130339 De Lymen_Toelichting
Tekst van het document
4.6.1
Toetsingskader
De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) regelt op hoofdlijnen 3 zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden; 3 bescherming van bos en houtopstanden. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wnb onderscheid in 3 categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn 5 categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5).
30 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000 (hierna: N-2000). Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wnb de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Het beschermingsregime voor N-2000 gebieden blijft nagenoeg gelijk aan de bepalingen uit de voormalige Natuurbeschermingswet 1998. Voor beschermde natuurmonumenten geldt echter dat de beschermingsstatus van deze gebieden in de nieuwe wet is komen te vervallen. Toetsing aan (oude doelen van) beschermde natuurmonumenten is derhalve vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wnb niet meer noodzakelijk.
Stikstofdepositie Op grond van artikel 2.7 lid 2 Wnb is een vergunning vereist voor het realiseren van projecten waar op voorhand significante negatieve gevolgen op N-2000 gebieden niet zijn uit te sluiten. Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening voor projecten: - op basis van de Wnb is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een N-2000 gebied1. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten. Dit is voor stikstof bijvoorbeeld het geval indien er volgens de stikstofdepositieberekeningen geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt naar aanleiding van het te realiseren project of indien significante gevolgen kunnen worden uitgesloten in de voortoets; - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen betrokken worden.
De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het N-2000 gebied niet zal aantasten2; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: · A: er zijn geen alternatieve oplossingen; · D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; · C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van N-2000 bewaard blijft3. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. In de provincie Gelderland heet dit het Gelders Natuurnetwerk (GNN).
1 Artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming. 2 Artikel 2.7 lid 3 jo. Artikel 2.8 lid 3 Wet natuurbescherming. 3 Artikel 2.8 lid 2 Wet natuurbescherming.
31 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
Houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wnb. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: - alleen bossen die buiten de 'bebouwde kom Boswet' liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m 2); - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de 'bebouwde kom Boswet' bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de 'bebouwde kom Verkeerswet'. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd.
4.6.2
Resultaten
In het kader van het project voor realisatie van 2 hoogwatergeulen in uiterwaard De Lymen is door Natuurbalans - Limes Divergens een natuurtoets uitgevoerd door middel van bureauonderzoek en veldonderzoek op locatie, zie bijlage III. Soortenbescherming Uit de Natuurtoets blijkt dat een aantal beschermde soorten aanwezig zijn in en rond het plangebied, namelijk een aantal soorten vogels met een jaarrond beschermd nest, broedvogels, vleermuizen en wateren grondgebonden zoogdieren. Per klasse worden de effecten en te nemen maatregelen beschreven: - vogels met een jaarrond nest: · de nesten van vogels met een jaarrond beschermd nest zijn niet aangetroffen in het projectgebied; - broedvogels: · voor verschillende broedvogels is uiterwaard De Lymen broedgebied. Om in de realisatiefase negatieve effecten ten aanzien van broedvogels te voorkomen, dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen van aanwezige broedvogels. Als het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, kunnen voorbereidende maatregelen worden getroffen om de ingreeplocatie voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te maken voor vogels om er te broeden, op voorwaarde dat met zekerheid is vastgesteld dat er geen essentiële functies, zoals verblijfplaatsen en vliegroutes, voor andere beschermde soorten aanwezig zijn.
Met inachtneming van deze maatregelen zijn negatieve effecten op broedvogels tijdens de realisatie uitgesloten. Tijdens de gebruiksfase heeft De Lymen een positief effect op broedvogels. Omdat de uiterwaard wordt omgevormd tot natuur zal de toekomstige uiterwaard bijdragen aan een verbeterde habitat voor broedvogels met meer beschutting en minder verstoring; - vleermuizen: · het projectgebied biedt geen geschikte verblijfplaats, geen foeragegebied en geen vliegroute voor de vleermuis. Hieruit blijkt dat er als gevolg van het project geen verstoring van vleermuizen plaatsvindt; - water en grondgebonden zoogdieren: · voor de verblijfplaats van de bever geldt dat deze zich op een locatie bevindt waar geen verstoring zal plaatsvinden als gevolg van het project. Voor de bunzing en de steenmarter die zijn aangetroffen geldt dat de locatie waar zij waargenomen zijn (binnen het plangebied) in de huidige situatie geen geschikte leeflocatie is, en na de voorgenomen ontwikkeling wel. Het effect van de ontwikkeling voor deze soorten is daarom positief. Voor de das geldt dat er ruime afstand zit tussen het plangebied en de locatie waar zij gesignaleerd zijn. Negatief effect is daarmee uitgesloten. Voor de eekhoorn geldt dat er geen nesten zijn waargenomen en dat het uitgestrekte agrarische landschap geen geschikt leefgebied is voor deze soort.
