Bijlage 11: Opgraving Oostflank (ZAR 69)
Tekst van het document
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 0 3 18
viii
l i t e r at u u r ........................................................................................................................... 4 0 5
bijlagen Bijlage 1a Overzicht van archeologische perioden.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 1 9 Bijlage 1b Overzicht verschillende neolithische cultuurgroepen.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 2 0 Bijlage 1c Overzicht van de onderverdeling van de Vroege en Volle Middeleeuwen in konings- en keizersdynastieën. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 2 0 Bijlage 2 Beantwoording onderzoeksvragen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 2 1 kaartbijlagen Kaartbijlage 1 Allesporenkaarten 1a Vlak 1 1b Vlak 2 1c Vlak 3 Kaartbijlage 2 Structurenkaart Neolithicum/Bronstijd Kaartbijlage 3 Structurenkaart Romeinse tijd/Middeleeuwen Kaartbijlage 4 Bodemprofielen 4a Westprofiel werkput 12 4b Westprofiel werkput 5 4c Westprofiel werkput 15 4d Oostprofiel werkput 3/proefsleuf 9 Kaartbijlage 5 Ven. Overzicht, profiel en coupe.
d i g i ta l e b i j lag e n Bijlage 3 MapInfo tekeningen Bijlage 4 Hoofddatabase Bijlage 5 Specialistendatabases Bijlage 6 BIAX-iaal 917 Bijlage 7 Uitkomsten 14C-onderzoek Bijlage 8 Rapportage dendrochronologie
ix
423
424
425
426
180
179
178
Wijchen
177
Fig.1.1. Wijchen-Oostflank. Het plangebied Oostflank binnen Wijchen. Inzet: Wijchen binnen Nederland. Bron Topografische Dienst Nederland.
x
1 inleiding De regio rondom Wijchen is van oudsher een aantrekkelijk gebied voor de mens om in te wonen. Het licht glooiende landschap wordt afgewisseld met kleine waterlopen, vennen en rivieren. Deze eigenschappen maakten dat de mens op de hogere locaties kon wonen en tegelijkertijd toegang had tot water. Dit water voorzag niet alleen in de dagelijkse behoefte voor drinkwater, maar vormde ook een belangrijke transportader die de bewoners van de talrijke nederzettingen in het gebied door de eeuwen heen met elkaar verbond toegang gaf tot grotere netwerken.Via deze netwerken dreef men handel met verre gebieden en werden sociale verbanden gelegd met andere bevolkingsgroepen. Mede hierdoor heeft Wijchen in het verleden een centrale rol vervuld binnen de regio. Op archeologisch gebied zien we dit onder andere terug in het vorstengraf van Wijchen uit de IJzertijd, de villa van de Tienakker in de Romeinse tijd en het belangrijke Merovingische grafveld uit de Vroege Middeleeuwen.1 Echter ook in eerdere en latere perioden wisten de bewoners deze regio te waarderen. Tegenwoordig wordt de regionale rol van Wijchen vooral bepaald door haar geografische ligging.Vanuit het centrum zijn grote steden goed te bereiken en door de landelijke omgeving is het ook vandaag de dag nog steeds een gewilde locatie om te wonen.
Het is daarom dat de gemeente Wijchen is gestart met een grootschalig project waarbij het plangebied Oostflank wordt ingericht als woongebied. In het kader van deze herinrichting heeft VUhbs archeologie hier een archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een vlakdekkende opgraving. De plannen voorzagen in de aanleg van een complete nieuwe infrastructuur en de bouw van verschillende huizen, een appartementencomplex met parkeerkelder en een verzorgingshuis. Bij de werkzaamheden die met deze ontwikkelingen gepaard zouden gaan, zou de bodem diepgaand worden geroerd. Tijdens een door VUhbs archeologie (destijds ACVU-HBS) uitgevoerd proefsleuvenonderzoek was aangetoond dat er binnen vrijwel het gehele plangebied behoudenswaardige archeologische resten in de ondergrond aanwezig waren.2 Deze resten zouden tijdens de geplande werkzaamheden worden verstoord. Om deze resten ex situ te kunnen behouden heeft de gemeente Wijchen besloten tot het laten uitvoeren van de opgraving die het onderwerp vormt van deze rapportage. Het plangebied is gelegen aan de zuidrand van het centrum van Wijchen tussen de Oosterweg in het noorden en de Meerdreef in het zuiden (fig. 1.1). De oostelijke grens van het plangebied wordt gevormd door de tuinen van de hier gelegen huizen. De westelijke grens van het plangebied ligt ter hoogte van de voormalige Renbaan.
Deze laatst genoemde straat vormt echter niet de grens van het onderzoeksgebied. Die ligt enkele tientallen meters naar het oosten (zie hoofdstuk 2). Zoals gezegd is de gemeente Wijchen de opdrachtgever voor dit onderzoek. Hierbij werd zij vertegenwoordigd door dhr. Wai Wah Man. Dhr. Adrie Cocu was namens de gemeente betrokken bij het project voor de civieltechnische zaken. Het bevoegd gezag werd eveneens vertegenwoordigd door de gemeente Wijchen in de personen van Fred Coolen en Ester van der Linden. Als ondersteuning van zowel de opdrachtgever als het bevoegd gezag was mw. Esther Mietes (Greenhouse Advies/D7-archeologie) als directievoerder tijdens het veldwerk en de evaluatiefase aangesteld. Het veldwerk is uitgevoerd in de periode tussen 31 augustus en 21 oktober 2016 en heeft in totaal net geen 8 werkweken in beslag genomen. Gedurende deze periode is een terrein van ca. 1 hectare in meerdere vlakken onderzocht. Het veldteam stond onder leiding van Johan van Kampen en bestond verder in wisselende samenstelling uit Wilbert Aarts,Valentijn van den Brink, Koen Hebinck, Menk Hendriksen Anne Huijsmans, Sander Jansen, Ernst Maas, Jan van Renswoude, Miel Schurmans en Jeanne-Marie Vromans (fig. 1.2 a-i).
Naast deze medewerkers van VUhbs archeologie is het team met grote regelmaat versterkt door leden van de Archeologische Werkgroep Nederland (AWN), afdeling 16 in de personen Zie o.a. Heirbaut/Van Enckevort 2011; Heeren/Hazen-
1
Van Kampen 2012.
2
berg 2010.
A
B
C
D
E
Fig. 1.2a.Wijchen-Oostflank. Sfeerfoto’s gedurende de opgraving. Personen op de foto’s worden telkens van links naar rechts opgenoemd. A Vlakaanleg door Johan van Kampen en Miel Shurmans; B Schaduw maken voor een coupe door Wilbert Aarts, Jeanne-Marie Vormans en Koen Hebinck, C Couperen in werkput 5. Sander Jansen, Ernst Maas, Menk Hendiksen, Anne Huijsmans, Marijke Pennings en Frans Peters; D Anne Huijsmans en Johan van Kampen aan het zeven; E Vondstverwerking in het veld door Jan Janssen.
F
G
H
I
Fig. 1.2b.Wijchen-Oostflank. Sfeerfoto’s gedurende de opgraving. Personen op de foto’s worden telkens van links naar rechts opgenoemd. F Jan van Renswoude coupeert waterput 7006; G Koen Hebick schaaft profiel P15.1 op; H Johan van Kampen geeft een rondleiding aan een delegatie van de gemeente Wijchen in de personen van Ester van der Linden, Geert Gerrits (wethouder), Paul Loermans (wethouder), Marc Janssen, Wai Wah Man, Esther Mietes, Adri Cocu; I Bezoekertjes tijdens een van de kijkmomenten gedurende de opgraving. Menk Hendriksen bij de zeef; Aenea en Amyra van Kampen op de voorgrond.
van Jan Jansen, Marijke Pennings en Frans Peters. Zij hebben zich ingezet tijdens het couperen en tijdens de vondstverwerking die al deels in het veld is uitgevoerd. Een belangrijk onderdeel van dit onderzoek was de publieksvoorlichting deze is grotendeels verzorgd door Afra Koopman die verschillende schoolklassen als ook geïnteresseerden uit de gemeenschap heeft rondgeleid tijdens de veldwerkfase. Een deel van het veldteam is ook betrokken geweest bij de uitwerking. Valentijn van den Brink en Anne Huijsmans zijn verantwoordelijk voor het vervaardigen van de GIS-bestanden. De vondstverwerking is verricht door Wilbert Aarts, Sander Janssen en Ernst Maas onder leiding van Edda Wijnans. Jan van Renswoude heeft de metaalvondsten geanalyseerd. Koen Hebinck heeft de fysische geografie beschreven en de afbeeldingen zijn vervaardigd door Menk Hendriksen, Anne Huijsmans, Johan van Kampen en Jasper Tuinstra. De objecttekeningen zijn gemaakt door Pieter Dijkstra (natuur- en vuursteen) en Mikko Kriek. Deze laatste heeft ook de driedimensionale reconstructietekeningen gemaakt en is verantwoordelijk voor de eindopmaak van het rapport. De overige specialisten die bij het project betrokken waren zijn Gerard Boreel voor het natuursteen en het slakkenmateriaal. Julie Van Kerckhove heeft het niet-prehistorische aardewerk bestudeerd en beschreven.
