Bijlage 11: Opgraving Oostflank (ZAR 69)
Tekst van het document
was gezien. De sporen van het Bronstijdhuis vormden
aanwijzingen.
echter een belangrijk onderdeel van de kernconstructie.
POZ-42099, 1130 ±30 BP
Met het wegvallen van deze sporen bleek de reconstruc-
83
tie van het mogelijke neolithische gebouw niet meer
84
POZ-81666, 1155 ±30; BP POZ-81668, 1145 ±30 BP.
sn
str.
eind
kapinterval
type
6.8
7002
A
4.33
7003
A1
1.85
7001
844
rond 860 (850 – 874)
C
6.111
7004
1405
na 1411
D
6.111
7004
1406
na 1412
D
6.111
7004
1390
na 1396
D
6.111
7004
1403
na 1412
D
6.116
7006
542
rond 558 (548 – 572)
C
Tabel 4.2.Wijchen-Oostflank. Overzicht van de dendrochronologische dateringen op hout dat in principe geschikt was voor een datering. De eerste twee stukken zijn vervaardigd uit lokaal gegroeid hout waarvan het ringenpatroon nog niet in de bestaande curves te passen was.
4.4
d e n d r o c h r o n o lo g i s c h e dat e r i n g e n
Tijdens het onderzoek zijn verschillende stukken hout aangetroffen. Een deel hiervan is afkomstig uit de vullingslagen van het ven. Het ging hierbij uitsluitend om stukken naaldhout en leende zich niet voor dendrochronologisch onderzoek. Alle waterputten die tijdens de opgraving zijn onderzocht, beschikten over een bekisting van eikenhout in de vorm van een uitgeholde boomstam, of in het geval van structuur 7004, een ingegraven wijnton.86 Van alle bekistingen is een stuk uitgezaagd en ter datering overgedragen aan Sjoerd van Daalen. Deze heeft vastgesteld dat het merendeel van het hout zich niet meer leende voor dendrochronologisch onderzoek omdat de stukken hout over te weinig jaarringen beschikten. Een aantal stukken kon wel worden gedateerd. De uitkomsten van deze dateringen zijn weergegeven in tabel 4.2. Deze dateringen bleken van groot belang voor de interpretatie van de vindplaats. Vanwege het feit dat veel sporen over elkaar lagen, gebouwstructuren moeilijk te identificeren waren en een relatief kleine hoeveelheid dateerbaar vondstmateriaal was aangetroffen, bestond lange tijd het beeld dat het zwaartepunt van de bewoning in de Volle Middeleeuwen en de latere perioden lag. Het oudere materiaal werd als ruis gezien van nabijgelegen, niet onderzochte vindplaatsen.
De dendrodateringen van waterput 7001 en 7006 hebben laten zien dat ook dit materiaal wel degelijk heeft behoord tot erven uit de Merovingische en Karolingische periode. Deze kwamen namelijk uit in respectievelijk 565 en 860 na Chr. De laatste succesvolle dendrochronologische datering is afkomstig van de planken van de wijnton uit waterput 7004. Deze ton moet na 1412 na Chr. zijn gemaakt, en zal zeker pas enkele jaren later zijn gebruikt als bekisting voor de waterput. Hiermee moet het spoor dus worden gedateerd in de Late Middeleeuwen.
POZ-83898, 959±30 BP.
tweede fase van deze waterput. De andere waterput is
Voor de waterputten die tijdens de begeleiding zijn
niet volledig onderzocht. Waarschijnlijk beschikte deze
onderzocht, geldt dat de bekisting uit waterput S16.59
put over een eikenhouten bekisting in de vorm van een
(structuur 7004) was verwijderd bij de aanleg van de
uitgeholde boomstam.
85 86
A
B
C
D Fig. 5.1. Wijchen-Oostflank. Foto’s ter illustratie van de conservering van de sporen. A coupe van een deel van de palenrij rond het ven in werkput 3; B coupe van enkele paalkuilen ten noorden van het ven in werkput 5; C coupe van een paalkuil S3.59 van huis 8002; D aanzicht van de neolithische cultuurlaag in werkput 5.
5
sporen en structuren
5.1
inleiding
Tijdens het veldwerk zijn 2 670 spoornummers uitgedeeld (tabel 5.1). Het gaat hierbij om antropogene sporen van zowel archeologische als recente aard en om bodemlagen. De antropogene sporen zijn aangetroffen op verschillende vlakken en stammen uit het Neolithicum, de Bronstijd, de laat-Romeinse tijd, de Vroege tot en met de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. De datering van de sporen is voor het grootste deel bepaald aan de hand van de datering van het hierin aangetroffen vondstmateriaal. Indien de sporen aan een structuur konden worden toegekend zijn ze, wanneer dit mogelijk was, gedateerd aan de hand van de structuurdatering. Naast de hiervoor genoemde perioden kunnen ook sporen uit de IJzertijd en de vroege en middenRomeinse tijd binnen het plangebied hebben gelegen. Vondsten uit deze perioden zijn namelijk wel gevonden binnen het plangebied, maar dit materiaal is niet afkomstig uit antropogene sporen. Echter een heel groot aantal sporen bevatte geen of niet dateerbaar vondstmateriaal. Het is dus niet uitgesloten dat hieronder ook sporen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd aanwezig zijn.
spoortype
aantal
(sub)recente sloot
1
boomval
9
greppel
47
karrenspoor
5
kuil
397
laag
131
natuurlijke laag
128
natuurlijke verstoring
162
oven
4
overig
1
paalkuil
1511
plaggendek recente verstoring
2 261
spitsporen
1
waterput
10
totaal
2670
Tabel 5.1. Wijchen-Oostflank. Overzicht van het aantal spoornummers per spoortype.
5.2
c o n s e r v e r i n g va n d e s p o r e n
5.2.1
c o n s e r v e r i n g va n d e p r e h i s t o r i s c h e s p o r e n
De conservering van de prehistorische sporen was zeer wisselend te noemen. Het grootste deel van deze sporen stamt uit het Neolithicum. In de van oorsprong nattere zone rond het ven waren de meeste sporen uit deze periode zeer goed geconserveerd (fig. 5.1, a). Dit lijkt het directe gevolg te zijn geweest van de zeer humeuze vulling van de sporen en het feit dat ze lange tijd onder het grondwaterniveau hebben gelegen. Sporen die geen humeuze vulling bezaten en niet tot onder het grondwaterniveau reikten waren een stuk slechter geconserveerd. Het merendeel van deze sporen bestond uit paalkuilen die zich enkel door een wat donkergrijzig vlekje in het witte uitgespoelde zand aftekende. In de coupe was vaak meer zichtbaar van deze sporen, maar ook nu waren de contouren moeilijk te herkennen (fig. 5.1, b). De conservering van de sporen op de hoger gelegen delen van het plangebied was eveneens wisselend. Nu is het zo dat sporen uit het Neolithicum in zandige regio’s over het algemeen zeer slecht tot niet zijn geconserveerd. In de meeste gevallen kenmerken vindplaatsen uit het Neolithicum zich door een vondstenconcentratie die niet gerelateerd kan worden aan structuren.
Tijdens het onderzoek van VUhbs archeologie in Veldhoven-Habraken zijn de enige betrouwbare huisplattegronden in het zand uit deze periode aangetroffen die met enige zekerheid gedateerd zijn.87 Tijdens dat onderzoek is door middel van Van Kampen/Van den Brink 2012.
87
micromorfologisch onderzoek aannemelijk gemaakt dat de zichtbaarheid van sporen uit het Neolithicum afhankelijk is van de hoeveelheid fijn verdeeld verkoold materiaal in de sporen.88 Dit impliceert dat sporen waarin deze deeltjes niet of nauwelijks aanwezig zijn vrijwel of geheel onzichtbaar zijn. Dit scenario lijkt ook deels op te gaan voor de sporen op de Oostflank. De sporen op het duin die op grond van het vondstmateriaal of hun stratigrafische positie als neolithisch zijn aangemerkt bevatten soms met het oog zichtbare deeltjes houtskool (fig. 5.1, c). Deze sporen zullen zeker ook de microscopisch kleine deeltjes hebben bevat die voor de zichtbaarheid van de sporen zullen hebben gezorgd. Gezien de verspreiding van het vondstmateriaal kunnen we er echter vanuit gaan dat het aantal neolithische sporen veel groter is geweest. Deze sporen waren, wellicht vanwege het ontbreken van de kleine fractie verkoold materiaal niet meer herkenbaar aanwezig binnen het plangebied. Ter hoogte van het noordelijke deel van de werkputten 3, 5 en 8 zijn tijdens het veldwerk verschillende sporen op grond van hun vulling als neolithisch aangemerkt. In dit deel van het plangebied bezat de neolithische cultuurlaag (structuur 12001) zeer specifieke uiterlijke kenmerken. Het was een blauwgrijze cultuurlaag waartussen bruine licht humeuze fibers aanwezig waren (fig. 5.1 d).
