Bijlage 13: Opgraving Merovingisch grafveld (Hazenberg Archeologische Serie 1)
Tekst van het document
Indien voorwerpen in de toekomst gerestaureerd zouden worden, zou de determinatie gepreciseerd kunnen worden, wat mogelijk consequenties heeft voor de interpretatie of datering van sommige bijgiften. Terminologie In zijn algemeenheid is gepoogd om de bijgiften in hun complete staat te benoemen. Een pijlpunt wordt als ‘pijl’ beschreven en een umbo als ‘schild’. Dat heeft tot gevolg dat achter dezelfde aanduiding verschillende zaken schuil kunnen gaan: zowel een enkele ijzeren gesp als een driedelig met zilver ingelegde set van gesp, riemtong en beslagplaten worden met ‘gordel’ aangeduid. Objecten zoals gouden hangers en munten met een gat erin die naast kralen werden gevonden, maken deel uit van de kralensnoer en gelden dus als één bijgift (‘kralensnoer’). Wanneer de detailtekening echter aangaf dat er bijvoorbeeld twee kralen rond het hoofd en vijf kralen op het middel werden aangetroffen, zijn beide groepjes als aparte bijgiften genoteerd. Overigens zou het correcter zijn om van ‘uitrusting/ bijgiften’ te spreken, aangezien die twee vaak niet te scheiden zijn. Een pot van aardewerk is natuurlijk een bijgift, maar van een wapen of kledingstuk is niet te zeggen of de dode die tijdens zijn/haar leven vaak droeg (uitrusting) of dat deze pas bij de begrafenis in de kist is gedeponeerd (bijgift). 37
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 37
21-5-2010 12:21:39
In de catalogus zijn de als ‘uitrusting/bijgift’ beschouwde objecten apart weergegeven van de losse scherven en objecten uit oversnijdende kuilen. In dit hoofdstuk komen alleen de als bijgift/uitrusting beschouwde objecten aan de orde; losse vondsten worden alleen in uitzonderlijke gevallen behandeld. Een probleem bij de boven beschreven benoeming van objecten treedt op wanneer het object slecht herkenbaar is of slechts ten dele aanwezig. Van een beslagstukje met een klinknagel weten we wel dat het op hout of leer heeft vastgezeten, maar of het op de gordel werd gedragen of deel uitmaakte van een messchede, kan vaak niet worden vastgesteld. Dit geldt ook voor de kleinere gespen die op een andere plaats dan het middenrif zijn aangetroffen. Deze kunnen aan wapenriemen, aan kleding of schoeisel bevestigd hebben gezeten. In die gevallen staat (beslag) of (gesp) in de catalogus tussen haakjes, wat aangeeft dat de determinatie onvolledig is. In de bespreking per functionele categorie in dit hoofdstuk komen deze onzekere determinaties niet aan de orde. Verzamelwijze Tijdens het veldwerk is veelvuldig gebruik gemaakt van de metaaldetector (fig. 5.1). Dit is mede een verklaring voor de grote aantallen metaalvondsten die zijn teruggevonden. In zijn algemeenheid zijn bijgiften met de metaaldetector gelocaliseerd en vervolgens met de troffel vrijgelegd.
In enkele gevallen zijn kleine objecten gemist en vervolgens met de losse scherven verzameld en in de ‘overige vondsten’ terecht gekomen. Indien het voor de hand ligt dat het toch om bijgiften gaat, zijn deze objecten in de catalogus als bijgift opgevoerd. In de catalogus (hoofdstuk 16) is toch herkenbaar dat ze als ‘overige vondst’ verzameld zijn, aangezien die apart zijn genoteerd en het vondstnummer van de bijgift en de losse vondst dus overeenkomen. Beperkt onderzoek Hiervoor is al aangegeven dat objecten niet in het kader van dit onderzoek zijn gerestaureerd. Bestaande röntgenfoto’s zijn meegenomen, maar nieuwe zijn niet vervaardigd. Ook is geen onderzoek gedaan naar de samenstelling van objecten. Indien sieraden zijn ingelegd met een rode steen is die uit gewoonte ‘almandijn’ genoemd, omdat veel sierstukken uit deze periode inleg van almandijn (een rode halfedelsteen) kennen. Het is echter niet uitgesloten dat het imitaties betreft (rood glas). De term brons is zoveel mogelijk vermeden, omdat de exacte koperlegering niet bekend is en we niet op het oog kunnen kiezen tussen bijvoorbeeld brons of messing. Alle groen geoxideerde objecten zijn daarom aangeduid als koperlegering. Chronologie Voor het vaststellen van de datering van objecten in dit hoofdstuk (en de volgende) vaak verwezen naar de Duitse Niederrhein-typochronologie.
De Duitse Phasen zijn echter niet dezelfde als de indeling in fasen die voor het grafveld in Wijchen wordt gehanteerd. In hoofdstuk 13 (met name tabel 13.1) staan de relaties tussen beide chronologische indelingen toegelicht.
Figuur 5.1 Wijchen-Centrum. Het tweede vlak van werkput 21 wordt tijdens de opgraving in 1991 afgezocht met de metaaldetector (zicht OZO-WNW). Archief RCE. 38
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 38
21-5-2010 12:21:40
Figuur 5.2 Schematische weergave van de onderdelen van een soldatengordel (tevens reconstructie hoe de onderdelen van graf 185 er in onbeschadigde staat uit gezien kunnen hebben).
5.2 Gordels Zoals boven uiteengezet, kunnen de objecten die tot de gordel behoord hebben, behoorlijk uiteenlopen. In veel graven gaat het om een eenvoudige gesp, in sommige gevallen gaat om meerdelige sets met een gesp, riemtong en beslagplaten. In deze paragraaf komen alleen die (onderdelen van) gordels aan de orde die waarschijnlijk om de middel zijn gedragen. Indien er aanwijzingen zijn dat het om wapenriemen gaat of om gespen met een andere functie (bijvoorbeeld schoeisel), zijn die onderdelen elders opgenomen. Hieronder komen de metalen onderdelen van de diverse gordels groepsgewijs aan de orde. 5.2.1 Laat-Romeinse gordelsets De oudste gordels in het grafveld zijn de soldatengordels uit de laat-Romeinse periode. Ypey onderscheidde op basis van de vondsten in Rhenen een type A waarbij de gesp een uitsparing vormt in een grote beslagplaat en een type B waarbij de gesp als los onderdeel herkenbaar is.32 De Wijchense gordels zijn alle van het type B. De basis is een brede leren gordel, die bij de openingen is afgezet met een eindbeslag in de vorm van een gegroefde cilinder, het zogenoemde astragal-beslag. Op de brede gordel is een smallere riem bevestigd die door de gesp gaat (zie fig. 5.2).
De gesp heeft meestal één gespdoorn en een smalle bevestigingsplaat, maar de grotere stukken hebben soms twee gespdoorns en een brede bevestigingsplaat en een decoratie met dierornamenten.33 De bevestigingsplaat is in sommige gevallen uitgebreid gedecoreerd met kerbschnitt-patronen en is door middel van klinknageltjes aan het leer bevestigd. Het riemdeel dat door de gesp gaat heeft soms een eindbeslag en wordt door meerdere metalen strips op zijn plaats gehouden. De gesp en één van beide astragalen zijn vaak aan elkaar bevestigd. Verder hangen meerdere ringen aan stervormige beslagstukken aan de gordel, waaraan uitrusting (mogelijk een mes, vaak een pincet/baardtang) kon worden bevestigd. Net als de bevestigingsplaat van de gesp zijn ook de astragalbevestigingen, metalen strips en beslagstukken van de ringen vaak kerbschnitt-versierd of hebben eenvoudiger puntcirkels of vlakkendecoratie. De kerbschnitt-versierde gordels moeten tussen ca. 365 en 425 na Chr. gedateerd worden.34 Aangezien het oudste type (A) niet in Wijchen vertegenwoordigd is, moeten de soldatengordels van deze vindplaats ca. 390-425 dateren. In de Duitse Niederrhein-typochronologie worden deze gordels (Gürtel 1.1) in Phase 1 ingedeeld (ca. 400-440 na Chr.).35 In Wijchen-Centrum zijn acht (delen van) dergelijke soldatengordels teruggevonden (fig. 5.3; tabel 5.1).
Graf 185 bevatte de meest complete gordel, bestaande uit een gesp met dubbele gespdoorn en bevestigingsplaat waarop een zeshoekige ster is uitgesneden, twee astragalbeslagen, meerdere 32 33 34 35
Ypey 1969. Böhme 1974, 53-69. Böhme 2008. Siegmund 1998, 19; Müssemeier et al. 2003, 15. 39
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 39
21-5-2010 12:21:41
Figuur 5.3 Wijchen-Centrum. Onderdelen van laat-Romeinse soldatengordels. Foto Rob Mols. V.l.n.r. boven: 331.1, 52.1, 185.2, 183.4; onder 327.2, 86.1. bijgift nr vondstnrs
fase
omschrijving
onderdeel
materiaal
geslacht leeftijd
52.1
V3.158-159
2
sterbeslag en ring
koperlegering
(v?)
86.1
V6.124
1
(onderdeel soldatengordel) soldatengordel
gesp aan smalle astragal
koperlegering
m?
183.4
V13.017
1
soldatengordel
astragal
koperlegering
m?