Het prehistorische aardewerk is geanalyseerd door Erik Drenth (Archeomedia) en de rapportage van het vuursteen is vervaardigd door Rob Houkes (De Litholoog), waarbij het gebruikssporen onderzoek is verricht door Annemieke Verbaas (stichting LAB). Het onderzoek van den macrobotanische resten is uitgevoerd door Anja Fischer. Het overige botanische onderzoek is verricht door BIAX-consult waarbij Frederike Verbruggen en Henk van Haaster de pollenanalyse hebben verzorgd. Silke Lange heeft aanvullende houtdeterminaties verricht. De dendrochronologische dateringen zijn uitgevoerd door Sjoerd van Daalen (Van Daalen Dendrochronologie). In dit rapport worden in hoofdstuk 2 de onderzoeksgeschiedenis van het plangebied en de gehanteerde methoden en technieken beschreven. In hoofdstuk 3 worden de fysische geografie en de geomorfologie besproken. Hoofdstuk 4 beschrijft kort de aangetroffen vindplaatsen en de gebruikte dateringsmethoden met de uitkomsten hiervan.Vervolgens komen in het hoofdstuk 5 de sporen en structuren en de fasering van de verschillende vindplaatsen aan bod. De hoofdstukken 6 tot en met 13 gaan in op de materiële cultuur van de verschillende vindplaatsen. De hoofdstukken 14 en 15 hebben betrekking op het botanisch en palynologisch onderzoek aan de hand waarvan een groot deel van landschapsreconstructie heeft plaatsgevonden. Hoofdstuk 16 is de synthese.
Hierin komen de resultaten van de individuele hoofdstukken samen en worden de resultaten geplaatst in een breder kader. Het laatste hoofdstuk betreft de catalogus waarin de structuren technisch worden beschreven en, waar nodig, zijn afgebeeld. De bijlagen van dit rapport zijn deels analoog en deels digitaal bijgevoegd. De stukken die direct relevant zijn bij het lezen van het rapport zijn analoog afgedrukt. Hierbij gaat het om een algemeen overzicht van de archeologische perioden, een overzicht van de verschillende groepen in het Neolithicum en de vragen uit het PvE met een beknopte beantwoording hiervan. Daarnaast zijn er enkele kaartbijlagen toegevoegd bestaande uit allesporenkaarten per vlak, periode kaarten en een aantal fysisch geografische profielen. De overige bijlagen als sporen- en vondstenlijsten, maar ook de relevante originele bijdragen van de externe specialisten zijn digitaal bijgevoegd. In plaats van volledige determinatielijsten is de complete database, inclusief alle materiaaltabellen digitaal meegeleverd.
2
onderzoek
2.1
algemeen
De gemeente Wijchen kent een zeer rijk archeologisch bodemarchief. In het vorige hoofdstuk is al gerefereerd aan enkele belangrijke archeologische ontdekkingen binnen de gemeentegrenzen, maar deze maken slechts een klein deel uit van de vele onderzoeken die in het verleden zijn uitgevoerd in de regio. De opgravingen die in de afgelopen twee decennia in en rond Wijchen zijn uitgevoerd, hebben allemaal een volledig onderzoekstraject doorlopen. In het geval van de Oostflank is dit traject qua tijd wellicht wat langer, maar het aantal processtappen dat is gevolgd ligt beduidend lager dan bij een gemiddeld onderzoek. Daar waar ieder archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek gevolgd door boringen, heeft in het geval van de Oostflank een bureauonderzoek en een enkele waarneming al genoeg aanleiding gegeven voor het bevoegd gezag om over te gaan tot het graven van proefsleuven, gevolgd door een opgraving. In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de verschillende onderzoeken belicht die zijn uitgevoerd binnen het plangebied. Vervolgens worden enkele onderzoeken die in de buurt van het plangebied zijn uitgevoerd en relevant zijn voor de plaatsing van het onderzoek in een breder kader. De relatie tussen deze onderzoeken en de vindplaatsen die op de Oostflank zijn aangetroffen zal in de synthese verder worden uitgediept.
Ze worden echter hier al genoemd als achtergrond bij de teksten van de overige hoofdstukken.
2.2
bu r e au o n d e r z o e k
De plannen voor de ontwikkeling van de Oostflank stammen al uit het begin van de 21ste eeuw. Ook toen was al bekend dat er binnen het plangebied archeologische resten aanwezig moesten zijn. Voorafgaand aan de nieuwbouw diende er archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Hiertoe is door het Bureau Archeologie en Monumenten van de gemeente Nijmegen (BAMN) een PvE opgesteld.3 Dit PvE voorzag in de uitvoering van een archeologische begeleiding en/of een archeologische opgraving.4 In het kader van dit PvE is tevens een beperkt bureauonderzoek uitgevoerd dat zich voornamelijk baseert op waarnemingen binnen het plangebied en de directe omgeving hiervan.5 In het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat het plangebied is gelegen op een rivierduin waarop bewoningsresten verwacht kunnen worden die stammen uit het Laat Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd.6 Met name voor het aantreffen van resten uit de laat-Romeinse en de vroeg-middeleeuwse periode gold op basis van dit onderzoek een hoge verwachting; even ten westen van het plangebied lag een Romeins villaterrein waar dat in de laat-Romeinse tijd opnieuw in gebruik is genomen. In het noordwesten bevond zich een groot Merovingisch grafveld. En ten oosten van het plangebied zijn in het verleden de resten van een laatRomeins grafveld aangetroffen.
Daarnaast spreekt men in het PvE ook een hoge verwachting uit voor het aantreffen van resten uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Hiermee doelt men dan specifiek op de het huidige dorp Wijchen dat rond de kerk zal zijn ontstaan en in de loop van de tijd organisch is gegroeid in, ondermeer, de richting van het plangebied Oostflank.7
Wildenberg/Reijnen 2008.
opgraving moet worden uitgevoerd.
3
Het PvE lijkt nooit definitief te zijn gemaakt. Er is in
5
het document bijvoorbeeld nog geen zekerheid of de
6
werkzaamheden begeleid moeten worden of dat er een
7
4
Wildenberg/Reijnen 2008, 2-5. Wildenberg/Reijnen 2008, 6. Idem.
424272
178615
5
0
4
50 m
12 11
1
13 6 8 10
7
3 9
424020
2
Wijchens meer
178370
Fig. 2.1. Wijchen-Oostflank. Projectie van het puttenplan van het proefsleuvenonderzoek uit 2010 op het GBKN.
