CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raad openbaar Wijchen 13 juni 2024, gemeente wijchen28.238 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. 6. Zo nodig blijven de organen van het openbaar lichaam ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

Hoofdstuk 14: Slotbepalingen Artikel 34: Klachtenregeling 1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van hoofdstuk 9, titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, een interne klachtenregeling vast. 2. Het algemeen bestuur kan besluiten tot aansluiting bij een regionale ombudsfunctie in plaats van aansluiting bij de Nationale ombudsman. Artikel 35: Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 36: Inwerkingtreding De regeling of een wijziging ervan treedt in werking een dag nadat deze op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Alle voorgaande regelingen worden hiermee ingetrokken. Artikel 37: Titel De regeling kan worden aangehaald als Milieusamenwerking en Afvalverwerking Regio Nijmegen afgekort MARN. Artikel 38 : Toezending aan Gedeputeerde Staten 1. Het bestuur van de gemeente Nijmegen draagt zorg voor de in artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bedoelde toezending en publicatie. 2. Van alle besluiten die op grond van deze regeling worden toegezonden aan Gedeputeerde Staten, worden per gelijke post afschriften toegezonden aan Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg.

Nijmegen d.d. xxxxx Het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling MARN, namens deze

Secretaris

Voorzitter

Raad openbaar Wijchen Dossiernummer

5811

Extern Zaak ID

Z/23/145833

Vertrouwelijk

Nee

Vergaderdatum

13 juni 2024

Agendapunt

3.b

Titel

145833 Beslisnota Vaststellen gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek (IBO)

Organisatieonderdeel

domein Sociale leefomgeving - team Werk en inkomen

Eigenaar

Koning, de, Bert

Soort nota

Beslisnota

Programma/Paragraaf

§8 Verbonden partijen

Portefeuillehouder(s) Wijchen

Derks, M. (Martijn)

Telefoonnummer steller

0646824172

E-mail adres steller

b.de.koning@drutenwijchen.nl

Bijlagen 145833 Beslisnota Vaststellen gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek (IBO) Bijlage 1: Vaststellingsbesluit gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek. 1069751_2 bijlage 2: Beslisnota college 1069751_1 Geagendeerd

Vergaderdatum

College BenW openbaar Wijchen

23 april 2024

Stukken Agendacommissie Wijchen

26 april 2024

Raad openbaar Wijchen

13 juni 2024

Voorgesteld besluit 1. toestemming te geven aan het college om de gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek (IBO) vast te stellen, conform bijgevoegd vaststellingsbesluit. Besluit (Aangenomen) 1. toestemming te geven aan het college om de gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek (IBO) vast te stellen, conform bijgevoegd vaststellingsbesluit.

Openbaar

Zaaknummer: Z/23/145833

Beslisnota voor de Gemeenteraad Onderwerp: Vaststellen gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek (IBO) Datum: 20 juni 2024 Voorgesteld besluit de Gemeenteraad besluit: 1. toestemming te geven aan het college om de gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek (IBO) vast te stellen, conform bijgevoegd vaststellingsbesluit. Aanleiding Per 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) gewijzigd met als doel de democratische legitimatie en kaderstellende en controlerende rol van de gemeenteraden te verstevigen. Een aantal wijzigingen is direct in werking getreden. Voor een aantal andere wijzigingen geldt een implementatietermijn van 2 jaar. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van de gemeenschappelijke regeling IBO is aan alle deelnemende gemeenteraden voor zienswijze voorgelegd. Uw raad heeft op 1 februari 2024, conform het voorstel van het college, besloten om geen zienswijze kenbaar te maken. De raden van de overige deelnemers hebben ook geen zienswijze ingediend. Concreet betekent dit dat alle raden kunnen instemmen met het ontwerpbesluit tot vaststelling. Toch wordt het ontwerp besluit op één onderdeel aangepast. Dat wordt verder toegelicht onder het kopje “argumenten”. Het college is voornemens het bijgevoegde vaststellingsbesluit vast te stellen.

Voordat het college dit kan doen, moet het op grond van artikel 1, vierde lid, van de Wgr eerst toestemming vragen aan uw raad. Uw raad mag deze toestemming alleen onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Eerdere besluiten Datum

Korte omschrijving eerder genomen besluit (vermeld zo mogelijk het zaaknummer/documentnummer)

01-02-2024

Z/23/145833: Op het ontwerp vaststellingsbesluit van de gemeenschappelijke regeling lnstituut Bijzonder Onderzoek is besloten geen zienswijze naar voren te brengen.

Gewenst resultaat Het vaststellen van de gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek zodat deze voldoet aan de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen. Argumenten 1.1 Het vaststellingsbesluit is gewijzigd ten opzichte van het eerder ontwerp.

Pagina 1 van 2

Openbaar

Zaaknummer: Z/23/145833

Hoewel er geen zienswijzen zijn ingediend op het ontwerp vaststellingsbesluit, wordt het besluit toch op één onderdeel gewijzigd. Dit heeft te maken met het feit dat de colleges van de deelnemende gemeenten, met uitzondering van gemeente Berg en Dal, eind 2023 hebben besloten om het toezicht op de Wet Inburgering 2021 onder te brengen bij het IBO. Omdat dit een nieuwe taak voor het IBO wordt, wordt deze taak in artikel 3 toegevoegd. Op dit onderdeel wordt het vaststellingsbesluit dus gewijzigd. Momenteel spelen er nog een tweetal zaken bij het IBO. Er zijn plannen om de systematiek van de bijdrage van de deelnemers aan de centrumgemeente te wijzigen. Daarnaast wil de gemeente Mook en Middelaar mogelijk toetreden tot de GR IBO. Zodra over deze ontwikkelingen besluitvorming heeft plaatsgevonden, zal een wijziging van de gemeenschappelijke regeling worden voorbereid. 1.2

Het vaststellingsbesluit is niet in strijd met het recht of het algemeen belang. Alleen om deze reden kan de raad afzien van het geven van toestemming. Dit volgt uit artikel 1, vierde lid, van de Wgr.

Tegenargumenten en risico’s Niet van toepassing. Financiële gevolgen Dit voorstel heeft geen financiële consequenties. Communicatie Niet van toepassing. Inwonersparticipatie Niet van toepassing. Uitvoering of Vervolgstappen Nadat uw raad toestemming aan het college heeft gegeven, zal het college de gemeenschappelijke regeling, conform bijgevoegd vaststellingsbesluit, vaststellen. Nadat alle colleges zijn overgegaan tot vaststelling van het besluit tot vaststelling van de gemeenschappelijke regeling, volgt een bekendmaking hiervan door de aangewezen gemeente, waarmee de nieuwe regeling in werking treedt. Geheimhouding: Niet van toepassing. Advies Algemeen Juridische Zaken: positief Bijlagen 1. Vaststellingsbesluit gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek.