185.2
V13.034
1
soldatengordel
gesp, 2x astragal, sierplaat, hangers
koperlegering
m?
269.1
V23.055
1
soldatengordel
ring
313.2
V01.013-069 1
(waarsch. soldatengordel) (gesmolten onderdelen)
koperlegering
327.2
V5.021
1
soldatengordel
beslagstrips
koperlegering
331.1
V6.090-100
1
soldatengordel
2x astragal
koperlegering
(17-35)
koperlegering v??
20+
m?
20-30
Tabel 5.1 Wijchen-Centrum. Overzicht van de laat-Romeinse gordels.
beslagstrips en hangers met stermotief. Graf 86 bevatte een kleinere gesp aan een smalle astragal. In graf 183 werd alleen een astragal teruggevonden en in graf 269 alleen een kleine ring van een hanger. In graf 52 werd een ring aan een beslagstuk met stermotief gevonden, maar dit graf is jonger en het laat-Romeinse stuk is hergebruikt in een kralensnoer van een vrouwengraf. In de crematiegraven 327 en 331 werden gesmolten onderdelen van deze gordels aangetroffen. In het geval van 313 lijken de gesmolten onderdelen daar ook op maar is de determinatie niet geheel zeker. 5.2.2 Hoge gesp met kamversiering Een tweede type gordelbeslag staat eveneens in een laat-Romeinse traditie, maar is kleiner en veel minder uitgebreid gedecoreerd. Het gaat om een relatief smalle hoge gesp met ‘kamversiering’, een gerilde rand langs de buitenzijde, die meestal voorkomt met een klein vast riembeslag aan de as van de gesp (Gürtel 1.2 volgens de Duitse Niederrhein-typochronologie).36 Het enige Wijchense exemplaar dat hier op lijkt (fig. 5.4 linksboven; tabel 5.2) mist het riembeslag aan de as maar mag vanwege de hoge vorm en de ‘kamversiering’ hier toch onder geschaard worden. De vroege datering uit de literatuur (Phase 2) komt ongeveer overeen met de vroege datering van de context, graf 317 (fase 2). 36
Siegmund 1998, 19-21; Müssemeier et al. 2003, 15. 40
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 40
21-5-2010 12:21:41
5.2.3 Gesp met niervormig riembeslag De groep van ovale gespen met rechte gespdoorn en niervormig gordelbeslag (Gürtel 1.3) is wat betreft vorm eenduidig, maar wat betreft decoratie nogal verschillend. Ze komen in de Duitse Niederrheintypochronologie voor in Phase 2 en 3.37 In Wijchen kennen we drie exemplaren die inderdaad nogal uiteenlopend zijn van uitvoering (fig. 5.4; tabel 5.2). Het stuk uit graf 317 is geheel van een koperlegering, heeft een rechte gespdoorn en een ovaal beslag met drie nieten dat verder onversierd is. Uit graf 57 komt een heel bijzonder stuk, bestaande uit een gesp van bergkristal en een niervormig beslag van goud-cloisonné ingelegd met almandijn (fig. 5.5). De kristallen gesp heeft een rechte gespdoorn van koperlegering met op het scharnierpunt een rechthoekig veld met twee almandijnen ingelegd. Het niervormig beslag heeft een basis van ijzer, waarop de gouden rand is vastgeklonken met zeven klinknageltjes. Onder het almandijn is folie van goud zichtbaar. bijgiftnr vondstnrs
fase omschrijving
onderdeel
materiaal
317.2
V3.022
2
hoge gesp, geprofileerd
gesp met riemtong
koperlegering
57.4
V4.026-027 3a
gesp met niervormig beslag
compleet
235.3
V20.031
gesp met niervormig beslag
geslacht leeftijd +/- 12
317.1
V3.022
2
gesp met niervormig beslag
m? bergkristal, goud, almandijn compleet (gecorrodeerd) ijzer, inleg zilver/ v? messing? compleet koperlegering
82.2
V23.045
2
gesp met rechthoekig beslag
beslagplaat
42.2
V3.060
2
eenvoudige gesp, rechte doorn gesp
koperlegering
271.1
V23.058
2b
eenvoudige gesp, rechte doorn gesp
koperlegering
eenvoudige gesp, rechte doorn gesp
koperlegering
4
eenvoudige gesp, rechte doorn?
koperlegering
273.2
V23.040
120.-
V9.003
2
gesp
17-25 +/- 12
koperlegering m? 0-18
Tabel 5.2 Wijchen-Centrum. Overzicht van gordels (vervolg).
Gespen met halfrond beslag worden in de Nederrijnse typochronologie in Phase 2 en 3 geplaatst. Gespdoorns met rechthoekig ingelegd veld zijn meestal jonger (Phase 3 met enige uitloop in Phase 4).38 Omdat het Wijchense graf 57 een knikwandpot met groeven bevat, moet in dit geval voor die latere datering worden gekozen. Hiermee is de context aanzienlijk jonger dan de literatuurdateringen voor het type beslag. Ook Quast bespreekt gespen van edelsteen en stelt dat het niervormige beslag vooral uit de 5de eeuw stamt “tot in de jaren rond 500”, en dat de jongere exemplaren (vroege 6de eeuw) geen beslag hebben en een gespdoorn met rechthoekig kastje.39 We kunnen concluderen dat het Wijchense stuk een oude vorm (niervormig beslag; ca. 450-510) met een jongere gespdoorn (500530) combineert. Aangezien de contextdatering van graf 57 (na 530, misschien wel na 550 op basis van de knikwandpot) nóg jonger uitvalt, is dat wellicht een aanwijzing dat we hier met een erfstuk te maken hebben dat een generatie langer in gebruik is gebleven. Gespen van bergkristal zijn uitermate schaars.
In het grafveld van Altenerding zijn twee exemplaren gevonden (graf 92 en graf 344), beide een gesp zonder beslag en vrijwel rechte gespdoorn.40 Quast noemde gespen van edelsteen in het algemeen maar in de grafinventaris die hij besprak ging het om een exemplaar van meerschuim (meerschaum).41 Uit graf 235 komt de derde gesp met niervormig beslag. Het stuk is van ijzer en zwaar gecorrodeerd; alleen op de röntgenfoto is te zien dat het om een gesp van dit type gaat. Opvallend is dat de gesp is ingelegd met zilver of messing, in windingen rondom de beugel. De gespdoorn is recht, net als de 37 38 39 40 41
Siegmund 1998, 21; Müssemeier et al. 2003, 15. Müssemeier et al. 2003, 17. Quast 1993, 54. Sage 1984. Quast 1993, 54. 41
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 41
21-5-2010 12:21:41
317.1
317.2
57.4 235.3
82.2
Figuur 5.4 Wijchen-Centrum. Gespen met niervormig riembeslag, hoge gesp met kam en gesp met rechthoekig riembeslag. Schaal 2:3. 317.1, 317.2 en 82.2 koperlegering; 235.3 ijzer met inleg van messing of zilver op de gesp (tekening van röntgenfoto); 57.4 gesp bergkristal, gespdoorn koperlegering; riembeslag van ijzer (basis), goud (cloisonné); inleg almandijn (grijsraster licht) en donkergroene steen (grijsraster donker).
andere gespen van dit type. Het niervormige beslag heeft drie nieten. De contextdatering, gebaseerd op twee fibula-paren, valt in de eerste helft van de 6de eeuw. Net als in graf 57 is de contextdatering dus jonger dan het type gesp met gordelbeslag. 5.2.4 Gesp met rechthoekig riembeslag In Zuid-Duitse grafvelden (met uitlopers aan de Noord-Franse kust in het westen en in de Kaukasus in het oosten) komt een type gordelbeslag voor bestaande uit een dikke rechthoekige plaat met inlegwerk met daaraan een scharnierende gesp. Deze gordels zijn in de tweede helft van de 5de eeuw te plaatsen, het jongste exemplaar ‘rond 500’.42 In de Duitse Niederrhein-typochronologie wordt deze gordel niet beschreven. Bij het Wijchense stuk uit graf 82 (fig. 5.4 onderaan; tabel 5.2) ontbreekt de gesp maar wel is de aanzet van het (afgebroken) scharnier zichbaar. Aan de achterkant zijn de vier nietknoppen waarmee de plaat op de gordel was bevestigd zichtbaar, evenals één van de tegenplaatjes die twee nieten verbindt. In de voorkant van de plaat zijn diepe velden uitgespaard, waarin waarschijnlijk een organische stof ter decoratie was ingelegd. 5.2.5 Eenvoudige gesp met rechte gespdoorn De eenvoudige gesp met rechte gespdoorn (Gürtel 2.4/5a) wordt in de Duitse Niederrhein-typochronologie aan Phase 3 of 4 toegewezen.43 In Wijchen zijn zeker drie en misschien een vierde exemplaar teruggevonden (fig.
5.6 boven; tabel 5.2). 42 43
Type Komorn-Gültlingen-Bingen volgens Quast 1993, 86-87, met name Abb. 50. Müssemeier et al. 2003, 16. 42
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 42
21-5-2010 12:21:42
Figuur 5.5 Wijchen-Centrum. De gesp van bergkristal met gordelbeslag van goud cloisonné met almandijn-inleg. Foto Museum het Valkhof.
