Bijlage 1: Motivering TAM-omgevingsplan Eindsestraat 32
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
28
Planvoornemen in relatie tot woonvisie De beoogde ruimtelijke ingreep voegt 2 woningen door transformatie van een bestaand, niet meer in gebruik zijnde agrarisch bedrijfsperceel. De beoogde woningen worden levensloopbestendig uitgevoerd. Eén van de nieuwe woningen wordt als ‘Zorg-voor-elkaar’ woning gerealiseerd bij de bestaande woning Eindsestraat 32. Bij de uitvoering van de woningen wordt extra aandacht besteed aan duurzaamheid, klimaatbestendigheid, natuurinclusiviteit en waterrobuustheid van de woningen. 3.5.4 Nota ruimtelijke kwaliteit In de Nota ruimtelijke kwaliteit ‘Eenvoudiger en mooier!’ is het welstandbeleid voor de gemeente Wijchen opnieuw vastgelegd. Met de nota is de weg ingeslagen van meer inspireren en faciliteren en minder toetsen en controleren. Het projectgebied is binnen de nota gelegen binnen de ‘Dijk- en veldlinten’. De dijken veldlinten vormen samen de oude wegen in het buitengebied. Het zijn zeer kenmerkende historische structuren. Het buitengebied kenmerkt zicht door openheid met een sterk onderscheidend bebouwingspatroon. Het toetsingsniveau voor de dijk- en veldlinten is: ‘Bijzonder’. Bij het uitwerken van de bouwplannen zal hiermee rekening worden gehouden. 3.5.5 Conclusie Het planvoornemen past binnen het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in de Omgevings- en Woonvisie.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
29
4
MILIEU EN OMGEVINGSASPECTEN
4.1
Verkeer en parkeren
Verkeer Na realisering van het planvoornemen blijft binnen het projectgebied de woonfunctie relevant voor verkeer en parkeren. De vervanging van een agrarische bedrijfsfunctie door een vrijstaande burgerwoning (de bestaande bedrijfswoning) en twee halfvrijstaande burgerwoningen heeft gevolgen voor de verkeersgeneratie. In de huidige situatie is de verkeersgeneratie vergelijkbaar met die van een vrijstaande burgerwoning in het buitengebied. De omvang van het glastuinbouwbedrijf is dusdanig beperkt, dat de werkzaamheden door de bewoners alleen uitgevoerd kunnen worden. De verkeersgeneratie bedraagt dan (uitgaande van een verkeersgeneratie van max. 8,6 motorvoertuigen/weekdag) circa 10 motorvoertuigbewegingen/werkdag (1,11 x 8,6). Na realisatie van het planvoornemen, waarbij 3 burgerwoning resteren, waarvan 1 vrijstaand en 2 twee-onder-één-kap, bedraagt de verkeersgeneratie (uitgaande van de karakteristiek weinig stedelijk, rest bebouwde kom): - 1 vrijstaande woning (8,6 motorvoertuigen/weekdag): (1 x 1,11 x 8,6) 10 motorvoertuigbewegingen/werkdag; - 2 halfvrijstaande woningen (8,2 mvt/weekdag): 2 x 1,11 x 8,2) 18 motorvoertuigen/werkdag; - In totaal : 28 motorvoertuigen/werkdag. De verkeersgeneratie neemt derhalve beperkt toe. De toename in verkeersgeneratie vormt geen probleem voor de verkeersafwikkeling op de Eindsestraat.
Parkeren De gemeentelijke parkeernorm voor woningen zijn de “Beleidsregels Parkeernormen Wijchen 2024” bepalend. Dit betekent voor vrijstaande woningen in het buitengebied bij Balgoij (‘weinig stedelijk’ in ‘rest bebouwde kom’) een parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen per woning. Voor de halfvrijstaande woningen bedraagt deze 2,0 parkeerplaatsen per woning. Conform die parkeernorm moeten in totaal 1 x 2,1 en 2 x 2,0 = 6,1 parkeerplaatsen aangelegd worden op eigen terrein. Omdat het om drie aparte woningen gaat, moeten per woning ten minste 2 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Op de afzonderlijke kavels is voldoende ruimte aanwezig voor de realisering van in ieder geval 3 parkeerplaatsen. Conclusie De locatie is qua verkeer en parkeren geschikt voor de nieuwe functie met drie woningen in plaats van één agrarisch bedrijf.
4.2
Bodem
Wettelijk kader Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het lokale Omgevingsplan is het noodzakelijk om rekening te houden met de bodemgesteldheid bij de uitvoering van een project om de uitvoerbaarheid ervan te waarborgen. Bij de bouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de bodemkwaliteit
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
30
voldoen aan de beoogde functie, en moet worden vastgesteld of er een noodzaak tot sanering bestaat. Volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving dient, indien de betreffende bodemkwaliteit niet aan de norm voor de beoogde functie voldoet, de grond zodanig gesaneerd of anderzijds beschermende maatregelen genomen te worden dat deze geschikt is voor de beoogde functie. Zowel op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving als de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing voordat een vergunning kan worden verleend. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit een belemmering kan vormen voor de realisatie ervan. In de meeste gevallen is het mogelijk om de bodem geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Echter, er bestaat een risico dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld vanwege te hoge saneringskosten. Bij een wijziging van de bestemming of functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht als deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt. Bodemkwaliteit binnen woonbestemming De beoogde ruimtelijke ingreep voorziet in de beëindiging van de agrarische bedrijfsfunctie, inclusief sloop van de aanwezige kassen, de omzetting van de bedrijfswoning in een burgerwoning en de bouw van twee extra burgerwoningen.