2.3
proefsleuvenonderzoek
Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd in het voorjaar van 2010. Naast een waardestelling van het terrein wilde men ook meer inzicht krijgen in het totaal aan te leggen vlakken bij een eventuele opgraving. Daarom is een grondig proefsleuvenonderzoek uitgevoerd.8 De term grondig duidt op de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. In deze vorm van onderzoek dienden alle sporen op alle vlakken te worden afgewerkt. Tijdens dit proefsleuvenonderzoek zijn in totaal 13 proefsleuven aangelegd met een breedte van 4 m en een variërende lengte (fig. 2.1). Dit verschil in lengte alsmede de afwijkende breedte van twee sleuven was het gevolg van de op dat moment beschikbare ruimte. Zo was de infrastructuur binnen het plangebied nog volledig intact en stond er in de zuidoosthoek nog een grote sporthal, De Burgermeester van Thielhal. In de noordwestelijke hoek van het plangebied lag nog een parkeerterrein. De sleuven hier zijn aangelegd in de tuin van het aangrenzende notarispand en in een groenstrook in het midden van het parkeerterrein. Hier en in de oostelijke helft van het plangebied waren de aanwezige bomen ook nog een beperkende factor. Deze mochten in dat stadium nog niet gekapt worden. Uiteindelijk is er een oppervlakte van 1607 m2 in meerdere vlakken onderzocht. Het totaal aantal vierkante meters dat tijdens 8
Heeren/Besuijen 2010, 3.
dit onderzoek is onderzocht bedraagt 2577 m2. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is de aanwezigheid van een zestal vindplaatsen aangetoond (fig. 2.2). De oudste vindplaats bestond uit een semipermanent kamp uit het Mesolithicum (fig.2.2 a). Hiervan zijn verschillende artefacten aangetroffen in het oostelijke deel van het plangebied. Deze lagen echter in een omgekeerde stratigrafie op de flank van het duin. Hetgeen betekent dat het oudste materiaal zich in een hogere laag bevond dan het jongere materiaal. Het mesolithische materiaal kon eigenlijk alleen maar door erosie vanaf een hoger gelegen locatie naar beneden zijn gekomen. Dit leidde tot de conclusie dat de kern van de vindplaats zich hoger op het duin bevond. Aangezien het in het kader van het proefsleuvenonderzoek niet mogelijk was om de hele vindplaats op te sporen is besloten om de vindplaats in een later stadium, in het kader van een opgraving, verder te onderzoeken. Op basis van de morfologische eigenschappen van de vuursteenassemblage is de vindplaats rond 8000 voor Chr. gedateerd.9 Aan de voet van de flank is in proefsleuf 9 een depressie aangesneden. De depressie was gevormd in een pleistocene restgeul.10 De vulling bestond uit veraard veen, gemengd met zand.
Een aantal van deze vullingslagen herbergden een grote hoeveelheid materiaal dat op basis van de kenmerken van het aardewerk is toegeschreven aan de Vlaardingencultuur. Aan de hand van enkele fragmenten Enkelgrafaardewerk werd het complex gedateerd tussen ca. 2800 en 2600 voor Chr. ofwel Vlaardingen C/D.Verspreid over het duin zijn tijdens het onderzoek verschillende sporen en een relatief grote hoeveelheid aardewerk uit dezelfde periode aangetroffen. Hieruit is de conclusie getrokken dat er binnen het plangebied sprake was van een grote nederzetting van de Vlaardingencultuur uit de eerste helft van het 3de millennium voor Chr. (fig. 2.2 b) De noordelijke helft van het plangebied bleek intensiever gebruikt te zijn geweest dan de zuidelijke helft. Hier was sprake van een vrij complexe stratigrafische situatie waarbinnen sporen en vondsten zijn aangetroffen die dateerden uit verschillende periodes van af de Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen. De vindplaats uit de Bronstijd bestond uit in ieder geval één kuil die op basis van de datering van het aardewerk en een 14C-datering gedateerd is in 1376-1132 voor Chr. Buiten het aardewerk uit deze kuil zijn verder geen vondsten is sporen aangetroffen op basis waarvan een datering in de Bronstijd kon worden vermoed.
Vermoedelijk strekte de nederzetting uit de Bronstijd, waartoe de kuil behoorde, zich verder uit richting het noorden, buiten de grenzen van het plangebied (fig. 2.2 c). Op de flank van het duin zijn enkele scherfjes aangetroffen die gedateerd konden worden in de IJzertijd. Enkele paalsporen, vermoedelijk van een spieker, werden eveneens aan deze periode toegeschreven. Aangezien verder geen vondsten of sporen uit de IJzertijd zijn aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek, werd gedacht dat de nederzettingssporen uit de IJzertijd zich buiten het plangebied zouden bevinden. Verspreid over het plangebied zijn ook enkele Romeinse vondsten gedaan, echter een duidelijke Romeinse context is niet aangetroffen. De vondsten zijn als zwerfvuil geïnterpreteerd, waardoor er dus formeel geen sprake meer was van een vindplaats. De laat-Romeinse tijd/Merovingische periode was beter vertegenwoordigd. In het noordwestelijke deel van het plangebied is in proefsleuf 4, een goed geconserveerde kuil (spoor S4.3) met vrij veel vondstmateriaal aangetroffen. Ook zijn in deze zone meerdere laat-Romeinse of vroeg-middeleeuwse scherven gevonden. Hieruit is geconcludeerd dat hier vrijwel zeker een vindplaats uit deze periode verwacht kon worden.
Vanwege de lage dekkingsgraad van de proefsleuven in dit deel van het plangebied konden er verder weinig uitspraken worden gedaan over de aard en omvang van de vindplaats. Het was, gezien de relatief korte afstand tot de Markt, echter vrij zeker dat de vindplaats verband hield met het grote Merovingische grafveld dat hier destijds door de toenmalige ROB is opgegraven.
Boreel 2012, 15.
9
Boreel 2012,15
10
424272
0
50m
424020
50m
424020
0
178615
B
424272
178615
A
178370
178370
424272
0
50m
424020
50m
424020
0
178615
D
424272
178615
C
178370
178370
424272
178370
50m
0
50m
424020
424020
0
178615
F
424272
178615
E
178370
Fig. 2.2. Wijchen-Oostflank. Overzicht en vermoedelijke omvang van de aangetoonde vindplaatsen tijdens het proefsleuvenonderzoek. A Mesolithicum; B Neolithicum; C Bronstijd; D IJzertijd; E laat-Romeinse tijd/Vroege Middeleeuwen; F Middeleeuwen vanaf de Karolingisch/Ottoonse tijd.
Het merendeel van de sporen in het plangebied dat tijdens het proefsleuvenonderzoek is gedocumenteerd stamde uit de Middeleeuwen. Vooral de Volle en Late Middeleeuwen waren goed vertegenwoordigd. De meeste sporen bestonden uit paalkuilen.Verder zijn enkele greppels aangetroffen. Zeer bijzonder bleken enkele ijzeroventjes. Deze zijn aan de hand van een 14C-datering in de Karolingisch/Ottoonse periode gedateerd. De ijzerovens zijn gebruikt voor de productie van ijzer. Sites die gespecialiseerd zijn in metaalbewerking uit de Middeleeuwen zijn in de regio rondom Wijchen zeldzaam. Doorgaans wordt de Veluwe in de Vroege Middeleeuwen en de streek rond Montferland in de Volle Middeleeuwen als het centrum van ijzerproductie in deze periode gezien.11 Dit gebied heette destijds Hamaland. Hier blijkt dat vroeg-middeleeuwse machtscentra hun positie kunnen behouden door een grote rol in te nemen in de grootschalige ijzerproductie.12 Het gegeven dat er ook ijzer werd geproduceerd in Wijchen in deze periode duidt mogelijk op een hogere status van de nederzetting in vergelijking tot de rurale nederzettingen in de omgeving. Het uitvoeren van een dergelijk gespecialiseerd ambacht duidt er in ieder geval op dat de nederzetting het rurale karakter was ontstegen. Opvallend genoeg bleken de Karolingische tijd en de Ottoonse tijd slecht vertegenwoordigd in het vondstmateriaal.
