CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan - Toelichting en Regels

Raad openbaar Wijchen 2 februari 2023, gemeente wijchenBij agendapunt: 20667 beslisnota Bestemmingsplan Lambrasse26.994 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De volledige rapportage is als separate bijlagen bij deze bestemmingsplantoelichting gevoegd.

10

Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Hoofdstuk 5

27

Risicovolle bedrijven In de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven gevestigd die gevaarlijke stoffen transporteren of opslaan. Dit zorgt dan ook niet voor belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling. Transport gevaarlijke stoffen Rijksweg A326 ligt langs de noordzijde van het plangebied. De autoweg heeft geen 10-6 plaatsgeboden risicocontour, het plaatsgebonden risico levert derhalve geen belemmeringen op. De A326 heeft geen plasbrandaandachtsgebied. Het groepsrisico blijft gelijk. Wel een is een beperkte verantwoording van het groepsrisico verplicht conform het Bevt. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Den Bosch –Nijmegen. De hoogte van het groepsrisico neemt niet toe. Wel is een beperkte verantwoording van het groepsrisico verplicht conform het Bevt. De spoorlijn heeft geen plasbrandaandachtsgebied of plaatsgebonden risicocontour 10-6 en levert geen belemmeringen op. Buisleidingen Door het plangebied loopt een tracé met hogedruk aardgasleidingen. Dit betreft twee hogedruktransportleidingen (A-533-KR-050 en A-524-KR-050). De hogedruk transportleidingen hebben geen plaatsgebonden risicocontour 10-6. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering. Het groepsrisico neemt voor beide buisleidingen toe en het plangebied ligt binnen de 100% letaliteitscontour van de leidingen.

Een volledige verantwoording van het groepsrisico is verplicht conform het Bevb. Verantwoording groepsrisico Algemene beschouwing veiligheidssituatie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een verschillende transportroutes voor gevaarlijke stoffen (de provinciale autosnelweg A326 en spoorweg Den Bosch-Nijmegen) en twee hogedruk aardgasleidingen (A-524 en A-533). Bij deze risicobronnen kunnen verschillende scenario’s optreden. Bij de weg en het spoor kan een plasbrand, BLEVE (Boiling Liquid Expanding Va- pour Explosion) of toxisch scenario optreden. Bij de hogedruk aardgastransportleiding is een fakkelbrand het maatgevend scenario. De gevolgen van deze scenario’s zijn verschillend. In deze paragraaf worden de scenario’s verduidelijkt. Plasbrandscenario Bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen kan een plasbrand ontstaan (een plas van brandende vloeistof). Het gevolg is een korte, maar extreme hittestraling. De omvang van het effect wordt bepaald door de oppervlakte van de plas. Uitgaande van een calamiteit waarbij een gehele tankinhoud vrijkomt is het invloedsgebied van een plasbrand ongeveer 60 meter. Dit reikt tot in het plangebied. Toxisch scenario Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tank lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uit kan waaien.

Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.

Hoofdstuk 5

28

BLEVE-scenario Een koude BLEVE ontstaat wanneer de tankwagen bezwijkt waardoor er plotseling gas kan ontsnappen, welke na ontsteking ontploft. Een warme BLEVE ontstaat door een (plas)brand in de nabijheid van een spoorwagen of tankwagen. Door de hitte van de brand loopt de druk in een spoorwagen hoog op, terwijl de sterkte van de metalen wand afneemt. Hierdoor kan de wand het begeven en de tank ontploffen. Door de maatregelen beschreven in het convenant ‘Warme- BLEVE-vrij’ is de kans op een warme BLEVE afgenomen voor incidenten op het spoor. Met de ‘Safety Deal hittewerende bekleding op LPG-autogastankwagens’ zijn tankauto's voorzien van een hittewerende bekleding die de kans op een warme BLEVE gedurende ten minste 75 minuten voorkomt11. De brandweer is daardoor in staat de tank tijdig te koelen. Fakkelbrand Bij de hogedruk aardgastransportleiding kan een fakkelbrand ontstaan. Een fakkelbrand ontstaat wanneer door een externe beschadiging (bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden) gas vrijkomt dat vervolgens ontsteekt. Wat volgt is een fakkelbrand die extreme hittestraling kan veroorzaken. Het invloedsgebied van de gasleiding wordt bepaald door de druk en diameter van de leiding (de leiding nabij het plangebied heeft een invloedsgebied van 540 meter en 210 meter voor de 100% letaliteitscontour).

Hoogte van het groepsrisico Voor de aardgastransportleidingen geldt dat het groepsrisico in de toekomstige situatie stijgt, maar onder de oriëntatiewaarde blijft. Voor de A326 geldt dat het groepsrisico gelijk blijft. Het groepsrisico van de spoorweg ligt onder de oriëntatiewaarde. Beperking groepsrisico van de hogedruk transportleidingen Bronmaatregelen De meest effectieve veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen aan de risicobronnen zelf. Bij de realisatie van naastgelegen bestemmingsplan is het grondpakket boven de hogedruk aardgastrans- portleidingen verhoogd om de veiligheid te vergroten. Daarnaast is relevant van Gasunie een uitgebreid pakket aan veiligheidsmaatregelen hanteert om de veiligheid van buisleidingen te optimaliseren. Bouwtechnische veiligheidsmaatregelen Voor het scenario fakkelbrand van de hogedruk aardgastransportleidingen wordt de 100% letaliteitscontour begrenst door de 35kW warmtestralingscontour. Binnen de huidige bouwwetgeving kunnen geen bouwkundige maatregelen worden geëist om in dit soort situaties te beschermen. In de toekomstige Omgevingswet kunnen deze bouwkundige eisen wel gesteld worden. Er is echter nog geen eenduidigheid over de toepassing van de bouwkundige materialen en de randvoorwaarden die hierbij zouden moeten gelden.

Ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico Het is conform artikel 12 van het Bevb verplicht om in te gaan op ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico. Deze afweging is onderdeel van de ruimtelijke besluitvorming, waar deze rapportage een bijdrage voor levert.

11

Tests hebben aangetoond dat deze bescherming over een veel langere periode effectief is (>360 minuten)

Hoofdstuk 5

29

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Binnen het plangebied zijn diverse functies voorzien, welke allen zijn te typeren als kwetsbaar object. De zelfredzaamheid kan op een voldoende hoog niveau worden gebracht door in het (bouwkundige) ontwerp van het gebouw rekening te houden met vluchtroutes en mogelijke scenario’s. Het opstellen van een bedrijfsnoodplan, waarin rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van (beperkt) zelfredzame personen in relatie tot incidenten op het spoor, draagt tevens bij aan het verbeteren van de zelfredzaamheid. Risicocommunicatie Gerichte risicocommunicatie met werknemers en bezoekers (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke manier hier invulling aan kan worden gegeven. Vluchtwegen Door interne vluchtwegen af te stemmen op externe veiligheid wordt geanticipeerd op een incident met gevaarlijke stoffen.

