Bijlage 11: Opgraving Oostflank (ZAR 69)
Tekst van het document
5.4.4
conclusie
Sporen uit de Vroege Bronstijd en de Midden Bronstijd A zijn zeer schaars. Gezien het lage aantal van twee kuilen, kan er eigenlijk niet worden gesproken van bewoningssporen. Wel is het zeker dat ook in die periode mensen het plangebied hebben bezocht. Dit blijkt ondermeer uit kuil 25012 welke in de Vroege Bronstijd wordt gedateerd en kuil S9.55 uit het proefsleuvenonderzoek die enkele jaren of wellicht enkele eeuwen later dateert. Voor de Midden Bronstijd B geldt eigenlijk hetzelfde als voor het Neolithicum: Binnen het plangebied is sprake van een nederzetting. De vorm en omvang van de nederzetting is echter onbekend. Duidelijk is dat er ten minste één huis heeft gestaan in het zuidelijke deel van het plangebied. Echter uit de resultaten van het proefsleuvenonderzoek blijkt dat ook de noordkant van het terrein in dezelfde periode bevolkt moet zijn geweest. Opvallend zijn de overeenkomstige 14C-dateringen uit twee verschillende sporen die op grote afstand van elkaar lagen. Deze afstand is te groot om te vermoeden dat de beide structuren waaruit de monsters afkomstig zijn behoren tot hetzelfde erf. Wellicht gaat het om sporen van twee gelijktijdig bewoonde erven, maar gezien het ontbreken van duidelijke gebouwplattegronden uit de Midden Bronstijd B in het noordelijke deel van het plangebied kunnen hier verder geen uitspraken over worden gedaan.
De bewoning in deze periode lijkt gezien het zeer geringe aantal vondsten uit de Bronstijd vrij beperkt van aard te zijn geweest. Het onderzoek in Veldhoven heeft echter laten zien dat een kleine hoeveelheid materiaal niet direct betekent dat er ook sprake is van een kleinschalige bewoning. Vermoedelijk gaat het op de Oostflank om één of twee erven die slechts gedurende een generatie bewoond zijn geweest. Daarna heeft men het gebied weer verlaten om elders een nieuw onderkomen op te richten. Door het ontbreken van duidelijke gebouwstructuren kan deze veronderstelling bevestigd noch ontkracht worden.
POZ-42100, 3025 +/- 35
117
5.5
post-prehistorische sporen
5.5.1
algemeen
Na een ogenschijnlijk lange bewoningsvrije periode van een kleine duizend jaar wordt het plangebied in de Romeinse tijd, of kort daarvoor opnieuw bevolkt. Uit deze periode beschikken we echter alleen over losse vondsten. Pas voor de laat-Romeinse tijd kunnen we spreken van duidelijk herkenbare en dateerbare bewoningssporen. Het ziet er op basis van de datering van het vondstmateriaal naar uit dat vanaf deze tijd sprake is van een continu bewoonde site die uitgroeit van één of meerdere nederzettingen in de laat-Romeinse tijd tot een dorp in de Volle en Late Middeleeuwen.118 Deze continue bewoning heeft tot gevolg gehad dat binnen het plangebied een zeer grote hoeveelheid sporen is aangetroffen. Het bleek uiterst lastig om uit deze sporen structuren te destilleren. Niet in de laatste plaats omdat het plangebied plaatselijk zeer ernstig verstoord was. In het centrale deel van het plangebied bleek geen enkel spoor meer aanwezig en ook op de flank van het duin richting het Wijchens meer bleken de Romeinse en middeleeuwse sporenniveaus ernstig te zijn verstoord. Vermoed wordt dat deze zones echter wel bewoond zijn geweest in de laat-Romeinse tijd en de Middeleeuwen.
Dit blijkt onder andere uit de aanwezigheid van één laat-Romeinse plattegrond (structuur 8005) in werkput 2, maar ook uit de aanwezigheid van de restanten van enkele vol- of laat-middeleeuwse paalkuilen in de hoogste stuifzandlagen boven het ven. Daarbij komt dat ook aan de zuidrand van het plangebied, zowel tijdens de opgraving, als tijdens het proefsleuvenonderzoek, veel middeleeuwse sporen zijn aangetroffen die qua datering overlappen met de sporen in het noordelijke deel van het plangebied. Ook voor het centrale deel van het plangebied wordt verwacht dat hier sporen uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen hebben gelegen. Dit blijkt ondermeer uit de grote spoordichtheid in werkput 4, waarbij de sporen in zuidelijke richting doorlopen tot ver langs de verstoorde delen. Het ligt voor de hand dat de sporen oorspronkelijk ook in het verstoorde centrale deel aanwezig waren. Uit het feit dat in de delen waar onder de verstoring is gezocht naar sporen, geen sporen zijn aangetroffen, is geconcludeerd dat het landschap hier oorspronkelijk omhoog heeft gelopen.Verwacht werd namelijk dat van de diepere middeleeuwse sporen nog wel wat zou worden teruggevonden. Het feit dat dit helemaal niet het geval is geeft aan dat het duin hier oorspronkelijk hoger moet zijn geweest dan in de aangrenzende delen.
Het gevolg van deze grote verstoringen is dat de vindplaats uiteindelijk in enkele vrij smalle stroken is opgegraven (fig. 5.17). In het uiterste noorden gaat het om een strook van 90 bij 20 m. Aan de oostzijde van het plangebied is het stuk van de nederzetting dat is onderzocht zelfs maar 10 m breed en in het zuiden gaat het maar om enkele meters. Hierdoor was de kans zeer klein dat binnen de intacte delen van het plangebied complete plattegronden aanwezig waren. Ook bleken de sporen nagenoeg geen vondstmateriaal te bevatten en was de vulling sterk gehomogeniseerd, waardoor het toewijzen van sporen aan structuren op grond van kleurverschillen of overeenkomstige dateringen ook niet mogelijk was. Dit alles heeft tot gevolg dat het heel lastig is om een goed beeld te krijgen van het uiterlijk en de chronologische ontwikkeling van de site in de periode vanaf de laat-Romeinse tijd tot en met de
Het is niet duidelijk hoe de laat-Romeinse resten die
118
in het plangebied zijn aangetroffen zich verhouden tot de laat-Romeinse vindplaats Tienakker. Deze bevindt zich op een afstand van ca. 250 m van het onderhavige plangebied. Het is mogelijk dat de bewoningssporen van beide vindplaatsen tot één grote nederzetting behoren, maar het is evengoed mogelijk dat het gaat om separate nederzettingen.
178.595
424.230
Late Middeleeuwen. Uiteindelijk is op basis van de dateringen van het vondstmateriaal, de dateringen van het dendrochronologisch onderzoek en de dateringen van het 14 C-onderzoek een mogelijke fasering van de nederzetting gemaakt. Deze wordt in de volgende paragraaf beschreven. De afzonderlijke structuren waar in deze paragraaf naar wordt verwezen zijn uitgebreid beschreven in de catalogus in hoofdstuk 17.
5 . 5 . 2 v o r m e n f a s e r i n g v a n d e
5.5.2.1 Fase 1 overgang Laat-Romeinse tijd/ Vroege Middeleeuwen.
424.060
nederzetting
178.435
0
25 m
De eerste bewoningssporen stammen zoals Fig. 5.17. Wijchen-Oostflank. Overzicht van het plangebied met gezegd uit de laat-Romeinse tijd (fig. 5.18-1) In deze periode wordt een erf opgericht in in donkergrijs de zones waar de sporen van de middeleeuwse het zuidoostelijke deel van het plangebied. vindplaats intact aanwezig waren. Van dit erf zijn alleen enkele sporen van een huisplattegrond (structuur 8005, fig. 5.19a) aangetroffen. Overige sporen die in verband kunnen worden gebracht met deze plattegrond, zoals kuilen of waterputten zijn tijdens de opgraving niet aangetroffen. Het gebouw zelf kon ook maar ten dele worden gereconstrueerd. Het gebouw heeft een deels tweedeels driebeukige noordoost-zuidwest georiënteerde plattegrond waarbij één grote middenstaander (S2.38) voor een tweedeling zorgt. In het zuidelijke deel van de structuur zijn enkele sporen waargenomen die voor een driebeukige indeling zorgen, terwijl in de noordelijke helft van de structuur dergelijke sporen volledig lijken te ontbreken. Ook de wanden van de plattegrond zijn slecht overgeleverd, waardoor zowel de breedte als de lengte niet met zekerheid kon worden vastgesteld. Rond de middenstaander lag een vrij dikke laag met verkoold materiaal en wat aardewerk. Deze laag lijkt verband te houden met de het gebouw. Wellicht betreft het hier het restant van de woonlaag binnen het huis.