5.2.6 Eenvoudige gesp met schilddoorn De eenvoudige gesp met schilddoorn (Gürtel 2.6/7c44) is relatief talrijk. De gespen komen regelmatig voor in combinatie met gordelbeslagstukjes die aan één zijde een punt hebben en aan de andere zijde dezelfde vorm als de afgeronde doornbasis (Gürtelhafte 2.10b). Ze worden in Niederrhein Phase 4 geplaatst.45 In Wijchen is slechts één geval waarbij de beslagstukjes – in dit geval rond - en de gesp samen zijn gevonden (123.1); verder is de gesp vijfmaal en de beslagstukken driemaal aangetroffen (fig. 5.6 midden; tabel 5.3). De meeste gespen en beslagstukken zijn uit koperlegering vervaardigd. Twee gespen zijn van ijzer en sommige beslagstukjes zijn vertind en voorzien van een puntjesdecoratie.
bijgiftnr vondstnrs
fase omschrijving
onderdeel
materiaal
geslacht leeftijd
131.3
V9.055
3b
eenvoudige gesp, schilddoorn
gesp
koperlegering
m?
123.1
V9.137
3a
eenvoudige gesp, schilddoorn
koperlegering
m?
198.1
V16.005
3a
eenvoudige gesp, schilddoorn
beslag en gesp beide aanwezig gesp
koperlegering
m?
253.2
V21.073
3a
eenvoudige gesp, schilddoorn
gesp
ijzer
v?
289.1
V25.049
3a
eenvoudige gesp, schilddoorn
gesp
koperlegering
295.1
V26.022
3a
eenvoudige gesp, schilddoorn
gesp
ijzer
kuil
V23.020
eenvoudige gesp, schilddoorn
beslag; gesp afwezig
101.1
V8.109
3a
eenvoudige gesp, schilddoorn
(314)
V1.055-061 3a
eenvoudige gesp, schilddoorn
157.2
V10.058
3b
m?
156.1
V10.063
4b
compleet
koperlegering
v?
263.1
V21.074
4a
compleet
koperlegering
250.1
V25.019
3b
compleet
koperlegering
75.3
V6.070
4a
eenvoudige hoge gesp, brede doornbasis eenvoudige hoge gesp, brede doornbasis eenvoudige hoge gesp, brede doornbasis eenvoudige hoge gesp, brede doornbasis eenvoudige hoge gesp
beslag; gesp afwezig vertinde koperlegering beslag; gesp afwezig vertinde koperlegering compleet koperlegering
(gecorrodeerd, doorn afwezig)
ijzer
v?
18+
18+
Tabel 5.3 Wijchen-Centrum. Overzicht van gordels (vervolg). 44 45
Gürtel 2.6/7c volgens Müssemeier et al. 2003, 17 en Abb. 6; in Nieveler & Siegmund 1999, fig. 1.7 is dit 2.6/7b. Müssemeier et al. 2003, 17-18. 43
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 43
21-5-2010 12:21:42
271.1
42.2
101.1
12 / 314
198.1
289.1
156.1
123.1
157.2
V23.020
250.1
Figuur 5.6 Wijchen-Centrum. Eenvoudige gespen met rechte gespdoorn (boven), met schilddoorn (midden), hoge gesp met brede doornbasis (onder). Schaal 2:3. Alle koperlegering, 101 en 314 tevens vertind.
5.2.7 Eenvoudige hoge gesp met brede doornbasis De jongere gespen zijn relatief hoog en smal en hebben een brede schilddoorn (Gürtel 2.6/7d volgens de Nederrijnse typochronologie)46. Daarvan zijn er twee in Wijchen aangetroffen en tevens een exemplaar met brede rechthoekige doornbasis die niet in de Duitse Niederrhein-typochronologie (fig. 5.6 onder; tabel 5.3). Van één ander stuk gekenmerkt door een smalle hoge gesp ontbreekt de doorn. In de Duitse Niederrhein-typochronologie wordt verondersteld dat de losse eenvoudige gesp met deze doornvorm ouder is (Phase 5) dan dezelfde gespvorm als onderdeel van een gordelset met beslagplaten (Phase 6-9).47 In Wijchen gaat dat in ieder geval niet op voor de graven 156 en 263, die een eenvoudige hoge gesp bevatten maar op basis van andere bijgiften zeker van na Phase 5 moeten dateren. 5.2.8 Eenvoudige ijzeren gesp Veel ijzeren gespen zijn ernstig gecorrodeerd, waardoor de vorm van de gespdoorn niet te zien is. Deze exemplaren, 31 in getal, zijn samen gegroepeerd (tabel 5.4; een selectie in fig. 5.7). Hoewel we niet kunnen uitsluiten dat onder de corrosie een gespdoornvorm verborgen zit waardoor deze gespen in andere groepen kunnen worden ingedeeld, kunnen we toch stellen dat de graven met eenvoudige ijzeren gesp overeenkomsten vertonen. Ze zijn namelijk uitsluitend in vrouwengraven aangetroffen.
In de tabel staan de geslachtsdeterminaties met een vraagteken aangeduid, aangezien deze op bijgiften zijn gebaseerd en niet op skeletanalyse. De chronologie is variabel: de eenvoudige ijzeren gespen zijn in graven uit fase 2, 3 en 4 aangetroffen. Ook komen ze voor in zowel uitgesproken rijke inventarissen als in ‘arme’ graven. 46 47
Müssemeier et al. 2003, 17. Bijna alle varianten van de gordelsets 3 en 4 volgens Müssemeier et al. 2003 zijn voorzien van een hoge gesp met brede schilddoornbasis. 44
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 44
21-5-2010 12:21:42
Figuur 5.7 Wijchen-Centrum. Gecorrodeerde eenvoudige gespen. Foto Rob Mols. V.l.n.r. boven 295.1, V26.032, 19.2; midden: 15.6, 31.2, 5.4; onder 32.1, 69.4, 42.2.
5.2.9 Gesp met dubbelzijdig riembeslag IJzeren gespen met dubbelzijdig rechthoekig riembeslag (onversierd; kleine ijzeren klinknageltjes) komen in zes gevallen voor (tabel 5.5; fig. 5.8 boven). Vanwege de corrosie is de exacte vorm en constructie onbekend, maar de röntgenfoto’s laten geen decoratie of opvallende nieten of sierknoppen zien. Van de zes exemplaren in Wijchen hebben er drie een contextdatering in fase 4 opgeleverd, terwijl de andere ongedateerd zijn gebleven. 5.2.10 Gordelbeslag met afgeronde riemtong In de Duitse Niederrhein-typochronologie worden de riemtongen met afgerond einde en rechte kop met twee klinknageltjes niet beschreven. In Zuidwest-Duitsland komen deze veel vaker voor.48 Aldaar worden ze in vrouwengraven gevonden, maar in Wijchen is tenminste één exemplaar bij een lans gevonden, wat wijst op het graf van een man. Naast de twee onbewerkte exemplaren van koperlegering (fig. 5.8; tabel 5.5) is er een derde beslag van deze vorm (154.1), die echter van ijzer is met zilverinleg en daarom bij een ander type is ingedeeld (fig. 5.9). 5.2.11 Gordelset overig Enkele sets met gesp en riemtong zijn gecorrodeerd, zodat nadere toewijzing niet mogelijk is (tabel 5.5). 48
Theune 1999. 45
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 45
21-5-2010 12:21:43
bijgiftnr vondstnrs
omschrijving
onderdeel
materiaal
eenvoudige gesp
(doorn afwezig)
koperlegering
4a
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
3b
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
V1.169
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
V1.151
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
2
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
4b
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
V3.146
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
V3.044
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
46.2
V3.038
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
48.3
V3.119
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
52.3
V3.164
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
(148)
V10.002
5.4
V1.117
15.6
V1.095
19.2 24.1 29.2
V8.117
31.2
V3.005
32.1 45.2
fase
2
geslacht
leeftijd
v?
v?
v?
v?
17-35
55.3
V4.079
4b
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
v?
58.1
V4.057a-ea
4b
eenvoudige gesp
ijzer, koperlegering
v?
65.3
V4.075
4a
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd) + beslagplaatjes riem? (gecorrodeerd)
ijzer
v?
>1
69.4
V5.059
4b
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
93.2
V8.104
3b
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
v?
0-18
94.1
V8.102
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
18+
98.1
V8.074
4
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
v?
107.2
V8.079
3b
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
v?
127.1
V9.069
4
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
v?
148.1
V10.124
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
165.1
V11.031
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
171.3
V11.060
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
175.1
V12.002
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
218.1
V17.020
eenvoudige gesp
ijzer
220.1
V17.021
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd, doorn afwezig) (gecorrodeerd)
226.2
V19.011
3a
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
v?
239.4
V20.045-050
4
eenvoudige gesp
ijzer
v?
241.1
V21.027
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd) + beslagknop riem? (gecorrodeerd)
ijzer
255.2
V21.087
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
kuil
V26.032
eenvoudige gesp
(gecorrodeerd)
ijzer
3b 2
v? 18+
ijzer
v?
20+
Tabel 5.4 Wijchen-Centrum. Overzicht van gordels (vervolg).