Het middeleeuwse aardewerk wees op een datering van de vindplaats vanaf de 11de of 12de eeuw na Chr. Deze datering valt samen met de vroegste historische vermelding van Wijchen. Gezien de nabijheid van het plangebied tot de kerk van Wijchen, waarvan wordt vermoed dat deze al in de 9de eeuw bestond, is geconcludeerd dat de middeleeuwse sporen en vondsten toegeschreven moesten worden aan de vroegste, historisch gedocumenteerde fase van het dorp Wijchen. Vrijwel alle vindplaatsen kwalificeerden als behoudenswaardig. Alleen voor de IJzertijdvindplaats is uiteindelijk een selectieadvies tot vrijgeven opgesteld omdat van deze vindplaats geen sporen meer werden verwacht binnen de grenzen van het plangebied. Voor de overige vindplaatsen luidde het advies dat het om behoudenswaardige vindplaatsen ging. Op advies van de toenmalige adviseur van de gemeente zijn uiteindelijk alleen de Ottoonse vindplaats, de vindplaats uit het Neolithicum en de mesolithische vindplaats als behoudenswaardig aangemerkt. De overige vindplaatsen zijn vrijgegeven.13 Dit advies is overgenomen in het selectiebesluit.14
2.4
sloopbegeleiding
Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn aanvullende boringen gezet om de contouren van de vondstrijke depressie beter in kaart te brengen. Met deze boringen was de depressie in oostelijke richting begrensd, maar door de aanwezigheid van de sporthal kon hij niet verder richting het westen worden gevolgd. Op basis van een melding van de AWN en een indirecte aanwijzing in de publicatie van het Merovingisch grafveld onder de Markt, was de theorie ontstaan dat de pleistocene restgeul doorliep tot onder de Markt en dat de vondstrijke depressie zich wellicht ook tot daar uitstrekte.15 Om deze theorie te toetsen is door het bevoegd gezag besloten tot het laten uitvoeren van een archeologische, ondergrondse sloopbegeleiding van de Burgermeester van Thielhal. Tijdens de begeleiding bleek dat de sloopactiviteiten niet veel dieper gingen dan een meter onder maaiveld (fig.2.3, a). De heipalen die de fundering droegen, werden niet verwijderd. Wel heeft de machinist die belast was met de sloopwerkzaamheden, op aanwijzingen van de auteur, een gat gegraven tot zeker 2.5 m onder maaiveld. De Van Thielhal was gebouwd op een deel van het plangebied dat ca. 1.5 m hoger lag dan het naastgelegen deel van het terrein waarbinnen de sleuven proefsleuven 2 en 9 lagen (fig. 2.3, b)). De diepte van het kijkgat zou echter diep Heidinga 1990, 9-40.
14
Heidinga 1990, 9-40.
15
11 12
De motivatie voor het selectiebesluit is niet bekend bij
13
Mietes 2014, 8. Van Kampen 2012, 19 met verdere verwijzing naar Heeren/Hazenberg 2012, 20; Tuijn 1991, 28-30.
VUhbs archeologie.
424272
178615
0
50 m
A
424020
B
Wijchens meer
178370
Fig. 2.3. Wijchen-Oostflank. Projectie van de locatie van de begeleiding van de sloop van de Burgermeester Van Thielhal op het GBKN. A locatie van de sloopbegeleiding; B locatie van het gegraven kijkgat.
genoeg zijn geweest om de vondsthoudende lagen van de depressie te lokaliseren. Deze vondstrijke lagen zijn desondanks niet waargenomen. De afwezigheid van de lagen betekende overigens niet automatisch dat de depressie was begrensd.Vanwege het feit dat deze in een restgeul was gevormd, was het mogelijk dat het kijkgat, wanneer de restgeul verder naar het noorden of zuiden afboog, naast de depressie was aangelegd.Vanwege deze onzekerheid heeft één van de onderzoeksvragen uit het PvE betrekking op de aard en begrenzing van de depressie.16
2.5
o p g r av i n g
2.5.1
v e l dw e r k
Als gevolg van de economische recessie werden de nieuwbouwplannen voor de Oostflank tijdelijk in de ijskast gezet. Pas in 2015 kon het terrein verder worden ontwikkeld. Hiervoor diende echter eerst de Mietes 2014, 10.
16
vindplaatsen die in het selectiebesluit as behoudenswaardig waren aangemerkt, te worden onderzocht ten einde het behoud in situ mogelijk te maken. De opgraving is begonnen op 31 augustus van dat jaar en medio oktober was het veldwerk afgerond. Tijdens dit onderzoek is het plangebied van ca.1.03 ha. in meerdere vlakken onderzocht. Het totale aantal vierkante meters dat is onderzocht bedraagt 14 021 m2. Hoewel de nadruk van het veldwerk lag op de vindplaatsen uit het Mesolithicum, het Neolithicum en de Ottoonse tijd, was er in het PvE wel ruimte gecreëerd om de latere middeleeuwse vindplaatsen te onderzoeken.17 De overige vindplaatsen vielen buiten de scope van het onderzoek. Dit had tot gevolg dat het westelijke deel van het plangebied niet onderzocht diende te worden. Het onderzoeksgebied voor de opgraving zou uiteindelijk ca. 60% van het totale plangebied beslaan.
2.5.1.1 Puttenplan Voorafgaand aan het veldwerk was een puttenplan opgesteld dat rekening hield met de aard van de verschillende zones binnen het plangebied (fig. 2.4). In de noordelijke helft van het plangebied werden vooral sporen uit de Middeleeuwen verwacht. Om de kans te vergroten dat plattegronden in het veld zouden worden herkend zijn de putten hier zo breed mogelijk gehouden. Er is gekozen voor putten met een breedte van ca. 16 m. De putten aan de west en oostzijde van het plangebied vielen wat smaller uit als gevolg van de beschikbare ruimte. De lengte varieerde al naar gelang de aanwezigheid van de verstoring van de voormalige basisschool. Op de flank en in het lagere deel zijn smallere putten aangelegd. De reden voor de smalle putten in dit deel voor het plangebied lag in de aanname dat de depressie zich hier bevond over een grote lengte uitstrekte. In de afgelopen jaren heeft VUhbs archeologie een methode ontwikkeld voor het goed onderzoeken van restgeulen.18 Deze methode is gebaseerd op een gestructureerde stratigrafische verzameling van vondstmateriaal dat direct wordt gekoppeld aan de lagen in een profiel. Hierdoor is het mogelijk om zeer complexe geulsystemen met meerdere opvullingsfasen en reactiveringen, nauwkeurig te faseren en dateren. Aan de hand van deze resultaten kunnen vervolgens ruimtelijke analyses worden uitgevoerd op het vondstmateriaal.
Deze analyses kunnen belangrijke inzichten verschaffen in depositiepatronen en -processen, maar ook in de bepaalde activiteiten die op de oever hebben plaatsgevonden, die verder archeologisch onzichtbaar zijn. Om deze methode te laten slagen mogen werkputten niet breder zijn dan 10 m. Bij bredere putten wordt het toewijzen van vondsten aan de juiste lagen te onbetrouwbaar. Hierom zijn de putten in dit deel van de opgraving dan ook 10 m breed gemaakt. Voorafgaand aan de opgraving was al bekend dat binnen de grenzen van het plangebied een aanzienlijke verstoring aanwezig was ter hoogte van de voormalige basisschool. De strategie die voorafgaand aan de opgraving was opgesteld voorzag in een flexibele omgang met de verstoorde zones. Wanneer grote verstoringen zouden worden aangetroffen en het zeker was dat ook de diepere sporen in deze delen verstoord zouden zijn, zou de put niet verder worden aangelegd. Deze werkwijze heeft tot resultaat dat een deel van het centrale deel van het plangebied en een zone in het zuidwestelijke deel niet verder zijn onderzocht. De verstoring was hier van een dusdanige omvang dat er geen sporen meer verwacht konden worden. Uiteindelijk is er een puttenkaart ontstaan zoals deze is weergegeven in figuur 2.5.
In de putten zijn uiteindelijk twee tot drie vlakken aangelegd, waarbij het aantal vlakken werd bepaald door de archeologische situatie ter plaatse (tabel 2.1).
Mietes 2014, 8.
17
2009 en Van Renswoude/Habermehl in voorb.
Zie o.a. Heeren 2006, Van Renswoude/Van Kerckhove
18
A
B
C
0
50 m
Fig. 2.4. Wijchen-Oostflank. Het oorspronkelijke puttenplan voor de opgraving; A werkputten; B proefsleuven; C verstoringen als gevolg van de sloop van de gebouwen die binnen het plangebied stonden.
werkput
vlak 1
vlak 2
vlak 3
1
1042
409
294
2
400
204
25
3
543
400
191
4
813
471
168
5
971
707
478
6
976
848
7
375
308
149
8
396
275
200
9
671
596
10
146
11
669
77
12
523
152
13
148
14
319
15
44
totaal
8036
4447
1505
vlak 4
33
33
opgraving 16 totaal
802 14823
opgravingen oostflank
Tabel 2.1. Wijchen-Oostflank. Overzicht van de oppervlakte per vlak per werkput.