Onder deze laag zijn verschillende sporen aangetroffen met dezelfde kenmerkende vulling. Van deze sporen werd in het veld gedacht dat het sporen betrof waarbij de paalkuil was verwijderd en de cultuurlaag in het ontstane gat was gezakt.Voor een deel zal dit ook het geval zijn geweest, maar uit de 14C-dateringen is naar voren gekomen dat een aantal van deze sporen in de Bronstijd gedateerd moet worden. De sporen zijn door de cultuurlaag gegraven, maar zijn daarin niet herkend. Tijdens het proefsleuvenonderzoek kon slechts één ander spoor met zekerheid aan deze periode worden toegeschreven. Dit was spoor S1.4 uit proefsleuf 1. Dit spoor was bijzonder goed geconserveerd en bezat een zeer houtskoolrijke vulling. Over het algemeen kan gesteld worden dat de neolithische sporen, voor zo ver deze zijn geïdentificeerd, goed zijn geconserveerd. Hierbij geldt dat de sporen rond het ven over het algemeen beter geconserveerd waren dan de sporen hoger op het duin. De sporen uit de Bronstijd zijn beter geconserveerd. De meeste sporen die aan deze periode zijn toegewezen zijn aangetroffen op de zuidelijke flank van het duin en bestonden hoofdzakelijk uit paalkuilen. Het ven zal in de Bronstijd alleen nog als een soms wat vochtige laagte zichtbaar zijn geweest.
Door de lagen van het ven zijn enkele kuilen gegraven die mogelijk uit de Bronstijd stammen.Vanwege de vochtige omstandigheden ter hoogte van het ven zijn deze sporen goed tot zeer goed geconserveerd.
5.2.2
c o n s e r v e r i n g va n m i d d e l e e u w s e s p o r e n
De sporen uit de Middeleeuwen waren over het algemeen goed zichtbaar. Wel was er voor deze periode sprake van enige verbruining, waardoor sommige sporen pas op een dieper niveau zichtbaar werden. Ook was het zo dat de sporen in de meeste gevallen al sterk gehomogeniseerd waren. Hierdoor konden bij de meeste paalkuilen geen paalkern of andere onderdelen van het spoor worden onderscheiden. Voor de middeleeuwse sporen geldt verder dat de nieuwtijdse verstoringen zeker van negatieve invloed zijn geweest op de conservering (fig. 5.2). Voor de betreffende periode was deze negatieve invloed waarschijnlijk nog groter dan voor de perioden daarvoor. Naast de verstoringen die het gevolg zijn van de bouw- en sloop van de verschillende gebouwen binnen het plangebied is ook de top van het duin en een groot deel van de flank afgegraven. Zowel aan de noord- als aan de zuidzijde van het plangebied zijn sporen aangetroffen die worden toegeschreven aan de middeleeuwse nederzetting. In het tussenliggende stuk ontbreken deze sporen echter volledig. In de stuiflagen die het ven afdekten zijn Van Kampen 2012, 42 met verdere verwijzing naar Huis-
88
man 2013.
424.060
424.230
178.595
178.435
0
25 m
Fig.5.2. Wijchen-Oostflank. Overzicht van de verstoringen binnen het plangebied.
in sommige putten de restanten aangetroffen van paalkuilen. Het ging hierbij echter om zeer ondiepe sporen. Paalsporen uit de Volle en Late Middeleeuwen kenmerken zich door een vrij forse diepte. Het feit dat hier van deze paalkuilen niet meer restte dan enkele centimeters geeft aan dat dit deel van het plangebied tot op grote diepte is verstoord. Dit blijkt ook uit de profielen die zijn gedocumenteerd op de flank. Hierin is sprake van een recent opgebracht/verstoord pakket met een dikte van 0.8 tot 1 m.Verder is in deze profielen en in het vlak duidelijk zichtbaar dat een deel van de natuurlijke ondergrond van de flank is afgegraven. Dit blijkt onder andere uit P5.63 (fig. 5.3). Hier is goed zichtbaar hoe de verstoorde laag over een lengte van nog geen meter zeker 60 cm dikker wordt en hierbij verschillende bodemlagen erosief afsnijdt. Dit is vermoedelijk gedaan ten behoeve van zandwinning. Het is zeer goed mogelijk dat een groot deel van de sporen is verwijderd tijdens deze werkzaamheden. Mede hierdoor en de overige verstoringen is het bijzonder lastig gebleken om structuren te herkennen in het veld, aangezien soms grote delen van gebouwen verstoord waren.
Fig. 5.3. Wijchen-Oostflank. Detail van profiel P5.63. Duidelijk zichtbaar is hoe de cultuurlaag abrupt wordt afgesneden door de verstoring als gevolg van de afgravingen.
5.3
sporen uit het neolithicum
5.3.1
algemeen
Zoals al eerder in dit hoofdstuk is vermeld zijn sporen uit het Neolithicum in zandige regio’s tot op heden een zeldzame verschijning te noemen. In het rivierduinenlandschap waarbinnen Wijchen ligt zijn vindplaatsen uit het Neolithicum vooral bekend aan de hand van vondstspreidingen. Voor zover bekend zijn enkele kuilen in de directe omgeving van Wijchen de enige sporen die met zekerheid in het Neolithicum geplaatst kunnen worden.89 Ook buiten deze regio zijn goed gedateerde sporen uit het Neolithicum vrij zeldzaam, hoewel het aantal vindplaatsen met mogelijke Neolithische sporen in het zand de laatste jaren wel is toegenomen.90 Het feit dat er op de Oostflank zowel sporen als structuren uit deze periode zijn aangetroffen maakt dat het hier vooralsnog om een uniek onderzoek in de regio gaat. De sporen uit het Neolithicum bestaan uit kuilen, paalkuilen en delen van een aantal mogelijke huisplattegronden. Naast deze antropogene sporen zal ook het ven in deze paragraaf worden besproken. Dit is strikt genomen een natuurlijk spoor, maar vanwege het feit dat het door de bewoners van de nederzetting in het Neolithicum intensief is gebruikt, wordt het in dit hoofdstuk besproken.
Teubner/Tuijn 2010, 180-185.
89
Zie o.a. Drenth/Geerts 2013, 60-61; Zuidhof/Bos/
90
Opbroek 2016, 95-96.
5.3.2
fasering
De menselijke aanwezigheid op de Oostflank in het Neolithicum valt uiteen in twee en mogelijke drie perioden. Er is hier bewust niet gekozen voor de term bewoning omdat van de jongste neolithische periode, het Laat Neolithicum, geen bewoningssporen zijn aangetroffen. Uit deze periode zijn primair enkele scherven van klok- en potbekers aangetroffen. Daarnaast is er één kuil (str. 25014) aangetroffen die aan de hand van een hieruit verkregen een 14C-datering in de periode tussen 2338 en 2137 voor Chr. gedateerd kan worden.91 Ook uit een andere kuil die door de vullingslagen van het ven is gegraven (structuur 25019), is een vergelijkbare datering afkomstig.92 Het is dus zeker dat in deze periode mensen actief zijn geweest binnen het plangebied. Het vondstmateriaal en ook de sporen zijn van een dusdanig laag aantal dat hier niet met zekerheid van bewoning gesproken kan worden. De best vertegenwoordigde bewoningsfase binnen het plangebied wordt op basis van de datering van het aardewerk en een drietal 14C-dateringen geplaatst tussen 2900 en 2750 voor Chr. Aan deze periode wordt een aantal mogelijke gebouwplattegronden en een groter aantal kuilen toegeschreven. Ook de fase waarin het ven is gebruikt valt in deze periode.
Daarnaast heeft een paalkuil in werkput 5, S5.311, een oudere datering in het Neolithicum opgeleverd.93 Het is niet duidelijk of deze datering een juiste datering van het gedateerde materiaal weergeeft of dat we hier te maken hebben met een zogenoemd reservoireffect waarbij verkoold materiaal een oudere datering weergeeft dan dat het feitelijk heeft als gevolg van een inname van ouder materiaal gedurende het leven van het organisme. Dit effect treedt voornamelijk op bij visresten, maar het kan ook voorkomen bij andere organismen. Aangezien de datering afkomstig is van niet nader te determineren voedselresten is het goed mogelijk dat de verkregen datering niet representatief is voor het spoor. Anderzijds kan dus niet worden uitgesloten dat de datering wel klopt. In dat geval hebben we te maken met een eerdere fase van menselijke aanwezigheid in het Neolithicum. In een laat stadium van de rapportage, waarbij gekeken is naar de kenmerken van de naastgelegen sporen is besloten om spoor S5.311 toe te kennen aan een palenrij die mogelijk behoorde tot een gebouw. Deze reconstructie is echter hoogst onzeker.
