CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1_Motivering TAM-omgevingplan Achterloseweg 41 Leur

Raad openbaar Wijchen 27 november 2025, gemeente wijchenBij agendapunt: 127005 Beslisnota Vaststellen omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur17.879 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

32

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Kader Milieuzonering draagt er zorg voor dat nieuwe bedrijven of inrichtingen een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven en/of inrichtingen gesitueerd worden. Bedrijven kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden. Zonering, afstand houden, is een belangrijk middel om te voorkomen dat er hinder ontstaat. Ook zorgt dit ervoor dat de bestaande bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is de Handreiking “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten(VNG, 2009). Aanwezigheid bedrijven In de directe nabijheid van het projectgebied zijn enkele bedrijven gevestigd. Voor deze bedrijven is geïnventariseerd in hoeverre sprake is van een zonering conform de Handreiking “Bedrijven en zonering”, die zich uitstrekt over het projectgebied. Voor de in de directe omgeving aanwezige bedrijven mag worden uitgegaan van de navolgende indicatieve richtafstand ten opzichte van woningen in een ‘gemengd gebied’. Gelet op de hoeveelheid niet-woonfuncties (agrarische bedrijven, N326) in de omgeving van de Achterloseweg mag deze aangemerkt worden als een ‘gemengd gebied’.

Bij de bedrijven is uitgegaan van de mogelijkheden op basis van de bestemmingen. In het overzicht is naast de richtafstand ook de daadwerkelijk aanwezige afstand weergegeven. Gemengd gebied Bedrijf/inrichting Categorie Richtafstand Werkelijke afstand Agrarisch bedrijf (onkruidbestrij3.1 30 m 52 m ding en boomverzorging), Achterloseweg 37 * Agrarisch bedrijf (intensieve 4.1 100 m 103 m veehouderij), Achterloseweg 33 Agrarisch bedrijf (intensieve 4.1 100 m 220 m veehouderij), Achterloseweg 29-31 * het bedrijf op Achterloseweg 37 beschikt over een mestbassin, waarvoor een afstand geldt van 50 m tot een nieuw geurgevoelig object. Hieraan wordt met een werkelijke afstand van ruim 80 m voldaan.

De afstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die de agrarische bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van de betreffende woningen.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

33

De beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich op basis van het overzicht niet binnen de richtafstanden van de aanwezige bedrijven. Daarbij de kanttekening dat de grootste afstand bij de intensieve veehouderijen het aspect geur betreft. Uit het separaat uitgevoerde geuronderzoek is gebleken dat geurhinder niet aan de orde is (zie paragraaf 4.6). Tot slot de kanttekening dat de intensieve veehouderijen in de omgeving, nu niet (meer) als zodanig in gebruik zijn. Het betreft een voormalige nertsenhouderij en een paardenhouderij. De milieuzonering, zoals aanwezig op basis van “Bedrijven en milieuzonering”, is feitelijk nu niet aanwezig. Voor het bedrijf aan Achterloseweg 37 geldt, wanneer niet uit wordt gegaan van een ‘gemengd gebied’, maar een ‘rustige woonwijk’, een richtafstand voor het aspect geluid van 50 m. De daadwerkelijk aanwezige afstand van 52 m ligt hier dicht bij in de buurt. De richtafstand geeft een indicatie vanaf waar mogelijk rekening gehouden kan worden met geluidsoverlast op een geluidgevoelig gebouw. Een afstand van meer dan 50 meter hoeft niet uit te sluiten dat overlast ervaren kan worden. In dit soort situaties (feitelijke afstand ligt in de buurt van de richtafstand) kan alsnog een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om te beoordelen of sprake is van een gezonde woon- en leefomgeving.

Van belang daarbij is dat akoestisch gezien de bedrijfsvoering aan Achterloseweg 37 al moet voldoen aan de voorschriften uit artikel 22.63 Omgevingsplan. De splitsing van de woning behelst geen wijziging van de afstand van de bedrijfsvoering tot een geluidgevoelig object. Een akoestisch onderzoek naar de bedrijfsactiviteiten op het terrein Achterloseweg 37 is eerder al in 2014 uitgevoerd. De activiteiten aangegeven in dit akoestisch onderzoek behelzen ook het rooien van aardappelen. Er valt dus te concluderen dat (ook al worden er naast aardappelen ook nog andere gewassen geteeld) er in dit akoestische onderzoek rekening wordt gehouden met de huidige bedrijfsactiviteiten. Het akoestisch onderzoek uit 2014 is daarmee representatief voor de huidige situatie. De rekenresultaten uit dit onderzoek geven aan dat wordt voldaan aan de voorschriften uit artikel 22.63 Omgevingsplan. Dit geldt voor de bestaande woning, maar ook voor de beide woningen na splitsing. Er is sprake van een gezonde leefomgeving. Het akoestisch onderzoek bedrijfsactiviteiten is als bijlage bij de toelichting beschikbaar. Conclusie De locatie is qua bedrijven en milieuzonering geschikt voor de nieuwe functie met twee woningen in plaats van één woning. Bij de woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de woningen vormen geen belemmering voor de bedrijven in de omgeving. 4.5

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

34

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: ✓ er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ✓ het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ✓ het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 μg /m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Bron luchtverontreiniging Standaardgevallen NIBM betreffen categorieën van gevallen, die per definitie niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Daartoe behoren woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 1000 woningen omvat. In het planvoornemen is sprake van de realisering van één extra woning.

