Bijlage 1: regels en motivering
Tekst van het document
het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
29
zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft. Geurgevoelig gebouw Standaardwaarde Grenswaarde Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en 2,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3 buiten een concentratiegebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m3 binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en 8,0 ouE/m3 20,0 ouE/m3 buiten een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en 14,0 ouE/m 35,0 ouE/m3 binnen een concentratiegebied Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.
Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet niet in nieuwe geurgevoelige bebouwing, maar in een functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning naar reguliere woning. Een nadere beschouwing van het woon- en leefklimaat is daarmee niet aan de orde. Tevens worden er met het plan geen veehouderijen mogelijk gemaakt. Het aspect geur levert daarmee geen belemmeringen op ten aanzien van het initiatief. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.16.
4.7
Externe veiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
30
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron. Planspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
31
Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl) Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied op ruim voldoende afstand tot risicobronnen gelegen is. De locatie ligt niet binnen een PR-contour of aandachtsgebied. Een nadere verantwoording in het kader van het groepsrisico is daarmee niet nodig. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.16.
4.8
Trillingen
Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en de uitzondering in artikel 22.87a (in verband met agrarische bedrijvigheid) van de Bruidsschat.
32
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
Planspecifiek In de ruime omgeving van het projectgebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines. Dit aspect leidt daarmee niet tot belemmeringen ten aanzien van het initiatief. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.16.
4.9
Waterparagraaf
Wettelijk kader Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Bkl volgt, dat het bevoegd gezag rekening dient te houden met de waterbelangen. Deze waterbelangen zijn belegd bij verschillende overheden. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling de belangen van de andere overheden/waterbeheerders raakt, moet vroegtijdig afstemming plaatsvinden over manieren waarop de ruimtelijke ontwikkeling en de waterbelangen optimaal kunnen samengaan. Weging van het waterbelang De weging van het waterbelang (voorheen: watertoets) geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en –opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. In de waterparagraaf is tevens het advies van de waterbeheerder verwerkt.
Planspecifiek Voor dit planvoornemen is wateradvies opgevraagd via hetwateradvies.nl (bijlage 3). Het initiatief betreft uitsluitend een functiewijziging waarbij geen nieuwe bebouwing wordt toegevoegd en het verhard oppervlak ongewijzigd blijft. Daarmee zijn de effecten op de waterhuishouding zeer beperkt. Omdat de bestaande situatie wordt gehandhaafd, ontstaan er geen knelpunten ten aanzien van grondwaterstanden en drooglegging. Ook blijft de afvoer en infiltratie van regenwater gelijk. De verruiming van de gebruiksmogelijkheden in het bedrijfsgebouw leidt niet tot een relevante toename van afvalwater ten opzichte van de bestaande situatie. Groene en onverharde delen op het erf blijven behouden en zorgen ervoor dat regenwater in de bodem kan infiltreren en hittestress wordt beperkt. Er zijn daarmee geen negatieve effecten op de waterhuishouding en geen aanvullende maatregelen nodig. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.16.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
33
4.10
Ecologie
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.
De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
34
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
Planspecifiek Soortenbescherming Voor het onderhavige initiatief is geen sloop of nieuwbouw voorzien en blijft bestaande bebouwing behouden. Negatieve effecten in het kader van soortenbescherming zijn om die reden niet aan de orde, waarmee het uitvoeren van een ecologisch (soorten)onderzoek niet nodig is. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebied (ca. 9 km tot Rijntakken). Het plan voorziet niet in fysieke ingrepen die kunnen leiden tot aantasting van natuurwaarden of verslechtering van beschermde gebieden. Gelet op de schaal en aard van de ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand kunnen negatieve effecten in het kader van gebiedsbescherming op voorhand uitgesloten worden. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.16.
4.11
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt straks op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Deze aspecten vallen nu nog onder het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl).
Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
35
Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap De gemeente Wijchen heeft in 2016 het 'Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen' vastgesteld met als doel om via beleid en regels waardevolle gebouwen en gebieden binnen de gemeente te beschermen. Dit parapluplan is opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Binnen dit plan is het plangebied aangeduid met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied'. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Wijchen. Hierop is te zien dat de molen binnen het plangebied is aangewezen als rijksmonument. De molen blijft in de toekosmtige situatie behouden en ongewijzigd, waarmee het cultuurhistorisch waardevolle karakter ervan in stand blijft. Het plan voorziet niet in fysieke ingrepen aan of nabij de molen en tasten daarmee het monument niet aan. Dit geldt ook voor de kloostermuur net buiten het plangebied, die is aangewezen als gemeentelijk monument. De ruimtelijke structuur en zichtlijnen blijven behouden. Invloed op de historische wegenstructuur of waardevolle beplanting is daarmee uitgesloten. De locatie bevindt zich in de molenbiotoop van de molen in het plangebied, maar effecten op de windvang zijn uitgesloten. Afbreuk aan de cultuurhistorische waarde kan worden uitgesloten. De Adviescommissie omgevingskwaliteit heeft geen bezwaar tegen de ontwikkeling.