5.3.3
c u lt u u r la ag
In vrijwel alle putten is tijdens het veldwerk een laag aangetroffen met een grote hoeveelheid neolithisch vondstmateriaal (fig. 5.4). De laag kenmerkte zich in het noordelijke deel van het plangebeid door een vrij homogene bruine samenstelling. Waarschijnlijk was dit het gevolg van het verbruiningsproces. Hierdoor was het onderscheid tussen de cultuurlaag en hoger gelegen verbruinde lagen soms moeilijk te maken. Dit is ondermeer het geval geweest in werkput 4, waar de laag die als neolithische cultuurlaag is aangemerkt (S4.267) ook jongere sporen afdekt. Hiervoor zijn echter ook andere verklaringen denkbaar. Het kan zijn er door erosie van hoger op het duin sprake is van een omgedraaide stratigrafie. De laag is dan een geërodeerde cultuurlaag. Een andere mogelijkheid is dat de het verbruiningsproces in de top van de laag verder gevorderd was, waardoor ook het zicht op de doorsnijdende jongere sporen werd ontnomen. Zeker is echter dat de cultuurlaag grote delen van het noordelijke deel van het plangebied bestreek. In het zuidelijke deel is de laag alleen aangetroffen op de hogere delen van de flank. Hier bestond de laag uit blauwgrijs zand waarin bruine licht humeuze fibers aanwezig waren. Het verschil in uiterlijk in de laag tussen het noordelijke deel en het zuidelijk deel kan waarschijnlijk worden verklaard vanuit de positie binnen het plangebied.
De laag in het noorden is gevormd in de top van het rivierduin. Uit onderzoeken op landschappelijk vergelijkbare locaties blijkt dat verbruining vaak voorkomt op rivierdui POZ-81661, 3795 ± 30 BP.
91
POZ-81651, 4485 ± 35 BP.
93
POZ-81657, 3635 ± 35 BP.
92
178.595
424.060
424.230
nen.94 De cultuurlaag in het zuidelijke deel van het plangebied ligt op de flank. Deze flank bestaat deels uit fluviatiel materiaal dat is afgezet door de pleistocene restgeul. Het verschil in samenstelling van de beide lagen dient waarschijnlijk te worden verklaard vanuit een verschil in sediment. Verder richting het ven was de laag als gevolg van de (sub)recente verstoringen niet meer aanwezig, waardoor het helaas niet mogelijk was om de relatie tussen de cultuurlaag en de vondstlagen in het ven in beeld te krijgen. Deze relatie is gezien de overeenkomsten in de datering van het vondstmateriaal dat uit beide structuren is verzameld echter evident.
178.435
5.3.4
gebouwen
0
25 m
Fig. 5.4. Wijchen-Oostflank. De ligging van de cultuurlaag 12001 binnen het plangebied.
Aangezien er geen huisplattegronden uit het Neolithicum uit de regio rondom Wijchen bekend zijn, was het voorafgaand aan het onderzoek niet duidelijk op wat voor spoorconfiguraties gelet moest worden om een huisplattegrond te kunnen herkennen. Tijdens het veldwerk is het dan ook niet mogelijk gebleken om gebouwstructuren te identificeren. Ook tijdens de uitwerking bleek dit een lastige opgave. De tot dan toe bekende plattegronden uit andere onderzoeken elders in Nederland zijn meestal ontdekt tijdens zogenaamde eenvlaksopgravingen waarbij de structuren goed herkenbaar in het vlak lagen. In andere gevallen waren de contouren van de structuren goed zichtbaar omdat de plattegronden nog compleet met een wandgreppel waren overgeleverd. In Wijchen waren geen van deze situaties van toepassing; het ging om een meervlaksopgraving waarbij de sporen uit verschillende perioden door elkaar lagen. Daarbij zijn er vrijwel geen wandgreppels aangetroffen. In de enkele gevallen waar het vermoeden bestond dat het een wandgreppel en sporen betrof was sprake van grote verstoringen die het zicht op eventuele andere sporen van het gebouw belette. Daarom zijn de huisplattegronden (de structuren 8002, 8003 en 8017) die zijn toegeschreven aan deze fase van het Neolithicum in de catalogus gekwalificeerd als plattegronden met een minder grote betrouwbaarheidsklasse (fig. 5.5).
Een kenmerk van huizen uit deze periode lijkt een trapeziumvormig grondplan. Niet alleen in het geval van Veldhoven, maar ook bijvoorbeeld in Zeewijk-Oost en in mindere mate Haamstede-Brabers en Boxmeer-Sterckwijck, vertonen de gebouwplattegronden een trapeziumvormig grondplan. Dit gemeenschappelijke kenmerk van de bekende plattegronden heeft ertoe geleid dat ook voor Wijchen-Oostflank trapeziumvormige plattegronden verwacht werden. Een dergelijke vorm wordt ook teruggezien in de plattegrond van huis 8002 (fig. 5.6, a). Deze plattegrond bestaat uit een aantal delen van wandgreppels en wat wandpalen van de zuidelijke lange wand. Ook is een aantal middenstijlen overgeleverd. De noordelijke helft en mogelijk een deel van de het westelijke uiteinde is verloren gegaan door recente verstoringen. Hierdoor is het lastig om de reconstructie van dit huis te verifiëren. Het gebouw ligt ongeveer 20 m ten noorden van het ven en heeft dezelfde oriëntatie. Deze relatie met het ven kan tevens als validerend argument voor de plattegrond worden gebruikt. Uit het onderzoek van Veldhoven-Habraken Zie o.a. Boreel in voorb.
94
A
B
C
Fig. 5.5. Wijchen-Oostflank. Delen van mogelijke huizen uit het Neolithicum. Schaal 1:200.
blijkt bijvoorbeeld dat de oriëntatie van de gebouwen werd ingegeven door het microreliëf van het landschap. De oriëntatie van de plattegronden op de Oostflank die als neolithisch zijn geïnterpreteerd lijkt te zijn ingegeven door het reliëf van het rivierduin dat ter plaatse een oost-westelijke oriëntatie heeft. Daarbij vertoont het grondplan van huis 8002 ook overeenkomsten met een plattegrond uit Veldhoven-Zilverackers/Oerle-Zuid (fig.5.6, b).95 De plattegrond uit Oerle-Zuid bestaat uit een tweetal wandgreppels die een sigaarvormige structuur vormen. Over de centrale as van de plattegrond zijn verschillende middenstaanders waargenomen. De plattegrond uit Oerle is echter niet gedateerd aan de hand van 14C-onderzoek of directe aardewerkdateringen, maar is vooral op grond van de overeenkomsten met de gedateerde plattegrond van huis 1 in Veldhoven-Habraken, als gelijktijdig met de daar gevonden plattegronden beschouwd (fig. 5.6, c).96 Opvallend bij de plattegrond uit Veldhoven-Habraken zijn de palen die aan het zuidelijke einde van de lange wanden naar binnen staan. Ook bij huis 8002 is een dergelijke plaatsing van de palen waargenomen in de vorm van spoor S3.59.
Een 14C-datering van een verkoolde twijg uit de wandgreppel van huis 8002 in Wijchen heeft een datering opgeleverd tussen 2873 en 2588 voor Chr.97 Deze datering sluit zeer goed aan op de resultaten van het aardewerkonderzoek, maar ook op de dateringen van de plattegronden uit Veldhoven-Habraken. De andere mogelijke plattegrond bevindt zich in het zuidelijke deel van werkput 4. In het veld was hier een vrij duidelijke greppel aanwezig met daarin enkele ondiepe paalkuilen. Zowel naar het oosten als naar het noorden kon de plattegrond niet verder worden gevolgd, aangezien hier de grenzen van het plangebied lagen. Richting het westen zijn geen sporen meer waargenomen. Dit kan echter komen door de zichtbaarheid van de sporen enerzijds en het feit dat een deel van het oorspronkelijke reliëf hier is verdwenen als gevolg van latere egalisaties, anderzijds. De oriëntatie van de sporen is noordwest-zuidoost. Deze richting komt overeen met die van huis 8002. Hissel 2012, 166-167.