Interne vluchtwegen die gericht zijn in de richting van de risicoluwe zijde van het gebied (wegvluchten van de autosnelweg of de aardgasleidingen) voorzien in een veiligere ontruiming en evacuatie in geval van een calamiteit. Deze mogelijke maatregel voorziet in uitbreiding van het traditionele ontruimingsplan met een paragraaf externe veiligheid voor bedrijven en inrichtingen in de directe omgeving van de spoorweg. In deze additionele paragraaf wordt beschreven hoe de alarmering plaats vindt, wat het gewenste handelingsperspectief is bij een rampscenario (schuilen of vluchten) en op welke wijze hieraan invulling wordt gegeven (in welke richting vluchten, in welke ruimte(s) schuilen). Deze maatregel kan in samenspraak met de exploitanten besproken worden. Externe vluchtwegen Voor externe ontvluchting van het plangebied is een goede infrastructuur van belang waarbij van de bron af gevlucht kan worden. De bestaande wegenstructuur in en rond het plangebied biedt niet veel mogelijkheden om in meerdere richtingen van de incidentlocatie af te kunnen vluchten. Er is op dit moment slechts één route (oostelijk) om van het plangebied af te vluchten, het aanleggen van een andere vluchtroute is daarom wenselijk. Vluchten kan primair in westelijke, zuidelijke of oostelijke richting, waarbij de gewenste vluchtweg(en) afhankelijk is van de incidentlocatie.

Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een BLEVE In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen nagenoeg alle personen in het plangebied binnen 150 meter van de weg slachtoffer worden. Buiten de 150 meter is schuilen in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij

Hoofdstuk 5

30

dit scenario dus van belang. In geval van een calamiteit met toxische stoffen op een van de transportroutes is het van belang dat (ruimtes in) de geprojecteerde bebouwing bescherming biedt. Van belang daarbij is dat in dat geval de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een fakkelbrand In het geval van een fakkelbrand is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen de100 procent-letaliteitscontour slachtoffer worden (deze zone bedraagt de leiding ter hoogte van het plangebied 210 meter, het gehele plangebied). Buiten deze zone is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, een dergelijk scenario kan optreden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario’s vragen om een ander aanvalsplan.

De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt door de gemeente Wijchen in het kader van de bestemmingsplanprocedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid. Plasbrand-scenario Bij een ongeval met brandbare vloeistoffen, waarbij een plasbrand kan ontstaan is het van belang dat de brandweer snel ter plaatse is. Een plasbrand is dan goed te bestrijden. Door het tijdig arriveren van de brandweer kan voorkomen worden dat het vuur zich snel kan uitbreiden en kan overslaan op gebouwen. Het bestrijden van een plasbrand scenario kan plaatsvinden door het beschuimen van de plas- brand. Verder kan de weg rondom de incidentlocatie worden afgezet om mensen te beschermen en dient te worden overwogen om locaties in de omgeving te koelen indien de warmtestraling hoog is. BLEVE-scenario Belangrijk voor een ongeval met brandbare gassen (in combinatie met brandbare vloeistoffen) is dat de brandweer zo snel mogelijk ter plaatse van de calamiteit is, zodat de gevolgen van de 'warme' BLEVE bestreden kunnen worden.

Toxisch scenario Bij een incident met toxische stoffen kan afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario de brandweer optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Fakkelbrand In geval van een fakkelbrand spuit aardgas onder hoge druk uit de leiding, voor de brandweer bestaat geen bestrijdingsstrategie om de bron te doven. Gasunie zal op afstand de leiding afsluiten waarna het gas moet opbranden en de fakkelbrand na verloop van tijd dooft. De rol van de brandweer beperkt zich tot het afzetten van de omgeving, zo mogelijk het redden van slachtoffers, het koelen van panden in de omgeving en het bestrijden van secundaire branden.

Hoofdstuk 5

31

De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft bij brief van 25 juli 2018 advies uitgebracht. Bovenstaande veiligheidsparagraaf omschrijft de risico’s, scenario’s en maatregelen en is volledig. Hoewel het uitvoeren van de bovenstaande maatregelen een positief effect zal hebben op de veiligheid, is daarmee niet uit te sluiten dat één van de maatscenario's zich voor zal doen. Dit 'restrisico' wordt met de vaststelling van dit bestemmingsplan geaccepteerd.

5.5 Natuurbescherming Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Vanaf 1 januari 2017 geldt de nieuwe Wet natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Er is een verschuiving opgetreden in de tabellen voor soortenbescherming. Sommige soorten worden beter beschermd, sommige soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft daarbij bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur). Door BRO is eerder op 23 augustus 2005 een verkennend onderzoek uitgevoerd naar het (mogelijk) voorkomen van beschermde planten en dieren nabij het plangebied 12. Op 15 juni 2011 en 28 maart13 2018 is het plangebied opnieuw bezocht. Het doel van dit verkennende terreinbezoek was een beeld te krijgen van de gebiedskenmerken, het grondgebruik en de mogelijke natuurwaarden binnen het plangebied. Daarnaast zijn mogelijke sporen van dieren, de aanwezige vegetatie en de ecologische samenhang met de omgeving onderzocht. Aan de hand van het uitgevoerde onderzoek wordt een effectinschatting gemaakt. Dit wordt meegenomen in de advisering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Gebiedsbescherming Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ bevindt zich op het dichtstbijzijnde punt op circa 7,8 kilometer ten noorden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een bedrijfsgebouw, ten behoeve van verschillende ‘leisure-activiteiten’, betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd.14 De volledige notitie is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hier wordt volstaan met een samenvatting. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.

12 13 14

Quickscan flora en fauna locatie Groenstraat (Poort van Leur) te Wijchen (rapportnr. 210x00028.026162_1_2). BRO, 23 augustus 2005. Quickscan flora en fauna “Lambrasse II” te Wijchen, BRO, 17 juni 2020. BRO, AERIUS-berekening Bedrijfsgebouw Lambrasse, Wijchen, projectnr.: 211x08521, d.d. 4 november 2022.

