksgebied is in gebruik als erf.
1.3
Administratieve gegevens
Locatiegegevens Provincie
Gelderland
Gemeente
Wijchen
Plaats
Wijchen
Toponiem
Huurlingsedam
RD-coördinaten (vier hoekpunten)
X1: 180.169, Y1: 422.949 X2: 180.037, Y2: 422.667 X3: 179.386, Y3: 423.361 X4: 179.510, Y4: 423.508
Kaartblad
45F/46A
Oppervlakte plangebied
28,5 ha
Oppervlakte onderzoeksgebied
5500 m2
Landgebruik
akkergrond, erf
Projectgegevens Projectnummer
A-14.0147
Type onderzoek
proefsleuvenonderzoek
Gegevens Archis
onderzoeksmeldingsnummer: 62087 onderzoeksnummer: 50913
Opdrachtgever
VOF Huurlingsedam Postbus 179 5340 AD Oss contactpersoon: dhr. R. Detmers e-mail: rdetmers@hb-oss.nl tel.nr.: 06-23060668
Projectleider BAAC
mevr. J. de Winter
Bevoegde overheid
Gemeente Wijchen Afdeling WZO, Sectie Archeologie Postbus 9000 6600 HA Wijchen contactpersoon: mevr. E. van der Linden e-mail: e.vd.linden@wijchen.nl tel.nr.: 024-6492385
Beheer en plaats van vondsten en documentatie
BAAC bv, worden te zijner tijd overgedragen aan het Provinciaal Depot Bodemvondsten Gelderland
Datum veldwerk
23 juni-2 juli 2014
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
12
Vindplaatsgegevens Complextype
nederzetting
Datering
neolithicum-Romeinse tijd
1.4
Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk is het onderzoekskader van het archeologisch onderzoek neergezet (hoofdstuk 2). In het kort wordt vervolgens ingegaan op de landschappelijke ligging zowel geomorfologisch als bodemkundig. Daarna volgt een omschrijving van de archeologische achtergronden in en rondom het plangebied en de daarbij aangetroffen sporen en vondsten. De historische achtergrond van de locatie en de nabije omgeving van het onderzoeksgebied wordt kort geschetst aan de hand van historisch kaartmateriaal. Vervolgens zijn de onderzoeksvragen geformuleerd zoals ze zijn gesteld in het Programma van Eisen (PvE) voor dit onderzoek. Tot slot van hoofdstuk 2 is de werkwijze van het onderzoek beschreven. In de hoofdstukken 3, 4 en 5 wordt per vindplaats nader ingegaan op de resultaten van het archeologisch onderzoek. Per paragraaf worden de bodemopbouw, de aangetroffen sporen en de vondsten besproken. In hoofdstuk 6 zijn de resultaten samengevat en wordt per vindplaats een synthese en waardering gegeven. Aan het eind van het hoofdstuk 6 volgt het advies voor de verschillende vindplaatsen. In de bijlages zijn een periodetabel opgenomen, sporen- en vondstenlijsten en worden de onderzoeksvragen uit het PvE beantwoord.
13
Wijchen, Huurlingsedam
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
14
2
Onderzoekskader
Het landschap was in het verleden in veel grotere mate van invloed op het bewoningspatroon van de mens dan tegenwoordig. Het vormde een belangrijke factor in de keuze voor de nederzettingslocatie. De ligging van voor dit onderzoek relevante archeologische vindplaatsen is dan ook in hoge mate gecorreleerd aan het landschap. Voorafgaand aan de beschrijving van de onderzoeksresultaten zelf, is het daarom belangrijk eerst in kaart te brengen hoe het landschap zich heeft ontwikkeld en welke locaties binnen dit landschap geschikt waren voor bewoning en dus potentiële vestigingsplaatsen waren. Vervolgens worden bekende archeologische gegevens beschreven voor zover ze relevant zijn voor het plangebied/onderzoeksgebied en voor de onderzoeksresultaten. Ook wordt gekeken wat op basis van historisch kaartmateriaal of andere historische gegevens bekend is over bewoning en landgebruik binnen het onderzoeksgebied. Achtereenvolgens komen in dit hoofdstuk de landschappelijke (paragraaf 2.1), de archeologische (paragraaf 2.2) en de historische achtergronden (paragraaf 2.3) aan de orde. Deze kaders vormen de achtergronden waartegen de doelstellingen, de vraagstellingen en onderzoeksvragen die in het PvE zijn geformuleerd (paragraaf 2.4), worden behandeld en waartegen de resultaten van het onderzoek worden afgezet.
In paragraaf 2.5 wordt de gehanteerde werkwijze voor zowel het veldwerk als de uitwerking beschreven.
2.1
Landschappelijke situering (C. Kalisvaart)
2.1.1
Algemene geologie, geomorfologie en bodem
Het plangebied bevindt zich in het Nederlandse rivierengebied en ligt geologisch gezien in de Venloslenk. De Venloslenk is een tektonisch dalend gebied, dat aan de zuidwestzijde begrensd wordt door de Peelhorst en aan de oostzijde door de breuk van Viersen. Geomorfologisch gezien bestaat de ondiepe ondergrond rondom Wijchen uit een laat-Pleistoceen/vroeg-Holoceen vlechtend rivierlandschap bestaande uit hoger gelegen, oudere rivierterrassen en lager gelegen jongere rivierdalen. De lagere delen van dit rivierlandschap zijn vanaf het Subboreaal (vanaf circa 5000 14C jr. BP) afgedekt door jongere Holocene fluviatiele afzettingen. Op de oudere rivierterrassen hebben zich in het tweede deel van de Late Dryas en gedurende het Preboreaal rivierduinen kunnen vormen. Op de laat-Pleistocene rivierterrassen veranderde vanaf het begin van het Boreaal nog maar weinig in het abiotische landschap. Artefacten uit verschillende archeologische perioden liggen buiten het Holocene Maasdal
15
Wijchen, Huurlingsedam
vrijwel allemaal op één niveau en zijn ruimtelijk-chronologisch niet te scheiden. Gezien de langdurige expositie aan het oppervlak van de rivierterrassen heeft hier bodemvorming kunnen optreden in de vorm van (interne) verwering of nieuwvorming van mineralen (verbruining). Het Laat-Pleniglaciaal tot en met het Vroeg-Holoceen De Rijn en de Maas hebben zich gedurende het Pleistoceen onder invloed van klimaat, zeespiegelfluctuaties en tektoniek sterk ingesneden in het omliggende landschap. Hierdoor ontstonden rivierterrassen, waarbij bovenstrooms van de terrassenkruising de oudste terrassen hoger liggen dan de jongere terrassen. Voor de ouderdom van de geologische perioden wordt verwezen naar bijlage 1 en afb. 2.1. Gedurende het Laat-Pleniglaciaal (circa 30.000 – 14.650 cal. yr. BP2) stroomden de vlechtende riviersystemen van Rijn en Maas ten zuid(west)en van Wijchen in een gezamenlijke dalvlakte. Gedurende het Laat-Glaciaal (circa 14.600 – 11.650 cal. yr. BP) sneden de Rijn en de Maas zich onder invloed van een warmer wordend klimaat sterk in, waarbij de Maas zich, vermoedelijk als gevolg van tektoniek, verder in noordoostwaartse richting verplaatste. De nieuw gevormde dalvlakte in deze periode wordt ook wel het overgangsterras genoemd (nr. 702; afb. 2.1).