5.2.12 Driedelige gedecoreerde gordelsets van koperlegering Driedelige sets bestaan uit een gesp met vaste riemtong, een tegenplaat die een gespiegelde kopie is van de riemtong en een beslagplaat die zich op de rug bevindt (rugplaat) als de gordel om het midden is geslagen. Onder Gürtel 3a wordt in de Duitse Niederrhein-typochronologie een gordelset beschreven met driehoekige riemtong met drie nieten en een decoratie die zowel uit puntjesdecoratie, een opengewerkt beslag, als uit meegegoten reliëfdecoratie kan bestaan. Deze sets horen thuis in de late
46
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 46
21-5-2010 12:21:43
89.2
9.2
177.2
139.4
25.1
286.1
Figuur 5.8 Wijchen-Centrum. Gordels met vast riembeslag (9.2), gordels met afgeronde riemtong (89.2 en 177.2), driedelige gedecoreerde gordelsets (139.4, 25.1 en 286.1). Schaal 2:3. 9.2 is van ijzer, overige koperlegering.
6de eeuw (Phase 6 en soms 7).49 In Wijchen zijn drie gordelsets gevonden die onder deze beschrijving vallen (tabel 5.5). De driedelige gordelset uit graf 139 is compleet (hoge gesp met brede halfronde gespdoornbasis aan een min of meer driehoekige riemtong met drie beslagknoppen; tegenplaat met drie beslagknoppen; rechthoekige rugplaat met drie beslagknoppen; fig. 5.8) en uitgevoerd in koperlegering met verzilverd oppervlak voorzien van een decoratie van puntjes, driehoekige vlakken en vlechtmotieven. In graf 25 is een riemtong gevonden met dezelfde basisvorm (drie nieten op driehoekige plaat) en eveneens van een vertinde koperlegering, maar deze is opengewerkt en was waarschijnlijk oorspronkelijk gevuld met een decoratie van organische stof. In graf 286 is een tegenplaat gevonden van dezelfde basisvorm, voorzien van graveer-decoratie (vlechtmotief ). 5.2.13 Driedelige gedecoreerde gordelsets van ijzer In Wijchen zijn vier meerdelige gordelsets van ijzer ingelegd met zilver aangetroffen (tabel 5.5; fig. 5.9). Deze stukken zijn alleen herkend door middel van een röntgenfoto. Ook al zijn de details niet 49
Müssemeier et al. 2003, 19. 47
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 47
21-5-2010 12:21:44
154.1
22.1
159.1
179.1
Figuur 5.9 Wijchen-Centrum. Driedelige ijzeren gordelsets met inleg van zilver of messing. Schaal 2:3. Tekening van röntgenfoto. bijgiftnr
vondstnrs
9.2
V1.155
34.4
V3.142
81.3
V6.106
102.1
V8.119
180.2
V13.026
261.1
V21.089
89.2
V7.036
177.2
V13.040-041
112.2
V9.079
144.1
V9.119
fase omschrijving gesp met riembeslag
ijzer
geslacht v?
4a
gesp met riembeslag
ijzer
v?
4a
gesp met riembeslag
ijzer
v?
gesp met riembeslag
ijzer
gesp en riembeslag
ijzer
gesp met riembeslag
ijzer
4
afgeronde riemtong
koperlegering
4
afgeronde riemtong
koperlegering
gesp en riemtong overig (fragmentair, gecorrodeerd)
ijzer
4
gesp en riemtong overig (fragmentair, gecorrodeerd)
ijzer
4b
onderdeel
materiaal
228.2
V20.009-010
3a
gesp en riemtong overig (fragmentair, gecorrodeerd)
ijzer
V1.135-136
4a
riemtong
koperlegering
139.4
4a
compleet
286.1
V9.124-12810.069 V25.039
4a
koperlegering, m? verzilverd koperlegering
22.1
V1.031
4b
159.1
V10.013-091
4b
driedelige gordelset, driehoekig driedelige gordelset, driehoekig driedelige gordelset, driehoekig driedelige gordelset , inlegdecoratie driedelige gordelset , inlegdecoratie
154.1
V10.030-035- 4b 038 V13.020-021 4b
179.1
driedelige gordelset , inlegdecoratie driedelige gordelset , inlegdecoratie
gesp en riemtong rugplaat
compleet (gecorrodeerd) rugplaat
ijzer, inleg zilver/messing? ijzer, inleg zilver/messing? ijzer, inleg zilver/messing? ijzer, inleg zilver/messing?
25-35
m?
25.1
eindbeslag
leeftijd
v?
m?
v?
10-18
Tabel 5.5 Wijchen-Centrum. Overzicht van gordels (vervolg).
48
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 48
21-5-2010 12:21:44
Figuur 5.10 Wijchen-Centrum. Driedelige ijzeren gordelsets met beslagknoppen van lood- of koperlegering. Foto Rob Mols. Boven 115.1, midden 146a3, onder 247.1.
altijd helder, wel is duidelijk dat ze niet allemaal hetzelfde zijn. De set uit graf 22 bestaat uit een gesp en riemtong met zilverinleg en drie of vijf beslagknoppen, waarschijnlijk de Duitse Niederrhein-Gürtel 3f (Phase 8).50 Het stuk uit graf 159 is alleen vanwege de met zilver ingelegde rugplaat herkend maar kan niet aan een specifiek type worden toegeschreven. Graf 154 bevat tenslotte ook een meerdelige gordelset maar het ingelegde stuk is een riemtong zonder sierknoppen die aan één zijde geheel afgerond is en hoort daarom wellicht in een eerder besproken groep (zie ook paragraaf 5.2.10). Graf 179 tenslotte bevatte een gedecoreerde rugplaat met vier grote sierknoppen, die vanwege de decoratie bij deze groep hoort maar vanwege de beslagknoppen ook goed bij de volgende groep zou passen. 5.2.14 Driedelige ongedecoreerde gordelsets van ijzer Ongedecoreerde ijzeren gordelsets met grote beslagknoppen zijn in de Duitse Niederrheintypochronologie beschreven als Gürtel 4.3 (vier, vijf of zesnietig beslag) of Gürtel 4.5 (drienietig beslag). Ze zijn soms in Phase 7 maar meestal in Phase 8 te dateren, (585)-610-640 na Chr.51 Ook hier bestaat het driedelige beslag vaak uit een gesp met vaste riemtong, tegenplaat en rugplaat. In Wijchen zijn maar liefst zeven (delen van) deze gordelsets teruggevonden (tabel 5.6; fig 5.10).
In drie gevallen is alleen een riemtong of rugplaat aangetroffen maar in vier graven is een complete set geborgen. Opvallend is de schijnbaar wisselende samenstelling van de sierknoppen, die gezien de conserveringsgraad en kleur soms een laag dan weer een hoog kopergehalte hebben. Ook een legering met lood komt voor.
50 51
Müssemeier et al. 2003, 19. Datering: Nieveler & Siegmund 1999; beschrijving: Müssemeier et al. 2003, 20-21. 49
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 49
21-5-2010 12:21:45
bijgiftnr vondstnrs
fase omschrijving
onderdeel
materiaal
geslacht
68.3
V5.072
4b
rugplaat
m?
115.1
V9.027-125-130
4b
120.1
V9.063-064-065
4
124.1
V9.147
4b
146a.3
V10.108-109A
4b
146b.1
V10.113-116117 V21.059-061062 V21.031-032
4b
ijzer, koperlegering ijzer, koperlegering ijzer, koperlegering ijzer, koperlegering ijzer, koperlegering ijzer, koperlegering ijzer, koperlegering
247.1 242.3
4b 4a
driedelige gordelset, grote beslagknoppen driedelige gordelset, grote beslagknoppen driedelige gordelset, grote beslagknoppen driedelige gordelset, grote beslagknoppen driedelige gordelset, grote beslagknoppen driedelige gordelset, grote beslagknoppen driedelige gordelset, grote beslagknoppen (gesp)
compleet riemtong, rugplaat riemtong compleet gesp en riemtong, eindplaat gesp en riemtong, eindplaat (niet teruggevonden)
18+
18+ v? m?
18+
v? m?
18+
m? m?
251.1
V25.014
(gesp)
(niet teruggevonden)
290.2
V25.051
(gesp)
(niet teruggevonden)
212.1
V17.012
(fragment riemtong)
(gecorrodeerd)
ijzer
215.2
V17.015
(fragment riemtong)
(gecorrodeerd)
ijzer
0-18 m?
14.2
V8.066
riembeslag?
ijzeren haken
ijzer
m?
33.3
V3.117-124
riembeslag?
2 ijzeren haken
ijzer
m?
96.1
V8.087-088
riembeslag?
103.1
V9.093-094
riembeslag?
117.1
V9.085
140.1
V9.087
121.1
V9.118
riembeslag?
kram?
ijzer
194.1
V16.001-002
4a
gesp en riembeslag
opengewerkte plaatjes
230.3
V20.013
3
riembeslag?
ijzer, koperle- v? gering ijzer v?
3a
leeftijd
18+
ijzer kram?
ijzer
riembeslag?
ijzer
riembeslag?
ijzer
m?
17-25
Tabel 5.6 Wijchen-Centrum. Overzicht van de gordels (vervolg).