95
POZ-81650, 4135 ± 35 BP.
97
Hissel 2012, 166-167; Van Kampen 2012, 44-45.
96
A
B
C
Fig. 5.6.Wijchen-Oostflank.Vergelijkbare neolithische huisplattegronden. A huis 8002 uit Wijchen; B huis 1Neo uit Oerle-Zuid ( Hissel et. al. 2012, 166, fig. 5.30); C huis 1 Veldhoven-Habraken (Van Kampen/Van den Brink 2013, 44, fig. 5.3). Schaal 1:400.
De sporen van een andere mogelijke huisplattegrond, structuur 8017, uit het Neolithicum zijn aangetroffen in werkput 5. Uit één van de sporen, S5.311, is een 14C-datering afkomstig die bij een standaarddeviatie van 2 σ uitvalt tussen 3340 en 3031 voor Chr.98 Hiervoor is de betrouwbaarheid van dit monster reeds besproken. Bij nadere bestudering van de omliggende sporen is echter besloten om de mogelijkheid dat het spoor tot een structuur hoort te bespreken. Over de juistheid van de structuur bestaan echter grote twijfels. Het gaat hierbij om een rij van vier palen op min of meer regelmatige afstand van elkaar met een vrij grote diepte. Wanneer het inderdaad om gebouwsporen gaat, is het waarschijnlijk dat het hier een zeer incomplete plattegrond betreft. Een vierde mogelijk gebouwtje uit het Neolithicum is aangetroffen in werkput 6, geheel tegen de rand van de verstoring in het zuidelijke deel van de werkput. In dit deel is een aanzienlijk pakket grond in het verleden geëgaliseerd, waardoor de middeleeuwse, maar ook de neolithische cultuurlaag en wellicht ook een deel van de natuurlijke ondergrond zijn verdwenen. De sporen van het gebouwtje zijn aangetroffen op vlak 1 en kenmerkten zich door een zeer lichte vulling.Vermoedelijk gaat hier om sporen van palen die vanaf het Neolithische loopvlak zijn ingegraven.
Als het om jongere sporen zou gaan zouden ze waarschijnlijk veel vuiler zijn geweest. Hoewel de uiteindelijke constructie van het gebouw zeer veel onregelmatigheden vertoont, lijkt hier toch sprake van een klein rechthoekig gebouwtje met afmetingen van ongeveer 6 bij 4 m. Dit formaat doet vermoeden dat het een bijgebouw betreft. Het gebouw is haaks georiënteerd op huis 8002 en wordt mede hierdoor in de dezelfde periode geplaatst (fig. 5.7, a). Een andere opvallende structuur, structuur 13003, is aangetroffen aan de noordzijde van werkput 5 (fig. 5.7, b). Het betreft een kleine zevenpalige palenkrans met een diameter van 1.4 m. De sporen werden
POZ-81651, 4485 ± 35 BP.
98
zichtbaar onder de neolithische cultuurlaag. Hetzelfde gold overigens voor enkele sporen uit de Bronstijd en zelfs nog jongere sporen (zie §5.4), waardoor niet unaniem kan worden gesteld dat het hier een neolithische structuur betreft.99 Een aanvullend argument om de structuur toch in het Neolithicum te plaatsen wordt gevormd door het gebrek aan vondstmateriaal uit de sporen. Wanneer het een jongere structuur zou zijn geweest, zouden de sporen in de cultuurlaag uit het Neolithicum zijn ingegraven en zeer waarschijnlijk meer vondsten bevatten. Het feit dat er slechts enkele A B fragmentjes gruis in de sporen zijn aangetroffen wijzen erop dat de cultuurlaag zwak ontwikkeld of nog niet Fig. 5.7. Wijchen-Oostflank. Mogelijke bijgebouwen aanwezig was op het moment dat de kuilen werden uit het Neolithicum. A structuur 9002; B structuur gegraven. 13003. Schaal 1:200. Waar het gebouwtje voor heeft gediend is niet duidelijk. Gezien het geringe grondvlak is gekozen voor een functie als opslagstructuur. Buiten deze (delen van) mogelijke plattegronden zijn er geen sporen aangetroffen die met een gebouwplattegrond uit het Neolithicum in verband kunnen worden gebracht. Het is niet uitgesloten dat tussen de grote hoeveelheid ongedateerde paalsporen nog sporen van structuren uit deze periode verborgen liggen.
Omwille van de aanwezigheid van jongere sporen en recente verstoringen zijn deze echter niet meer als zodanig te identificeren. De verspreiding van het neolithische aardewerk binnen het plangebied doet echter vermoeden dat de nederzetting uit meer dan de één tot drie huizen waarvan de veronderstelde plattegronden zijn aangetroffen, heeft bestaan. Dit vermoeden wordt versterkt door het beeld van het onderzoek in Veldhoven-Habraken en in mindere mate door andere onderzoeken. In Veldhoven beperkte de vondstspreiding van neolithisch materiaal zich tot een zone van ca. 20 m rondom de verschillende plattegronden.100 Voor andere onderzoeken geldt dat daar waar men plattegronden heeft gevonden of ergens een plattegrond vermoedt het vondstmateriaal zich bevindt in een kleine zone rondom de structuur. Daarbuiten wordt nagenoeg geen neolithisch materiaal gevonden.101 Voor vindplaatsen waar geen sporen zijn aangetroffen worden vondststrooiingen met neolithisch materiaal over het algemeen aangenomen als locaties van nederzettingen.
5.3.5
het ven
De meest opvallende structuur die tijdens dit onderzoek is aangetroffen is een ven (str. 38000, fig. 5.8) waarin een grote hoeveelheid vondstmateriaal is gevonden.102 Dit ven bevond zich in een depressie die werd gevormd door een verlandde pleistocene restgeul en volgde de lengterichting van deze geul. De datering van deze jongere sporen is niet zo zeer
99
Vergelijk ondermeer het onderzoek in Groesbeek-
101
gebaseerd op het vondstmateriaal dat hierin is aangetroffen aangezien dit in veel gevallen zeker opspit of
Het ven is geadministreerd onder structuurnummer
zwerfvuil betrof, maar vooral op hun plaats binnen
38000.De vondsthoudende lagen en afdekkende stuiflagen
een gebouwplattegrond. Een voorbeeld hiervan zijn de
zijn gespecificeerd onder de nummers 38001 t.m. 38004.
sporen van huis 8001, waarvan sommigen pas onder de
Overige lagen die geassocieerd zijn met het ven, maar niet
neolithische cultuurlaag herkend zijn.
direct aan een fase konden worden verbonden zijn onder het
Van Kampen et al. 2013, 95.
100
Hussenhof en Oerle-Zuid. 102
algemene structuurnummer 38000 geadministreerd.
0
6m
A
B
C
D
E
F
Fig. 5.8. Wijchen-Oostflank. Vlaktekening van het ven en de hiermee geassocieerde palenrij en overige sporen. A stuifzand; B venige lagen van het ven; C ingespoeld zand; D post-neolithische verstoringen; E sporen geassocieerd met het ven; F sporen die wel in het vlak zijn gezien, maar in de coupe niet zichtbaar waren.
De lagen van het ven bestonden uit zeer humeuze, venige lagen met een bijmenging van stuifzand. De oudste laag is structuur 38001genoemd. Dit is een zeer venige laag waarin relatief weinig vondsten zijn aangetroffen. Wel bevatte deze laag veel hout, waaronder grote takken en zelfs een vrijwel complete gekapte en deels verbrande dennenboom (S9.156, fig. 5.9, a). Ook tijdens het proefsleuvenonderzoek was in dit pakket al veel hout aangetroffen, waaronder een gekliefde dennenboom.103 Deze laag zal zijn gevormd (kort) voor de gebruiksfase van het ven als materiaaldump. De geringe hoeveelheid vondsten die hieruit afkomstig is, waarvan zeker is dat deze niet verkeerd verzameld of intrusief is, wijst erop dat er al wel wat menselijke activiteit moet zijn geweest. De grote hoeveelheid natuurlijk hout wijst er wellicht op dat men de zone rond het ven vrij gemaakt heeft van begroeiing om ruimte te creëren voor de nederzetting. Hierbij heeft men een deel van het hierbij verwijderde hout in het ven gedeponeerd. De laag boven structuur 38001 bevatte meer zand, maar was plaatselijk nog steeds zeer venig. Dit pakket is 38002 genoemd. Hierin zijn de meeste vondsten aangetroffen. Structuur 38002 wordt dan ook gezien als gelijktijdig met de gebruiksfase van het ven als materiaaldump. De lagen hierboven bestaan vrijwel volledig uit zand en zijn gezamenlijk onder structuur 38003 geschaard.
