CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 13: Opgraving Merovingisch grafveld (Hazenberg Archeologische Serie 1)

Raad openbaar Wijchen 30 juni 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 30066 Beslisnota Vaststelling Bestemmingsplan TKWM 202233.506 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Voorname dames, stoere soldaten en eenvoudige lieden Begravingen en nederzettingssporen uit het Neolithicum, de laat-Romeinse tijd en Middeleeuwen te Wijchen-Centrum S. Heeren & T. Hazenberg (red.)

1

Hazenberg Archeologische Serie

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 1

21-5-2010 12:20:15

Colofon Redactie Auteurs Illustraties Vormgeving Titel Serie

Dr. S. Heeren, drs. T. Hazenberg Drs. C. Brandenburgh, drs. T. Hazenberg, dr. S. Heeren, drs. R. A. Houkes, dr. S.M.E. van Lith, dr. E. Smits Dr. S. Heeren (alle figuren zonder auteursaanduiding), M. van Poelgeest (bewerking) R. Mols (Foto/grafisch, objectfotografie) M. van Poelgeest Voorname dames, stoere soldaten en eenvoudige lieden Begravingen en nederzettingssporen uit het Neolithicum, de laat-Romeinse tijd en Middeleeuwen te Wijchen-Centrum Hazenberg Archeologische Serie - deel 1

ISBN/EAN Uitgever Drukker Copyright

978-90-808534-7-8 Hazenberg Archeologie Leiden B.V., Leiden Studio Imago, Amersfoort Hazenberg Archeologie Leiden B.V., Leiden, juni 2010

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze zonder voorafgaande toestemming van de uitgever. Projectpartners

2

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 2

21-5-2010 12:20:16

Inhoud Deel I: inkadering 1 Inleiding

Stijn Heeren

9

1.1 Onderzoekskader Odyssee 1.2 Projectpartners 1.3 Situering en projectgegevens 1.4 Betrokken personen en instanties 1.5 Onderzoeksmethoden en afbakening 1.6 Opbouw van deze studie

9 9 9 10 12 14

2 De vindplaats

Stijn Heeren

15

2.1 Wijchen-Centrum: bewoning op rivierduinen 2.2 Romeinse en vroegmiddeleeuwse vindplaatsen in Wijchen

15 15

3 Geschiedenis van het onderzoek

Tom Hazenberg

19

3.1 Waarnemingen en proefputten 3.2 De ROB-opgravingen 3.3 Eerste uitwerking 3.4 Waarnemingen bij bouwactiviteiten

19 20 23 26

Deel II: vondsten 4 Menselijk en dierlijk botmateriaal

Liesbeth Smits

29

4.1 Onverbrande menselijke resten 4.2 Verbrande menselijke resten: de crematiegraven 4.2.1 Inleiding 4.2.2 Methode: beschrijving van de crematieresten 4.2.3 Methode: beschrijving van de fysisch antropologische eigenschappen 4.2.4 Werkwijze 4.2.5 Resultaten crematierestenonderzoek 4.3 Dierlijk botmateriaal

29 30 30 30 31 32 33 34

5 Metaal

Stijn Heeren

37

5.1 Inleiding 5.2 Gordels 5.2.1 Laat-Romeinse gordelsets 5.2.2 Hoge gesp met kamversiering 5.2.3 Gesp met niervormig riembeslag 5.2.4 Gesp met rechthoekig riembeslag 5.2.5 Eenvoudige gesp met rechte gespdoorn 5.2.6 Eenvoudige gesp met schilddoorn 5.2.7 Eenvoudige hoge gesp met brede doornbasis 5.2.8 Eenvoudige ijzeren gesp 5.2.9 Gesp met dubbelzijdig riembeslag

37 39 39 40 41 42 42 43 44 44 45 3

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 3

21-5-2010 12:20:16

5.2.10 Gordelbeslag met afgeronde riemtong 5.2.11 Gordelset overig 5.2.12 Driedelige gedecoreerde gordelsets van koperlegering 5.2.13 Driedelige gedecoreerde gordelsets van ijzer 5.2.14 Driedelige ongedecoreerde gordelsets van ijzer 5.2.15 Gordels van onbekende samenstelling 5.2.16 Riembeslag 5.2.17 Gordels algemeen 5.3 Wapens 5.3.1 Lansen 5.3.2 Bijlen 5.3.3 Pijlen 5.3.4 Zwaarden en zwaardriemen 5.3.5 Schilden 5.4 Sieraden 5.4.1 Fibulae 5.4.2 Hangers en kralen 5.4.3 Munthangers en munten 5.4.4 Haarnaalden en vingerringen 5.5 Diversen 5.5.1 Messen en messchedes 5.5.2 Gordelgarnituren? 5.5.3 Beursringen? 5.5.4 Tasbeugel en vuurslag 5.5.5 Haardkettingen 5.5.6 Piek of bootshaak? 5.5.7 Ruitersporen 5.5.8 Paardenbit? 5.5.9 Emmers 5.5.10 Baardtangen 5.5.11 Lensvormige schaaltjes 5.5.12 Schoeisel 5.5.13 Kledinggespjes (overig)

45 45 46 47 49 50 50 51 51 51 53 55 56 59 61 61 67 68 70 72 72 72 72 72 74 74 74 76 76 76 77 77 78

6 Aardewerk

Stijn Heeren

79

6.1 Prehistorische perioden 6.2 Vroeg- en midden-Romeinse tijd 6.3 Laat-Romeinse tijd 6.3.1 Terra sigillata 6.3.2 Gladwandig aardewerk 6.3.3 Ruwwandig aardewerk 6.3.4 Geverfd aardewerk 6.4 Vroege Middeleeuwen 6.4.1 Rood geverfd aardewerk 6.4.2 Knikwandpotten 6.4.3 Knikwandschalen 6.4.4 Ruwwandig aardewerk 6.4.5 Handgevormd aardewerk 6.4.6 Spinklossen 6.5 Karolingische periode, Volle en Late Middeleeuwen, Nieuwe tijd 6.6 Interpretatie van de laat-Romeinse en Merovingische funeraire bijgiften 6.6.1 Een crematiegrafveld vanaf de 4de eeuw 6.6.2 Gebruik van het aardewerk per fase

79 81 81 81 82 82 83 84 84 84 89 95 98 100 101 101 102 103

4

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 4

21-5-2010 12:20:16

7 Glazen vaatwerk

Sophia van Lith

105

7.1 Conische beker met opaakwitte versiering 7.2 Stortbekers (Gobelets carénés) 7.3 Overige 7.4 Catalogus glasvondsten 7.4.1 La Tène armbanden 7.4.2 Romeins glas 7.4.3 Laat-Romeins glas 7.4.4 Merovingisch glas

105 106 107 108 108 108 108 108

8 Kralen van glas en barnsteen

Stijn Heeren

111

8.1 Zwaard- en gordelkralen Sophia van Lith 8.1.1 Zwaardkralen 8.1.2 Gordelkralen 8.2 Kralensnoeren 8.2.1 Kralensnoeren en fibulae 8.2.2 Hergebruikte kralen: La Tène glas en meloenkralen uit de Romeinse tijd 8.2.3 Chronologie van enkele typen kralen 8.3 Losse kralen

111 112 113 115 115 116 117 119

9 Textielresten

Chrystel Brandenburgh

121

9.1 Inleiding 9.2 Van draad tot doek 9.3 De weefsels van het grafveld van Wijchen 9.3.1 Kwaliteit en status in textiel 9.3.2 Kleding of grafbekleding? Het gebruik van het textiel in het graf 9.4 Conclusie

121 122 123 124 125 127

10 Vuursteen

Rob Houkes

129

10.1 Vuurstenen van Merovingische datering 10.2 Vuurstenen van prehistorische datering – Vlaardingen-cultuur?

129 131

11 Overige vondstcategorieën

Stijn Heeren

133

11.1 Natuursteen 11.2 Keramisch bouwmateriaal 11.3 Slakmateriaal

133 133 133

Deel III: sporen en structuren 12 Sporen en structuren

Stijn Heeren

139

12.1 Laat-Romeinse en Merovingische graven 12.1.1 Een verstoord crematiegrafveld vanaf de 4de eeuw 12.1.2 Lijkbegravingen uit de 5de tot en met de 7de eeuw: botsporen 12.1.3 Lijkbegravingen uit de 5de tot en met de 7de eeuw: kuilen en kisten 12.2 Kuilen uit de Karolingische periode, Volle en Late Middeleeuwen 12.3 Greppels en uitbraaksporen uit de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd

139 139 141 143 150 151

5

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 5

21-5-2010 12:20:16

13 Chronologie

Stijn Heeren

153

13.1 Dateringsmethoden 13.1.1 Hoofdindeling in perioden 13.1.2 Onderverdeling in fasen 13.2 ‘Knooppunten’ van oversnijdingen 13.3 De zekerheid van de fasering