Gelet op de standaardgevallen NIBM zal het planvoornemen zeker niet in betekende mate bijdragen aan luchtvervuiling. Een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit kan achterwege blijven. Luchtkwaliteit omgeving Voor de kwaliteit van de buitenlucht bestaan verschillende soorten normen. Voor een aantal stoffen in de lucht gelden luchtkwaliteitsnormen op leefniveau (de buitenlucht). Veel van de wettelijke normen komen direct uit Europese richtlijnen. De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De geldende luchtkwaliteit nabij het projectgebied kan globaal afgeleid worden uit beschikbare informatie aan de hand van: ✓ de grenswaarde voor het jaargemiddelde van de fijnstofconcentratie PM2,5 van 25 μg/m3; ✓ de grenswaarde voor het jaargemiddelde van de concentratie van stikstofdioxide NO2 van 40 μg/m3). Uit de gegevens van de Atlas Leefomgeving is navolgende informatie af te leiden: ✓ de jaargemiddelde fijnstofconcentratie PM2,5 in 2020 bedroeg ca. 9,3 μg/m3. Deze blijft daarmee onder de norm van 25 μg/m3; ✓ de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide NO2 in 2020 bedroeg ca. 15,1 μg/m3. Deze blijft daarmee onder de norm van 40 μg/m3. Daarmee kan gesteld worden dat ter plaatse sprake is van een voldoende tot goede luchtkwaliteit.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

35

Conclusie De locatie is qua luchtkwaliteit geschikt voor de nieuwe functie met twee woningen in plaats van één woning.

4.6

Geur

Wettelijk kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Geuronderzoek Aangetoond dient te worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plekke van het projectgebied (belang geurgevoelig object). Daarnaast dient gekeken te worden of de extra woning beperkingen in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen veehouderijen geeft (belangen veehouderijen en derden). Daartoe is een geuronderzoek uitgevoerd.

In dit “Geuronderzoek voor de realisatie van een woningsplitsing op locatie Achterloseweg 41 te Wijchen” (G&O consult, 2024) worden de volgende conclusies getrokken: ✓ op de woning aan de Achterloseweg 41 te Wijchen wordt, met een voorgrondbelasting die maximaal 4,3 ouE/m3 bedraagt, overal voldaan aan de norm van 8,0 ouE/m3; ✓ op basis van de berekende voorgrondbelasting vanuit Achterloseweg 33 op de toetspunten van de woning aan de Achterloseweg 41 te Wijchen kan een ‘matig’ woon- en leefklimaat worden gegarandeerd; ✓ op basis van de berekende achtergrondbelasting vanuit 8 veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer (maximaal 4,6 ouE/m3) op de toetspunten van de woning aan de Achterloseweg 41 te Wijchen kan een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat worden gegarandeerd; ✓ aan de vaste afstanden vanuit de meest dichtbij gelegen veehouderij tot aan de locatie Achterloseweg 41 te Wijchen en aan de gevel-gevel afstand wordt voldaan; ✓ gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van de Achterloseweg 41 te Wijchen niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden. Bij de conclusie de volgende kanttekening. Door de splitsing van de woning wordt het waarschijnlijker dat één of beide woningen in de toekomst uitgebouwd worden.

Bij een uitbouw kan de afstand tot (het bouwvlak van) Achterloseweg 37 minder dan 50 meter bedragen. Het is onwaarschijnlijk dat hier een veehouderij gevestigd gaat worden, maar het is wel toegestaan volgens het Omgevingsplan.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

36

Ook het huidige bedrijf wordt iets beperkt bij een uitgebouwde woning, omdat het (akoestisch) toetspunt bij de verwachte uitbouw dichter bij het bedrijf komt te liggen. Echter het uitbouwen van de woning is ook in de bestaande situatie al toegestaan. Alleen de kans dat dit ook daadwerkelijk zal gebeuren wordt iets groter door de splitsing. Het geuronderzoek is als bijlage bij de toelichting beschikbaar. Conclusie De locatie is qua geur geschikt voor de nieuwe functie met twee woningen in plaats van één woning.

4.7

Externe veiligheid

Wettelijk kader

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ✓ activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); ✓ het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); ✓ buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; ✓ windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.

Externe veiligheid Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Om de risico's bij een mogelijke calamiteit te beperken dient er bij nieuwbouw een fysieke afstand te worden gehouden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een risicobron bevindt, overlijdt door een ongeval met de risicobron. Het PR is daarmee de risicomaat om het beschermingsniveau voor de individuele burger uit te drukken. Het toetsingscriterium is in veel gevallen een PR van 10-6. PR wordt inzichtelijk gemaakt door vaste contouren rondom een risicobron.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

37

Het groepsrisico (GR) geeft aan wat de kans is op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde risicobron. Voor het GR geldt geen harde norm, maar een oriëntatiewaarde. De effecten van de ontwikkeling worden in een curve weergegeven en vergeleken met de curve van de oriëntatiewaarde. Bij overschrijding van de oriëntatiewaarde of een significante toename van het groepsrisico moet het bevoegd gezag het groepsrisico betrekken bij de vaststelling van het besluit. Voor deze groepsrisico verantwoording is de hoogte van het groepsrisico of de toename ervan onderdeel van de afweging. Daarnaast worden factoren meegenomen als mogelijkheden van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen. Daarvoor wordt door het bevoegd gezag advies gevraagd aan de brandweer. Bij overschrijding van de oriëntatiewaarde of een significante toename van het groepsrisico moet het bevoegd gezag het groepsrisico betrekken bij de vaststelling van het besluit. Voor deze groepsrisico verantwoording is de hoogte van het groepsrisico of de toename ervan onderdeel van de afweging. Daarnaast worden factoren meegenomen als mogelijkheden van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen. Daarvoor wordt door het bevoegd gezag advies gevraagd aan de brandweer.

