CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11: Opgraving Oostflank (ZAR 69)

Raad openbaar Wijchen 30 juni 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 30066 Beslisnota Vaststelling Bestemmingsplan TKWM 202242.575 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

De stuifduinen hebben echter niet alleen een natuurlijke oorsprong. Doordat de rivierduinen een hoger gelegen deel Berendsen/Stouthamer 2001, fig. 8.2

49

Berendsen/Stouthamer 2001, 71-76.

50

Cohen et al. 2012

51

45 46 47

Boreel 2012 c, 15.

48



Van Kampen 2012, 15. Verhelst 2011, 49.  o.a. Hendriks/Magnée-Nentjes 2008; Heirbaut/Hendriks/Hermsen 2010; De Koning 2010.

binnen het rivierengebied vormen, zijn deze ook al lange tijd zeer aantrekkelijk geweest voor de mens als woonplaats en als landbouwgrond. Onder andere door ontbossing heeft de mens dan ook in toenemende mate invloed gehad op het landschap. Dit lijkt ook te worden bevestigd door het palynologisch onderzoek tijdens de huidige opgraving op Oostflank (hoofdstuk 15). Mogelijk al vanaf het Neolithicum en zeker in de Bronstijd en IJzertijd heeft er op grote schaal verstuiving plaatsgevonden op vrijwel het gehele het rivierduincomplex bij Wijchen als gevolg van ontbossing en beakkering. Bij het vooronderzoek is gebleken dat binnen het plangebied de eerste verstuiving al vroeg heeft plaatsgevonden en dat al in het Neolithicum dikke pakketten stuifzand zijn afgezet.49 Bij het onderzoek op het Martensterrein, op 300 meter ten noorden van het plangebied Oostflank, is gebleken dat het oudste stuifzand mogelijk al dateert uit de laatste fase van het Mesolithicum, maar dat het grootste deel van het stuifzandpakket waarschijnlijk is afgezet tussen het Midden en Laat Neolithicum.50 Ook bij andere onderzoeken in en rondom Wijchen is gebleken dat er vooral verstuiving heeft plaatsgevonden in het Neolithicum en de Bronstijd.51 Vanaf de Romeinse tijd tot in de Late Middeleeuwen neemt de bevolkingsdruk gradueel toe. Hierdoor ontstaat de behoeft om meer gewas te produceren.

Zoals overal op de zandgronden wordt ook hier op de rivierduinen het potstalsysteem geïntroduceerd om voldoende opbrengst van het land te garanderen. Hierbij worden de landbouwgronden, gelegen rondom de dorpen op de overgang van de hoge naar de lage terreindelen, bemest met plaggen en mest uit de potstal. Het potstalsysteem wordt toegepast tot de introductie van kunstmest halverwege de 19e eeuw. Door eeuwenlange bemesting met plaggen ontstaat ook op de zandgronden rondom Wijchen zogenaamde plaggen- of esdekken: dikke humusrijke pakketten, die op de bodemkaart worden aangeduid als enkeerdgronden of, in het geval dan een dunner dek op een podzolbodem, als loopodzolgronden.

3.3

r e l i  f e n b o d e m v a n h e t o p g r a v i n g s t e r r e i n e n d i r e c t e omgeving

Het opgravingsterrein ligt op de zuidelijke flank van het grote rivierduincomplex van Wijchen. Door de ligging binnen de bebouwing van Wijchen is het terrein op de geomorfologische kaart en de bodemkaart niet gekarteerd. Op basis van de omgeving kunnen op het onderzoeksterrein hoge of lage landduinen met bijbehorende vlakten/laagtes verwacht worden waarin een hoge bruine enkeerdgrond (bEZ30) ontwikkeld is. Dit zijn gronden met een gedeeltelijk door de mens opgebrachte donkere bovengrond die dikker is dan 50 cm dikte.52 De bruine kleur is, in tegenstelling tot de zwarte enkeerdgronden veelal het gevolg van bemesting met (kleirijke) grasplaggen in plaats van heideplaggen. Op de kleigronden langs het Wijchens Meer zijn volgens deze kaart kalkloze poldervaaggronden in zware zavel en lichte klei (RN95C) aanwezig. Poldervaaggronden zijn kleigronden die geheel gerijpt zijn, maar geen verdere bodemvorming hebben ondergaan.53 Door de rijping komen in veel gevallen nabij het oppervlak al roestvlekken voor. Op de bodemkaart van Pons uit 1966 is het gebied rondom Wijchen in meer detail gekarteerd (figuur 3.3).54 Het noordelijke en grootste deel van het opgravingsterrein is hierop aangegeven als een middelhoge homogeen lemige en/of slibhoudende stuifzandgrond (Zsma). Dit gaat in zuidelijke richting over in een vrij ondiep gebroken stuifzandgrond (gZs2).

Dit betekent dat hier de klei (Laag van Wijchen) op geringe diepte onder het maaiveld voorkomt. Het gebied ten noorden van het terrein is aangegeven als een hoge, homogeen lemige en/of slibhoudende stuifzandgrond (Zsm2). Hieruit is af te leiden dat het rivierduin naar het noorden toe nog verder oploopt. De kleigronden langs het Wijchens Meer zijn gekarteerd als jonge stroomruggronden met een zwaardere ondergrond (RMs5). Het beeld op de De Bakker/Schelling 1989, 146.

52

Pons 1966, kaartbijlage 1.

54

De Bakker/Schelling 1989, 158.

53



178000

0

500 m

178500

179000

179500

423500

424000

424500

425000

177500

Fig. 3.3. Wijchen-Oostflank. Het opgravingsterrein geprojecteerd op een uitsnede van de bodemkaart van Pons. (bron: Pons 1966).

geomorfogenetische kaart van de gemeente Wijchen komt grotendeels overeen met de bodemkaart van Pons. Op deze kaart ligt het grootste deel van het plangebied op de oostelijke uitloper van een gebied met hoog opgestoven stuifzandruggen (EsR) waarop Wijchen is ontstaan. In noord(oost)elijke richting gaat dit gebied over in de lager gelegen rivierduinruggen en –welvingen (Esh). In zuidelijke richting gaat het hooggelegen duin via de door klei afgedekte rivierduinflank (ErK) over in de met oever- en komklei opgevulde restgeul van het Wijchens Maasje (EsR).55 Ondanks dat het gebied binnen de bebouwing van Wijchen in belangrijke mate is geëgaliseerd, is het hoger gelegen rivierduin nog wel duidelijk te zien op het AHN (figuur 3.4). Het hoogste deel van dit duin (11.2 m +NAP) ligt ten noordwesten van het plangebied. In noordoostelijke richting gaat het duin over in een lager gelegen gebied waarbinnen ook het kasteel van Wijchen ligt. Door deze laagte loopt ook de (Kleine) Elst. Dit betreft een gegraven watergang die is gegraven om de wateroverlast in dit laaggelegen deel tussen de duinen te verminderen. Door de sterke kwel vanaf de duinen en de aanwezigheid van de stagnerende Laag van Wijchen in de ondergrond, had dit gebied te kampen met wateroverlast. Om Goossens/Flokstra 2008, kaartbijlage 1.

55



4

3

2

1 0

100 m

Fig. 3.4. Wijchen-Oostflank. Het opgravingsterrein en omgeving op het AHN (bron: www.AHN.nl).

dit te beperken heeft met hier een watergang gegraven om het water beter af te voeren naar (de restgeul van) het Wijchens Maasje. Met de naam Kleine Elst worden echter verschillende fenomenen aangeduid en zorgt daarom voor enige verwarring. Zo wordt deze naam ook gebruikt voor een pleistocene restgeul die deels is afgedekt door duinzand en aansluiting zou vinden met het Wijchens Maasje. 56 Het pleistocene terrasniveau, met de restgeulen, is zeker in de omgeving van het opgravingsterrein bedekt geraakt onder een (dikke) laag rivierduinzand. In de (uitblazings)laagtes tussen de duinen, maar dus ook onder de duintoppen, zullen zeker nog wel restgeulen van het vlechtende riviersysteem aanwezig zijn, maar het is niet aannemelijk dat hier nog sprake was van een doorlopende, pleistocene restgeul in de tijd dat het Wijchens Maasje actief was en ook niet toen de Kleine Elst gegraven is. De ligging van de Kleine Elst als gegraven watergang lijkt daarmee niet zozeer bepaald te zijn door een natuurlijk (pleistoceen) geulsysteem, maar meer door de nattere laagtes tussen de rivierduinen. Wel zal deze laagte bij hoge waterstanden in de Maas zijn gebruikt als overloopgeul van het Wijchens Maasje.

