Bijlage 11: Opgraving Oostflank (ZAR 69)
Tekst van het document
137.
Rye 1988, 114-118.
140
Zie voor meer informatie Louwe Kooijmans 1980, 136-
141
Orton et al. 2003, fig. 7.3.
142
De determinaties met betrekking tot de hoogte van de hals, de kleur op de breuk en de aanwezigheid van voegen zijn daarentegen ongemoeid gelaten, ondanks dat de herbeschouwing een verschil van meer dan 5% laat zien in vergelijking met de aanvankelijke analyse. De redenen daarvoor zijn als volgt. Zoals opgemerkt is de halshoogte in het slechtste geval gelijk aan de halslengte. Daarmee is een metrische bovengrens gegeven. Omdat het bovendien verre van waarschijnlijk is dat beide waarden extreem ver uiteen liggen, zijn de verschillen tussen de diverse onderzoekers overkomelijk. Wel dient nogmaals met klem te worden gewezen op het indicatieve (en niet het exacte) karakter van de waarde die bij halshoogte wordt gegeven. Dit gaat ook op voor de kleur op dwarsdoorsnede. Het algemene beeld van vaatwerk dat eerst en vooral oxiderend is gebakken, blijft ondanks de onderlinge discrepanties intact. Hetzelfde verhaal kan worden afgestoken waar het de constructiewijze van potten betreft. Ondanks dat de heranalyse een toename van het aantal scherven met voegen betekent, blijft de intersubjectieve waarneming staan dat N-voegen domineren.
Tot slot, bij de vergelijkingen is veelvuldig gebruik gemaakt van statistische toetsen, in het bijzonder de Chi-square test, de Fisher Exact Probability test, Kolmogorov-Smirnov test en de Mann-Whitney U test.143Zij zijn uitgevoerd met de via internet toegankelijke programma’s Past 144en VassarStats.145 Voor alle testen geldt dat als significantiedrempel (α) 0.05 is aangehouden.
6.3
conservering en gaafheid
De conservering van het aardewerk kan worden afgemeten aan het percentage materiaal met duidelijk sporen van verwering. Een substantieel deel van de vondsten uit Wijchen-Oostflank blijkt te zijn verweerd (tabellen 6.3 en 6.4).146 Daarbij is het opmerkelijk dat de keramiek uit het ven statistisch significant minder heeft geleden dan dat gevonden in het gebied daarbuiten. 147 Het ven bood kennelijk een betere bescherming tegen allerlei door mens en natuur veroorzaakte postdepositionele processen. Gewapend met deze uitkomsten is onderzocht of de frequentie van aankoeksel op de scherven eveneens wijst op betere conserveringsomstandigheden; hierbij is gekeken naar de binnenzijde van vaatwerkscherven. Opnieuw mag worden verondersteld dat dit verschijnsel significant vaker optreedt bij vondsten uit het ven. Tabel 6.5. laat zien dat het ven inderdaad meer scherven met aankoeksels herbergde dan het gebied daarbuiten. Een non-directional Chi-Square test toont dat dit verschil bijzonder significant is.148 Juist omdat het onderzoek naar de verwering vergelijkbare uitkomsten heeft, is het gewettigd het voorkomen van aankoeksel als een kwestie van verwering te zien en niet als een verschillend gebruik van de beide landschappelijke zones in de prehistorie.De gaafheid van het vaatwerk is, algemeen gesproken, redelijk te noemen.
Behalve één archeologisch complete pot zijn er verscheidene voorbeelden van gereconstrueerde randdiameters voorhanden (zie onder voor meer details).
Zie voor de inhoud, voorwaarden en zeggingskracht van
oppervlak vast te stellen.
143
deze statistische testen Siegel/Castellan Jr. 1988.
Een non-directional Chi-Square test voor de zowel de
147
folk.uio.no/ohammer/past/.
buiten- als binnenzijde resulteert in p = < 0.0001.
144
http://vassarstats.net/.
145
Niet altijd was het mogelijk, bijvoorbeeld vanwege
146
natuurlijk aankoeksel, de (on)verweerde toestand van het
P = < 0.0004 dan wel p = < 0.0001 (achtereenvolgens
148
zonder en met twijfelgevallen)..