De bestemming wordt daarbij gewijzigd van Agrarisch met waarden – 1 in Wonen. Om te kunnen beoordelen of de bodemkwaliteit binnen het projectgebied geschikt is voor het gebruik als burgerwoning is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In het “Verkennend bodem- en asbestonderzoek Eindsestraat 32 te Balgoij” (Montfort Milieu, 2025) worden de volgende conclusies getrokken: ✓ Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden. ✓ In de bovengrond zijn over de gehele locatie licht verhoogde gehalten aan diverse zware metalen aangetoond met plaatselijk licht verhoogde gehalten aan PAK. ✓ In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten aan kobalt en nikkel aangetoond. ✓ In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten gemeten. ✓ In geen van de geanalyseerde parameters in de grond is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden. ✓ Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locaties geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en/ of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen.
✓ De tevoren gestelde hypothese ‘De gehele onderzoekslocatie (A) kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden aangenomen. De verhogingen in de grond zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. ✓ De hypothese “De bestrijdingsmiddelenkast (B) kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd” wordt verworpen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
31
✓ Bij het verkennend asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In zowel de fijne als grove fractie van de bodem is geen asbest aangetroffen. Het mengmonsters bevindt zich onder het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. ✓ De tevoren gestelde hypothese ‘De druppelzone kan op basis van het vooronderzoek als verdacht op het voorkomen van asbest worden beschouwd’ wordt verworpen. ✓ Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging/nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen directe risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (Wonen met tuin). ✓ Eventueel vrijkomende grond kan niet zondermeer in het grondverkeer worden opgenomen. Mocht de grond naar elders worden getransporteerd, dient te worden nagegaan in hoeverre de kwaliteit van de af te voeren grond overeenstemt met de verwerkingsmogelijkheden die voor de betreffende stort- c.q. hergebruikslocatie gelden. Deze zijn geformuleerd in het Besluit bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt dan ook de eindverwerkingslocatie in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen. Mocht grondwater onttrokken worden ten behoeve van bemaling, dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt.
In aanvulling op dit onderzoek nog de opmerking dat bij de aanwezige kas geen sprake is van asbesttoepassingen. De kas bestaat geheel uit glas op een betonnen fundering. Tijdens de locatie inspectie in het kader van het uitgevoerde bodemonderzoek is dan ook geen asbesthoudend materiaal in of om de kas waargenomen. Conclusie De locatie is qua bodemkwaliteit geschikt voor de nieuwe functie met drie burgerwoningen in plaats van één agrarisch bedrijf met bedrijfswoning.
4.3
Geluid
Wettelijk kader Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Geluid van wegverkeer: Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl).
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
32
Beoordeling of sprake is van een geluidgevoelig gebouw en/of geluidgevoelige ruimte Het planvoornemen voorziet onder meer in de bouw van twee halfvrijstaande woningen. Daarmee is sprake van het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen. Beoordeling of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied: (spoor)weg of industrie De locatie is niet gelegen in het geluidaandachtsgebied van de doorgaande wegen N324 (Rijksweg) en N845 (Drutenseweg). De locatie is wel gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de Eindsestraat. Echter de Eindsestraat fungeert enkel als ontsluitingsweg voor de kern Balgoij. De Eindsestraat is onderdeel van de verbinding tussen de kern en de bovenlokale ontsluitingsweg N324 (Grave-Nijmegen). Van een doorgaande verkeersfunctie is geen sprake. Gelet op de beperkte omvang van de kern Balgoij en het beperkte aantal functies in het buitengebied dat ontsluit op de Eindsestraat, is ook de lokale ontsluitingsfunctie beperkt. Dit komt tot uiting in de etmaalintensiteiten en het aandeel daarbinnen van middelzwaar en zwaar verkeer. In 2023 bedroeg de etmaalintensiteit 690 motorvoertuigen (weekdag), met percentage middelzwaar en zwaar verkeer van 5 á 6% respectievelijk 2%. De prognose voor 2033 gaat uit van een etmaalintensiteit van 750 motorvoertuigen (weekdag) bij gelijkblijvende percentages middelzwaar en zwaar verkeer.
Genoemde intensiteiten, de maximumsnelheid van 30 km/uur en het ontbreken van doorgaand verkeer rechtvaardigen de verwachting dat ter plaatse van het projectgebied aan de Eindsestraat sprake zal zijn van een qua geluid goed woon- en leefklimaat. Conclusie De locatie is qua geluid geschikt voor de nieuwe functie met drie woningen in plaats van één agrarisch bedrijf met bedrijfswoning.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
Kader Milieuzonering draagt er zorg voor dat nieuwe bedrijven of inrichtingen een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven en/of inrichtingen gesitueerd worden. Bedrijven kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden. Zonering, afstand houden, is een belangrijk middel om te voorkomen dat er hinder ontstaat. Ook zorgt dit ervoor dat de bestaande bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is de Handreiking “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten(VNG, 2009).