Het overgangsterras wordt gekenmerkt door smalle en ondiepe vlechtende restgeulen als ook goed ontwikkelde meanderende restgeulen. Het terras bevat grote reliëfverschillen (tot meer dan 2 m tussen de ruggen en de depressies) en het sediment bestaat hoofdzakelijk uit zeer tot uiterst grof zand (420-600 μm). Deze fluviatiele afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye.3 De top van de zandige afzettingen van het overgangsterras zou zich ter hoogte van Wijchen tussen 6,0 en 7,0 m +NAP moeten bevinden rekening houdende met bekende verhanglijnen.4
Afb. 2.1 Uitsnede van de Rijn-Maasdal reconstructie voorafgaand aan aggradatie van Cohen et al. (2012) met daarop geprojecteerd de vindplaatsen 1 t/m 3 (naar Flokstra en Heunks 2005). Het plangebied bevindt zich volgens hen grotendeels op het Terras X of Late Dryas terras (nrs. 703 en 706). Het uiterst noordelijke deel van het plangebied ligt op het overgangsterras (nr. 702). In het zuidwestelijke deel van het plangebied ligt een gedurende het Preboreaal verlaten meandergordel (nr. 707), die vanaf omstreeks de aanvang van het neolithicum voor circa 3000 jaar weer watervoerend was (het Wijchens Maasje).
Tijdens het Bølling (14.650- 14.050 cal. yr. BP) en het Allerød Interstadiaal (13.900 – 12.850 cal. yr. BP) concentreerden de actieve riviergeulen zich verder tot enkelvoudige meanderende rivierlopen die zich relatief diep hebben ingesneden in het overgangsterras. Ter plekke van het plangebied zijn deze geulen niet meer aanwezig, aangezien ze tijdens het Late Dryas stadiaal (12.850-11.650 cal. yr. BP) weer zijn herwerkt tot vlechtende rivierdalvlaktes. Op het overgangsterras kan nog wel een 0,5 tot 1 m dikke, blauwgrijze, zandige klei- of leemlaag (‘Hochflutlehm’) worden herkend uit deze periode. Deze als komafzetting van een meanderend riviersysteem getypeerde afzetting staat bekend als de Laag van Wijchen en behoort lithostratigrafisch gezien ook tot de Formatie van Kreftenheye (afb. 2.2).5 In de Late Dryas (12.850 – 11.650 cal. yr. BP) veranderde als gevolg van een tijdelijke verslechtering van het klimaat het meanderende rivierpatroon van de Maas opnieuw in een vlechtend systeem. Tijdens de Late Dryas nam het sedimentaanbod weer toe en werd een deel van de tijdens het Allerød uitgeruimde en daardoor dieper liggende riviervlakte weer opgevuld met fluviatiele sedimenten. Er ontstond opnieuw een riviervlakte met vlechtende geulen, waarbij de top van het grindrijke beddingzand voorkomt onder de niveaus van het Laat-Pleniglaciale rivierterras en het overgangsterras. De
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
2 3 4 5
16
cal. yr. BP = aantal werkelijke jaren voor 1950 AD. De Mulder et al. 2003. Kasse et al. 2005. De Mulder et al. 2003.
17
Wijchen, Huurlingsedam
Pleistocene ondergrond bevindt zich volgens een geologische boring ter plekke van het plangebied op circa 2 m -mv (ca. 6 m +NAP; boring nr. B45F1002).6 Het betreft hier afzettingen behorende tot de Formatie van Kreftenheye, die veelal bestaan uit matig grof tot zeer grof (210-420 µm) , zwak grindig zand. Dit rivierterras wordt aangeduid als het “Terras X” (afb. 2.1) of het Late Dryas terras. In de tweede helft van de Late Dryas (vanaf ca. 10.550 14C yr. BP; 12.000 cal. yr. BP) werd het klimaat naast kouder ook droger. Hierdoor kon verstuiving vanuit de gevormde vlechtende rivierdalvlaktes van veelal matig grove zanden (mediaan veelal rond de 300 µm) optreden, waardoor op de naastgelegen terrassen rivierduinen konden ontstaan. De mineralogische samenstelling van rivierduinzand is sterk afhankelijk van het brongebied en lijkt ter plekke van het plangebied dus sterk op de mineralogische samenstelling van de Formatie van Kreftenheye. De matig goede sortering en de matig tot goede afronding daarentegen zijn goed waarneembaar en vrijwel overal hetzelfde. Daarom behoort rivierduinzand tot de Formatie van Boxtel onder het Laagpakket van Delwijnen.7 Uit het vooronderzoek8 blijkt dat alle aangetroffen vindplaatsen binnen het plangebied zich op dergelijke rivierduinen en in de randzones daarvan bevinden. De verstuiving heeft plaatsgevonden tot (ver) in het Preboreaal.
Holoceen Vanaf het Preboreaal (circa 11.650 – 10.250 cal. yr. BP) concentreerde de Maas zich geleidelijk tot een enkelvoudige zwak meanderende rivierbedding, die zich insneed in de riviervlakte uit de Late Dryas. Zodoende is de voorloper van het Wijchens Maasje gevormd. Halverwege het Preboreaal is deze meandergordel verlaten geraakt en kwam de zandige bedding droog te liggen (nr. 707; afb. 2.1).9 Het is goed mogelijk dat zich ter plekke van het plangebied juist in het tweede deel van het Preboreaal een (hernieuwde) fase van verstuiving heeft plaatsgevonden. Tijdens de nog actieve fase van deze Preboreale rivierloop is op de lagere delen van het rivierterras of op het reeds aanwezige rivierduinzand wederom een pakket zandige klei afgezet die ook wordt gerekend tot de Laag van Wijchen (afb. 2.2). Deze Laag van Wijchen kan op haar beurt vervolgens weer zijn afgedekt door een pakket rivierduinzand, waarop mogelijk nog een derde Laag van Wijchen aanwezig zou kunnen zijn (afb. 2.2). Vanaf het Boreaal (mesolithicum) sneed de Maas zich dusdanig ver in dat afzetting van fijnkorrelig sediment op de rivierterrassen op rivierduinen onmogelijk werd. Bodemvorming kon vanaf deze periode vrijelijk haar gang gaan, mede door de dalende grondwaterspiegels.