153 153 154 158 160

Deel IV: synthese 14 Leven en sterven in laat-Romeins 00 en middeleeuws Wijchen

Stijn Heeren

163

14.1 Het grafritueel 14.1.1 Crematie en inhumatie 14.1.2 Kuilen en kisten 14.1.3 Bijgiften en identiteit 14.1.4 Grafroof? 14.2 De begraafgemeenschap 14.2.1 Bevolkingsopbouw 14.2.2 Omvang van de begraafpopulatie 14.3 Geografische situering van Wijchen en herkomst van de materiële cultuur 14.4 Wijchen in de laat-Romeinse tijd en Middeleeuwen 14.4.1 De 4de eeuw (periode II fase 1a) 14.4.2 De vroege 5de eeuw (periode II fase 1b) 14.4.3 De late 5de en vroege 6de eeuw (periode II fase 2) 14.4.4 Het midden van de 6de eeuw (periode II fase 3) 14.4.5 De late 6de en vroege 7de eeuw (periode II fase 4) 14.4.6 Het einde van het grafveld 14.4.7 De Karolingische periode, Volle en Late Middeleeuwen (periode III) 14.4.8 Nieuwe tijd (periode IV) 14.5 Afsluiting

163 163 164 165 166 167 167 168 171 171 172 173 173 174 176 176 177 178 178

15 English summary

Stijn Heeren

181

Stijn Heeren

185

Toelichting Tekst Figuren

185 187 361

17 Afkortingen en literatuur

497

18 Bijlagen

504

18.1 Tabellen fysische antropologie 18.2 Tabel textielresten

504 536

Deel V: catalogus en bijlagen 16 Catalogus van laat-Romeinse 00 en Merovingische graven

6

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 6

21-5-2010 12:20:16

DEEL I

INKADERING

7

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 7

21-5-2010 12:20:16

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 8

21-5-2010 12:20:16

1 Inleiding Van de zomer van 2009 tot het voorjaar van 2010 heeft Hazenberg Archeologie het onderzoeksproject Het Merovingische grafveld van Wijchen – het grafritueel en de begraafgemeenschap uitgevoerd. In het kader van dit project werden de vondsten en sporen van de vindplaats Wijchen-Centrum geanalyseerd en dit boek is het belangrijkste resultaat van het project. Op de genoemde vindplaats, grotendeels onderzocht in 1991, zijn bijna 350 begravingen uit de laat-Romeinse tijd en Merovingische periode (ca. 350 – 650 na Chr.) aangetroffen, alsmede sporen uit het Neolithicum, Karolingische periode, Volle en Late Middeleeuwen.

1.1 Onderzoekskader Odyssee Het onderzoeksproject Het Merovingische grafveld van Wijchen – het grafritueel en de begraafgemeenschap werd mogelijk gemaakt door een subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor kortlopend onderzoek in het kader van het onderzoeksprogramma Odyssee. Dit programma is een samenwerkingsverband van NWOgebied Geesteswetenschappen, Erfgoed Nederland en het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen. Het programma Odyssee richt zich op de wetenschappelijk verdiepende ontsluiting van niet-uitgewerkt archeologisch veldonderzoek uit de jaren voor de conventie van La Valletta (Malta), grofweg de jaren 1900-2000. Het onderzoeksprogramma is een antwoord op de rapporten Odyssee I (2003) en Odyssee II (2005), uitgevoerd in opdracht van de Stichting voor de Nederlandse Archeologie (SNA, later opgegaan in Erfgoed Nederland), waaruit bleek dat er een grote achterstand is in de uitwerking van archeologisch veldwerk uit de 20ste eeuw. Door middel van de Odysseeonderzoeksgelden kunnen de belangrijkste ongepubliceerde onderzoeken alsnog worden geopenbaard. 1.2 Projectpartners Het onderzoeksproject Het Merovingische grafveld van Wijchen – het grafritueel en de begraafgemeenschap werd uitgevoerd door Hazenberg Archeologie, tevens hoofdaanvrager van de Odyssee-subsidie bij NWO.

Mede-aanvragers zijn de provincie Gelderland, de gemeente Wijchen en Museum Kasteel Wijchen (MKW). Naast de subsidie van NWO was aanvullende financiering afkomstig van de drie partners en ook heeft Hazenberg Archeologie eigen middelen in het project geïnvesteerd. 1.3 Situering en projectgegevens Naar aanleiding van de herinrichting van het centrum van Wijchen, gelegen in het oostelijk rivierengebied (fig. 1.1) werd in 1991 archeologisch onderzoek uitgevoerd. De opgraving vond plaats tussen de Markt en de parkeerplaats van het Gemeentehuis: de werkputten strekten zich uit van onder de huidige Marktpromenade tot het gebied tussen Zaal Sterrebos en de huidige Albert Heijn (fig. 1.2). Provincie: Gemeente: Toponiem: Kaartblad:

Gelderland Wijchen Centrum (ook Centrumplan of Sterre(n)bos(ch) genoemd) 45F

9

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 9

21-5-2010 12:20:16

177.000

178.000

179.000

426.000 425.000 424.000 423.000

Figuur 1.1 De ligging van Wijchen in Nederland (links) en de locatie van de opgraving in het centrum van Wijchen (rechts)(bron: Archis II).

Coördinaten: ARCHIS: ABR: Projectcode Plaats vondsten Digitale deponering

178.395 / 424.290 178.395 / 424.375 178.505 / 424.290 178.505 / 424.375 Onderzoeksmelding 38.254 (dit onderzoek) Waarneming 32.409 (Hulst 1991); 32.410 (AWN 1991); 58.043 (RAAP 2000) Complextype GC Cultuur VLA Complextype GVIC Periode ROML, VMEA, VMEB Complextype NX Periode VMEC, VMED, LME WC91 Provinciaal Depot Bodemvondsten (PDB) Gelderland Gelders Archeologisch Centrum (GAC) Museum Kamstraat 45, Nijmegen Depotbeheerder drs. L. Swinkels 024-3608805 DANS-EASY, toegankelijk via http://easy.dans.knaw.nl/dms Dossier ‘Wijchen-Centrum’

1.4 Betrokken personen en instanties Een omvangrijke wetenschappelijke uitwerking en publicatie is niet mogelijk zonder de hulp van vele instanties en personen. • Allereerst danken wij subsidieverstrekker NWO en de vertegenwoordigers van onze projectpartners: Monique de Rooij (Provincie Gelderland), Matthé Dalderup en de wethouders Gerard Hendriks en Marcel Thijsen (Gemeente Wijchen), Fiona Zachariasse, Jacqueline van de Pol, Antoon van Herpen en Ben Teubner (Museum Kasteel Wijchen). 10

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 10

21-5-2010 12:20:17

• Voor toegang tot de vondsten en gastvrijheid danken wij Louis Swinkels, Ronny Meijers, Marieke Helsen en Annelies Koster (Gelders Archeologisch Centrum, GAC / Museum het Valkhof ), Cees Brok (Bureau Archeologie en Monumenten, gemeente Nijmegen, BAMN). De documentatie werd toegankelijk gemaakt door Theo Geurtsen (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, RCE). • Onmisbaar voor de realisering van deze studie zijn de externe specialisten: Chrystel Brandenburgh (Gemeente Leiden – textiel), Mikko Kriek (BCL Archaeological support / ACVU- HBS), Sophia van Lith (AAC-UvA - glas), Rob Mols (Foto/Grafisch - fotografie), Arent Pol (Geldmuseum, Utrecht – gouden tremissis), Benno Ridderhof (MBB / ACVU – digitalisering velddocumentatie), Liesbeth Smits (Smits fysische antropologie). • Belangrijk zijn ook de medewerkers van Hazenberg Archeologie zelf: Guus Besuijen (Romeins aardewerk), Simone Bloo (prehistorisch aardewerk), Tom Hazenberg (hoofdaanvrager, scriptie over Wijchen-Centrum), Stijn Heeren (projectleider, hoofdauteur), Rob Houkes (vuursteen), Geeske Langejans en Wouter Vos (projectaanvraag), Ester van der Linden (Romeins aardewerk), Michiel van Poelgeest (illustrator, opmaak), Daniël Stiller (Middeleeuws aardewerk), Joris Lanzing, Femke Hogenboom, Monica Dütting en Wouter Vos (advies en correctie manuscript), Lauren Bruning (correctie samenvatting).

• Victor Brans uit Wijchen stelde zijn foto’s van het veldwerk in 1991 ter beschikking en Peter Deurloo schreef inspirerende artikelen in De Gelderlander. Sterr eb

oswe

n

ellaa

g

Kaste

al

Za os

b rre Ste

Ma

27

rktp

25

ad

24

Markt

21

26 20

19

12

11 23 18 Promen

ade

1

17

16

6 13 15

Oo

ste

rwe

g

7

8

9

10 AH

3 4

2

5 14

0

25 m

Elck

erli

jc w eg

Figuur 1.2 Wijchen-Centrum. De locatie van de opgegraven werkputten (rode nummering) in relatie tot elementen van de huidige topografie.