Bij de opgraving aan de Oosterweg, dat in het oostelijke deel van deze laagte, dicht bij het Wijchens Maasje ligt, is vastgesteld dat er sprake is van een pakket oeverafzettingen op het rivierduinzand met zelfs een crevasse-achtige doorbraakgeul.57. De top van het rivierduinzand kan dus, vooral in de lagere delen van het opgravingsterrein zijn verspoeld/geërodeerd tijdens overstromingen van het Wijchens Maasje. Binnen het opgravingsterrein lag het maaiveld ten tijde van het onderzoek in het centrale en noordelijke deel van het opgravingsterrein op een hoogte van 9.05 tot 9.40 m +NAP. Uit het AHN valt op te maken dat de locatie van het voormalige schoolgebouw is geëgaliseerd, waarbij men mogelijk ook grond heeft opgebracht. Volgens het AHN ligt het maaiveld hier namelijk op een hoogte van 8.8 m +NAP. Echter in een eerder verleden moet het terrein ook zijn afgetopt. Dit blijkt uit de locatie van de neolithische cultuurlaag (zie onder). Deze laag ontbreekt namelijk in het centrale deel van het plangebied. o.a. Verhelst 2011, 24.

56

De Koning 2010, 49-50.

57



Uit de profielen valt op te maken dat dit deel oorspronkelijk hoger moet zijn geweest. De cultuurlaag loopt hier namelijk naar boven toe op om op een bepaald punt te worden afgesneden door de recente verstoringen die de onderkant van de bouwvoor markeren. Dit betekent dat hier oorspronkelijk sprake moet zijn geweest van een klein ruggetje. Hoe hoog dit moet zijn geweest is niet zeker, maar verondersteld wordt dat het maaiveld hier oorspronkelijk meer dan een halve meter hoger lag dan het huidige opgravingsvlak. Deze aanname is gebaseerd op het ontbreken van middeleeuwse sporen in deze zone van het plangebied. De middeleeuwse paalkuilen worden verder in het gehele plangebied aangetroffen en hebben vaak een diepte van rond de 50 cm. Wanneer we aannemen dat deze sporen zich ook in het centrale deel van het plangebied hebben bevonden betekent dit, gezien het ontbreken van deze sporen, dat het landschap oorspronkelijk minstens een halve meter hoger moet zijn geweest. In het centrale deel van het terrein is een duidelijke steilrand aanwezig. Ten noorden hiervan ligt het maaiveld op een hoogte van 9.2 m +NAP. Naar het zuiden gaat het maaiveld in enkele meters naar een hoogte van 7.9 m +NAP. Het laagste punt (7.63 m +NAP) is te vinden in het zuidoosten van het terrein.

Hoewel het zeker is dat het oorspronkelijke reliëf richting het zuiden ook een dalende lijn heeft gehad was deze waarschijnlijk steiler dan nu het geval is. Gezien het feit dat in dit deel een groot deel van de neolithische cultuurlaag en een heel groot deel van de middeleeuwse sporen is verdwenen wordt vermoed dat het terrein hier is afgegraven. Een aantal grote recente kuilen in het de werkputten in het zuidelijke deel doen vermoeden dat het oorspronkelijke reliëf hier is veranderd als gevolg van zandwinning. De vorm en het formaat van de kuilen komt overeen met die van zandwinningskuilen uit andere onderzoeken. Ondanks deze grote (sub)recente bodemingrepen bleek het mogelijk om, in combinatie met de informatie uit het vooronderzoek, de bodemopbouw en de landschappelijke ontwikkeling vrij veel detail te beschrijven. Hierbij is vastgesteld dat het plangebied op de flank van een rivierduin ligt waarbinnen een duidelijk onderscheid gemaakt kon worden in het hoger gelegen noordelijke deel van het terrein en het lager gelegen zuidelijke deel.58 Het noordelijke deel ligt op het rivierduinzand waarin een podzolbodem is ontstaan met daaronder de Laag van Wijchen en de afzettingen van het Laagterras. In het zuidelijke deel van het terrein is een pleistocene restgeul aanwezig die plaatselijk is opgevuld met venige lagen waarin veel neolithisch materiaal is aangetroffen.

Deze vondstlaag uit de depressie gaat op de flank van het duin over in een cultuurlaag uit dezelfde periode. De veenlagen en de cultuurlaag zijn afgedekt door een pakket stuifzand dat is afgezet vanaf het eind van de neolithische bewoningsfase. Tijdens of na het Neolithicum is een deel van het hoger gelegen duin geërodeerd en opnieuw afgezet tegen de zuidelijke flank. Op de top van het duin, in het noordelijke deel van het plangebied, is de neolithische cultuurlaag deels opgenomen in de middeleeuwse cultuurlagen. Het is mogelijk dat dit ook het geval is geweest in het zuidelijke deel van het terrein, maar dit kon vanwege de genoemde verstoringen niet meer worden vastgesteld.

3.4

d e b o d e m o p b o u w va n h e t o p g r av i n g s t e r r e i n

Op basis van de bodemopbouw kan het opgravingsterrein worden opgedeeld in de top van het duin in het noordelijke deel van het terrein, de flankzone in het centrale deel van het terrein en de duinvoet op de terrasvlakte met het ven in het zuidelijke deel van het opgravingsterrein.

Boreel 2012 c, 15.

58



Huidig maaiveld

Recente ophoging/verstoring

Middeleeuwse en Nieuwtijdse akker/cultuurlagen Middeleeuwse waterput str.7005

Neolithische cultuurlaag B/C-horizont MEpaalkuil

C-horizont

Laag van Wijchen

Fig. 3.5. Wijchen-Oostflank. Foto van de bodemopbouw op de top van het duin in werkput 12. 3.4.1

top rivierduin

Op de top van het rivierduin, in het noordelijke deel van het plangebied, bestaat de bodem aan de top uit een dik recent geroerd pakket. Hieronder zijn nog één of meerdere donker(bruin)grijze lagen aanwezig (fig. 3.5). Deze lagen zijn geïnterpreteerd als akker/cultuurlagen uit de Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Vanuit deze lagen zijn de middeleeuwse sporen ingegraven. In het noordelijke en het centrale deel, ten zuiden van verstoring als gevolg van de egalisatie/aftopping, is onder de recent geroerde lagen en de middeleeuwse akker- of cultuurlagen, een bruine laag aanwezig (fig. 3.5). Dit betreft de neolithische cultuurlaag (structuur 12001) die ook bij het vooronderzoek is aangetroffen in dit deel van het plangebied. Deze cultuurlaag is gevormd in een moderpodzol-B-horizont. Deze laag gaat, via een bruingele laag (BC-horizont) geleidelijk over in lichtgeel, goed gesorteerd, matig fijn tot matig grof zand (fig. 3.5). Dit is het rivierduinzand dat is afgezet in de Jonge Dryas. Ter plaatse van het voormalige schoolgebouw en westelijk daarvan gaan de recent geroerde bovenlagen direct over in dit rivierduinzand en ontbreekt de bruine neolithische cultuurlaag. Het pakket onverstoord rivierduinzand heeft in het noordelijke deel van het opgravingsterrein een dikte van 20 cm tot meer dan 1.5 m.

Het pakket rivierduinzand zal oorspronkelijk plaatselijk aanzienlijk dikker zijn geweest, aangezien de top recent of minder recent is verstoord. Vanaf een hoogte van 7.40 tot 7.72 m +NAP is onder het rivierduinzand zwak tot sterk zandige kleilaag aanwezig. Dit is de Laag van Wijchen. Deze zandige kleilaag heeft een dikte van 25 tot 40 cm. Hieronder is een gelaagd pakket aanwezig dat voornamelijk bestaat uit lagen matig tot zeer grof, zwak siltig zand afgewisseld met dunne kleilagen. In het zand is een duidelijke scheve gelaagdheid zichtbaar die typerend is voor de opbouw van beddingduinen. Ook zijn er vanaf een diepte van 5.60 tot 6.06 m +NAP enkele grindlagen aanwezig. Deze gelaagde afzettingen zijn afgezet door het vlechtende Kreftenheye-5-systeem (Laagterras).