In het van origine mineraalrijke substraat van de Maasafzettingen trad interne verwering op in het geoxideerde en ontkalkte uitgangsmateriaal. De interne verwering komt tot uiting door een verbruining van het bodemmateriaal als gevolg van kleuring door ijzeroxiden die vrijkomen bij de verwering van mineralen, en door nieuwvorming van kleimineralen. Dergelijke verweerde bodemhorizonten (Bwhorizonten) worden veel aangetroffen in langdurig geëxposeerde, mineraalrijke afzettingen. In de top van het rivierduinzand konden zich moderpodzolen of (micro)moderpodzolen ontwikkelen. Deze moderpodzol-B-horizont is veelal bruin tot geelbruin van kleur en wordt gekenmerkt door sterke bioturbatie vanwege het rijke bodemleven.
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
6 7 8
9
18
Dinoloket 2014. De Mulder et al. 2003; Berendsen 2008. Heunks 2005; Flokstra en Heunks 2005; Kuppens en Van Heijst 2010. Cohen et al. 2012.
Afb. 2.2 Lithogenetisch profiel en schematische weergave van het Maasterrassenlandschap vanaf het zuidwestelijke naar het noordoostelijke deel van het plangebied.
Na een periode van betrekkelijke rust (het Atlanticum) waarbij in Pleistocene en vroeg-Holocene restgeulen veen kon gaan groeien, nam de rivierafvoer weer toe. Mede als gevolg van toenemende ontbossing door de mens werd vanaf de overgang van het Atlanticum naar het Subboreaal (ca. 5900 14C-jaar BP; laatneolithicum) enkele oude waterlopen van het Holocene dal van de Maas weer (periodiek) watervoerend. Op een dergelijke wijze is dan ook het Wijchens Maasje ontstaan (5900-3020 14C yr. BP). Al naar gelang de hoogte van het rivierduinzand ten opzichte van NAP wordt het rivierduinzand afgedekt door jongere kleiige tot lemige oeverafzettingen behorende tot de Formatie van Echteld. Op de flanken van deze gereactiveerde meandergordel werden veelal siltrijke, kalkarme oeverafzettingen en in de geul na verlanding meer (humeuze) siltarme restgeulafzettingen afgezet. Na het passeren van de terrassenkruising rond 3000 14C-jaar BP in de regio Nijmegen konden de laagste delen van het landschap worden afgedekt door een pakket komklei dat afkomstig is van jongere riviersystemen. Door de toegenomen accomodatieruimte versnelde na die periode de aggradatie in het Holocene dal. Archeologische niveaus In het Maasterrassenlandschap nabij Wijchen zijn drie niveaus van belang voor de archeologie. Allereerst de top van het overgangsterras, dat bewoond kan zijn geweest vanaf het laat-paleolithicum.
Ten tweede de top van het door de Laag van Wijchen bedekte Late Dryas terras of Terras X waarop bewoning vanaf het mesolithicum kan hebben plaatsgevonden. Een derde niveau betreft de top van het aanwezige rivierduinzand dat mogelijk nog wordt afgedekt door de Laag van Wijchen of latere Holocene fluviatiele afzettingen. Gezien de vermoedelijke hernieuwde verstuivingsfases van afzetting van het duinzand ter plekke van het plangebied lijkt de top van het rivierduin pas bewoond te zijn geweest vanaf het Boreaal (midden-mesolithicum). Mogelijk is er nog een ouder overstoven niveau aanwezig binnen het opgestoven rivierduinzand. Hierin zouden nog resten uit het vroeg-mesolithicum kunnen worden aangetroffen.
19
Wijchen, Huurlingsedam
2.1.2
Gebiedsspecifieke landschappelijke ligging
Het plangebied Huurlingsdam ligt in een door de Maas tijdens het LaatGlaciaal en het Vroeg-Holoceen gevormd rivierterrassenlandschap. Er heeft vooronderzoek plaatsgevonden in de jaren 200510 en 201011. Hieronder volgt een beknopte samenvatting van de landschappelijke ligging van het plangebied en de landschappelijke situering van de drie onderzochte vindplaatsen 1, 2 en 3. Dit alles wordt visueel ondersteund door middel van de hoogtekaart van het plangebied op basis van het Actueel Hoogtebestand van Nederland, versie II.12
Afb. 2.3 Uitsnede van de hoogtekaart van het plangebied en haar omgeving (AHN-II 2014). Alle drie de vindplaatsen liggen op rivierduinopduikingen.
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied op basis van ontstaanswijze, ouderdom en bodemopbouw kan worden onderscheiden in vier landschappelijke eenheden, namelijk 1) de Pleistocene (of Holocene) rivierduinopduikingen, 2) lage delen van het rivierduinlandschap, 3) oeverzone van het Wijchens Maasje en 4) restgeul van het Wijchens Maasje.13 Op de hoogtekaart (afb. 2.3) zijn deze vier landschappelijke eenheden duidelijk van elkaar te onderscheiden. De rivierduinopduikingen worden gekenmerkt door de oranjerood gekleurde gebieden (> 8 m +NAP) in het centrale deel en uiterst noordelijke deel van het plangebied. De lagere delen van het rivierduinlandschap worden gekenmerkt door de geel gekleurde gebieden (tussen 7,5 en 8 m +NAP) die veelal in het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied liggen. Binnen dit lagere deel van het rivierduinlandschap komt een iets lager gelegen afwateringsgeul voor (lichtblauw gekleurd; afb. 2.3). Op de bodemkaart van Pons14 is in deze laagte een relatief brede afwateringsgeul weergegeven. Deze geul splitst zich in het meest noordoostelijke gedeelte van het plangebied in twee geulen, gescheiden door een rivierduinopduiking. Westelijk sluit de geul aan op de restgeul van het Wijchens Maasje.
Waarschijnlijk betreft het in oorsprong geulsystemen van het Pleistocene vlechtende rivierensysteem, die in de loop van het Holoceen als lokale afwateringsgeul zijn blijven fungeren. Behalve (kwel) water van het achterliggende rivierduinencomplex, werd in de onbedijkte situatie bij hoge waterstanden van de Maas het overtollige water via deze geulen afgevoerd op het Wijchens Maasje.15 De oeverzone van het Wijchens Maasje wordt gekenmerkt door een afwisseling van geel en lichtblauw gekleurde gebieden (tussen 6,5 en 7,5 m +NAP) gelegen in het zuidwestelijke deel van het plangebied. De restgeul van het Wijchens Maasje ligt in het uiterst zuidwestelijke deel van het plangebied en vormt het laagste deel in de wijde omgeving van het plangebied. Uit het verkennend onderzoek blijkt dat de vastgestelde geologische opbouw grotendeels overeen komt met de bevindingen uit het bureauonderzoek. Het plangebied ligt op de overgang van een uitgestrekt laat-Pleistoceen (of Holoceen) rivierduinencomplex in het noorden en de Holocene afzettingen van de Maas in het zuiden. Een groot gedeelte van het plangebied behoort tot het Pleistocene landschap en wordt gekenmerkt door een geïsoleerde, maar omvangrijke Pleistocene rivierduinopduiking. Deze opduiking wordt gekenmerkt door (deels) intacte bodemprofielen met een B-inspoelingshorizont.