Negatieve effecten voor de eekhoorn zijn daarmee uitgesloten. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het dichtstbijzijnde N-2000 gebied ‘Rijntakken’ ligt op circa 7 km afstand van het plangebied, zie
32 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
afbeelding 4.4. Gezien de afstand tot het plangebied en de aard van de ontwikkeling is er geen sprake van areaalverlies, beschadiging of aantasting van dit N-2000 gebied.
Afbeelding 4.4 Ligging van De Lymen (blauwe omlijning) ten opzichte van het N-2000 gebied Rijntakken. Het betreft Vogelrichtlijngebied (rood gestreepte vlekken) en Habitatrichtlijngebied (blauw gestreepte vlekken)
Stikstofdepositie In de bestaande situatie heeft het plangebied een agrarische functie waarbij bemesting is toegestaan. Bij het bemesten van agrarische percelen komt stikstof vrij in de vorm van ammoniak. Deze situatie betreft de feitelijk aanwezig, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Om die reden is er voor intern salderen sprake van een referentiesituatie in het kader van het planspoor. De stikstofdepositie in de aanlegfase vindt plaats bij de inzet van mobiele werktuigen, bouwverkeer en scheepvaart. De emissies van deze verschillende bronnen zijn berekend en voor de beoogde situatie en de hierboven beschreven referentiesituatie gemodelleerd in de AERIUS Calculator. Tabel 4.3 toont de maximale berekende bijdragen voor Natura 2000-gebieden waarop de depositie berekend is.
33 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
Tabel 4.3 Berekende resultaten op Natura 2000-gebieden ten gevolge van het netto planeffect Maximale berekende toename (mol N/ha/jaar)
Maximale berekende afname (mol N/ha/jaar)
Veluwe
0,00
0,13
Rijntakken
0,00
0,46
Sint Jansberg
0,00
0,04
De Bruuk
0,00
0,02
Binnenveld
0,00
0,04
Kolland & Overlangbroek
0,00
0,02
Uit de verschilberekeningen blijkt dat geen sprake is van een toename in stikstofdepositie. Er is zelfs sprake van een afname van stikstofdepositie ten gevolge van het planeffect, tot maximaal 0,46 mol N/ha/jaar. Op basis van deze resultaten is de conclusie dat significante negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie op voorhand kunnen worden uitgesloten. Er geldt voor dit project geen vergunningplicht in het kader van de Wnb. Het volledige stikstofdepositieonderzoek is opgenomen in bijlage VIII. Natuurnetwerk Nederland De provincie Gelderland heeft in het kader van het natuurnetwerk Nederland natuurgebieden in de provincie aangewezen voor het GNN. Het plangebied is onderdeel van deelgebied 150: Maasuiterwaarden HeumenAlphen. De voorgenomen ontwikkeling gaat om het omvormen van landbouwgrond naar natuur en draagt bij aan het realiseren van het GNN. Door de ontwikkeling wordt het areaal rivier-gebonden natuur vergroot. De maatregelen dragen bij aan zowel de kwaliteit van het leefgebied, de diversiteit aan soorten als aan de verbindende functie tussen gebiedendoor de aantakking op de Maas. Het type natuur zal veranderen, de omvang van het GNN blijft gelijk. Er zijn positieve effecten op de kernkwaliteiten van het natuurgebied doordat het areaal rivier-gebonden natuur wordt vergroot.
Zo worden dynamische rivierprocessen en transporten bevorderd en kleinschalige landschappen versterkt bij realisatie van de hoogwatergeulen. Er is dus een positief effect op het GNN. Houtopstanden Voor de realisatie van het natuurgebied worden geen houtopstanden gekapt of gerooid. Op basis van het vigerende bestemmingsplan geldt de dubbelbestemming waardevolle boom. Deze dubbelbestemming blijft in voorliggend bestemmingsplan gehandhaafd. Op die manier worden de waardevolle bakenbomen in het plangebied behouden.
4.6.3
Conclusie
Met inachtneming van te treffen maatregelen worden negatieve effecten op beschermde soorten uitgesloten. Ontheffing van de Wnb is daarmee niet nodig. Het project heeft een positief effect op het GNN en er worden geen bomen of houtopstanden gekapt. Significante negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.
4.7
Rivierkunde
In deze paragraaf worden de effecten van de realisatie van een natuurgebied en 2 hoogwatergeulen in De Lymen ten aanzien van rivierkunde beschouwd. Het volledige rivierkundige onderzoek is opgenomen in bijlage IX.