5.2.15 Gordels van onbekende samenstelling In tabel 5.6 zijn vijf gordels tussen haakjes gezet die wel in de velddocumentatie worden genoemd maar niet zijn teruggevonden in de collectie. Deze zijn daarom niet nader ingedeeld. 5.2.16 Riembeslag Bij de gordels horen niet alleen gespen en gordelsets, maar ook het beslag van de riem, dat uit allerlei beslagknoppen, plaatjes en haken kan bestaan. Dit is een moeilijk te beschrijven groep, omdat van veel zaken die naast de gesp of op het middenrif van de dode worden aangetroffen, niet zeker is of ze tot de gordel hebben behoord of bijvoorbeeld aan de riem in een tasje werden bewaard. In de tabel zijn zaken opgenomen die geïnterpreteerd zijn als gordelbeslag, maar ook best een andere functie gehad kunnen hebben. Om die reden wordt hier afgezien van een discussie. In enkele gevallen is duidelijk dat de gespen en gordelbeslagen tot wapenriemen hebben behoord. In dat geval zijn ze opgenomen bij de zwaarden.
50
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 50
21-5-2010 12:21:46
5.2.17 Gordels algemeen In de tabellen 5.1 tot en met 5.6 zijn ook de geslacht- en leeftijdsbepalingen van de graven opgenomen die gebaseerd zijn op andere bijgiften (wapens voor mannen en sieraden/spinklossen voor vrouwen). Voor de eenvoudige gespen en vroege gordelbeslagen (paragrafen 5.2.2 tot en met 5.2.12) lijkt een geslachtsspecifiek patroon zichtbaar te zijn. Bij de ijzeren gespen van deze groepen (40x) zijn uitsluitend vrouwelijke geslachtsbepalingen bekend (21x). Bij de gespen van koperlegering (19x) zijn voornamelijk mannelijke geslachtsbepalingen (6x man, 1x vrouw - graf 156). Voor de latere meerdelige gordelsets geldt dit niet meer – de ijzeren driedelige sets worden regelmatig in graven met wapens aangetrofen. 5.3 Wapens In totaal zijn 85 bijgiften als wapen te omschrijven (lansen, bijlen, pijlen, zwaarden, schilden). Messen zijn niet tot de wapens gerekend. De wapens zijn per soort chronologisch geordend (tabel 5.7). De datering van de graven uit deze tabel is, behoudens enkele bijlen, gebaseerd op andere bijgiften, zoals fibulae, aardewerk en gordels. De onzekere dateringen zijn weggelaten. In veel graven zijn meerdere wapens samen gedeponeerd. Voorbeelden hiervan zijn graf 139 met bijvoorbeeld een lang zwaard (spatha), kort zwaard (sax), een lans en een schild meegegeven (fig. 5.11). In graf 3 zijn een bijl en een pijl meegegeven (fig. 5.12).
Graf 77 bevat een pijl, een schild en een lans (fig. 5.13). Zoals de foto’s laten zien, zijn vrijwel alle wapens van ijzer ernstig gecorrodeerd. 5.3.1 Lansen Lansen zijn in de Duitse Niederrhein-typochronologie in een groot aantal groepen onderverdeeld, gebaseerd op lengte, uitvoering van de schacht, vorm van het blad en aanwezigheid van een rib op het blad.52 Op deze plaats is afgezien van het overnemen van die indeling, omdat vrijwel alle Wijchense exemplaren ernstig zijn gecorrodeerd en niet zijn gerestaureerd (fig. 5.14). De lengte en de contour konden meestal wel worden waargenomen, maar schachtuitvoering en andere details waren meestal niet zichtbaar. Wel kan hier worden vermeld dat er slechts één lans met een duidelijke middenrib over de gehele lengte van het blad is herkend (graf 176, fig. 5.15). Bij de overige lansen is deze afwezig of veel minder duidelijk. Afgezien van het afbeelden van sommige lansen in de catalogus zijn geen aanvullende details over de lansen genoteerd. Hieronder worden de spreiding over de fasen en de plaatsing in het graf kort besproken. In 30 gevallen is een lans als bijgift meegegeven: tweemaal in fase 1, tweemaal in fase 2, tweemaal in fase 3 en maar liefst tienmaal in fase 4 (plus veertien ongedateerde exemplaren).
Opvallend aan de plaatsing van lanspunten in de graven is dat deze regelmatig boven de kist uitsteken en vaak op een hoger vlak worden aangetroffen dan de rest van het graf. We mogen daaruit afleiden
Figuur 5.11 Wijchen-Centrum. De inventaris van graf 139. Foto Rob Mols. (De afgebeelde umbo is niet afkomostig uit graf 139, maar uit graf 146a)
52
Siegmund 1998, 97-105; Müssemeier et al. 2003, 47-50 51
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 51
21-5-2010 12:21:47
LANS
BIJL
PIJL
fase 1 183.2 lans
SCHILD
aantal / fase 6
86.2
pijl
185.5
pijl 185.4
17.1
pijl
183.1 bijl 1.1
185.7 lans fase 2
ZWAARD
17.2
bijl 2.2
6 42.1
50.2
pijl
3.4
pijl
41.2
pijl
117.4
pijl
123.3
pijl
12.2
pijl
spatha?
sax
218.2 lans 238.2 lans fase 3a 3.1
lans
3.3 57.1
fase 3b 12.1
lans
francisca 1.2
12.3
francisca 1.2
13.2
francisca 1.2
fase 4a lans
53.4
lans
umbo, handvat, beslag
francisca 1.3
131.2 francisca 1.3
39.2
8 41.1
53.2
8 131.5
sax
157.1
sax
38.2/3
sax; riem
39.3/4
sax; riem
pijl
139.1 lans
139.3
sax
139.2
spatha; riem
176.4
riem: beslag
60.2
riem: gespje
131.1
umbo, beslag
38.4
handvat, beslag
53.3
handvat
139.6
umbo, beslag
43.3
handvat, beslag
277.1
umbo
15
155.1 ax 4.1 176.3 lans 242.2 lans (fase 4) 60.1
lans
fase 4b 68.1
lans
71.3
lans
71.1
pijl
77.2
lans
77.3
pijl 77.4
4
12 riem: ?
77.1
umbo, handvat, beslag
146a.8
sax
146a.1
umbo
146a.7
spatha; riem
247.2/3
sax, riem 10 ?
beslag
74.2?
umbo?
152.1
umbo
265.1 lans fase 0
14.1
lans
33.1
lans
74.1
lans
80.1
lans
99.3
lans
27.1
pijl AWN ´91 40.1
63.2
sax
26
handvat?
pijl 99.1
sax
167.2
riem: gespje
V13.006
riemverdeler
111.1 lans 151.1 lans 167.1 lans 177.1 lans 178.1 lans 233.1 lans
215.1
pijl
264.1
pijl
245.1 lans 290.1 lans 292.1 lans totaal
30
8
16
14 (+5 riem)
12
85 52
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 52
21-5-2010 12:21:47
Tabel 5.7 Wijchen-Centrum. Overzicht van graven met wapens als bijgift. Op de rijen onder elkaar staan de verschillende graven, per fase geordend. De kolommen bevatten de verschillende soorten wapens. Meerdere wapens uit één graf staan daardoor op dezelfde rij. Bij fase 0 (niet overtuigend gedateerde graven) staan soms wel wapens naast elkaar die niet uit hetzelfde graf komen.
Figuur 5.12 Wijchen-Centrum. De inventaris van graf 3. Foto Rob Mols. (De afgebeelde bijl is niet afkomstig uit graf 3, maar betreft een vondst uit de collectie AWN 1981).
dat de lans meestal bovenop de kist werd gelegd. In enkele gevallen zijn de lanspunten deels buiten de kuilgrens gevonden, waaruit blijkt dat de lans in zijn totaliteit langer was dan de lengte van sommige grafkuilen – ze werden in de kuilwand gestoken om toch in het graf te passen. 5.3.2 Bijlen Voor bijlen is in de Duitse Niederrhein-typochronologie een onderverdeling gemaakt op basis van de vorm en daaraan gerelateerd de functie. Er zijn drie basisvormen met verschillende functies: de gebogen francisca of werpbijl, de rechte smalle bijl voor het hakken en klieven van hout en de ax met een breed blad, voor hakken van bomen en gebruik op het slagveld. In de Duitse Niederrheintypochronologie zijn alle bijlen afgekort met FBA (Francisca, Bijl, Ax) met daarachter een nummer.53 In Wijchen zijn acht bijlen meegegeven in de graven. Een selectie staat afgebeeld in figuur 5.16. De 5de-eeuwse vorm FBA 1.1 kan vanwege de gebogen vorm als voorloper van de francisca beschouwd worden, maar vanwege de smalle vorm ook als rechte bijl. FBA 1.2 is met de gebogen vorm en opstaande punt als ‘echte’ francisca te beschouwen. De iets latere FBA 1.3 kent nog steeds de gebogen basisvorm maar mist de opstaande punt. FBA 2.2 is een symmetrische smalle bijl. De ax FBA 4.1 heeft een breed blad dat symmetrisch vanuit het schachtgat naar boven en onderen is gevormd.
De andere vormen komen in Wijchen niet voor. 53
Siegmund 1998, 106-107; Müssemeier et al. 2003, 50-52; datering bijgesteld in Nieveler & Siegmund 1999. 53
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 53
21-5-2010 12:21:48
Figuur 5.13 Wijchen-Centrum. De inventaris van graf 77. Foto Rob Mols.
Figuur 5.14 Wijchen-Centrum. Lanspunten. Foto Rob Mols. Van boven naar onder: 290.1, 53.4, 151.1, 80.1, 176.3, 292.1.