Dit duidt op een relatief geringe verstoring van het oorspronkelijke oppervlaktereliëf en geringe verstoring van de natuurlijke bodemopbouw (enkele zichtbare bodemverstoringen).
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
10 Heunks 2005; Flokstra en Heunks 2005. 11 Kuppens en Van Heijst 2010. 12 AHN-II 2014. 13 Heunks 2005. 14 Pons 1966. 15 Heunks 2005.
20
423.250
423.000
422.750
179.250
vindplaatsen
waarnemingen
400075
179.500
m [+NAP]
Wijchen, Huurlingsedam 6
11
419582
57839 35233 4183 1 39173
plangebied hoogte steilranden
39178 400087
179.500
424925
hoogtekaart (op basis van het AHN-2)
Wijchen, Huurlingsedam
40728 40722
400079
179.250
179.750
179.750
400077 2
400083
3
180.000
11413 12894
180.000
0
180.250
41974198
31961
31966
180.250
4191
N
400085
A-14.0147© BAAC bv
300 m
180.500
31936
22325
32261
11323
180.500
423.250 423.000 422.750
21
Hetzelfde geldt voor de noordelijke begrenzing van het plangebied die wordt gevormd door de zuidelijke flanken van het grote rivierduinencomplex. Tussen beide opduikingen ligt een lager gelegen Pleistocene dalvlakte met plaatselijk geulachtige bodemprofielen. Het zuidelijke gedeelte van het plangebied maakt deel uit van de Holocene riviervlakte en wordt gekenmerkt door oever-opkomafzettingen. De oeverafzettingen hebben een relatief zware bodemtextuur en liggen relatief laag ten opzichte van de omgeving. De zuidelijke begrenzing van het plangebied komt voor het grootste deel overeen met de restgeul van het Wijchens Maasje.16 Uit het karterend booronderzoek blijkt dat er op de (flanken van de) rivierduinopduikingen in totaal zeven vindplaatsen aanwezig zijn.17 Deze vindplaatsen betreffen zones waarbinnen de aanwezigheid van (deels) intacte (grond)sporen van bewoning (nederzettingssporen) uit het verleden zeer waarschijnlijk wordt geacht. De begrenzing is vastgesteld op basis van een combinatie van verspreiding van archeologische vondsten en landschappelijke kenmerken. Opvallend was de aanwezigheid van een steilrand aan de zuidwestelijke zijde van de centrale rivierduinopduiking.
Op de zuidoostelijke flank van het centrale rivierduincomplex is veel meer sprake van een geleidelijk wegduiken van de rivierduin- en rivierterrasafzettingen onder een geleidelijk dikker wordend pakket oever- en komafzettingen. De drie onderzochte vindplaatsen liggen alle op deze centrale rivierduinopduiking. Opvallend is het vrijwel ontbreken van archeologische indicatoren in relatief hooggelegen zones met een kleidek. Nederzettingslocaties lijken bewust buiten deze zones te zijn ontwikkeld, vermoedelijk samenhangend met een betere waterhuishouding en bewerkbaarheid van de bodem. Vindplaats 1 (mesolithicum-vroege middeleeuwen) ligt op circa 8,0 m +NAP en betreft een 6,8 ha grote aaneengesloten zone met archeologische vondsten uit boringen. De vindplaats vormt het hoger gelegen westelijke deel van de centrale rivierduinopduiking. De bodemopbouw wordt hier gekenmerkt door het ontbreken van een kleidek en het vrijwel vlakdekkend voorkomen van intacte B-inspoelingshorizonten. De B-horizonten zijn opvallend dik en reiken in sommige gevallen tot dieper dan 1,0 m –mv. De zuidwestelijke begrenzing valt samen met het over korte afstand diep wegduiken van het Pleistocene rivierduinzand onder Holocene oever- en komafzettingen. In deze randzone dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van smalle Holocene afwateringsgeulen.
De zuidoostelijke begrenzing wordt gevormd door de overgang naar een lager gedeelte van het rivierduin. Deze (relatieve) laagte wordt afgedekt door een tot meer dan 1,0 m dik pakket met komklei-afzettingen en wordt gekenmerkt door het vrijwel geheel ontbreken van vondsten. De noordoostelijke begrenzing valt samen met de flank van de Pleistocene dalvlakte. De westelijke begrenzing verloopt, mede door de aanwezigheid van een omvangrijke voormalige zandwinlocatie, minder markant. De vindplaatsbegrenzing is hier in hoofdzaak gedefinieerd op grond van de verspreiding van vondsten uit boringen. In principe kunnen archeologische sporen direct onder de bouwvoor voorkomen. De bouwvoor heeft een gemiddelde dikte van 40 cm. Er zijn geen aanwijzingen voor latere overstuivingen en/of fluviatiele afzettingen waardoor
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
16 Heunks 2005. 17 Flokstra en Heunks 2005.
22
de vindplaats dieper kan zijn afgedekt. Uitzondering vormt de meest zuidelijke randzone, waar het Pleistocene oppervlak wegduikt onder Holocene oever- en komkleiafzettingen en vondstlagen kunnen zijn afgedekt. Vindplaats 2 (neolithicum-late middeleeuwen) ligt gemiddeld op 8,2 m +NAP en betreft een 2,8 ha grote langgerekte zone op een relatief hooggelegen deel van de zuidoostelijke rand van de centrale rivierduinopduiking. Deze zone wordt gekenmerkt door een concentratie van vondsten uit boringen, omgeven door een zone waar vondsten uit boringen (vrijwel) ontbreken. De bodemopbouw wordt op de vindplaats gekenmerkt door intacte bodemprofielen met een B-inspoelingshorizont en het vrijwel ontbreken van een kleidek. De B-horizont heeft een gemiddelde dikte van circa 30 tot 50 cm en is daarmee iets dunner dan op vindplaats 1 (50-75 cm). Verspreid zijn ook deels onthoofde bodemprofielen aangetroffen (BC-horizont) en diep verstoorde profielen. In het algemeen wijzen verschillende steilranden binnen de als vindplaats aangemerkte zone op plaatselijk intensieve bodemverstoringen. In principe kunnen archeologische sporen direct onder de bouwvoor voorkomen. De bouwvoor heeft een gemiddelde dikte van 40 cm. Er zijn geen aanwijzingen voor latere overstuivingen en/of fluviatiele afzettingen waardoor de vindplaats dieper kan zijn afgedekt.