3.4.2

flankzone

Op de flank van het rivierduin, in het centrale deel van het opgravingsterrein, is de bodem in belangrijke mate vergelijkbaar met de bodemopbouw op de top van het duin. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de bodemopbouw slechts in een klein deel volledig kon worden gedocumenteerd. De noordelijke begrenzing van de werkputten 3, 5, 8,9 en 12 is bepaald door de verstoring als gevolg van de bouw en sloop van het schoolgebouw. Hier was de bodem tot diep in het rivierduinzand verstoord. De bodemopbouw kon vervolgens over een stuk van 7.5 m in zuidelijke richting volledig worden gedocumenteerd. Vrijwel exact op het punt waar het duin oorspronkelijk sterker naar beneden liep was er vervolgens sprake van een grote (sub)recente verstoring. Deze is zeer goed zichtbaar in het profiel van werkput 5 (kaartbijlage 4b) en strekte zich uit over de volledige breedte van het plangebied. Vermoedelijk is deze verstoring het resultaat van zandwinning in de vorige twee eeuwen. Deze verstoring heeft echter tot gevolg dat de akker- en cultuurlagen uit de periode van het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen volledig zijn verstoord en niet meer konden worden gedocumenteerd. Hierdoor zijn we voor de reconstructie van het reliëf van de flank door de tijd heen aangewezen op een extrapolatie van de gegevens van het hoogste deel van de flank en de voet van het duin.

De basis bestaat op het hoogste deel van de flank ook uit de afzettingen van het Laagterras met daarop de laat-glaciale Laag van Wijchen en een dik pakket rivierduinzand. In tegenstelling tot de top van het rivierduin, is op de flank het bodemprofiel in het duinzand nog in belangrijke mate intact. In grote delen is hier in de top van het rivierduinzand een (bruin)grijze laag met fibers aanwezig die naar onderen geleidelijk overgaat in de het lichtgele rivierduinzand (kaartbijlage 4b)). Tijdens het vooronderzoek is dit pakket geïnterpreteerd als een postneolithisch pakket stuifzand omdat er ook enkele Bronstijdscherven in zijn aangetroffen.59 Het blijkt echter dat sporen uit de Bronstijd door deze laag heen zijn gegraven en dat het aandeel vondsten uit een andere periode dan het Neolithicum bijzonder laag is. Hieruit is geconcludeerd dat de laag als gevolg van verstuiving is gevormd tijdens de neolithische bewoningsfase en niet daarna. De kleine hoeveelheid postneolithische scherven in deze laag zijn waarschijnlijk intrusief in dit pakket terecht gekomen, bijvoorbeeld door vertrapping. Het betreft hier dan ook het equivalent van de neolithische cultuurlaag op de top van het rivierduin. Deze laag wordt afgedekt door een laag lichtgrijsgeel, matig fijn, goed gesorteerd, zwak siltig zand.

Dit betreft een laag stuifzand dat voornamelijk eolisch is afgezet maar deels ook verspoeld lijkt te zijn (S5.325). Dit blijkt ondermeer uit de gelaagdheid in de pakketten en het feit dat zandkorrels bij de eolisch afgezette lagen minder zijn afgerond in tegenstelling tot de lagen die door water zijn Deze laag was duidelijk waarneembaar op de zuidelijke flank van het rivierduin in het noorden van werkput 5 (kaartbijlage 4b). Echter in de overige delen van het plangebied was deze laag al opgenomen in de bouwvoor of de recent geroerde lagen van de bovengrond. In deze laag zijn enkel sporen van een subrecente perceelscheiding waargenomen. Onder deze laag zijn ter plaatse alleen sporen uit de Bronstijd, de neolithische cultuurlaag en neolithische sporen aangetroffen. Wanneer de laag gevormd is echter moeilijk te zeggen. Dit komt met name door het feit dat de laag alleen in een klein deel van het plangebied is aangetroffen en er alleen subrecente sporen in zijn waargenomen. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het zandpakket voor de 19de eeuw moet zijn afgezet. Het is echter niet duidelijk of de laag tussen de Bronstijd en de Middeleeuwen al is gevormd omdat er geen stratigrafische relatie gelegd kon worden met middeleeuwse sporen.

Het is goed mogelijk dat de middeleeuwse lagen en sporen aan de zuidflank in de late Middeleeuwen deels zijn gerodeerd waarna deze laag tijdens een andere latere fase is opgestoven. In dat geval dateert de laag dus postmiddeleeuws. Een datering vóór de Middeleeuwen is echter ook mogelijk.

Boreel 2012 c, 15.

59



Zoals ook uit het vooronderzoek bleek is in het zuidoostelijke deel van het opgravingsterrein, ter hoogte van werkput 2, 4 en het noordoostelijke deel van werkput 5, boven het neolithische niveau een herafgezette laag aanwezig waarin een groot deel van het materiaal uit het Mesolithicum is aangetroffen. Hieruit blijkt dat elders, op de top van het duin, het rivierduinzand moet zijn geërodeerd en dat het lager op de flank van het duin weer is afgezet.Verder naar het noorden, richting de top van het rivierduin is het stuifzand al niet meer waargenomen. Waarschijnlijk is hier wel stuifzand afgezet, maar is dit opgenomen in de geroerde bovengrond.

3.4.3

duinvoet en terrasvlakte

In het zuidelijke deel van het opgravingsterrein bestaat de bodem aan de basis van de profielen uit een pakket zwak siltig, matig zijn zand met dunne kleilagen. In profiel P15.1 (kaartbijlage 4c)), waarin de zuidwestelijke wand van het plangebied is gedocumenteerd, is goed te zien dat de lagen in zuidelijke richting afhellen. In het noordelijke deel van profiel P15.1 is vanaf een diepte van 6.20 m +NAP een grindlaag aanwezig. Dit is dezelfde grindlaag die ook in het noordelijke deel van het opgravingsterrein is aangetroffen. Op een diepte van 7.30 m +NAP ligt hier een 30 tot 50 cm dikke zwak zandige kleilaag. Dit betreft weer de Laag van Wijchen die ook in andere delen van het opgravingsterrein is aangetroffen. In profiel P15.1 loopt deze laag af in zuidelijke richting. Wat opvalt, is dat in dit zuidelijke deel van het profiel de grindlaag ontbreekt, ook op grotere diepte. Verder wordt de zwak zandige kleilaag hier afgedekt door sterk zandige klei en siltig zand. Deze afzettingen zijn geïnterpreteerd als oeverafzettingen. Uit dit alles is af te leiden dat deze oeverafzettingen en het zandige kleipakket van de Laag van Wijchen vanuit het zuiden zijn afgezet.

De fluviatiele afzettingen in de ondergrond van het zuidelijke deel van het opgravingsterrein kunnen dan ook gezien worden als afzettingen behorende tot de beddinggordel van het meanderende riviersysteem uit het Laat-Glaciaal (Allerød) van waaruit de Laag van Wijchen is afgezet op het Laagterras in het noordelijke deel van het terrein.Van een duidelijke restgeul lijkt binnen het plangebied geen sprake te zijn. De afzettingen bestaan uit beddingzand dat is afgezet binnen een kronkelwaard met de daarbij behorende lage ruggen en laagtes. Als geheel zal het een lager gelegen deel van het landschap hebben gevormd, doordat deze rivier zich ingesneden heeft in het Laagterras waarop het noordelijke deel van het plangebied ligt. De laat-glaciale fluviatiele afzettingen zijn in het zuidwestelijke deel van het terrein afgedekt door een dik pakket lichtgrijs tot lichtgeel, zwak siltig, matig fijn tot matig grof zand. Dit zijn de eolische afzettingen uit de Jonge Dryas (rivierduin). De dikte hiervan neemt in noordelijke richting toe. In het zuidoostelijke deel van het terrein ontbreken deze eolische afzettingen. Hier is direct onder de geroerde bovenlagen een pakket verspoeld zand aanwezig. Deze lagen zijn waarschijnlijk verspoeld bij overstromingen vanuit het Wijchens Maasje. Hierop bevindt zich in dit deel van het plangebied een dik, recent verstoord (ophogings)pakket.