Het aspect cultuurhistorie levert daarmee geen belemmeringen op.
Uitsnede cultuurhistorische waarderingskaart (bron: gemeente Wijchen)
Archeologie Het plangebied kent op grond van de vigerende planologische situatie de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2'. Dit houdt in dat bij bodemingrepen groter dan 120 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld een archeologisch onderzoek vereist kan zijn. Voorliggend initiatief voorziet echter niet in bodemingrepen van die omvang; er vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats die deze grens overschrijden. Bovendien blijven de geldende dubbelbestemmingen ongewijzigd, waardoor eventuele archeologische waarden blijvend beschermd zijn. Archeologie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.16.
36
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
4.12
Leidingen
Planologisch relevante leidingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Planspecifiek Uit de vigerende planologische situatie is op te maken dat er geen planologisch relevante leidingen in het plangebied aanwezig zijn. Het aspect leidingen levert geen belemmeringen op ten aanzien van het initiatief. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.16.
4.13
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Het plan leidt niet tot fysieke uitbreiding van bebouwing of verharding, waardoor de bestaande waterhuishouding grotendeels ongewijzigd blijft. Het plan heeft daarmee geen negatieve effecten met betrekking tot wateroverlast of droogte. Doordat de bestaande onverharde delen behouden blijven, kan regenwater ter plaatse infiltreren.
Door het behoud van bestaande groenstructuren en beperkte verharding wordt hittestress tegengegaan. Op basis van de klimaateffectatlas is het risico op overstromingen ter plaatse van het plangebied beperkt. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.16.
4.14
Gezondheid
Wettelijk kader In paragraaf 5.1.4 van het Bkl wordt het wettelijk kader voor het beschermen van de gezondheid en het milieu gegeven. In deze paragraaf worden instructieregels gegeven voor luchtkwaliteit (paragraaf 5.1.4.1), geluid (paragraaf 5.1.4.2 en 5.1.4.3), trilling (paragraaf 5.1.4.4), bodem (paragraaf 5.1.4.5) en geur (paragraaf 5.1.4.6).
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
37
Planspecifiek In hoofdstuk 4 wordt per milieuaspect ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op gezondheid en milieu. Gezondheid heeft onder meer betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit, (water)veiligheid en bodem. Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat ten aanzien van de relevante aspecten geen normen worden overschreden of bijna overschreden. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid (en veiligheid) juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.16.
4.15
Vormvrije MER-beoordeling
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Beoordeling of een M.e.r. procedure of beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1. De eerste stap is te kijken of het project voldoet aan de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'. b.
Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'. Planspecifiek Onderhavig initiatief kan niet als stedelijk ontwikkelingsproject aangemerkt worden, waardoor een m.e.r.-beoordeling niet nodig is. Het plan is ook niet mer-plichtig. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.16.
4.16
Conclusie
Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” De Memorie van toelichting licht dit verder toe: Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en
38
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving. Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen. Om een plan te kunnen vergunnen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en weging – van het totaal.
Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit project sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit project en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4. Planspecifiek Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling.
Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
39
Hoofdstuk 5 5.1
Juridisch bestuurlijke aspecten
Inleiding
Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).
5.2
Juridische systematiek
Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken: Preambule; Hoofdstuk 1: Algemene regels; Hoofdstuk 2: Functieregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 3: Overgangsregels:
5.3
Werkingsbereik/toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een hoofdstuk 22j wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22j van het omgevingsplan Wijchen. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke omgevingsplan (zie artikel 1.2 en 1.3).