2.5.1.2 Spooradministratie Sporen zijn tijdens de aanleg handmatig nageschaafd en vervolgens met de schep of troffel aangekrast in het vlak.Vervolgens zijn de sporen voorzien van een spoornummer per werkput en met behulp van een RTS (Sokkia SRX5) en een GPS (Sokkia GRX1)ingemeten met het programma SurvCE. Iedere dag zijn de digitale bestanden bewerkt in het programma Diana, waarna de overzichten in het veld dienden als overzicht voor de te couperen sporen. Sporen zijn beschreven in analoge formulieren en vervolgens in de database ingevoerd. Coupes zijn analoog getekend op millimeterpapier op een schaal van 1:20. Coupes van structuren die in het veld zijn herkend of coupes die om andere redenen interessant waren zijn gefotografeerd. De coupes zijn digitaal ingemeten, waarna alle sporen zijn afgewerkt.
2.5.1.3 Vondstverzameling Vondsten zijn tijdens het veldwerk per spoor en per laag verzameld en geadministreerd met een doorlopende, putoverschrijdende vondstnummerreeks. Aanlegvondsten zijn in vakken van 2 bij 2m verzameld en gekoppeld aan de laag waarin ze zijn aangetroffen. Bijzondere vondsten of vondsten met een grote daterende waarde zijn individueel en driedimensionaal ingemeten. Ter hoogte van de vermoedelijke locatie van de mesolithische vindplaats is de grond in laagjes van ca. 10 cm of per stratigrafische laag in vakken van 1 bij 1 m gezeefd. De vondsten zijn gekoppeld aan
vaknummers. Deze vaknummers zijn per werkput opnieuw uitgedeeld. Deze methode is toegepast in werkput 2, 4 en 5. In werkput 2 is ook het profiel van twee raaien gedocumenteerd om zicht te krijgen op het microreliëf. Deze werkwijze is in de werkputten 4 en 5 losgelaten toen bleek dat de mesolithische vindplaats niet meer intact was. In deze werkputten zijn verschillende raaien met vakken van 1 bij 1 m gezeefd om eventuele mesolithische vondstconcentraties te lokaliseren, maar hierbij is, tegen de verwachtingen uit het vooronderzoek in, geen mesolithisch materiaal meer aangetroffen.19 Ook bij de vondstrijke depressie, waarvan tijdens de opgraving bleek dat het een ven was, is een zeefstrategie gehanteerd waarbij vakken van 1 bij 1 m per werkput zijn uitgezet. De grond is hier per laag gezeefd, maar er is ook een deel met de hand verzameld. Toen bleek dat het ven ruim binnen de grenzen van het plangebied bleef en er binnen de oorspronkelijke begroting ruimte was voor het zeven van de overige lagen is, na overleg met het bevoegd gezag, besloten om de nog niet opgegraven delen van het ven te zeven. Het doel hiervan was een zo compleet mogelijke dataset te verzamelen. Het feit dat de vondstverzameling niet in alle delen van het ven op dezelfde wijze is uitgevoerd heeft direct gevolgen voor de verspreidingspatronen.
Het spreekt voor zich dat het met de hand verzamelen minder vondsten oplevert dan het zeven. Bij de analyse van de verspreidingspatronen zijn deze verschillen meegenomen in de interpretatie. Een tweede kanttekening die geplaatst dient te worden bij de vondstverzameling in het ven heeft betrekking op werkput 3. Hier werd op basis van de informatie uit het profiel het onderscheid tussen de twee stratigrafisch gescheiden niveaus in het ven gemaakt op basis van een bijmenging van zand in het jongste venige pakket. Later, bij het onderzoek in werkput 9 bleek dat het jongste niveau in een zone van ca. 7 m rond de putgrens tussen werkput 3 en 9, vrijwel helemaal geen zand als bijmenging had. Toen tijdens de uitwerking bleek dat in een bepaalde zone in werkput 3 veel meer materiaal aan het oudste niveau was toegeschreven, is geconcludeerd dat dit materiaal in het veld verkeerd is verzameld en dat het grootste deel van deze vondsten, zo niet allemaal, uit het jongere niveau afkomstig was.20 Ook met deze discrepantie is rekening gehouden tijdens de analyse van het verspreidingspatroon in het veld. Voor het zeven zelf is zowel gebruik gemaakt van zogenaamde hondenhokken als de Lutterzeef. Het water is in eerste instantie betrokken uit het Wijchens meer en vervolgens via een gesloten systeem gedurende de opgraving gebruikt voor het zeven van in totaal 517 vakken.
2.5.1.4 Aanvullende begeleiding door ADC Tijdens het veldwerk werd aangetoond dat de middeleeuwse en waarschijnlijke ook de neolithische nederzetting in het noordelijke deel van het plangebied, zoals dit was verondersteld in het rapport van het proefsleuvenonderzoek, inderdaad doorliep tot onder de parkeerplaats, in richting van de kerk.21 De gemeente Wijchen heeft vervolgens besloten om het bouwrijp maken van dit deel van het plangebied onder archeologische begeleiding conform protocol opgraven te laten plaatsvinden. Hiervoor heeft VUhbs archeologie een PvE opgesteld.22 Op het moment dat de begeleiding zou gaan spelen kon Tijdens het veldwerk heeft dhr. Drenth twee maal een
bleek dat de vakken met grote aantallen vondsten in het
veldbezoek verricht om tussentijds het gezeefde mate-
oudste niveau samen vielen met de lege vakken op het
riaal te bekijken. Hij heeft tijdens zijn tweede bezoek
jongste niveau terwijl de zone hier omheen juist hoge
geconcludeerd dat de gezeefde vakken in de werkputten
vondstaantallen liet zien. Dit verschil kan alleen worden
4 en 5 geen vondstmateriaal uit het Mesolithicum meer
verklaard als een verkeerde toewijzing van het materiaal
19
bevatten. Hierop is in overleg met het bevoegd gezag en 21
resten gestaakt.
22
Bij het maken van de verspreidingskaarten van het ven
20
aan de vondstlagen. Van Kampen 2012 20-21.
de directievoerder de zoektocht naar de mesolithische
Van Kampen 2015.
178.595
424.230
de gemeente slechts één dag voor de begeleiding garanderen. De oppervlakte van de begeleiding lag naar verwachting tussen de 1800 en 2300 m2. De beschikbare tijd voor een verantwoord onderzoek was hiervoor te klein.Vervolgens heeft VUhbs archeologie om ethische redenen de opdracht teruggegeven aan de gemeente.
16
6 12
1
7 4
424.060
15 Omdat de gemeente het plangebied uit10 eindelijk niet ongezien bouwrijp wilde 14 9 11 laten maken heeft zij ADC archeoprojecten 13 opdracht gegeven om de begeleiding uit te 3 8 voeren. Deze heeft uiteindelijk drie dagen 5 2 in beslag genomen. Hierbij heeft een team van medewerkers van het ADC en een groot aantal vrijwilligers van de AWN onder leiding 0 25 m 178.435 van dhr. J. Loopik het veldwerk uitgevoerd. Fig. 2.5. Wijchen-Oostflank. Het uiteindelijke puttenplan op het Omdat de resultaten direct betrekking niveau van vlak 1. hadden op het onderzoek van het overige deel van de Oostflank heeft de gemeente VUhbs archeologie gevraagd om de resultaten integraal op te nemen in de rapportage van de opgraving. Hiertoe is een ‘vertaalslag’ van de data van het ADC naar het systeem van VUhbs archeologie uitgevoerd. De werkzaamheden van het ADC hadden betrekking op één werkput. Deze heeft het eerst volgende nummer gekregen in de reeks van de werkputnummers van de opgraving. Wanneer in de onderhavige rapportage over sporen of vondsten uit werkput 16 wordt gesproken, betreft het hier de werkput die is onderzocht tijdens de begeleiding na afloop van de opgraving (fig. 2.5).
2.5.2
e va l uat i e
Voor de evaluatie zijn alle vondsten individueel bekeken en per vondstnummer gewogen. In het geval van het aardewerk is in deze fase ook het onderscheid gemaakt tussen scherven en gruis. Scherven kleiner dan 4 cm2 zijn geclassificeerd als gruis en kwamen, mits onversierd, niet in aanmerking voor verdere analyse. Voor al het vondstmateriaal geldt dat de selectie heeft plaatsgevonden op basis van de vondstcontext in combinatie met het potentieel van de vondst voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. In het geval van het prehistorische aardewerk heeft een scherpe selectie plaatsgevonden, waarbij uit de lagen uit het ven alleen de randen, bodems, versierde wandscherven en de bakplaten zijn geselecteerd voor analyse. Neolithisch aardewerk uit antropogene sporen kwam wel volledig in aanmerking voor analyse. Voor de ruimtelijke analyse zijn de resultaten van de waardering gebruikt. De resultaten van de evaluatie zijn verwoord in het evaluatierapport.23 De resultaten uit werkput 16 zijn verbonden aan een ander onderzoeksnummer en een ander opdrachtnummer binnen de gemeente. Daarom zijn de resultaten van de waardering van deze vondsten in een apart evaluatierapport gevat.24 De werkwijze bij de evaluatie van deze vondsten is echter gelijk aan die van de opgraving.