3.4.4

ven

Het ven neemt een aparte plaats in binnen het zuidelijke deel van het plangebied. De bodem bestaat hier aan de basis van de profielen ook uit de fluviatiele afzettingen van het meanderende systeem uit het LaatGlaciaal.Wat opvalt aan deze afzettingen is dat de zandige kleilaag (Laag van Wijchen) hier ontbreekt. Het ven lijkt daarmee mogelijk te liggen in een laagte binnen de beddinggordel (kronkelwaardgeul) van het laat-glaciale, meanderende riviersysteem. Echter vooral door de latere verstuiving tijdens de Jonge Dryas, waarbij het rivierduin is opgewaaid, is hier een uitblazingslaagte ontstaan onderaan het rivierduin. Juist het ontbreken van de stugge, zandige kleilaag aan de top van de fluviatiele afzettingen kan de reden zijn



Fig. 3.6. Wijchen-Oostflank. Detailopname van profiel P9.36 in werkput 9 waarin de landschappelijke genese ter hoogte van het ven wordt geïllustreerd. Duidelijk zichtbaar zijn de humeuze bandjes die worden afgewisseld door zandlaagjes.

dat het (bedding)zand hier verder uitgeblazen kon worden en er een diepere laagte is ontstaan. De vulling van het ven bestaat onderin uit een zwak tot sterk zandige veenlaag. De basis van het veen ligt tussen 6.74 m +NAP in werkput 5 in het oosten van het ven tot minimaal 6.00 m +NAP in het profiel in werkput 9 in het westen van het ven. Aan de randen van het ven is sprake van één zandige veenlaag met een dikte van 8 tot 24 cm. In het centrum kan onderscheid gemaakt worden in verschillende lagen en is het totale veenpakket met een dikte van 30 tot 70 cm duidelijk dikker. In het profiel door het centraal-oostelijke deel van het ven (kaartbijlage 4d) bestaat het veenpakket aan de basis uit sterk zandig veen met daarboven een laag zwak zandig veen. De grootste hoeveelheid neolithisch materiaal is hier afkomstig uit de onderste, sterk zandige veenlaag. In het profiel door het centraal-westelijke deel van het ven (fig. 3.6) zijn meerdere veenlagen aanwezig die gescheiden zijn door humeuze zandlagen. Het neolithische materiaal bevindt zich hier vooral in de zandlagen (S9.14, S9.110 en S9.27) tussen de veenlagen (S9.13, S9.153 en S9.158). Boven deze lagen bevinden zich nog twee veenlagen die gescheiden zijn door een enkele centimeters dunne zandlaag. Zowel deze dunne zandlaag als de dikke zandlaag daaronder bestaan uit eolisch afgezet zand dat plaatselijk is verspoeld.

Uit deze soms zeer lokale verschillen in de opbouw van het ven blijkt dat er verschillende korte fases zijn geweest waarin stuifzand in het ven is afgezet, maar dat de veengroei, ook tijdens en na de neolithische bewoningsfase in het centrum van de depressie aanvankelijk nog door kon gaan. Uit het palynologisch onderzoek (hoofdstuk 14) blijkt dat het veen hoofdzakelijk bestaat uit oligotroof veenmosveen. Dit betekent dat het ven gevoed werd door voedselarm regen- en grondwater dat werd aangevoerd vanaf de hoger gelegen delen van het rivierduin. Hoger op het duin, in het noordelijke deel van het plangebied, kon het grondwater, door de aanwezigheid van de Laag van Wijchen onder het duinzand, niet ver de grond in zakken. Dit resulteerde in een sterke grondwaterstroming vanaf de duintop richting de duinvoet. De ligging direct onderaan het duin en vooral de ligging direct ten zuiden van de grens van het Laagterras met daarop de Laag van Wijchen zorgde voor een dusdanig sterke kwelstroom dat, ondanks de afwezigheid van een stagnerende kleilaag in de ondergrond, in de uitblazingslaagte een ven kon ontstaan waarin veen kon worden gevormd. Overal in het ven wordt het veenpakket afgedekt door een pakket lichtgrijsgeel, matig fijn stuifzand.

In profiel 9.36 ligt de top van het veen met 7.08 m +NAP duidelijk hoger dan in de profielen meer aan de randen van het ven waar het veenpakket veel dunner is. Dit betekent dat de randen van het ven het eerst zijn volgestoven en dat het centraal-westelijke deel van het ven nog het langst een natte laagte is gebleven waarin de veengroei kon doorgaan. Aan de basis van het stuifzandpakket zijn verspoelingslaagjes te zien die naar boven toe verdwijnen. Hieruit is af te leiden dat het stuifzand aanvankelijk is afgezet



in een natte laagte waarin een (ondiepe) laag water stond, maar dat door de voortdurende afzetting van stuifzand het ven geheel is opgevuld totdat er geen sprake meer was van een (natte) depressie in het landschap.

3.5

landschappelijke ontwikkeling binnen het plangebied

Op basis van de hiervoor beschreven bodemopbouw is de landschappelijke ontwikkeling van het opgravingsterrein en directe omgeving te reconstrueren. De basis van het opgravingsterrein wordt in het noordelijke deel gevormd door de Kreftenheye-5 afzettingen van het vlechtende riviersysteem van de Rijn en de Maas uit het Laat-Pleniglaciaal (Laagterras). In het zuidelijke deel van het terrein zijn in de ondergrond beddingafzettingen aanwezig die waarschijnlijk kunnen worden toegeschreven aan het meanderend riviersysteem uit het Allerød dat zich heeft ingesneden in het Laagterras.Vanuit deze rivier is op de Kreftenheye-5-afzettingen een primitieve oeverwal gevormd die bestaat uit een pakket met afwisselend zand- en kleilagen. Verder naar het noorden gaat dit over in een zandige kleilaag. Dit betreft de laat-glaciale Laag van Wijchen. Het ven in het zuidelijke deel van het landschap vindt zijn oorsprong in een laagte in dit laat-glaciale rivierlandschap.Waarschijnlijk betreft het een rest-/kronkelwaardgeul van dit meanderende riviersysteem. Dit landschap komt daarmee overeen met het landschap op het Martensterrein.

Ook hier is in de ondergrond op vergelijkbare diepte een met veen opgevulde laagte in het Terras X aangetroffen.60 Een zelfde situatie lijkt ook te hebben bestaan ter hoogte van de Markt, waar tijdens het onderzoek aan het begin van de jaren ‘90 van de vorige eeuw ook een zeer humeuze depressie is aangesneden. De top van dit humeuze pakket bevindt zich op een vergelijkbare diepte tussen 7.00 en 7.30 m+NAP.61 In de Jonge Dryas verslechterde het klimaat weer, veranderde het rivierpatroon weer van meanderend naar vlechtend en kon sediment vanuit de riviervlaktes (Kreftenheye-6-riviersysteem) opwaaien tot rivierduinen. Deze periode is zeer bepalend geweest voor Wijchen en omgeving en zeker ook voor het landschap binnen het opgravingsterrein. In deze periode is in het noordelijke en centrale deel van het plangebied een pakket rivierduinzand afgezet. Enkel in het uiterste zuidelijke deel van het opgravingsterrein is geen zand afgezet. Ook de laagte waarin later het ven ligt, is in deze periode niet opgevuld met duinzand. Deze laagte ligt binnen een geul in de laat-glaciale riviervlakte, maar kan vooral gezien worden als uitblazingslaagte van waaruit het rivierzand is opgewaaid en afgezet in het noordelijke deel van het opgravingsterrein. In het Holoceen zette de klimaatverandering definitief door.

Als gevolg van het stijgen van de gemiddelde temperatuur en de toename van de neerslaghoeveelheid werd het zand vastgelegd en veranderde de vegetatie. De vegetatie bestond in het begin van het Holoceen uit een toendravegetatie (o.a. dwergberk) die vervolgens evolueerde in een vegetatie met voornamelijk den en hazelaar. Onder deze omstandigheden is in het grootste deel van het opgravingsterrein in het rivierduinzand een moderpodzolbodem ontstaan. Deze podzolbodem volgt het pleistocene reliëf van de top van het rivierduinzand. De podzolbodem is voornamelijk aangetroffen op de flank van het rivierduin in het centrale en zuidoostelijke deel van het opgravingsterrein, maar ook in het noordelijke deel zijn restanten van deze bodem nog aanwezig. In het grootste deel van het centrale en noordelijke deel van het terrein ontbreekt (het restant van) de podzolbodem doordat deze door latere processen is verdwenen en/of opgenomen in de bovenliggende lagen. In het laagst gelegen deel van het terrein in het zuiden ontbreekt de podzolbodem doordat hier de grondwaterstanden te hoog waren voor podzolisatie. Het ven is gedurende het Holoceen verder vernat waardoor er uiteindelijk veen kon groeien. In de Hatertse Vennen is vastgesteld dat de veengroei vooral op gang kwam als gevolg van de ontbossing in Verhelst 2011, 47-48.