Uitzondering vormt de meest zuidelijke randzone, waar het Pleistocene oppervlak wegduikt onder Holocene oever- en komkleiafzettingen en vondstlagen kunnen zijn afgedekt. Tevens kunnen hier vondstlagen zijn afgedekt als gevolg van egalisatiewerkzaamheden, waarbij grond van hogerop is afgeschoven naar de lagere delen. Vindplaats 3 (neolithicum-bronstijd) ligt gemiddeld op 8,3 m +NAP en is circa 0,75 ha groot. Het betreft een relatief kleine prehistorische vindplaats gelegen op een lokaal hoger rivierduin in het noordoostelijke deel van de rivierduinopduiking. De vindplaats kan worden begrensd op grond van de verspreiding van vondsten uit boringen (in verband met het gebruik als grasland kon geen oppervlaktekartering worden gedaan), in combinatie met de relatieve hoogteligging en de bodemopbouw. De vindplaats wordt gekenmerkt door het ontbreken van een kleidek en een intacte B-inspoelingshorizont. De vindplaats wordt in vrijwel alle richtingen omgeven door iets lagere delen van de centrale rivierduinopduiking, die hier worden afgedekt door een dun (zandig) kleidek.
2.2
Archeologische achtergrond in en rondom het plangebied
Zoals in de voorgaande paragraaf beschreven ligt het centrale deel van het plangebied op een rivierduin. Ook het onderzoeksgebied hoort hiertoe. Voor rivierduinen geldt over het algemeen dat deze gebieden een hoge archeologische verwachting hebben op het voorkomen van vindplaatsen uit alle archeologische perioden. Vanwege hun gunstige ligging en goede bewoonbaarheid kunnen rivierduinen vanaf het paleolithicum in gebruik zijn geweest als woonplaats, begraafplaats en/of akkergrond.
23
Wijchen, Huurlingsedam
Archeologisch onderzoek in het plangebied De rivierduinopduiking in het plangebied maakt deel uit van een archeologisch monument, AMK-terrein 4232 (bijlage 3). In Archis staat het terrein omschreven als ‘een oude woongrond met aardewerkvondsten uit het neolithicum, de bronstijd, ijzertijd en Romeinse tijd’.18 Behalve aardewerk zijn ook vuurstenen artefacten gevonden waaronder een depotvondst van enkele klingen en twee stenen bijlen (waarnemingsnummer 4183 en 35233). Aan de oostzijde van het AMK-terrein zijn rond 1930 een aantal graven aangetroffen (waarnemingsnummer 11413 en 12894). Het gaat om begravingen uit de periode tussen het neolithicum en de Romeinse tijd waarbij een groot aantal urnen is gevonden. Opvallend is dat crematieresten ontbreken. Bij deze meldingen dient een kanttekening te worden geplaatst dat er enige onzekerheid bestaat over de exactheid van de vondstlocatie.19 Behalve bewoning en begraving in de periode neolithicum-Romeinse tijd, bestaan in het plangebied ook aanwijzingen voor menselijke activiteit in de middeleeuwen. Het is nog onduidelijk of dit te relateren is aan bewoning of dat de gronden als landbouwgrond zijn gebruikt, behorende bij adellijk huis ’t Slotje. Dit huis ligt direct aan de overzijde van de Huurlingsedam en was mogelijk een laatmiddeleeuwse versterking (zie ook paragraaf 2.3).
Op de flanken van de rivierduin zijn binnen het plangebied geen vondsten in Archis geregistreerd. Ten noorden van de Oosterweg (noordgrens van het plangebied) zijn in de overgangszone van rivierduin naar vlakte echter wel vondsten uit de prehistorie, Romeinse tijd en middeleeuwen aangetroffen. De mogelijkheid bestaat dat op de flanken van de rivierduin in het plangebied ook aanwijzingen voor bewoning kunnen worden gevonden. Op de rivierduin zijn tijdens het karterend booronderzoek de voor onderhavig onderzoek van belang zijnde vindplaatsen 1, 2 en 3 vastgesteld (tabel 2.1). De verwachting is dat hier menselijke activiteiten in de prehistorie en Romeinse tijd hebben plaatsgevonden en mogelijk ook in de middeleeuwen. Op basis van het booronderzoek is naar voren gekomen dat het terrein hier hoog ligt, dat de bodem grotendeels intact zal zijn en dat er diverse vondsten uit verschillende archeologische perioden aanwezig zijn. vindplaats
oppervlakte
periode
1
6,8 ha
mesolithicum-vroege middeleeuwen
2
2,8 ha
neolithicum-vroege middeleeuwen
3
0,75 ha
neolithicum-bronstijd
In 2007 is ten zuiden van de Huurlingsedam een IVO-P uitgevoerd door BILAN (waarnemingsnummer 419582). In het plangebied werden vier proefsleuven aangelegd, werkput 1 tot en met 4 (bijlage 3).21 De werkputten 1 en 3 bevinden zich op de overgang van een rivierduinopduiking naar een gebied met oever- en komafzettinggen. Werkputten 2 en 4 liggen op een rivierduinopduiking. De werkputten 1 en 2 bevinden zich binnen de contouren van vindplaats 2, in het uiterste zuidoosten van de vindplaats. In werkput 2 was de top van de rivierduin sterk verstoord door recente zandwinning. In werkput 1 werden uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd muurwerk, een paalspoor en een grote kuil
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
Tabel 2.1 De oppervlakte en verwachte perioden van menselijke activiteit per vindplaats, gebaseerd op de gegevens van RAAP.20
18 19 20 21
24
ArchisII. Flokstra 2005, 14. Flokstra & Heunks 2005, 27. Kooi & Verbeek 2009.
of waterput aangesneden. Eén paalkuil dateert mogelijk uit de bronstijd of ijzertijd. De werkputten 3 en 4 bevinden zich aan de zuidwestelijke rand van vindplaats 1. In werkput 4 zijn paalsporen aangetroffen die uit de midden-bronstijd of vroege ijzertijd dateren. Van deze sporen staan er drie in verband en kunnen mogelijk toebehoren aan een zespalige structuur. In beide werkputten lagen greppels met een relatief jonge datering (1650 na Chr.-heden). Bureau Archeologie en Monumenten van de gemeente Nijmegen heeft in de periode tussen oktober 2008 en juni 2009 enkele archeologische onderzoeken in het plangebied uitgevoerd (waarnemingsnummer 424925).22 Deze onderzoeken bestonden uit het begeleiden van civiele werkzaamheden, waarnemingen en een kleine opgraving in een wegcunet (bijlage 3). De locaties liggen verspreid over het gebied ten zuiden van de Huurlingsedam, zowel ter plaatse van rivierduinen als oever- en komafzettingen als de restgeul van het Wijchens Maasje. Op vindplaats 1 zijn rond het terrein van ’t Slotje bij de aanleg van rioleringssleuven geen archeologische waarden aangetroffen. In twee andere sleuven werd het archeologisch niveau niet bereikt waardoor eventuele archeologische overblijfselen beschermd zijn gebleven.