5.5.2.2 Fase 2 Merovingische periode In de tweede fase lijkt de bewoning zich te concentreren in het noordoostelijke deel van het plangebied (fig. 15.18-2). Deze locatie ligt ook het dichtst bij het Merovingische Grafveld Wijchen-Centrum en is daarom wellicht dan ook niet vreemd. Hoe de bewoning in deze fase eruit heeft gezien is lastig te zeggen aangezien er slechts drie tot vijf structuren aan deze bewoningsfase kunnen worden toegewezen. Het gaat hierbij om een driebeukige huisplattegrond (structuur 8016, fig. 5.19 b), een drietal waterputten en een kuil. Deze laatste is aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek in proefsleuf 4 (S 4.3). Deze kuil blijkt, wanneer de proefsleuven op de opgravingsgegevens worden geprojecteerd, nog geen 15 m ten zuidwesten van huis 8016, de enige huisplattegrond uit deze periode, te liggen. De sporen van dit huis bevinden zich, gezien de geringe lengte van het overgeleverde deel van de plattegrond, voor het grootste
424.060
178.595
424.060
424.230
5
178.435
25 m
0
25 m
424.230
0
178.595
4
178.435
0
25 m
178.595
6
178.435
25 m
424.230
424.230
0
178.435
424.230
424.230
178.595
3
178.435
25 m
424.060
0
424.060
424.060
178.435
178.595
2
424.060
178.595
1
0
25 m
Fig. 5.18. Wijchen-Oostflank. Fasering en ontwikkeling van de nederzetting vanaf de laat-Romeinse tijd tot en met de Late Middeleeuwen. 1 laat-Romeinse periode; 2 Merovingische periode; 3 Karolingisch/Ottoonse periode; 4 Volle Middeleeuwen; 5 Late Middeleeuwen; 6 Nieuwe tijd.
A
B
Fig.5.19. Wijchen-Oostflank.Gebouwen uit de Laat Romeinse tijd en de Merovingische periode. A structuur 8005; B structuur 8016. Schaal 1:200.
deel buiten de grens van het onderzochte deel van het plangebied. Wanneer we echter aannemen dat het huis oorspronkelijk een lengte heeft gehad die groter was dan 12 m dan ligt de kuil uit de proefsleuven zelfs maar 10 m van dit gebouw. Gezien de overeenkomsten in de datering van het aardewerk dat aan beide structuren is toegewezen zullen ze tot hetzelfde erf hebben gehoord dat hier aan het begin van de Merovingische periode heeft gefunctioneerd. Met enige voorzichtigheid wordt aan ditzelfde erf ook waterput 7008 gekoppeld. Deze waterput ligt 12 m ten noordoosten van huis 8016 en is eigenlijk alleen op basis van de vorm van het spoor in de coupe en de nabijheid tot huis 8016 aan deze vroege bewoningsfase toegekend. Het gaat om een vrij kleine waterput, met een grote uitgraafkuil. Onder de uitgraafkuil is duidelijk zichtbaar dat het spoor oorspronkelijk een vrij smalle insteek met verticale wanden heeft gehad. Deze smalle insteek lijkt kenmerkend te zijn voor vroege waterputten binnen het plangebied. De latere putten hebben een veel bredere insteek. Het spoor heeft, op een klein intrusief fragmentje van een kogelpot in de uitgraafkuil na, geen vondsten opgeleverd. Ook de vulling van de put is vrij schoon te noemen. Deze kenmerken heeft waterput 7008 gemeen met waterput 7006.
Deze laatstgenoemde waterput heeft eveneens een zeer smalle insteek en bevatte geen vondsten, maar kon op grond van een dendrochronologische datering aan het einde van de 6de eeuw na Chr. worden gedateerd. De afstand van deze waterput tot huis 8016 bedraagt echter meer dan 30 m, waardoor het onwaarschijnlijk is dat beide structuren tot hetzelfde erf hebben behoord. Waar het hoofdgebouw gezocht moet worden dat heeft behoord bij het erf waarbinnen waterput 7006 was gelegen, is niet duidelijk. Dit kan zowel in noordelijke als in zuidelijke richting van de put hebben gelegen. Een laatste waterput die wellicht aan deze periode moet worden toegeschreven is waterput 7003 in werkput 4. Deze put ligt geheel in het oostelijke deel van het plangebied. Ook deze put heeft een vrij smalle insteek en bevatte verder nagenoeg geen vondstmateriaal. De enige scherf die uit dit spoor afkomstig is een bodemscherf van een Wölbwandtopfe (V4.642). Deze scherf is afkomstig uit de nazak. Echter gezien het feit dat het spoor snel is gedicht nadat de put buiten gebruik was gesteld, geeft de scherf waarschijnlijk wel een goede indicatie voor de datering van de waterput.
Wanneer we ervan uitgaan dat een erf in deze periode altijd een eigen waterput heeft gehad, kunnen we op grond van de ruimtelijke spreiding van de waterputten die aan de Merovingische periode worden toegeschreven, concluderen dat binnen het plangebied of in de directe omgeving hiervan waarschijnlijk drie erven moeten hebben gelegen. Het is zeer goed mogelijk dat deze erven gelijktijdig zijn geweest. Gezien de omvang van het grafveld Wijchen-Centrum, kan worden gesteld dat de gemeenschap die hier
haar doden begroef groter was dan een nederzetting bestaande uit een of twee erven.Verwacht wordt dan ook dat de erven die op de Oostflank lagen, onderdeel uitmaakten van een veel grotere nederzetting die zich tot buiten de grenzen van het plangebied uitstrekte.
5.5.2.3 Fase 3 Karolingisch/Ottoonse periode De Karolingische periode is minder sterk vertegenwoordigd in het plangebied dan de Merovingische periode en hetzelfde geldt voor de Ottoonse tijd.Typische gidsartefacten als reliëfbandamforen en schijffibulae ontbreken vrijwel volledig. Wel is een fragment van een Ottoonse kledingnaald (V6.911) gevonden in een jongere kuil in werkput 6, maar sporen uit deze periode zijn uiterst schaars. Dit betekent overigens niet dat er geen gebouwen binnen het plangebied hebben gestaan in deze periode. Het is goed mogelijk dat sporen van huizen uit deze tijd zijn vergraven in latere perioden of dat de plattegronden niet zijn herkend als gevolge van de in paragraaf 5.5.1 geschetste problematiek. We weten echter zeker dat er ten minste één en mogelijk twee erven in de Karolingische en Ottoonse periode binnen de grenzen van het plangebied lagen (fig. 5.18-3). De bijbehorende huizen zullen waarschijnlijk in het verstoorde, centrale deel van het plangebied hebben gelegen. Het is echter ook mogelijk dat ze zich ten noorden van het plangebied bevonden. In dat geval zouden de erven echter doorsneden worden door een weg (zie onder) hetgeen niet erg plausibel lijkt. Gebouwplattegronden uit deze fase konden niet worden gereconstrueerd, maar de datering van waterput 7001 wijst onherroepelijk op de aanwezigheid van een erf.
Uit het dendrochronologisch onderzoek blijkt dat de boom waarvan de bekisting van de waterput is gemaakt, moet zijn gekapt rond 860 na Chr. Dit plaatst de gebruiksfase van de waterput in de laatste fase van de Karolingische tijd, welke doorloopt tot 900 na Chr. Ondanks dat we niet beschikken over huizen of andere gebouwen die bij deze bewoningsfase horen, kunnen we wel meer zeggen over de aard van het erf waartoe de waterput behoorde. Op korte afstand van de waterput zijn meerdere ijzerovens en een kuil met ovenafval aangetroffen. Ook tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in deze zone van het plangebied drie ijzerovens aangetroffen, wat het totaal op zes ovens brengt. De oventjes waren in het veld zichtbaar als kleine kuilen met een grote hoeveelheid slakmateriaal in de vulling. Het gaat hierbij om zogenaamde kuilovens (zie hoofdstuk 11). Interessant is de datering van de sporen. Van verscheidene ovens en van een afvalkuil zijn monsters ten behoeve van koolstofdateringen geanalyseerd middels de AMS-methode. Deze dateringen komen allemaal uit in de laatste fase van de Karolingische periode en beslaan verder een groot deel van de 10de eeuw na Chr. (zie hoofdstuk 4). Hoewel een directe samenhang tussen de ovens en de waterput niet valt te bewijzen is het wel aannemelijk dat ze tegelijkertijd, binnen hetzelfde erf hebben gefunctioneerd.