Een enkel venig bandje wijst erop dat er af en toe water in het ven heeft gestaan, waardoor weer veenvorming kon optreden, echter de lagen bestaan vrijwel volledig uit zand. Verondersteld wordt dat deze lagen na de gebruiksfase van het ven in het Laat Neolithicum en de Bronstijd zijn gevormd door verstuiving, erosie vanaf de flank en in mindere mate veenvorming. Het jongste pakket is structuur 38004 genoemd. Dit bestaat uit een dik pakket geel stuifzand, zonder enige bijmenging. Dit zal pas in de laatste 2000 jaar zijn gevormd (fig. 5.9, b). De humeuze lagen zijn aangehouden voor het bepalen van de afmetingen van het ven. Dit had een lengte van 41.5 m. De breedte varieerde van ca. 17 m in het noordwestelijke deel en ongeveer 9 m in het zuidoostelijke deel. De vorm van het ven is het best te beschrijven als die van een vis, waarbij de kop richting het noordwesten is gericht. Het zuidoostelijke deel vormt de staart, welke een vrij vierkante vorm laat zien. Kooistra 2012, 83.
103
A
B
C
Fig. 5.9. Wijchen-Oostflank. Foto’s van het ven. A Gekapte en verbrande boom in het ven; B noordwestelijke insnijding waarbij de opvulling met het gele jongere stuifzand duidelijk zichtbaar is; C noordelijke palenrij in het vlak van werkput 9.
Het totale aantal vondsten bedraagt iets meer dan 27 500. Het materiaal bestaat voor het grootste deel uit aardewerk, maar ook vuursteen en natuursteen maken een aanzienlijk deel uit van het vondstenspectrum. Een kleine, maar zeker niet onbelangrijke categorie, wordt gevormd door botmateriaal. Hoewel een groot aantal 14C-dateringen van materiaal uit het ven een andere datering weergeven wordt de gebruiksfase van het ven geplaatst in de eerste helft van het 3de millennium voor Chr. en meer specifiek tussen 2850 en 2700 voor Chr. De datering is voornamelijk gebaseerd op de datering van het aardewerk. Gezien de grote hoeveelheid scherven moet deze datering wel als betrouwbaar worden gezien. Rond het ven is een palenrij aangetroffen (str. 18001) die de contouren van het ven volgt. Deze palenrij heeft vermoedelijk de volledige structuur omgeven, maar zeker is dit niet. De paalsporen ten noorden van het ven waren goed zichtbaar in het vlak (fig. 5.9, c). Er bestaat hier dan ook geen twijfel over de vorm van de palenrij. De enige onderbreking in de noordelijke palenrij wordt gevormd door de verstoring van de proefsleuf. Gezien het feit dat de palenrij aan weerszijden van de sleuf doorloopt is het zeer waarschijnlijk dat ook ter hoogte van de proefsleuf palen in de grond hebben gestaan en dat de sporen hiervan tijdens het onderzoek in 2010 niet als zodanig zijn herkend.
Anderzijds is het gezien de grote hoeveelheid vondsten in het ven zeer waarschijnlijk dat men het materiaal actief in het ven heeft gedeponeerd. Het zou logisch zijn dat dit met deed via een opening in de palenrij, maar het zou te veel toeval zijn dat deze opening precies op de locatie van de proefsleuf heeft gelegen. De verklaring dat de sporen destijds niet zijn gezien is waarschijnlijker. Zeker wanneer in ogenschouw wordt genomen dat de vulling van de paalkuilen net zo zwart en humeus was als de lagen van het ven en dat ze soms pas op een heel diep niveau te onderscheiden waren. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de palen niet manshoog, maar lager waren, waardoor het ook mogelijk was om het materiaal over de palen heen te gooien. Dit idee wordt ook bevestigd door de vondstspreiding binnen het ven. Wanneer men het materiaal alleen ter hoogte van een opening zou hebben gedeponeerd zou ter hoogte van deze opening een duidelijke concentratie zichtbaar moeten zijn, maar dat is niet het geval (fig. 5.10). Het materiaal lijkt juist vrij evenredig over het ven te zijn verspreid. De verschillen tussen het west en het oostdeel zullen vooral veroorzaakt zijn door de gehanteerde verzamelmethodes. In het oostelijke deel van het ven is deels handmatig verzameld en deels gezeefd terwijl het westelijke deel volledig is gezeefd.
Hetgeen uiteraard meer vondsten tot gevolg heeft in het westelijke deel. De sporen van de palenrij aan de zuidzijde van het ven zijn beduidend slechter overgeleverd dan de palen aan de noordelijke rand. Tijdens het veldwerk zijn veel verdachte vlekken aangekrast in het vlak, maar vaak bleken de sporen in de coupes niet zichtbaar. Dit betekent echter niet dat hier geen palen aanwezig waren. Wellicht waren de sporen zo uitgeloogd dat alleen een vlekje in het vlak het enige is wat ervan restte. Mogelijk heeft het uiterlijk van de palenrij aan de zuidzijde er anders heeft uitgezien dan de palenrij aan de noordzijde. Dit blijkt uit de spatiering tussen de palen, maar vooral ook uit de diepte van de sporen. De rij aan de noordkant bestaat uit vrij kleine spoortjes met een tussenruimte van meestal niet meer dan 10 cm. De palenrij aan de zuidzijde is zoals gezegd slechter over geleverd, maar in werkput 3 is een aantal zekere sporen gezien die beduidend anders zijn dan hun noordelijke tegenhangers. De palen die hier stonden waren aanzienlijk dieper ingegraven. Daar waar de sporen aan de noordzijde slechts 20 cm diep waren en vrij smal van vorm, gaat het hier om sporen met een diepte van iets meer dan 40 cm en een grotere diameter. Ook was de onderlinge ruimte tussen de sporen hier wat groter. Deze bedroeg ca. 30 cm.
De vraag waar de palenrij voor heeft gediend is lastig te beantwoorden. Allereerst moet de hoogte van de palen worden bepaald. Engels onderzoek heeft uitgewezen dat de verhouding tussen het deel van een paal dat is ingegraven en het deel dat boven de grond uit steekt 1 tot 4 kan zijn.104 In het geval van de paalkuilen van de palenrij rond het ven zou dit betekenen dat een paalkuiltje van 20 cm diep, oorspronkelijk een paal heeft bevat die tot 2 m boven de grond uitstak. Hierbij is ervan uitgegaan dat 104
Gibson 1988, 106-107.
178480
178490
178500
178510
178520
178530
totaal aantal vondsten 173
tot 535
63 tot 173 63
4 2 4 090
4 2 4 100
4 2 4 110
4 2 4 120
1 tot
10 m
4 2 4 080
0
Fig. 5.10. Wijchen-Oostflank. Verspreiding van het materiaal in het ven in aantallen.
het archeologisch vlak rond het ven, als gevolg van de verstoring en erosie, ongeveer 20 cm onder het oorspronkelijke loopniveau ligt. Een dergelijke hoogte zou de palenrij vooral een markerende functie geven. Tegelijkertijd zou de hoogte van de palen de gebruikers van het ven beletten om het materiaal enigszins gecoördineerd te dumpen. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat de palenrij zo hoog is geweest. Een hoogte van ca. 1 m boven oorspronkelijk loopvlak lijkt daarom plausibeler. Het is uiteraard ook mogelijk dat de palenrij nog lager was, maar dan zou dit veel afdoen aan het markerende karakter van de palenrij. In deze situatie is er dus vanuit gegaan dat de palenrij tot doel had de locatie van het ven te markeren. Ik verwacht echter dat de palenrij meerdere functies vervulde. Het verschil in uitvoering tussen de noordelijke en de zuidelijke rij palen vormt één van de argumenten voor deze interpretatie. Allereerst zal er een markerende werking van de palen uit zijn gegaan. Dit kan zijn geweest om de betekenis die de gebruikers aan het ven toekenden te benadrukken, maar het is ook mogelijk dat het een puur functioneel doel diende. De zompige bodem rond het ven kan hebben geleid tot ongelukken met vee.
Dieren zakten bijvoorbeeld in de zachte ondergrond weg en braken een poot op het moment dat ze zichzelf probeerden te bevrijden.105 De palen zullen in deze situatie hebben gediend om vee en wellicht ook kleine kinderen Uit de naamgeving van het plantje de beenbreek
105
(Narthesium ossifragum) dat in venige gebieden groeit blijkt de associatie van gebroken botten met dit soort gebieden. Beesten zouden door ervan te eten broze botten krijgen of vanwege de groeiwijze van de plant in pollen. De ongelijke bodem die hierdoor ontstaat zou leiden tot gebroken poten (www.plantennamen.info/ Narthecium-ossifragum-Beenbreek).