Tijdens werkzaamheden op vindplaats 2 werd weliswaar handgevormd aardewerk uit de prehistorie-Romeinse tijd gevonden, maar geen sporen uit deze periode (locatie 21-23). De scherven wijzen op menselijke activiteit op vindplaats 2. Wat zich hier precies heeft afgespeeld is tijdens dit onderzoek onduidelijk gebleven. Bij waarnemingen in het plangebied is geen oude voorloper van de Huurlingsedam waargenomen. Wel is de indruk ontstaan dat het tracé tussen de Graafseweg en ’t Slotje ouder is dan de weg vanaf ‘t Slotje naar Wijchen. In dit laatste tracé werd een vlijlaag van zand met jong baksteenpuin aangetroffen. Mogelijk liep een voorganger van de Huurlingsedam in eerste instantie recht richting Wijchen, zonder knik. De greppels die in werkput 4 van BILAN zijn aangetroffen lopen precies in het verlengde van de weg. Mogelijk markeren zij de locatie van een voorganger van de Huurlingsedam. Omdat het profiel tijdens het onderzoek instortte en geen vondsten zijn gedaan is deze aanname speculatief. In de bedding van het Wijchens Maasje zijn tijdens werkzaamheden geen sporen en/of vondsten gedaan. In de oeverzone zijn de overblijfselen van een veldbrandoven aangetroffen. De sporen bestonden uit greppels gevuld met roodbruin lemig zand, veel baksteenpuin, brokjes sintels en brokjes houtskool.
De formaten van de bakstenen die in de oven zijn geproduceerd zijn wat betreft formaat en baksel vergelijkbaar met de bakstenen van de funderingen van ’t Slotje. Mogelijk werd de veldbrandoven speciaal voor de bouw van de boerderij aangelegd.
22 Kuppens & Van Heijst 2010. 23 Van Kampen 2012.
25
Archeologisch onderzoek in plangebied Oostflank te Wijchen In de zomer van 2010 heeft VUhbs archeologie een proefsleuvenonderzoek in plangebied Oostflank te Wijchen uitgevoerd.23 Dit plangebied ligt circa 1300 m ten noordwesten van onderhavig plangebied. Omdat tijdens dit onderzoek vindplaatsen uit onder andere het neolithicum en de ijzertijd zijn aangesneden,
Wijchen, Huurlingsedam
wordt in deze paragraaf hieraan kort aandacht besteed. De vindplaats uit het neolithicum bestaat uit vier kuilen met daarin aardewerk uit deze periode.24 De kuilen worden tot een nederzetting gerekend waarvan mogelijk nog meer sporen in de proefsleuven aanwezig waren. Deze zijn echter in deze fase van het onderzoek niet herkend. Het aardewerk is verspreid over het plangebied aangetroffen wat volgens de onderzoekers wijst op een vrij grote omvang van de nederzetting. De vindplaats uit de ijzertijd bestaat tot zover uit enkele sporen en wat vondstmateriaal.25 In tegenstelling tot de nederzetting uit het neolithicum zijn de aanwijzingen minimaal. Toch is mogelijk sprake van een deel van een structuur uit deze periode. Een aantal sporen lijkt onderdeel te vormen van een zespalig bijgebouw dan wel van een rij middenstaanders van een groter gebouw. De onderzoekers vermoeden dat sporen uit de ijzertijd aanwezig zijn in de cluster met neolithische sporen. Archeologisch onderzoek in plangebied Oosterweg te Wijchen Op circa 500 m ten noordwesten van vindplaats 1 heeft Bureau Archeologie en Monumenten van de gemeente Nijmegen in 2007 een archeologisch onderzoek uitgevoerd in plangebied Oosterweg te Wijchen.26 Tijdens dit onderzoek is een vindplaats uit het midden-neolithicum B aangetroffen die in deze paragraaf kort beschreven zal worden.
Behalve deze vindplaats zijn sporen uit diverse andere perioden blootgelegd, waaronder resten uit het einde van het laat-neolithicum B (klokbekercultuur). Deze periode wordt vertegenwoordigd door sporen en scherven klokbekeraardewerk. Ook zijn te midden van vondsten uit het middenneolithicum sporen van ovens gevonden waarvan de datering problematisch is. In de sporen werd zowel klokbekeraardewerk als ook handgevormd prehistorisch aardewerk zonder scherpe datering aangetroffen. Op basis van deze gegevens kunnen de ovens ofwel uit het laat-neolithicum ofwel uit de periode late bronstijd-Romeinse tijd dateren. Uit deze laatste periode stammen ook nog andere sporen waaronder paalsporen en kuilen. Een deel van een grafveld dat werd aangesneden, kon bij gebrek aan vondstmateriaal niet gedateerd worden. De midden-neolithische vindplaats bestaat uit met name vondstmateriaal. In eerste instantie werd gedacht dat sprake was van een nederzetting van de Vlaardingengroep, maar nader onderzoek wees anders uit. De concentraties vondstmateriaal, bestaande uit aardewerk, vuur- en natuursteen en dierlijk bot, wijzen op afvaldumps van een nabijgelegen nederzetting. De afvalzone bleek in een depressie te liggen, onderaan een hoger gelegen rivierduin, daar waar juist bewoningssporen verwacht kunnen worden.
De vindplaats is niet geheel onderzocht waardoor maar deels kennis over deze vindplaats is ingewonnen. Zo is het onduidelijk gebleven of sprake is van afval dat van een permanent bewoonde of van een semi-permanent bewoonde nederzetting afkomstig is. Het vondstmateriaal heeft echter wel kenniswinst opgeleverd ten aanzien van grondstofgebruik en typologische en technologische aspecten van het aardewerk, het vuur- en natuursteen uit deze periode.