Wanneer de dateringen van de ovens en de kuil op de calibratiecurve worden geprojecteerd zien we dat er ter hoogte van de datering een wiggle in de curve zit (fig. 15.20).119 Deze wiggle heeft geresulteerd in twee pieken in de datering van de monsters, waarvan de eerste zich bevindt in de laatste decennia van de 9de eeuw na Chr. en daarmee gelijktijdig met de waterput dateert. Hoe lang de ovens van dit erf in gebruik zijn geweest is niet duidelijk. Het slakmateriaal wijst er echter op dat de ovens meerdere malen zullen zijn gebruikt. Ook is het zeer waarschijnlijk dat er buiten de grenzen van het plangebied en mogelijk ook in de verstoorde delen ten zuiden van werkput 7 nog meer ovens hebben gelegen. Uit het slakmateriaal blijkt namelijk dat de ijzerproductie door ervaren en vakkundige mensen moet zijn uitgevoerd. Dit impliceert dat men het ambacht van smeden als beroep uit zal hebben geoefend en dat het niet als nevenactiviteit van de bewoners van het erf moet worden beschouwd. De smid zal gedurende zijn loopbaan dan ook meer ovens hebben gebruikt dan de zes waarvan tijdens het onderzoek op de Oostflank de resten van zijn teruggevonden. IntCal 13 Atmospheric Curve (Reimer et al. 2013)
119
OxCal v4.2.4 Bronk Ramsey (2013); r:5 IntCal13 atmospheric curve (Reimer et al 2013)
1500
Radiocarbon determination (BP)
1400
1300
1200 R_Date V1045 R_Date V1049 R_Date V87 1100
1000
900 600
700
800
900
1000
Modelled date (AD)
Fig. 5.20. Wijchen-Oostflank. De 14C-dateringen van de ovens en de kuil met productieafval geprojecteerd op de calibratiecurve IntCal 13.
Naast het erf in de werkputten 1 en 7 zijn verspreid over het terrein ook nog wat aanwijzingen gevonden voor ijzerproductie. Deze bevonden zich in werkput 6 en 16. Uit waterput 7005 waarvan het spoor zich op de putgrens van de beide werkputten bevindt, zijn verschillende smeedslakken afkomstig. De put zelf wordt gedateerd aan het einde van de Volle Middeleeuwen, maar het is niet zeker of deze datering ook voor de smeedslakken geldt. Waarschijnlijk zijn de smeedslakken bij het dempen van de put in de vorm van zwerfvuil in het spoor terecht gekomen. Mogelijk heeft men hierbij een ouder oventje verstoord. Ook zijn elders in werkput 6 meerdere slakken aangetroffen die afkomstig zijn van ijzerproductie. Waarschijnlijk betreft het hier zwerfvuil aangezien ovens of afvalkuilen zoals in werkput 7 niet zijn aangetroffen. Toch wijst deze spreiding mogelijk op een tweede erf waarbinnen men ijzer heeft geproduceerd. Een 14C-datering op verkoold materiaal uit de vulling van een paalkuil, S16.161) van een vol-middeleeuwse roedenberg, structuur 13002, heeft aangetoond dat het monster gedateerd moet worden tussen 986 en 1153 na Chr.120 Het geval wil dat in het monster ook een grote hoeveelheid fijn slakmateriaal aanwezig was. Dit materiaal moet zeer waarschijnlijk in relatie worden gezien met ijzerpro-
ductie of bewerking en de kans is vrij groot dat de verkregen datering hoort bij een vergraven ijzeroven of smeedhaard in dit deel van de nederzetting. De datering van dit monster is dan waarschijnlijk ook niet representatief voor de structuur waaruit het monster afkomstig is. De hoeveelheid slakken uit waterput 7005 en het overige slakmateriaal uit deze put lijken er dus op te wijzen dat in de directe omgeving van werkput 16 ook ijzer is geproduceerd en bewerkt. Ook nu zullen de mensen die dit ambacht hebben uitgevoerd, hebben beschikt over een hoog specialisatieniveau. Wanneer de 14C-datering uit spoor S16.161 daadwerkelijk in relatie moet worden gezien met ijzerovens geeft dit aan dat in de Ottoonse fase van de nederzetting op meerdere plaatsen ijzer werd geproduceerd en bewerkt. Het is, gezien de ruime datering van het monster, echter ook mogelijk dat de productie tot in de post-Ottoonse tijd door heeft gelopen. Helaas is het niet mogelijk om deze veronderstelling op basis van de 14C-dateringen of overige dateringen te staven. De mogelijkheid dat binnen de nederzetting ijzer over een langere periode dan alleen de Karolingisch/Ottoonse tijd is geproduceerd is zeer interessant wanneer hier de resultaten van het AWN-onderzoek op De Pas bij worden betrokken. Hier heeft men eveneens sporen van ijzerproductie gevonden.
Het gaat hierbij om een grote hoeveelheid slakken en delen van ijzerovens. Deze productie lijkt echter voornamelijk gedurende de Salische dynastie (1024-1125 na Chr.) plaats te hebben gevonden, een periode waarin waarschijnlijk ook de Oostflank werd bewoond, maar waar structuren niet met zekerheid aan konden worden toegeschreven.121 Het is theoretisch mogelijk dat het slakmateriaal in het noordwestelijke deel van het plangebied afkomstig is van ovens uit de Salische tijd. Of dit nu het geval is of niet, het feit dat op korte afstand van elkaar twee vindplaatsen liggen waarbinnen men ijzer heeft geproduceerd geeft aan dat men in de microregio rond Wijchen toegang had tot een netwerk waaruit men erts kon betrekken en beschikte over de kennis en de vaardigheden om dit erts om te vormen tot ijzer. Waarschijnlijk werd het ijzer via hetzelfde, of een ander netwerk weer verhandeld. Buiten de ovens, een mogelijk gebouw en de waterput 7001 zijn er geen sporen aangetroffen die in de Karolingisch/Ottoonse tijd worden gedateerd. Ook vondstmateriaal is uit deze periode is zoals gezegd erg schaars. Hoewel dit in eerste instantie vreemd lijkt wanneer deze periode zo duidelijk is vertegenwoordigd in de natuurwetenschappelijke dateringen. Toch is dit wellicht minder merkwaardig dan het lijkt.
De ijzerovens zullen waarschijnlijk niet midden in de nederzetting of in de buurt van huizen hebben gestaan. Vanuit het oogpunt van brandveiligheid werden dit soort structuren aan de randen van de nederzetting gebouwd. Nu weten we natuurlijk niet hoe de nederzetting eruit heeft gezien, maar vermoed wordt dat de nederzetting aan de noordkant van het plangebied werd doorsneden door een weg. De ovens die tijdens de opgraving en het proefsleuvenonderzoek zijn gevonden liggen tussen een aantal oostwest lopende greppels in. Op grond van het vondstmateriaal uit deze greppels hebben ze een datering die ligt tussen de Karolingische tijd en de Volle Middeleeuwen. Nu is deze datering zeer ruim en daardoor niet bruikbaar voor een scherpe spoordatering. De datering van de individuele greppels is echter niet van relevantie voor het betoog met betrekking tot de begrenzing van de nederzetting. Belangrijker is de datering van de greppels als complex. Deze datering is medebepaald door de vorm en de richting van de greppels. Deze lijken namelijk in een rechte lijn op de kerk aan te lopen en vermoedelijk markeerden ze een weg (structuur 36001, fig. 5.21). Wegen zijn structuren die vrij plaatsvast zijn en lang in gebruik blijven. De ruime datering van het vondstmateriaal uit de sporen van structuur 36000-36002 vorm een eerste ondersteuning voor een interpretatie als weg.
Het gegeven dat de greppels parallel aan de huidige Oosterweg lopen vormt een tweede argument om ze als onderdeel van een weg te interpreteren. De Oosterweg is waarschijnlijk de hedendaagse voortzetting van een weg die al sinds de Middeleeuwen bestaat. Van de kerk is bekend dat hij in de 11de eeuw na Chr. in tufsteen werd opgetrokken, maar het is vrij zeker dat hij ook een houten voorganger in de 10de eeuw heeft gehad. In deze periode werd in de V16.105, POZ-83898, 995 ± 30 BP.
120
Mondelinge mededeling Ben Teubner.