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 11

11

21-5-2010 12:20:18

• Kennisondersteuning over de Merovingische periode werd gegeven door het Amsterdams Archeologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam (AAC-UvA): prof. Frans Theuws, Menno Dijkstra, Mirjam Kars, Raphaël Panhuysen, Dieuwertje Smal, Martine van Haperen, Joep Hendriks. • Archeologische Werkgemeenschap Nederland (AWN)-afdeling 16 (Nijmegen e.o.) ontdekte het grafveld in 1981 en stelde documentatie daarover beschikbaar. Wim Tuyn (Nijmegen) moet hier met name worden genoemd. Laurens Flokstra (AWN-16/RAAP) en Joep Hendriks (BAMN / AAC-UvA) deelden hun kennis over andere ontdekkingen in het centrum van Wijchen. • Tenslotte het personeel van de ROB (Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB, tegenwoordig RCE) en vrijwilligers die het grafveld in 1991, 1992 en 1996 hebben opgegraven: provinciaal archeoloog Rudi Hulst, dagelijks leider Arnold de Haan, tekenaar Gerard van Haaff, Leen de Niet (vrijwilliger), Ellen Vreenegoor, Josette Kusters, Erik van Dorland, Glenn Tak, Tom Hazenberg, Herman van Klaveren, Fedor van Kregten, Jan Bresser, Pim Verwers, Arjen Bosman, Wim Jong, fotograaf Siem Kuppens, Ronny Meijers (restauratie). • Mochten we de bijdrage van enkele personen vergeten zijn te noemen, daarvoor onze welgemeende excuses. We willen iedereen die op enige wijze heeft bijgedragen aan het werk vanWijchen-Centrum hartelijk bedanken.

1.5 Onderzoeksmethoden en afbakening Het startpunt voor de ruimtelijke analyse van de sporen is een digitale ontsluiting van de veldgegevens. Alle vlakken van alle werkputten zijn gevectoriseerd, de gegevens in een database opgeslagen en alle onderdelen zijn samengevoegd in een GIS-omgeving. Vervolgens zijn alle beschikbare vondsten geïnventariseerd. Op vier locaties (Museum het Valkhof; Museum Kasteel Wijchen; collectie GAC in Museum Kam; collectie GAC locatie BAMN) zijn alle vondsten van Wijchen-Centrum geadministreerd en bekeken. Alle metaalvondsten zijn digitaal gefotografeerd met maatbalk, gedetermineerd en beschreven in een database. Het min of meer complete aardewerk is gedetermineerd en beschreven, digitaal gefotografeerd en op papier getekend.

Figuur 1.3 WijchenCentrum. Het onderzoeksgebied na afloop van de opgraving, voordat de bouw werd gestart, gezien vanaf het grafveld naar het zuidwesten. Foto V.F. Brans, Wijchen. 12

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 12

21-5-2010 12:20:20

Figuur 1.4 WijchenCentrum. Het onderzoeksgebied na afloop van de opgraving, voordat de bouw werd gestart, gezien vanaf de huidige Markt richting het oost-noordoosten. Foto V.F. Brans, Wijchen.

De overige vondsten zijn gedetermineerd, in een database beschreven en alleen selectief getekend / gefotografeerd. De hier genoemde objectfoto’s zijn niet bewerkt en ongeschikt voor publicatie. De objectfoto’s en ensemblefoto’s uit dit rapport zijn later apart vervaardigd. De nummering van de graven is gebaseerd op de scriptie van Tom Hazenberg (zie paragraaf 3.3), aangevuld met nieuwe graven die pas werden opgemerkt bij digitalisering. Op basis van die nummering is elk graf opnieuw beschreven, waarbij vier onderdelen zijn onderscheiden. Onderdeel 1 betreft de administratieve gegevens. Onderdeel 2 is een spooranalyse die geheel gebaseerd is op de gegevens van de velddocumentatie. Onderdeel 3 beschrijft de bijgiften en losse vondsten, waarbij de bestaande vondstnummers uit de collectie worden genoemd maar vooral geordend is op een nieuw uitgedeeld bijgiftnummer en uitgegaan is van de determinatie volgens de nieuwe inventarisatie. Onderdeel 4 is een samenvatting van de onderdelen 2 en 3 waarbij geslacht en leeftijd van de overledene worden genoemd evenals de data waarop dat is gebaseerd. Figuren: metaal is veelal op basis van de objectfoto’s getekend (digitaal overgetrokken). Het tekenen gebeurde op basis van loodrechtfoto’s, waarbij maatregelen zijn genomen om vertekening te corrigeren (maatbalken in twee richtingen).

Aardewerk is eerst 1:1 op papier getekend en pas daarna digitaal overgetrokken. Afbakening Het ontsluiten van de opgraving Wijchen-Centrum door middel van een catalogus was een van de belangrijkste doelen in de projectaanvraag. Dat heeft tot gevolg dat de literatuurstudie bij de rapportage van de diverse vondstcategorieën beperkt is gebleven tot een basisniveau. Meestal wordt wel verwezen naar enkele basiswerken, maar heeft geen aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar analyse en achtergronden van het materiaal en parallellen voor alle typen objecten. Op het gebied van de vergelijking van de Wijchense vondsten met andere grafvelden is dan ook nog veel werk te verzetten. Een ander onderzoek voor de toekomst is de conservering en restauratie van de objecten, evenals röntgenfotografie en onderzoek naar de samenstelling van objecten (zie ook paragraaf 5.1). Tenslotte is de 14C-datering van de crematiegraven (de laat-Romeinse crematiegraven en het ene graf van waarschijnlijk Neolithische datering) een onderzoek dat nog niet ter hand is genomen en in de toekomst nieuwe gegevens kan opleveren.

13

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 13

21-5-2010 12:20:25

1.6 Opbouw van deze studie De achttien hoofdstukken van dit boek kunnen in vijf delen worden ingedeeld. Samen met hoofdstuk 2 (de vindplaats) en 3 (geschiedenis van het onderzoek) vormt deze inleiding de inkadering (deel I) van het project Wijchen-Centrum. Deel II is gewijd aan de vondsten van de opgraving, die beschreven worden in de hoofdstukken 4 tot en met 11 (botmateriaal, metaal, aardewerk, glas, kralen, textiel, vuursteen, overig). Deel III omvat de sporen en structuren, beschreven in hoofdstukken 12 (sporen en structuren) en 13 (chronologie). Hoofdstuk 14 is de synthese aangaande het Merovingische grafritueel en vormt deel IV, tezamen met een Engelse samenvatting (15). Het laatste deel V tenslotte wordt gevormd door de hoofdstukken 16 (catalogus) waarin alle graven individueel zijn beschreven en afgebeeld, 17 (literatuur) en 18 (bijlagen). Illustraties zonder bronvermelding zijn vervaardigd door S. Heeren.

14

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 14

21-5-2010 12:20:25

2 De vindplaats In de directe omgeving van Wijchen-Centrum zijn meer archeologische opgravingen en waarnemingen gedaan dan alleen het grafveld van deze publicatie. Vindplaatsen uit alle perioden van het Neolithicum tot in de Nieuwe tijd zijn bij de andere onderzoeken aangetroffen. Om de resultaten van de opgravingen van dit grafveld in hun landschappelijke en historische kader te kunnen plaatsen, wordt hier een kort overzicht gegeven van de ondergrond (paragraaf 2.1) en andere vindplaatsen in het centrum van Wijchen die gelijktijdig kunnen zijn met Wijchen-Centrum (paragraaf 2.2). 2.1 Wijchen-Centrum: bewoning op rivierduinen De geologie en geomorfologie van de Wijchense ondergrond is recentelijk afdoende beschreven,1 zodat alleen de belangrijkste fenomenen op deze plaats kort geschetst worden. Het landschap in en om Wijchen is eeuwenlang sterk bepaald door de loop van de Maas. In de tijd voordat dat de loop van de rivieren werd vastgelegd door de aanleg van dijken, konden rivieren zich vrij door het landschap bewegen. Door het natuurlijk meanderen verlegden de rivieren regelmatig hun loop. Daar waar de rivier stroomde werd veel zand en grind afgezet, en wanneer een rivier daarna zijn loop verlegde, bleven de zandlichamen achter als hoge ruggen.

Op de plaats waar nu Wijchen ligt, werden zogenoemde rivierduinen gevormd, doordat de voorloper van de Maas zich naar het zuiden bleef verplaatsen. Het Wijchens Maasje is een voormalige Maasarm die tot ca. 1000 voor Chr. actief stroomde. De hoofdstroom verplaatste zich verder zuidwaarts, maar de restgeul van het Wijchens Maasje moet nog lang open hebben gelegen, aangezien de vindplaats Wijchens Meer, ter plaatse van de oude Maasarm, talloze vondsten uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen heeft opgeleverd. De hoge rivierduinen, voornamelijk bestaande uit zand, waren een aantrekkelijke woonplaats. Het centrum van Wijchen heeft bewoningssporen uit allerlei perioden opgeleverd, reeds beginnend in de Steentijd. Diverse archeologische niveau’s zijn met zandlagen van elkaar gescheiden. Door invloed van de wind zijn de bovenste lagen van het zand regelmatig verplaatst – er is sprake van zich verplaatsende stuifduinen. Door deze verplaatsing is in Wijchen sprake van soms aanzienlijke hoogteverschillen. Het Wijchens Meer ligt enkele meters lager dan de Oostflank en de Markt, wat de hoogste delen van het centrum van Wijchen zijn. Het westelijk deel van het grafveld Wijchen-Centrum ligt hoog op deze heuvel, het oostelijk deel ligt op de flank, richting de relatieve laagte waarin het huidige Kasteel van Wijchen ligt.