60

Zie o.a. Heeren/Hazenberg 2010, 20. Verder informatie

61



het Midden en Laat Neolithicum en de daarmee samenhangende grondwaterspiegelstijging.62 Op de Oostflank lijkt dit eerder het geval te zijn aangezien de vondstrijke lagen uit het Neolithicum in die delen van het ven waar het veenpakket dikker is, zich niet zozeer bevinden in de basis van het veenpakket, maar eerder aan de top van het veenpakket. Mogelijk hangt de vernatting en daarmee het begin van de veengroei hier samen met het ontstaan van het Wijchens Maasje. Uit het palynologisch onderzoek (hoofdstuk 15) blijkt dat het veen hoofdzakelijk bestaat uit oligotroof veenmosveen. Dit betekent dan weer dat, ondanks de nabijheid van het Wijchens Maasje, het ven voornamelijk werd gevoed door voedselarm regenwater dat aangevoerd werd vanaf het hoger gelegen rivierduincomplex en niet door het voedselrijke rivierwater van het Wijchens Maasje. Rondom het ven bestond de vegetatie voornamelijk uit elzen en hazelaars. Daarnaast komt ook den, eik en berk voor. Deze bomen zullen vooral hoger op de zandgronden hebben gestaan. Tijdens de vorming van de neolithische veenlagen hebben rond het ven voornamelijk elzen en hazelaars en ook dennen gestaan. Hierna lijkt de vegetatie meer gedomineerd te worden door eiken. Het Wijchens Maasje is actief vanaf 3578 tot 1263 jaar voor Chr. Door overstromingen van deze rivier zijn de lagere delen van het rivierduin verspoeld.

In het ven zijn op het veen verspoelde lagen te zien die vanuit het zuiden, dus vanuit het Wijchens Maasje, in het ven zijn afgezet. Er is geen sprake van een ingesneden geul van de Maas zoals bij de opgraving aan de Oosterweg wel het geval is. Daar is sprake van een pakket oeverafzettingen op het rivierduinzand met zelfs een crevasse-achtige doorbraakgeul.63 Hiermee verschilt dit terrein duidelijk van de Oostflank, waar veel minder invloed vanuit de Maas is waargenomen. Al tijdens de neolithische bewoningsfase is stuifzand afgezet binnen het plangebied. Dit blijkt uit de zandige, vondstlagen in het ven (structuur 38002). Mogelijk betreft dit ook deels verspoeld zand, maar ook uit de opbouw van de neolithische cultuurlaag (structuur 12001). Het mesolithisch materiaal dat binnen het plangebied aanwezig is, bevindt zich in een laag op of vermengd met de neolithische vondst-/cultuurlaag. Hieruit blijkt dat de top van het duinzand in het hoger gelegen noordwestelijke deel van het terrein is geërodeerd en weer afgezet lager op de flank van het duin. Na de bewoningsperiode in het Neolithicum en de Bronstijd is een dik pakket (ca. 70 cm) stuifzand afgezet ter hoogte van het ven. Hierbij is het ven geheel opgevuld totdat dit niet meer als (natte) laagte in het landschap aanwezig was.

Waarschijnlijk heeft deze grootschalige verstuiving er aan bijgedragen dat het plangebied tijdelijk verlaten is door de mens. Hiermee lijkt de grootschalige verstuiving in een iets latere periode te hebben plaatsgevonden als op het Martensterrein, waar verondersteld wordt dat het meeste stuifzand is afgezet in het Midden en Laat Neolithicum.64 Echter, ook hierna heeft nog verstuiving plaats gevonden. Bij de opgraving op de Meshallen blijkt dat het meeste stuifzand is afgezet op de bewoningslaag uit de Late Bronstijd. Het stuifzand is hier afgezet in twee fases in de periode vanaf de Late Bronstijd tot het moment dat het terrein opnieuw in gebruik wordt genomen in de Midden IJzertijd.65 Tot hoe lang de verstuiving op de Oostflank is doorgegaan, is op basis van het huidige onderzoek niet goed te bepalen. Twee 14C-dateringen uit respectievelijk een kuil in het ven en een laag direct boven de neolithische lagen in het ven wijzen erop dat de grootschalige verstuiving in de zone rond het ven pas in de loop van de Midden Bronstijd of later heeft plaatsgevonden. Dit beeld vindt dus aansluiting bij de conclusie van het onderzoek op het terrein van de Meshallen. Getuige de resten uit de latere perioden die zich voornamelijk in één niveau bevinden, is het gebied later minder gevoelig voor verstuiving en is nog maar weinig tot geen stuifzand afgezet.

Wat opvalt is dat in het centrale deel van het plangebied, ter plaatse en westelijk van het voormalige schoolgebouw, geen sporen zijn aangetroffen. Deels is dit het gevolg van de verstoringen van het schoolgebouw, maar valt af te leiden uit de documentatie zoals deze is gede-

63

poneerd op DANSEASY.

64

Teunissen 1995, 120-129.

65

62



De Koning 2010, 49-50. Verhelst 2011, 49. Heirbaut/Hendriks/Hermsen 2010, 27.

Recente verstoring Neolithische cultuurlaag BC-horizont C-horizont

Fig. 3.7. Wijchen-Oostflank. Profielfoto van een deel van het profiel in het zuidelijke deel van werkput 12. Het profiel stortte helaas in voordat het getekend kon worden.

vooral de diepere middeleeuwse sporen zouden hieronder nog wel bewaard moeten zijn. Op basis van de dichtheid van de sporen in de zones grenzend aan dit lege gebied, kunnen deze hier ook zeker verwacht worden. Het gegeven dat deze sporen niet zijn aangetroffen vormt dan ook een argument om te veronderstellen dat het maaiveld in het centrale deel van het plangebied, ook nog tijdens de middeleeuwse bewoning, een aanzienlijk stuk hoger moet hebben gelegen dan de aangrenzende delen van het opgravingsterrein. Dit beeld wordt ook bevestigd door een profielfoto ter hoogte van het centrale deel van werkput 12 (fig. 3.7). Op de foto is duidelijk zichtbaar hoe de neolithische cultuurlaag richting het noorden oploopt om vervolgens in de verstoring te verdwijnen. De verstoring is hier echter nog geen 50 cm dik. Deze dikte is echter te dun om de oorspronkelijke bodemopbouw, bestaande uit de neolithische cultuurlaag, middeleeuwse cultuurlaag en de latere akkerlagen, te omvatten. Dit impliceert dat het landschap hier oorspronkelijk dus aanzienlijk hoger moet zijn geweest. Het is niet goed te bepalen hoe hoog exact, maar het oorspronkelijke maaiveld kan hier tot een meter boven het eerste opgravingsvlak hebben gelegen. Na de middeleeuwse bewoning is het terrein dus geëgaliseerd. Mogelijk is de grond richting het lager gelegen zuidelijke deel van het plangebied geschoven.

Dit kon echter niet meer worden vastgesteld omdat de bodem hier tot onder de neolithische cultuurlaag verstoord was als gevolg van waarschijnlijk postmiddeleeuwse zandwinningsactiviteiten.



4

d e v i n d p la at s e n e n h u n g lo ba l e dat e r i n g

4.1

inleiding

Op basis van het proefsleuvenonderzoek werd de aanwezigheid van meerdere vindplaatsen uit verschillende archeologische tijdvakken verondersteld.66 De oudste vindplaats stamde uit het Mesolithicum en de jongste vindplaats uit de Late Middeleeuwen. De resultaten van de opgraving hebben uitgewezen dat het aantal vindplaatsen dat binnen het plangebied vertegenwoordigd is feitelijk lager ligt dan het aantal waar aan de hand van het proefsleuvenonderzoek van uit was gegaan. De oorzaak hiervoor ligt in het feit dat de vindplaatsen uit de Romeinse tijd, de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd vrijwel zeker tot één vindplaats moeten worden gerekend die vanaf de laat-Romeinse tijd tot op de dag van vandaag continu in gebruik is geweest. Daarnaast kon de veronderstelde aanwezigheid van de vindplaats uit de IJzertijd op basis van de resultaten van de opgraving niet worden bevestigd.

4.2

d e v i n d p la at s e n

4.2.1

mesolithicum

Verspreid over het plangebied zijn verschillende vondsten aangetroffen die wijzen op menselijke activiteit gedurende het Mesolithicum. Het gaat hierbij om een dusdanige hoeveelheid materiaal dat het niet kan gaan om toevalsvondsten of zogenaamde ‘stray finds’. Deze vondsten uit zowel het vooronderzoek als de opgraving zijn echter telkens afkomstig uit verstoorde of jongere contexten. Hierdoor was het niet mogelijk de feitelijke activiteitenzone uit het Mesolithicum te lokaliseren. Ondanks het feit dat er geen sporen of vondsten zijn aangetroffen zijn we in staat om toch enige uitspraken te doen over de aard en datering van de bewoning in het Mesolithicum. Het blijkt namelijk dat een groot deel van de 14C-monsters ‘vervuild’ was met ouder materiaal. Een groot deel van de dateringen komt uit in het Mesolithicum en wel in twee perioden uit deze tijd (zie paragraaf 4.3). Deze dateringen, in combinatie met het vondstmateriaal, bieden toch enige inzichten in deze vindplaats. Dit beeld is in lijn met de conclusie uit het proefsleuvenonderzoek, waar werd uitgegaan van de aanwezigheid van een seizoenskamp binnen het plangebied uit het 8ste of 7de millennium voor Chr.67.