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
33
Aanwezigheid bedrijven In de directe nabijheid van het projectgebied zijn enkele bedrijven gevestigd. Voor deze bedrijven is geïnventariseerd in hoeverre sprake is van een zonering conform de Handreiking “Bedrijven en zonering”, die zich uitstrekt over het projectgebied. Voor de in de directe omgeving aanwezige bedrijven mag worden uitgegaan van de navolgende indicatieve richtafstand ten opzichte van woningen in een ‘gemengd gebied’. Gelet op de aanwezige niet-woonfuncties (bedrijven Boomsestraat, sportpark Eindsestraat) in de omgeving van de Eindsestraat mag deze aangemerkt worden als een ‘gemengd gebied’. Bij de bedrijven is uitgegaan van de mogelijkheden op basis van de bestemmingen. In het overzicht is naast de richtafstand ook de daadwerkelijk aanwezige afstand tot de nieuw te bouwen woningen weergegeven. De agrarische bedrijven zijn in dit overzicht niet meegenomen. Bij deze bedrijven is steeds het aspect geur bepalend voor de richtafstand. Daarom zijn de consequenties van de aanwezigheid van deze bedrijven in de paragraaf Geur behandeld.
Gemengd gebied Bedrijf/inrichting Categorie Richtafstand Werkelijke afstand Mengvoederfabriek 4.1 100 m 105 m * Boomsestraat 38 Sportpark De Wissen 3.1 30 m 70 m Eindsestraat 43 * bij het bedrijf Boomsestraat 38 zijn de perceelsgedeelten met daarop de beide bedrijfswoningen niet meegenomen bij het bepalen van de afstand tot het projectgebied. Gelet op de aanwezigheid van deze woningen, de omliggende terreininrichting en de aanwezigheid van burgerwoningen van derden op kortere afstand is niet aannemelijk dat op deze perceelsgedeelten nog bedrijfsactiviteiten ontwikkeld zullen gaan worden. Overigens is de werkelijke afstand tot de beide nieuw te bouwen woningen nog groter. Deze bedraagt circa 130 m.
De afstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die de bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van de betreffende woningen. Voor de mengvoederfabriek (SBI: 10915, productiecapaciteit < 100 ton per uur) is de richtafstand voor geur en geluid de maatgevende afstand. Deze bedraagt 100 m. Gezien de afstand van 105 m van de veevoederfabriek tot het plangebied wordt aan deze richtafstand voldaan. Tevens kan worden geconcludeerd dat de woning aan de Boomsestraat 17 (veel) dichterbij het bedrijf aan de Boomsestraat 38 is gelegen dan de planlocatie aan de Eindsestraat 32 te Balgoij. Hiermee zal de woning aan de Boomsestraat 17 te allen tijde de beperkende factor zijn bij eventuele ontwikkelingen aan de Boomsestraat 38 te Balgoij. In het uitgevoerde Geuronderzoek Eindsestraat 32 te Balgoij (G&O consult, 2025) is een en ander in de paragraaf ‘Geurhinder industrie’ beschreven. In de Memo geluid ten gevolge van mengvoederfabriek Boomsestraat 38 (G&O consult, 2025) wordt geconcludeerd dat op basis van de maximaal toegestane geluidsniveaus van de fabriek en de karakteristieke geluidwering van de gevels van de nieuwe woningen, het binnenniveau zoals (vastgelegd in het gemeentelijk Omgevingsplan) in de nieuw te bouwen woningen wordt gewaarborgd.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
34
Met inachtneming hiervan is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen en wordt het bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd. Hierbij dient vermeld te worden dat er reeds bestaande woningen dichterbij (dan wel tussen het bedrijf en de beoogde woningen) liggen. Derhalve is het logischerwijs te stellen dat deze reeds bestaande woningen de beperkende factor zullen zijn voor het bedrijf. Het geuronderzoek en de memo geluid mengvoederfabriek zijn als bijlage bij de toelichting beschikbaar. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet beperkt worden en dat het woon- leefklimaat aanvaardbaar is.
4.5
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: ✓ er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ✓ het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ✓ het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 μg /m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Bron luchtverontreiniging Standaardgevallen NIBM betreffen categorieën van gevallen, die per definitie niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Daartoe behoren woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 1000 woningen omvat.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
35
In het planvoornemen is sprake van de realisering van twee extra woningen. Gelet op de standaardgevallen NIBM zal het planvoornemen zeker niet in betekende mate bijdragen aan luchtvervuiling. Een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit kan achterwege blijven. Luchtkwaliteit omgeving Voor de kwaliteit van de buitenlucht bestaan verschillende soorten normen. Voor een aantal stoffen in de lucht gelden luchtkwaliteitsnormen op leefniveau (de buitenlucht). Veel van de wettelijke normen komen direct uit Europese richtlijnen. De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De geldende luchtkwaliteit nabij het projectgebied kan globaal afgeleid worden uit beschikbare informatie aan de hand van: ✓ de grenswaarde voor het jaargemiddelde van de fijnstofconcentratie PM2,5 van 25 μg/m3; ✓ de grenswaarde voor het jaargemiddelde van de concentratie van stikstofdioxide NO 2 van 40 μg/m 3). Uit de gegevens van de Atlas Leefomgeving is navolgende informatie af te leiden: ✓ de jaargemiddelde fijnstofconcentratie PM2,5 in 2022 bedroeg ca. 9,5 μg/m3. Deze blijft daarmee onder de norm van 25 μg/m 3; ✓ de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide NO 2 in 2022 bedroeg ca. 12,8 μg/m3. Deze blijft daarmee onder de norm van 40 μg/m 3.
Daarmee kan gesteld worden dat ter plaatse sprake is van een voldoende tot goede luchtkwaliteit. Conclusie De locatie is qua luchtkwaliteit geschikt voor de nieuwe functie met drie burgerwoningen in plaats van één agrarisch bedrijf met bedrijfswoning.