2.2 Romeinse en vroegmiddeleeuwse vindplaatsen in Wijchen In de Romeinse tijd hing de ontwikkeling van Wijchen nauw samen met die van Nijmegen, de belangrijkste handelspost, legerkamp en stedelijke nederzetting in Romeins Nederland. Wijchen was een zogenoemde vicus, nederzetting met centrumfuncties, en de eerste rustplaats buiten Nijmegen op de weg naar het westen. Uit de vroeg-Romeinse tijd, toen Nijmegen weliswaar de facto centrum van de regio was maar nog geen formele juridische status had, kennen we ook in Wijchen niet erg veel vindplaatsen. Maar vanaf het einde van de 1ste eeuw, toen in Nijmegen-West de stad Ulpia Noviomagus in aanbouw was en waarschijnlijk van keizer Trajanus rond 100 na Chr. marktrechten verkreeg, is ook in Wijchen toegenomen activiteit te zien. Het aantal plaatsen met sporen uit de midden-Romeinse periode nam sterk toe ten opzichte van de vroeg-Romeinse vindplaatsen. Niet alleen bevatten de 1

Hendriks & Magnée-Nentjes 2008, 19-26, met verwijzingen naar Heunks 2002, Berendsen 2004 en Berendsen & Stouthamer 2001. 15

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 15

21-5-2010 12:20:25

178.000

179.000 7

8 K

6 2 5

1 3

9

4

424.000

10

nederzetting / losse vondst Vroege Middeleeuwen

grafveld Vroege Middeleeuwen

nederzetting / losse vondst laat Romeinse tijd

grafveld laat - Romeinse tijd

nr

toponiem

1

Wijchen-Centrum

2

MROM

Figuur 2.1 De locatie van archeologische vindplaatsen en waarnemingen in het centrum van Wijchen. De vindplaatsnummers corresponderen met tabel 2.1.

LROM

VME

grafveld

grafveld

literatuur (dit rapport)

Sterrenbosweg-Markt

nederzetting

(BAMN) mededeling L. Flokstra

3

Dorsvlegel

(vondst)

Jaarverslag AWN-16, 1994

4

Wijchens Meer

(vondst)

(vondst)

(vondst)

Willems 1981, 119 (cat. 316)

5

Tienakker

nederzetting

nederzetting

nederzetting

Van Enckevort & Heirbaut 2007

6

Westflank / Herenstraat

nederzetting

(vondst)

nederzetting

Van Enckevort & Wildenberg 2009; Diepeveen & Van Enckevort 2008 BAAC project A-09.0061

7

Kraanvogel

8

Molenberg

grafveld

9

Oosterweg / Mr. van Coothlaan

nederzetting

10

Esdoornstraat

nederzetting

Heirbaut, Hendriks & Hermsen 2010. Hendriks & Magnée-Nentjes 2008

nederzetting

waarneming L. Flokstra

grafveld

Nicolay 2008, site 285

Tabel 2.1 Opgravingen en waarnemingen in het centrum van Wijchen.

nederzettingslocaties aanwijzingen voor bewoning op meer plaatsen dan voorheen, ook wijst een groeiend aantal begravingen en begraafplaatsen op een toegenomen bevolkingsomvang. Het grafveld op de Molenberg (Baron d’Osystraat) was voornamelijk vanaf ca. 90/100 na Chr. in gebruik2 en het grafveld aan de Holenbergseweg kende ook vooral 2de en 3de-eeuwse graven, net als een aantal andere grafvelden.3 In de tweede helft van de 3de eeuw zorgden diverse burgeroorlogen en barbareninvallen voor grote problemen in het hele westen van het Romeinse rijk. Ook het Nederlandse rivierengebied ontkwam 2 3

Hendriks & Magnée-Nentjes 2008. Haalebos, Willems & Giebels 1976. 16

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 16

21-5-2010 12:20:25

niet aan de problemen en veel nederzettingen en grafvelden hielden op te bestaan of namen sterk in grootte af.4 In de 4de eeuw volgde een voorzichtig herstel. In Nijmegen bestond op het Valkhof een omgrachte nederzetting met een militaire versterking. Daarnaast waren meerdere grote grafvelden in deze periode in gebruik, wat op een niet onaanzienlijke bevolking wijst.5 Op het platteland zijn er over het algemeen veel minder aanwijzingen voor bewoning in de 4de eeuw, maar Wijchen vormt hierop een belangrijke uitzondering. In het centrum van Wijchen zijn zeker vier locaties met laat-Romeinse graven en bewoningssporen gevonden (fig. 2.1; tabel 2.1). Op de Tienakker in Wijchen zijn naast oudere resten ook sporen van een 4de-eeuws stenen gebouw gevonden. Vondsten uit dezelfde periode uit het Wijchens Meer hangen waarschijnlijk met deze bewoning samen.6 Op de Westflank in Wijchen zijn eveneens laat-Romeinse vondsten gedaan, onder andere een zogenoemde Wijsternaald (vrouwensieraad).7 Op het uitgestrekte grafveld aan de Esdoornstraat zijn diverse complete gordelsets uit de late 4de/vroege 5de eeuw geborgen, afkomstig van soldaten of veteranen.8 Buiten de kaart is verder nog het grafveld op de Galgenberg te noemen, op ca.

1 km naar het noordwesten gelegen, waar ook een laat 4de-eeuws/vroeg 5de-eeuws graf is geborgen.9 Nog talrijker dan de laat-Romeinse resten zijn de vindplaatsen uit de Vroege Middeleeuwen. Tussen de Markt en de Sterrebosweg zijn opgravingen uitgevoerd, waarbij een gebouw uit de Vroege Middeleeuwen werd herkend.10 Iets ten zuiden van de Markt werd een kostbaar zwaardschedebeslag uit de vroege 6de eeuw gevonden, dat mogelijk op bewoning of begravingen uit deze periode wijst.11 Op de Tienakker en in het Wijchens Meer, hierboven reeds ter sprake gekomen, zijn ook veel vondsten uit de Vroege Middeleeuwen geborgen. Op de zogenoemde Westflank zijn bij diverse waarnemingen veel sporen waargenomen, die behalve een vroegmiddeleeuwse nederzetting mogelijk ook op een pottenbakkerswerkplaats wijzen.12 Op het terrein aan de Kraanvogel net ten noorden van het spoor is ook een belangrijke nederzetting uit deze periode gelegen.13 Tenslotte moet nog WijchenOostflank worden genoemd, het terrein tussen de Oosterweg en de Mr. van Coothlaan, waar bij sloopwerkzaamheden Romeinse en vroegmiddeleeuwse bewoningssporen werden waargenomen.14 Centraal tussen deze vindplaatsen ligt het grafveld Wijchen-Centrum, waar een klein aantal laatRomeinse graven en meer dan 300 graven van Merovingische datering zijn aangetroffen. Dat grafveld is het belangrijkste onderwerp van dit boek.

4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

Heeren 2009, 229-230. Van Enckevort & Thijssen 2005a; 2005b. Van Enckevort & Heirbaut 2007. Veldwerk BAAC (nog geen rapport). Haalebos, Willems & Giebels 1976; Nicolay 2008, site 285. Teubner & Tuyn 2009. Veldwerk BAMN / waarneming L. Flokstra. Jaarverslag AWN-afdeling 16 (Nijmegen e.o.) 1994. Van Enckevort & Wildenberg 2009. Heirbaut, Hendriks & Hermsen 2010. Mondelinge mededeling L. Flokstra. 17

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 17

21-5-2010 12:20:25

18

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 18

21-5-2010 12:20:25

3 Geschiedenis van het onderzoek Sinds 1981 is bekend dat er een Merovingisch grafveld aanwezig was in de ondergrond van het centrum van Wijchen. Het grafveld werd grotendeels opgegraven in de jaren 1991, 1992 en 1996. Ook later werden nog relevante waarnemingen gedaan, maar helaas waren die het resultaat van redelijk grote bodemverstoringen. In dit hoofdstuk wordt het verloop van het onderzoek naar de vindplaats Wijchen-Centrum beschreven. 3.1 Waarnemingen en proefputten Toen Zaal Sterrebos aan de Sterrebosweg in maart 1981 een uitbreiding realiseerde, werden bij de graafwerkzaamheden diverse begravingen van Merovingische datering aangesneden.15 De vondsten die bij de begravingen hoorden, werden op de storthopen losse grond gevonden en

25 m

0

s

bo

rre Ste

b rre Ste

Ma

os

rktp

81

19

ad

Markt

D 2000

AWN 1991

b bouwput parkeergarage 1992

Elc

ke rli

jcw eg

a

Oo

ste

rwe

g

kerk

grens opgegraven werkput

begravingen

Figuur 3.1 Wijchen-Centrum. De opgegraven delen van het grafveld en waarnemingen (zie jaartallen) eromheen. 15

Tuyn 1981. 19

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 19

21-5-2010 12:20:28

meegenomen. Later raakten deze vondsten verspreid over diverse privécollecties, maar leden van AWN-afdeling 16 (Nijmegen e.o.) en medewerkers van het lokale museum (Oudheidkamer Frans Bloemen, tegenwoordig Museum Kasteel Wijchen) hebben de objecten en hun samenhang kunnen inventariseren.16 De documentatie betreffende de vondsten en de locatie van het grafveld zijn toegezonden aan de provinciaal archeoloog van Gelderland bij de ROB (tegenwoordig RCE) R.S. Hulst. Toen de gemeente Wijchen in 1990 grootschalige nieuwbouw in het centrum plande en de ROB hiervan op de hoogte stelde, richtte Hulst een verzoek aan AWN-afdeling 16 om een proefonderzoek te doen naar de conservering en uitgestrektheid van het grafveld. In het voorjaar van 1991 is daaraan gehoor gegeven en heeft AWN-16 twee proefputten gegraven. De eerste proefput (fig. 3.1, AWN 1991 locatie a) leverde onverwacht geen Merovingische graven op maar wel een vondstlaag met vondsten uit het Neolithicum (Vlaardingen-cultuur). Van een van de potten kon een compleet profiel worden getekend. Bij de tweede proefput (fig. 3.1 AWN 1991 locatie b) was het raak: meerdere intacte begravingen uit de 6de eeuw werden aangesneden alsmede losse vondsten uit de 5de tot de 7de eeuw.