34 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
4.7.1
Toetsingskader
Een volledig geactualiseerde versie van het Rivierkundig Beoordelingskader is op 4 juni 2019 vastgesteld door de coördinerend directeur VTH voor toepassing binnen Rijkswaterstaat. In het Rivierkundig Beoordelingskader staan de rivierkundige beoordelingsaspecten beschreven die van toepassing kunnen zijn op ingrepen bij grote rivieren. Rivierkundige aspecten dienen beoordeeld te worden bij het opstellen van een Projectplan Waterwet. De resultaten van deze beoordeling worden tevens toegelicht in voorliggend bestemmingsplan. Voor de gebieden van de verschillende organisatieonderdelen van Rijkswaterstaat is vastgesteld welke beoordelingsaspecten van toepassing zijn. Rivierkundige beoordelingsaspecten worden ingedeeld in de volgende 3 hoofdthema’s: - hoogwaterveiligheid; - hinder of schade door hydraulische effecten; - morfologische aspecten.
Voor de Maas worden de volgende rivierkundige beoordelingsaspecten van toepassing geacht: - hoogwaterveiligheid: · waterstandsverschillen op de rivieras bij Hoogwaterrefentie; · hoogwaterreferentie buiten de rivieras; · ijsafvoer; - hinder of schade door hydraulische effecten: · inundatiefrequentie van de uiterwaard; · stroombeeld in de uiterwaard en hoofdgeul; · stroombeeld in vaarweg; · instroom retentiegebieden Maas; - morfologische effecten: · sedimentatie en erosie van het zomerbed (+ oevers) door ingrepen zomerbed en winterbed; · sedimentatie en erosie van uiterwaard en nevengeulen: sedimentatie winterbed en erosie winterbed.
4.7.2
Resultaten
In het kader van de herinrichting van De Lymen is een rapport opgesteld waarin de taakstelling van de herinrichting is vastgesteld en een rivierkundige effectbeoordeling op basis van de eisen van het Rivierkundig Beoordelingskader (RBK) is uitgevoerd (referentienummer: 130339/23-013.147). De taakstelling voor de herinrichting van de Lymen is als volgt: op rivierkilometer 184 moet ten minste 5 mm waterstandsdaling behaald worden bij een afvoer van 4.118 m 3/s. Dit geldt voor het verschil tussen de referentiesituatie en de variant van het definitieve ontwerp. De rivierkundige effecten van de herinrichting van De Lymen zijn berekend door middel van WAQUA-berekening uitgevoerd voor de hoogwaterreferentieafvoer (HWR) van 4.118 m3/s en afvoeren van 1.970, 1.470 en 1.250 m3/s. Hoogwaterveiligheid Waterstandsverschillen op de rivieras bij Hoogwaterreferentie De waterstandsdaling tussen de referentiesituatie en het definitieve ontwerp bedraagt op rivierkilometer 184 ongeveer 6 mm. Hiermee wordt met ruim 1 mm extra voldaan aan de taakstelling van de herinrichting. Benedenstrooms is sprake van een stijging van de waterstand. Deze benedenstroomse stijging is niet problematisch, omdat hier vanuit het project Meanderende Maas voldoende spelingsruimte is. Hoogwaterreferentie buiten de rivieras Maximale waterstandsdaling treedt op bovenstrooms van rivierkilometer 186.
De grootste opstuwing treedt op direct benedenstrooms van rivierkilometer 186, waar de stroming een verandering in ruwheid ondervindt,
35 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
ten opzichte van de referentiesituatie. Langs de noordelijke en zuidelijke dijk treedt er ten opzichte van YY2 een lokale, maximale opstuwing op van 15-20 mm. Ter hoogte van rivierkilometer 187 worden lokale verlagingen in de waterstand onderscheiden. Deze zijn het gevolg van het verwijderen van heggen, die in de referentie YY2 aanwezig waren en een groot effect hebben op de waterstand. Met betrekking tot waterstandseffecten buiten de rivieras, is met de beheerder overeengestemd dat de optredende opstuwing langs de dijken toelaatbaar is. IJsafvoer De RBK-eis voor ijsafvoer is dat een goede geleiding gewaarborgd dient te blijven voor de hoogwaterveiligheid. De herinrichting van De Lymen leidt niet tot een versmalling van de normaalbreedte van de rivier. De ligging van de gestrekte oevers blijft behouden. Enkel de kruinhoogte en de helling van de oevers veranderen. De ligging van de uitstroomopening is gestroomlijnd, waardoor er niet van opzij grote ijsschotsen op de rivier terecht komen, maar deze in de stroomrichting de hoofdgeul instromen. Ten slotte neemt het doorstroomoppervlak ook toe door het uitgraven van de geulen. Dit verkleint de kans op blokkades van ijsschotsen op de rivier. De herinrichting van De Lymen vormt geen hinder voor de ijsafvoer van de rivier.