4.6
Geur
Wettelijk kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Geuronderzoek Aangetoond dient te worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plekke van het projectgebied (belang geurgevoelig object). Daarnaast dient gekeken te worden of de extra woningen beperkingen in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen veehouderijen geeft (belangen veehouderijen en derden).
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
36
Daartoe is het Geuronderzoek Eindsestraat 32 te Balgoij (G&O consult, 2025) uitgevoerd. Aan de hand van de berekende geurbelasting op de beoogde woningen aan de Eindsestraat 32 te Balgoij zijn de volgende belangenafwegingen gemaakt: ✓ Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object); ✓ Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). Uit de beoordeling kunnen de volgende deelconclusies worden getrokken: ✓ Op de woningen aan de Eindsestraat 32 te Balgoij wordt, met een voorgrondbelasting die maximaal 1,5 ouE/m3 , overal voldaan aan de norm van 8,0 ouE/m3; ✓ Op basis van de berekende voorgrondbelasting vanuit Wegelaar 1 en Wegelaar 9 op de toetspunten van de woningen aan de Eindsestraat 32 te Balgoij kan een ‘goed’ woon- en leefklimaat worden gegarandeerd; ✓ Op basis van de berekende achtergrondbelasting vanuit 14 veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer (maximaal 3,3 ouE/m3) op de toetspunten van de woningen aan de Eindsestraat 32 te Balgoij kan een ‘goed’ woon- en leefklimaat worden gegarandeerd; ✓ Aan de vaste afstanden vanuit de meest dichtbij gelegen veehouderij tot aan de locatie Eindsestraat 32 te Balgoij en aan de gevel-gevel afstand wordt voldaan; ✓ De beoogde woningen aan de Eindsestraat 32 te Balgoij vallen buiten de richtafstand van het bedrijf aan de Boomsestraat 38.
Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van de Eindsestraat 32 te Balgoij niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden voor wat betreft het aspect geur. Het geuronderzoek is als bijlage bij de toelichting beschikbaar.
4.7
Externe veiligheid
Wettelijk kader
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ✓ activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); ✓ het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); ✓ buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; ✓ windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
37
Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Risico’s e xterne veil igheid Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Om de risico's bij een mogelijke calamiteit te beperken dient er bij nieuwbouw een fysieke afstand te worden gehouden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een risicobron bevindt, overlijdt door een ongeval met de risicobron. Het PR is daarmee de risicomaat om het beschermingsniveau voor de individuele burger uit te drukken. Het toetsingscriterium is in veel gevallen een PR van 10-6.
PR wordt inzichtelijk gemaakt door vaste contouren rondom een risicobron. Het groepsrisico (GR) geeft aan wat de kans is op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde risicobron. Voor het GR geldt geen harde norm, maar een oriëntatiewaarde. De effecten van de ontwikkeling worden in een curve weergegeven en vergeleken met de curve van de oriëntatiewaarde. Bij overschrijding van de oriëntatiewaarde of een significante toename van het groepsrisico moet het bevoegd gezag het groepsrisico betrekken bij de vaststelling van het besluit. Voor deze groepsrisico verantwoording is de hoogte van het groepsrisico of de toename ervan onderdeel van de afweging. Daarnaast worden factoren meegenomen als mogelijkheden van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen. Daarvoor wordt door het bevoegd gezag advies gevraagd aan de brandweer. Bij overschrijding van de oriëntatiewaarde of een significante toename van het groepsrisico moet het bevoegd gezag het groepsrisico betrekken bij de vaststelling van het besluit. Voor deze groepsrisico verantwoording is de hoogte van het groepsrisico of de toename ervan onderdeel van de afweging. Daarnaast worden factoren meegenomen als mogelijkheden van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen.
Daarvoor wordt door het bevoegd gezag advies gevraagd aan de brandweer. Register Externe Veiligheidsrisico’s Uit het Register Externe Veiligheidsrisico’s blijkt dat in de directe omgeving van het projectgebied geen sprake is van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen. Op grotere afstand zijn wel opslagtanks voor gas aanwezig bij enkele agrarische bedrijven. De afstand tot het projectgebied is zo groot, dat ruimschoots aan de veiligheidsafstand rond de opslagtanks wordt voldaan.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
38
Daarnaast is de ten zuiden van het projectgebied gelegen Maas onderdeel van de Maascorridor uit het Basisnet Water. De PR 10-6 contour ligt op 0 m uit de rand van de Maas. De Maascorridor betreft een rijksvaarweg met een vrijwaringszone van 25 m aan weerszijden. Het projectgebied is ruimschoots buiten de PR 10-6 contour en de vrijwaringszone gelegen. Beleidsvisie Wijchen externe veiligheid Door de gemeente Wijchen is in 2016 de “Beleidsvisie Externe Veiligheid” vastgesteld. In deze beleidsvisie is onder meer vastgelegd op welke wijze het groepsrisico verantwoord moet worden. Daarbij geldt hoe dichter bij de risicobron en hoe kwetsbaarder het object, hoe zwaarder de verantwoordingsplicht wordt ingevuld. Op basis van de beleidsvisie is het projectgebied gelegen binnen zone 3 (90-1000 m) van de ‘zonering Maas’. Gelet op de ligging binnen deze zone is een standaard verantwoording van het groepsrisico aan de orde. Lichte verantwoording groepsrisico Inleiding Het plangebied en de geprojecteerde ontwikkeling bevindt zich op grote afstand van de risicobron. Om deze reden wordt conform de Beleidsvisie externe veiligheid een standaardverantwoording toegepast. Ontwikkeling groepsrisico Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico.