Register Externe Veiligheidsrisico’s Uit het Register Externe Veiligheidsrisico’s blijkt dat in de omgeving van het projectgebied geen sprake is van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen. Wel is een tweetal transportassen, in de vorm van twee hogedruk aardgastransportleidingen, op korte afstand van de te splitsen woning gelegen. Deze beide leidingen liggen op een afstand van circa 240 m ten zuiden van de woning. De risicocontouren (1%-letaliteitscontouren) van deze leidingen reiken tot over het projectgebied. 1%-letaliteitsgrens bij hogedrukaardgastransportleidingen Leiding Diameter in inches Afstand in m bij 6620 kPa A-533 48 540 A-524 48 540 Het projectgebied is niet gelegen binnen de 100%-letaliteitsgrens van deze leidingen van 210 m. Beleidsvisie Wijchen externe veiligheid Door de gemeente Wijchen is in 2016 de “Beleidsvisie Externe Veiligheid” vastgesteld. In deze beleidsvisie is onder meer vastgelegd op welke wijze het groepsrisico verantwoord moet worden. Daarbij geldt hoe dichter bij de risicobron en hoe kwetsbaarder het object, hoe zwaarder de verantwoordingsplicht wordt ingevuld. Op basis van de beleidsvisie is het projectgebied gelegen binnen de ‘zonering hogedruk aardgastransportleidingen’ en de ‘zonering provinciale en gemeentelijke wegen’ (A326).

Gelet op de ligging binnen de 1%-letaliteitsgrens rond de leidingen is een lichte verantwoording van het groepsrisico aan de orde.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

38

Lichte verantwoording groepsrisico Inleiding Het projectgebied en de geprojecteerde ontwikkeling bevindt zich op een afstand van circa 240 m van een risicobron (hogedrukaard gastransportleidingen), binnen de 1%-letaliteitsgrens. Om deze reden wordt conform de Beleidsvisie externe veiligheid een lichte verantwoording toegepast. Nut en noodzaak Voor een beschrijving van het nut en de noodzaak van de woningsplitsing wordt verwezen naar de hoofdstukken 1 en 3 van deze toelichting. Nut en noodzaak zijn daarin voldoende omschreven. Bronmaatregelen Het treffen van bronmaatregelen is in het kader van het planvoornemen niet doelmatig. De kosten van het verleggen van de leidingen of het afschermen/ afdekken van de leidingen staan niet in verhouding tot de realisering van één extra woning door de splitsing van een bestaande woning. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze afstand tot de risicobron geen item. Op deze afstand heeft een toename van de personendichtheid met één enkel huishouden in een relatief kleine woningen (toename 1-3 personen) geen invloed op het groepsrisico. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. Ruimtelijke maatregelen Het projectgebied is gelegen aan de Achterloseweg.

Deze weg ligt haaks op de beide aardgastransportleidingen en biedt daarmee de mogelijkheid om in geval van een calamiteit direct als vluchtweg vanaf de leidingen te fungeren. Op de bestrijdbaarheid van een eventuele calamiteit heeft het planvoornemen geen invloed. De ruimtelijke situatie verandert door het planvoornemen niet. Bovendien speelt het bestrijdbaarheid vraagstuk op deze afstand van de risicobron niet. Bestrijding vindt plaats bij de bron. Gelet op de beperkte impact van de realisering van een extra woning van beperkte omvang binnen bestaande bebouwing, zijn verdere optimaliseringopties (in en buiten plan) niet aan de orde. Objectgerelateerde maatregelen In de bestaande situatie heeft het gebouw reeds een woonfunctie. Objectgerelateerde maatregelen zijn daarbij in het kader van externe veiligheid niet noodzakelijk gebleken. Nu de bebouwde situatie door het planvoornemen niet wijzigt (er is slechts sprake van een interne splitsing en verbouwing) en de hoofdtoegang tot de bebouwing gesitueerd blijft aan de van de leidingen afgekeerde zijde van de bebouwing (voor beide na de splitsing aanwezige woningen) is het nemen van objectgerelateerde maatregelen niet aan de orde.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

39

Zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid In geval van een calamiteit moeten personen kunnen schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Dit is echter niet af te dwingen in een ruimtelijke procedure. Bij de splitsing van de woning en de daarvoor noodzakelijke verbouwing zal hieraan wel aandacht gegeven worden. Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van NL-Alert en het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het grondgebied van de gemeente Wijchen valt grotendeels binnen de dekking van de sirenepalen. Op de bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval is het planvoornemen niet van invloed. De ruimtelijke situatie ter plaatse en daarmee de bereikbaarheid blijft ongewijzigd. Advies veiligheidsregio Over de verantwoording van het groepsrisico is advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ). De VRGZ komt tot navolgende beoordeling.

Externe Veiligheid In de nabijheid van de planlocatie liggen twee hogedruk aardgastransportleidingen, te weten de A524 en A533 (beide 48 inch en 66 bar, bron: Risicoregister Gevaarlijke Stoffen/Risicokaart, EV-signaleringskaart, scenarioboek Externe Veiligheid). Hiermee is dit aspect relevant voor de beoogde wijziging. Het projectgebied ligt binnen de 1% letaliteitszones van beide leidingen. De Omgevingsdienst Regio Nijmegen kan een standaardtekstparagraaf toepassen voor het verantwoorden van het groepsrisico inzake het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten De bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten is goed. De VRGZ heeft geen nadere opmerkingen ten aanzien van dat aspect. Bluswatervoorziening Binnen 40 meter van het bouwwerk ligt een ondergrondse brandkraan. Het initiatief voldoet aan het Bouwbesluit 2012 Artikel 6.30. Conclusie De VRGZ heeft geconstateerd dat het aspect externe veiligheid relevant is voor het bestemmingsplan, vanwege de ligging van het projectgebied ten opzichte van de hogedruk aardgastransportleidingen. Om het groepsrisico te verantwoorden wordt geadviseerd contact op te nemen met de Omgevingsdienst Regio Nijmegen. Op basis van dit advies is in deze paragraaf Externe veiligheid de ‘Lichte verantwoording groepsrisico’ opgenomen.