Door het karteren van de locatie van de proefput uit 1991 en de waarnemingen van 1981 kon worden afgeleid dat het grafveld enige honderden begravingen moet hebben omvat. Terecht werd opgemerkt dat het hiermee om een van de grootste Merovingische grafvelden van Nederland ging.17

Figuur 3.2 WijchenCentrum. Het profiel van werkput 4 tijdens de opgraving in 1991 (ZWputwand). Foto V.F. Brans, Wijchen.

3.2 De ROB-opgravingen18 De AWN-waarnemingen hadden de ernst van de voorgenomen verstoringen voldoende aangetoond en de ROB ging over tot een opgraving. Onder verantwoordelijkheid van provinciaal archeoloog R. Hulst werd de opgraving uitgevoerd onder dagelijkse leiding van Arnold de Haan en tekenaar Gerard van Haaff. Van 7 augustus tot en met 13 december 1991 werden de werkputten 1 tot en met 21 opgegraven (zie fig. 1.2). In de eerste werkput werden onder de verbazend dikke bouwvoor (een esdek van 1,20 tot 1,40 m dik; zie fig. 3.2) enkele crematiegraven geborgen op het hoogste vlak onder de bouwvoor en trof men 16 17 18

Documentatie AWN, ter beschikking gesteld door Wim Tuyn. Tuyn 1991. Deze paragraaf is gebaseerd op dagrapporten, dagstaten en veldtekeningen uit 1991 (archief RCE). 20

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 20

21-5-2010 12:20:34

Figuur 3.3 WijchenCentrum. Het eerste vlak van werkput 1 tijdens de opgraving in 1991 (zicht NWZO). Foto V.F. Brans, Wijchen.

verder veel middeleeuwse kuilen en greppels aan (fig. 3.3 en 3.4). Men ging voorzichtig naar beneden in vier vlakken plus enkele ‘subvlakken’, lokale verdiepingen met aanvullend stukje vlaktekening zonder dat een nieuw vlaknummer werd benoemd. Van het tweede tot het vierde vlak werden dertig graven aangetroffen. Men verdiepte het vlak met de graafmachine totdat de eerste bijgiften van de graven werden ontdekt (fig. 3.5). Die werden vervolgens met de hand vrijgelegd, waarna de vlaktekening op schaal 1:20 werd aangevuld. De complete vondsten werden individueel verzameld en geadministreerd. Losse scherven (en niet opgemerkte kleine bijgiften) werden per grafkuil samen in één vondstnummer verzameld. In werkput 2 werden alleen kuilen uit de Volle en Late Middeleeuwen aangetroffen, zodat men direct de zuidoostelijke begrenzing van het grafveld had gelokaliseerd. In de werkputten 3 tot en met 11 werden minder vlakken aangelegd, meestal twee, soms drie: het eerste vlak onder de dikke bouwvoor

Figuur 3.4 WijchenCentrum. Werkput 2 tijdens de opgraving in 1991 (zicht NWZO). Foto V.F. Brans, Wijchen. 21

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 21

21-5-2010 12:20:47

Figuur 3.5 WijchenCentrum. Het tweede vlak van werkput 3 tijdens de opgraving in 1991 (zicht NW-ZO). Foto V.F. Brans, Wijchen.

waarmee de kuilen uit de Volle en Late Middeleeuwen in beeld kwamen, en het tweede vlak op het niveau van de Merovingische graven. In werkput 12 werd de oostelijke hoek van het grafveld bereikt en daarmee was de hele zuidoostzijde bekend en onderzocht. De werkputten 13 tot en met 18 lagen aan de zuidwestzijde van het grafveld (fig. 1.2). Hier werden op het eerste vlak meer resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd aangetroffen dan elders, en bovendien was er sprake van stratigrafisch gescheiden niveau’s met graven waarbij het kleine aantal jongste graven (laat 6de- en vroege 7de-eeuw) door een laag stuifzand gescheiden waren van de meer talrijke graven uit de late 5de en vroege 6de eeuw. De zuidwestgrens van het grafveld was bereikt, maar of de westhoek ook gevonden was of dat deze door oversnijdingen aan het oog onttrokken werd, kon niet worden vastgesteld. Alleen aan de noordzijde was nu nog terrein voor onderzoek beschikbaar. De werkputten 19, 20 en 21 besloegen dit gebied. Hier bevonden zich vooral jongere graven uit de latere 6de en vroege 7de eeuw. Een begrenzing kon hier niet worden vastgesteld maar tot teleurstelling van de veldploeg moest het onderzoek worden gestaakt omdat er geen percelen meer voor onderzoek beschikbaar waren. In totaal waren na ruim vijf maanden veldwerk (veel langer dan oorspronkelijk gedacht) bijna 290 graven geborgen.

Interessant is een berekening die in de ROB documentatie werd aangetroffen. De som van de onkosten (huur graafmachine) en betaalde werkuren bedraagt fl. 77.553,71, wat neerkomt op fl. 267,43 per graf (€ 121,40). In totaal gaat het om 1043 betaalde en 112 onbetaalde werkuren. Omgerekend zijn dus iets minder dan vier werkuren per graf besteed. Tegenwoordig zou een veelvoud van de genoemde bedragen nodig zijn om een Merovingisch grafveld goed te documenteren. In 1992 werd toegang verkregen tot enkele nog niet onderzochte percelen. Deze uitbreiding werd georganiseerd door Herman van Klaveren (plaatsvervangend provinciaal archeoloog) en uitgevoerd door Fedor van Kregten en Tom Hazenberg. In enkele werkdagen tussen 16 juni en 7 juli werden de werkputten 22, 23 en 24 (fig. 1.2) aangelegd en opgegraven, waarin kleine uitbreidingen werden gerealiseerd. Werkput 22 werd uiteindelijk niet gedocumenteerd omdat deze geheel bleek te overlappen met een oude werkput. Eind oktober en half november is vervolgens in de werkputten 25 en 26 nieuw te onderzoeken oppervlak blootgelegd. Men dacht in eerste instantie de noordgrens van het grafveld te hebben blootgelegd, maar een graf in de meest noordelijke putwand bewees het tegendeel. De wens om zoveel mogelijk graven bloot te leggen, leidde soms tot onveilige situaties.

Op de tekening van werkput 25 is te zien hoe men enkele graven half onder de fundamenten van het pand Zaal Sterrebos (gebouwd in 1981) heeft uitgehaald. Zo werden ook andere fundamenten ondergraven. Op 18 november 1992 werd in het dagrapport genoteerd: “Bij instorten perceelsmuur tussen Hormers (naam onduidelijk) en Sengers [de scheiding tussen Kasteellaan 10 en 12, SH] ternauwernood het 22

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 22

21-5-2010 12:20:53

Figuur 3.6 WijchenCentrum. Het couperen van de grafkuilen in werkput 1 tijdens de opgraving in 1991 (zicht ZO-NW). Foto V.F. Brans, Wijchen.

vege lijf kunnen redden (kuiten gekneusd)”. Eveneens vermeldenswaard is de discussie die in 1992 na afloop van de opgraving is ontstaan over het eigendomsrecht van de vondsten. In Museum Kasteel Wijchen werden enkele rijke grafinventarissen geëxposeerd en De Gelderlander gaf ruchtbaarheid aan de mooie vondsten. Dit was voor een van de eigenaren van de in 1992 onderzochte percelen aanleiding om de daar gedane vondsten de claimen. De opgravingsdossiers bevatten een briefwisseling, waarbij de eigenaar via een advocatenkantoor het eigendom van de vondsten opeist. De claim werd opgegeven nadat de eisers werden uitgenodigd voor een gesprek op de ROB in Amersfoort, waar hen te verstaan is gegeven dat indien zij de vondsten zouden opeisen, zij op hun beurt aansprakelijk werden gesteld voor de kosten die de ROB gemaakt had om de objecten op te graven. Later in 1992 werd ten zuiden en zuidoosten van het grafveld een parkeergarage gerealiseerd. De bouwput overlapte deels met het opgegraven areaal (fig. 3.1). Aan de Oosterweg werden in deze bouwput maar liefst 24 water- en beerputten waargenomen door AWN-leden. Enkele waterputten bevatten Karolingisch materiaal (8ste-9de eeuw), de meeste dateerden echter uit de Late Middeleeuwen (13de-14de eeuw) en waren dus veel jonger dan het grafveld.19 In 1996 kwam nog een perceel beschikbaar (fig.