De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Daarnaast is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Ook het bestrijdbaarheid vraagstuk speelt op deze afstand van de risicobron niet. Bestrijding vindt plaats bij de bron. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid In geval van een calamiteit moeten personen kunnen schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Dit is echter niet af te dwingen in deze ruimtelijke procedure.
Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van NL-Alert en het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
39
Het grondgebied van de gemeente Wijchen valt grotendeels binnen de dekking van de sirenepalen. Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de Beleidsvisie externe veiligheid Wijchen en de daarin gemaakte keuzes. Conclusie De locatie is qua externe veiligheid geschikt voor de nieuwe functie met drie woningen in plaats van één agrarische bedrijf met bedrijfswoning.
4.8
Waterparagraaf
Weging van het waterbelang Water vormt een steeds belangrijker aspect bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Belangrijke thema's zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om in de toelichting bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Waterparagraaf De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sanering van een agrarisch bedrijf, waarbij een aanwezig kassencomplex wordt gesloopt, de omzetting van de bestaande vrijstaande agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning en de bouw van twee halfvrijstaande woningen. Per saldo heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een aanzienlijke afname van de hoeveelheid verharding binnen het projectgebied tot gevolg. De hydrologische situatie binnen het projectgebied zal daardoor verbeteren. Het aanleggen van extra waterberging is echter verplicht voor al het nieuwe verharde oppervlak.
Het hemelwater afkomstig van de verharde oppervlakken bij de beide nieuwe woningen wordt daarom afgekoppeld en opgevangen in bij de woningen op eigen terrein aan te leggen infiltratievoorzieningen (wadi/ infiltratiesloot). Vanuit die voorzieningen vindt bodeminfiltratie plaats. De benodigde capaciteit van de voorzieningen voor waterberging bedraagt per nieuwe woning in totaal 300 x 0,0664 = 19,9 m3. De bodem van de benodigde infiltratievoorzieningen zal minstens 0,50 m boven de GHG van 0,90 m beneden maaiveld aangelegd worden. Op beide nieuwe woonpercelen is meer dan voldoende ruimte aanwezig voor de aanleg van de benodigde infiltratievoorzieningen. Mocht er meer neerslag vallen dan de rekenhoeveelheid voor de bepaling van de infiltratiecapaciteit, dan kan het overtollige water afstromen over het aangrenzende agrarische gebied ten noorden van het projectgebied. Verontreiniging van het schone hemelwater wordt voorkomen door de toepassing van niet-uitlogende materialen bij de bouw van de beide nieuwe woningen en door beperking van de toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
40
Het projectgebied is niet uitzonderlijk gevoelig voor klimaatverandering. De groene aankleding van het projectgebied blijft behouden en wordt op onderdelen versterkt. In combinatie met het gegeven dat de bebouwde en verharde situatie verbetert door de sloop van de aanwezige kassen en de vermindering van de hoeveelheid erfverharding, wordt het projectgebied daardoor minder gevoelig voor klimaatverandering. De ontwateringsdiepte (het peilverschil tussen het grondwater en het vloerpeil van de begane grond = bouwpeil) voldoet ruimschoots aan de gemeentelijke eis. Deze bepaalt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG = 0,90 m-mv) niet hoger mag zijn dan dan 1,0 m onder het vloerpeil van de begane grond. Het bouwpeil is bepaald op 0,20 m boven het peil van de Eindsestraat. Aangezien de Eindsestraat op dezelfde hoogte of hoger ligt dan het maaiveld ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen, bedraagt de ontwateringsdiepte hiermee 0,90 + 0,20 = 1,10 m. Eveneens wordt voldaan aan de door het waterschap op basis van de Keur geëiste drooglegging. Het waterschap eist een drooglegging (het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en het vloerpeil van de begane grond) van 1,3 m om overlast te voorkomen. Het projectgebied ligt in peilgebied Citters II, peilvak CIT004 met een zomer- en winterpeil van 5,75 m+NAP.
Voor het bepalen van de drooglegging is het zomerpeil van het oppervlaktewater relevant. De droogleggingseis voor het vloerpeil begane grond van 1,30 m boven het zomerpeil wordt met het oog op het vloerpeil van 8,45 m+NAP ruimschoots gehaald. In het kader van het planvoornemen worden de extra woningen aangesloten op de bestaande openbare drukriolering onder de Eindsestraat. De aansluiting van de 2 nieuwe woningen zal plaatsvinden via het bestaande openbare pompgemaal, via welke ook de bestaande woning Eindsestraat 32 is aangeslotenop de drukriolering. De afvoer van het afvalwater van de nieuwe woningen zal onder vrij verval naar de pompput plaatsvinden en vervolgens naar de drukriolering gepompt worden. De capaciteit van de openbare drukriolering en het pompgemaal zijn voldoende groot om het afvalwater vanaf de beide nieuwe woningen te ontvangen. Voor het planvoornemen is een afzonderlijke “Waterparagraaf woningen Eindsestraat 32 Balgoij” opgesteld. Daarin wordt per saldo geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding en omgekeerd. Het wateraspect vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Per saldo verbetert de situatie door de afname in verhard oppervlak. Digitale watertoets Het planvoornemen is op 22 augustus 2024 via de digitale watertoets aangemeld.