Conclusie De locatie is qua externe veiligheid geschikt voor de nieuwe functie met twee woningen in plaats van één woning.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

40

4.8

Waterparagraaf

Watertoets Water vormt een steeds belangrijker aspect bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Belangrijke thema's zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om in de toelichting bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Waterparagraaf De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de splitsing van een bestaande vrijstaande woning in twee halfvrijstaande woningen. De hoeveelheid bebouwing blijft daarbij ongewijzigd. Door interne verbouwingen wordt de bestaande woning gesplitst en geschikt gemaakt voor het gebruik als twee woningen. Voor de bereikbaarheid van de woningen blijft de bestaande oprit gebruikt worden. Ten behoeve van het realiseren van voldoende parkeerplaatsen en van terrassen bij beide woningen neemt de hoeveelheid erfverharding toe met circa 60 m². De rondom de woningen gelegen gronden blijven verder als onbebouwd erf en tuin in gebruik.

De voorgestane ontwikkeling brengt een beperkte vergroting van het verhard oppervlak met zich mee. Deze toename bedraagt circa 60 m². Voor het planvoornemen is een afzonderlijke “Waterparagraaf woningen Achterloseweg 41 Leur” opgesteld. Daarin wordt onder meer geconcludeerd dat met de voorgenomen ontwikkeling het aantal vierkante meters verhard oppervlak slechts beperkt (minder dan 1500 m² in het buitengebied) toeneemt. Het realiseren van watercompensatie is daardoor voor het waterschap niet aan de orde. Echter de gemeente kent in tegenstelling tot het waterschap geen vrijstelling onder de grens van 1.500 m² en eist wel bergingscompensatie bij nieuwe verharding. Bij een extra oppervlak van 60 m² moet, uitgaande van een bergingseis van 664 m3/ha verhard oppervlak, een berging van 4 m3 worden aangelegd. De omliggende tuin biedt voldoende ruimte en mogelijkheden om 4 m3 aan water te bergen en infiltreren. Het projectgebied raakt geen ruimtelijk begrensde waterbelangen van het waterschap. Gezien de terreinhoogte en grondwaterstanden wordt in de huidige en daarmee ook in de toekomstige situatie voldaan aan de ontwateringseisen. Hemelwater wordt op eigen terrein bewerkt en niet afgevoerd naar riolering en/of oppervlaktewatersysteem, waardoor de noodzaak voor compenserende waterberging komt te vervallen.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

41

Het projectgebied kan voor wat betreft het afvalwater op de bestaande openbare riolering onder de Achterloseweg worden aangesloten. Voor de aansluiting wordt gebruik gemaakt van de bestaande afvoerleiding van de bestaande woning Achterloseweg 41 naar de pompput van de openbare drukriolering, in de voortuin van Achterloseweg 41A. Een deel van deze afvoerleiding ligt op het buurperceel Achterloseweg 41A. Hiervoor is in het verleden waarschijnlijk een zakelijk recht gevestigd. Nu er een splitsing van het pand en dus ook het eigendom plaatsvindt, zal het zakelijk recht worden uitgebreid. Enerzijds tussen de eigenaren van de te splitsen woning Achterloseweg 41 (gezamenlijke afvoerleiding op eigen terrein) en anderzijds tussen de nieuwe eigenaar van de afgesplitste woning Achterloseweg 41 en de eigenaar van Achterloseweg 41A (gezamenlijke afvoerleiding op het perceel Achterloseweg 41A). Het plan heeft gelet op voorgaande geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding en omgekeerd. Digitale watertoets Het planvoornemen is op 31 mei 2023 via de digitale watertoets aangemeld. Dit heeft geresulteerd in de mededeling dat sprake is van een gering waterschapsbelang. Op het planvoornemen is de korte procedure van toepassing. De waterparagraaf en het digitale wateradvies zijn als bijlage bij de toelichting beschikbaar.

Conclusie De locatie is vanuit het aspect water geschikt voor de nieuwe functie met twee woningen in plaats van één woning.

4.9

Ecologie

Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

42

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: ✓ er soorten aanwezig zijn; en ✓ welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Bal wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Gebiedsbescherming In het kader van de gebiedsbescherming moet getoetst worden in hoeverre het planvoornemen significante effecten heeft op natuurgebieden in de omgeving.

In ieder geval moet daarbij gekeken worden naar de effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. Het projectgebied of de directe omgeving daarvan maakt geen deel uit van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied, de Rijntakken, is gelegen op een afstand van ca. 7,5 km of meer. Direct grenzend aan het projectgebied is aan de noordzijde wel het Gelders natuurnetwerk (onderdeel van het NNN) gelegen (Leurse bos). Het planvoornemen voorziet niet in uitbreiding van het woonperceel of van de daarop aanwezige bebouwing. De invloed op het aangrenzende NNN is daardoor nihil. Omdat het planvoornemen daarnaast ook niet voorziet in het opstarten van activiteiten, die een grotere impact kunnen hebben op natuurgebieden in de wijdere omgeving (een vrijstaande burgerwoning wordt vervangen door twee halfvrijstaande burgerwoningen binnen hetzelfde ruimtebeslag), mag aangenomen worden dat het planvoornemen geen nadelige gevolgen heeft voor de gebiedsbescherming. Voor veel projecten geldt een vergunningsplicht (gebiedsbescherming Natura 2000) of een uitgebreidere motivatieplicht om aan te tonen dat een project geen effect heeft op Natura 2000 gebieden. Een omgevingsvergunning kan alleen verleend worden als er aangetoond is dat van de bijbehorende stikstofemissie geen effect te verwachten valt op Natura 2000 gebieden.