Hoofdstuk 5

32

In de omgeving van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot Natuur Netwerk Gelderland op een afstand van circa 350 meter. Dit gebied ligt aan de andere kant van de A326, ten noorden van het plangebied. Gezien de afstand, de ligging ten opzichte van het Natuur Netwerk Gelderland en de aard van de ontwikkeling zijn significant negatieve effecten op voorhand uit te sluiten. Het plangebied ligt geheel buiten het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone en Functies van Water. Door de ontwikkelingen worden er geen wezenlijke kenmerken en waarden aangetast van de provinciale groenstructuur. De planvorming heeft verder geen invloed op planologische beschermde gebieden. Soortbescherming Een aantal beschermde soort(groep)en kunnen voorkomen binnen het plangebied. Negatieve effecten op vleermuizen zijn op voorhand uitgesloten, wanneer verlichting gericht en uitschijnend op het opgaand groen en oppervlaktewater wordt vermeden. Voor wezel, bunzing en steenmarter geldt dat het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen bevat. Als leefgebied is het plangebied matig geschikt, en in de directe omgeving is voldoende alternatief leefgebied aanwezig. Daarmee is het leefgebied redelijkerwijs niet essentieel. De das kan ook voorkomen binnen het plangebied. De bosschage langs de noordzijde van het plangebied vormt een geschikte verbindingszone.

Het plangebied betreft secundair foerageergebied van beperkte omvang. In de directe omgeving zijn grote hoeveelheden zeer geschikt foerageergebied aanwezig. Hierdoor is een indirect effect op burchten in de omgeving redelijkerwijs op voorhand uitgesloten. Om te voorkomen dat dassen via de bosschage de snelweg oversteken wordt geadviseerd om hier dassenhekwerk aan te leggen. Overige beschermde soorten zijn wegens verspreidingsgegevens en aanwezige habitat op voorhand uitgesloten. Een overtreding met betrekking tot een beschermde soort is hiermee op voorhand uitgesloten. Conclusie Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soort-groepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde.

Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:  Met betrekking tot de das wordt geadviseerd dassenhekwerk te plaatsen conform figuur 11 van de FFnotitie.  Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht op de vijver en de houtwal te worden voorkomen;  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Vervolgonderzoek ten behoeve van Natura 2000-gebieden, het NNB en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde.

Hoofdstuk 5

33

5.6 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen en gezondheidszorggebouwen en - terreinen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. De woningen in de woonwijk Lambrasse kunnen als geluidgevoelige objecten worden aangemerkt. Deze woningen zijn echter reeds gerealiseerd op grond van een vrijstellingsprocedure ex artikel 19, lid 2 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. In deze procedure heeft destijds de onderbouwing wat betreft het aspect geluid plaatsgevonden. Het betreft in zoverre het vastleggen van een reeds bestaande situatie, waardoor geen sprake is van nieuwe geluidgevoelige objecten. Zodoende is een akoestisch onderzoek voor deze reeds bestaande woningen niet noodzakelijk. Inpasbaarheid geluidsgevoelige functie binnen bestemming ‘Gemengd’ Via een wijzigingsbevoegdheid kan een geluidsgevoelige functie binnen de bestemming ‘Gemengd’ mogelijk gemaakt worden - in de vorm van maatschappelijke voorzieningen.

Door middel van een akoestisch onderzoek moet aangetoond worden dat de geluidsbelasting van de omliggende wegen op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, lager of gelijk is aan de waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in de Wet geluidhinder. De volledige rapportage is een separate bijlage bij de toelichting van onderhavig bestemmingsplan 15. Conclusie Ten gevolge van het wegverkeer op zowel de Rijksweg A326 als de Hernenseweg wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt voor beide afzonderlijke wegen gerespecteerd. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid moet een hogere waarde worden vastgesteld. Geluidsinvloed verkeersaantrekkende werking In het plangebied wordt bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt, die een functionele invulling zal krijgen met o.a. horeca, fitnessgelegenheid en congres-/vergaderfaciliteiten. Deze functies hebben een toename van het verkeer op de omliggende wegen tot gevolg, zoals in paragraaf 5.10 wordt toegelicht. Om inzichtelijk te maken welke invloed deze verkeerstoename heeft op bestaande woningen in de omgeving, heeft K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek 16 uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage.

Bij de uitvoering van het onderzoek is rekening gehouden met de voorgestelde aanpassingen van de Hernenseweg (zie paragraaf 5.10) om de doorstroming en verkeersveiligheid op deze weg te verbeteren. De aanleg van een nieuwe afrit ter hoogte van het projectgebied betreft een reconstructie van de Hernenseweg zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. In het onderzoek is daarom het reconstructie-effect inzichtelijk gemaakt. Bij het onderzoek is uitgegaan dat de grens van de bebouwde kom in de toekomstige situatie wordt verlegd naar de oprit van de snelweg A326 met als gevolg dat de snelheid op

15 16

Akoestisch onderzoek bestemmingsplan bedrijfsbebouwing ‘Lambrasse’ te Wijchen, Windmill Milieu en Management, d.d. 4 juni 2018. Lambrasse Wijchen, Verweerschrift zienswijze, K+ Adviesgroep bv, d.d. 5 september 2022.

Hoofdstuk 5

34

de Hernenseweg tussen de Randweg Noord en de oprit naar de A326 wordt verlaagd naar 50 km/h, zoals vastgelegd in de realisatieovereenkomst voor het plan Groenestraat Wijchen. Uit het onderzoek naar de geluidbelasting blijkt dat de toename van geluidbelasting onder de drempelwaarde van 2 dB van artikel 1 van de Wet geluidhinder blijft zodat geen sprake is van een reconstructie van een weg in de zin van de Wet geluidhinder. In het kader van de Wet geluidhinder zijn geen maatregelen vereist om de geluidbelasting terug te brengen tot de waarde voor reconstructie. Door het verlagen van de maximum snelheid op de Hernenseweg blijkt dat de gevelbelasting in de toekomstige situatie gelijk dan wel lager wordt dan de huidige geluidbelasting. In het kader van de goede ruimtelijke ordening is in het onderzoek tevens de bijdrage van het verkeer op de parkeervoorziening beschouwd en zijn ook de gecumuleerde gevelbelastingen bepaald. Daaruit is geconcludeerd dat de geluidbijdrage van de parkeervoorziening maximaal 46dB bedraagt en volledig wordt overstemd door het verkeersgeluid op de Hernenseweg. Conclusie Als gevolg van de voorliggende ontwikkeling zal de geluidbelasting vanwege de verkeersgeneratie van de toekomstige bedrijfsbebouwing gelijk, dan wel lager worden. Er zijn derhalve geen maatregelen vereist om de geluidbelasting terug te brengen.

Vanuit het aspect ‘geluid’ zijn er geen belemmeringen voor het onderhavige planvoornemen.