Figuur 5.15 Wijchen-Centrum. De inventaris van graf 176. Foto Rob Mols. 54
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 54
21-5-2010 12:21:51
183.1
17.2
12.3
3.3
13.2 155.1
AWN 1981
Figuur 5.16 Wijchen-Centrum. Bijlen. Schaal 1:3.
In totaal zijn acht bijlen aan de doden meegegeven: één in fase 1 (FBA 1.1), één in fase 2 (rechte bijl FBA 2.2), vijf in fase 3 (driemaal francisca FBA 1.2, tweemaal francisca 1.3) en één in fase 4 (ax FBA 4.1). In enkele gevallen is het graf op basis van de bijl gedateerd (graf 17, 155) maar in de andere gevallen zijn andere bijgiften aanwezig (aardewerk, gespen), die de datering voornamelijk bepaald hebben. Opvallend is dat zowel in graf 12 als 13 een francisca FBA 1.2 (Phase 3-4) is meegegeven naast een knikwandpot met groeven (Kwt 2.31), die volgens de Duitse Niederrhein-typochronologie in Phase 5 thuishoort. Verder valt op dat op de twee oudste bijlen (183.1 en 17.2) textielresten zijn waargenomen.54 Mogelijk werden deze stukken aan de gordel in een foedraal gedragen. 5.3.3 Pijlen Pijlpunten zijn niet nader beschreven of onderverdeeld. Uit de door andere objecten gedateerde graven blijkt dat ze in alle fasen ongeveer evenveel zijn gebruikt: twee in fase 1, twee in fase 2, vijf in fase 3, drie in fase 4 (vier ongedateerd)(tabel 5.7). Enkele voorbeelden staan afgebeeld in figuur 5.17.
54
Zie ook hoofdstuk 9. 55
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 55
21-5-2010 12:21:52
Figuur 5.17 Wijchen-Centrum. Pijlen. Foto Rob Mols. V.l.n.r. 17.1, 50.2, 117.4, 38.1, 27.1.
5.3.4 Zwaarden en zwaardriemen Grote zwaarden zijn relatief zeldzaam maar de kleinere exemplaren komen wat vaker voor. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen: de spatha is een tweesnijdend zwaard meestal langer dan 50 cm; de sax is een kort zwaard (langer dan 20 cm) aan één zijde aangescherpt. Als scheiding tussen messen en saxen is de door Siegmund onderbouwde lengte van 20 cm klinglengte aangehouden.55 De sax is verder in te delen in drie hoofdgroepen: de smalle (Schmalsax), de brede (Breitsax) en de lange sax (Langsax). De lange sax is een zwaard waarvan de kling langer is dan 40 cm en bovendien de lengte:breedte-verhouding boven de 10:1 ligt. De brede sax is een zwaard van tenminste 25 cm lang en 33 mm breed. De smalle sax is korter dan 35 cm en smaller dan 41 mm. In het tussenliggende bereik is de relatieve lengte-breedte-verhouding bepalend voor de indeling in smalle of brede sax.56 In Wijchen zijn zeker twee en waarschijnlijk drie spathae meegegeven. Graf 146 bevat een volledige maar ernstig gecorrodeerde spatha van 78 cm (inclusief gevest), naast een sax en gespen en riemtongen van de wapenriem. In graf 139 werd eveneens een combinatie van spatha en sax geborgen, waarbij de spatha waarschijnlijk een lengte had van 85 cm (inclusief gevest); het zwaard is echter uit elkaar gevallen, waardoor de lengte gebaseerd is op de veldtekening schaal 1:20.
Een derde fragment van een spatha bevond zich in graf 185, waar een stuk kling van 21 cm is aangetroffen; gezien de vorm en breedte is dit slechts een klein stuk van een veel groter zwaard. Volgens de hiervoor genoemde definitie van Siegmund zijn er in Wijchen geen echte Langsaxe aangetroffen. De langste sax is die van graf 39 met een kling van 42 cm en een breedte van 4,5 cm, waardoor de maatstaf van lengte:breedte meer dan 10:1 voor een Langsax niet wordt gehaald. In graf 146a is een sax met kling van 38 cm aanwezig. Tussen de AWN-vondsten van 1991 (waarneming ter hoogte van werkput 6) bevond zich een sax met een kling van 36 cm. De sax in graf 139 is tenminste 32 cm maar waarschijnlijk langer. De saxen in de graven 247 en 157 hebben klinglengtes van respectievelijk 33 cm en 32 cm. Het gaat dus om een totaal van zes brede saxen. De collectie bevat twee kleine saxen: die van graf 42 en 54 hebben een kling van net 20 cm lang. Tenslotte zijn er nog twee gefragmenteerde klingen die niet gemeten konden worden maar wel vrijwel zeker van een sax zijn (graven 99 en 131). Een selectie van zwaarden is afgebeeld in figuur 5.18. Opvallend aan het gebruik van zwaarden is dat in de twee gevallen waar zowel een spatha als een sax is meegegeven (de graven 139 en 146), de spatha aan de gordel hing, langs de benen naar beneden, en dat de sax met de punt de andere kant op wees.
Dit zou kunnen betekenen dat de sax schuin over de borst werd gedragen en naar beneden uit de schede werd getrokken. Bij diverse zwaarden is ook het bevestigingsmateriaal van de wapenriemen bewaard gebleven; een selectie staat in figuur 5.19. Graf 38 bevat een zwaardriem met enkele vertinde beslagen (Spa 3 volgens 55 56
Siegmund 1998, 87. Siegmund 1998, 90-91. 56
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 56
21-5-2010 12:21:54
38.2 54.2
146a.7
139.2
AWN 1991
39.3
146a.8
139.3
Figuur 5.18 Wijchen-Centrum. Zwaarden. Schaal 1:4. Alle klingen zijn van ijzer; 146a.7 en 139.3 koperlegering bij gevest; 146a.7 en 146a.8 houtresten bij gevest. 57
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 57
21-5-2010 12:21:56
146a.7
146a.7 (V10.111)
39.4
146a.7 en 8
39.4
146a.7 (V10.109)
139.3
38.3
Figuur 5.19 Wijchen-Centrum. Zwaardriembeslagen. 38.3 schaal 1:2, overige schaal 1:3. V10.111 tekening van röntgenfoto; V10.109c en 139.3 koperlegering; 38.3 vertinde koperlegering; alle overige – basis ijzer, knoppen koperlegering.
Figuur 5.20 Wijchen-Centrum. Riemverdeler V13.006. Schaal 1:1. Foto R. Meijers.
de Duitse Niederrhein-typochronologie) die vooral aan het einde van de 6de eeuw voorkomen.57 In graf 39 is de zwaardriem herkenbaar aan de gesp die zich op de zwaardpunt bevond (zie ook fig. 5.21). Door corrosie is het exacte type niet te achterhalen maar dit soort wapenriemsets (Spa 1a of 1d)
57
Siegmund 1998, Tafel 80, tekst p. 86; Müssemeier et al. 2003, 43. 58
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 58
21-5-2010 12:21:59
Figuur 5.21 Wijchen-Centrum. De inventaris van graf 39. Foto Rob Mols.
komen pas aan het eind van de 6de of begin van de 7de eeuw voor.58 In graf 60 is een ‘normale’ ijzeren gesp gevonden, maar omdat deze zich op het bovenlichaam bevond (en er om het middel een andere gordel is aangetroffen), wordt aan een wapenriem gedacht. In graf 146a hadden zowel de spatha als de sax eigen zwaardriemen. Bijna bij de onderzijde van de spatha is een gesp type Spa 1d gevonden, en zowel spatha als sax waren bevestigd met kleine bronzen riemkoppels die beschreven zijn als Gürtel 8b.59 Een laatste exemplaar dat hier wordt besproken is een gedecoreerde beslagplaat/riemverdeler. Het gaat om een vierkante plaat met diverse ‘terrassen’ die aan de onderzijde hol zijn en aan de bovenzijde versierd met vergulde zigzaglijnen en zilveren inlegwerk in kruisvorm (fig. 5.20); de hoeken zijn voorzien van uitstekende plaatjes met een gat, waar de nieten met bolle kop, voor bevestiging aan de riemen, nog in aanwezig zijn. Dit soort wapenriembeslag wordt niet in de Duitse Niederrheintypochronologie beschreven en lijkt vooral in Scandinavië voor te komen (ca. 570-610).60 Het stuk is uit een grote verstoring in werkput 13 afkomstig en daarom helaas niet aan een graf te koppelen. 5.3.5 Schilden Het meest herkenbare onderdeel van een schild is de umbo, de ijzeren schildknop in het centrum van het schild (fig. 5.22).
In het holle gedeelte van de umbo bevond zich het handvat, dat in een aantal gevallen ook van ijzer is en soms tegen de umbo aan is geroest. Verder zijn ook lange ijzeren strips en beslagknoppen van koperlegering herkenbare onderdelen van een schild (fig. 5.23). In Wijchen zijn elf (onderdelen van) schilden aangetroffen in de graven (tabel 5.7). Typologisch is er op hoofdlijn alleen verschil te maken tussen de umbo met knop op de punt (volgens de Duitse Niederrhein-typochronologie Schildbückel 2-4, tot ongeveer Phase 6) en die zonder (vanaf Phase 6).