5.4
Beschrijving per functie
Onderhavig initiatief kent de volgende functies: Gemengd Ter plaatse van het hele plangebied is de functie 'Gemengd' opgenomen. Hierbinnen zijn zowel de bedrijfsfunctie als woonfunctie toegestaan. Het hierbinnen opgenomen bouwvlak correspondeert met de huidige fysieke en planologische situatie. Wonen Ter plaatse van de om te zetten bedrijfswoning, is de functie 'Wonen' opgenomen. Het hierbinnen opgenomen bouwvlak correspondeert met de huidige fysieke en planologische situatie. Dit geldt ook voor de opgenomen maatvoeringen. Bij de woning is een aanduiding 'bedrijf aan huis' opgenomen ten beheove van de aan huis verbonden bedrijfsactiviteit die hier beoogd is. Verder zijn bestaande dubbelbestemmingen en aanduidingen overgenomen.
40
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige 'financiële bijdrage gebiedsontwikkeling' worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
41
Hoofdstuk 7 7.1
Participatie
Participatie
De gebruikers van de aangrenzende percelen zijn per brief geïnformeerd over het initiatief. Daarnaast worden gesprekken gevoerd om het plan nader toe te lichten en eventuele vragen te beantwoorden.
7.2
Vooroverleg
Het initiatief wordt in het kader van het wettelijk overleg voorgelegd aan de relevante instanties.
7.3
Zienswijzen
Het plan heeft ter inzage gelegen van 18 december 2025 tot en met 28 januari 2026. In deze periode zijn geen zienswijzen tegen het plan naar voren gekomen.
42
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
Bijlagen bij de motivering
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
43
44
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
Bijlage 1
Parkeersituatie
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
45
46
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
Bijlage 2
Quickscan vooronderzoek bodem
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
47
48
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
Bijlage 3
Digitale watertoets
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
49
50
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
Regels
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
51
52
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende bepalingen Toepassingsbereik
1.1 Omgevingsplan Wijchen Dit plan wijzigt het omgevingsplan Wijchen in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Wijchen een hoofdstuk 22j wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22j van het omgevingsplan Wijchen. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22j.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22j.' gelezen worden. 1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan Het bestemmingsplan 'Stedelijk Gebied Wijchen' met identificatienummer NL.IMRO.0296.stedgebwijchen-DFBP Iis niet van toepassing op de locatie, bedoeld in 1.4. 1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan. 1.4 Verwijzing naar verbeelding De regels van dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0296.TAMALVValendr301-VG01.
Artikel 2
Begripsbepalingen
2.1 Van toepassing verklaring Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan. 2.2 Aanvullende begrippen In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.37 gehanteerd. 2.3 Plan Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen met identificatienummer NL.IMRO.0296.TAMALVValendr301-VG01 van de gemeente Wijchen bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0296.TAMALVValendr301-VG01 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen. 2.4 Locatievlak een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel. 2.5 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
53
2.6 aan- of uitbouw een aan een hoofdgebouw gebouwde ruimte, die deel uitmaakt van het hoofdgebouw, maar daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap - met dien verstande dat een aanbouw een zelfstandige ruimte is, toegankelijk vanuit het hoofdgebouw en een uitbouw een uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw is; 2.7 archeologische waarden de aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het belang voor de archeologie en de kennis van de beschavingsgeschiedenis; 2.8 bebouwingspercentage het percentage van het bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd; de gronden onder het oorspronkelijke hoofdgebouw binnen de bestemming 'Wonen' daarbij niet meegerekend; 2.9 beroep en/of bedrijf aan huis een beroep dan wel een bedrijf, waarvan de activiteiten niet publiekgericht zijn, en dat op kleine schaal door een van de bewoners van een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse; 2.10 bedrijfsactiviteiten handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een bedrijf; 2.11 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 2.12 bed & breakfast een
verblijfsrecreatieve nevenactiviteit met als doel het verstrekken van logies en ontbijt aan maximaal acht gasten, verspreid over maximaal vier kamers voor de duur van maximaal zeven aaneengesloten overnachtingen; onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur; 2.13 bestaand t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen; t.a.v. werken of werkzaamheden: zoals legaal aanwezig op het tijdstip van het ontwerpbestemmingsplan, dan wel toegestaan krachtens omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 2.14 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
54
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
2.15 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 2.16 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel; 2.17 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 2.18 carport een bouwwerk in de vorm van een dakconstructie dat wordt ondersteund door palen of kolommen; en waarvan de begrenzing wordt gevormd door maximaal één eigen wand, dan wel - aan maximaal 3 zijden - door gevels van aansluitende gebouwen; 2.19 cultuurhistorische waarden de aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door de ten gevolge van een vroeger cultuur- of levenspatroon ontstane in het terrein waarneembare vormen van landschap en bebouwing, welke hetzij van waarde zijn voor de wetenschap, hetzij een zodanige historische waarde bezitten dat het behoud van belang is te achten; 2.20 erf dat deel van een bouwperceel, zowel binnen als buiten het bouwvlak, waarop ingevolge de regels bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht; 2.21 gastouderschap kinderopvang welke plaatsvindt in een gastgezin, na tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau. Een geregistreerde gastouder verzorgt de opvang op het eigen woonadres of op het adres van één van de ouders.