Van Kampen 2016a.
23
Van Kampen2016b
24
2.5.3
uitwerking
De uitwerking van de gegevens is zo veel mogelijk verricht door de personen die ook bij het veldwerk betrokken waren. Hierbij zijn de interpretaties die al deels in het veld zijn ontstaan, van waarde geweest voor de uiteindelijke resultaten. Daarnaast is ook gebruik gemaakt van een aantal externe specialisten op het gebied van het prehistorisch aardewerk, het vuursteen en de botanische resten. Alle betrokkenen zijn in verschillende overleggen geïnformeerd over de voortgang van het veldwerk, de evaluatie en de uitwerking, waardoor hun bijdragen goed op de overige resultaten aansluiten. Hierbij dient met betrekking tot de neolithische bewoning een kanttekening te worden gemaakt. Binnen het vakgebied bestaat er enige discussie over de toewijzing van vondstcomplexen aan bepaalde culturele groepen. Voor het Midden en Laat Neolithicum heeft deze discussie betrekking op de Vlaardingencultuur en de Steincultuur. Deze twee culturen komen gelijktijdig voor tussen ca. 3500 en 2500. Waarbij de Steincultuur traditioneel aan het zuiden van Nederland wordt toegewezen en de Vlaardingencultuur in de westelijke kustprovincies en in centraal Nederland wordt geplaatst.
De laatste jaren hebben verschillende onderzoekers beargumenteerd dat het hier feitelijk om één cultuurgroep gaat, aangezien er buiten wat verschillen in de versiering van het aardewerk en het voorkomen van een bepaald soort vuursteen, vrijwel geen onderscheid is te maken in de materiële cultuur van beide groepen.25 Deze groep onderzoekers spreekt dan ook van de Vlaardingen-Steincultuur. Deze stelling wordt echter niet door iedereen onderschreven. Zo zien Drenth en Houkes, de auteurs van de hoofdstukken 6 (prehistorisch aardewerk) en 8 (vuursteen) in deze publicatie, genoeg redenen om de traditionele scheiding tussen de Vlaardingen- en de Steincultuur te handhaven. Persoonlijk zie ik meer overeenkomsten dan verschillen tussen de twee groepen en prefereer derhalve de aanduiding Vlaardingen-Steincultuur.26 Omdat de discussie echter actueel is, is er voor gekozen om de bijdragen in deze publicatie op dit punt niet uniform te maken, maar in hun oorspronkelijke versie, met de visie van de auteurs met betrekking tot dit onderwerp op te nemen.
2 . 6 r e l e v a n t o n d e r z o e k i n d e d i r e c t e o m g e v i n g v a n h e t p l a n g e bied 2.6.1
inleiding
Binnen een straal van een paar honderd meter rond het plangebied heeft in het verleden een aantal onderzoeken plaatsgevonden waarvan de resultaten met regelmaat zullen worden aangehaald in deze rapportage. In de synthese (hoofdstuk 17) zullen deze onderzoeken uitgebreider worden beschreven, maar voor een beter begrip van de context van de opgraving worden de belangrijkste onderzoeken in deze paragraaf kort beschreven.
2.6.2
de tienakker
Het terrein dat bekend staat als de Tienakker ligt ca. 300 m ten oosten van het plangebied WijchenOostflank. Het staat vooral bekend als de locatie van een villa uit het begin van de midden-Romeinse tijd. Hoewel gebouwsporen van deze villa nooit zijn aangetroffen, lijken er voldoende argumenten te zijn om de aanwezigheid hiervan te vermoeden.27 Het is echter niet deze veronderstelde villa die van belang is voor het onderzoek op de Oostflank. Op de Tienakker zijn vooral sporen en vondsten aangetroffen Zie o.a. Beckerman/Raemaekers 2009, 63-82.
25
In de synthese wordt deze visie verder onderbouwd.
26
Heirbaut/ Van Ecnkevort 2011, 25-44.
27
die wijzen op een intensieve bewoning in de laat-Romeinse tijd en verdere perioden. Het gaat hierbij onder andere om een wachttoren, enkele waterputten en ten minste twee hoofdgebouwen die worden toegeschreven aan Frankische bewoners in de 4de en het begin van de 5de eeuw na Chr.28 Deze periode is ook goed vertegenwoordigd binnen de Oostflank. Het is gezien de geringe afstand tussen de twee vindplaatsen dan ook evident dat er sprake moet zijn geweest van een relatie tussen beide. Hoe deze eruit heeft gezien is niet duidelijk. Wellicht gaat het om twee losse nederzettingen, maar het is niet uitgesloten dat het hier gaat om één grote nederzetting met verschillende erven. Omdat er nog geen gegevens beschikbaar zijn over het tussenliggende gebied kunnen hierover geen verdere uitspraken worden gedaan.
2.6.3
wijchen-centrum
Op nog geen 100 m ten noordwesten van de Oostflank is aan het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw een groot onderzoek uitgevoerd door de toenmalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). De belangrijkste sporen die tijdens deze opgraving zijn aangetroffen behoren tot een groot grafveld dat wordt gedateerd vanaf de laat-Romeinse tijd tot en met de 7de eeuw na Chr.29 Echter zoals ook bij de Tienakker het geval was zijn deze meest bekende resten van de opgraving van minder belang voor het onderzoek op de Oostflank. De sporen uit de Karolingische periode en de daarop volgende eeuwen zijn van grotere relevantie voor het onderzoek. Uit de overzichtstekening blijkt dat het gaat om een zeer groot aantal sporen uit de Karolingische tijd en latere perioden. Helaas zijn deze sporen slechts marginaal uitgewerkt en gepubliceerd in de grote publicatie over het grafveld.30 Wel is duidelijk dat het hier gaat om een intensief bewoond gedeelte van een nederzetting. Echter over de aard hiervan zijn vooralsnog geen gegevens beschikbaar. Eveneens relevant voor het onderhavig onderzoek zijn de resten uit het Neolithicum die tijdens het onderzoek naar het grafveld zijn aangetroffen op een dieper niveau. Helaas geldt ook voor deze resten dat ze slechts in beperkte mate zijn gepubliceerd.
Dit neemt niet weg dat ze van groot belang zijn voor ons begrip van het landschap in de directe omgeving van het plangebied omstreeks het 3de millennium voor Chr. Naast vrij veel vondsten is uit deze periode ook een depressie of ven aangesneden.31
2.6.4
martensterrein
De opgraving op het Martensterrein heeft plaatsgevonden in 2007 en is uitgevoerd door RAAP archeologisch advies b.v.32 Binnen de grenzen van de opgraving zijn vooral resten uit de Late Bronstijd en de Vroeg Romeinse tijd aangetroffen. Ook nu zijn de voor dat onderzoek minder belangwekkende resten juist wel zeer relevant voor het onderzoek op de Oostflank en het begrip van het landschap. Het gaat hierbij specifiek om een ven, vermoedelijk uit het Neolithicum, en een iets jongere haardkuil.33 De datering van het ven is enigszins onduidelijk en wordt door de onderzoekers gedateerd tussen het Mesolithicum en het Laat Neolithicum. Deze datering is gebaseerd op de stratigrafische positie van enkele 14 C-monsterlocaties. Gezien de overeenkomsten in de landschappelijke factoren met het onderhavige onderzoek en het onderzoek Wijchen-Centrum lijkt een datering omstreeks het begin van het 3de millennium voor Chr. Het meest voor de hand liggend.
Heirbaut/ Van Ecnkevort 2011, 49-74.
31
Heeren/Hazenberg 2010.
32
Heeren/Hazenberg 2010, 177-178.
33
28 29 30
Heeren/Hazenberg 2010, 19-20. Verhelst 2011. Verhelst 2011,59.