De depositie van stikstof in het natuurgebied mag niet boven de 0,00 mol N/ha/jaar uitkomen. Dit geldt voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

43

Het planvoornemen betreft de splitsing van een vrijstaande burgerwoning in twee halfvrijstaande burgerwoningen. Doordat voor de splitsing enkel een interne verbouwing noodzakelijk is, waarbij geen zwaardere machines en transportmiddelen gebruikt hoeven te worden, is de verwachting gerechtvaardigd dat de depositie van stikstof tijdens de aanlegfase niet boven de 0,00mol N/ha/jaar zal uitkomen. In de gebruiksfase is niet langer sprake van een grote vrijstaande woning, maar van twee kleinere halfvrijstaande woningen. De totale inhoud van de bebouwing blijft daarbij gelijk. In verband met het gebruik van de bebouwing door twee huishoudens zal het autogebruik toenemen. Deze toename bij één extra woning bedraagt 8 verkeersbewegingen per dag. Op basis hiervan is de verwachting gerechtvaardigd dat de depositie ook in de gebruiksfase niet boven de 0,00mol N/ha/jaar zal uitkomen. Soortenbescherming In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het projectgebied. Er mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van het Bkl geen ontheffing zal worden verleend.

Quickscan flora en fauna Teneinde informatie te verkrijgen over de aanwezigheid van beschermde flora en fauna is de “QuickScan flora en fauna Achterloseweg 41, Leur” (BNL Advies, 2023) uitgevoerd. De quickscan leidt tot navolgende conclusies en aanbevelingen. 1 Soorten Vogelrichtlijn 1.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten De kavel en te splitsen woning zijn niet geschikt bevonden voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten en nestplaatsen zoals de gierzwaluw, huismus, steen- en kerkuil. Naderonderzoek naar het voorkomen en gebied gebruiksfuncties van deze soorten wordt niet nodig geacht. Binnen en rondom het projectgebied zijn tijdens het veldbezoek geen jaarrond beschermde nesten- of sporen van boombewonende broedvogels waargenomen. Op basis hiervan kunnen soorten als boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil en wespendief worden uitgesloten van aanwezigheid en wordt nader onderzoek naar overige soorten met jaarrond beschermde nesten niet nodig geacht. 1.2 Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het projectgebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten zoals de koolmees, pimpelmees in nestkasten.

Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

44

Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het projectgebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle uit te voeren op aanwezige nesten. Wanneer bewoonde nesten aanwezig zijn, dan dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden, tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. 1.3 Algemene broedvogels Het projectgebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in bomen en struiken welke aanwezig zijn binnen- en nabij het projectgebied.

Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle uit te voeren op aanwezige nesten. Wanneer bewoonde nesten aanwezig zijn, dan dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden, tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. 2 Soorten Habitatrichtlijn 2.1 Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt dan ook niet nodig geacht. 2.2 Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het projectgebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikt habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. 2.3 Nationaal beschermde soorten In het projectgebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Wel is het belangrijk, wanneer mogelijk, zoveel mogelijk bomen en beplantingen op erfgrenzen te behouden, en/ of te versterken d.m.v. een erfbeplantingsplan.

Dit gezien het grootschalig verdwijnen van bomen en beplantingen in de directe omgeving van het projectgebied.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

45

Het projectgebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Gelderland een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effecten op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. 3 Aanbevelingen/natuur-inclusief bouwen Door niet alleen te kijken naar ‘wat er niet is’, is het juist belangrijk om te kijken naar mogelijkheden voor flora en fauna voor- en na de verbouwing van de woning op de kavel. Er zijn altijd mogelijkheden om (nieuwe)soorten een kans te geven zich te vestigen of in stand te houden in het gebied door kleine aanpassingen. Zo kun je denken aan het ophangen van nestkasten voor onder andere huismussen, maar ook voor mezen, en andere soorten is van alles te verkrijgen. Om vleermuizen een mogelijkheid te bieden zich te vestigen/ in stand te houden in het gebied kunnen vleermuiskasten opgehangen worden tegen de westgevel van de nieuwe woning, of er kunnen speciale ‘vleermuispannen’ aangebracht worden. Er zijn speciale vleermuiskasten te koop.

Voor de vleermuizen kunnen ook ruimtes open gelaten worden in de overstek welke toegang bieden tot de spouw, zodat ze zich in de spouw kunnen schuilhouden en voortplanten. Het is ook mogelijk nestkasten voor huismussen en vleermuizen in te metselen in de spouw. Dit heeft geen negatief effect op de isolatiewaarde maar wel een positief effect op de aanwezige soorten in de omgeving. Ook kan ervoor gezorgd worden dat vogels (waaronder huismussen) zich onder de dakpannen kunnen vestigen, door vogelschroot weg te laten, of pas te plaatsen onder de 3e rij dakpannen. Alles wat hierboven benoemd wordt is geen verplichting of iets wat opgelegd wordt, maar dit zou voor de vogels en vleermuizen in het gebied een welkome verandering zijn en voor ons als mens een kleine moeite. 4 Conclusie Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, hoeft geen aanvullend flora- of faunaonderzoek uitgevoerd te worden voorafgaand aan de geplande werkzaamheden. Belangrijk is om de aanbevelingen mee te nemen in het ontwerp van de woning. Dit zou voor (beschermde) soorten in de directe omgeving een welkome aanvulling zijn. Tijdens de werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden.