121
0
25 m
Fig. 5.21. Wijchen-Oostflank. Reconstructie van de middeleeuwse weg richting de kerk op basis van het verloop van de greppels van de structuren 36000 t.m. 36003.
nederzetting ijzer geproduceerd. De kerk bestond dus gelijktijdig met de ovens. De locatie van de weg zal door de eeuwen heen af en toe zijn verschoven, maar de hoofdrichting zal hetzelfde zijn geweest. Waarschijnlijk lag hij in de Karolingisch/Ottoonse tijd iets meer naar het noorden en was structuur 36001 de zuidelijke bermgreppel. Wanneer de begrenzing van de erven binnen het plangebied in de Middeleeuwen inderdaad werd gevormd door de weg, impliceert dit dat de nederzetting richting het zuiden door moet hebben gelopen. Dit werd al verondersteld op basis van de sporen in werkput 4 in relatie tot de verstoringen in het centrale en zuidelijke deel van het plangebied. Het bestaan van de weg vormt een aanvullend argument voor deze interpretatie. Ook ten noorden van de weg zal de nederzetting zich verder hebben uitgestrekt. Zo is bekend dat onder de parkeerplaats aan de Oosterweg verschillende waterputten liggen.122 Enkele tientallen meters ten zuidoosten van de ovens en de weg ligt structuur 8012 (fig. 5.22). Dit is de enige gebouwplattegrond die, weliswaar onder enig voorbehoud, in de Ottoonse tijd kan worden gedateerd.
De plattegrond is verre van compleet, maar het gebouw vertoont qua grondplan enige overeenkomsten met een Ottoons bijgebouw uit Lent, zij het dat het wel wat kleiner is.123 Het zijn echter deze overeenkomsten, tezamen met de vondst van een Ottoonse kledingnaald in de buurt van dit gebouw, die de gedachte dat het hier een Ottoons gebouw betreft voeden. Wellicht betreft het hier ook een bijgebouw en lagen de overige sporen van dit erf buiten de onderzochte delen van het plangebied. De afstand tussen de ovens en de waterput uit de Karolingisch/Ottoonse periode bedraagt 20 tot De ligging van de putten is bekend uit een waarneming
122
van BAMN. Hier is echter geen rapport van beschikbaar.
Den Braven/Daniel 2011, 47-54.
123
A
B
Fig. 5.22. Wijchen-Oostflank. De plattegrond van gebouw 8012 (a) met daarnaast de plattegrond van het Ottoonse bijgebouw uit Lent (b). Bron: Den Braven/Daniel 2011, 51. Schaal 1:200.
30 m. Dit is een relatief grote afstand, maar niet groot genoeg om te kunnen bepalen of de ovens en de waterput tot hetzelfde erf hebben behoord als huis 8012. Het is dus mogelijk dat hier één erf betreft, maar het kan evengoed zo zijn geweest dat in deze periode twee erven binnen het plangebied hebben gefunctioneerd.
5.5.2.4 Fase 4 Volle Middeleeuwen In de Volle Middeleeuwen lijkt het drukker te worden in het plangebied. De meeste structuren die zijn geïdentificeerd, zijn aan deze periode toe te schrijven. Echter ook nu blijft de vorm van de nederzetting lastig te bepalen. De weg zal nog steeds een bepalend element in het landschap zijn geweest. Dit blijkt onder meer uit de oriëntatie van de huizen 8006 en 8015 die respectievelijk parallel aan en haaks op de weg zijn georiënteerd. Ook de overige huizen lijken, zij het minder duidelijk, op de weg te zijn georiënteerd (fig. 5.18-4). De plattegronden van de gebouwen uit de Volle Middeleeuwen bleken, op de structuren uit werkput 16 na, zeer lastig te reconstrueren.Voor een deel komt dit omdat er geen sprake lijkt te zijn geweest van een eenduidige bouwtraditie. Huisplattegronden uit deze periode kenmerken zich over het algemeen door een vrij regelmatig grondplan waarbij de het formaat van de gebinten alsook dat van de traveeën uniform zijn. Op de Oostflank lijkt dit niet het geval te zijn. De breedtes van de gebinten komt over het algemeen redelijk overeen, maar de afstand tussen de gebinten en ook het aantal gebinten varieert sterk (fig. 5.23). Het langste huis is huis 8006. De kernconstructie is ruim 17 m lang en wordt gevormd door vijf gebinten met een breedte van ca. 4.3 m.
Hiertegenover staat dat de oudste fase van huis 8009 slechts twee gebinten telde, waarbij de breedte van de gebinten dezelfde afstand had als de lengte van de travee. Deze was 4.3 m. De breedte van de gebinten bij de overige structuren varieert tussen 4.0 en ca. 5.0 m. Het aantal traveeën bedraagt bij deze huizen drie of vier. Het formaat van de gebouwen dat op basis van de plattegronden gereconstrueerd is, loopt uiteen van ruim 20 m voor huis 8006 tot ongeveer 12 m voor de huizen 8009 en 8013. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de oudste fase van huis 8009 mogelijk nog kleiner was. Hoewel alle vol-middeleeuwse structuren zijn beschreven als huizen is het zeker niet uitgesloten dat één of meerdere kleinere gebouwen feitelijk bijgebouwen zijn geweest.Vanwege de onze-
8007 8009-1
8006
8009-2
8013
8015
8010
Fig. 5.23. Wijchen-Oostflank. Overzicht van de volmiddeleeuwse huisplattegronden op de Oostflank.
kerheden over de juistheid van de plattegronden is er echter voor gekozen om de structuren als huizen te bespreken.Verdere nuancering van de aard van de gebouwen zou alleen maar meer speculatie met zich mee brengen. De datering van de vol-middeleeuwse gebouwen is ook niet eenduidig.Voor een aantal huizen geldt dat ze wellicht ook nog in de Ottoonse tijd gedateerd kunnen worden. Het gaat hierbij om de structuren 8007 en 8013. Voor het eerstgenoemde gebouw geldt dat de sporen waterput 7001 oversnijden, waardoor de beide structuren in ieder geval niet gelijktijdig kunnen zijn.Van waterput 7001 is vastgesteld dat de bekisting omstreeks 860 na Chr. in de grond is gezet en dat de waterput tot in de Ottoonse tijd in gebruik zal zijn geweest. Hierdoor lijkt een relatie met het erf uit de Karolingisch/Ottoonse tijd niet waarschijnlijk. Daarom is het gebouw in de vol-middeleeuwse fase van de nederzetting geplaatst. Huis 8013 bevatte eveneens vrijwel geen vondstmateriaal. Onder het vondstmateriaal uit de sporen bevonden zich twee scherven van Elmpter waar. Dit materiaal kent een datering van na 1025. Hierdoor is een datering in de laatste decennia van de Karolingisch/Ottoonse fase van de nederzetting mogelijk. Omdat deze datering samenvalt met het eerste voorkomen van Elmpt ligt een latere datering meer voor de hand.
Aangezien er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor structuren uit de Salische periode (1024-1125) in het plangebied, is ook voor dit gebouw een ruimere datering i.e. de Volle Middeleeuwen aangehouden. Ondanks het feit dat er meer sporen en structuren aan deze fase zijn toegewezen, is het lastig om een beeld te krijgen van de inrichting van de nederzetting in de Volle Middeleeuwen. Zeker is dat er meerdere erven hebben gelegen in het plangebied. Het meest duidelijke erf is dat van de huizen 8006 en 8015. Dit ligt geheel in het westelijke deel. Het erf bestaat uit een tweetal woonstalhuizen (huis 8006 en 8015), twee waterputten (structuur 7005 en 7007) en een roedenberg (structuur 13002). Waterput 7005 heeft twee fasen gehad. Tevens lag op een afstand van 3 m ten zuiden van deze waterput een tweede waterput (structuur 7007) waarvan wordt vermoed dat ook deze put tot het erf van huis 8015 gerekend moet worden. Dit betekent dat het erf gedurende drie gebruiksperiodes van waterputten heeft bestaan. De levensduur van middeleeuwse waterputten wordt geraamd op een periode die gelijk is aan die van het bijbehorende hoofdgebouw. Dit betekent dat het erf de gezamenlijke levensduur van drie putten moet hebben omvat. Dit is aanzienlijk langer dan de gemiddelde levensduur van 30 tot 50 jaar die over het algemeen voor huizen wordt aangenomen.
Aangezien er geen aanwijzingen zijn voor verbouwingen binnen huis 8015 is het mogelijk dat men een voorganger of opvolger op een andere locatie binnen het erf heeft gebouwd. Dit kan huis 8006 zijn geweest. Dit huis is iets groter ligt haaks op de oriëntatie van huis 8015. Een gemeenschappelijk kenmerk van beide huizen is dat ze allebei op de weg zijn georiënteerd. Ook is de afstand van de beide structuren tot de waterputten 7005 en 7007 vrijwel hetzelfde, waardoor het niet onwaarschijnlijk is dat de waterputten aan deze huizen hebben toebehoord. Op grond van de dateringen van het aardewerk uit de beide structuren moet huis 8006 later worden gedateerd dan huis 8015. Op grond van de datering van de tweede fase van waterput 7005 rond de overgang van de 12de naar de 13de eeuw lijkt deze gelijktijdig te hebben gefunctioneerd met huis 8006. Dit impliceert dat huis 8015 ouder is en dat dit huis waarschijnlijk gebruik heeft gemaakt van waterput 7007 en mogelijk de oudste fase van waterput 7005. Het tweede erf uit de Volle Middeleeuwen bevindt zich op dezelfde locatie waar in de voorgaande fase de ijzerovens stonden. Binnen dit erf liggen de structuren 8007 en 8009/8010. De laatstgenoemde structuren liggen zeer dicht op elkaar en hebben dezelfde oriëntatie. Ook huis 8007 heeft dezelfde oriëntatie als deze gebouwen, maar ligt iets verder naar het westen.