3.7) en werd het onderzoek voortgezet van 16 oktober tot 8 november. Het veldteam bestond uit Glenn Tak en Arjen Bosman met regelmatig bezoek door Pim Verwers. Eén werkput, nr. 27, werd opgegraven in maar liefst vijf vlakken en enkele detailtekeningen. Dit detailniveau werd gehanteerd omdat men feitelijk de noordgrens van het grafveld had gevonden maar een mogelijk graf daarbuiten goed wilde onderzoeken (fig. 3.8). Het bleek niet om een graf maar om een vol-/laatmiddeleeuwse kuil te gaan, zodat de noordgrens definitief kon worden vastgesteld. 3.3 Eerste uitwerking Conservering De opgraving leverde een grote hoeveelheid vondstmateriaal op, dat in veel gevallen in slechte staat verkeerde. Gouden hangers en een bergkristallen gesp leverden geen problemen op en ook glazen stortbekers konden na een schoonmaakbeurt van Jaap Kottman snel naar het museum. Maar zorgwekkend waren de uiterst kwetsbare ijzeren voorwerpen. Reeds tijdens de opgraving van 1991 begon de afdeling restauratie van de ROB onder leiding van Ronny Meijers aan de conservering 19

Tuyn 1992. 23

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 23

21-5-2010 12:21:00

Figuur 3.7 Wijchen-Centrum. Het onderzoek van werkput 27 in 1996. Links de locatie tussen bestaande bebouwing, rechts een blik op het sporenvlak. Deze foto’s geven goed weer hoe men probeerde alle voor onderzoek beschikbare percelen op te graven. Archief RCE.

Figuur 3.8 WijchenCentrum. Het onderzoek van werkput 27 in 1996. Op de voorgrond links ligt graf 301 met een recente oversnijding en verder zijn alleen vol-/ laatmiddeleeuwse kuilen aanwezig. Archief RCE. 24

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 24

21-5-2010 12:21:02

van dit materiaal. Ten behoeve van de restauratie is een groot aantal ijzeren voorwerpen, sommige alleen te beschrijven als roestbrokken, bekeken en gefotografeerd middels het röntgen-apparaat waar het ROB-laboratorium mee was uitgerust. Vele stagiairs kregen de gelegenheid om onder begeleiding van Josette Kusters aan het Wijchense materiaal te werken. Onder dezen bevond zich ook Tom Hazenberg, die de basale beschrijving en de invoer van de gegevens van het vondstmateriaal in een dBase III+-database realiseerde. Het hoofddoel echter, stabilisering van het ijzer, bleek een moeilijke zaak. Het ijzer zelf was in slechte staat en er waren medio jaren ’90 nog geen goede methoden voorhanden om ijzer afdoende te stabiliseren. Veel behandelde stukken zijn reeds Figuur 3.9 De scriptie van Tom Hazenberg uit 1993. enkele jaren later, rond de eeuwwisseling, opnieuw ter hand genomen, maar een blijvend effect hebben deze behandelingen niet gehad. Bij het huidige onderzoek werd veel materiaal gefragmenteerd teruggevonden. In de inleiding van hoofdstuk 5 (metaal) wordt ingegaan op de gevolgen van de staat van het materiaal voor het huidige onderzoek. Uitwerking Al na de campagne van 1992 werd de uitwerking ter hand genomen door Tom Hazenberg in het kader van zijn doctoraalscriptie aan de Universiteit Leiden (fig.

3.9).20 Het doel van de scriptie was om door middel van spooranalyse (oversnijdingen, oriëntatie, vormovereenkomsten) tot een fasering van het grafveld te komen (fig 3.10). Goed dateerbare vondsten konden wel een rol spelen in de analyse, maar werden nadrukkelijk niet tot hoofddoel van de scriptie gemaakt, omdat een beschrijving en analyse van de honderden vondsten duidelijk het tijdsbestek van een doctoraalscriptie te buiten gingen. De grafanalyse van Hazenberg (de nummering, de lijsten met spoor/vondstnummers en oversnijdingen) hoefde voor deze publicatie slechts op detail te worden bijgewerkt en vormt de basis voor de huidige catalogus (hoofdstuk 16).

Figuur 3.10 Oriëntatie van de graven van WijchenCentrum (naar Hazenberg 1993).

20

Hazenberg 1993. 25

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 25

21-5-2010 12:21:03

3.4 Waarnemingen bij bouwactiviteiten In de zomer van 2000 werden voorbereidingen getroffen voor werkzaamheden centraal op het nog niet opgegraven gedeelte van het grafveld. Het betrof uitbreiding van fietsenzaak Driessen. De archeologie kwam ook ter sprake en er werd afgesproken dat er niet dieper dan 60 cm zou worden gegraven. Bij de bouw bleek echter dat ook een damwand moest worden verwijderd, wat bij het overleg niet ter sprake was gekomen. Het uitgraven van die wand leidde uiteindelijk tot een verstoring van 20 m lang en 3 m breed met een geschatte diepte van 2,5 m, zonder dat er archeologen aanwezig waren. Amateurarcheologen hebben later vondsten verzameld en op basis van vondstspreidingen geschat dat er enkele tientallen graven aanwezig geweest moeten zijn.21 Op figuur 3.1 is de damwand aangegeven; de letter D staat aan de zijde waar de graven zijn waargenomen. Deze locatie is van belang om de begrenzing van de graven bij benadering in kaart te brengen. In 2005 is de Markt in Wijchen heringericht, voorafgegaan door een archeologisch proefsleuvenonderzoek door de gemeente Nijmegen (BAMN).

Enkele sporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kwamen aan het licht, die echter niet van dermate groot belang waren om een vervolgonderzoek van grotere omvang in te stellen.22 Het belang van het beperkte onderzoek op de Markt voor deze studie is echter groot, omdat kon worden vastgesteld dat het grafveld zich niet tot op de Markt uitstrekte.

21 22

Flokstra 2000. Diepenveen 2009. 26

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 26

21-5-2010 12:21:03

DEEL II

VONDSTEN

27

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 27

21-5-2010 12:21:03

28

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 28

21-5-2010 12:21:03

4 Menselijk en dierlijk botmateriaal Liesbeth Smits

Ook al zijn in Wijchen-Centrum 309 graven aangetroffen van personen die waarschijnlijk allemaal gestrekt op de rug en onverbrand zijn begraven (inhumatie), is er nauwelijks onverbrand menselijk skeletmateriaal teruggevonden. Dat komt doordat de bodemcondities voor de conservering van botmateriaal in Wijchen ongunstig zijn. Door de hoge zuurgraad van de zandgronden zijn vrijwel alle skeletdelen verdwenen. In enkele gevallen is wel een verkleuring waargenomen (lijksilhouet – zie paragraaf 12.1.2). Twee onverbrande botdelen (twee graven) en resten van tandglazuur, die in vijftien graven zijn aangetroffen, zijn het enige resterende menselijke materiaal van de inhumatiegraven. Veel talrijker is het verbrande botmateriaal. Behalve inhumatiegraven zijn er in Wijchen-Centrum ook 36 crematiegraven (deels) intact aangetroffen. Omdat er bovendien meer dan 150 vondstnummers met verbrand botmateriaal uit kuilen, greppels en inhumatiegrafkuilen zijn geborgen, wordt vermoed dat er nog veel meer crematiegraven aanwezig waren, die later verspit zijn bij de aanleg van de graven, kuilen en greppels. In dit hoofdstuk worden de leeftijds- en geslachtsbepalingen van het aangetroffen menselijk botmateriaal gepresenteerd.

In de bijlage (hoofdstuk 18) zijn alle fysisch-antropologische details van het materiaal opgenomen, terwijl in de catalogus (hoofdstuk 16) een samenvatting van de gegevens is genoteerd. Een demografische analyse van de gegevens volgt in de synthese (hoofdstuk 14). Dit hoofdstuk heeft drie delen. Paragraaf 1 presenteert de gegevens van de inhumatiegraven. Paragraaf 2 omvat de determinatie van de intacte crematiegraven en bespreekt kort de verspreide crematieresten. In paragraaf 3 volgt tenslotte het dierlijk botmateriaal, dat bij de opgraving niet als zodanig herkend maar pas bij de fysisch-antropologische analyse aan het licht is gekomen.

4.1 Onverbrande menselijke resten Van twee graven is onverbrand botmateriaal voorhanden (tabel 4.1): graf 255 en graf 16 (fig. 4.1). Van vijftien graven zijn kieskapsels (glazuurbedekking van de tanden) aangetroffen (tabel 4.2). Vanwege het ontbreken van de wortels van de tanden en kiezen, alsmede door fragmentatie en aangehechte concreties (zand en andere verontreiniging) konden niet alle kieskapsels of de restanten ervan gedetermineerd worden. Een vermeldenswaardige vondst is een kunsttand van barnsteen (fig. 4.2). Gezien de snijvlakken die op de barnsteen zijn aangebracht, is deze oorspronkelijk als kraal bedoelde barnsteen later hergebruikt als kies. identificatie graf/vondst graf 16 V10.083 graf 255 V21.088

geslacht/leeftijd

omschrijving en determinatie

Graciel: mogelijk onvolwassen of vrouwelijk individu Vrouw? Leeftijd: waarschijnlijk volwassen

Diafyse fragment van femur en tibia. Beide zijn graciel met anterior-posterior diameter femur van 23,01 mm. Linker temporale, processus mastoideus eerder vrouwelijk, crista supra mastoidea eerder vrouwelijk, robuustheid waarschijnlijk volwassen individu

Tabel 4.1 Wijchen-Centrum. De gegevens van de onverbrande menselijke skeletdelen.