Pagina 2 van 2

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING BIJZONDER ONDERZOEK REGIO ZUID-GELDERLAND De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen; overwegende, dat het in het belang van de voorkoming en bestrijding van sociale zekerheidsfraude gewenst is een gemeenschappelijke regeling aan te gaan ter uitvoering van de bijzondere controle op de naleving van aan de gemeenten opgedragen sociale zekerheidswetgeving, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Wet inburgering 2021 en daaruit voortvloeiende uitvoeringsregelingen en besluiten; voorts overwegende dat het uit doelmatigheidsoverwegingen van belang is aan deze uitvoering een gemeenschappelijke beleidskader ten grondslag te leggen; gelet op het bepaalde in de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Gemeentewet; Besluiten de Gemeenschappelijke regeling, voor het laatst op 1 januari 2017 gewijzigd, in te trekken en bijgaande nieuwe regeling vast te stellen:

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING BIJZONDER ONDERZOEK REGIO ZUID-GELDERLAND

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1: Begripsomschrijvingen Deze regeling verstaat onder: deelnemende gemeenten: de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten; de centrumgemeente: de gemeente Wijchen college: college van burgemeester en wethouders

HOOFDSTUK 2 BELANGEN, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN Artikel 2 Centrumgemeente 1. De gemeente Wijchen wordt aangewezen als centrumgemeente, bedoeld in artikel 8, lid 4 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. De behartiging van de in artikel 3 omschreven belangen wordt opgedragen aan de centrumgemeente. Artikel 3 Belangen 1. De centrumgemeente heeft tot taak gemeenschappelijke belangen van de deelnemende gemeenten te behartigen op het gebied van de naleving door (voormalig) uitkeringsgerechtigden en derden van alle de gemeente opgedragen sociale zekerheidswetgeving, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Wet Inburgering 2021 en op dat gebied uitgevaardigde regelingen en besluiten met dien verstande dat een onderzoek tot bijzondere controle op deze naleving eerst

1

2. 3.

plaatsvindt na een daartoe strekkende opdracht van de centrumgemeente naar aanleiding van een onderzoek van het college van een deelnemende gemeente. De centrumgemeente draagt terzake zorg voor de noodzakelijke beleids- en uitvoeringsafstemming met de Officier van Justitie. Teneinde de gemeenschappelijke belangen behartiging zo optimaal mogelijk gestalte te kunnen geven, bevordert de centrumgemeente de ontwikkeling en instandhouding van gemeenschappelijk beleid op het terrein van rechtmatigheid en de uitvoering. De deelnemende gemeenten zijn wel ieder afzonderlijk verantwoordelijk voor het vervaardigen van fraudebeleidsplannen.

Artikel 4 Archief 1. Het college van de gemeente Wijchen draagt zorg voor de archiefbescheiden ten behoeve van de uitvoering van deze centrumregeling. 2. De aangewezen archivaris van de gemeente Wijchen is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 3. Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4, lid 1 van de Archiefwet 1995. 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, lid 1 en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde bestuursorganen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Wijchen.

HOOFDSTUK 3 COMMISSIE VAN ADVIES Artikel 5 Commissie van advies 1. Er is een commissie van advies, die is gevestigd in de gemeente Wijchen. 2. De colleges van elk van de deelnemende gemeenten wijzen uit hun midden één lid en een plaatsvervangend lid aan voor de commissie van advies. 3. De colleges van twee of meer van de deelnemende gemeenten kunnen besluiten tot het gezamenlijk aanwijzen van één lid. 4. De leden van de commissie van advies hebben zitting gedurende de zittingsduur van de gemeenteraad. De aftredende leden blijven hun functie evenwel waarnemen tot het tijdstip waarop de colleges van de deelnemende gemeenten de nieuwe leden van de commissie van advies hebben aangewezen. 5. De aanwijzing van de leden vindt zo mogelijk plaats in –doch uiterlijk een maand nade eerste vergadering van de colleges van de deelnemende gemeenten. 6. Het door de centrumgemeente aangewezen lid is voorzitter van de commissie van advies. De plaatsvervangend voorzitter wordt door en uit de leden van de commissie van advies gekozen voor de zittingsduur als bedoeld in lid 4. 7. Door het college van de centrumgemeente wordt een secretaris aan de commissie van advies toegevoegd. Deze secretaris is in dienst bij de centrumgemeente en wordt door het college van de centrumgemeente aangewezen. 8.

De secretaris woont de vergaderingen van de commissie van advies bij, verstrekt inlichtingen over de uitvoering en adviseert desgevraagd de commissie van advies. 9. De commissie van advies vergadert 2 keer per jaar. Een keer in het voorjaar, waar de jaarrekening en begroting worden behandeld. Een keer in het najaar, waar de kaderbrief en beleidsuitgangspunten worden behandeld. 10. De Officier van Justitie neemt op uitnodiging, afhankelijk van de onderwerpen, als adviseur deel aan de vergadering van de commissie van advies.

2

Artikel 6 Taken en bevoegdheden De in artikel 5 genoemde commissie van advies heeft tot taak en de bevoegdheid om: a. advies uit te brengen als bedoeld in de artikelen 9, 14, 15, 17 en 18; b. advies uit te brengen over alle zaken, die de in artikel 3 omschreven taken betreffen. Artikel 7 Reglement van Orde De commissie van advies kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen.

HOOFDSTUK 4 PERSONEEL Artikel 8 Personeel 1. Voor de uitvoering van de in artikel 3 van deze regeling omschreven taken zorgt het college van de centrumgemeente dat er voldoende personeel is. 2. De dagelijkse leiding van het personeel berust bij de door het college van de centrumgemeente aangewezen secretaris.

HOOFDSTUK 5: BEGROTING EN JAARREKENING Artikel 9 Begrotingsprocedure 1. Het college van de centrumgemeente maakt jaarlijks een ontwerp-begroting op van de kosten van de uitvoering van de artikel 3 van deze regeling omschreven taken met daarbij een behoorlijke toelichting en een becijfering van het kostenaandeel van elk van de deelnemende gemeenten. Het begrotingsjaar is gelijk aan een kalenderjaar. 2. De ontwerp-begroting wordt jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het dienstjaar waarvoor deze moet dienen door de centrumgemeente toegezonden aan de colleges van deelnemende gemeenten. 3. Deze colleges kunnen binnen twee maanden na datum van toezending van de ontwerp-begroting zienswijzen kenbaar maken aan het college van de centrumgemeente. 4. Het college van de centrumgemeente zendt de ontwerp-begroting met de commentaren, waarin deze zienswijzen zijn verwoord, voor 1 juni voorafgaande aan het dienstjaar, waarvoor de begroting moet dienen, toe aan de commissie van advies als bedoeld in artikel 5. 5. De Commissie van advies brengt voor 15 juli van het jaar, voorafgaande aan dat, waarvoor de begroting moet dienen advies uit aan het college van de centrumgemeente. Het advies is voor het college van de centrumgemeente bindend, indien dit tot stand gekomen is bij meerderheid van stemmen van het aantal in de commissie van advies zitting hebbende leden. 6.