5.7 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen van de regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoren, woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven (indien 3% grens niet wordt overschreden). Wat betreft de woningen in de woonwijk Lambrasse is van belang dat deze woningen reeds gerealiseerd zijn op grond van een vrijstellingsprocedure ex artikel 19, lid 2 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

In deze procedure heeft destijds de onderbouwing wat betreft het aspect luchtkwaliteit plaatsgevonden; de rapportage van Cauberg Huijgen d.d. 28 december 2005 nummer 2004.3116-2 is in dit kader van belang. In voorliggend bestemmingsplan wordt ten aanzien van de woonwijk Lambrasse de reeds bestaande situatie vastgelegd. Een nieuw luchtkwaliteitonderzoek dan wel het invoeren van gegevens in de NIBM rekentool is dan ook niet noodzakelijk. Ten aanzien van de bedrijfsbebouwing Lambrasse is van belang dat deze ontwikkeling middels voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt en de ontwikkeling niet valt onder voornoemde lijst

Hoofdstuk 5

35

met categorieën van gevallen. Daarom dient door berekening aangetoond te worden of een toetsing van de luchtkwaliteit wel of niet nodig is. Er is door Windmill Milieu en Management een onderzoek uitgevoerd om het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit in kaart te brengen. Hieronder worden enkel de conclusies van dit onderzoek weergegeven. De volledige rapportage is een separate bijlage bij de toelichting van onderhavig bestemmingsplan17. Conclusie Door middel van het Luchtkwaliteitsonderzoek is de stikstofdioxide-immissie en de fijn stof immissie als gevolg van de activiteiten die binnen het plangebied kunnen plaatsvinden inzichtelijke gemaakt en zijn deze immissieconcentraties getoetst aan de geldende normstelling van de Wet milieubeheer. Van de in de Wet milieubeheer genoemde stoffen zijn de stoffen stikstofdioxide en fijn stof (PM10 en PM2,5) het meest kritisch. Indien deze stoffen voldoen aan de daarvoor geldende grenswaarden, leiden de overige stoffen evenmin tot overschrijdingen van de normstelling van de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. De emissies vanwege de activiteiten die binnen het plangebied kunnen worden ontwikkeld zijn berekend aan de hand van emissiefactoren uit de literatuur. De toetsingswaarden volgen uit de Wet milieubeheer. Met een verspreidingsmodel is de immissie in de omgeving van het plan berekend.

Het onderzoek is uitgevoerd conform de van toepassing zijnde regels zoals die volgen uit de Wet milieubeheer. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in alle immissiepunten ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden zoals deze gelden overeenkomstig de Wet milieubeheer. Dit geldt voor zowel de jaargemiddelde concentraties als het aantal overschrijdingen van de (24-/8-)uurgemiddelde concentratie. Voorgaande betekent dat de consequenties op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering vormen voor de realisatie van het plan.

5.8 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken, is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG.18 Bedrijven zijn opgenomen in een tabel die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenoemde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het algemeen wordt door het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.

17 18

Luchtkwaliteitsonderzoek bestemmingsplan bedrijfsbebouwing ‘Lambrasse’ te Wijchen, Windmill Milieu en Management, 31 mei 2018. Milieuzonering op basis van: ‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 5

36

Doorwerking In de bedrijfsbebouwing wordt horeca in categorie 1, 2 en/of 5, leisure en een congres- en vergadercentrum mogelijk gemaakt. Dit betreft categorie 1 en 2 bedrijven en voorzieningen waardoor een afstand van maximaal 30 meter aangehouden dient te worden tussen het perceel van de bedrijfsbebouwing en de omliggende woningen. Deze afstand wordt in acht genomen waardoor er voor wat betreft bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen zijn voor de voorgestane ontwikkeling.

5.9 Waterparagraaf De watertoets en waterparagraaf Een watertoets is een essentieel onderdeel van ieder ruimtelijk plan en is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets staat voor het proces waarin relevante wateraspecten bij de planvorming worden meegenomen. De waterparagraaf is de schriftelijke motivering waarbij wordt omschreven hoe bij de planvorming rekening wordt gehouden met de relevant wateraspecten, een onderzoek uitgevoerd om het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit in kaart te brengen. Hieronder worden enkel de conclusies van dit onderzoek weergegeven. De volledige rapportage is een separate bijlage bij de toelichting van onderhavig bestemmingsplan 19. Beleidskader Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit te laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het kabinet heeft het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld.

Het NWP bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050. Onderdeel van het Nationaal Waterplan zijn:  de Deltabeslissingen (waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimtelijke adaptatie);  de Beleidsnota Noordzee;  de verankering van afspraken die betrekking hebben op water vanuit het Energieakkoord;  de Natuurvisie;  de Internationale Waterambitie;  de geactualiseerde plannen en maatregelenprogramma’s om te voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het mariene milieu. Het Waterplan Gelderland 2010-2015 is in 2014 overgegaan in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie staat hoe de provincie wil zorgen voor voldoende schoon water én droge voeten. Evenals in de eerste planperiode is het omgevingsbeleid van de provincie het uitgangspunt. Dit betekent dat doelen en maatregelen voor de tweede planperiode (2016-2021) zijn afgestemd op de huidige functies als wonen, landbouw en natuur. In zeer beperkte mate en onder strikte voorwaarden voorgeschreven door de KRW is actualisatie van de doelen mogelijk. Dit heeft geleid tot een enkele aanpassing van de doelen en in de begrenzingen van de oppervlaktewaterlichamen.

19

Actualisatie waterparagraaf Lambrasse te Wijchen, Aeres Milieu projectnummer: AM17253 / AM22432 V2, d.d. 9 november 2022.

Hoofdstuk 5

37

Het bestuur van Waterschap Rivierenland heeft met ingang van 27 november 2015 het Waterbeheerprogramma 2016-2021: Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid vastgesteld. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Voor Rivierenland wordt voornamelijk ingezet op “vasthouden – bergen – afvoeren” van water. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en van de openbare ruimte hebben. Voor de verwerking van het afvalwater is door de gemeenten Beuningen, Druten, Heumen, West Maas en Waal en Wijchen een gezamenlijk verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan 2018-2022 opgesteld.

Met dit Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan geven de gemeenten invulling aan hun zorgplicht voor (stedelijk) afvalwater, hemelwater en grondwater, alsmede een doelmatig en duurzaam beheer van de gemeentelijke riool- en watervoorzieningen en het oppervlaktewater. Deze plannen dienen als praktische leidraad bij de uitvoering van water- en ruimtelijke projecten. De planvorming vindt plaats in samenwerking met de belangrijkste 'waterpartner', het waterschap Rivierenland. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim vast. Afhankelijk van de plannen kan aanvullende waterretentie benodigd zijn. Voor de planontwikkeling is voorafgaand de digitale watertoetsprocedure doorlopen. De uiteindelijke toetsing van het planvoornemen vindt in overleg met de gemeente en het waterschap plaats. De digitale watertoets is een instrument om het planvoornemen vroegtijdig aan te geven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. De eerste afstemming voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (kenmerk 20180601-9-18004). Voor de ontwikkeling is compensatie benodigd gezien de toename groter dan 500 m 2 in het stedelijk gebied.