Figuur 5.22 Wijchen-Centrum. De umbo uit graf 41. Foto Rob Mols. 58 59 60
Müssemeier et al. 2003, 42-43. Beschrijving Müssemeier et al. 2003, 22 en 42; datering Nieveler & Siegmund 1999. Jørgensen 1999, 149 en fig. 9.4. 59
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 59
21-5-2010 12:22:00
146a.1
146a.1
38.4
38.4 77.1
10.1
139.6
Figuur 5.23 Wijchen-Centrum. Schildonderdelen. Schaal 1:3. Handvatten V10.107 en V3.086 ijzer met houtresten; 146a.1 en 10.1 knoppen koperlegering; overige onderdelen ijzer.
Die laatste groep is verder onder te verdelen op basis van de vorm van de punt, die plat bol (Sbu 5a) of puntig bol (Sbu 5b) kan zijn. Verder is ook de vorm van de nieten/beslagknoppen belangrijk.61 In Wijchen is slechts één umbo met knop op de punt aangetroffen (graf 41; fig. 5.22). In graf 77 was een umbo met vrij platte bolling (Sbu 5a) aanwezig. Graf 146a bevatte een umbo met puntige bolling en beslagknoppen van koperlegering; dezelfde puntige bolling is bij graf 139 te zien, maar daar zijn de knoppen van ijzer. De overige umbo’s waren te zeer gecorrodeerd of zelfs uit elkaar gevallen waardoor 61
Beschrijving Müssemeier et al. 2003, 52-53; datering Nieveler & Siegmund 1999. 60
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 60
21-5-2010 12:22:01
ze niet in enige indeling kunnen worden geplaatst. In de Wijchense graven valt op dat indien schilden in een kamergraf zijn geplaatst, dat deze zich in het kamergedeelte bevinden en niet in de kist. Verder is aan de schuinstand van de meeste umbo’s te zien dat ze rechtop tegen de kist werden geplaatst, of indien geen aparte kist is waargenomen, schuin tegen het lichaam van de dode aan. 5.4 Sieraden 5.4.1 Fibulae In Wijchen zijn 27 (delen van) fibulae aangetroffen, verdeeld over zeventien graven en drie overige sporen. De spelden staan afgebeeld in de figuren 5.24 en 5.25 en hun context en datering staan opgesomd in tabel 5.8. Hieronder worden ze per stilistische groep (vogelfibulae; S-fibulae; beugelfibulae; schijffibulae) geordend en beschreven. Vogelfibulae Vogelfibulae staan al lange tijd in de belangstelling en kennen een enorme variatie in details. Sinds het boek van Thiry (1939) zijn diverse nieuwe indelingen gepresenteerd. Ondanks het grote aantal vogel-fibulae zijn maar weinig algemene trends en dateerbare ontwikkelingen te ontdekken; het lijkt erop dat er vooral individuele en unieke vogelfibulae zijn vervaardigd en maar weinig grote series. Siegmund geeft een indeling op hoofdlijnen, die hier wordt gevolgd: 1. vogelfibulae zonder almandijninleg; 2. vogelfibulae met almandijn-inleg in de ogen; 3. vogelfibulae met almandijn in vleugels of voet.
Groep 1 en 2 worden in de Duitse Niederrhein-typochronologie in Phase 3 geplaatst en groep 3 in Phase 4.62 In Wijchen zijn vijf vogelspelden uit drie graven voorhanden. Groep 1 is vertegenwoordigd door een paar (graf 52) en een enkele speld (graf 317). Graf 219 bevat een paar vogelfibulae behorend tot groep 2 van Siegmund. De laatste groep komt in Wijchen niet voor. Dat vogelfibulae zonder almandijn-ogen ouder zijn dan de exemplaren met almandijn-inleg, wordt door twee Wijchense contexten bevestigd. Graf 52 heeft een oriëntatie die aansluit bij laat-Romeinse graven in de directe omgeving en bevat bovendien een laat-Romeins gordelhanger en –ring. Het graf als geheel moet in de late 5de eeuw worden gedateerd. De vogelfibula uit crematiegraf 317 gaat vergezeld van een gesp met niervormig beslag en rond beslag, alsmede een hoge smalle gesp en hoort waarschijnlijk ook in de late 5de eeuw. Het paar vogelfibulae uit graf 219 heeft met almandijn ingelegde ogen en is samen met een kralensnoer en een zilveren vingerring met almandijn bijgezet en is waarschijnlijk iets jonger, begin 6de eeuw. S-fibulae S-fibulae vormen een heterogene groep met veel diverse uitvoeringen en decoraties. Een overzichtsstudie en omvattende typologie is niet voorhanden.
Siegmund kende voor het Duitse Niederrhein-gebied slechts drie exemplaren, die hij vanwege hun context toewees aan de Phasen 3-5.63 Strauss kende er meer maar kon geen typologische ontwikkeling schetsen, alleen de verschillen benoemen. De contexten die hij presenteerde lopen uiteen van de vroege- tot het einde van de 6de eeuw.64 In Wijchen is zeker één maar waarschijnlijk twee exemplaren van de S-fibula voorhanden. De bronzen fibula uit crematiegraf 310 is gesmolten en vervormd. Er zijn rondingen te zien die vloeiend van linksboven naar rechtsonder op het bewaarde deel van de schijf lopen, waardoor het waarschijnlijk een S-fibula is, maar geheel zeker is dit niet. De S-fibula uit graf 81 heeft een ijzeren speldinrichting, de grondplaat is van zilver met een kleine component koper, ingelegd met almandijn en de dieper gelegen delen zijn verguld. De S-vorm wordt gevormd door drie vlakken: het bovenste vlak draait van de almandijn linksboven naar de top en via de rechterzijde naar het rechthoekige middenvlak. Het 62 63 64
Siegmund 1998, 50. Siegmund 1998, 51. Strauss 1992, 58-61. 61
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 61
21-5-2010 12:22:01
219.2
52.2 81.1 81.1
235.2
226.3
260.1
160.1
235.5
160.2
156.4
171.2
34.1
Figuur 5.24 Wijchen-Centrum. Vogelfibulae, S-fibula, beugelfibulae en schijffibulae. Foto Rob Mols. 62
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 62
21-5-2010 12:22:02
onderste vlak draait van het centrum via de linkerzijde naar de onderkant en via de rechterzijde naar de andere almandijn. Tussen de almandijn en het S-lichaam is de schijf gesloten en ook van vergulding voorzien. De drie vlakken van het S-lichaam en de twee tussenvlakken zijn allemaal voorzien van gekerfde arcering. Een exacte parallel voor dit stuk is niet voorhanden. De S-fibula is vooral in Longobardisch Italië en Zuid-Duitsland veelvuldig voorhanden. In de grafvelden van Schretzheim (ca. 20 exemplaren)65 en Altenerding (ca. 30 exemplaren)66 zijn veel S-fibulae voorhanden en uit verzamelingen in NoordItalië zijn zeker 50 exemplaren bekend.67 Alleen de S-fibula uit Altenerding graf 790 lijkt enigszins op het stuk uit Wijchen omdat de verdeling in drie vlakken en de richting van de gekerfde arcering overeenkomen. De contexten van de meest gelijkende S-fibulae dateren voornamelijk uit het midden van de 6de eeuw.68 Wijchen graf 81, waaruit deze S-fibula komt, is echter beduidend jonger. De knikwandpot uit dit graf dateert op zijn vroegst uit het einde van de 6de eeuw (585 en jonger). Ofwel is de S-fibula een erfstuk dat al langer circuleerde voordat deze in het graf werd bijgezet, ofwel is dit een van de jongste S-fibulae. Beugelfibulae Bij de beugelfibulae is de combinatie van de vorm van de kop- en voetplaat doorslaggevend voor de typologische indeling.
Recht- of driehoekige kopplaten komen wel voor maar met name halfronde kopplaten zijn erg talrijk. Bij de stukken met halfronde kopplaten is daarom vooral de vorm van de voetplaat (rechthoekig, trapezoïde, rhombisch, ovaal) van belang. In tweede instantie is het aantal knoppen aan de kopplaat bepalend voor een indeling, en daarna wordt een onderscheid gemaakt naar decoratiepatronen.69 In Wijchen zijn acht determineerbare beugelfibulae gevonden en één fragment. Het paar beugelfibulae uit graf 235 en het stuk uit graf 260 maken deel uit van een grote groep spelden met halfronde kopplaat, vrijwel rechthoekige voet en vijf knoppen aan de kopplaat (Koch groep I.3). Vanwege het enorme aantal spelden in deze groep heeft Koch een zeer gedetailleerde indeling vervaardigd, waarin de Wijchense fibulae goed te herkennen zijn. Via de criteria streepversiering op de kopplaat > rechtopstaande streepversiering > puntcirkels op voet komen we voor het stuk uit graf 260 uit bij Koch’s type I.3.3.2.4.2. Hoewel de twee spelden uit graf 235 geen puntcirkels op de voet hebben zijn ze vanwege de kopplaat toch bij die groep in te delen. De voet met de lengtegroeven past beter bij Koch’s groep I.3.3.2.5, maar daarvan wijkt het kopplaat-patroon af. Wel moeten we bedenken dat de indeling verregaand gedetailleerd is, feitelijk gaat het om een beperkt verschil.