24 Van Kampen 2012, 26-27. 25 Van Kampen 2012, 28-29. 26 De Koning 2010.
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
26
2.3
Historische achtergrond van het plangebied
Het plangebied bevindt zich ten zuidoosten van de bebouwde kom van Wijchen, langs de Huurlingsedam. Deze weg loopt over een hoogte in het landschap. Op kaarten uit de 19e eeuw staat de Huurlingsedam al afgebeeld. Uit oudere bronnen uit het einde van de 17e eeuw wordt de weg genoemd, deze staat dan bekend als “d’Alee van ’t Huijs” en “Dam van ’t Huis”. Mogelijk is de weg nog ouder dan de 17e eeuw en gaat de Huurlingsedam terug tot in de late middeleeuwen. Ter hoogte van een scherpe knik in de weg ligt ’t Slotje. Schriftelijke bronnen over deze boerderij gaan niet verder terug dan circa 1680, maar de mogelijkheid bestaat dat bewoning ter plaatse van ’t Slotje al uit de late middeleeuwen dateert.27 Indien daadwerkelijk sprake is van een laatmiddeleeuwse voorganger dient rekening gehouden te worden dat op de plaats van de huidige boerderij in die tijd een versterkt huis stond, een havezaathe. Dit huis zal dan zijn omgeven door een gracht. Contouren van de inmiddels gedempte waterloop zijn nog zichtbaar in het huidige reliëf.28
2.4
Onderzoeksvragen
De opgraving vindt plaats conform KNA-protocol 4003 ‘Inventariserend Veldonderzoek Proefsleuven’, met als doel om vast te stellen wat de inhoudelijke en fysieke kwaliteit van de locatie (aard, ouderdom, omvang, datering, gaafheid en conservering) is. Om tot dit doel te komen, dienen de volgende onderzoeksvragen te worden beantwoord:29 Algemeen 1. Wat is de aard, datering en omvang van de archeologische sporen en resten en tot welk complextype kunnen ze worden gerekend? 2. Wat is de aard en de datering van de diverse bodemlagen en wat is hun begrenzing in het verticale en horizontale vlak? 3. Wat is de relatie tussen de aangetroffen resten, de vastgestelde stratigrafie, de bodemgesteldheid en het landschap (geomorfologie en reliëf)? 4. Is er een relatie tussen de landschappelijke ligging (geomorfologie, reliëf en bodem) en de conservering van de archeologische resten? 5. Wat is de diepte (t.o.v. maaiveld) en de hoogteligging (t.o.v. NAP) van de archeologische resten? 6. Is er enig verband en welke tussen de hier aangetroffen sporen en die uit de (naaste) omgeving? 7. Wat is de eventuele relatie tussen de drie onderzochte vindplaatsen? 8. Zijn de vindplaatsen behoudenswaardig? 9. Is in situ behoud van behoudenswaardige resten mogelijk? Zo ja, hoe?
27 Heunks 2005, 14: mondelinge mededeling van de lokale historicus dhr. T. Kleine. 28 Heunks 2005, 14; Modderman 1951, 25-61. 29 Mietes 2014, 15-16.
27
Vondsten 10. Welke vondstcategorieën zijn aangetroffen (aantallen per categorie)? 11. Uit welke hoofd- en subperioden dateert het culturele vondstmateriaal? (Geef een schets van de bewoningsperioden aan de hand van aardewerk en metaalvondsten.)
Wijchen, Huurlingsedam
12. Wat is de conserveringstoestand van de vondsten (met name de organische vondstcategorieën)? Landschap 13. Hoe is de geologische, geomorfologische en bodemkundige opbouw van het onderzoeksgebied? 14. Zijn verschillende overstuivingsfasen van de rivierduinen vast te stellen? Zo ja, welke en wat is hun datering? 15. Welke eigenschappen van de (natuurlijke) omgeving speelden een rol bij de locatiekeuze voor bewoning? Specifiek 16. Welke mogelijkheden zijn er voor paleo-ecologisch en botanisch onderzoek en welke bijdrage kan dit onderzoek leveren aan de reconstructie van het natuurlijke landschap en de benutting daarvan? Denk aan de rol van landbouw en veeteelt in de voedseleconomie en handel. 17. Is er sprake van continu gebruik van de vindplaats van eventueel de Romeinse tijd naar middeleeuwen en naar de nieuwe tijd, of zijn (delen van) genoemde perioden niet vertegenwoordigd met vondstmateriaal?
2.5
Werkwijze van het onderzoek
2.5.1
Veldwerk
Voorafgaand aan het veldwerk heeft overleg met de opdrachtgever plaatsgevonden in verband met de aanvang van de werkzaamheden. Er is vervolgens gestart met onderzoek op vindplaats 2 waarna de sleuven op vindplaats 3 zijn aangelegd, gevolgd door onderzoek op vindplaats 1. In het gehele plangebied zijn 49 proefsleuven aangelegd met een totale oppervlakte van 4211 m2 (afb. 2.4). Het onderzoeksgebied is 5500 m2 groot wat een dekkingsgraad oplevert van bijna 8%. De werkputten 1 tot en met 5 zijn op vindplaats 2 aangelegd, de werkputten 6 tot en met 11 op vindplaats 3 en de werkputten 12 tot en met 49 op vindplaats 1. De afmetingen van de werkputten bedroegen 20 x 5 m. Er diende in principe één vlak aangelegd te worden. Gedurende het veldwerk is in overleg met de bevoegde overheid een tweede vlak aangelegd in werkputten 23 en 47. In werkput 47 werd bij het afsteken van het profiel een tweede A-horizont aangetroffen. Om die reden is in een groot deel van de put onder deze horizont een tweede vlak aangelegd. Ook zijn de sleuven 34 en 40 verlengd om meer inzicht in de aanwezige archeologie te verkrijgen. Met de opdrachtgever is besproken welke geplande sleuven zouden afvallen. In totaal konden twee sleuven op vindplaats 2 niet worden aangelegd en vier sleuven op vindplaats 1.
De sleuven op vindplaats 2 en één sleuf op vindplaats 1 bevonden zich op delen in het onderzoeksgebied die niet verstoord zullen worden. Op vindplaats 1 konden bovendien drie sleuven niet worden aangelegd omdat daar nog asbestonderzoek plaats moest vinden (afb. 2.4). De zones die hierdoor niet verkend zijn, kunnen niet volledig gewaardeerd worden.
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
28
Tabel 2.2 Overzicht van de werkputten en de vondstnummers per vindplaats.
vindplaats
werkputten
vondstnummer
1
12-49
52-270
2
1-5
1-18
3
6-11
19-51
Tijdens het veldwerk is nogmaals contact geweest met de opdrachtgever in verband met de aanwezigheid van asbest op het terrein. Ook met de bevoegde overheid heeft een aantal contactmomenten plaatsgevonden. Zo waren naar aanleiding van het PvE enkele vragen gerezen over de documentatie van de profielen en het couperen van sporen. Tijdens dit overleg is afgesproken dat op vindplaats 2 en 3 profielkolommen om de 10 m zouden worden opgenomen indien sprake was van een eenduidige bodemopbouw (in plaats van doorgaande profielen). Op vindplaats 1 diende een kruisprofiel over de vindplaats te worden aangelegd. In de overige putten mochten om de 10 m profielkolommen worden opgenomen indien sprake was van een eenduidige bodemopbouw. Wat betreft het couperen van sporen diende meer dan selectief gecoupeerd te worden zodat de onderzoeksvragen gedegen beantwoord konden worden. Afgezien van de hier beschreven wijzingen is tijdens het veldwerk conform PvE gewerkt. Het veldwerk is uitgevoerd conform KNA 3.3.