Dit heeft geresulteerd in de mededeling dat sprake is van een gering waterschapsbelang. Op het planvoornemen is de korte procedure van toepassing. De waterparagraaf en het digitale wateradvies zijn als bijlage bij deze motivering beschikbaar.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
41
Conclusie De locatie is vanuit het aspect water geschikt voor de nieuwe functie met drie woningen in plaats van één agrarisch bedrijf met bedrijfswoning. Over de waterparagraaf is positief advies uitgebracht door het waterschap en de gemeentelijke waterbeheerders. Daarbij zijn wel enkele aanpassingen/ aanvullingen van de plantoelichting en waterparagraaf gevraagd, met betrekking tot de verplichting tot waterberging voor al het nieuwe verharde oppervlak, de ligging van de waterberging, de drooglegging en de aansluiting op de drukriolering. De gevraagde aanpassingen en aanvullingen zijn in de toelichting en waterparagraaf verwerkt.
4.9
Ecologie
Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voorheen geldende Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: ✓ er soorten aanwezig zijn; en ✓ welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Bal wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
42
Gebiedsbescherming In het kader van de gebiedsbescherming moet getoetst worden in hoeverre het planvoornemen significante effecten heeft op natuurgebieden in de omgeving. In ieder geval moet daarbij gekeken worden naar de effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. Het projectgebied of de directe omgeving daarvan maakt geen deel uit van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied, de Rijntakken, is gelegen op een afstand van ca. 11 km of meer. Op enige afstand (circa 200 m) ten zuiden van het projectgebied het Gelders natuurnetwerk (onderdeel van het NNN) gelegen (uiterwaarden Maas). Het planvoornemen voorziet in sanering van een agrarisch bedrijfsperceel. Daarbij blijft de agrarische bedrijfswoning behouden als burgerwoning en worden twee nieuwe halfvrijstaande burgerwoningen gebouwd. De oppervlakten van de drie toekomstige woonpercelen samen zijn aanmerkelijk kleiner dan van het bestaande agrarische bouwperceel. Dit geldt evenzo voor de invloed op de omgeving. De verwachting is dan ook gerechtvaardigd dat de invloed op het Natura 2000-gebied en het NNN daardoor nihil is.
Omdat het planvoornemen daarnaast ook niet voorziet in het opstarten van activiteiten, die een grotere impact kunnen hebben op natuurgebieden in de wijdere omgeving, mag aangenomen worden dat het planvoornemen geen nadelige gevolgen heeft voor de gebiedsbescherming. Voor veel projecten geldt een vergunningsplicht (gebiedsbescherming Natura 2000) of een uitgebreidere motivatieplicht om aan te tonen dat een project geen effect heeft op Natura 2000 gebieden. Een omgevingsvergunning kan alleen verleend worden als er aangetoond is dat van de bijbehorende stikstofemissie geen effect te verwachten valt op Natura 2000 gebieden. De depositie van stikstof in het natuurgebied mag niet boven de 0,00 mol N/ha/jaar uitkomen. Dit geldt voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. In het kader van de planvorming is een projectberekening (AERIUS calculator)van de stikstofemissie gemaakt, die samenhangt met de bouw van de woningen (oprichtingsfase) en het gebruik daarvan (gebruiksfase). Uit deze berekening blijkt dat de depositie in zowel de oprichtingsfase als in de gebruiksfase niet boven de 0,00 mol N/ha/jaar uitkomt. De projectberekening is als bijlage bij deze motivering beschikbaar.
Soortenbescherming In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het projectgebied. Er mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van het Bkl geen ontheffing zal worden verleend.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
43
Quickscan flora en fauna Teneinde informatie te verkrijgen over de aanwezigheid van beschermde flora en fauna is de “Quickscan soortenbescherming Eindsestraat 32 te Balgoij” (Agrifirm NWE BV, 2024) uitgevoerd. De quickscan leidt tot navolgende resultaten en conclusies. Effecten van de ingreep Flora algemeen Er is geen bijzondere flora aangetroffen binnen het plangebied, negatieve effecten zijn uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Verstoring van algemene zoogdieren vindt mogelijk plaats. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de egel, konijn en diverse muissoorten. De verblijfsplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingreep echter niet aangetast. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen. Vleermuizen Er zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen waaruit blijkt dat de gebouwen als verblijfplaats worden gebruikt. Nader onderzoek in het kader van de soortenbescherming is niet noodzakelijk. Vogels Door de voorgenomen ingreep worden geen vogels en jaarrond beschermde nesten aangetast. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. De instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het gedrang.
Overige Omdat er geen geschikt biotoop is waargenomen voor overige beschermde soorten, zijn negatieve effecten uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Omgevingswet, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig?
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
44
Het planvoornemen en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren- of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal) blijft onverminderd van toepassing. De Quickscan soortenbescherming is als bijlage bij de motivering beschikbaar. Conclusie De locatie is qua ecologie geschikt voor de nieuwe functie met drie woningen in plaats van één agrarisch bedrijf met bedrijfswoning.