Het college van de centrumgemeente stelt de begroting met in achtneming van het advies van de commissie van advies als bedoeld in artikel 5, vast voor 15 augustus van het jaar, voorafgaande aan dat, waarvoor de begroting moet dienen. 7. Direct na de vaststelling zendt het college van de centrumgemeente de begroting met de becijfering van het kostenaandeel van elk van de deelnemende gemeenten en het advies van de commissie van advies als bedoeld in artikel 5, toe aan de deelnemende gemeenten. 8. Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.

3

Artikel 10 Jaarrekening 1. Het college van de centrumgemeente zendt jaarlijks voor 1 april aan de deelnemende gemeenten de rekening van de werkelijke kosten over het afgelopen dienstjaar. 2. In de rekening wordt met toepassing van de in artikel 11van deze regeling genoemde verdeelsleutels, door elk van de deelnemende gemeenten over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen. 3. Verrekening van het verschil tussen het op grond van artikel 11 van deze regeling bepaalde en het werkelijk verschuldigde, vindt plaats binnen twee maanden na ontvangst van de rekening. Artikel 11 Bijdrage 1. De opdrachtgevende gemeente is voor ieder onderzoek een bijdrage verschuldigd waarvan de hoogte jaarlijks, bij wijze van voorlopige vaststelling, bij de vaststelling van de begroting wordt bepaald. Uitgangspunt hierbij is dat 50% van de uitgaven wordt gedekt door bijdragen per onderzoeksopdracht als bedoeld in artikel 3 lid 1. De bijdrage per onderzoeksopdracht kan worden gedifferentieerd naar duur en zwaarte van de uitvoering ervan. 2. Na afloop van het jaar, wordt, op basis van het aantal uitgevoerde onderzoeken en met in achtneming van het in lid 1 genoemde uitgangspunt en de mogelijkheid van differentiatie, de definitieve bijdrage per onderzoek vastgesteld. 3.

De kosten van uitvoering van de in artikel 3 van deze regeling omschreven taak, verminderd met de bijdrage als bedoeld in lid 1 en 2 en eventueel verminderd met andere inkomsten komen ten laste van de deelnemende gemeenten. Als verdeelsleutel wordt gehanteerd het inwonertal op 1 januari van het jaar waarvoor de bijdrage is verschuldigd. 4. De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks voor 1 april 90% van de over het betreffende dienstjaar verschuldigde bijdrage. HOOFDSTUK 6: WIJZIGING, TOETREDING, UITTREDING en OPHEFFING Artikel 12 Wijziging 1. Iedere deelnemer kan een voorstel doen tot een wijziging van deze regeling. 2. De wijziging komt tot stand, indien twee derde van de deelnemende colleges aan deze regeling met de wijziging van de regeling akkoord zijn gegaan. 3. De wijziging van deze regeling wordt als voorgenomen besluit voorgelegd aan de gemeenteraden van de deelnemers, die binnen 8 weken na ontvangst van het ontwerp van de wijzing hun zienswijze hierover kunnen uitbrengen. 4. De deelnemers gaan pas over tot een definitieve wijziging van deze regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden van de deelnemers. 5. De wijziging van deze regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgend op de dag van de bekendmaking ervan in het Gemeenteblad door de centrumgemeente. 6.

Op de wijziging van deze regeling is artikel 17, lid 2 en 3 van deze regeling van overeenkomstige toepassing. Artikel 13 Toetreding 1. Een college, niet zijnde een college van de deelnemende gemeenten, kan een verzoek tot toetreding richten aan het college van de centrumgemeente. 2. Het college van de centrumgemeente zendt het verzoek, als bedoeld in het eerste lid, aan de colleges van de deelnemende gemeenten.

4

3.

4.

5.

6.

7.

Toetreding geschiedt nadat de colleges van de deelnemende gemeenten met het verzoekende college, bedoeld in het eerste lid, overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden voor toetreding. De toetreding, zoals bedoeld in het vorige lid, wordt pas voorgelegd aan de gemeenteraden van de deelnemers, indien alle deelnemers met de toetreding akkoord zijn. De toetreding vindt niet eerder plaats dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden van de deelnemers en de gemeenteraad van het toetredende college. De toetreding tot de regeling geschiedt, tenzij anders bepaald, per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het besluit tot toetreding en de bekendmaking daarvan door de colleges van deelnemende gemeenten en de verzoekende gemeente. Op de toetreding van een deelnemer aan deze regeling is artikel 17, lid 2 en 3 van deze regeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14 Uittreding 1. Een college van een deelnemende gemeente kan een verzoek tot uittreding uit de regeling indienen bij het college van de centrumgemeente. 2. Het college van de centrumgemeente zendt het verzoek, als bedoeld in het eerste lid, aan de colleges van de deelnemende gemeenten. 3. Het college van de centrumgemeente inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het uittredingsplan. 4. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het college van de centrumgemeente een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van dit college het uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 5. Het uittredingsplan wordt voorgelegd aan de commissie van advies, die vervolgens het college van de centrumgemeente adviseert. 6. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 7. Het uittredingsplan bepaalt de wijze van berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 8.

Het uittredingsplan bevat een berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de uittreedsom. 9. De uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. 10. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door de centrumgemeente die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 11. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de centrumgemeente die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 12. De centrumgemeente brengt de uittreedsom in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van deze uittreedsom. 13. De centrumgemeente is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden.

5

14. De uittreding uit de regeling geschiedt, tenzij anders bepaald, per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het besluit tot uittreding en de bekendmaking daarvan door de colleges van de deelnemende gemeenten. Tussen het besluit tot uittreding en de feitelijke uittreding moeten ten minste 2 jaren gelegen zijn 15. Een college dat voornemens is uit te treden kan het college van de centrumgemeente vragen een indicatie te geven van de gevolgen van de uittreding, overeenkomstig hetgeen in deze regeling bepaald. De indicatie wordt binnen zes maanden opgeleverd, tenzij het betreffende uittredende college en het college van de centrumgemeente anders overeenkomen. De kosten voor het opstellen van de indicatie komen voor rekening van het college dat om de indicatie heeft verzocht. De indicatie bindt de gemeenten geenszins wanneer definitief tot uittreding wordt besloten. 16. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 17. Op de uittreding van een deelnemer aan deze regeling is artikel 19, lid 2 en 3 van deze regeling van overeenkomstige toepassing. Artikel 15 Opheffing 1. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkend besluit van de colleges van tenminste tweederde van het aantal deelnemende gemeenten.