Als de opvang bij de ouders plaatsvindt, kunnen daar ook kinderen van andere ouders worden opgevangen; 2.22 huishouden persoon of groep personen die een gemeenschappelijke huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen; 2.23 internetwinkel Detailhandel zonder showroom, waarvan de handel alleen via internet en andere media loopt zonder dat hierbij de mogelijkheid tot afhalen bestaat. 2.24 luifel een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand; 2.25 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
55
2.26 ondergeschikte bouwdelen ondergeschikte delen aan een gebouw zoals, trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen, zonnepanelen, airco-installaties en andere ondergeschikte (dak)opbouwen; 2.27 ondergeschikte functie een functie die in ruimtelijke en/of bedrijfseconomische zin ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie binnen een bestemming; 2.28 overkapping een bouwwerk in de vorm van een dakconstructie dat wordt ondersteund door palen of kolommen; en waarvan de begrenzing wordt gevormd door maximaal één eigen wand, dan wel - aan maximaal 3 zijden - door gevels van aansluitende gebouwen; 2.29 peil de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer van een gebouw;voor overige bouwwerken geldt de gemiddelde hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende terrein; 2.30 sociale relatie de band tussen twee of meerdere mensen op maatschappelijk (sociaal) gebied.
Dit kan een familieband zijn maar ook een andere relatie is mogelijk bijvoorbeeld vrienden; 2.31 verbeelding de kaart met de bijbehorende verklaring, waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden zijn aangegeven; 2.32 vloeroppervlak de totale oppervlakte, gemeten op vloerniveau, die voor een functie wordt gebruikt; 2.33 voorgevel de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt; 2.34 voorgevellijn de lijn waarin de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan; 2.35 vrijstaand bebouwing waarbij de hoofdgebouwen aan beide zijden niet in de perceelsgrens zijn gebouwd; 2.36 wonen het verblijven van één huishouden in een woning; 2.37 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
56
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen
3.1 Meetbepalingen In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meetbepalingen: 3.2 bebouwingspercentage een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel, bouwvlak of aanduidingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd. De oppervlakte van zwembaden wordt niet meegerekend bij het bepalen van het bebouwingspercentage. 3.3 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 3.4 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q.
de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 3.5 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 3.6 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 3.7 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein; 3.8 peil de hoogte gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. 3.9 toepassing van maten Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m. bedraagt.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
57
Hoofdstuk 2 Artikel 4
Specifieke regels over functies Wonen
4.1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0296.TAMALVValendr301- is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen. 4.2 Functieomschrijving Wonen Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen heeft de volgende functies: a. wonen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf aan huis' tevens een beroep en/of bedrijf aan huis toegestaan zijn met inachtneming van hetgeen opgenomen in 4.3.2; b. waterhuishoudkundige doeleinden; een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals perceelsontsluitingen, tuinen en erven en overeenkomstig de in 4.3 opgenomen nadere regels. 4.3 Gebruiksactiviteit - nadere regels 4.3.1 Aantal woningen Per locatievlak dat is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen is maximaal één woning toegestaan. 4.3.2 Aan huis verbonden beroep/bedrijf Het gebruik van een deel van de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een niet-publieksgerichte beroeps- en/of bedrijfsactiviteit aan huis is toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het ten behoeve van de aan huis gebonden beroeps- en bedrijfsactiviteit in gebruik te nemen vloeroppervlak bedraagt maximaal 1/3 van de vloeroppervlakte van de woning en/of de bijbehorende bouwwerken met een maximum van 100 m²; b.
degene die de activiteiten in de woning en/of de bijbehorende bouwwerken uitoefent, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; c. de noodzakelijke parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein te worden gesitueerd, tenzij wordt aangetoond dat geen onevenredige parkeerdruk ontstaat in het openbaar gebied; d. de activiteit dient qua aard, milieubelasting en uitstraling te passen in een woonomgeving; e. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. f. er mag geen detailhandel of groothandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de aan huis verbonden activiteit alsmede handelsactiviteiten via het internet; g. vanaf de openbare weg zichtbare excessieve reclame-uitingen zijn niet toegestaan; h. bij de uitoefening van de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit mag alleen huishoudelijk afvalwater worden geloosd. 4.3.3 Gastouderschap In een woning en/of de bijbehorende bijbehorende bouwwerken is het uitvoeren van gastouderschap toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. het (mede) ten behoeve van gastouderschap in gebruik te nemen vloeroppervlak mag maximaal 1/3 van de vloeroppervlakte van de woning en/of de bijbehorende bouwwerken bedragen met een maximum van 50 m2; b.