30 Conform NEN 1989. 31 Naar de Bakker en Schelling 1989.
29
Met een rupskraan met gladde bak is laagsgewijs verdiept tot op het niveau van de natuurlijke ondergrond (de C-horizont) en met de hand bijgeschaafd. Hierbij is extra aandacht besteed aan de mogelijke aanwezigheid van sporen op een hoger niveau in met name de B-horizont. Vervolgens is het vlak gefotografeerd en zijn sporen en NAP-hoogtes van het vlak en het maaiveld digitaal ingemeten met een GPS. De afstand tussen de hoogtemetingen bedraagt 5 m. Zoals zojuist beschreven zijn standaard in elke werkput drie profielen gedocumenteerd waarbij deze lithologisch30 en bodemkundig31 door een fysisch geograaf bestudeerd zijn (afb. 2.5). In een enkel geval zijn minder profielen gedocumenteerd vanwege een verstoorde bodemopbouw zoals in werkput 30 en 43. In de werkputten 12 en 26 zijn vier profielkolommen opgenomen. In werkput 40 zijn vijf kolommen gedocumenteerd omdat deze sleuf aan twee zijden verlengd is. In de werkputten 19, 29, 32, 33, 41 en 46 zijn lengteprofielen gedocumenteerd. Omdat de bodem in werkput 31 gedeeltelijk verstoord was is hier slechts een half lengteprofiel gedaan. De profielen zijn door middel van fotografie en een analoge tekening op schaal 1:20 vastgelegd. De profielen zijn eveneens met behulp van een GPS ingemeten. De conservering van de sporen is gezien de goede bodemconservering overwegend goed te noemen.
Ondanks een goede conservering van de sporen is de zichtbaarheid en herkenbaarheid ongunstig vanwege bodemprocessen die hebben plaatsgevonden. Met name kleinere sporen, zoals staken en paalsporen, zijn hierdoor niet meer goed herkenbaar. Bij de aanleg van de sporenvlakken is hieraan extra aandacht besteed en zijn ‘twijfelgevallen’ ter controle gecoupeerd. Plaatselijk, zoals in werkput 39, 40 en 41 en in mindere mate in werkput 21, 22, 23 en 25 tekenden de sporen zich redelijk tot goed af. De sporen zijn gecoupeerd ter controle van de aard van de sporen en ten
Wijchen, Huurlingsedam
179.500
39
49
423.250
vindplaats 1
44
43 42
38
40
29
37
41
36
47
26
30
35
31
34
25
32
27
24
33
23 22
21
28 18
19 20
423.250
45
46
48
179.750
15
17 16
14 13
12
vindplaats 3 423.000
423.000
9 8
10 6
11 7
1
vindplaats 2 2 3 4
422.750
422.750
5
179.500
179.750
Wijchen, Huurlingsedam Puttenplan
plangebied
niet aangelegde putten
topografie
locatie asbest
vindplaatsen
wordt niet gebouwd Afb. 2.4 Overzicht van de
N
puttenplan 0
100 m A-14.0147© BAAC bv
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
aangelegde en vervallen werkputten in het plangebied.
30
Afb. 2.5 Overzicht van de aangelegde werkputten en gedocumenteerde profielen in het plangebied.
179.500
179.600
179.800
179.900
44
40
48 4803
4001
42
4703 4702
4004
4102
4203
47
37
4002
3501
32 01
34
2701 2702 2703
2803 2802 2801
2403
28
1802 1801
18
2001
303 302 301
2002 2003
vindplaats 2
15
1602 1601
0
179.500
31
179.600
403
179.800
1301 1302
13
402
A-14.0147© BAAC bv
1402
1303
50 m
1403 1402
4
401
N
16
423.100
423.100
12
12004 1202 1203
14
3
1603
1403
1201
203
17
1501
1401
202
1701
19 01
2103
20
201
1703 1702
19
2202 2201
2102 2101
1
101
2
2203
21
103 102
1803
2303 2302 2301
N 0
50 m
503 502 501
5
179.900
Wijchen, Huurlingsedam Locatie profielen vindplaatsen
locatie profiel
topografie
locatie lengteprofiel putgrenzen
A-14.0147© BAAC bv
179.700
1102 1103
7
701
27
2401 2402
23
22
11
2602 2601
2503 2502
24
423.000
423.000
3101
32
33 01
33
1101 603
702
2501
vindplaats 1
601 602
2604
25
3503
02 31
3403
30
31
3502
3401 3402
8
703
26
3002
36 35
1003
6
3001
3601
41
1001 1002
3701
3603 3602
01 41
4701
423.200
29
3702
10
01 29
4202
38
3703
4003
4201
4801
3802 3801
4302
4802
39
4005
803 802 801
422.900
43
4301
vindplaats 3
423.300
4902 4903
3803
422.900
4901
423.200
423.300
3902 3903
179.800
Wijchen, Huurlingsedam
422.800
4401
3901
49
902 903
9
4403 4402
45
01 46
179.800
901
4501 4502 4503
46
179.700
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
32
behoeve van de beantwoording van de vraagstelling en de waardering van het onderzoeksterrein. De gecoupeerde sporen zijn gefotografeerd en getekend op schaal 1:20. Op één spoor na, zijn de sporen niet afgewerkt. Dit spoor is bemonsterd voor botanisch onderzoek.
Afb. 2.6 Sfeerfoto van de werkzaamheden tijdens het veldwerk; gezien naar het zuiden.
33
Wijchen, Huurlingsedam
Het vlak en de stort zijn met behulp van een metaaldetector onderzocht op de aanwezigheid van metaal. Vondsten zijn per vak van 5 x 5 m en per stratigrafische eenheid verzameld, tenzij het vondstmateriaal uit een spoor kwam. Vuurstenen artefacten en metalen voorwerpen zijn als puntvondst ingemeten. Uit twee sporen zijn monsters genomen ten behoeve van botanisch onderzoek. Dit materiaal kan eventueel ook voor 14C-onderzoek in aanmerking komen. Tijdens het veldwerk zijn geen specialisten ingezet.
2.5.2 Uitwerking Na afloop van het veldwerk is onder leiding van de auteur de technische uitwerking gestart. De veldtekeningen zijn hiertoe verwerkt tot kaarten en op basis hiervan zijn de sporen geanalyseerd. De vondsten zijn gewassen, gedroogd en globaal gedetermineerd en gedateerd. Vervolgens is een evaluatieverslag geschreven waarin de eerste resultaten van de opgraving beschreven zijn.32 Daarnaast bevatte dit verslag een voorstel tot uitwerking voor wat betreft landschap, sporen en structuren, vondsten en monsters en eventuele conservering/restauratie van objecten. De senior KNA-archeoloog is na goedkeuring van de evaluatie door de opdrachtgever en de bevoegde overheid gestart met de definitieve uitwerking waarbij de resultaten van het onderzoek in voorliggende eindrapportage verwerkt zijn. Voor de uitwerking zijn twee lengteprofielen ter hoogte van de werkputten 46 en 47 geheel gedigitaliseerd en voorzien van bodemhorizonten en lithogenetische indeling (bijlage 4). Deze profielen laten duidelijk zien op welke wijze vindplaats 1 is opgebouwd en wat de relatie is tot de aangetroffen archeologische resten. Ter plekke van de vindplaatsen 2 en 3 was de laagopbouw veel uniformer van aard, waardoor de landschappelijke situering hier middels de visualisering van profielkolommen per geomorfologische eenheid wordt omschreven.