Een verzoek tot uittreding van minimaal twee derde van de deelnemers wordt beschouwd als een verzoek tot opheffing. 2. Indien een besluit tot opheffing, als bedoeld in het vorige lid, wordt genomen, geven de deelnemers een onafhankelijke registeraccountant de opdracht om een opheffingsplan op te stellen. 3. Het opheffingsplan, bedoeld in het tweede lid, voorziet in ieder geval in de verplichting van de deelnemende gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing en de personele gevolgen hiervan. Het opheffingsplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging voor de centrumgemeente heeft verband houdende met het personeel als bedoeld in artikel 8 van deze regeling. 4. Het opheffingsplan wordt door het college van de centrumgemeente, gehoord de commissie van advies, als bedoeld in artikel 5 van deze regeling, vastgesteld. Het advies is voor het college van de centrumgemeente bindend, indien dit is tot stand gekomen bij besluit van tenminste twee derde van het aantal in de commissie van advies zitting hebbende leden. 5. Het college van de centrumgemeente is belast met de uitvoering van het opheffingsplan. 6. Op de opheffing van deze regeling is artikel 17, lid 2 en 3 van deze regeling van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 7: EVALUATIE en VERSLAG van BEVINDINGEN Artikel 16 Evaluatie Eenmaal in de drie jaar wordt de gemeenschappelijke regeling geëvalueerd, tenzij anders door het college van de centrumgemeente, gehoord de commissie van advies, wordt besproken. Artikel 17 Verslag van bevindingen 1. Jaarlijks wordt door alle deelnemers gezamenlijk een verslag van bevindingen van het functioneren van de gemeenschappelijke regeling opgesteld.

6

2.

Dit verslag wordt, gehoord de commissie van advies, aan het college van de centrumgemeente aangeboden.

HOOFDSTUK 8: SLOTBEPALINGEN Artikel 18 Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2024. 2. Het college van de centrumgemeente draagt zorg voor de in artikel 26, lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bedoelde bekendmaking. 3. Het college van de centrumgemeente voegt, conform het bepaalde in artikel 26, lid 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de gegevens toe in het register. Artikel 19 Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 20 Titel De regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling Bijzonder Onderzoek Regio Zuid-Gelderland“. Vastgesteld door het college van de gemeente Beuningen in zijn vergadering van

De secretaris

de burgemeester

Vastgesteld door het college van de gemeente Berg en Dal in zijn vergadering van

De secretaris

de burgemeester

Vastgesteld door het college van de gemeente Druten in zijn vergadering van

De secretaris

de burgemeester

Vastgesteld door het college van de gemeente Heumen in zijn vergadering van

De secretaris

de burgemeester

Vastgesteld door het college van de gemeente Wijchen in zijn vergadering van

De secretaris

de burgemeester

7

Openbaar

Zaaknummer: Z/23/145833

Beslisnota voor het College van B&W Onderwerp: Toestemming vaststellen gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek (IBO) Datum: 23 april 2024 Voorgesteld besluit het College van B&W besluit: 1. de raad voor te stellen toestemming te geven aan het college om de gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek (IBO) vast te stellen, conform bijgevoegd vaststellingsbesluit. Aanleiding Per 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) gewijzigd met als doel de democratische legitimatie en kaderstellende en controlerende rol van de gemeenteraden te verstevigen. Een aantal wijzigingen is direct in werking getreden. Voor een aantal andere wijzigingen geldt een implementatietermijn van 2 jaar. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van de gemeenschappelijke regeling IBO is aan alle deelnemende gemeenteraden voor zienswijze voorgelegd. Uw raad heeft op 1 februari 2024 besloten om geen zienswijze kenbaar te maken. De raden van de overige deelnemers hebben ook geen zienswijze ingediend. Concreet betekent dit dat alle raden kunnen instemmen met het ontwerpbesluit tot vaststelling. Toch wordt het ontwerp besluit op één onderdeel aangepast. Dat wordt verder toegelicht onder het kopje “argumenten”. Wij zijn voornemens het bijgevoegde vaststellingsbesluit vast te stellen.

Voordat wij dit kunnen doen, moeten wij op grond van artikel 1, vierde lid, van de Wgr eerst toestemming vragen aan uw raad. Uw raad mag deze toestemming alleen onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Eerdere besluiten Datum

Korte omschrijving eerder genomen besluit (vermeld zo mogelijk het zaaknummer/documentnummer)

01-02-2024

Z/23/145833: Op het ontwerp vaststellingsbesluit van de gemeenschappelijke regeling lnstituut Bijzonder Onderzoek is het besluit genomen geen zienswijze naar voren te brengen.

Gewenst resultaat Het vaststellen van de gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek zodat deze voldoet aan de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen. Argumenten 1.1 Het vaststellingsbesluit is gewijzigd ten opzichte van het eerder ontwerp.

Pagina 1 van 2

Openbaar

Zaaknummer: Z/23/145833

Hoewel er geen zienswijzen zijn ingediend op het ontwerp vaststellingsbesluit, wordt het besluit toch op één onderdeel gewijzigd. Dit heeft te maken met het feit dat de colleges van de deelnemende gemeenten, met uitzondering van de gemeente Berg en Dal, eind 2023 hebben besloten om het toezicht op de Wet Inburgering 2021 onder te brengen bij het IBO. Omdat dit een nieuwe taak voor het IBO wordt, wordt deze taak in artikel 3 toegevoegd. Op dit onderdeel wordt het vaststellingsbesluit dus gewijzigd. Momenteel spelen er nog een tweetal zaken bij het IBO. Er zijn plannen om de systematiek van de bijdrage van de deelnemers aan de centrumgemeente te wijzigen. Daarnaast wil de gemeente Mook en Middelaar mogelijk toetreden tot de GR IBO. Zodra over deze ontwikkelingen besluitvorming heeft plaatsgevonden, zal een wijziging van de gemeenschappelijke regeling worden voorbereid. 1.2

Het vaststellingsbesluit is niet in strijd met het recht of het algemeen belang. Alleen om deze reden kan de raad afzien van het geven van toestemming. Dit volgt uit artikel 1, vierde lid, van de Wgr.

Tegenargumenten en risico’s Niet van toepassing. Financiële gevolgen Dit voorstel heeft geen financiële consequenties. Communicatie Niet van toepassing. Inwonersparticipatie Niet van toepassing. Uitvoering of Vervolgstappen Nadat uw raad toestemming aan het college heeft gegeven, zal het college de gemeenschappelijke regeling, conform bijgevoegd vaststellingsbesluit, vaststellen. Nadat alle colleges zijn overgegaan tot vaststelling van het besluit tot vaststelling van de gemeenschappelijke regeling, volgt een bekendmaking hiervan door de aangewezen gemeente, waarmee de nieuwe regeling in werking treedt. Geheimhouding: Niet van toepassing. Advies Algemeen Juridische Zaken: positief. Bijlagen 1. Vaststellingsbesluit gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek. 2. Raadsvoorstel toestemming vaststellingsbesluit gemeenschappelijke regeling Instituut Bijzonder Onderzoek.