Figuur 4.1 Wijchen-Centrum. Graf 16 in werkput 1, met deels bewaard onverbrand bot van de benen. Veldfoto 3, archief RCE.

29

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 29

21-5-2010 12:21:04

identificatie geslacht/leeftijd omschrijving en determinatie graf/vondst/spoor graf 17/V1.086 17-25 jaar 2x M3, 2x M2, 1 xM1: attritie 2 graf 34/V3.131

25-35

graf 52/V3.161

Vrouw?? 17-35 jr 2.1/2.8/2.7/1.7/2.4/2.5: attritie weinig

2 premolaren en 2 molaren met attritie 3+

graf 65/V4.073

>1 jaar

kronen definitief gebit

graf 67/V7.007

7-25 jaar

kronen definitief gebit, geen attritie

graf 104/V8.085

17-25

molaar met weinig attritie

graf 123/V9.141

fragmenten niet te determineren

graf 141/V9.091

fragmenten niet te determineren

graf 146a/V10.110

fragmenten niet te determineren

graf 146b/V10.118

concreties niet te determineren

graf 149/V10.051

concreties niet te determineren

graf 160/V10.087

fragmenten niet te determineren

graf 230/V20.015

17-25 jaar

4x molaar, 1x premolaar: attritie 2-3

graf 235/V20.041

17-25 jaar

3x premolaar, 8 x molaar : attritie 1 tot 2

graf 265/V25.030

-

fragmenten niet te determineren

Tabel 4.2 Wijchen-Centrum. De gegevens van de tandglazuurkapsels.

Figuur 4.2 Wijchen-Centrum. De tandkapsels van graf 67, met in het midden een barnstenen kraal die dienst heeft gedaan als kunsttand.

4.2 Verbrande menselijke resten: de crematiegraven 4.2.1 Inleiding Bij gecremeerd botmateriaal is de samenstelling van het bot veranderd. De organische bestanddelen zijn door de hoge temperaturen verdwenen en alleen het anorganische gedeelte, voornamelijk bestaand uit hydroxyapatiet, blijft over. De kristalstructuur van dit mineraal verandert eveneens. Verbrand botmateriaal heeft te lijden gehad van fragmentatie, vervorming, krimp en breuk, waardoor de determinatie bemoeilijkt kan worden. Wanneer er echter genoeg botfragmenten van een redelijke grootte zijn overgebleven, is het in het algemeen wel mogelijk om een leeftijdsschatting, een geslachtsdiagnose en een minimum aantal individuen te bepalen. Het onderzoek naar crematieresten omvat de beschrijving van de crematieresten zelf (verbranding en fragmentatie) en de beschrijving van de fysisch antropologische eigenschappen, zoals de determinatie van de botfragmenten, leeftijd, geslacht, lichaamslengte, minimum aantal individuen en pathologische botveranderingen. 4.2.2 Methode: beschrijving van de crematieresten Fragmentatiegraad De fragmentatiegraad van crematieresten is afhankelijk van verschillende depositionele en postdepositionele processen (o.a. wel of niet bewaren in een urn, blussen). Niet afgekoelde crematieresten zijn erg breekbaar.

Handelingen als blussen of verzamelen van deze resten zorgen ervoor dat de fragmenten kleiner worden. Er worden verscheidene stadia van fragmentatie onderscheiden: Fase

Omschrijving

Fragmentgrootte (cm)

1 2 3 4 5

zeer klein klein middel groot zeer groot

< 1.5 1.6-2.5 2.5-3.5 3.6-4.5 >4.6 30

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 30

21-5-2010 12:21:06

Verbrandingsgraad De verbrandingsgraad kan men o.a. bepalen aan de kleur- en krimpscheur-patronen van het verbrande bot. Deze kleur is afhankelijk van de duur en de temperatuur van de verbranding. Er worden verschillende fasen onderscheiden:23 Kleur

Verbrandingsgraad

Temperatuur oC

lichtbruin

0=onverbrand

-

donkerbruin

1=zeer slecht verbrand

<275

zwart

2=slecht verbrand

275-450

grijs

3=middelmatig verbrand

450-650

krijtwit

4=goed verbrand

650-800

oudwit

5=zeer goed verbrand

>800

4.2.3 Methode: beschrijving van de fysisch antropologische eigenschappen Determinatie Bij het determineren van crematieresten worden vooral de fractie van 10 mm en groter bekeken. Botstukjes kleiner dan 10 mm kunnen zelden gedetermineerd worden.24 Deze kleine fractie wordt wel nagekeken op fragmenten die van belang kunnen zijn voor de leeftijds- en geslachtsbepaling of het minimum aantal individuen (MAI). De crematieresten worden bij voorkeur gezeefd over een 1 mm zeef omdat dan de grootste kans bestaat dat de allerkleinste botjes, n.l. de gehoorbotjes die van belang kunnen zijn bij het bepalen van het MAI, bewaard blijven. Bij de inventarisatie worden de botfragmenten in de volgende skeletregio’s onderverdeeld: Skeletdeel

Omschrijving skeletdelen

neurocranium

hersenschedel

viscerocranium

aangezichtsschedel

axiaal

schouder wervels ribben bekken heiligbeen sleutelbeen

diafysen extremiteiten

schachtfragmenten armen benen

epifysen extremiteiten

gewrichtsuiteinden armen en benen

Binnen deze skeletregio’s zijn de individuele botstukken gedetermineerd (b.v. dijbeen, spaakbeen). Wanneer bij deze determinatie bepaalde beenderen ontbreken, hoeft dat nog niet te betekenen dat deze daadwerkelijk niet aanwezig zijn. De mogelijkheid bestaat dat de fragmenten te klein zijn om te herkennen. Geslachtsbepaling De geslachtsbepaling wordt uitgevoerd volgens de normen van de Arbeitsgruppe Europäischer Anthropologen (1979) en is gebaseerd op diverse onderdelen van het skelet, met name delen van de schedel en het bekken, die in vorm en grootte verschillen bij de geslachten. Wanneer achter de geslachtsbepaling een vraagteken staat, b.v. “m?” betekent dit “zeer waarschijnlijk mannelijk,” bij twee vraagtekens is de geslachtsbepaling onzekerder. Een geslacht toewijzen is alleen bij volwassenen mogelijk. De robuustheid van het post-craniële skelet kan eveneens een aanwijzing zijn voor het geslacht.25 Leeftijdsbepaling De leeftijdsbepaling bij crematieresten-onderzoek volgt dezelfde richtlijnen als die van het inhumatie-onderzoek. Voor onvolwassenen wordt naar de vergroeiing van de epifysen gekeken26, het 23 24 25 26

Wahl 1982. Maat 1985. Schutkowski & Hummel 1987. Arbeitsgruppe Europäischer Anthropologen 1979. 31

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 31

21-5-2010 12:21:06

0

20 m

343 344

crematiegraf 342 336

341 339

338 340 311 310 312 345

332

329 333 331 330

313

335

322 316 320 321

314 315 317

325 328

324

337

334

323

318 319 327

326

Figuur 4.3 Wijchen-Centrum. De locatie van de deels intact aangetroffen crematiegraven. Schaal 1:500.

eruptiepatroon van de tanden en kiezen27, het aanzien van de symphysis pubica en de sluiting van de schedelnaden endocraniaal28 en de facies auricularis29 (allebei gewrichtsvlakken aan het bekken), en de ectocraniale sluiting van de schedelnaden.30 Lichaamslengteschatting Voor de lichaamslengteschatting wordt gebruik gemaakt van de grootte van de proximale gewrichten van de humerus (bovenarm), de radius (spaakbeen) en het femur (dijbeen).31 Pathologie Het onderzoek naar ziekten en ongelukken bij gecremeerde individuen is vanwege de incompleetheid van het materiaal vrij moeilijk. Een beschrijving van de ziekteverschijnselen is vaak het hoogst haalbare. 4.2.4 Werkwijze De fractie die groter of gelijk is aan 1 cm wordt gedetermineerd. De crematieresten in de verschillende skeletregio’s worden gewogen en de fragmentatie- en verbrandingsgraad vastgesteld. De maximale 27 28 29 30 31

Ubelaker 1984. Acsádi & Nemeskéri 1970. Lovejoy et al. 1985. Rösing 1977. Rösing 1977. 32

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 32

21-5-2010 12:21:06

0

20 m

crematiegraf verspreide crematieresten: 1-9 gram 10-39 gram 40-95 gram

Figuur 4.4 Wijchen-Centrum. De locatie van de verspreid aangetroffen crematieresten. Schaal 1:500.