Voor eventuele afvoer en bijkomende retentie in het oppervlaktewater dient mogelijk een watervergunning aangevraagd te worden. Huidige waterhuishoudkundige situatie Algemeen De planlocatie is in de huidige situatie een volledig onverhard en onbebouwd terrein. Tot op heden kende het plangebied een agrarisch grondgebruik. Ten behoeve van het plan zal de locatie worden voorzien van bebouwing en erfverhardingen. Het verharden van thans onverharde terreinen heeft gevolgen voor de plaatselijke waterhuishouding. Noordoostelijk is de woningbouw Lambrasse ontwikkeld, met een daarbij behorend watersysteem. In dit woningbouwplan is waterhuishoudkundig gezien reeds rekening gehouden met het verharden/ bebouwing van de onderhavige bestemmingsplanlocatie.

Hoofdstuk 5

38

Grondwater De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat naar verwachting uit sterk zandige klei of matig tot sterk zandige klei. De verwachte bodemopbouw van het plangebied wordt schematisch weergegeven in de navolgende tabel. Diepte [m-mv]

Lithostratigrafie

Lithologie

0 – 0,9

Holocene afzettingen

Complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van zandige

0,9 – 18,4

Formatie van Kreftenheye, zandige eenheid

klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen 18,4 – 20,0

Formatie van Waalre, eerste kleiige eenheid

Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind

Tabel: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket)

Het plangebied ligt ten noord(oost)en van de Maas. De verwachte grondwatertrap ter plaatse is VII waarbij de GHG lager dan 80 cm-mv te verwachten is. In de omgeving west- en oostelijk van het plangebied zijn enkele TNO-peilbuizen gekend. Hierbij is een grondwaterstand van ca. 5,2-6,6 m +NAP gemeten. Naar verwachting komt dit overeen met de grondwaterstanden voor het plangebied. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de planinvulling. De benodigde ontwateringsdiepte b draagt minimaal 1 meter ten opzichte van het bouwpeil voor gebouwen (vloerpeil begane grond), 0,7 meter voor wegen en 0,5 meter voor tuinen/groen. Ter plaatse is zover bekend geen grondwateroverlast aanwezig. De onderzoekslocatie bevindt zich zover bekend niet binnen een attentie of beschermmingsgebied behorend tot een waterwingebied. Oppervlaktewater Rondom het plangebied is oppervlaktewater aanwezig. Het oppervlaktewater in het plangebied maakt deel uit van Peilgebied Citters, peilvak CIT010, met een zomeren winterpeil van 5,20 m+NAP. Rondom het plangebied is een watergang aanwezig met een bodemhoogte van ca. 6-6,5 m +NAP. Dit betreft een C-watergang met oostelijk een bergingsvijver die aangelegd is voor ontwikkelingsgebied Lambrasse. Noordoostelijk zijn tussen de watergang en de waterplas zijn 3 (begroeide) eilandjes aanwezig. De actuele diepte van de waterplas is ons niet bekend.

De waterafvoer in natte periodes vindt in noordoostelijke richting plaats via de B-watergang naar de lokaal noordelijk stromende Awatergang die ter hoogte van Hof van Hagevoort huisnummers 203-209 deels overkluisd is ten behoeve van de aanwezige wegen. Voor het realiseren van waterberging is noordoostelijk bij de woningen bij de overgang naar de B-watergang een stuw aanwezig (7,03 m+NAP). Bij de overgang van de B- naar A-watergang is tevens een stuw aanwezig (peil 7 m +NAP). Deze stuwen zijn aangebracht zodat hemelwater hierin vastgehouden wordt en ter plaatse kan wegzijgen. In droge periodes zal water uitzakken tot naar verwachting 5,2 m +NAP. Vanuit de gemeente en het waterschap is de wens om de eilandjes te verwijderen ivm de begroeiing en daarmee samenhangde verstopping van de waterdoorstroming. Verder zijn nabij het huidige ontwikkelingsgebied twee duikers en een brug voor een oversteek over het water aanwezig. Een Ben C-watergang wordt onderhouden door de aangrenzende eigenaar (gemeente en waterschap). Cwatergangen hebben geen beschermingszone en dienen onderhouden te worden door de aangrenzende eigenaren. Rondom de B-watergang is een beschermingszone van 1 meter aanwezig.

Hoofdstuk 5

39

Uitsnede Legger water 2022 met aanduiding onderzoeksgebied fase 2 (Bron: Waterschap Rivierenland)

Rioleringsaspecten In de huidige situatie komt er geen afvalwater vrij van de planlocatie Lambrasse fase 2. Het woongebied noordoostelijk is voorzien van een gescheiden rioolstelsel. Het toekomstige vuilwater van het horecagedeelte zal naar verwachting ook op dit gemeentelijk DWA-riool aangesloten worden. Dit zal dan naar verwachting alleen onder druk mogelijk zijn. Hiervoor dient dan een particuliere pompinstallatie met persleiding voor rekening van het plan te worden aangelegd. Ter plaatse is geen verharding aanwezig. De neerslag infiltreert deels in de bodem, wordt opgenomen door het groen en stroomt af naar het omliggende oppervlaktewater. Bij de nieuwbouw dient schoon hemelwater separaat op eigen perceel verwerkt te worden. Overeenkomstig met het oorspronkelijke plan uit 2006 zal het hemelwater op het oppervlaktewater wordt geloosd. Hiervoor is reeds retentie aangelegd. Afhankelijk van de bouwontwikkeling en de toename aan verharding kan aanvullende waterberging noodzakelijk zijn. Water in relatie tot de gewenste ontwikkeling (consoliderend deel) Voor wat betreft het bestaande woongebied Lambrasse is het bestemmingsplan consoliderend. Er worden derhalve geen bestemmingen vastgelegd, die relevant zijn voor de waterhuishouding. Op de verbeelding is de bestaande A-watergang van insteek tot insteek bestemd als ‘Water’.

Hiermee wordt recht gedaan aan de hoofdfunctie van deze watergang, namelijk de waterhuishoudkundige functie. Gezien het belang van het oppervlaktewater in het plangebied (het oppervlaktewater voorziet in bergingsruimte ten behoeve van de hemelwaterafvoer) wordt ook dit oppervlaktewater bestemd als ‘Water’. Ook voor deze waterplas geldt de bestemming van insteek tot insteek. C-watergangen, voor zover in het plangebied gelegen zijn van ondergeschikt belang voor de waterhuishouding en derhalve niet als ‘Water’ bestemd. In de overige hoofdbestemmingen zijn derhalve ‘water en waterhuishoudkundige voorzieningen’ mogelijk gemaakt. Op deze wijze zijn de huidige waterhuishoudkundige aspecten/ belangen geborgd in het plan.