424.230
178.595
P12.48
P1.48
P12.47
P15.1
P5.68 ‘P9.36
P11.19 P2.30 P3.24
424.060
P5.64
0
178.435
A
P2.29
B
C
25 m
D
Fig. 3.1. Wijchen-Oostflank. De ligging van de profielen. Schaal 1:2000. A wel/niet opgegraven; B profielen opgraving; C profiel begeleiding; D relevant profiel uit het proefsleuvenonderzoek.
3
bodem en landschap Koen Hebinck
3.1
inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ontwikkeling van het landschap binnen het plangebied en de omgeving daarvan. Hiervoor zal eerst een beknopte beschrijving gegeven van de algemene ontwikkeling (geologie, reliëf en bodem) van het gebied rondom Wijchen.Vervolgens wordt ingezoomd op het opgravingsterrein zelf, waarbij de bodemopbouw en de landschapsontwikkeling wordt beschreven. Om de bodemopbouw in kaart te brengen is één vrijwel volledige doorsnede van noord naar zuid door het terrein en meerdere dwarsprofielen door de depressie en de overgang naar het duin gedocumenteerd (fig. 3.1).34 Alleen ter hoogte van de verstoring in het centrale deel van het plangebied is de bodem niet gedocumenteerd, aangezien de relevante lagen hier niet meer aanwezig waren. Het oost-westprofiel van het plangebied kon slechts ten dele worden gedocumenteerd. Dit is gedaan aan de noordzijde van werkput 12 (P12.48). In de overige werkputten was het niet mogelijk om het profiel aan de noordzijde te documenteren, daar dit vrijwel volledig verstoord was door aanwezige bomen en sleuven voor kabels en leidingen. Voor de reconstructie van het oost-west profiel is daarom gebruik gemaakt van het profiel dat tijdens het proefsleuvenonderzoek is gedocumenteerd in proefsleuf 1.
Tijdens de begeleiding door ADC is een kort noordzuidprofiel gedocumenteerd in de noordwestelijke hoek van werkput 16.35 Naast de profielen is de bodem ook in het opgravingsvlak aan de hand van de zichtbare natuurlijke lagen en horizonten gedocumenteerd. Alle profielen zijn met de hand opgeschaafd, ingekrast en gedocumenteerd. Hierbij zijn zowel lithologische lagen als archeologisch relevante lagen onderscheiden. Het gaat in dit geval dan om vegetatieniveaus, vondstlagen, cultuurlagen en eventuele sporen. De bodemopbouw is beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB), die is gebaseerd op NEN5104.36 Hierbij wordt gelet op bodemkundige kenmerken, archeologica, textuur, kleur, structuur en lithostratigrafie.
3.2
algemene landschappelijke ontwikkeling
Het opgravingsterrein ligt binnen het oostelijke deel van het rivierengebied op de overgang van een rivierduin naar een rivierterrasvlakte.37 Dit gebied maakte gedurende het grootste deel van de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 – 10.000 BP) deel uit van de riviervlakte van de Rijn en de Maas. Tijdens het grootste deel van het Weichselien hadden deze rivieren een vlechtend rivierpatroon en werd onder periglaciale omstandigheden vooral grof zand en grind afgezet in brede, in oudere sedimenten ingesneden dalen. Deze sedimenten behoren tot de Formatie van Kreftenheye.38 Binnen de Formatie van Kreftenheye kan onderscheid gemaakt worden in verschillende terrasniveaus en afzettingen die zijn ontstaan doordat vooral in de laatste fase van het Weichselien grote wisselingen in het klimaat optraden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het profiel van
neolithische cultuurlaag is hierin niet onderscheiden,
werkput 3 dat tijdens de opgraving is gedocumenteerd,
hoewel er toch sterke indicaties zijn dat deze wel aan-
hetzelfde is als het profiel van proefsleuf 9. Om die reden
wezig was in dit deel van het plangebied. Hierdoor is dit
is in bijlage 4d, dit profiel weergegeven, dat is geactuali-
profiel niet bruikbaar is voor een interpretatie van de
34
seerd naar de huidige inzichten.
bodemopbouw in dit deel van het plangebied.
In dit profiel zijn slechts twee bodemlagen onderschei-
36
den. Er is verder geen onderscheid gemaakt tussen de
37
bouwvoor en de middeleeuwse akkerlagen. Ook de
38
35
Bosch 2007/ Nederlands Normalisatie Instituut 1989. Van Kampen 2012. Busschers/Weerts 2003.
Tot in het Laat-Pleniglaciaal (26.000 – 13.000 BP) hebben de Rijn en de Maas een vlechtend rivierpatroon, doordat de afvoerverdeling in die periode sterk gepiekt was en ook het sedimentaanbod groot was. Hierdoor ontstond een brede riviervlakte, die nu in grote delen van het riviergebied in de ondergrond nog aanwezig is. Het terras uit het Laat-Pleniglaciaal is gekarteerd en beschreven door Pons als het Laagterras.39 Dit is een wat verwarrende naam, daar er nog een lager gelegen terras uit het LaatGlaciaal bestaat (zie hieronder). De afzettingen van het Laagterras worden door Verbraeck gerekend tot de Kreftenheye-5 afzettingen.40 De top van de afzettingen van dit riviersysteem liggen in het gebied rondom Wijchen nog aan of dicht onder het maaiveld, op een hoogte van circa 7 m +NAP (figuur 3.2).41 De daaropvolgende periode, het Laat-Glaciaal (13.000 – 10.000 BP), werd gekenmerkt door een sterke afwisseling in het klimaat en daarmee samenhangende grote veranderingen in het rivierpatroon van de Rijn en de Maas. Het Laat-Glaciaal begon met een relatief warme periode waarin de vegetatie zich kon ontwikkelingen en er een parkachtig landschap met veel berken ontstaat (het Bölling-interstadiaal).
Na een korte periode waarin het weer kouder werd (Oude Dryas) brak een periode aan waarin de klimaatverbetering verder doorzette en waarin ook de vegetatie zich verder kon ontwikkelen (het Allerød-interstadiaal). Hierdoor traden ook veranderingen op in het rivierpatroon van de Rijn en de Maas. Door een afname in het sedimentaanbod en het kleiner worden van het verschil in de afvoerverdeling veranderde het rivierpatroon van vlechtend en accumulerend naar meanderend en insnijdend. Hierdoor concentreerde de afvoer zich in één meanderende geul en werd het grootste deel van de riviervlakte van het Kreftenheye-5-systeem verlaten. Eén van deze meanderende geulen lag ten zuiden van het opgravingsterrein. De restgeulen van het Kreftenheye-5-systeem bleven als laagtes achter in het landschap. Deze zijn ook nu nog in vooral het gebied ten noordoosten van Wijchen herkenbaar (figuur 3.2). Door de insnijdende en meanderende rivieren werd op de zanden en grinden van de Kreftenheye-5 afzettingen een pakket compacte klei afgezet. Deze laag staat bekend als de Laag van Wijchen en wordt gevormd door klei die tijdens overstromingen in de riviervlakte werd afgezet. In deze klei is vervolgens zand gewaaid, waardoor het pakket nu als zandige klei wordt gekenmerkt. In de laatste fase van het Weichselien, de Jonge Dryas (12850 – 11650 BP) trad opnieuw een relatief korte periode van felle koude op.
Door een toename van de piekafvoeren veranderde het rivierpatroon van de Rijn en de Maas weer van meanderend naar vlechtend. Doordat deze rivieren zijn ontstaan vanuit de ingesneden meanderende rivieren uit het Allerød, lagen deze rivieren ingesneden in de Kreftenheye-5 afzettingen en werd een lager gelegen terras gevormd. Dit terras is door Pons beschreven als het terras X en ligt in het Land van Maas en Waal ongeveer 1.5 tot 2 meter lager dan het Laagterras.42 De afzettingen van deze rivieren worden door Verbraeck gerekend tot de Kreftenheye-6 afzettingen.43 Een van de rivieren van het Kreftenheye-6-systeem ligt ten zuidwesten van het huidige Wijchen. De afzettingen zijn nu grotendeel afgedekt door jongere afzettingen of geërodeerd door de verschillende geulen van de Maas (figuur 3.2). Zeer bepalend voor het gebied rondom Wijchen en zeker ook voor het plangebied is de vorming van de rivierduinen. Door onregelmatige waterafvoer en het ontbreken van vegetatie kon in de Jonge Dryas rivierzand uit de droge beddingen van de vlechtende rivieren van het Kreftenheye-6-systeem opwaaien. De duinen die op deze manier zijn ontstaan worden rivierduinen genoemd.