Hoewel de aard van de bewoning in het Mesolithicum op basis van het vuursteenonderzoek in het kader van de opgraving niet bevestigd kon worden, kon de datering die tijdens het vooronderzoek op basis van de morfologische kenmerken van de artefacten, aan de vindplaats werd gekoppeld, nu bevestigd worden door de uitkomsten van het 14C-onderzoek. Daarnaast geeft het grote aantal dateringen uit secundaire contexten dat uitvalt in het Mesolithicum aan dat het plangebied in deze periode intensief moet zijn bewoond. Dit is een beeld dat niet pas bij een kortstondige bewoning van een jacht- of extractiekamp, maar wel bij een seizoenskamp. Als locatie voor dit seizoenskamp werd in eerste instantie het oostelijk deel van het plangebied aangewezen. Ten zuiden van deze locatie waren tijdens het vooronderzoek de meeste mesolithische vondsten aangetroffen. Deze lagen echter niet meer in situ, maar lagen als gevolg van erosie boven op de lagen met neolithisch materiaal. Tijdens de opgraving is de grond vanaf de locatie met materiaal uit de geërodeerde contexten rich-

Van Kampen 2012. Zie voor een beknopte beschrijving

66

Kubistal 2012, 58.

67

van deze vindplaatsen hoofdstuk 2.



ting het noorden gezeefd. Echter ook nu werden geen sporen of in situ liggende vondsten aangetroffen en moet de locatie van de mesolithische bewoning elders gezocht worden. Vermoedelijk heeft men het hoogste deel van het duin bewoond. Zeer waarschijnlijk gaat hier om de top van het duin die het centrale deel van het plangebied moet hebben ingenomen. Dit deel is in latere periodes door erosie en egalisatie echter compleet verstoord, waardoor deze hypothese niet meer valt te toetsen. Wanneer de bewoning zich elders binnen het plangebied concentreerde zouden zeker ook haardkuilen zijn aangetroffen. Het feit dat deze niet zijn gevonden geeft aan dat deze sporen in een deel van het plangebied lagen dat niet meer intact was. Ook de flank ten zuiden van deze top is verstoord (zie hoofdstuk 4). Dit is waarschijnlijk ook de verklaring voor het ontbreken van mesolithisch materiaal in het vooronderzoek in dit deel van het plangebied. Alleen in het oostelijke deel van het plangebied, waar de mate van verstoring kleiner was, is mesolithisch materiaal aangetroffen. Het gegeven dat mesolithische resten in de overige delen van het plangebied alleen in secundaire context zijn aangetroffen, doet de theorie dat de mesolithische vindplaats compleet is verdwenen als gevolg van erosie echter in kracht toenemen.

4.2.2

neolithicum

De vindplaats uit het Neolithicum betreft een nederzettingscontext waarbij één of meerdere huizen binnen het plangebied zullen hebben gestaan.Vondsten uit deze periode zijn over de gehele oppervlakte van het plangebied aangetroffen. Vermoed wordt dan ook dat vindplaats zich uitstrekte tot buiten de begrenzing van het plangebied. Hoe groot de nederzetting is geweest of hoeveel huizen er per keer hebben gestaan is niet bekend. Een bijzonder element binnen deze nederzetting wordt gevormd door een met palen omgeven ven waarin men grote hoeveelheden aardewerk, vuursteen en natuursteen heeft gedeponeerd. Het gaat hierbij om ca, 30 000 vondsten. Naast de grote hoeveelheid vondsten uit deze periode zijn ook meerdere sporen aangetroffen die met zekerheid aan het Neolithicum moeten worden toegewezen. Het gaat hierbij om verschillende kuilen en een palenrij die rond het ven heeft gestaan. Duidelijke huisplattegronden konden niet worden gereconstrueerd. Wel zijn enkele mogelijke huisplattegronden geïdentificeerd. Helaas kon het 14C-onderzoek geen absolute zekerheid bieden over de datering van de sporen die tot de huisplattegronden zijn gerekend of die van de overige neolithische sporen. Daarom zijn we voor de datering van het complex aangewezen op de datering die kan worden afgeleid uit de algemene datering van het aardewerk en de lithische artefacten.

Deze komt globaal uit in de eerste helft van het 3de millennium voor Chr. Meer specifiek kan worden verondersteld dat de piek van de menselijke activiteit in deze periode tussen 2850 en 2700 voor Chr. ligt. Een aantal 14C-dateringen dat binnen dezelfde periode valt als de datering van het aardewerk kan louter worden gezien als een bevestiging voor de conclusie uit het aardewerkonderzoek met betrekking tot de periode waarin sprake is van menselijke activiteit, maar kon deze datering niet verder aanscherpen. Ook na de bewoningspiek lijkt er nog sprake van enige menselijke activiteit in het plangebied. Hierbij gaat het om enkele losse sporen. Deze worden in het hoofdstuk sporen en structuren (hoofdstuk 5) onder dezelfde paragraaf besproken als de overige neolithische sporen.

4.2.3

bronstijd

Tijdens het proefsleuvenonderzoek werd op basis van een 14C-datering uit een kuil in het noordoostelijke deel van het terrein en een datering uit de hoogste lagen van het ven, de aanwezigheid van een nederzetting uit de Midden Bronstijd vermoed.68 In een later stadium heeft Erik Drenth uit eigen mid-



delen nog een datering laten uitvoeren op een eikel uit een kuiltje in het ven, waarvan op basis van het hieruit verzamelde aardewerk, werd vermoed dat het om een neolithisch spoor ging. De datering van de eikel bleek echter rond de overgang van de Vroege naar de Midden Bronstijd te dateren (zie paragraaf 4.3.4). Waarschijnlijk is de kuil in de Bronstijd in de depressie gegraven en is het neolithische aardewerk als opspit uit de onderliggende vondstrijke lagen in de kuil terecht gekomen. Hoewel verspreid over het plangebied vondsten zijn gedaan die kunnen worden toegeschreven aan de Bronstijd, ontbreken is slechts één huis uit de Midden Bronstijd B aangetroffen. Daarnaast hebben nog enkele kuilen in het ven een vermoedelijke datering in de Bronstijd. Opvallend is wel dat vondsten en/ of dateringen uit zowel de Vroege als de Midden Bronstijd beschikbaar zijn voor het plangebied. Hetgeen aangeeft dat in al deze perioden sprake moet zijn geweest van menselijke activiteit. Het zal hierbij eerder zijn gegaan om sporadische bezoeken. De uitzondering hierop is de latere fase van de Midden Bronstijd B wanneer binnen het plangebied een erf heeft gefunctioneerd.

4.2.4

l a at - r o m e i n s e t i j d t o t e n m e t d e n i e u w e t i j d.

Gezien de nabijheid tot het grafveld op de Markt en de laat-Romeinse vindplaats op de Tienakker werden binnen het plangebied zeker resten van laat-Romeinse of Merovingische oorsprong verwacht. Echter tijdens het proefsleuvenonderzoek kon slechts één kuil aan deze periode worden toegeschreven.69 Ook vondstmateriaal uit de 4de tot en met de 6de eeuw is nagenoeg niet aangetroffen. De opgraving heeft echter aangetoond dat zowel in het noordwestelijke deel van het plangebied als in het zuidoostelijke deel erven uit de laat-Romeinse tijd of de Merovingische periode hebben gelegen. Het is zeer aannemelijk dat ook in de tussengelegen zone sprake is geweest van menselijke activiteit in deze periode. Hoewel plattegronden en goed dateerbare sporen uit de Vroege Karolingische periode ontbreken is het vrij zeker dat de bewoning zich in deze tijd voortzet binnen het plangebied. Uit de latere Karolingische periode en de daar opvolgende Ottoonse tijd zijn sporen gevonden die wijzen op ijzerproductie. Doorgaans wordt de Veluwe in de Vroege Middeleeuwen als het centrum van ijzerproductie in deze periode gezien.70 Dit gebied heette destijds Hamaland.