Hoofdstuk 5

40

Water in relatie tot de gewenste ontwikkeling (ontwikkelingsgerichte deel) Het plangebied maakt onderdeel uit van het horeca- en woonontwikkelingsgebied Lambrasse uit 2006. Hierbij is noordoostelijk reeds het woongebied gerealiseerd (fase 1) maar nog niet de gemengde functie westelijk van de waterplas (zie onderstaande afbeelding). Het bevoegd gezag stelt dat ontwikkelingen hydrologisch neutraal ontwikkeld dienen te worden. Bij nieuwbouw heeft afkoppeling naar het oppervlaktewater de voorkeur. Afhankelijk van de toename kan bijkomende waterretentie benodigd zijn. Bij de ontwikkeling van het woongebied (fase 1) is ten tijde tevens rekening gehouden met de huidige planlocatie (fase 2). Het woongebied is zoals beoogd gerealiseerd. Voor fase 2 is het ontwerp licht gewijzigd (zie onderstaande afbeelding). Het bouwvlak wordt smaller en ligt nu ook deels in de huidige waterplas (ca. 345 m2). Het wateroppervlak wordt vergroot door de verwijdering van de huidige eilandjes bij de overgang van de waterplas naar de watergang. Hierdoor ontstaat ook een grotere, ruimtelijk zichtbaardere waterpartij. In onderstaande tabel is het verschil tussen de huidige en toekomstige verharde oppervlakken binnen ontwikkelingsgebied Lambrasse samengevat. Voor de bestaande woonbestemming is een maximale verhardingsgraad van 90% aangehouden.

De toekomstige oppervlaktes zijn zo goed mogelijk digitaal ingemeten.

Bestemmingsplanvoornemen Lambrasse te WIjchen (uitsnede verbeelding)

Hoofdstuk 5

41

Bruto (verharde) oppervlakten

Huidige situatie [m2]

Totaal oppervlakte, circa

61.346

Groen circa

16.646

Dak oppervlakte, circa

Woningbouw circa 90% verhard ca. 16.482

Toekomstige situatie [m2]

16.482

m2 Gepland gemengd gebruik 1.000)

3.506

Overig verhard oppervlak (we-

9.206

9.206

gen, parkeren), circa

Gepland bij horeca 5.000

Horeca 4.147

Brug 30

Brug 30

Vijver 4.850 (waterpeil 5,9 NAP)

7408 op maaiveld bij verwijdering

B- watergang 2.120

eilandjes

Water

B-watergang 2120 Totaal verhard oppervlak

31.688

33.371 (+1.683)

Tabel: Toename of afname verhard oppervlak

Voor de gerealiseerde woningen is destijds de huidige waterplas aangelegd. De waterplas en de noordelijk van het woongebied gelegen B-watergang worden onderhouden door de gemeente. Door het gewijzigde oppervlak gemengd gebruik neemt de verharding licht toe tegenover de in 2006 bepaalde hoeveelheid. Opgemerkt wordt dat deze oppervlakken zijn ingeschat op basis van digitale kaarten. Bij wijzigingen aan het definitief ontwerp dient voorafgaand indien noodzakelijk blijkt een herberekening plaats te vinden. In de beoogde situatie zal hemelwater gescheiden gehouden blijven van het vuilwater. Het afvalwater van de nieuwbouw zal naar verwachting aangesloten worden op het noordoostelijk gelegen DWA-riool. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de tussengelegen waterplas en aanwezige gasleiding. Naar verwachting dient hiervoor op kosten van het plan een drukriool aangelegd te worden. De precieze aansluiting is afhankelijk van de uiteindelijke planinrichting en dient te zijner tijd nader afgestemd te worden met de gemeente. Net als bij de woningbouw zal de hemelwaterriolering aansluiten op het nabijgelegen oppervlaktewater. De nieuwe horecabestemming ligt deels binnen de voormalige bestemming water. Om te kijken of het hemelwater in de bestaande berging verwerkt kan worden, is naar het gehele plangebied Lambrasse gekeken. De totale verharding bedraagt in de toekomst ca. 33371 m2.

Op basis van een bui T=10+10% dient ter compensatie in totaal ca. 1455 m3 waterberging aangelegd te worden. Bij een maximale peilstijging van 30 cm komt dit neer op een wateroppervlak van minimaal ca. 4850 m2. Bij een bui van T=100+10% bedraagt de benodigde waterberging ca. 2216 m3. Door de verhardingstoename bij fase 2 bedraagt de bijkomende waterberging ca. 73 m3 en dient de demping van de watergang van ca. 345 m2 gecompenseerd te worden. Door het voornemen tot verwijderen van de eilandjes nabij de A-watergang wordt ca. 1.050 m2 bijkomend oppervlaktewater gerealiseerd. Dit is meer dan benodigd voor de voorgenomen wijzigingen bij fase 2. De bestaande waterplas en B-watergang heeft een omvang van ca. 9258 m2 op maaiveldniveau (ca. 6000 m2 op waterpeil 5,9 m +NAP). In de bestaande situatie is bij een bui van T=10+10% (zonder afvloeiingscoëfficiënt en landelijke afvoernorm) een peilstijging van ca. 25-26 cm te verwachten. Hiermee wordt derhalve in de bestaande situatie reeds voldaan aan de benodigde waterberging.

Hoofdstuk 5

42

Bij een bui van T=100+10% bedraagt de benodigde retentie ca. 2.216 m3. In deze situatie stijgt het waterpeil met ca. 35-40 cm waardoor gezien de diepteligging van de vijver er geen inundatie te verwachten is. Voorts zijn twee overloopstuwen aanwezig welke bij bovennormatieve neerslag een noodoverloop toelaten (peil 7 m +NAP). Verder is het voornemen om de bestaande 3 eilandjes te verwijderen om zo een grotere waterplas te creëren. Door bij de nieuwbouw een vloerpeil van minimaal 7,8 m +NAP zoals bij de bestaande panden aan te houden (lichte ophoging benodigd) is ter plaatse voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging aanwezig en is geen wateroverlast te verwachten voor of door de planontwikkeling. De afvoerhoeveelheid of -snelheid kan verder beperkt worden door toepassing van een groendak/da tuin of groene/waterpasserende bestrating rondom het gebouw. Hierdoor neemt ook de benodigde retentie af. Door aan de milieuhygiënische voorwaarden te voldaan (zie ook hoofdstuk 4), zal door de aanvoer van het hemelwater de kwaliteit van het ontvangend grond- en oppervlaktewater niet verslechteren. Het dakwater kan rechtstreeks afstromen naar de bodem en het omliggende oppervlaktewater. Met het oog op een goede gronden oppervlaktewaterkwaliteit dient te worden opgemerkt dat oppervlakken die in contact komen met hemelwater niet mogen worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen.