4.10 Landschap Gelderse streek Land van Maas en Waal Het projectgebied is onderdeel van de Gelderse streek Land van Maas en Waal , een landelijk rivierengebied, met voornamelijk agrarische cultuurlandschappen, gelegen tussen Waal en Maas. Dit gebied kent een klassieke opbouw van rivier, brede en smalle uiterwaarden, dijktrajecten, oude rivierarmen, fijnmazige (hoger gelegen) oeverwallen en min of meer open (lager gelegen) komgronden. Het landschap is mede gevormd door continue strijd tegen het water en de klei-, zand- en grindwinning van de laatste decennia. Daarbinnen liggen karakteristieke, kleinschalige oeverwallen met een rijke afwisseling van boomgaarden, gras- en bouwlanden, buurtschappen, dorpen en verspreide bebouwing. De beoogde ruimtelijke ingreep doet aan de kwaliteiten van dit landschap geen afbreuk. De vervanging van een kassencomplex door 2 halfvrijstaande woningen draagt beperkt bij aan de kleinschalige karakteristiek van de oeverwallen. Landschappelijke inpassing Het projectgebied is in de huidige situatie al niet meer in gebruik als agrarisch bedrijfsperceel. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn eerder al beëindigd. In de huidige situatie is rond de bestaande bedrijfswoning een tuin met enkele grotere bomen aanwezig. Deze loopt door naast het achter de woning gelegen bijbehorende bouwwerk en eindigt aan de achterzijde daarvan, bij enkele grotere bomen.
Het kassencomplex is momenteel nauwelijks of niet ingepast.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
45
Voor het complex ligt een omheind grasveld. Aan weerszijden en achter de kassen liggen eveneens grasvelden, door een omheining afgescheiden van het achterliggende grasland. In het kader van de beoogde ruimtelijke ingreep verdwijnen het kassencomplex en het daarvoor gelegen omheinde grasveld. Daarvoor in de plaats komen twee woonpercelen voor burgerwoningen terug. De bestaande woning met achterliggend bijbehorend bouwwerk blijft behouden als burgerwoning. Ten behoeve van de inpassing van de nieuwe situatie in de omgeving is een voorstel voor landschappelijke inpassing gemaakt. Onderdeel van dit landschappelijk inpassingsplan is dat de erfscheidingen in een hagenstructuur worden uitgevoerd. Aan de straatzijde van de woonpercelen betreft dit lage hagen. Deze lopen door ter plaatse van de nieuwe zijdelingse perceelsgrenzen tussen de nieuwe woonpercelen, maar kunnen daar een grotere hoogte hebben. In aanvulling op de aanwezige bomen in de voortuin bij de bestaande woning, worden bij de nieuwe woningen ook enkel bomen in de voortuinen aangeplant. De relatief diepe voortuinen (ca. 13,5 m) bieden daarvoor voldoende ruimte. Voor de nieuwe bomen wordt gekozen voor inheemse soorten als beuk, eik en/of linde. Landschappelijk inpassingsplan
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
46
Achter de nieuwe woonpercelen is in het aangrenzende grasland de aanleg van een wadi voorzien. Hierin zal het hemelwater afkomstig van de bebouwing en verharding van de nieuwe woonpercelen worden opgevangen. Bij de wadi worden eveneens enkele nieuwe bomen aangeplant. Deze liggen in lijn met de bestaande bomen achter het bijbehorende bouwwerk bij de bestaande woning. Daarmee ontstaat ten opzichte van de huidige situatie met de glazenachterwand van het kassencomplex, een minder harde overgang van het bebouwingslint naar het buitengebied. Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep heeft geen noemenswaardige invloed op de landschappelijke kwaliteiten van het omliggende buitengebied, leidt tot een minder harde overgang naar de bebouwing aan de Eindsestraat en is daarmee qua landschap aanvaardbaar.
4.11 Archeologie & cultuurhistorie Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Archeologie Uitgangspunt van de wet- en regelgeving aangaande archeologie is dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ (elders) worden bewaard. Op de Archeologische beleidskaart voor de gemeente Wijchen is de omgeving van het projectgebied aangeduid als gebied met een ‘middelmatige archeologische verwachting’.
Gelet op de middelmatige archeologische verwachting is aan het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ toegekend. Hiervoor geldt dat er bij toekomstige ontwikkelingen met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. De bouwwerkzaamheden zullen kleiner zijn dan 1.000 m², waarmee het uitvoeren van een archeologisch onderzoek ten gevolge van de voorgenomen ruimtelijke ingreep niet nodig is. De bestaande dubbelbestemming wordt overgenomen in dit plan.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
47
Cultuurhistorie In het parapluplan Cultuurhistorie van de gemeente Wijchen is het projectgebied aangemerkt als ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’. Op de bijbehorende cultuurhistorische waarderingskaart is het gebied aangeduid met de cultuurlandschappelijke waardering middelhoog. Voor de oude bebouwingslinten en de belangrijkste (historische) doorgaande wegen bestaan de cultuurhistorische waarden uit: ✓ de mate van visueel-ruimtelijke relatie met de (agrarische) percelen en het onderscheid daarin tussen de verschillende landschapstypen (open, halfopen of gesloten); ✓ de overwegend agrarische oorsprong van de bebouwing in de linten; ✓ de maat en schaal van de bebouwing; ✓ de variatie van rooilijnen en bouwmassa's langs de linten; ✓ de compactheid van de bebouwingsensembles op de afzonderlijke percelen; ✓ hoofdgebouwen die gericht zijn op de bebouwingslinten; ✓ een herkenbaar onderscheid in situering en massa tussen hoofd- en bijgebouwen. Bij de voorgenomen ruimtelijke ingreep wordt rekening gehouden met genoemde cultuurhistorische waarden. De nieuwe woningen voegen zich qua maat en schaal naar de bestaande bebouwing en de variatie van rooilijnen. De keuze voor twee halfvrijstaande woningen draagt bij aan de compactheid van de bebouwing. De hoofdgebouwen zijn daarbij gericht op het bebouwingslint.