Ook chronologisch is dit verschil niet van belang. Beide subgroepen van Koch hebben een zelfde datering, namelijk eerste helft 6de eeuw. Vermeldenswaard is dat fibulae met deze kenmerken ook te Emmen, Nijmegen en Rhenen zijn gevonden. Rhenen graf 423 komt met een paar fibulae van dit type en een paar kleine almandijn-schijffibulae wel zeer overeen met graf 235.70 Getalsmatig gezien komen de beugelfibulae met halfronde kopplaat, rechthoekige voet en negen knoppen (Koch groep I.6; Wijchen graf 160) weinig voor. Ook het gebruikte materiaal, verguld zilver, geeft aan dat het uitzonderlijke spelden zijn. Koch kende slechts twaalf beugelfibulae met negen knoppen, en alleen het subtype Pry-Voutenay (met zeven exemplaren) heeft goede vergelijkingsstukken voor de Wijchense vondsten. Dit subtype wordt gekenmerkt door knoppen in de vorm van lantaarns, een kopplaat-motief van spiraalranken. Op een gedetailleerder niveau is alleen het fibula-paar van graf 18 uit Pry (bij Namen, B.) een werkelijke parallel. De lantaarn-knoppen en de spiraalranken op de kopplaat zijn indentiek, evenals de kerbschnitt-driehoeken en gekerfde randen die de voet omgeven. Ook de stukken van Pry zijn van zilver met vergulding.
Het enige kleine verschil tussen de Wijchense stukken en die van Pry zijn de afmetingen (Wijchen: 9,5 cm; Pry 10,0 cm) en de figuren centraal op de beugel: cirkels en puntcirkels in Wijchen, cirkels met vleugels in Pry. De stukken zijn zo goed vergelijkbaar, dat ze waarschijnlijk uit hetzelfde atelier komen. Pry graf 18 wordt 65 66 67 68 69 70
Koch 1977, Tafel 194. Sage 1984, Tafel 194-195. Menis 1990. Strauss 1992, 58-61. Koch 1998. Koch 1998, 87-90 63
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 63
21-5-2010 12:22:02
volgnr graf/ bijgiftnr 1-2 52.2
vondstnr
hoofdgroep
subgroep
materiaal
literatuur
V3.157-160
vogelfibula
zonder almandijn
koperlegering
Siegmund 1998, 50
datering fibula 485-530
3
317.3
V3.022
vogelfibula
zonder almandijn
koperlegering
Siegmund 1998, 50
485-530
4-5
219.2
V17.019
vogelfibula
met almandijn ogen
koperlegering
Siegmund 1998, 50
485-530
6
310.2
V1.004
S-fibula
koperlegering
Strauβ 1992, 58-61
500-600
7
81.1
V6.092
S-fibula
verguld zilver
Strauβ 1992, 58-61
500-600
8-9
207.2
V16.014
beugelfibula driehoekige kopplaat koperlegering
500-525
10-11
235.2
12
260.1
13-14
160.1
15
226.3
Koch 1998, Gruppe III.1 Koch 1998, Gruppe I.3.3.2.4 Koch 1998, Gruppe I.3.3.2.4.2 Koch 1998, Gruppe I.6.2.1 Koch 1998, Gruppe V.2.1.6/7
koperlegering 530-570
16
135.-
V20.030-032 beugelfibula halfronde kopplaat met 5 knoppen V21.045 beugelfibula halfronde kopplaat met 5 knoppen V10.070-082 beugelfibula halfronde kopplaat met 9 knoppen V19.010 beugelfibula met rechthoekige kopplaat V10.018 beugelfibula
koperlegering
17-18
160.2
V10.088-090 schijffibula
almandijn-inleg
zilver-almandijn Siegmund 1998, 45
19
171.2
V11.054
schijffibula
almandijn-inleg
zilver-almandijn Siegmund 1998, 45
530-570
20-21
235.5
V20.034-40
schijffibula
almandijn-inleg, klein zilver-almandijn Siegmund 1998, 45
485-555
22
156.4
V10.067
schijffibula
filigraan
zilver
585-670
23
34.1
V3.140
schijffibula
filigraan
goud
koperlegering verguld zilver koperlegering
Siegmund 1998, 47-48 Siegmund 1998, 47-48
24
65.5
V4.076
schijffibula
gegraveerd
koperlegering
25
kuil ME
V23.002
schijffibula
kruisvorm
koperlegering
26
kuil ME
V5.003
schijffibula
rond; kruismotief
koperlegering
27
waterput
V11.020
schijffibula
rond; kruismotief
koperlegering
500-550 500-550 525-550 525-550
585-670
Karolingisch Karolingisch Karolingisch
Tabel 5.8 Wijchen-Centrum. Overzicht van de fibulae.
207.2
65.5
reconstructie van 207.2
V5.003
V11.020
V23.002
Figuur 5.25 Wijchen-Centrum. Paar beugelfibulae, schijffibula en Karolingische kruisfibulae. Schaal 2:3. 64
Wijchen-Centrum-hoofdstuk5.indd 64
21-5-2010 12:22:02
in de eerste helft van de 6de eeuw gedateerd, met een voorkeur voor het tweede kwart van die eeuw (500/525-550).71 De beugelfibulae met rechthoekige kopplaat en ovale voetplaat (Koch groep V) zijn veel minder zeldzaam dan de voorgaande groep met halfronde kopplaat en negen knoppen. Toch zijn ze minder talrijk dan die met halfronde kopplaat, rechte voet en vijf knoppen (groep I.3). Deze groep wordt verder onderverdeeeld naar de rand van de rechthoekige kopplaat: de afwezigheid van knoppen (V.1), losse knoppen (V.2.2), of verzonken knoppen, zoals in het geval van de Wijchense speld (V.2.1). De verdere onderverdeling hangt af van het decoratiepatroon op de kopplaat en de voet. Door corrosie op het stuk uit Wijchen is de laatste indeling niet geheel te bepalen, maar de geringe contouren die toch te zien zijn, geven aan dat het om subgroep V.2.1.6 of V2.1.6.7 moet gaan. Aangezien subgroep 6 stukken uit het Oost-Europa kent en subgroep 7 een stuk uit Rhenen, moeten wellicht aan die laatste denken. Maar ook hier is de precieze onderverdeling op grond van decoratie niet erg belangrijk, omdat alle stukken dezelfde datering hebben: eerste helft 6de eeuw met voorkeur voor het tweede kwart (500/525-550).72 Voor het paar beugelfibulae uit graf 207 zijn geen exacte parallellen voorhanden.
Dat is deels te verklaren door de fragmentaire staat, die een goede determinatie bemoeilijkt: het is niet zeker of er punten van de kop- en voetplaat knoppen hebben gezeten, terwijl die knoppen vaak de plaatsing in subgroepen bepaalt. De reconstructie in figuur 5.25 is niet geheel zeker. De fibulae behoren tot groep III van Koch (1998), de beugelfibulae met halfronde of driehoekige kopplaat en rhombische voet. Ondanks de afgebroken punten van voet- en kopplaat maakt de decoratie van diepe groeven duidelijk dat deze stukken zeker een rhombische voetplaat en een scherp driehoekige kopplaat hebben gehad. Binnen die groep behoren deze stukken waarschijnlijk tot subgroep 1 (stukken met drie knoppen), omdat drie knoppen een logisch gevolg zijn van de driehoekige kopplaat. Verder is de bovenzijde van de voetplaat voorzien van ‘waaiers’ met puntcirkelversiering. Die ‘waaiers’ zijn een kenmerk van Koch’s Groep III.1.1, maar de stukken uit die groep hebben altijd halfronde kopplaten, terwijl de scherp rechthoekige kopplaat van het Wijchense stuk beter bij subgroep III.1.4 past. Tenslotte moet subgroep III.2.4 genoemd worden, niet zozeer voor de exacte vormovereenkomsten maar omdat er in die groep enkele vondsten uit het Nederlandse rivierengebied voorhanden zijn (Tiel, Grave).
Alle genoemde groepen worden door Koch vanaf het midden tot het einde van de 5de eeuw geplaatst, met enige uitloop in de vroege 6de eeuw.73 Gezien de onduidelijkheden rondom een datering op puur typologische gronden, is de grafcontext van belang. Graf 207 maakt deel uit van een cluster graven die elkaar oversnijden: er is sprake van maar liefst vijf graven die elkaar opeenvolgend oversnijden. Stratigrafisch gesproken bevindt graf 207 zich middenin het cluster: er zijn twee ‘grafgeneraties’ jonger dan dit graf en er zijn twee ‘grafgeneraties’ ouder dan dit graf. Het oudste graf (192) is in de laat-Romeinse tijd te plaatsen, in de eerste helft van de 5de eeuw. Het daarover snijdende graf (191) is niet gedateerd maar zal een generatie jonger zijn. Daar overheen snijdt het genoemde graf 207, dat ook weer een generatie jonger zal zijn. Hoewel we niet weten hoe lang een ‘begraafgeneratie’ duurt, is een datering in de late 5de of vroege 6de eeuw goed mogelijk. De stratigrafie van de graven is aldus een argument om voor de datering van deze beugefibu-lae het einde van Koch’s datering aan te houden, ca. 500-525 n.Chr. Schijffibulae Schijffibulae met almandijn Bij de indeling van almandijn-schijffibulae wordt Siegmund gevolgd, die een verdeling maakt op basis van grootte, het aantal versierde zones en een eventuele combinatie van almandijninleg met andere decoratietechnieken.