Hinder of schade door hydraulische effecten Inundatiefrequentie van de uiterwaard Vrijwel de geheel uiterwaard rond De Lymen inundeert in de referentiesituatie zo’n 2 dagen per jaar. In de toekomstige situatie neemt de overstromingsfrequentie van het gebied toe en inundeert vrijwel de gehele uiterwaarde ten minste 4 dagen per jaar. De functie van het gebied verandert van agrarisch naar ecologisch. Voor een ecologische functie kan de toename in inundatiefrequentie voordelig zijn, mits de omstandigheden passen bij de habitat van de doelsoorten. Binnen het plangebied zal de toegenomen inundatiefrequentie geen nadelige gevolgen hebben. Daarmee wordt voldaan aan het RBK. Stroombeeld in de uiterwaard Als gevolg van de herinrichting van De Lymen neemt de stroomsnelheid toe in de geulen. Met name ter plaatse van de in- en uitstroomdrempel vinden de hoogste stroomsnelheden plaats. Door de toename in stroomsnelheid in moet worden getoetst of dit implicaties heeft op de stabiliteit van de drempels. Daarnaast moet worden onderzocht of deze stroomsnelheden niet leiden tot een aantasting van de geplande vegetatie. Stroombeeld in de vaarweg/dwarsstroming Dwarsstroming kan hinder veroorzaken voor scheepvaart. Door de verbinding tussen de geulen op de uiterwaarde van De Lymen ontstaat er stroming in de dwarsrichting op de hoofdgeul.
Bij toenemende afvoer neemt de uitwisseling van water (en de hoeveelheid dwarsstroming) tussen het zomerbed en de uiterwaard toe. Uit berekeningen van de dwarsstroming bij een afvoer van 1.250 m 3/s, 1.470 m3/s en 1.971 m3/s blijkt dat geen dusdanige toename van dwarsstroming optreedt dat dit problematisch wordt geacht. Morfologische effecten De herinrichting van uiterwaard De Lymen zal lokaal sedimentatie van het zomerbed zorgen bij hoge afvoeren (1/5jr). Bovenstrooms van de uiterwaard zal terugschrijdende erosie optreden. Deze effecten ten gevolge van De Lymen zijn echter tegengesteld aan de morfologische effecten ten gevolge van het project Demen-Dieden en vormen zo en (gedeeltelijk) gecompenseerd.
4.7.3
Conclusie
De realisatie van hoogwatergeulen in uiterwaard De Lymen heeft een effect op de rivierkunde van de Maas. Het project leidt tot een verlaging van de waterstand. Het effect van de waterstand op de hoogwaterveiligheid en de natuur in de uiterwaard is positief. Bovendien heeft de ontwikkeling geen negatieve effecten op het stroombeeld of de bevaarbaarheid van de Maas. Het aspect rivierkunde vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
36 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
4.8
Water
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en -opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. In de waterparagraaf is tevens het advies van de waterbeheerder verwerkt.
4.8.1
Toetsingskader
Waterbeleid en waterbeheer Gemeentelijk waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn thema’s en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven. Het Gemeentelijke rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater Een perceeleigenaar moet het huishoudelijk afvalwater of het bedrijfsafvalwater op de openbare riolering lozen (Besluit lozing afvalwater huishoudens art. 7 en 10 en Activiteitenbesluit art. 2.1 en 2.2). Als dit niet mogelijk (doelmatig) is, zorgt de perceeleigenaar voor een zo milieuvriendelijk mogelijke manier van verwerking of verwijdering van het afvalwater. De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wm art. 10.33). Zorgplicht hemelwater Een perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein of voor het eventueel lozen van hemelwater op oppervlaktewater.
Als dit niet mogelijk is zorgt de gemeente voor het inzamelen, transporteren en verwerken van het hemelwater, mits doelmatig (Waterwet art. 3.5). Zorgplicht grondwater Een perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. Als dit niet mogelijk is treft de gemeente maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art. 3.6). Zorgplicht oppervlaktewater (waterschap) De gemeente Wijchen valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Voor lozing op oppervlaktewater (A-, B- en C-water) heeft de perceeleigenaar een vergunning van het waterschap nodig (Waterwet art. 6.2). Een perceeleigenaar (of aanliggende perceeleigenaar) is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van oppervlaktewater (B- en C- water volgens de legger van het waterschap) dat op
37 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
eigen terrein ligt. Het waterschap draagt zorg voor het onderhoud van A-watergangen. Voor ingrepen of activiteiten in of nabij watergangen dan wel in of nabij een waterkering heeft een perceeleigenaar een Keurontheffing van het waterschap nodig.