Om te komen tot een natuurinclusieve uitvoering van de plannen zal zoveel als mogelijk rekening worden gehouden met de aanbevelingen zoals hiervoor onder 3. genoemd. Gelet op de natuurlijke omgeving (Leurse bos) en aanwezige vleermuizen wordt er ook naar gestreefd om permanente verlichting zoveel mogelijk te minimaliseren, door deze enkel naar beneden te laten schijnen en niet naar boven.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

46

De Quickscan flora en fauna is als bijlage bij de toelichting beschikbaar. Conclusie De locatie is qua ecologie geschikt voor de nieuwe functie met twee woningen in plaats van één woning.

4.10 Landschap Landschappelijke inpassing Het projectgebied is in de huidige situatie al in gebruik als woonperceel. De beoogde ruimtelijke ingreep brengt hierin maar beperkt verandering. Het woonperceel en de daarop aanwezige woning worden gesplitst in twee woonpercelen en twee halfvrijstaande woningen. Het totale ruimtebeslag van de woonpercelen blijft daarbij ongewijzigd. Doordat in de huidige situatie al sprake is van een goede landschappelijke inpassing, is slechts een beperkte landschappelijke inpassing onderdeel van de ruimtelijke ingreep. De verschijningsvorm van het projectgebied en de uitstraling daarvan op het omliggende landschap zal hierdoor niet of nauwelijks veranderen. Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep heeft geen noemenswaardige invloed op de landschappelijke kwaliteiten van het omliggende buitengebied en is daarmee qua landschap aanvaardbaar.

4.11 Archeologie & cultuurhistorie Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Archeologie Uitgangspunt van de wet- en regelgeving aangaande archeologie is dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ (elders) worden bewaard.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

47

Op de Archeologische beleidskaart voor de gemeente Wijchen is de omgeving van het projectgebied aangeduid als gebied met een ‘hoge archeologische verwachting’. Gelet op de hoge archeologische verwachting is aan het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toegekend. Hiervoor geldt dat er bij toekomstige ontwikkelingen met een oppervlakte groter dan 120 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. De uitbreiding van het verhard oppervlak ten gevolge van het planvoornemen is ten opzichte van de bestaande situatie zeer beperkt. Het planvoornemen wordt uitgevoerd binnen de bestaande bebouwing. De uitbreiding van de verharding betreft circa 60 m² (extra parkeerplaats en terras). Daarmee blijft de ontwikkeling beneden de grens van 120 m² en kan in het kader van het planvoornemen van archeologisch onderzoek worden afgezien. Cultuurhistorie In het cultuurhistorische beleid van de provincie Gelderland ‘Belvoir’ is Gelderland ingedeeld in tien Belvoirgebieden. Ieder gebied heeft zijn eigen regionale cultuurhistorische identiteiten. De dragers van deze identiteiten zijn de DNA structuren. De kaart ‘Het Gelders DNA’ geeft voor de verschillende Belvoirgebieden de cultuurhistorische identiteitsdragers weer. De provincie zet zich in om dit DNA te behouden, versterken en te ontwikkelen.

Leur en omgeving zijn onderdeel van het Belvoirgebied Rivierterrassengebied. Dit betreft de oude ontginningen op de hogere plateaus. Het planvoornemen zonder ruimtelijke impact, is hierop niet van invloed. Op de kaart ‘Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’ is in de directe omgeving van het projectgebied de Achterloseweg aangeduid als historische geografische eenheid. Het planvoornemen is niet van invloed op het tracé en de vormgeving van de Achterloseweg. Daarnaast is aangeduid als historische geografische eenheid het Leurse Bos. Dit betreft een oud bos op een hoger plateau. Het planvoornemen is niet van invloed op het Leurse Bos. Het projectgebied heeft conform de “Inventarisatiekaart van cultuurlandschappen, landschapselementen en bouwkunst” (RAAP-rapport 3040, kaartbijlage 1) een middelhoge cultuurlandschappelijke waardering. Specifieke cultuurhistorische landschapselementen zijn binnen het projectgebied niet aanwezig. In de directe omgeving zijn wel diverse historische landschapselementen aanwezig. Op het projectgebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevol gebied’ van toepassing.

De hieronder vallende cultuurhistorisch waardevolle gebieden betreffen de gebieden die zijn opgenomen in de Cultuurhistorische waarderingskaart uit de intergemeentelijke beleidsnota “Samen in verscheidenheid” en daarin zijn aangeduid als cultuurlandschappelijke waardering zeer hoog, hoog en middelhoog. De cultuurhistorische waarden van deze gebieden bestaan uit: ✓ de mate van visueel-ruimtelijke relatie met de (agrarische) percelen en het onderscheid daarin tussen de verschillende landschapstypen (open, half-open of gesloten); ✓ de overwegend agrarische oorsprong van de bebouwing in de linten; ✓ de maat en schaal van de bebouwing; ✓ de variatie van rooilijnen en bouwmassa's langs de linten;

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

48

✓ ✓ ✓

de compactheid van de bebouwingsensembles op de afzonderlijke percelen; hoofdgebouwen die gericht zijn op de bebouwingslinten; een herkenbaar onderscheid in situering en massa tussen hoofd- en bijgebouwen.

Doordat de beoogde ruimtelijke ingreep betreft de splitsing van een bestaande vrijstaande woning in twee halfvrijstaande woningen, waarbij de bebouwings- en verschijningsvorm niet of nauwelijks veranderen, is het planvoornemen niet noemenswaard van invloed op genoemde cultuurhistorische waarden. Conclusie De locatie is qua archeologie & cultuurhistorie geschikt voor de nieuwe functie met twee woningen in plaats van één woning.