Pagina 2 van 2

Raad openbaar Wijchen Dossiernummer

5809

Extern Zaak ID

Z/23/149374

Vertrouwelijk

Nee

Vergaderdatum

13 juni 2024

Agendapunt

3.c

Titel

149374 Beslisnota Toestemming wijzigen gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen (Munitax)

Organisatieonderdeel

domein Bedrijfsvoering - team Financieel beleid

Eigenaar

Orsouw, van, Raoul

Soort nota

Beslisnota

Programma/Paragraaf

§8 Verbonden partijen

Portefeuillehouder(s) Wijchen

Gerrits, G.W.R. (Geert)

Telefoonnummer steller

0884327190

E-mail adres steller

r.van.orsouw@drutenwijchen.nl

Bijlagen Bijlage 1 Geconsolideerde tekst GR Munitax Bijlage 2 Wijzigingsbesluit GR Munitax 2024 Wijchen 149374 Beslisnota Toestemming wijzigen gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen (Munitax) Geagendeerd

Vergaderdatum

College BenW openbaar Wijchen

23 april 2024

Stukken Agendacommissie Wijchen

26 april 2024

Raad openbaar Wijchen

13 juni 2024

Voorgesteld besluit 1. toestemming te geven aan het college om de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen (Munitax) te wijzigen, conform bijgevoegd wijzigingsbesluit. Besluit (Aangenomen)

1. toestemming te geven aan het college om de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen (Munitax) te wijzigen, conform bijgevoegd wijzigingsbesluit.

Regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen, overwegende dat: -

-

voor een doelmatige uitvoering van de gemeentelijke taken op het gebied van het heffen en invorderen van gemeentelijke rechten en belastingen en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) intergemeentelijke samenwerking wenselijk is; intergemeentelijke samenwerking leidt tot een vermindering van kwetsbaarheid en een verbetering van de continuïteit en de kwaliteit van uitvoering; als rechtsvorm de gemeenschappelijke regeling met een centrumgemeente de voorkeur geniet; de gemeente Beuningen als centrumgemeente wordt aangewezen; de autonomie van de afzonderlijke gemeenten ten aanzien van de tarieven en belastingsoorten behouden blijft;

besluiten: de volgende 'Regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen', hierna genoemd 'de regeling' aan te gaan:

Artikel 1. Algemene bepalingen Deze regeling verstaat onder: a. de gemeenten: de aan deze regeling deelnemende gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen; b. de uitvoeringsorganisatie: de centrumgemeente, waar het gemeenschappelijk belastingkantoor van de gemeenten is ondergebracht, waar de in deze regeling beschreven taken worden uitgevoerd; c. centrumgemeente : de gemeente Beuningen; d. dienstverleningsovereenkomst: de overeenkomst die de gemeenten afsluiten ter uitvoering van deze gemeenschappelijke regeling; e. regeling: Regeling gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen; f. wet: Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 2. Doel en reikwijdte van de regeling 1. De regeling wordt aangegaan ter behartiging van het belang van een goede uitvoering van de taken van de gemeenten op het gebied van het heffen en invorderen van gemeentelijke rechten en belastingen en de uitvoering van de Wet WOZ. 2. De uitvoeringsorganisatie wordt belast met de uitvoering van de in het eerste lid genoemde belastingtaken. 3. De gemeenten sluiten één of meer dienstverleningsovereenkomsten met de centrumgemeente af om het in artikel 2, eerste lid, gestelde doel te realiseren.

Artikel 3. Portefeuillehouderoverleg 1. De portefeuillehouders Belastingen van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten komen tenminste eenmaal per jaar in vergadering bijeen voor overleg en afstemming ter zake de Regeling. 2. Het hoofd van de uitvoeringsorganisatie is als adviseur aanwezig bij het overleg, als bedoeld in lid 1, en adviseert de portefeuillehouders over de aan de orde zijnde onderwerpen. Artikel 4. De uitvoeringsorganisatie 1. De uitvoeringsorganisatie voert met inachtneming van het overige in deze regeling bepaalde de dienstverleningsovereenkomst uit. 2. De verantwoordelijkheid voor de organisatorische vormgeving en de hiërarchische aansturing van de uitvoeringsorganisatie, inclusief alle aangelegenheden van rechtspositionele aard, ligt bij de centrumgemeente. 3. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten noodzakelijk voor de uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst mandateren de bevoegde bestuursorganen van de gemeenten aan het hoofd van de uitvoeringsorganisatie met de mogelijkheid van ondermandaat. 4. De bevoegde bestuursorganen van de gemeenten wijzen het hoofd van de uitvoeringsorganisatie aan als gemeenteambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel a en b van de Gemeentewet en artikel 1, tweede lid van de wet WOZ. 5.

De uitvoeringsorganisatie verricht haar werkzaamheden ter uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst vanuit de centrumgemeente. 6. De uitvoeringsorganisatie legt tijdig rekening en verantwoording af aan het portefeuillehouderoverleg. Artikel 5. Beleid 1. De uitvoeringsorganisatie verzorgt de beleidsvoorbereiding met betrekking tot de producten, waarop deze regeling betrekking heeft. 2. De uitvoeringsorganisatie draagt zorg voor de onderlinge afstemming ter voorbereiding van de besluitvorming, evenals de administratief juridische verwerking, waaronder publicatie, ter inzagelegging en toezending aan andere instanties. 3. De uitvoeringsorganisatie verzorgt de voorbereiding van voorstellen tot vaststelling en wijziging van verordeningen ter zake tarieven en belastingsoorten ten behoeve van de individuele gemeenten, gehoord de portefeuillehouder van de gemeente waarop de voorstellen betrekking hebben. 4. De uitvoeringsorganisatie legt voorstellen ter zake vaststelling en wijziging van overig beleid ter besluitvorming voor aan het college of colleges op wie de voorstellen betrekking hebben, gehoord de portefeuillehouders van de deelnemende gemeenten. 5. De uitvoeringsorganisatie draagt zorg voor de administratief juridische verwerking, waaronder publicatie, ter inzagelegging en toezending aan andere instanties. Artikel 6. Financiële bepaling 1.

De kostenverdeling verbonden aan de dienstverlening door de centrumgemeente wordt uitgewerkt in één of meerdere dienstverleningsovereenkomsten. 2. De kostensoorten en toerekening van kosten worden uitgewerkt in één of meerdere dienstverleningsovereenkomsten. 3. De centrumgemeente stelt jaarlijks vóór 1 juni voorafgaand aan het kalenderjaar een conceptbegroting op ter zake de uitvoeringsorganisatie, welke ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het portefeuillehouderoverleg.