degene die de activiteiten in de woning en/of bijbehorende bouwwerken uitoefent, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
58
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
c. d.
de activiteit mag niet leiden tot gebruik van extra parkeerruimte in het openbaar gebied; vanaf de openbare weg zichtbare excessieve reclame-uitingen zijn niet toegestaan.
4.3.4 Internetwinkel In een woning en/of de bijbehorende bijbehorende bouwwerken is het uitvoeren van een internetwinkel toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. het (mede) ten behoeve van een internetwinkel in gebruik te nemen vloeroppervlak mag maximaal 1/3 van de vloeroppervlakte van de woning en/of de bijbehorende bouwwerken bedragen met een maximum van 50 m2; b. degene die de activiteiten in de woning en/of bijbehorende bouwwerken uitoefent, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; c. de activiteit mag niet leiden tot gebruik van extra parkeerruimte in het openbaar gebied; d. vanaf de openbare weg zichtbare excessieve reclame-uitingen zijn niet toegestaan. 4.4 Gebruiksactiviteit - verboden 4.4.1 Algemeen Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden. 4.4.2 Zelfstandige bewoning van vrijstaande bijgebouwen Het is in ieder geval verboden om vrijstaande bijgebouwen te gebruiken en/of te laten gebruiken als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte. 4.5 Bouwactiviteit - algemeen Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 4.2. 4.6 Bouwactiviteit - beoordelingsregels 4.6.1 Woningen Ten aanzien van woningen geldt dat: a.
woningen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van een bouwvlak, met dien verstande dat ondergeschikte bouwdelen tevens buiten het bouwvlak zijn toegestaan; b. de goothoogte en de bouwhoogte van een gebouw niet meer bedraagt dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte, (m) maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte; c. de inhoud van een woning maximaal 600 m3 bedraagt. 4.6.2 Bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel Voor bijbehorende bouwwerken vóór de voorgevellijn en voor zover niet gelegen binnen het bouwvlak, geldt dat deze uitsluitend aan de voorgevel van het hoofdgebouw of een naar het openbaar gebied gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, met dien verstande dat: a. de horizontale diepte maximaal 1,5 m bedraagt; b. de breedte maximaal 60 % van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt; c. de bouwhoogte maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,5 m en met een maximum van 4 m bedraagt; d. de gezamenlijke oppervlakte maximaal 8 m² bedraagt; e. de afstand tot het openbaar gebied minimaal 2 m bedraagt; f. voor carports en overkappingen is het bepaalde onder 4.6.2 niet van toepassing maar geldt 4.6.4 onder c.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
59
4.6.3 Bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken achter de voorgevellijn gelden de volgende bepalingen: a. bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd, waarbij bijbehorende bouwwerken op minimaal 1 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw dienen te worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per bouwperceel maximaal 150 m² bedragen; c. het bebouwingspercentage van het bouwperceel mag maximaal 60% bedragen, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel in ieder geval 20 m² mag bedragen; d. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,5 meter, tot een maximum van 4 meter; e. de goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk buiten het bouwvlak mag maximaal 3 meter bedragen; f. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mag maximaal 5 meter bedragen; g. de dakhelling bedraagt minimaal 30° en maximaal 65°. h. voor carports en overkappingen is het bepaalde onder 4.6.3 niet van toepassing maar geldt 4.6.4 onder c. 4.6.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vóór de voorgevel of het verlengde daarvan niet meer mag bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van terreinafscheidingen maximaal 1 m mag bedragen; b. de bouwhoogte van speeltoestellen en vlaggenmasten niet meer mag bedragen dan respectievelijk 3 m en 8 m; c. de bouwhoogte van pergola's niet meer mag bedragen dan 3 m; d. voor carports en overkappingen geldt dat: 1. deze 1 m voor of ten minste 0,5 m achter de voorgevel worden gebouwd; 2. de hoogte niet meer dan 3 m mag bedragen; 3. de oppervlakte niet meer dan 30 m² mag bedragen; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, achter de voorgevel of het verlengde daarvan niet meer mag bedragen dan 2 m. 4.7 Omgevingsplanactiviteit 4.7.1 Bed & Breakfast 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een bed & breakfast. 2. De omgevingsvergunning bedoeld onder 1 wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de bed & breakfast is bedoeld voor maximaal 8 personen en er zijn niet meer dan 4 kamers toegestaan; b. deze nevenactiviteit is enkel in de woning en de daarbij behorende bijgebouwen toegestaan; c. de nevenactiviteit is ondergeschikt van aard; d. de voor bed & breakfast gebruikte oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m²; e.