4.12 Leidingen Afstemming aanwezige leidingen In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen leidingen aanwezig, die planologische beschermingen nodig hebben of beperkingen voor de voorgestane ruimtelijke ingreep met zich meebrengen. Op iets grotere afstand zijn ten zuiden twee hogedruk aardgastransportleidingen gelegen. In de paragraaf Externe veiligheid is al stil gestaan bij de eventuele beperkingen, die deze leidingen aan ontwikkelingen in de omgeving met zich meebrengen. Daarbij is geconcludeerd dat de aanwezigheid van beide leidingen de beoogde ruimtelijke ontwikkeling niet in de weg staat. Conclusie Er zijn geen leidingen aanwezig, die de realisering van de beoogde ruimtelijke ingreep in de weg staan.

4.13 Duurzaamheid Duurzame ruimtelijke ingreep In het kader van duurzaamheid is bij de beoogde ruimtelijke ingreep sprake van: ✓ duurzaam ruimtegebruik, doordat voor de ruimtelijke ingreep geen uitbreiding van het bestaande ruimbeslag noodzakelijk is ✓ de realisering van levensloopbestendige woningen, met alle noodzakelijke voorzieningen op de begane grond ✓ de realisering van woningen met een energielabel A of hoger ✓ de verbouw van de woningen met duurzame materialen ✓ de verbouw van de woningen met natuurinclusieve maatregelen In paragraaf 2.2 Toekomstige situatie is uitvoeriger beschreven hoe duurzaamheid met bovenstaande aspecten vorm gegeven wordt in de beoogde ruimtelijke ingreep. Conclusie De beoogede ruimtelijke ingreep is op een duurzame wijze uitvoerbaar.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

49

4.14 Gezondheid Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd. Uit deze motiveringen blijkt dat het project geen gezondheidsrisico’s voor de omgeving met zich meebrengt en andersom dat die omgeving een goede gezondheidssituatie binnen het projectgebied niet in de weg staat. Gezondheidsrisico’s Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bloottelling heeft betrekking op de hoeveelheid ziekteverwekker, die een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv.

diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. In en om de kern Leur hangen gezondheidsrisico’s met name samen met de aanwezigheid van veehouderijen. Voordat een omgevingsvergunning, activiteit milieu, verleend wordt, zijn veehouderijen getoetst aan diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Door diverse wetten is voorgeschreven wat de maximale grenswaarden zijn waaraan een veehouderij moet voldoen. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Vooralsnog mag ervanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

50

Varkens-en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het projectgebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van het projectgebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Er is geen sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Spuitzone gewasbescherming Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet ter beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening ook rekening gehouden worden met eventuele spuitzones ten gevolge van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Er zijn echter geen wettelijke bepalingen inzake minimaal aan te houden afstanden tussen de gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen gevoelige objecten. In het kader van het planvoornemen moet de aan te houden afstand tussen de gronden waarop de gewassen worden geteeld en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen worden dat een aanvaardbaar leefklimaat ter plaatse aanwezig zal zijn.

Door het planvoornemen treedt geen wijziging op in de afstand van de woonbebouwing en het bijbehorende woonperceel tot omliggende agrarische gronden. De situatie met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verandert niet. Het planvoornemen brengt geen beperkingen met zich mee in de vorm van noodzakelijke extra spuitzones over de omringende agrarische gronden. Teneinde te bepalen of sprake is van gezondheidsrisico’s tengevolge van de woningsplitsing is het onderzoek “Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen” (Adromi Groep, 2025) uitgevoerd. Daarin wordt als volgt geconcludeerd: ✓ Ten noorden en oosten van het plangebied bevinden zich agrarische gronden op een afstand van minimaal 40 meter, waarbij sprake is van tussengelegen percelen met bebouwing en vegetatie. Op basis van deze grote onderlinge afstand behoeven er geen (voorzorg)maatregelen te worden toegepast vanwege deze gronden. Eventuele druppeldrift is op deze afstand allang uit de lucht gevallen onder invloed van de zwaartekracht, terwijl dampdrift en aerosoldrift evenmin relevant is op deze grote afstand, waarbij ook geen proportionele maatregelen mogelijk zijn om deze drift te verdunnen of tegen te houden. ✓ Voor de gronden ten zuiden en westen van het plangebied kan gekeken worden naar bestaande beperkingen en (bron)maatregelen.

In overleg met de betrokken agrariërs kan worden gekozen voor toepassing van bovenwettelijke driftreductie als voorzorgmaatregel. Indien er aanvullende bronmaatregelen worden toegepast, dus een hogere driftreductie dan 75% wordt gerealiseerd, is voldoende invulling gegeven aan het voorzorgbeginsel.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

51

✓ Indien toepassing van bovenwettelijke driftreductie niet tot de mogelijkheden behoort, kan worden gekozen voor afscherming op eigen terrein. Zoals hierboven beschreven, is er wetenschappelijke onzekerheid waarvoor geadviseerd wordt om aanvullende (voorzorgs)maatregelen in de vorm van concrete afscherming door te voeren. ✓ In onderhavige ontwikkeling gaat het hierbij om het afgesplitste deel van het plangebied. In feite betreft dit namelijk het terreingedeelte waar de verandering zal plaatsvinden. Met oog op dit deel van het plangebied en in lijn met de maximale planologische invulling van bomenteelt tot een hoogte van 2,5 meter wordt rekening gehouden met een afschermende haag van 3 meter hoog (0,5 meter extra hoogte – overhoogte – om te voorkomen dat drift over de haag heen kan verspreiden). ✓ Voor de actuele, laagblijvende teelten kan worden volstaan met een afscherming van 2 meter hoogte (namelijk een teelthoogte van 1,5 meter met een overhoogte van 0,5 meter). Er kan zo nodig dus een meegroeiende afscherming worden gerealiseerd die meegroeit met teelten op de relevante, omliggende percelen. Bij ongewijzigde teelten (eenjarige, laagblijvende teelten) kan worden volstaan met een lagere afscherming. Zo op enig moment in de toekomst sprake zijn van aanplant van opgaande teelten, dan kunnen de maatregelen daarop worden aangepast.