4. Het portefeuillehouderoverleg stelt jaarlijks vóór 1 juli de conceptbegroting vast ten behoeve van de begrotingsbehandelingen in de gemeenteraden. 5. De centrumgemeente verzendt vóór 1 april van ieder kalenderjaar aan de overige gemeenten een nacalculatie van het afgelopen kalenderjaar op basis van de werkelijke kosten en aantallen. 6. De gemeenten betalen aan de centrumgemeente per kwartaal een voorschot dat gelijk is aan 25% van de in lid 2 opgenomen kosten. Artikel 7. Archief 1. . 1. Het college van de gemeente Beuningen draagt zorg voor de archiefbescheiden ten behoeve van de uitvoering van deze centrumregeling. 2. De aangewezen archivaris van de gemeente Beuningen is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 3. Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4, lid 1 van de Archiefwet 1995. 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, lid 1 en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde bestuursorganen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Beuningen.

Artikel 8 Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 9 Wijziging 1. Iedere deelnemer kan een voorstel doen tot een wijziging van deze regeling. 2. De regeling wordt gewijzigd bij unaniem besluit van de deelnemende colleges. 3. De wijziging van deze regeling wordt als voorgenomen besluit voorgelegd aan de gemeenteraden van de deelnemers, die binnen 8 weken na ontvangst van het ontwerp van de wijzing hun zienswijze hierover kunnen uitbrengen. 4. De deelnemers gaan pas over tot een definitieve wijziging van deze regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden van de deelnemers. Artikel 10 Toetreding 1. Een college kan een verzoek tot toetreding richten aan het college van de centrumgemeente. 2. Het college van de centrumgemeente doet een voorstel tot toetreding en regelt daarbij de voorwaarden die aan de toetreding zijn verbonden en stelt een toetredingssom vast. 3. De toetreding, zoals bedoeld in het vorige lid, wordt pas voorgelegd aan de gemeenteraden van de deelnemers, indien alle deelnemers met de toetreding akkoord zijn. 4. De toetreding vindt niet eerder plaats dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden van de deelnemers en de gemeenteraad van het toetredende college. 5. De toetreding tot de regeling geschiedt, tenzij anders bepaald, per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het besluit tot toetreding.

Artikel 11 Uittreding 1. Een deelnemer kan een verzoek tot uittreding uit de regeling indienen bij het college van de centrumgemeente. 2. Het college van de centrumgemeente zendt het verzoek, als bedoeld in het eerste lid, aan de colleges van de deelnemende gemeenten. 3. Het college van de centrumgemeente inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het uittredingsplan. 4. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het college van de centrumgemeente een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van dit college het uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 5. Het in het vorige lid bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer. 6. De uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. 7.

Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door de centrumgemeente die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 8. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de centrumgemeente die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 9. De centrumgemeente brengt de uittreedsom in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van deze uittreedsom. 10. De centrumgemeente is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. 11. De uittreding uit de regeling geschiedt, tenzij anders bepaald, per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het besluit tot uittreding en de bekendmaking daarvan door de colleges van de deelnemende gemeenten. Tussen het besluit tot uittreding en de feitelijke uittreding moeten ten minste 2 jaren gelegen zijn. Artikel 12 Opheffing 1. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkend besluit van alle colleges van de deelnemende gemeenten. Een verzoek tot uittreding van minimaal twee derde van de deelnemers wordt beschouwd als een verzoek tot opheffing. 2.

Indien een besluit tot opheffing, als bedoeld in het vorige lid, wordt genomen, zal het college van de centrumgemeente een opheffingsplan opstellen. 3. Het opheffingsplan, bedoeld in het tweede lid, voorziet in ieder geval in de verplichting van de deelnemende gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing en de personele gevolgen hiervan. Het opheffingsplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging voor de centrumgemeente heeft verband houdende met het personeel. 4. Het college van de centrumgemeente is belast met de uitvoering van het opheffingsplan.

Artikel 13 Evaluatie 1. Elke deelnemer kan een verzoek om evaluatie van de regeling bij het college van de centrumgemeente indienen. 2. Het college van de centrumgemeente beslist op het verzoek en stelt de onderzoeksopdracht vast. Artikel 14 Bekendmaking en inwerkingtreding 1. De datum van ingang van deze regeling is 1 januari 2012. 2. Het college van de centrumgemeente maakt deze regeling tijdig bekend in het gemeenteblad overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 van de wet. 3. Het college van de centrumgemeente voegt de gegevens van deze regeling toe in het register zoals bedoeld in artikel 136, lid 1 van de wet. Artikel 15 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als 'Regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen'.

Ondertekening Aldus vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Wijchen.

Toelichting op de Regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen Artikel 1. Algemene bepalingen Sub d: De dienstverleningsovereenkomst (DVO) is een belangrijk document in de samenwerking tussen de gemeenten. Deze overeenkomst regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de gemeenschappelijke regeling en bevat daarom bepalingen omtrent kosten, kostenverdeling, rechten, plichten en kwaliteitsdoelstellingen. Artikel 2. Doel en reikwijdte van de regeling Lid 1 en 2: De regeling ziet primair op de uitvoering van de taken van de gemeenten op het gebied van het heffen en invorderen van gemeentelijke rechten en belastingen en de uitvoering van de WOZ. Voor de uitvoering wordt geen openbaar lichaam, afzonderlijk gemeenschappelijk orgaan of stichting, maar een gezamenlijke uitvoeringsorganisatie die ondergebracht wordt bij een centrumgemeente. In het perspectief van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) is dit een van de lichtste vormen van samenwerking. De gemeentelijke autonomie ter zake beleidsbepaling blijven volledig intact. Voorts is de samenwerking niet gebonden aan een aantal procedurele vereisten die de Wgr aan zwaardere vormen wel voorschrijft. Lid 2 en 3: De Regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen is een kaderregeling.

De verfijning en uitwerking van onderlinge verplichtingen en rechten en plichten wordt vastgelegd in één of meer dienstverleningsovereenkomsten, die de colleges met elkaar afsluiten. Artikel 3. Portefeuillehouderoverleg Vanuit hun bestuurlijke verantwoordelijkheid binnen de gemeenten voor het beleidsveld belastinggebied worden de portefeuillehouders als eersten betrokken bij de voorbereiding van besluiten ter zake het belastinggebied. Het portefeuillehouderoverleg beoogt waar mogelijk afstemming binnen de deelnemend, gemeenten te bevorderen. Artikel 4. De uitvoeringsorganisatie De nieuw te vormen uitvoeringsorganisatie is het hart van de samenwerking en functioneert als 'afdeling' voor de deelnemende gemeenten. Om het hoofd van de uitvoeringsorganisatie in staat te stellen zijn uitvoerende taak naar behoren en adequaat vorm te geven, is het noodzakelijk mandaat te verlenen voor tenminste die taken waarvoor het te doen gebruikelijk is mandaat te verlenen. De bevoegdheden van de heffingsambtenaar en de invorderingsambtenaar ingevolge artikel 231, tweede lid onderdeel a en b van de Gemeentewet, betreffen geen bevoegdheden op grond van mandaat, maar zelfstandige bevoegdheden op grond van de wet. De colleges zijn verplicht deze ambtenaren aan te wijzen met een aanwijzingsbesluit. Deze ambtenaren zijn zelfstandige bestuursorganen tegen wiens besluiten bezwaar en beroep openstaat.