Fig. 5.11. Wijchen-Oostflank. Noordwestelijke insnijding van het ven. Inzet: Zandige inspoelingslaag (S11.49) In de laag is het vondstmateriaal duidelijk zichtbaar.
uit de buurt van het ven te houden. Kinderen zouden niet zo snel een been breken, maar jonge kinderen zouden wel kunnen verdrinken in het ven op het moment dat er water in stond. Een tweede mogelijke functie van de palenrij wordt wellicht gevonden in een verklaring voor het verschil in de uitvoering van de beide rijen. Zoals gezegd staan de palen in de noordelijke rij dichter bij elkaar en soms zelfs tegen elkaar aan. Het is niet ondenkbaar dat men dit heeft gedaan om te voorkomen dat het ven dicht slibde met zand dat vanaf de helling naar beneden stroomde met hevige regenval. De bewoners zullen het gebied gedurende de bewoning enigszins kaal hebben gekapt om ruimte te maken voor het erf. De bomen die de losse grond met hun wortels bijeen hielden zijn hierbij verwijderd, waardoor de grond zeker af kon spoelen. Dat een dergelijke vorm van erosie heeft plaatsgevonden, was al vastgesteld tijdens het proefsleuvenonderzoek waarbij geconstateerd was dat er in het oostelijke deel van het plangebied sprake was van een omgekeerde stratigrafie. De oudere, mesolithische artefacten lagen stratigrafisch gezien boven de laag met neolithische artefacten. Dit kan alleen maar zijn gebeurd wanneer grond vanaf een hoger deel op de flank ten gevolge van hevige regenval naar beneden is gespoeld. Ook in het ven lijkt een dergelijke situatie zich te hebben voorgedaan.
Aan de westzijde was in laag S11.49, duidelijk zichtbaar dat deze laag veel meer zand bevatte dan elders in het ven (fig. 5.11). Dit zand is waarschijnlijk in het ven gespoeld tijdens een periode waarin veel regen viel. Door het plaatsen van de palenrij zal de inspoeling van het zand zeker verminderd zijn. De spatiëring tussen de palen is zo klein dat het onwaarschijnlijk is dat er vlechtwerk tussen de palen was aangebracht. In het geval van een interpretatie van de palenrij als weer voor kinderen of vee gaan we uit van een sociaaleconomisch belang van mens en dier voor de bewoners van de nederzetting. De interpretatie van de palenrij als beschoeiing tegen stuifzand impliceert juist een economisch belang van het ven zelf.Voor
een gewone afvaldump zou een dergelijke arbeidsintensieve maatregel niet nodig zijn. Het ven was niet continu watervoerend en het zal dan ook niet hebben gediend als bron van drinkwater. De humeuze en vochtige bodem zal echter een goede voedingsgrond zijn geweest voor allerlei planten en kruiden die door de bewoners van de nederzetting als waardevol werden beschouwd. Wanneer het ven zou dichtslibben, zou deze vegetatie verdwijnen. Wellicht heeft men dit willen voorkomen door het plaatsen van de palenrij. Naast de functionele redenen om het ven te omgeven met een palenrij moet een meer transcendente reden niet worden uitgesloten. In het ven is een grote hoeveelheid materiaal gedumpt en het is zeker niet ondenkbaar dat een deel van dit materiaal niet als afval, maar als het gevolg van een rituele handeling in het ven terecht is gekomen.106 We weten onder andere uit het proefschrift van David Fontijn dat vennen en andere vochtige kleine laagtes in het Laat Neolithicum en de Bronstijd door mensen werden geselecteerd voor specifieke deposities.107 De periode die Fontijn behandelt in zijn proefschrift dateert echter een paar honderd jaar later dan de gebruiksperiode van het ven in Wijchen.
Fontijn wijst erop dat voorafgaand aan de periode waarover zijn proefschrift gaat, selectieve depositie op natte locaties ook zeker voorkwam.108 Hierbij baseert hij zich vooral op enkele contexten in Noord Nederland, maar geeft ook aan dat voorbeelden uit Zuid Nederland wel bestaan, maar schaars zijn.109 Op basis van deze bronnen concludeert hij dat er ogenschijnlijk geen criteria waren voor de vorm van hetgeen gedeponeerd werd. Het ziet ernaar uit dat “vooral locale, algemene gereedschappen en objecten uit het dagelijkse leven, waaronder ook levende have, in aanmerking kwamen voor depositie”.110 Uit de materiaalanalyses komt naar voren dat het materiaal dat in het ven is aangetroffen, zeker kwalificeert als dagelijkse gebruiksgoederen. Mede hierdoor kan niet worden uitgesloten dat het ven dus ook een bepaalde rituele functie heeft vervuld. Wel is het zo dat de door Fontijn behandelde voorbeelden zich duidelijker als ritueel laten interpreteren door de samenstelling van de deposities. In het geval van het ven in Wijchen gaat het om een dusdanig grote hoeveelheid materiaal van dezelfde materiaalcategorie dat het niet is gelukt om hierin bepaalde patronen of combinaties waar te nemen die eenduidend op een rituele depositie wijzen. Het is zeker niet onmogelijk dat al de hiervoor genoemde functies van het ven en de palenrij opgaan voor het ven aan de voet van de Oostflank.
Op dit moment kunnen er echter geen verdere uitspraken worden gedaan over de precieze functie. Zeker is dat het ven een wezenlijk onderdeel vormde in de leefruimte en belevingswereld van de bewoners van de nederzetting.
5.3.6
kuilen
Dat het nederzettingsterrein groter is geweest dan alleen de zuidelijke flank en de depressie rond het ven blijkt onder andere uit de verspreiding van de kuilen die worden toegeschreven aan het Neolithicum (fig. 5.12). De selectie van deze kuilen is in eerste instantie tot stand gekomen door te kijken naar de hoeveelheid scherven die in het spoor zijn aangetroffen. Daarnaast zijn kuilen die in verband konden worden gebracht met een neolithische structuur eveneens opgenomen in de selectie. Een aantal kuilen dat op grond van deze criteria als neolithisch is aangemerkt, kent mogelijk een jongere datering. Kuil 25006 is op het niveau van vlak 1 aangetroffen in werkput 4. Hier was hij al zichtbaar in de cultuurlaag. In theorie is het mogelijk dat dit dus een jonger spoor betreft dat door de cultuurlaag heen is gegraven. Hetzelfde geldt voor een aantal kuilen in het ven. De datering van een eikel uit een van dit soort kuilen uit het ven In de hoofdstukken die betrekking hebben op het aar-
106
Fontijn 2002, 59, met verdere verwijzing naar: Louwe
109
dewerk en het vuur- en natuursteen zal hier nader op
Kooijmans/Nokkert 2001, 119-115; Van der Sanden
worden ingegaan. Fontijn 2002, 55-79.
107
1997; Prummel/Van der Sanden 1995. 110
Idem.
Fontijn 2002, 59.
108
424.230
178.595
25002 25001
25017
25005
25014
13003 25016 25004
25006
25011
25013
25009
25003 25019
424.060
25010/21-23 25020
0
178.435
A
B
25 m
C
Fig. 5.12. Wijchen-Oostflank.Verspreiding van neolithische kuilen binnen het plangebied. A kuil daterend in de gebruiksfase van het ven; B kuil uit de laatste fase van het Neolithicum.
heeft laten zien dat het spoor in de Bronstijd gedateerd moet worden gedateerd. Het materiaal dat in de kuil is aangetroffen moet dus worden beschouwd als opspit. Van een aantal kuilen in en rond het ven is het vrij zeker dat ze in het Neolithicum moeten worden gedateerd. Deze kuilen zijn pas op een dieper niveau aangetroffen en kunnen op grond daarvan tot de gebruiksfase van het ven worden gerekend. Het gaat hierbij in ieder geval om kuil 25003 en mogelijk ook om de kuilen 25019 tot en met 25023. De aanwezigheid van de kuilen in het ven geeft in ieder geval aan dat het ven niet altijd waterhoudend zal zijn geweest, maar dat er zeker momenten waren dat het droog genoeg was om er kuilen in te graven. Wat de functie van de kuilen is geweest is niet duidelijk. Een interpretatie als waterkuil is niet waarschijnlijk aangezien het ven niet gebruikt zal zijn voor de watervoorziening van de nederzetting. Het ven was zoals gezegd niet altijd watervoerend. Daarbij zal het water niet bepaald schoon zijn geweest als gevolg van het gebruik als afvaldump. Het is waarschijnlijker dat de bewoners het drinkwater onttrokken uit de rivier die zich op ca. honderd meter van de nederzetting bevond of uit andere waterkuilen buiten het ven. Wellicht zijn dit de grote kuilen ten oosten van het ven.