✓ De afschermende haag dient 90% bladdichtheid te bieden om druppeldrift effectief af te vangen. Een haag met een breedte van 1-1,5 meter biedt veelal een dergelijke bladdichtheid. Qua soorten kan hierbij worden gedacht aan bijvoorbeeld haagbeuk, liguster, hazelaar, meidoorn en dergelijke. ✓ Er dient een lengte te worden aangehouden van de breedte van het gewijzigde plangebied plus een overlengte van tenminste 12,5 meter om te voorkomen dat drift zich om een afscherming heen zou verplaatsen. ✓ Het is niet uitgesloten dat ook spuithandelingen zullen plaatsvinden voordat een haag volledig in blad staat of voordat een meegroeiafscherming op de juiste hoogte is. Hiervoor behoeft geen bladhoudende afscherming te worden ontworpen. Met oog op de laagblijvende teelten kan worden voorzien in tijdelijke afscherming in de vorm van bijvoorbeeld Suzuki-fruitvlieggaas zoals beschreven op de DRT-lijst. ✓ Er zijn enkele alternatieve maatregelen mogelijk. Binnen eigen terrein, zijn dit: - De overlengte realiseren op de grens tussen de twee (afgesplitste) woonfuncties; - Een gebruikersbeperking realiseren in de tuin van de afgesplitste woning, waar regulier menselijk verblijf wordt uitgesloten. Dit geldt voor 12,5 meter gerekend vanaf de perceelsgrens.

✓ Een alternatieve maatregel die geen gevolgen heeft binnen het terrein (dus geen afscherming of gebruikersbeperking) is een overeenkomst met de eigenaar en/of gebruiker van het agrarische perceel die óf aanvullende driftreductie omvat (om de spuitzone te verkleinen, al dan niet in combinatie met een gebruikersbeperking over een kleinere afstand) óf een agrarisch gebruik zonder de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. ✓ Op deze wijze kan het risico op nadelige gezondheidseffecten vanwege blootstelling aan drift zo klein mogelijk worden gemaakt. Hiermee kan ook invulling worden gegeven aan paragraaf 1.1, waarbij de gezondheid wordt beschermd en hierdoor ook verdergaande mogelijke beperkingen bij de agrarische exploitatie van gronden wordt voorkomen.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

52

Op basis van bovenstaande wordt ervoor gekozen een haag van voldoende overhoogte, overlengte en breedte en met een voldoende dichtheid aan te leggen tussen het woonperceel van de af te splitsen woning en het aangrenzende agrarische perceel. Daarvoor zal de bestaande haag worden benut. De hoogte, lengte en breedte van deze haag worden zodanig aangepast, dat de vereiste afscherming wordt bereikt. Daarnaast wordt een gebruikersbeperking over het achterste gedeelte van het woonperceel (12,5 gemeten vanuit perceelsgrens). Het onderzoek gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen is als bijlage bij de toelichting beschikbaar. Magneetvelden bovengrondse hoogspanningslijnen In 2005 heeft de Staatssecretaris van VROM een beleidsadvies voor bovengrondse hoogspanninglijnen geformuleerd. Bij de vaststelling van bestemmingsplannen wordt geadviseerd om zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone).

Bovenstaande betekent dat er geen gevoelige bestemmingen (voor hoogspanninglijnen zijn dit woningen en scholen, crèches en kinderopvang) waar langdurig verbleven wordt (tenminste 14-18 uur per dag gedurende minimaal één jaar) opgericht mogen worden binnen de magneetveldzone van 0,4 microtesla. De magneetveldzone is de strook grond die zich aan beide zijden langs de hoogspanningslijn uitstrekt en waarbinnen het magneetveld gemiddeld over een jaar hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden. Het magneetveld rond een hoogspanningslijn is afhankelijk van een aantal eigenschappen van de lijn. Een belangrijke bepalende eigenschap is de capaciteit van de lijn. Deze wordt op zijn beurt weer bepaald door het spanningsniveau van de lijn en de stroomsterkte die door de lijn kan lopen. Ten zuiden van de kern Wijchen is de bovengrondse hoogspanningslijn DodewaardBoxmeer (380 kV) aanwezig. Rond deze hoogspanningslijn gelden een zakelijk rechtstrook en een indicatieve zone. De in het bestemmingsplan Buitengebied Wijchen vastgelegde zakelijk rechtstrook bedraagt 35 m aan weerszijde van de hoogspanningslijn, dus een totale strook van 70 m. In principe moet deze strook worden vrijgehouden. Het projectgebied ligt op ruime afstand (meer dan 2 km) van de hoogspanningslijn. De zakelijk rechtstrook vormt geen beperking.

De indicatieve magneetveldzone voor deze hoogspanningslijn is 105 m aan weerszijde van de lijn. Aangezien het projectgebied niet is gelegen binnen deze zone, zorgt de hoogspanningslijn niet voor belemmeringen. Conclusie De locatie is qua gezondheid geschikt voor de nieuwe functie met twee woningen in plaats van één woning. Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

TAM-omgevingsplan Achterloseweg 41 Leur - motivering

53

4.15 Mer(beoordelings)plicht Wettelijk kader Of een besluit over een project mer-(milieueffectrapportage)plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob), in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Ob. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de wijziging omgevingsplan. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Mer-beoordelingsplicht De beoogde ontwikkeling voorziet in de toevoeging van een woning door de splitsing van een bestaande woning in het buitengebied van Wijchen. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit Bijlage V bij het Ob), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiele effecten zullen geen belangrijke negatieve milieueffecten optreden. Dit blijkt ook uit de beschrijvingen van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=bc4d9d7d-71f4-4ccd-adaf-53e3de701926