Tenslotte is geregeld dat de uitvoeringsorganisatie verantwoording aflegt aan het portefeuillehouderoverleg. Deze verantwoording betreft de inhoudelijke aspecten van het beleidsveld Belastingen. De aansturing van het personeel en aanverwante zaken is een zaak van de centrumgemeente, die daartoe van het hoofd van de uitvoeringsorganisatie een afdelingsplan kan verlangen.

Artikel 5. Beleid De uitvoeringsorganisatie verzorgt de beleidsvoorbereiding met betrekking tot de producten, waarop deze regeling betrekking heeft. In het algemeen betreft dit het redigeren van en het adviseren over de belastingverordeningen. In mindere mate voorkomend, maar evenwel mogelijk, is het vaststellen van 'overig' belastingbeleid. Het beleidsveld belasting wordt immers als relatief beleidsarm gekenschetst. De uitvoeringsorganisatie draagt waar mogelijk zorg voor onderlinge afstemming ter voorbereiding van de besluitvorming en draagt zorg voor de administratief juridische verwerking, waaronder toezending aan andere instanties, alsmede publicatie en ter inzagelegging, waartoe de andere gemeenten hun medewerking verlenen. Artikel 6. Financiële bepaling Lid 1 De kostenverdeling verbonden aan de dienstverlening door de centrumgemeente wordt uitgewerkt in de dienstverleningsovereenkomst. De termijnen als genoemd in de volgende leden van het artikel geven de deelnemende gemeente voldoende gelegenheid de financiële consequenties te verwerken in de gemeentebegrotingen en jaarrekeningen. Lid 3 en 4 Het budgetrecht behoort aan de gemeenteraden, die jaarlijks de gemeentebegroting vaststellen.

Teneinde de relaties tussen de financiële consequenties van het gemeenschappelijk belastingkantoor met inbegrip van de dienstverleningsovereenkomst(en), de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de portefeuillehouders en de gemeentebegroting te reguleren, zijn de procedurebeginselen in dit artikel vastgelegd. Kosten verdeling De kostensoorten zijn in beginsel vast en kunnen in de DVO (of DVO's) vrij nauwkeurig worden benoemd. De kosten zelf zijn bijna altijd variabel, zowel de gemeenschappelijke kosten als de aan eigen gemeentelijk beleid gerelateerde kosten (bv individuele belastingtarieven). In de DVO wordt een algemene bepaling opgenomen over de wijze waarop de kostenverdeling wordt vastgesteld. De goedkeuring met betrekking tot de kostenverdeling zelf volgt uit de goedgekeurde gemeentebegrotingen. Hiermee wordt het budgetrecht van de gemeenteraad volledig gerespecteerd. In de DVO wordt een bepaling opgenomen op grond waarvan de door de raad vastgestelde begrotingsparagraaf bindend is voor de kostenverdeling tussen de gemeenten. Zo wordt voorkomen, dat - naast de verplichte begrotingen- ieder jaar ook een nieuwe DVO moet worden overeengekomen. De aansprakelijkheid bij financiële claims van derden wordt beheerst door de criteria uit het Burgerlijk Wetboek (BW 6:162 en volgende). Het financiële risico ligt bij die gemeente die de schade toerekenbaar veroorzaakt.

Een van het Burgerlijk Wetboek afwijkende regeling wordt niet noodzakelijk geacht. Artikel 7. Archief Als er binnen een Gemeenschappelijke regeling geen Archiefverordening en/of Besluit Informatiebeheer zijn, gelden die van gemeente van vestiging. Het artikel is aangepast aan de bepalingen van de Archiefwet.

Artikel 8. Duur van de regelingDit artikel bepaalt dat de regeling voor onbepaalde tijd is aangegaan. Artikel 9. Wijziging Gewijzigde omstandigheden kunnen aanleiding geven om de regeling te wijzigen. Daarvoor is met deze bepaling een voorziening getroffen. Iedere deelnemer kan voorstellen voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling doen. De colleges besluiten hierover unaniem (art. 1 lid 5 jo. lid 1 Wgr), na toestemming van hun raden (art. 1 lid 5 jo. lid 4 Wgr). Artikel 10 Toetreding Dit artikel regelt de procedure voor toetreding van nieuwe partijen, voor zover die partijen daartoe op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen bevoegd zijn. Toetreding kan geschieden bij gelijkluidend besluit van de colleges én het potentieel deelnemende college (art. 1 lid 3 jo. lid 1 Wgr). De colleges moeten daarvoor toestemming van hun raden hebben (art. 1 lid 3 jo. lid 2 Wgr), zoals ook het potentieel toetredende college dat nodig heeft. Toetreding vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgens op het besluit tot toetreding.

Artikel 11 Uittreding Met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) van 1 juli 2022 is in artikel 9 Wgr expliciet bepaald dat er nu in de regeling (voor zowel bepaalde als onbepaalde tijd) bepalingen moeten worden opgenomen over de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon (GR) en de deelnemende gemeenten. Per regeling moet daarom worden opgenomen op welke wijze (proces en inhoud) wordt bepaald wat de gevolgen van de uittreding zijn en op welke manier het vermogen van de deelnemers wordt beïnvloed. Met artikel 11 wordt dit geregeld. In deze artikelen wordt de procedure, de voorwaarden en de gevolgen van uittreding beschreven. Hiermee is het voor deelnemers op voorhand duidelijk hoe de procedure tot uittreding verloopt, hoe de uittreedsom wordt bepaald en dat de uittredende deelnemer deze moet betalen. Een uittredende deelnemer is verantwoordelijk voor de kosten die met de uittreding gepaard gaan. Daarbij valt te denken aan frictie-, desintegratie- en projectkosten. Om de uittredingssom onafhankelijk te laten vaststellen is gekozen voor het aanwijzen van een onafhankelijke deskundige door het college van de centrumgemeente. Artikel 12 Opheffing Dit artikel regelt de opheffing.

Daartoe zijn gelijkluidende besluiten van minimaal twee derde van de individuele colleges vereist (lid 1), inclusief de benodigde toestemming van de raden. Het bestuur stelt vervolgens een opheffingsplan op (lid 2). Het opheffingsplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het opheffingsplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel. Het college van de centrumgemeente is belast met de uitvoering van het opheffingsplan (lid 4).