De rivierduinafzettingen uit deze periode horen bij de Formatie van Boxtel en zijn ingedeeld in het Laagpakket van Delwijnen.44 Door de overwegend zuidwesten winden zijn de rivierduinen vooral ten noordoosten van de rivierbeddingen uit de Jonge Dryas te vinden, op het Laagterras en op de Laag van Wijchen. De laat-glaciale afzettingen van de Laag van Wijchen vormen hiermee de scheiding tussen de fluviatiele Kreftenheye-5 afzettingen en de eolische afzettingen van het Laagpakket van Delwijnen. In de omgeving van Wijchen Pons 1957.
42
Verbraeck 1984.
43
Pons 1957, 13-19; Cohen et al. 2009
44
39 40 41
Berendsen/Stouthamer 2001, 63-64. Verbraeck 1984. Schokker et al. 2005.
187.500
430.500
Nijmegen
172.500
Wijchen
0
418.500
2 km
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
Fig, #.#. Wijchen - Oostflank Paleogeografische kaart van de omgeving van Wijchen (naar Cohen et al 2012). Schaal
Fig. 3.2. Wijchen-Oostflank. Paleogeografische kaart van de omgeving van Wijchen (naar Cohen et al 2012). Schaal 1:100.000. 1:100.000.
Stuwwal fluvioglaciale afzettingen. B. Pleniglaciaal terras (Kreftenheye 4). C. Laagterras (Kreftenheye 5). D. meanAA.stuwwal en en fluvioglaciale afzettingen; B pleniglaciaal terras (Kreftenheye 4); C laagterras (Kreftenheye 5); D laat-glaciale Laat-glaciale meandergordel. E. Terras X (Kreftenheye 6). F. (naar Laat-glaciale restgeulen (naar Pons 1966). G. Rivierduidergordel. E Terras X (Kreftenheye 6); F laat-glaciale restgeulen Pons 1966); G rivierduinen; H stroomgordel Preboreaal; I nen. H. Stroomgordel Preboreaal. I. Stroomgordel Neolithicum. J. Stroomgordel Bronstijd. K. Stroomgordel IJzertijd. L. Stroomgordel Romeinse tijd. M. Stroomgordel post-romeins. N. Holocene kom- en oeverafzettingen. O. Water. post-Romeins; N Holoceen kleidek; O water; P hoofdwegen; Q spoorweg; R gemeentegrens; S opgraving Oostflank. P. Hoofdwegen. Q. Spoorweg. R. Gemeentegrens. S. Opgraving Oostflank.
stroomgordel Neolithicum; J stroomgordel Bronstijd; K stroomgordel IJzertijd; L stroomgordel Romeinse tijd; M stroomgordel
is in deze periode ten noordoosten van de riviervlakte van de Maas een brede zone met rivierduinen ontstaan (figuur 3.2). Het opgravingsterrein ligt op de zuidwestflank van dit rivierduincomplex. Aan het begin van het Holoceen veranderde, onder invloed van de stijgende temperatuur en het meer gespreide neerslagpatroon, het rivierpatroon weer van vlechtend naar meanderend. In eerste instantie sneden deze rivieren zich nog in in de oudere afzettingen en lagen ze binnen de riviervlakte van het Kreftenheye-6 systeem. De ingesneden, meanderende loop van Maas lag in het begin van het Holoceen (Preboreaal) direct ten zuidwesten van het rivierduincomplex waarop het onderzoeksgebied ligt (figuur 3.2).Vanuit deze ingesneden rivieren werd een zandige kleilaag afgezet op het Terras X die vergelijkbaar is met de zandige kleilaag uit het Allerød. Ook deze laag uit het Vroeg-Holoceen wordt gerekend tot
de Laag van Wijchen. Onder invloed van de holocene zeespiegelstijging gingen de rivieren in de RijnMaasdelta langzaamaan over van insnijdend naar accumulerend en ontstonden de meanderende rivieren zoals die nu in vrijwel het gehele rivierengebied aanwezig zijn. Deze verandering is het eerst te merken in het westelijke deel van het rivierengebied. Het punt waar de insnijding overgaat in accumulatie, de terrassenkruising, verschuift oostwaarts onder invloed van de stijgende zeespiegel gedurende het Holoceen. In de omgeving van het onderzoeksterrein, in het oostelijke deel van het rivierengebied, ging de insnijding van de rivieren rond 5000 BP over in accumulatie.45 Hierna hebben de Rijn- en Maastakken zich binnen de Rijn-Maasdelta vaak verlegd (avulsies), waardoor een gecompliceerd netwerk van stroomgordels van verschillende ouderdom ontstond. Die stroomgordels zijn later veelal bedekt geraakt met jongere afzettingen.46 De Maas ligt waarschijnlijk al vanaf het Vroeg-Holoceen min of meer op de plek waar de rivier nu ligt. Aanvankelijk dus als insnijdende rivier, maar na het passeren van de terrassenkruising ongeveer 5000 jaar geleden begint de Maas te accumuleren. Rond deze tijd krijgt de Maas een zijtak die van belang is voor de ontwikkeling van Wijchen en het opgravingsterrein; het Wijchens Maasje.
Het Wijchens Maasje was actief van 3578 tot 1263 jaar voor Chr.47 Deze tak van de Maas volgt grotendeels de zuidelijke grens van de rivierduinafzettingen en ligt direct ten zuiden van het opgravingsterrein (figuur 3.2). Vanuit het Wijchens Maasje zullen oeverafzettingen binnen het plangebied zijn afgezet. Ook zal de flank van het rivierduin zijn aangesneden en kan het lagere deel van het rivierduin bij overstromingen vanuit deze rivier zijn geërodeerd of verspoeld. Op de hogere delen zullen geen fluviatiele afzettingen zijn afgezet. Bij het vooronderzoek is gebleken dat het zuidelijke deel van het opgravingsterrein wordt gevormd door herwerkte eolische en pleistocene afzettingen als gevolg van overstromingen vanuit het Wijchens Maasje. Ook heeft bij deze overstromingen insnijding plaatsgevonden.48 In de Midden Bronstijd kreeg de zuidelijker gelegen loop ter plaatse van de huidige Maas weer de overhand en begint het Wijchens Maasje te verlanden. De geul bleef echter nog lange tijd, in ieder geval tot in de Romeinse tijd, open liggen. Het Wijchens Meer, ten zuiden van het opgravingsterrein, is het deel van de restgeul van deze rivier waar nu nog steeds water in staat. Nadat het Wijchens Maasje van de hoofdgeul van de Maas is afgesloten, zullen binnen het onderzoeksterrein weinig tot geen fluviatiele afzettingen zijn afgezet.
Alleen bij extreem hoge afvoeren in de Maas kan ook binnen het lagere opgravingterrein nog een dunne laag komafzettingen zijn afgezet. De hierboven geschetste ontwikkeling heeft er voor gezorgd dat de rivierduinen gedurende het Holoceen hoger gelegen zandeilanden vormen binnen het rivierlandschap. De rivierduinen kennen door deze hogere ligging relatief lage grondwaterstanden. Hierdoor hebben zich in deze zones podzolgronden kunnen vormen. Als gevolg van de rijke mineralogische samenstelling van de rivierduinzanden zijn hierin vooral moderpodzolen (holtpodzolgronden) gevormd. Dergelijke podzolbodems ontstaan in relatief rijke gronden met een intensief bodemleven. Door dit bodemleven wordt een aanzienlijk deel van de aanwezige humus omgezet in een humusvorm die moder wordt genoemd. De moder verzamelt zich tussen en rond de zandkorrels. Hierdoor ontstaat de kenmerkende bruine horizont (verbruining) die een moderpodzol-B-horizont wordt genoemd. In de fijne, goed gesorteerde duinzanden kan ook gemakkelijk verstuiving optreden. Hierdoor zijn op het rivierduincomplex van Wijchen grote gebieden met stuifduinen te vinden die in het Holoceen zijn ontstaan. Een eerste fase van uitgebreide verstuiving vindt plaats in het relatief warme en droge Boreaal (9.000 – 8.000 BP) door een verandering in vegetatie en hydrologische omstandigheden.