De bijbehorende bouwwerken zijn achter de voorgevelrooilijn van de hoofdgebouwen gelegen, wat bijdraagt aan de nagestreefde herkenbaarheid. De woningen zullen qua maat en schaal evenals materiaalgebruik aansluiten op de omliggende bebouwing. De dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied' is onverminderd van toepassing in voorliggend plan. Conclusie De locatie is qua archeologie & cultuurhistorie geschikt voor de nieuwe functie met drie woningen in plaats van één agrarisch bedrijf met bedrijfswoning.
4.12 Leidingen Afstemming aanwezige leidingen In de directe omgeving van het projectgebied is onder de Eindsestraat een leiding aanwezig, die planologische beschermingen nodig heeft. Dit betreft een gastransportleiding. Aan weerszijden van deze leiding geldt een beschermingszone met een breedte van 5 m. Deze beschermingszone valt gedeeltelijk over het projectgebied. Dit betreft echter maar een strook van 4 m direct grenzend aan de Eindsestraat. De bestaande woning en de beide nieuw te bouwen woning zijn niet binnen deze strook gelegen. Daarmee brengt de aanwezigheid van deze leiding geen beperkingen voor de voorgenomen ruimtelijke ingreep met zich mee. Conclusie Er zijn geen leidingen aanwezig, die de realisering van de beoogde ruimtelijke ingreep in de weg staan.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
48
4.13 Duurzaamheid Duurzame ruimtelijke ingreep In het kader van duurzaamheid is bij de beoogde ruimtelijke ingreep sprake van: ✓ duurzaam ruimtegebruik, doordat voor de ruimtelijke ingreep geen uitbreiding van het bestaande ruimbeslag noodzakelijk is ✓ de realisering van levensloopbestendige woningen, met alle noodzakelijke voorzieningen op de begane grond ✓ de realisering van groeiwoningen, met uitbreidingsmogelijkheden binnen het bestaande woonperceel ✓ de realisering van woningen met een energielabel A of hoger ✓ de verbouw van de woningen met duurzame materialen ✓ de verbouw van de woningen met natuurinclusieve maatregelen In paragraaf 2.2 Toekomstige situatie is uitvoeriger beschreven hoe duurzaamheid met bovenstaande aspecten vorm gegeven wordt in de beoogde ruimtelijke ingreep. Conclusie De beoogede ruimtelijke ingreep is op een duurzame wijze uitvoerbaar.
4.14 Gezondheid 4.14.1 Gezondheidsrisico’s Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd. Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bloottelling heeft betrekking op de hoeveelheid ziekteverwekker, die een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
49
4.14.2 Handreiking veehouderij en volksgezondheid In en om de kern Balgoij hangen gezondheidsrisico’s met name samen met de aanwezigheid van veehouderijen. Voordat een omgevingsvergunning, activiteit milieu, verleend wordt, zijn veehouderijen getoetst aan diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aanen afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Door diverse wetten is voorgeschreven wat de maximale grenswaarden zijn waaraan een veehouderij moet voldoen. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Vooralsnog mag ervanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Varkens-en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen.
Het projectgebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Op circa 350 meter van het plangebied ligt een geitenhouderij. Er is sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Stappenplan 2.0: 1. Aan de hand van het endotoxine toetsingskader 1.0 is beoordeeld in hoeverre het planvoornemen voldoet aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en een gevoelige bestemming. Uit deze beoordeling blijkt dat de locatie Eindsestraat 32 zich niet binnen de richtafstanden van varkens-/pluimveehouderijen in de omgeving bevindt. 2. Het planvoornemen voorziet in de bouw van 2 nieuwe woningen op de locatie van een agrarisch bedrijf. Daarbij is geen sprake van een toename van de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak, die kan leiden tot een negatief effect op de volksgezondheid. 3. a. Qua geur wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, waarbij er geen sprake is van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en achtergrond). De afstand tot veehouderijen met dieren zonder emissiefactor is groter dan 100 m (in een kern). b.
De voor- en achtergrondbelasting is niet hoger dan de odour-unit waarden uit het onderzoek van Geelen et al. 4. a. Het planvoornemen betreft niet een veehouderij. Rondom het plangebied zijn in de directe omgeving geen veehouderijen gelegen. b. Niet van toepassing, zie onder 4a.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Eindsestraat 32 Balgoij - motivering
50
5. Er is geen sprake van de ontwikkeling van een nieuwe geitenhouderij, pluimveebedrijf of overige veehouderij. Het plangebied is wel gelegen binnen de straal van 2 km van een geitenhouderij (stap 5a). Het plangebied is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf (stap 5b) of binnen 250 meter van overige veehouderijen (stap 5c). 6. Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. 7. Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Advisering door de GGD wordt gelet op het gestelde onder stap 5a geadviseerd. Eerdere advisering GGD De GGD heeft in 2021 geadviseerd over een vergelijkbaar planvoornemen in de directe omgeving van dezelfde geitenhouderij. De GGD geeft aan dat uit onderzoek bij veehouderijen in Brabant en Noord-Limburg al was aangetoond dat omwonenden in de buurt van een geitenhouderij extra kans hebben op het krijgen van een longontsteking. En uit vervolgonderzoek 2019/2020 is gebleken dat deze problematiek ook in Gelderland speelt. De relatie is dus wel aangetoond, maar de specifieke oorzaak nog niet. Op basis van deze kennis en onzekerheid handhaaft de provincie Gelderland het moratorium op nieuwbouw en uitbreiding van geitenhouderijen. Veehouderijen leiden tot gezondheidsrisico’s voor omwonenden.