ten behoeve van de bed & breakfast voorzieningen zijn maximaal 8 (éénpersoons)bedden toegestaan; f. permanente bewoning of huisvesting van tijdelijke werknemers is niet toegestaan; g. er wordt een nachtregister bijgehouden; h. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de
60
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
i. j. k. l.
omliggende functies; de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; alleen de lozing van huishoudelijk afvalwater is toegestaan.
4.8 Maatwerkvoorschrift 4.8.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om met een maatwerkvoorschrift nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in verband met: a. het voorkomen van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van de naastgelegen gronden; b. de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit; c. de verkeersveiligheid en brandveiligheid.
Artikel 5
Gemengd
5.1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0296.TAMALVValendr301-VG01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Gemengd. 5.2 Functieomschrijving Gemengd Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Gemengd heeft de volgende functies: a. bedrijvigheid en voorzieningen zoals opgenomen in bijlage 1 bij de regels, met inachtneming van hetgeen opgenomen in artikel 6; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument' tevens voor de instandhouding van de hier aanwezige monumentale waarden; c. parkeervoorzieningen; d. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging; e. bijbehorende voorzieningen zoals terrassen, tuinen, erven, paden e.d. 5.3 Bouwactiviteiten - algemeen 5.3.1 Functionele relatie Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 5.2; 5.4 Bouwactiviteit - gebouwen Voor het oprichten van gebouwen geldt het volgende: a. gebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd, met dien verstande dat: ondergeschikte bouwdelen tevens buiten het bouwvlak zijn toegestaan; b. de goothoogte en de bouwhoogte van een gebouw niet meer bedraagt dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte, (m) maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte; c.
in afwijking van het bepaalde onder b ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding rijksmonument' de goothoogte en de bouwhoogte van deze gebouwen niet meer mag bedragen dan de op het moment van ter visie legging van het plan bestaande goothoogte en bouwhoogte;
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
61
5.5 Bouwactiviteit - bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt het volgende: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; b. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten mag niet meer dan 6 meter bedragen; c. voor carports en overkappingen geldt dat; 1. deze minimaal 1 m achter de voorgevel worden gebouwd; 2. de hoogte maximaal 3 m mag bedragen; 3. de gezamenlijk oppervlakte maximaal 30 m² mag bedragen; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m.
62
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Valendrieseweg 301 Wijchen
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels over functies Parkeren
6.1 Bouwactiviteit De vergunning voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een gebouw wordt alleen verleend indien er wordt voorzien in voldoende parkeermogelijkheden op de bij het bouwplan behorende en daartoe bestemde gronden. De toename van de parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de op dat moment geldende beleidsregels "Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen". 6.2 Gebruiksactiviteit 6.2.1 Verbod Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken: a. indien gedurende het gebruik van een gebouw en de bijbehorende gronden, niet in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien volgens de normering zoals deze is opgenomen in de op dat moment geldende beleidsregel "Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen"; b. indien niet in voldoende mate publieke parkeerplaatsen beschikbaar blijven voor de bestaande functies waarbij rekening mag worden gehouden met dubbelgebruik. De parkeerplaatsen ten behoeve van de bestaande voorzieningen dienen vrij toegankelijk en van goede kwaliteit te zijn, waarbij deze eveneens op een reële loopafstand tot de omliggende functies moeten zijn gelegen. 6.2.2 Instandhouding parkeervoorzieningen Ruimte(n) voor het parkeren van voertuigen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimte(n) krachtens deze parkeerregels is geëist, dient te allen tijde voor dit doel beschikbaar te blijven.
Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik. 6.2.3 Laden en lossen Indien het gebruik van een terrein van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet (zoals bepaald in de beleidsregels "Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen" en de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (10 december 2018)) in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 6.2.4 Maatwerkvoorschrift Bij maatwerkvoorschrift kan, indien op een andere wijze kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte, worden afgeweken van het bepaalde in dit artikel.