Ze zijn aangetroffen onder stuifzandlagen en qua vulling vertoonden ze overeenkomsten met de vullingslagen van het ven. Deze overeenkomsten en de positie van de sporen ten opzichte van het ven wijst op een relatie tussen de structuren. Waarvoor de kuilen dienden is echter niet duidelijk. Alleen in kuil 25010 is een redelijke hoeveelheid vondstma-
A
B
Fig. 5.13. Wijchen-Oostflank. Foto’s van kuil 25014. A spoor in vlak 2. De lichte vlekken zijn het gevolg van bioturbatie en de bovenliggende verstoring; B coupe van kuil 2014. Verspreid door het spoor liggen de scherven van de halspotbeker.
teriaal aangetroffen, maar het gaat hier niet om zulke grote aantallen dat de kuil als afvalkuil kan worden beschouwd. Ook het botanisch onderzoek heeft geen aanwijzingen voor de functie van de kuilen aangezien de monsters zeer weinig botanische resten bleken te bevatten. Zoals gezegd zijn dit misschien waterkuilen, maar mede door de nabijheid van de Maas acht ik deze interpretatie onwaarschijnlijk. Daarbij komt dat de kuilen als gevolg van de verstuiving snel dicht zullen zijn geraakt. Het laten functioneren van deze kuilen als waterkuil zal dan ook een vrij arbeidsintensief proces zijn geweest waardoor men wellicht de voorkeur gaf aan het halen van water uit de rivier. Opvallend, maar vooral indicatief voor de ruime verspreiding van neolithische sporen door het plangebied, is een tweetal kuilen in het noordelijke deel van het plangebied (str. 25001, 25002). Deze sporen zijn beide onder de neolithische cultuurlaag aangetroffen en bevatten een redelijke hoeveelheid neolithisch vondstmateriaal. Het is niet duidelijk in welke context deze kuilen moeten worden beschouwd. Het is, gezien de verspreiding van neolithisch aardewerk in dit deel van het terrein, niet waarschijnlijk dat het hier zogenaamde off-site sporen betreft.
Het is goed mogelijk dat hier ook een huisplaats heeft gelegen, maar dat we deze niet hebben kunnen identificeren doordat sporen niet meer zichtbaar waren, of dat deze niet als neolithisch zijn herkend. Een andere verklaring is dat de kuilen in relatie staan tot akkers die hier wellicht hebben gelegen of dat ze langs een route naar een andere nederzetting, zoals de nederzetting Wijchen-Centrum, lagen. We beschikken niet over botanische gegevens van het noordelijke deel van het plangebied die het bestaan van akkers hier bevestigen. Daarbij is onze kennis van het neolithische landschap in het algemeen veel te beperkt waardoor we niet weten hoe de zones tussen nederzettingen werden benut, waardoor deze verklaring, zij het plausibel, puur hypothetisch van aard is. De hiervoor besproken kuilen kunnen op grond van de datering van het hierin aangetroffen vondstmateriaal in de gebruiksfase van het ven worden gedateerd, tussen 2850 en 2700 voor Chr.111 Eén kuil, structuur 25014, moet zeker later worden gedateerd. De kuil lag ten noorden van het ven en bezat een zeer houtskoolrijke vulling (fig. 5.13). Een monster uit de kuil is middels AMS gedateerd tussen 2338 en 2137 voor Chr. Hiermee dateert het spoor ruim 350 jaar later dan de nederzetting die met de gebruiksfase van het ven wordt geassocieerd.
Daarnaast bevatte de kuil een groot aantal scherven van een halspotbeker met wrattenversiering. Een groot deel van deze scherven kon aan elkaar worden gepast, maar hieruit kon geen volledig profiel worden gereconstrueerd. De kuil is aangetroffen onder een recente POZ-81661, 3795 ± 30 BP.
111
424.060
424.230
178.595
0
178.435
A
B
C
25 m
D
Fig. 5.14. Wijchen-Oostflank. Overzicht van de nederzetting in het Neolithicum. A wel/niet opgegraven; B reconstructie gebouw; C neolithisch spoor; D het ven met de daarmee geassocieerde sporen.
verstoring en we mogen ervan uitgaan dat zeker 20 tot 30 cm van de bovenkant van het spoor verstoord is. Aangezien de scherven verspreid door de gehele vulling zijn aangetroffen is het waarschijnlijk dat het spoor oorspronkelijk een veel groter aantal scherven bevatte.Wellicht is de hele pot destijds gedeponeerd. Dit is echter niet meer vast te stellen. Buiten dit spoor zijn er verder geen sporen geïdentificeerd die op basis van het vondstmateriaal in dezelfde periode kunnen worden gedateerd. Ook vondstmateriaal uit deze periode is relatief schaars te noemen, maar is wel verspreid over het plangebied aangetroffen. Dit betekent dat er ook in deze fase van het Neolithicum sprake moet zijn geweest van menselijke activiteit. Of er echter ook sprake is van bewoning is niet zeker.
5.3.7
conclusie
Binnen het plangebied heeft in de eerste helft van het 3de millennium voor Chr. een nederzetting gefunctioneerd. De nederzetting bestond uit ten minste één huis, maar waarschijnlijk meerdere huizen (fig. 5.14). De huizen waren gesitueerd op de flanken en mogelijk de top van het rivierduin. Er is geen duidelijkheid over de omvang het erf, de erven of het territorium van de bewoners. Wel is het op basis van de spoor- en vondstspreiding, zeker dat het hele terrein door de mensen in deze periode werd
gebruikt. Welke activiteiten men heeft ontplooid in de verschillende delen van het plangebied is niet te zeggen. Alleen voor het ven en de hierbij behorende palenrij kan worden gesteld dat men zich hier heeft ontdaan van afval. Daarnaast zijn hier wellicht ook enkele rituele handelingen uitgevoerd, maar daarvoor is het bewijs niet overtuigend. Omdat parallellen voor dit complex ontbreken valt ook niet te zeggen in hoeverre de ruim 27 500 vondsten uit het ven aan één of meerdere huishoudens zijn toe te schrijven. Waarschijnlijk representeert het materiaal een bewoningsperiode van ongeveer 150 jaar, van 2900 tot 2750 voor Chr. Binnen deze periode zullen er meerdere, wellicht gelijktijdige, huizen binnen het plangebied hebben bestaan. Het is dan ook aannemelijk dat het vondstcomplex dat is aangetroffen in het ven over een vrij lange periode in het ven is gedeponeerd.
5.4
sporen uit de bronstijd
5.4.1
algemeen
Hoewel vindplaatsen uit de Bronstijd conform het selectiebesluit niet tot de speerpunten van het onderzoek behoorden dient hier toch enige aandacht naar uit te gaan. Niet in de minste plaats omdat een toch niet gering percentage van de 14C-dateringen in deze periode valt. Daarnaast blijkt ook een deel van het aardewerk in de Bronstijd te dateren (zie hoofdstuk 6). Tijdens het proefsleuvenonderzoek is ten minste één grote kuil uit de Midden Bronstijd aangetroffen. Daarnaast bleek één van de kuilen in het ven ook in de Bronstijd te dateren en kwam een 14C-datering van materiaal uit de hoogste laag uit het ven eveneens uit in de Bronstijd. Tijdens de spooranalyse in de uitwerkingsfase van de opgraving kon slechts één plattegrond aan de Bronstijd worden toegewezen. Het is echter niet uitgesloten dat binnen het plangebied meerdere structuren uit deze periode hebben gelegen die niet zijn herkend.