Nog een aantal meters richting het westen ligt gebouw 8013 dat mogelijk ook tot dit erf heeft behoord. Het is gezien de nabijheid van de eerste drie genoemde gebouwen tot elkaar niet logisch om aan te nemen dat ze alle drie gelijktijdig hebben bestaan. Waarschijnlijk hebben de gebouwen 8009 en 8010 elkaar opgevolgd. Het is wel mogelijk dat de huizen 8007 en 8010 gelijktijdig hebben bestaan. Of de twee fasen van huis 8009 in de bewoningsgeschiedenis van dit erf voor of na de gebruiksfase van 8007 en 8010 geplaatst moeten worden is niet helemaal duidelijk, maar vermoedelijk is huis 8009 jonger.
De enige waterput die in aanmerking komt om tot dit erf te worden gerekend is waterput 7002.124 Wellicht kan ook put 7003 tot dit erf gerekend worden, maar deze put is op basis van de constructie en de schone vulling aan een oudere bewoningsfase toegewezen. Ook is het mogelijk dat een put die hoort bij dit erf ergens anders gezocht moet worden, maar waar is onduidelijk. Wellicht heeft de waterput verder naar het noorden gelegen en lag de weg op dat moment nog verder noordelijk, maar zeker is dit niet. Ten zuiden van de plattegronden is het terrein onderzocht tot een afstand van meer dan 15 m van de huizen en hierbij is geen waterput aangetroffen. Het is zeer onwaarschijnlijk dat er nog een waterput in het niet onderzochte deel heeft gelegen. Dit deel van het terrein lag, zoals betoogd, hoger dan de omliggende delen van het plangebied en het zou dus onnodig meer werk opleveren om hier een waterput aan te leggen. Men zou dan veel dieper moeten graven. Waterput 7002 bevindt zich op een afstand van 15 tot 20 m van de huizen 8007, 8009 en 8010 en slechts 10 m van huis 8013. Uit de vulling van waterput 7002 is een grote hoeveelheid aardewerk afkomstig die hoofdzakelijk bestaat uit Elmpter waar. Ook het materiaal uit de sporen van huis 8009 bestond voor het grootste deel uit aardewerk uit Elmpt.
Op grond van de datering van beide structuren is het mogelijk dat ze gelijktijdig hebben gefunctioneerd. Wanneer we kijken naar de afstand tussen huis 8013 en 8009 vormt deze geen belemmering om de twee gebouwen als gelijktijdig te zien. In een puur hypothetische reconstructie ziet de bewoning in de Volle Middeleeuwen in het plangebied er als volgt uit: Huis 8015 wordt samen met de huizen 8007 en 8010 tot de vroegste vol-middeleeuwse fase gerekend. Hierbij hoort waterput 7007 bij huis 8015 en is de locatie van de put van het andere erf onbekend (fig. 5.24 a). Ook de twee opslagstructuren uit werkput 16 (13001 en 13002) zijn tot deze fase gerekend. In een volgende fase wordt huis. In een volgende fase wordt huis 8006 opgericht. De waterput die bij dit erf hoort is put 7005 (fig. 5.24 b). Op grond van de overeenkomsten in oriëntatie wordt verondersteld dat de oudste fase van huis 8009 ook in deze periode wordt opgericht. In de laatste fase van de Volle Middeleeuwen wordt huis 8013 opgericht en gaat huis 8009 de tweede fase in. Huis 8006 is dan verdwenen en op de locatie van dit huis wordt een waterput (structuur 7002) met putmik (S6.9) gemaakt (fig. 5.24c). Hoe de bewoning in de overige delen van het plangebied er in de Volle Middeleeuwen heeft uitgezien valt niet te zeggen. Wel wordt ervan uitgegaan dat het volledige plangebied bewoond is geweest.
De sporen die in het zuidelijke deel van het terrein zijn aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek in proefsleuf 3 wijzen op een vrij intensieve bewoning vanaf, in ieder geval, het einde van de Volle Middeleeuwen. Ook de sporen die tijdens de opgraving zijn aangetroffen in het uiterste zuiden wijzen op een datering in de Volle Middeleeuwen. Er zijn, zoals eerder vermeld, aanwijzingen dat het centrale deel van plangebied ook bebouwd is geweest, maar het is onduidelijk in welke mate dit het geval is geweest. De weg die als voorganger van de Oosterweg is beschouwd zal ook nu een structurerend element zijn geweest in de ruimtelijke organisatie van de nederzetting. Ten zuiden van het plangebied wordt eveneens een weg verondersteld. De sporen die tijdens het archeologisch onderzoek op de Oostflank zijn aangetroffen wijzen op bewoning in dit deel. Daarbij komt dat onderzoek van de onderwaterarcheologen van Mergor in Mosam in het Wijchens meer, dat destijds nog een als een afgesneden Maasarm watervoerend en bevaarbaar is geweest, veel materiaal heeft opgeleverd uit zowel de Romeinse periode als de Middeleeuwen.125 Tijdens dit onderwateronderzoek zijn ook vondsten uit deze periode aangetroffen ter hoogte van het plangebied. Het vondstmateriaal uit het Wijchens meer wijst erop dat de middeleeuwse bewoning zich uitstrekte tot de oevers van het meer.
Het is vrij zeker dat ook langs het Wijchens Maasje een weg gelopen. Tezamen met de weg die is aangetroffen in het noordelijke deel van het plangebied ontstaat er een beeld van twee parallelle hoofdwegen waartussen de bewoning plaatsvond en een kerk heeft gestaan. Dit zijn kenmerken van zogenaamde esdorpen met een gestrekte hoofdvorm. Op basis van Hierbij is ervan uitgegaan dat de toewijzing van de
8006 en 8015 correct is.
124
waterputten 7005 en 7007 aan het erf van de huizen
Seinen 2011.
125
178.580
424.225
A
13001
0
8016
12.5 m
13001 7007 8007 424.150
8010
178.480 178.580
424.225
B 0
8006
12.5 m
7005
424.150
8009
178.480 178.580
424.225
C 0
12.5 m
7002
8009
424.150
8013
178.480
Fig. 5.24. Wijchen-Oostflank. Hypothetische fasering van de nederzetting in de Volle Middeleeuwen. A fase 1; B fase 2; C fase 2.
het beeld dat tijdens het onderhavig onderzoek is ontstaan, wordt gedacht dat Wijchen van oorsprong een dorp van dit type is. Het is onduidelijk of we in deze periode nog spreken van een nederzetting met losse erven of dat de bewoning al een meer urbaan heeft gehad. Dit kon helaas tijdens de opgraving op de Oostflank niet worden vastgesteld.
5.5.2.5 Fase 5 Late Middeleeuwen In de Late Middeleeuwen is het plangebied ook zeker bewoond geweest, al kon de locatie van de gebouwen niet worden vastgesteld (fig. 5.18-5). Het is mogelijk dat de gebouwen op stiepen waren gefundeerd, waardoor de locatie van de huizen niet kon worden vastgesteld. De enige structuur die met zekerheid aan de Late Middeleeuwen moet worden toegewezen is waterput 7004. De bekisting van deze put bestond uit een ingegraven wijnton. De planken hiervan konden door middel van dendrochronologisch onderzoek worden gedateerd. Het bleek dat de boom waaruit de planken voor de ton waren gezaagd, gekapt moet zijn na 1412 na Chr. De ton zal enige jaren later zijn ingegraven als bekisting van de put. Deze datering in de 15de eeuw wijst nadrukkelijk op de aanwezigheid van een erf in deze fase van de Middeleeuwen. Een andere groep sporen die wellicht tot één structuur hebben behoord zijn de kuilen 25018 en 25026-25028. Deze sporen zijn aangetroffen in de werkputten 12 en 16 en hebben allemaal een zeer kenmerkende donkere vulling. Daarbij komt dat de kuilen 25018 en 25026 allebei duidelijke uitgraafkuilen vertonen. Het eerste genoemde spoor lijkt ook meerdere keren te zijn uitgegraven, waardoor een interpretatie als paalkuil minder waarschijnlijk is. Anderzijds vormen de sporen een soort vierkant. Dit lijkt weer te duiden op een soort constructie van palen.