Hier blijkt dat vroeg-middeleeuwse machtscentra hun positie kunnen behouden door een grote rol in te nemen in de grootschalige ijzerproductie.71 Vermoed wordt dat de bijzondere status die de bewoners van Wijchen hadden verworven in de Merovingische periode, door hun nazaten is geprolongeerd tot in ieder geval de Ottoonse tijd. Op grond van onder meer deze redenatie, die in de synthese verder zal worden onderbouwd, gaan we uit van een continue bewoning vanaf de Romeinse tijd tot en met de Ottoonse tijd. De naam Wichen of Wighene komt in historische bronnen al voor vanaf de twaalfde eeuw, waarbij de vermelding Wichen al teruggevonden wordt op een oorkonde uit 1105.72 Daarbij komt dat de huidige Heilige Antonius Abtkerk van Wijchen in de 11de eeuw na Chr. is opgetrokken uit steen. Binnen het plangebied zijn meerdere vondsten, sporen en gebouwstructuren aangetroffen die wijzen op een datering in de 12de eeuw na Chr. Gezien de relatief korte periode van ca. 60 jaar tussen het einde van de Ottoonse tijd, de datering van de eerste vermelding van de plaatsnaam, en het voortbestaan van de kerk tot op de dag van vandaag is het zeker dat ook nu sprake is van een zekere mate van bewoningscontinuïteit binnen het plangebied tussen de Ottoonse periode en de Volle Middeleeuwen.

Op basis van de beschikbare dendrochronologische dateringen (zie paragraaf 4.4) is het zeker dat de bewoning in ieder geval doorloopt tot in de 15de eeuw. In deze fase is Wijchen uitgegroeid tot een kern die tot op heden bewoond wordt. Binnen het plangebied zijn op verschillende locaties sporen en vondsten aangetroffen die in deze postmiddeleeuwse fase vallen.Vooral in het noordelijke deel van het plangebied in de werkputten 12 en 16 zijn sporen aangetroffen uit deze periode. Het gaat hierbij het om grotere kuilen. In het zuidelijke deel



vn

sn

str.

materiaal

labcode

Opgraving

datering

jaren cal BC

(jaar BP)

(2 σ)

Mesolithicum V1320

9.65

8002

voedselrest Poz-

81653

9000 +/- 50

8297-8171 (73.6), 8116-8054 (9.2), 8047-7980 (12.6)

V1422

9.159 25015

twijg

Poz-

81662

8850 +/- 50

8219-7787 (95.0), 7766-7761 (0.4)

V1650

9.13

38001

twijg

Poz-

81664

8690 +/- 50

7936-7928 (0.6), 7916-7899 (1.2), 7868-7856

V297

3.109 8001

twijg

Poz-

81648

8030 +/- 40

7076-6806 (95.2), 6783-6780 (0.2)

V227

3.61

18001

twijg

Poz-

81654

7750 +/- 50

6656-6471 (95.4)

V1658

11.62 18001

twijg

Poz-

81663

7750 +/- 40

6646-6482 (95.4)

V880

8.84

voedselrest Poz-

81656

7140 +/- 40

6075-5976 (88.0), 5948-5920 (7.4)

V659

5.195 18001

houtskool

Poz-

81655

7130 +/- 40

6071-5973 (83.2), 5951-5916 (12.2)

V1750

11.49 38002

plantrest

Poz-

81667

7060 +/- 40

6016-5873 (93.3), 5861-5847 (2.1)

V779

5.311 8017

voedselrest Poz-

81651

4485 +/- 35

3346-3088 (91.2), 3057-3031

V1529

9.14

38002

twijg

Poz-

81665

4205 +/- 35

2900-2837 (29.7), 2816-2673 (65.7)

V290

3.155 8002

twijg

Poz-

81650

4135 +/- 35

(0.8), 7846-7591 (92.8)

18001

Laat Neolithicum

2873-2619 (93,0), 2607-2599 (1.5), 2593-2588 (0.9)

V1304

9.98

twijg

Poz-

81661

3795 +/- 30

2338-2316 (2.1), 2310-2137 (93.3)

V1058

8.171 25019

25014

houtskool

Poz-

81657

3635 +/- 35

2133-2083 (14.8), 2058-1903 (80.6)

V1252

7.160 9001

twijg

Poz-

81660

3200 +/- 30

1526-1417 (95.4)

V1149

8.186 8001

houtskool

Poz-

81652

3000 +/- 30

1377-1348 (6), 1304-1126 (89.4)

V1251

7.161 9001

twijg

Poz-

81658

2065 +/- 30

171-2AD(95.4)

Bronstijd

Ijzertijd Karolingisch/ Ottoons

V1045

7.51

27001

graankorrel Poz-

81666

1155 +/- 30

775AD-969AD

V1049

7.26

27000

twijg

Poz-

81668

1145 +/- 30

776AD-794AD (7.0), 800AD-975AD (88.4)

V105

16.161

houtskool

Poz-

83898

995+/-30

986AD-1052AD (63.8%), 1081AD-1153AD (31.6%)

Proefsleuven Bronstijd V44

9.49

houtskool

Poz-

42057

3170 +/- 35

1512-1391 (95.4)

V85

1.4

houtskool

Poz-

42100

3025 +/- 35

1397-1192 (91.8), 1177-1162 (1.8), 1144-1132 (1.9)

Karolingisch/ Ottoons

V87

1.132

houtskool

Poz-

42099

1130 +/- 30

782AD-789AD (1.0), 811AD-846AD (5.5), 857AD-989AD (89.0)

Drenth Bronstijd V2

10

eikel

Poz-

64376

3490 +/- 30

1893-1741 (93.4), 1711-1700 (2.0)

Tabel 4.1. Wijchen-Oostflank. Gegevens met betrekking tot de 14C-dateringen van de structuren.



van het plangebied zijn verschillende palenrijen aangetroffen. Het gaat hier om sporen van bewoning uit de 18de of 19de eeuw. Op de kadastrale kaart uit 1832 zijn op de locatie van het plangebied verschillende gebouwen zichtbaar.Waarschijnlijk hadden deze gebouwen alle een agrarische functie. De sporen worden dan ook gezien als onderdeel van een Nieuwtijdse agrarische nederzetting. De exacte omvang of vorm van de nederzetting door de eeuwen heen is onbekend. Wel wordt er op basis van de aanwezigheid van middeleeuwse sporen in het zuidelijke deel van het plangebied van uit gegaan dat het volledige plangebied oorspronkelijk onderdeel uitmaakte van deze vindplaats. Dit is echter niet meer aan te tonen als gevolg van (sub) recente bodemingrepen zoals de bouw en sloop van de basisschool en de sporthal en het egaliseren van het duin (zie hoofdstuk 3).

4.3

r a d i o ko o l s t o f dat e r i n g e n

4.3.1

algemeen

Voor de volledigheid zijn in deze paragraaf ook de dateringen meegenomen die in de periode voorafgaand aan de opgraving zijn uitgevoerd op verkoolde resten uit het plangebied. In totaal zijn 20 monsters geanalyseerd in het Poznan Radiocarbon Laboratory. De dateringen zijn alle uitgevoerd middels de AMSmethode.73 De resultaten van de analyses zijn weergegeven in tabel 4.1 en figuren 4.1 tot en met 4.3. Er bestond een mogelijkheid om meer monsters te laten analyseren. Hier is echter vanaf gezien toen bleek dat de dateringen niet de gewenste resultaten opleverden (zie § 4.3.2). Bij de selectie van de monsters is, waar mogelijk, gekozen voor verkoolde graankorrels omdat de levensduur, i.e. de periode waarin een organisme 14C-isotopen kan opnemen, hiervan zeer beperkt is en de datering dan het meest betrouwbaar wordt. Andere soorten verkoolde zaden zijn niet aangetroffen in de monsters. Wanneer zaden ontbraken is gekozen om verkoolde twijgresten of voedselresten op te sturen. Ook voor deze resten geldt dat ze een relatief korte levensduur gehad zullen hebben waardoor de betrouwbaarheid van de datering voor het spoor vrij hoog zou moeten zijn.74

4.3.2

mesolithicum

Zeer opvallend is het hoge aantal dateringen dat in het Mesolithicum uitkomt. De monsters waaruit deze dateringen zijn voortgekomen zijn genomen uit paalkuilen en lagen uit het ven. Het is zeer onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk, dat deze sporen en lagen in het Mesolithicum dateren. Het verkoolde materiaal zal daarom vrijwel zeker als opspit of zwerfvuil moeten worden beschouwd. Dit is een zeer reële mogelijkheid aangezien men in het Mesolithicum zeer houtskoolrijke sporen produceerde in de vorm van haardkuilen. Uitgaande van een relatief lange occupatie van een seizoenskamp op de top van het duin, zoals is gesteld in het rapport van het vooronderzoek, zullen hier vrij veel haardkuilen hebben gelegen.75 Vermoedelijk heeft men aan het begin van het 3de millennium voor Chr. een deel van het bos weggekapt om ruimte te maken voor de nederzetting die vanaf dat moment in dit gebied aanwezig was. Van Kampen 2012, 22.