5.4.2
gebouw
In het noordelijke deel van de werkputten 3, 5 en 8 zijn in de neolithische cultuurlaag verschillende sporen aangetroffen die op grond van hun vulling in eerste instantie in het veld als neolithisch zijn beschouwd. Een 14C-datering van verkoold materiaal uit één van deze sporen, S8.186, heeft uitgewezen dat het spoor in de latere fase van de Midden Bronstijd B moet worden gedateerd en wel omstreeks de laatste fase van de Midden Bronstijd B, tussen 1377 en 1126 voor Chr.112 Deze datering heeft geleid tot een hernieuwde interpretatie van een aantal van de hier gelegen sporen. Hier blijkt een gebouw te hebben gestaan waarvan de plattegrond wordt gevormd door een tweetal parallelle palenrijen die de lengterichting van de flank van het duin volgen. De afstand tussen de twee rijen bedraagt ca. 3.3 m. De afstand tussen de palen in een rij bedraagt ongeveer 1.9 m. Deze maatvoering komt overeen met die van huizen uit de Midden Bronstijd B. De 14C-datering in combinatie met de overeenkomsten in de maatvoering van de staanders heeft geleid tot een interpretatie van de sporen als zijnde van een gebouwplattegrond. Uiteindelijk is naar aanleiding van deze hernieuwde interpretatie een gebouwplattegrond gereconstrueerd van 20.3 bij 3.3 m (structuur 8001, fig. 5.15). Het gebouw lijkt georiënteerd op het lokale reliëf. Hierbij is het gebouw horizontaal op de flank van het duin geplaatst (fig.
5.16). De oriëntatie van het gebouw hangt wellicht ook nog samen met die van het ven. Hoewel we ervan uitgaan dat het ven niet meer als zodanig zichtbaar was in het landschap, zal het nog wel een lagere en wellicht ook af en toe natte zone zijn geweest. Gedurende de Midden Bronstijd is het voormalige ven ook zeker in gebruik geweest. In het ven zijn verschillende kuilen gegraven POZ-81652, 3000 ± 30 BP.
112
waarvan op basis van hun stratigrafische positie is gesteld dat ze jonger zijn dan het Neolithicum. De functie van deze sporen is echter niet bekend. Een 14C-datering uit één van deze kuilen (zie onder) laat zien dat een datering in de Bronstijd voor deze sporen zeker tot de mogelijkheden behoort. Hetzelfde geldt voor een 14C-datering uit de onderkant van structuur 38003, de stuiflaag die het ven heeft afgedekt na de gebruiksfase in het Neolithicum.113 De samenhang tussen de oriëntatie van het gebouw en die van het ven berust dus waarschijnlijk op meer zaken dan alleen toeval. Huis 8001 zal niet een op zichzelf staande structuur geweest zijn op het rivierduin. Naast de aangetroffen kuilen zullen er ook meerdere bijgebouwen en/of opslagstructuren binnen het plangebied aanwezig zijn geweest. Hoe groot het erf in de Midden Bronstijd is geweest valt niet met zekerheid te zeggen. Over het gehele terrein zijn wel vondsten gedaan waarvan een datering in deze periode mogelijk is, maar of de verspreiding ook representatief is voor de omvang van het erf valt niet te bepalen op basis van het kleine aantal scherven. Opvallend is dat deze dunne vondststrooiing ook overeenkomt met de resultaten van het onderzoek in Veldhoven-Habraken. Hier lag een grote nederzetting bestaande uit meerdere gelijktijdige huizen. De nederzetting was daarbij ook meerdere bewoningsfasen in gebruik.
Echter het aantal scherven uit de Bronstijd stond in schril contrast tot de hoeveelheid Neolithisch materiaal.114 Dit duidt er dus op dat men in de Bronstijd een andere manier van afvalverwerking hanteerde dan in het Neolithicum.Van een vergelijkbare situatie lijkt ook sprake in het geval van Wijchen-Oostflank.
Fig. 5.15. Wijchen-Oostflank. De plattegrond van huis 8001. Schaal 1op 200.
5.4.3
kuilen
Verspreid over het terrein zijn meerdere kuilen aangetroffen waarvan op grond van hun stratigrafische positie wordt vermoed dat ze na het Neolithicum, of in ieder geval na de gebruiksfase van het ven gedateerd moeten worden. Dit vermoeden kan echter niet door een 14C-datering worden onderbouwd. Het grootste spoor waarvoor dit geldt, is kuil 25015. Uit het profiel in werkput 9 blijkt duidelijk dat deze kuil door de vondstrijke vullingslagen van het ven heen is gegraven. Dit impliceert dat het spoor dus na de gebruiksfase van het ven in het Neolithicum gedateerd moet worden. Het vondstmateriaal uit deze kuil bestaat echter uitsluitend uit neolithisch aardewerk, maar dit moet vrijwel zeker als opspit uit de vondsthoudende lagen worden beschouwd. Het spoor heeft geen bruikbare 14C-datering opgeleverd waardoor een datering in de Bronstijd niet op die manier kan worden bevestigd en alleen wordt vermoed.115 De functie van kuil 25015 of de overige postneolithische kuilen in het ven die geen structuurnummer hebben gekregen is niet bekend. Wellicht gaat het hier om waterkuilen. De locatie van het ven zal zoals gezegd in de Bronstijd mogelijk nog zichtbaar zijn geweest als een depressie. Hierdoor leende deze zone zich wellicht goed voor het graven van waterkuilen aangezien de afstand tot het grondwater vanaf het maaiveld hier kleiner was dan in de overige delen van het plangebied.
Hoewel het venige sediment van POZ-42057, 3170 ± 35 BP.
kwam uit in het Mesolithicum (Poz-81662, 8850 ± 50
Van den Brink/Van Kampen 2013, 77.
BP).
113 114
De datering van wat verkoold materiaal uit dit spoor
115
424.230
178.595
25012 25029
25015
8001
424.060
Kuil S9.55
0
178.435
A
B
25 m
C
Fig. 5.16. Wijchen-Oostflank. De sporen en structuren uit de Bronstijd. A wel/niet opgegraven; B huisplattegrond; C Bronstijdspoor.
het verlandde ven zeker een meer stabiele kuilwand opleverde dan dat in het Neolithicum het geval was, blijft het de vraag of men niet de voorkeur gaf aan de Maas voor de watervoorziening. Deze bevond zich, net als in het Neolithicum, op een paar honderd meter van de nederzetting. Ook in het noordelijke deel van het plangebied lagen enkele kuilen uit de Bronstijd. Opvallend genoeg zijn de meeste hiervan tijdens het proefsleuvenonderzoek aangetroffen.116 De enige zekere kuil uit de Bronstijd die tijdens de opgraving is aangetroffen is kuil 25012. In tegenstelling tot de overige kuilen wordt deze kuil in de Vroege Bronstijd gedateerd. Hiermee lijkt het het enige spoor uit deze periode. In het spoor zijn verschillende scherven van wikkeldraadaardewerk aangetroffen. Wellicht gaat het om een qua functie vergelijkbaar spoor als kuil 25014. Deze kuil wordt in het Laat Neolithicum gedateerd en bevatte enkel scherven van een halspotbeker. Ook die kuil lijkt op basis van de datering het enige spoor uit die periode, net zoals kuil 25012 dat voor de Vroege Bronstijd is. Hoewel solitaire kuilen uit de Bronstijd vaker worden aangetroffen is de feitelijke functie van deze sporen niet te achterhalen. Zoals gezegd zijn de overige kuilen die met de Bronstijd worden geassocieerd tijdens het proefsleuvenonderzoek aangetroffen.
De meeste van deze sporen zijn indirect aan de hand van het vondstmateriaal uit het spoor gedateerd. Twee kuilen zijn gedateerd met behulp van een 14C-analyse. De uitkomsten hier Van Kampen 2012, 27-28.
116
van zijn weergegeven in hoofdstuk 4. Het monster dat uit spoor S1.4 uit de proefsleuven is genomen, heeft een opvallende datering. Met een standaarddeviatie van twee sigma komt deze uit tussen 1376 en 1132 voor Chr.117 Deze datering valt vrijwel exact samen met die van het monster uit de paalkuil van huis 8001, welke tussen 1377 en 1126 voor Chr. uitkwam. Beide sporen liggen echter vrij ver uit elkaar. De onderlinge afstand bedraagt ca. 66 m. Dit zou kunnen betekenen dat we hier te maken hebben met twee vrijwel gelijktijdige erven. Het zou ook kunnen dat beide kuilen tot het areaal van hetzelfde e rf waarvan huis 8001 het hoofdgebouw is, moeten worden gerekend. Aangezien we ook nu niet veel weten over de inrichting van het landschap buiten de nederzettingskernen in de Bronstijd is het lastig om hier verdere uitspraken over te doen. De andere kuil uit het proefsleuvenonderzoek die middels 14C-analyse is voorzien van een datering is spoor S9.55. Dit spoor wordt gedateerd omstreeks de overgang van de Vroege Bronstijd naar de Midden Bronstijd A. Echter net als het geval is bij de kuilen 25012 en 25014 ontbreken verdere indicatoren voor activiteiten in deze periode.