Deze stonden dan wel ver uit elkaar; het vierkant heeft een afmeting van 8 bij 6 m. Het is dus onduidelijk waar de sporen voor hebben gediend. Tot slot dient opgemerkt te worden dat ook de laat-middeleeuwse nederzetting zich tot in het zuidelijke deel van het plangebied zal hebben uitgestrekt. Dit blijk onder andere uit de sporen die zijn aangetroffen in werkput 3 van het proefsleuvenonderzoek. Echter tijdens de opgraving zijn resten uit deze periode vrij schaars in dit deel van het terrein. Dit lijkt echter eerder te moeten worden verklaard als het gevolg van (sub-) recente verstoringen dan als een afwezigheid van bewoning in de Late Middeleeuwen. In het zuidwestelijke deel van het opgegraven areaal is sprake van een zeer grote recente verstoring waardoor het niet mogelijk was een relatie te leggen met de sporen in werkput 3 van het proefsleuvenonderzoek. Daarnaast geldt dat de bodem verder naar het oosten verstoord was als gevolg van afgravingen in een recenter verleden. Hierbij zullen de laat-middeleeuwse sporen ook zijn vergraven.
5.5.3
conclusie
Uit de analyse is gebleken dat vrijwel alle archeologische perioden binnen de middeleeuwen in meer of mindere mate zijn vertegenwoordigd. Hoewel het aantal gebouwen bij lange na niet genoeg is om een volledige aaneengesloten bebouwing van het plangebied te veronderstellen, gaan we er wel vanuit dat het plangebied deel uit maakte van een continu bewoonde nederzettingskern vanaf de laat-Romeinse tijd tot en met de Late Middeleeuwen. Deze veronderstelling is gebaseerd op een aantal grotere elementen buiten het plangebied en de vroegste historische vermelding van Wijchen in de 11de eeuw na Chr. Als eerste is daar het grote grafveld Wijchen-Centrum. Dit was in gebruik vanaf de laat-Romeinse tijd tot en met de eerste helft van 7de eeuw na Chr.126 Vervolgens wordt het grafveld verlaten. Heeren en Hazenberg achten het echter onwaarschijnlijk dat het gebied op dat moment ontvolkt raakt, omdat hier helemaal Heeren/Hazenberg 2012, 176.
126
geen archeologische bewijzen voor zijn. Zij veronderstellen een verschuiving van de locatie van het grafveld in de richting van de huidige Antonius Abt kerk van Wijchen en brengen deze verschuiving in verband met de Christianisering van de regio Wijchen-Nijmegen.127 Het ligt voor de hand te vermoeden dat de bewoning in de gebruiksperiode van het grafveld Wijchen-Centrum en het veronderstelde grafveld bij de kerk in de directe omgeving hiervan bevond. Het onderzoek op de Oostflank, maar ook dat op de Tienakker en op de Westflank hebben aangetoond dat deze bewoning inderdaad rondom het grafveld gezocht mag worden. Aangezien het hier gaat om een in ruimte beperkt gebied waarvan de gebruikers hun doden in een communaal grafveld begroeven kan hier gesproken worden van één nederzetting. In de Karolingische periode wordt het gebied ter hoogte van het Merovingische grafveld in gebruik genomen als nederzetting en dit blijft zo tot in de Late Middeleeuwen. In deze periode zal een voorganger van de kerk ook zeker bestaan hebben. Wanneer het vermoeden van Heeren en Hazenberg, dat het laat-Merovingische grafveld vanuit het oogpunt van Christianisering is verplaatst naar de locatie van de huidige kerk, klopt, dan zal hier ook in de Karolingische periode een kerk hebben gestaan.
Theoretisch is het ook mogelijk dat de kerk in de Karolingische periode op een andere locatie stond, maar dit acht ik niet waarschijnlijk. Te meer omdat het vrij zeker is dat een houten voorganger van de huidige kerk in de Ottoonse tijd zal hebben bestaan. Deze kerk zal zijn uitgegroeid tot de 11de-eeuwse kerk waarvan het bestaan historisch is gedocumenteerd. Het mag mijns inziens dan ook worden aangenomen dat vanaf de laat-Merovingische periode de kerk een centrale rol heeft vervuld binnen de nederzetting. Gezien de korte afstand van het plangebied tot de kerk en de veronderstelde weg die al in de Karolingisch/Ottoonse tijd door het plangebied loopt lijkt een relatie tussen de nederzettingssporen in het plangebied en de kerk evident. Wanneer Wijchen in de 11de eeuw voor het eerst in de historische bronnen verschijnt, zal het dorp dus al enige eeuwen hebben bestaan. Een deel van dit dorp zal binnen het plangebied hebben gelegen. Deze ontwikkelingen maken het zeer aannemelijk dat het plangebied een continue bewoningsgeschiedenis heeft gekend vanaf de laat-Romeinse tijd tot en met de Late Middeleeuwen. In de synthese zal verder op deze continuïteit worden ingegaan. In de laat-Romeinse tijd en in de Merovingische periode bestaat de nederzetting uit ruimtelijk gescheiden erven.
In het verdere verloop van de Middeleeuwen groeide het bevolkingsaantal groeien en is er een clustering van de bewoning waar te nemen. Hierbij zullen de kerk, maar ook de wegen die richting de kerk liepen belangrijke structurerende elementen zijn geweest. Het is goed mogelijk dat de nederzetting in de Karolingisch/Ottoonse tijd en de latere periodes langs deze wegen heeft gevormd en uitgebreid. Of de vorm van de bewoning hierbij is veranderd van losse erven naar een meer georganiseerde nederzetting is op grond van het onderzoek op de Oostflank helaas niet te zeggen.
5.6
sporen uit de nieuwe tijd
Wanneer het dorp dat in de eerste historische vermelding van Wijchen als hetzelfde dorp wordt beschouwd als het huidige Wijchen, zouden de sporen uit de Nieuwe Tijd eigenlijk ook in de voorgaande paragraaf besproken moeten worden, daar het strikt genomen om dezelfde vindplaats gaat. Omdat de aard en de vorm van de nederzetting of het dorp structureel anders is in de Nieuwe Tijd in vergelijking tot de Middeleeuwen, worden de beide perioden in aparte paragrafen besproken. De Nieuwtijdse sporen vallen buiten de selectiecriteria voor de analyse, maar zijn hier voor de volledigheid toch opgenomen. Het vondstmateriaal uit deze kuilen is in principe niet geanalyseerd, maar tijdens de waardering wel voorzien van een datering. Sporen uit de Nieuwe Tijd zijn binnen het plangebied schaars. Ze zijn aangetroffen in de werkput 16 in het noordwestelijke deel van het plangebied en in werkput 5 in het zuidelijke deel van de opgraving Heeren/Hazenberg 2012, 177.
127
Fig. 5.25. Wijchen-Oostflank. Foto van structuur 25024 uit de Nieuwe Tijd (Foto:ADC-archeoprojecten).
25025 25024
18002
Fig. 5.26. Wijchen-Oostflank. Uitsnede van het kadastraalminuutplan uit 1832 met hierop de Nieuwtijdse sporen.
(fig. 5.18-6). De sporen in het noordelijke deel bestaan uit grote rechthoekige kuilen (structuren 25024 en 25025) met afgeronde hoeken en een lengte van meer dan 2 m. De sporen hadden zeer zwarte vullingen waarin een dikke leemlaag aanwezig was (fig. 5.25). De kuilen kunnen op grond van het hieruit verzamelde vondstmateriaal worden gedateerd in de 19de eeuw. Wellicht geldt hetzelfde voor de sporen in werkput 5. Hier zijn verschillende vierkante spoortjes aangetroffen die waarschijnlijk een hekwerk hebben gevormd. De spoortjes hadden afmetingen van ca. 35 bij 35 cm en lagen gemiddeld 2.0 m uit elkaar. Het hekwerk markeerde waarschijnlijk een perceelscheiding die op de kadastrale kaart uit 1832 is weergegeven (fig. 5.26). De kuilen uit werkput 16 behoorden waarschijnlijk tot het erf van het huis dat op de kadastrale kaart als perceel 360 staat weergegeven.