fragmentgrootte wordt afgerond op een halve cm. Wanneer crematieresten minder dan 1 gram wegen wordt dit afgerond tot 1 gram. De fractie die kleiner is dan 1 cm wordt onderzocht op relevante botfragmenten. Wat overblijft wordt residu genoemd. In sommige gevallen is het residu erg vervuild en moet een schatting gemaakt worden van het gewicht aan crematieresten dat aanwezig is in het residu. Aanwezige dierenbotten worden van de menselijke crematieresten gescheiden, fragmentatie- en verbrandingsgraad en gewicht worden genoteerd. Het totaal gewicht aan crematieresten onderaan de tabellen in bijlage 1 duidt op het totaal zonder de dierlijke botfragmenten. 4.2.5 Resultaten crematierestenonderzoek Per vondstnummer (soms meerdere per graf ) worden de resultaten in de bijlage (hoofdstuk 18) als een tabel weergegeven. Geheel achteraan is een afzonderlijke tabel die de gegevens bevat van de vondstnummers waarin te weinig materiaal voorhanden was voor een gedetailleerde beschrijving. De locatie van de deels intact aangetroffen crematiegraven is weergegeven op figuur 4.3. Behalve de deels intacte crematiegraven, werden nog meer dan 100 vondstnummers met verspreide crematieresten onderzocht, die werden aangetroffen in inhumatiegraven en latere middeleeuwse kuilen. Behoudens 33

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 33

21-5-2010 12:21:07

enkele dierlijke fragmenten waren de meeste afkomstig van mensen. Het gewicht en de determinatie menselijk / dierlijk staan eveneens in de bijlage (hoofdstuk 18), laatste tabel. De locatie en hoeveelheid van deze resten is weergegeven in figuur 4.4. 4.3 Dierlijk botmateriaal Net zoals het menselijk botmateriaal is ook het dierlijke materiaal in principe niet bewaard gebleven. Uitzondering vormen de crematiegraven, waarin naast veel verbrand menselijk botmateriaal ook wat dierlijke resten verbrand zijn gevonden. Deze zijn aan het licht gekomen bij de fysisch-antropologische bestudering van de crematieresten. De dierlijke resten zijn te scheiden in het bewerkte bot enerzijds, waarin gebruiksvoorwerpen als kammen en spinschijfjes in te herkennen zijn, en onverbrand bot anderzijds, dat wellicht als onderdeel van voedsel (vleesbout) is meegegeven. Een tweede uitzondering is graf 83, waarin een runderschedel was gedeponeerd – waarschijnlijk was het een dierbegraving en geen menselijk graf. Als laatste moeten de laatmiddeleeuwse kuilen worden genoemd, waarin enkele fragmenten onverbrand dierlijk bot zijn waargenomen. Deze moeten bijgiftnr

vondstnr

geslacht/leeftijd

object

310.3

V1.003

vrouw? 20-40 jaar

handvat?

311.1

V1.073

man 30-54 jaar

omschrijving groeven en puntcirkels

315.1

V1.096

30-60 jaar

kam

groeven

316.2

V3.013

vrouw? 30-60 jaar

handvat?

groeven

322.1

V3.101

20+ jaar

(kuil)

V3.148

(57)

V4.029

325.1

V4.043

7-14 jaar

326.2

V5.010

20-40 jaar

knikker

bolletje bot of schelp met puntcirkel

326.3

V5.011

20-40 jaar

kam (bovenhoek)

groeven en puntcirkels

328.1

V5.022

20-40 jaar

328.2

V5.022

331.2

V6.099

man

333.3

V6.098

man? 35-44 jaar

334.1

V8.006

20-40 jaar

(263)

V21.079

(cilindrisch) groeven puntcirkels kam groeven en puntcirkels

(rand bot, kruismotief, met bronzen stift) tand, zwijn? kam

groeven en puntcirkels; bronzen niet

kam

groeven

spinklos?

groeven en puntcirkels

ribbels

Tabel 4.3 Wijchen-Centrum. Bijgiften van bewerkt dierlijk botmateriaal (verbrande objecten). bijgiftnr

vondstnr

geslacht/leeftijd

dier

gewicht

310.6

V1.078

vrouw? 20-40 jaar

varken

73 g

312.2

V1.007+072 21-24 / 35-50 jaar

varken

19 g

316.3

V3.013

vrouw? 30-60 jaar

varken

20 g

317.7

V3.021

ca. 12 jaar

varken + schaap/geit

43 g

323.2

V4.114

vrouw?? 20-40 jaar

(onbepaald)

6g

325.2

V4.043

7-14 jaar

wsch. varken

3g

334.2

V8.006

20-40 jaar

varken

51 g

336.1

V9.007

12-16 jaar

wsch. varken

9g

340.1

V9.112

2-10 jaar

wsch. varken

2g

343.1

V21.020

20+ jaar

wsch. varken

4g

Tabel 4.4 Wijchen-Centrum. Bijgiften van onbewerkt dierlijk botmateriaal (verbrand voedsel?).

34

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 34

21-5-2010 12:21:07

328.1

331.2

326.3

326.2 V21.079

315.1

316.2

Figuur 4.5 Wijchen-Centrum. Selectie van bijgiften van bewerkt dierlijk botmateriaal. Schaal 1:1.

bijgiftnr 83.1

vondstnr

omschrijving

V6.130

schedelresten groot zoogdier

V11.013

kiesresten groot zoogdier

V11.017

kiesresten groot zoogdier

V11.023

kiesresten groot zoogdier

V14.001

kiesresten groot zoogdier

V14.002

kiesresten groot zoogdier

V14.008

kiesresten groot zoogdier

Tabel 4.5 Wijchen-Centrum. Onverbrand dierlijk botmateriaal, met uitzondering van graf 83 afkomstig uit (laat)middeleeuwse kuilen (nederzettingsafval?).

waarschijnlijk tot het nederzettingsafval worden gerekend. De gegevens aangaande het dierlijk bot worden gepresenteerd in drie tabellen. Tabel 4.3 bevat de gegevens omtrent de verbrande objecten (bijgiften) van bewerkt dierlijk bot (zie figuur 4.5); tabel 4.4 bevat de onbewerkte resten, mogelijk bijgiften van vlees; tabel 4.5 bevat de onverbrande resten – het diergraf en het vol-/laatmiddeleeuwse nederzettingsafval.

35

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 35

21-5-2010 12:21:07

36

Wijchen-Centrum-hoofdstuk1-4.indd 36

21-5-2010 12:21:07

5 Metaal Wat betreft aantallen bijgiften is metaal veruit de meest omvangrijke vondstcategorie. In totaal zijn 369 bijgiften van metaal gedocumenteerd, tegenover bijvoorbeeld 72 stukken aardewerk (vaatwerk en spinstenen) en 73 kralensnoeren of losse kralen (barnsteen en glas). Daarnaast zijn ca. 60 ‘losse vondsten’ geborgen, metaalvondsten die uit middeleeuwse kuilen, recente verstoringen of de bouwvoor afkomstig waren. In de eerste inleidende paragraaf hieronder worden de onderzoeksmethoden, de staat van het materiaal en enkele zaken omtrent de gebruikte terminologie toegelicht. Vervolgens worden de diverse categorieën objecten in afzonderlijke paragrafen en subparagrafen besproken. 5.1 Inleiding Staat van het materiaal De grote hoeveelheid metaalvondsten is natuurlijk te beschouwen als een sterk punt, aangezien de collectie een gegevensbron van onschatbare waarde vormt voor de bestudering van het Merovingische grafritueel. Anderzijds is de enorme omvang van de collectie metaal ook een bron van zorg. Slechts een kleine selectie vondsten kon na de opgraving duurzaam gestabiliseerd worden. Veel vondsten zijn weliswaar gelijmd of schoongemaakt, maar dat heeft het verval in de jaren na de opgraving niet gestopt. Doordat de Wijchense zandgronden een hoge zuurgraad kennen, is veel materiaal er slecht aan toe. Zelfs brons en zilver zijn in slechte staat.

IJzeren voorwerpen zijn op zijn best gecorrodeerde objecten waar de originele vorm blijkt uit de contour. Slechter zijn de kleinere brokken roest waarin geen vorm te herkennen valt. Veel grote smalle objecten zoals lanspunten en zwaarden/messen zijn uit elkaar gevallen. Voor dit onderzoek zijn de fragmenten in elkaar gepast en is er een digitale foto gemaakt. Hiermee is de contour van een object te reconstrueren, maar details zijn uiteraard niet te zien. In het kader van het Deltaplan voor het Cultuurbehoud zijn de metaalvondsten door middel van röntgenopnamen bestudeerd. Van een aantal speciale objecten zijn röntgenfoto’s bewaard gebleven, maar dat betreft slechts een selectie. Hoewel het gewenst en zelfs zeer belangrijk is om het metaal in de toekomst te behandelen, is dat niet gebeurd bij dit onderzoek. Conservering van metaal is financieel absoluut niet te realiseren in het kader van een ‘subsidie kortlopend onderzoek’ van het Odyssee-programma en ook niet het primaire onderzoeksdoel. Het bovenstaande heeft tot gevolg dat veel determinaties van metalen voorwerpen slechts een voorlopige status hebben. Door de dikke roestlaag op vooral de ijzeren voorwerpen zijn veel objecten slechts op een basisniveau gedetermineerd (lans, gesp). Soms was zelfs dat niet haalbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=62780b96-a51c-4f89-9122-d8c87cd78b55