Voor het calibreren van de dateringen is gebruik

Van Kampen 2012, 20.

gemaakt van het programma OxCal 4.1.7 (Bronk Ram-

68 69

Heidinga 1990, 9-40.

sey 2010).

70

Heidinga 1990, 9-40.

71

De selectie van het verkoolde materiaal is aansluitend

74

www.wighene.nl

aan het onderzoek van de botanische macroresten

 Accelerated Mass Spectrometry. Hiervoor is minder mate-

gemaakt door drs. A. Fischer.

72 73

riaal nodig in vergelijking met de traditionele methode.



OxCal v4.2.4 Bronk Ramsey (2013); r:5 IntCal13 atmospheric curve (Reimer et al 2013)

R_Date Poz-81653 R_Date Poz-81662 R_Date Poz-81664 R_Date Poz-81648 R_Date Poz-81663 R_Date Poz-81654 R_Date Poz-81656 R_Date Poz-81655 R_Date Poz-81667

9000

8500

8000

7500

7000

6500

6000

5500

Calibrated date (calBC)

Fig. 4.1. Wijchen-Oostflank. Overzicht van de 14C-dateringen uit het Mesolithicum.

Als gevolg van deze kaalslag zal een deel van het duin zijn afgestoven omdat de wind nu meer speelruimte kreeg. Hierbij zullen de haardkuilen ook (deels) zijn uitgeblazen en zijn de houtskoolresten over het duin, de flank en het ven verspreid.

4.3.3

neolithicum

De kleine hoeveelheid dateringen die uitkomt in de periode van de bewoning in het Neolithicum kan hooguit worden gezien als de bevestiging van de conclusie dat er sprake is van menselijke activiteit binnen het plangebied omstreeks de eerste helft van het 3de millennium voor Chr. Deze hoeveelheid dateringen staat echter in schril contrast tot de hoeveelheid materiaal die aan deze periode kan worden toegeschreven. De oorzaak hiervan is tweeledig. Ten eerste zijn de monsters uit het ven, de grote neolithische context binnen het plangebied, ‘vervuild’ met ouder, verstoven materiaal. Daarnaast zijn slechts enkele monsters uit sporen op de flank waarvan werd gedacht dat het neolithische sporen waren geselecteerd voor een 14C-analyse. Omdat tijdens de waardering van het botanisch materiaal al bleek dat de sporen vrijwel geen bruikbaar 14C-materiaal bevatten is besloten om geen aanvullende monsters te onderzoeken. Een belangrijke datering is die uit spoor S9.98.76 Deze heeft betrekking op een monster dat uit een kuil is genomen waarin een groot deel van een bijzondere potbeker is gevonden. Rondom Wijchen zijn verschillende scherven van vergelijkbare potbekers aangetroffen, maar deze konden tot op heden, vanwege gebrek aan goede contextgegevens niet goed worden gedateerd.77 De datering tussen 2338 en 2137 voor Chr.

geeft dus een indicatie voor de periode waarin dergelijke potten werden gemaakt. Kubistal 2012, 58-61.

75



POZ-81661, 3795 ±30 BP.

76

OxCal v4.2.4 Bronk Ramsey (2013); r:5 IntCal13 atmospheric curve (Reimer et al 2013)

R_Date Poz-81651 R_Date Poz-81665 R_Date Poz-81650 R_Date Poz-81661 R_Date Poz-81657 R_Date Poz-64376 R_Date Poz-81660 R_Date Poz-42057 R_Date Poz-42100 R_Date Poz-81652

4000

3500

3000

2500

2000

1500

1000

Calibrated date (calBC)

Fig. 4.2. Wijchen-Oostflank. Overzicht van de 14C-dateringen uit de periode vanaf het Midden Neolithicum tot en met de Midden Bronstijd B. 4.3.4

bronstijd

Opvallend zijn de dateringen die uitkomen in de Bronstijd. Maar liefst vier van de 23 dateringen komen uit in deze periode. Dit is opmerkelijk omdat voorafgaand aan de opgraving de aanwezigheid van een vindplaats uit deze periode, op basis van de resultaten van de aardewerkanalyse van het proefsleuvenonderzoek, eigenlijk niet werd verwacht. Alleen in het noordoostelijke deel van het plangebied werd de periferie van een nederzetting verwacht. Hier was één kuil aangetroffen die op basis van het aardewerk en de 14C-datering in de latere fase van de Midden Bronstijd B werd gedateerd.78 Een datering afkomstig van een stukje verkoold materiaal uit de hoogste lagen van het ven was tijdens het proefsleuvenonderzoek ook gedateerd in de Bronstijd, zij het wellicht iets eerder.79 Dit materiaal werd echter gezien als zwerfvuil dat bij het overstuiven van het ven vanaf het duin in de depressie terecht was gekomen. De verrassing was dan ook groot toen een datering die op kosten van E. Drenth was uitgevoerd, ten einde een kuil die tijdens het vooronderzoek in het ven was aangetroffen, beter te kunnen dateren, ook uitkwam in de Bronstijd. Deze datering ligt echter rond de overgang van de Vroege naar de Midden Bronstijd.80 De datering was uitgevoerd op een eikel uit een kuil waarvan de insnijding in het ven hoger zal hebben gelegen, maar die tijdens het proefsleuvenonderzoek niet was herkend.

Echter ook nu was er gezien het vrijwel geheel ontbreken van vondstmateriaal uit de Bronstijd nog geen reden om aan te nemen dat er binnen het plangebied een nederzetting uit deze periode verwacht moest worden. Twee uitkomsten van Zie o.a. Van Engeldorp/Gastelaars 2015.

79

POZ-42100, 3025 ±35 BP.

80

77 78

POZ-42057, 3170 ±35 BP. POZ-64376, 3490±30 BP.



OxCal v4.2.4 Bronk Ramsey (2013); r:5 IntCal13 atmospheric curve (Reimer et al 2013)

R_Date POZ-81658 R_Date POZ-81666 R_Date POZ-81668 R_Date POZ-42099 R_Date POZ-83898

500

1calBC/1calAD

501

1001

Calibrated date (calBC/calAD)

Fig. 4.3. Wijchen-Oostflank. Overzicht van de 14C-dateringen uit de perioden na de Bronstijd. .

het radiokoolstofonderzoek voor de opgraving wezen echter ook weer in de richting van de Midden Bronstijd. Eén van deze dateringen had betrekking op een monster uit een paalkuil die in eerste instantie onderdeel leek te zijn van een structuur die in het Neolithicum werd gedateerd.81 Een datering in de Bronstijd op basis van 14C-materiaal maakte deze datering onwaarschijnlijk.82 Een nadere analyse van de structuur leverde een achtpalige structuur op die, op grond van de onderlinge afstand tussen de palen, zeer goed in de huizenbouwtraditie van de Midden Bronstijd past. Dit is structuur 8001 (zie hoofdstuk 5).

4.3.5

karolingisch/ottoonse tijd

Eén van de ijzeroventjes die tijdens het vooronderzoek was aangetroffen was met behulp van een 14 C-datering gedateerd in de Karolingisch/Ottoonse tijd.83 Echter vondstmateriaal uit deze periode was vrij schaars. Ook tijdens de opgraving is in het veld nagenoeg geen vondstmateriaal uit de periode herkend. Hierdoor groeide de twijfel over de representativiteit van het monster uit het proefsleuvenonderzoek. In het kader van de opgraving zijn vervolgens nog twee monsters uit ovens ter datering ingediend. Deze monsters bleken een vrijwel identieke datering te hebben als het eerste monster.84 De initiële datering van de ovens is hiermee bevestigd. Aangezien duidelijk Ottoons vondstmateriaal echter nog steeds vrij schaars is in het vondstenspectrum, lijkt een datering van deze monsters rond de overgang van voorliggende Karolingische periode naar de Ottoonse tijd het meest waarschijnlijk. Uit deze periode beschikken we over wat meer vondstmateriaal in de vorm van aardewerk en metaal. Interessant is het monster dat uit een slakrijke kuil in werkput 16 is genomen. Dit monster dateert wat later dan de monsters uit de ovens, maar valt nog binnen de Ottoonse tijd.85 Wellicht duidt deze datering erop dat ook in de latere Ottoonse tijd nog ijzer werd gesmeed binnen het plangebied. Het ging hierbij om een grote trapeziumvormige struc-

houdbaar.

81

tuur die tijdens het veldwerk als mogelijke plattegrond

In theorie zou het houtskool via bioturbatie in het spoor

82

terecht kunnen zijn gekomen, maar hiervoor zijn geen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=8b2c6710-a4e1-46b6-874f-d58444446c02