6
prehistorisch handgevormd aardewerk Erik Drenth/Rob Houkes, m.m.v. Aline Sinke128
6.1
inleiding
Bij het archeologische onderzoek naar de vindplaats Wijchen-Oostflank zijn bijna 24 000 stuks aardewerk met een gezamenlijk gewicht van ca. 214 kg gevonden.129 Een substantieel deel daarvan is prehistorisch. Een beredeneerde steekproef daaruit, in totaal 2883 stuks met een gezamenlijk gewicht van 38878.6 g, is nader bestudeerd overeenkomstig het PvE onderzocht op de volgende aspecten: - intrinsieke eigenschappen; - typologie; - datering en culturele affiliatie; - interculturele contacten; - technologische aspecten; - gebruik; - afdanking en depositie; - ruimtelijke en contextuele verspreiding. De resultaten van deze deelonderzoeken zijn gebruikt ter beantwoording van de onderzoeksvragen inzake de aard van de vindplaats en de bewonings-/gebruiksduur van de locatie (zie bijlage 2). In dit hoofdstuk komen de voornaamste bevindingen met betrekking tot bovengenoemde thema’s ter sprake. Daarbij is de tekst gestructureerd op basis van de (archeologische) context en chronologie. Wat het eerstgenoemde betreft, is een tweedeling gemaakt tussen 1) het ven en 2) de overige delen van het plangebied. Bij de bespreking van het ‘restgebied’ zijn enkele contexten eruit gelicht.
Bij het tweede structurerende element is in beginsel de opdeling van de Nederlandse prehistorie in archeologische culturen gevolgd.130 Wanneer dit om wat voor reden dan ook niet mogelijk bleek, is de periode-indeling van het handboek Nederland in de prehistorie aangehouden, een chronologische onderverdeling die tevens in het Archeologisch Basis Register te vinden is.131 Voorafgaande aan de presentatie van de onderzoeksresultaten volgen thans een uiteenzetting over de gehanteerde methodes bij zowel het veldwerk als de aardewerkanalyse en een toelichting op en verantwoording van de selectie die voor deze analyse is gemaakt. De volgende paragraaf, 6.3, bespreekt buitendien beknopt de conservering en gaafheid van het aardewerk.
6.2
v e r z a m e lw i j z e , s e l e c t i e e n m e t h o d e n
6 . 2 . 1 v e r z a m e lw i j z e
Zoals in hoofdstuk 2 uiteengezet is, zijn de gehanteerde verzamelmethoden divers van aard. De tabellen 6.1 en 6.2 geven desalniettemin aan dat de hoofdmoot van de bestudeerde keramische vondsten, zowel in termen van aantal als gewicht, gedaan zijn bij het zeven en het afwerken van grondsporen. Niet alleen een deel van het ven is gezeefd (vakken van 1 x 1 m), maar een deel van de inhoud van grondsporen en een deel van de natuurlijke lagen op de flank van het duin ter plekke van de werkputten 2, 4 en 5 zijn gezeefd.132
Achtereenvolgens werkzaam bij ArcheoMedia, De
schuldigd aan dr. J.A. Bakker (Baarn).
128
Litholoog (als zelfstandige) en VUhbs archeologie. Voor de totstandkoming van deze bijdrage is dank ver-
129
Zie in dit verband Louwe Kooijmans et al. 2005.
130
Van den Broeke et al. 2005.
131
6.2.2
selectie
Na de basale registratie van de keramiek in termen van aantallen en gewichten per vondstnummer is er, zoals in paragraaf 6.1 aangegeven, een selectie gemaakt voor een gedetailleerde analyse. De reden is dat het ensemble te omvangrijk is voor een uitvoerige studie van elke vondst binnen het huidige kader. Aan de samenstelling van de steekproef lagen vanzelfsprekend de vraag- en doelstellingen uit het PvE ten grondslag, waarbij in het bijzonder rekening is gehouden met het volgende: - De hoge potentie van keramiek als chronologische indicator en het grote belang van een scherpe datering van sporen en structuren. - De vondstrijkdom van het ven. - De aanwijzing tijdens het proefsleuvenonderzoek van een archeologische stratigrafie in het ven, die licht werpt op de typochronologie van Vlaardingenaardewerk.133 - De waarneming tijdens het proefsleuvenonderzoek dat de verspreiding van de diverse potonderdelen (rand, wand en bodem) niet willekeurig is, hetgeen veeleer duidt op een intentionele, doordachte depositie dan wel op een dump.134 De keuze is daarom gemaakt alle keramische vondsten uit (antropogene) grondsporen en een substantiële component van het aardewerk uit het ven en de lagen op het duin nader te onderzoeken. De sortering bij het laatstgenoemde materiaal berustte goeddeels op morfologie.
Dit betekent dat de scherven met relevante informatie over de algehele potvorm en/of vaatwerkonderdelen, zoals randen, nader zijn bestudeerd. Ook applicaties in de vorm van knobbels en oren zijn daartoe geselecteerd. Hetzelfde geldt voor gedecoreerde scherven. Tot slot behoren alle keramische objecten anders dan vaatwerk tot de selectie. Deze categorie vondsten bestaat nagenoeg uitsluitend uit bakplaten. Het nadeel dat door deze werkwijze moeilijker geschat kan worden van hoeveel potten de scherven afkomstig zijn, is voor lief genomen en gezien als een onvermijdelijk kwaad. Zoals gememoreerd in de inleiding, omvat de selectie in totaal 2 883 stuks keramiek, die samen 38878.5 g wegen. De analyse ervan zorgde voor verdere filtering. Bij de nadere beschouwing kwam naar voren dat 25 scherven (mogelijk) Romeins of jonger te zijn135; zij wegen in totaal 192.8 g. Voorts bleek de steekproef 101 stuks gruis (samen 280.3 g) te bevatten. Al deze vondsten zijn in het onderstaande buiten beschouwing gelaten, omdat zij vanwege de datering buiten de studieopdracht vallen dan wel een verwaarloosbare inhoudelijke waarde hebben. Met andere woorden, de onderstaande tekst gaat uit van een assemblage van 2757stuks aardewerk met een totaal gewicht van 38405.5 g. Zij vormen in totaal 2022 keramische ‘eenheden’ (zie onder voor een definitie).
Wat de context betreft, wordt verwezen naar de tabellen 6.1 en 6.2. Bij aanvang van de analyse is, gestuurd door de bepaling in het selectiebesluit, tevens de keuze gemaakt om de nadruk te leggen op het aardewerk uit Vlaardingen-context.136 Het proefsleuvenonderzoek had de onderzoekspotentie ervan al duidelijk gemaakt.137 De opgraving bevestigde dit en daarmee was het bij aanvang van de keramische analyse duidelijk waar de kenniswinst kon worden geboekt. Het prehistorische aardwerk uit jongere contexten is wel geanalyseerd, maar wordt in dit hoofdstuk minder uitvoerig besproken.
Het zeven van de lagen had tot doel het traceren van een
133
mesolithische vindplaats in het gebied. De neolithische
134
vondsten die hierbij zijn verzameld, moeten worden
135
132
Drenth/Chtcheglov 2012, 39-41. Ibidem, 41. Anders gezegd, materiaal met een begindatering van Romeinse tijd of jonger is buiten beschouwing gelaten.
gezien als bijvangst. Het overige neolithische vondstma-
Mietes 2014, 8.
teriaal dat afkomstig is uit lagen op het duin is handmatig
136
door middel van schaven verzameld.
137
Drenth/Chtcheglov 2012.
verzamelwijze
totaal
zeven
bigbag
monstername
profiel
couperen
afwerken
vlakvondst
aanleg
onbekend
context cultuur-/vondstlaag
-
-
-
-
1
-
-
-
-
1
laag
19
51
139
2
2
3
11
270
95
592
natuurlijke laag
18
78
14
211
6
7
4
891
15
1244
greppel
-
-
-
-
1
-
-
-
-
1
kuil
-
37
28
196
222
7
9
41
36
576
natuurlijke verstoring
-
2
-
-
-
-
-
-
-
2
paalkuil
-
16
17
48
117
5
20
93
13
329
wandgreppel
-
1
-
-
-
-
-
-
-
1
waterput
-
-
-
-
4
-
-
-
-
4
vervallen
-
2
-
1
-
-
-
-
-
3
onbekend
-
2
-
-
-
-
-
2
-
4
totaal
37
189
198
458
353
22
44
1297
159
2757
monstername
136.4
-
-
-
-
136.4
27.4
37.3
147.0
132.1
4829.1
951.3
9078.5
natuurlijke laag
444.0
1492.0
173.1
3572.7
34.2
105.6
51.3
12303.1
180.2
18356.2
-
-
-
-
10.5
-
-
-
-
10.5
kuil
-
689.1
583.9
1347.1
2734.6
92.7
91.3
432.2
366.3
6337.2
natuurlijke verstoring
-
16.1
-
-
-
-
-
-
-
16.1
totaal
-
1562.2
zeven
-
1094.2
bigbag
-
297.9
profiel
ccuperen
-
laag
aanleg
afwerken
vlakvondst
onbekend
verzamelwijze
Tabel 6.1. Wijchen-Oostflank. Aantal geanalyseerde keramiek geordend naar context en verzamelwijze.
context cultuur-/vondstlaag
greppel
paalkuil
-
272.1
351.1
698.8
1574.8
58.7
165.2
1057.9
93.7
4272.3
wandgreppel
-
7.4
-
-
-
-
-
-
-
7.4
waterput
-
-
-
-
112.4
-
-
-
-
112.4
vervallen
-
33.7
-
5.2
-
-
-
-
-
38.9
onbekend
-
22.1
-
-
-
-
-
17.5
-
39.6
741.9
3626.7
2670.3
5651.2
4640.2
404.0
439.9
18639.8
1591.5
38405.5
totaal
Tabel 6.2. Wijchen-Oostflank. Gewicht (g) van de geanalyseerde keramiek geordend naar context en verzamelwijze.