Artikel 13 Evaluatie Met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) van 1 juli 2022 is in artikel 11a Wgr de verplichting geïntroduceerd dat in de gemeenschappelijke regeling bepalingen omtrent de evaluatie van de regeling moeten worden opgenomen. Voor de centrumgemeente is gekozen om dat deelnemers een verzoek om evaluatie kunnen doen. Artikel 14 Bekendmaking en inwerkingtreding Het oude artikel 9 is geheel gewijzigd en aangepast aan het nieuwe artikel 26 Wgr (inwerkingtreding Wet elektronische publicaties). Artikel 15 Citeertitel Deze regeling wordt begripsvormend en aangehaald als 'Regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen'.

Besluit tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen; overwegende dat de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022 is gewijzigd; de gemeenschappelijke regelingen vóór 1 juli 2024 aan deze wet moeten zijn aangepast; de Wet elektronische publicaties in werking is getreden; de gemeenschappelijke regeling hierop aangepast moet worden; gezien het daartoe strekkende verzoek van het college van de centrumgemeente van de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen; gelet op het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de verkregen zienswijzen en toestemming van de gemeenteraad van de gemeente Wijchen; BESLUITEN vast te stellen de navolgende wijziging van de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen.

ARTIKEL I De gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen wordt als volgt gewijzigd. A. De eerste zin van de regeling wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst De colleges van burgemeester en De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten wethouders van de gemeenten Berg en Beuningen, Druten, Groesbeek, Heumen Dal, Beuningen, Druten, Heumen en en Wijchen, Wijchen, B. Artikel 1, sub a van de regeling wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst a. de gemeenten: de aan deze regeling a. de gemeenten: de aan deze regeling deelnemende gemeenten Beuningen, deelnemende gemeenten Berg en Dal, Druten, Groesbeek, Heumen en Wijchen; Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen;

1/12

C. Aan artikel 1 wordt een sub e en sub f toegevoegd: Bestaande tekst Nieuwe tekst e. regeling: Regeling gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen; f. wet: Wet gemeenschappelijke regelingen. D. Artikel 2, lid 3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst 3. De gemeenten sluiten één of meer dienstverleningsovereenkomst af om het in artikel 2, eerste lid, gestelde doel te realiseren. E. Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst 1. Ten aanzien van de zorg en het beheer van de archiefbescheiden van de organen van de regeling alsmede ten aanzien van het toezicht op het beheer zijn de voorschriften van de gemeente van vestiging van overeenkomstige toepassing. 2. De aan de uitvoering van het eerste lid verbonden kosten komen ten laste van de regeling. 3. Als beheerseenheden worden aangemerkt de door het dagelijks bestuur als zodanig aangewezen organisatieonderdelen.

Nieuwe tekst 3. De gemeenten sluiten één of meer dienstverleningsovereenkomsten met de centrumgemeente af om het in artikel 2, eerste lid, gestelde doel te realiseren

Nieuwe tekst 1. Het college van de gemeente Beuningen draagt zorg voor de archiefbescheiden ten behoeve van de uitvoering van deze centrumregeling. 2. De aangewezen archivaris van de gemeente Beuningen is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 3. Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4, lid 1 van de Archiefwet 1995. 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, lid 1 en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde bestuursorganen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Beuningen.

2/12

F. Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst 1. Toetreding tot de Regeling door andere gemeenten behoeft goedkeuring van de deelnemende gemeenten. 2. Deze regeling kan worden gewijzigd, dan wel worden opgeheven na een daartoe strekkend besluit van de deelnemende gemeenten. 3. De deelnemende gemeenten kunnen besluiten tot opheffing van de regeling. In dat geval stelt de centrumgemeente een liquidatieplan op met daarin opgenomen de financiële gevolgen van de opheffing. 4. Indien zich gedurende die periode omstandigheden van buitengewone aard voordoen die desondanks tot uittreding c.q. opheffing van de regeling kunnen dwingen, zal hiervan na instemming tussen de gemeenten kunnen worden afgeweken. 5. Onder deze omstandigheden van buitengewone aard als bedoeld in het vorige lid van dit artikel wordt mede verstaan de situatie, dat het aantal categorieën van producten, waarop de Regeling betrekking heeft, op grond van een wettelijk voorschrift, dat niet door de gemeenten is vastgesteld, wordt verminderd. 6. Uittreding vindt niet eerder plaats dan per 31 december van enig jaar, met inachtneming van een termijn van aanzegging aan de andere gemeenten van tenminste twee jaar. 7. De financiële gevolgen van uittreding komen voor rekening van de uittredende gemeente. Onder deze gevolgen wordt in ieder geval verstaan het ontstaan van wachtgeldverplichtingen. 8.

Voor de vaststelling van de financiële gevolgen van uittreding als bedoeld in lid 6, wordt voorafgaande aan die uittreding door de deelnemende gemeenten gezamenlijk advies gevraagd aan een onafhankelijke externe deskundige. Het advies van

Nieuwe tekst De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

3/12

deze deskundige is voor de gemeenten bindend. De kosten van het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de uittredende gemeente. G. Artikel 9 wordt vernummerd naar artikel 14. H. Vervolgens wordt een nieuw artikel 9 toegevoegd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 9 Wijziging 1. Iedere deelnemer kan een voorstel doen tot een wijziging van deze regeling. 2. De regeling wordt gewijzigd bij unaniem besluit van de deelnemende colleges. 3. De wijziging van deze regeling wordt als voorgenomen besluit voorgelegd aan de gemeenteraden van de deelnemers, die binnen 8 weken na ontvangst van het ontwerp van de wijzing hun zienswijze hierover kunnen uitbrengen. 4. De deelnemers gaan pas over tot een definitieve wijziging van deze regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden van de deelnemers. I. Na het (nieuwe) artikel 9 wordt een nieuw artikel 10 toegevoegd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 10 Toetreding 1. Een college kan een verzoek tot toetreding richten aan het college van de centrumgemeente. 2. Het college van de centrumgemeente doet een voorstel tot toetreding en regelt daarbij de voorwaarden die aan de toetreding zijn verbonden en stelt een toetredingssom vast. 3. De toetreding, zoals bedoeld in het vorige lid, wordt pas voorgelegd aan de gemeenteraden van de deelnemers, indien alle deelnemers met de toetreding akkoord zijn. 4/12

4. De toetreding vindt niet eerder plaats dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden van de deelnemers en de gemeenteraad van het toetredende college. 5. De toetreding tot de regeling geschiedt, tenzij anders bepaald, per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het besluit tot toetreding. J. Na het (nieuwe) artikel 10, wordt een nieuw artikel 11 ingevoegd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 11 Uittreding 1. Een deelnemer kan een verzoek tot uittreding uit de regeling indienen bij het college van de centrumgemeente. 2. Het college van de centrumgemeente zendt het verzoek, als bedoeld in het eerste lid, aan de colleges van de deelnemende gemeenten. 3. Het college van de centrumgemeente inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het uittredingsplan. 4. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het college van de centrumgemeente een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van dit college het uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 5.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=82efcd08-c1d4-499c-b4ec-e251973f0600