Tevens worden parkeervoorzieningen aangelegd in de nabijheid van oppervlaktewater. Afvloeiend hemelwater van parkeervoorzieningen kan vervuilingen bevatten (olie e.d.). Om de kwaliteit van het oppervlaktewater te waarborgen dient te worden voorkomen dat vervuild hemelwater direct afstroomt naar oppervlaktewater. Dit kan door hemelwater af te voeren via putten waarin de vervuiling wordt weggenomen, of het tussenplaatsen van een voldoende brede bermpassage. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij het nadere planontwerp. De belangen en aandachtspunten zijn in deze rapportage weergegeven. Door hiermee dient rekening gehouden te worden bij het nadere planontwerp. Afhankelijk van de uiteindelijke inpassing/wensen dient dit bij de nadere uitwerking afgestemd te worden met de gemeente en/of het waterschap.

5.10 Verkeer en parkeren Verkeer De nog nieuw op te richten bedrijfsbebouwing Lambrasse genereert extra verkeersbewegingen. Vanwege de huidige marktsituatie is gekozen voor een flexibel bestemmingsplan, waardoor een exacte berekening van de toename van het verkeer op dit moment nog niet echt mogelijk is. Om toch een beeld te vormen van de eventueel te verwachten verkeersprognoses is er uitgegaan van een reëel worst-case scenario. Dit wil zeggen dat die invulling gekozen is, waarbij de grootste hoeveelheid verkeer te verwachten is. De totale bedrijfsvloeroppervlakte die mogelijk wordt gemaakt bedraagt maximaal 6.500 m2 bvo. Deze is onder te verdelen in:

functie verblijven verblijven sport verblijven verblijven

Hoofdstuk 5

type restaurant fast-food restaurant fitnessstudio - sportschool hotel (80 kamers) vergadercenterum / congresruimte

maximaal bvo in m2 1.000 1.000 1.000 2.500 1.000 6.500

43

Uitgangspunten  Locatie plangebied Hernenseweg Noord, gemeente Wijchen;  Stedelijkheidsklasse III, matig stedelijk;  Rest bebouwde kom;  Maximale parkeernormen. Methodiek Voor de berekening van de hoeveelheid autoverkeer die maximaal gegenereerd kan worden, is gebruik gemaakt van landelijk geldende kencijfers verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer die van en naar het plangebied rijdt. Voor het bepalen van de kencijfers wordt gebruikt gemaakt van publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ van het CROW (kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte). Bij het bepalen van de kencijfers is rekening gehouden met de bereikbaarheid van de locatie, specifieke kenmerken van de functie en mobiliteitskenmerken van de gebruikers/bezoekers. Verkeersgeneratie De toekomstige nieuwe functies genereren verkeersbewegingen welke via de bestaande wegen worden afgewikkeld. Voor de meeste functies heeft het CROW kentallen vastgesteld, waarmee de verkeersgeneratie voor het nieuw programma te bepalen is. In CROW-publicatie 381 zijn landelijke kentallen voor de verkeersgeneratie vastgelegd. Uit onderstaande berekening blijkt dat het huidige programma maximaal 3.570 motorvoertuigbewegingen per etmaal genereert.

Verkeersgeneratie Restaurant* Fastfoodrestaurant Fitnessstudio / sportschool Hotel** Congrescentrum ***

maximaal bvo in m2 aantal kamers 1.000 1.000 1.000 2.500 80 1.000 6.500

min. 48 31 13 12

max. 56 38 16 22

gemid. 52 34 14 17

min. 480 2.285 308 103 120 3.296

max. 560 2.285 379 126 220 3.570

gemid. 520 2.285 344 115 170 3.433

* Voor een restaurant zijn geen kentallen voor de verkeersgeneratie aangegeven door het CROW. Om toch een verkeersgeneratie te bepalen is gerekend van een maximale gemiddelde turn-over van 2,0 per parkeerplaats. Dat wil zeggen dat voor deze functie het berekende aantal parkeerplaatsen wordt bezet door 2 verschillende personenauto's. Het restaurant bestrijkt 1.000 m 2 bvo. De parkeernorm voor een restaurant in matig stedelijk gebied en in de rest van de bebouwde kom is maximaal 14 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. De verkeersgeneratienorm is derhalve maximaal 4*14=56 ritten/etmaal. (bron: CROW-publicatie Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen (kencijfers parkeren en verkeersgeneratie); ** Bij een hotel met een maximaal bruto vloeroppervlakte van 2.500 m 2 zijn maximaal 80 kamers te realiseren; *** Voor een congrescentrum / vergaderruimte zijn geen kentallen voor de verkeersgeneratie aangegeven door het CROW. Hierbij geldt een maximaal gemiddelde turn-over van 1,0 per parkeerplaats per etmaal. Dat wil zeggen dat voor deze functie het berekende aantal parkeerplaatsen wordt bezet door ieder 1 personenauto.

Effecten op de omgeving Uit verkeerstellingen uit 2013 blijkt dat destijds de intensiteit 11.444 mvt/etmaal bedroeg op de Hernenseweg (personenauto’s 93,6%, licht vrachtverkeer 4,2% en zwaar verkeer 2,2%). Recentere tellingen zijn er niet. Wel zijn verkeersgegevens beschikbaar van het verkeersmodel (RVMK: Regionale Verkeers MilieuKaart). Volgens dit model (basisjaar 2018) bedraagt de intensiteit 9.800 mvt/etmaal op de Hernenseweg (gedeelte tussen de aansluiting A326 en de Randweg Noord). In het verkeersmodel is geprognosticeerd dat in het planjaar 2030 de etmaalintensiteit op de Hernenseweg

Hoofdstuk 5

44

11.100 mvt/etmaal bedraagt. Dit is per richting 5.550 mvt/etmaal. De beoogde nieuwe functies genereren maximaal 3.570 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde werkdag. De berekening van de verkeersgeneratie van de huidige functies is gebaseerd op CROW kengetallen 20. Auto De Hernenseweg21 is in eigendom en beheer van de gemeente Wijchen en maakt onderdeel uit van de (hoofd)wegenstructuur van Wijchen. Deze oost-west verbinding is een belangrijke verkeersverbinding tussen Wijchen en de A326 / A50. Nadat het definitieve bouwprogramma vastgesteld is dient bij de aanvraag van een omgevingsvergunning een nadere verkeersstudie uitgevoerd te worden naar de exacte verkeersgeneratie. Bovendien dient een capaciteits- en verkeersafwikkelingsonderzoek uitgevoerd te worden. In dit onderzoek dient aangetoond te worden dat de geprognosticeerde verkeersstromen voldoende vlot en veilig verwerkt kunnen worden. Reeds bij besluit van de Gemeenteraad van 23 februari 2006 is, in verband met de geluidproblematiek van de woningen in Lambrasse 1 (Hof van Hagevoort) besloten om de grens van de bebouwde kom zodanig te verleggen dat de gehele wijk Hof van Hagevoort inclusief de kop van Lambrasse en de aangrenzende Hernenseweg, tot de bebouwde kom van Wijchen ging behoren.