6.2.3
m e t h o d e n e n w e r kw i j z e
De keramische vondsten zijn onderworpen aan een macroscopische studie en de gegevens zijn ingevoerd in een database. Het materiaal is individueel of op groepsniveau beschreven. De criteria voor een gezamenlijke beschrijving waren tweeërlei. Ten eerste moest het vondstnummer ofwel de administratieve gegevens hetzelfde zijn. Voorts was de voorwaarde dat te oordelen naar de intrinsieke kenmerken aardewerkfragmenten zeker of waarschijnlijk van hetzelfde object afkomstig zijn. Er moest sprake zijn van ‘(scherven)families’.138 Van elke keramische ‘eenheid’ – hier ook wel waarneming genoemd − zijn het aantal en het gewicht (in grammen, met een nauwkeurigheid tot op één cijfer achter de komma) geregistreerd. Het leeuwendeel van het geanalyseerde materiaal bestaat uit fragmenten van vaatwerk.Van deze fragmenten is een uitgebreide reeks kenmerken vastgelegd, althans voor zover die voorhanden was en de registratie mogelijk was. Het gaat in de eerste plaats om morfologische aspecten. Geregistreerd is de algehele potvorm, waarbij de classificatie van Van den Broeke in open vormen, gesloten vormen en gesloten vormen met hals is gevolgd.139 Daaraan is in beginsel toegevoegd of het vaatwerk een-, twee- of drieledig is. Zo mogelijk is voorts een nadere specificatie van de halshoek gegeven, dat wil zeggen dat de hoek die de hals ten opzichte van de as van de pot maakt.
Omdat die vooral bij kleinere fragmenten moeilijk exact te bepalen valt, is gekozen voor intervallen, ofschoon een volledig rechtop staande hals (0º) wel een optie is. Een andere consequentie van deze metrische onzekerheid is dat de hoogte van de hals, die eveneens in beginsel telkens is vastgelegd, hier een synoniem is voor de halslengte. Strikt genomen betekenen beide echter iets anders. Een vaste variabele is verder de (gereconstrueerde) randdiameter. Deze is telkens aan de buitenzijde bepaald. Informatie inzake bodemdiameters is genoteerd in het veld ‘opmerkingen’. In tegenstelling tot het voornoemde waren nagenoeg alle scherven te sorteren op potonderdelen. Daarbij is de klassieke classificatie gebruikt van: - rand (met, zo mogelijk, een specificatie van de vorm), - wand, - bodem (met, zo mogelijk, mogelijk een specificatie van de vorm).
Per keramische eenheid, zoals hierboven gedefinieerd, zijn de volgende aspecten opgetekend: - de gemiddelde wanddikte (in mm), - de verschraling, - de oppervlakteafwerking, - de versiering (versieringstechniek, motief en plaats op pot), - het voorkomen van applicaties (aard (knobbel/oor) en de plaats op pot), - de kleur op dwarsdoorsnede, - technologische karakteristieken over de opbouw van het vaatwerk, - het feit of een scherf onverbrand dan wel (secundair) verbrand is, - het voorkomen van aankoeksel en de positie (buiten- en/of binnenzijde). Een aantal van deze variabelen behoeft verdere toelichting. Van de verschraling is, indien deze aanwezig was, aangegeven welke soort of soorten zijn gebruikt. Zandverschraling is in zoverre een punt van discussie dat opzettelijke toevoeging niet met zekerheid vast te stellen is, aangezien zand van nature aanwezig kan zijn in klei.Verder is de afmeting van het grootste verschralingspartikel (per verschralingssoort, met uitzondering van zand) aangegeven
De database kent daarom een veld dat het aantal ‘aarde-
dit op het niveau van het vondstnummer is.
138
werkfamilies’ vermeldt. Benadrukt dient te worden dat
Van den Broeke 2012.
139
Bij het onderdeel ‘oppervlakteafwerking’ is zowel naar de buiten- als binnenkant van het aardewerk gekeken, waarbij een onderscheid is gemaakt tussen: - gepolijst (het oppervlak heeft een glad én (hoog) glanzend karakter); - glad; - glad, hobbelig; - besmeten; - ruw. Daarnaast is genoteerd, wanneer een scherf een (duidelijk) verweerde buiten- en/of binnenkant heeft. Bij de kleur van een scherf op de dwarsdoorsnede is een onderscheid gemaakt tussen ‘oxiderend’ (O), ofwel lichte tinten, en ‘reducerend’ (afgekort tot R) dat wil zeggen donkere tinten. Aldus kan de kleuropbouw aangegeven worden, waarbij telkens begonnen wordt met de (veronderstelde) buitenzijde. Zo staat ORO voor een lichte buiten- en binnenzijde en een donkere kern en betekent OR dat een tweedeling met een lichte buitenzijde en een donkere binnenkant. Deze gegevens zijn bij de uitwerking uitsluitend gebruikt om vast te stellen of een aardewerkfragment al dan niet (secundair) verbrand is. Wanneer aardewerk extra verhit raakt, gaan oxiderende en grijze kleuren overheersen. Daarnaast kan het aardewerk poreus worden, kunnen blaasjes optreden en potvormen verwrongen raken. De kleur op de dwarsdoorsnede is in principe informatief over het bakmilieu.140 Een lichte kleur reflecteert een zuurstofrijk milieu, een donkere kleur zuurstofarme omstandigheden.
Bij een scherf met als kleur op de breuk ORO, om een voorbeeld te geven, waren de bakomstandigheden zuurstofrijk of zuurstofarm, maar werd tijdens het afkoelen de keramiek aan lucht blootgesteld. Echter niet in die mate dat het organische materiaal in de klei door oxidatie volledig verdwenen is, zodat (mede) daarom een donkere kern aanwezig is. Verder zijn (eventuele) sporen van een potopbouw uit lappen of rollen klei genoteerd. In het laatstgenoemde geval zijn naar Louwe Kooijmans H-, N- en Z-voegen onderscheiden.141 Zij geven aan of de rollen klei achtereenvolgens recht, schuin of zeer schuin bij de constructie van vaatwerk aaneengehecht zijn. De keuze om een steekproef uit de gehele aardewerkpopulatie onder de loep te nemen en niet het totaal maakt het begrijpelijk waarom de nadruk bij de analyse niet heeft gelegen op het aaneenpassen van materiaal. Dit betekent dat binnen de verschillende vondstnummers slechts vluchtig gezocht is naar ‘passers’. Het determinatiewerk is verricht door drie personen (de beide auteurs en A. Sinke). Daardoor bestaat de kans op een heterogeen of, wellicht beter, versnipperd en vertekend beeld. Het is immers een bekend gegeven dat subjectiviteit bij archeologisch onderzoek een niet te onderschatten rol kan spelen. Orton et al.
illustreren dit fraai met tekeningen die door diverse personen van dezelfde pot zijn gemaakt.142 Tussen deze tekeningen bestaan opmerkelijke en significante verschillen. Indachtig deze discrepanties is onderzocht in hoeverre de determinatie van het aardewerk uit Wijchen-Oostflank door drie verschillende onderzoekers leidt tot consistente resultaten. Deze controleslag aan de hand van 358 stuks aardewerk concentreerde zich op het voorkomen van naar binnen afgeschuinde randen, de gemiddelde wanddikte, de hoogte van de hals, de aard van de verschraling, de kleur op de breuk en de aanwezigheid van voegen. Wat het tweede aspect betreft, zijn er nauwelijks verschillen gevonden. De mate van correspondentie was meer dan 95%. Over de andere variabelen liepen de meningen vaker uiteen. Dit heeft ertoe geleid dat er nogmaals kritisch is gekeken naar de vermeende verschraling van het aardewerk met chamotte en/ of organisch materiaal; de database is op dit punt aangepast. Met als gevolg dat de herbeschouwing het Vlaardingenaardewerk zo goed als ‘beroofd’ heeft van beide soorten verschaling, terwijl zij bij de eerste determinatie zo’n 10% van het totaal uitmaakten. Beide soorten verschraling bleken bij nadere beschouwing onterecht genoteerd te zijn.