Daardoor zou ook reeds in 2006 de maximumsnelheid op het deel van de Hernenseweg tussen de Randweg Noord en de op- en afrit naar de A326, van 80 km/u naar 50 km/u worden verlaagd. Dit besluit is echter in 2006 feitelijk niet uitgevoerd waardoor er nu nog een hogere snelheid mogelijk is. Dit zal gecorrigeerd moeten worden door een formeel nieuw besluit en feitelijke verplaatsing van de borden bebouwde kom. Dit past dan bij reeds gerealiseerde woningen langs de Hernenseweg in de wijk Hof van Hagevoort en ook op de huidige aanwezigheid van woningen langs de Groenestraat. Bovendien komt het verlagen van de maximumsnelheid de verkeersveiligheid ten goede, aangezien de locatie ook bereikbaar voor fietsers gemaakt dient te worden. Fiets De locatie ligt tegen de bebouwde kom van Wijchen aan waardoor de functies voor zowel bezoekers als werknemers goed bereikbaar dient te zijn voor fietsers. De fiets is voor korte ritten (tot circa 710km een heel goed alternatief. Geheel Wijchen valt binnen deze range. Om de locatie ook goed bereikbaar te maken voor de fiets dient de projectlocatie aangesloten te worden op de al aanwezige parallelweg Groenestraat. De Groenestraat in het oosten sluit aan op de lokale fietsinfrastructuur van Wijchen (Randweg Noord) en aan de westkant op de fietsroute naar Hernen en Bergharen.

Een korte verbinding (doorsteek) tussen de parallelweg Groenestraat en de hoofdrijbaan van de Hernenseweg maakt de projectlocatie bereikbaar voor de fiets.

20 21

CROW publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen Tussen de Randweg Noord en de oprit naar de A326

Hoofdstuk 5

45

Afbeelding 9: locatie fietsverbinding parallelweg – plangebied

Conclusie Op basis van de huidige aannames met het maximale bouwprogramma is de planlocatie voldoende vlot en veilig aan te sluiten op de Hernenseweg. In de volgende fase dient wel nader onderzocht te worden welke maatregelen, zoals bijvoorbeeld het verplaatsen van de komgrens en het realiseren van een linksafvak met middengeleider, uitgevoerd kunnen worden om het veilige uitwegen van en naar Lambrasse2 mogelijk te maken. En daarmee ook een goede en veilige fietsverbinding met (de omgeving van) Wijchen ontstaat. Dit is ook afhankelijk van de uiteindelijke planinvulling. Parkeren Ten aanzien van het aspect parkeren is van belang dat vanwege de flexibiliteit dat onderhavig bestemmingsplan kent thans nog niet met zekerheid is te stellen welke functies met welke omvang binnen de bedrijfsbebouwing Lambrasse worden gerealiseerd. Het exacte aantal parkeerplaatsen is daardoor pas nader te bepalen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning. In de planregels is daarom bepaald dat de gewenste functies binnen de bedrijfsbebouwing Lambrasse uitsluitend zijn toegestaan indien is voorzien in het benodigde aantal benodigde parkeerplaatsen. Het aantal benodigde parkeerplaatsen dient te worden berekend in overeenstemming met de beleidsregels van de gemeente Wijchen.

In deze parkeerbalans is opgenomen dat bij de parkeervraagberekening de kencijfers worden toegepast afkomstig uit de CROW publicatie 381, ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Hierbij dient vermeld te worden het vigerende parkeerbeleid van de gemeente Wijchen gehanteerd dien te worden evenals de beleidsnotitie ‘Uitgangspunten voor parkeren bij (nieuw)bouwprojecten’ van de gemeente Wijchen. Daarnaast dient bij de parkeervraagberekening rekening dient te worden gehouden met dubbelgebruik (gecombineerd gebruik) van parkeerplaatsen (aanwezigheidspercentages per functie). Op grond van het voorgaande

Hoofdstuk 5

46

is gewaarborgd dat een voldoende aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd voor de geplande functies. Echter, om aan te geven aan welke functie en bijbehorende parkeerbehoefte gedacht moet worden is het huidige bouwprogramma opgenomen en doorgerekend. Het kan zijn dat bij de definitieve aanvraag omgevingsvergunning de functies ten opzichte van elkaar nog verschuiven, maar het maximale aantal benodigde parkeerplaatsen welke in de volgende paragraaf is berekend zal bij het huidige programma gerealiseerd moeten worden. Parkeerbehoefte berekening De gemeente Wijchen gaat er in haar ‘Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen’ (versie maart 2020) van uit dat een nieuw initiatief de parkeerbehoefte volledig op eigen terrein opgevangen moet worden. Bovendien stelt de gemeente dat de maximale kencijfers aangehouden moeten worden zoals gesteld in publicatie 381 van het CROW. De berekende brutoparkeerbehoefte op basis van het CROW bedraagt 447 parkeerplaatsen. De totale netto parkeerbehoefte valt echter lager uit door de toepassing van aanwezigheids-percentages. Normaal gesproken wordt het bruto vloeroppervlak (BVO) bepaald aan de hand van de te ontwikkelen functies, en vermenigvuldigd met een parkeernorm. Het resultaat is dan de brutoparkeerbehoefte. Het voorliggende bouwprogramma rechtvaardigt enige uitleg.

Er is namelijk sprake van dubbelgebruik, indien de totale parkeercapaciteit van het gebied wordt beschouwd. De diverse functies hebben namelijk een verschillend aanwezigheidsprofiel. Dat wil zeggen dat niet iedere functie op elk tijdstip 100% aanwezigheid rechtvaardigt. Dit is in een tabelvorm opgenomen op de volgende pagina. De netto parkeerbehoefte op het maatgevende moment (zaterdagavond) bedraagt 365 parkeerplaatsen. Bij het bepalen van de parkeerbehoefte zijn de volgende stappen genomen:  Op basis van het programma en de bijbehorende parkeerkencijfers is de totale bruto parkeerbehoefte22 bepaald dat noodzakelijk zou zijn voor de ontwikkeling (per functie).  Vervolgens is met behulp van de aanwezigheidspercentages de maatgevende netto parkeerbehoefte (drukste moment van de week) bepaald. In de onderstaande overzichten is het volgende opgenomen:  berekening brutoparkeerbehoefte;  aanwezigheidspercentages van de verschillende functies;  berekening netto parkeerbehoefte:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=f4e5801d-8d74-463b-8b2f-9c637e10cefe