4.8.2
Resultaten
Beschrijving watersysteem Geomorfologie en geohydrologie Bij de Lymen worden geulen in de uiterwaard gegraven. Uit onderzoek van IDDS-RHDHV (zie bijlage IV) blijkt dat deze vergravingen in hoogwaterperioden effecten op het grondwatersysteem veroorzaken. De effecten worden vooral veroorzaakt, doordat voor de geplande geulen op een groot aantal plaatsen de kleilaag volledig wordt weggegraven, waardoor bij hoogwater de Maas in direct contact komt met het watervoerende pakket, op plaatsen waar dat nu niet het geval is. Met MORIA 4.7 zijn de indicatieve effecten van de voorgestelde ingrepen conservatief doorgerekend. Als gevolg van de ingrepen zijn binnendijks effecten op grondwaterstanden en stijghoogten te verwachten. De stijghoogten worden in de uiterwaard bij een T10 hoogwater met circa 30 cm verhoogd. Binnendijks is het berekende effect op de stijghoogte maximaal 17 cm. De berekende verhoging van de grondwaterstand is binnendijks maximaal 14 centimeter. De kwel neemt vooral toe in peilgebied BLM011. Over het peilgebied gemiddeld verandert de afvoer met circa 2,9%. Vanwege het indicatieve karakter van deze berekeningen hebben wij de wateropgave conform de richtlijn kwel en wegzijging niet bepaald. De spreidingslengte van het voorland is een maat voor de sterkte van de dijk tegen het bezwijkmechanisme piping tijdens hoogwater.
De huidige spreidingslengte van het voorland bij de Lymen is 220 tot 400 m. Die lengte neemt af tot 190 m tot 280 m. De sterkte neemt dus af. De spreidingslengtes zijn echter zodanig dat er nog een behoorlijke lengte overblijft, wat erop duidt dat het voorland nog wel voor weerstand zorgt. In het onderzoek van IDDS-RHDHV worden enkele aanbevelingen gedaan in de vorm van mitigerende maatregelen en aanvullende modelberekeningen. Daartoe zijn reeds extra peibuizen geplaatst. Aanvullend onderzoekt loopt. De uit het aanvullend onderzoek nodig geachte mitigerende maatregelen zullen worden uitgevoerd. Oppervlakte- en afvalwatersysteem Het plangebied ligt buitendijks en grenst direct de Maas. Het is daarmee onderdeel van het watersysteem van de Maas. Ecosysteem De provincie Gelderland heeft in het kader van het natuurnetwerk Nederland natuurgebieden in de provincie aangewezen voor het GNN. Het plangebied is onderdeel van deelgebied 150 ‘Maasuiterwaarden HeumenAlphen’ Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan Deze paragraaf beschrijft en motiveert de wijze waarop op de planlocatie rekening is gehouden met het watersysteem, gelet op de waterhuishoudkundige situatie, beleid en regelgeving.
Leefomgeving en ruimtegebruik Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik.
38 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening is gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven zijn gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, welzijn, volkshuisvesting, verkeer/vervoer en energie. Gevolgen van/voor het plan Als gevolg van voorliggend bestemmingsplan wordt in de toekomstige huishoudkundige situatie in het gebied invulling gegeven aan de KRW-maatregel voor het gebied. Daarmee is de waterhuishoudkundige situatie in overeenstemming met het beoogde watergebruik, namelijk de transformatie naar een natuurgebied. Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente Wijchen streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde kwaliteitseisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater wordt voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Er wordt gestreefd naar het zo mogelijk verbeteren van de kwaliteit van oppervlaktewater door de aanleg van natuurvriendelijke oevers en het verbeteren van de doorstroming. Het beheer van gebieden mag geen verstoring opleveren voor de waterkwaliteit of biodiversiteit.
Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden moeten worden behouden of verder ontwikkeld door de bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij zijn water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt. Waterstromen worden zichtbaar (bovengrond) afgevoerd. Gevolgen van/voor het plan De voorgenomen ontwikkeling draagt, door het realiseren van een KRW-maatregel direct bij aan het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit. Bovendien wordt door het realiseren van een natuurgebied, toegankelijk voor extensieve recreatie, direct bijgedragen aan de belevingswaarde van water en het waterbewustzijn. Klimaatadaptatie Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving, anticiperend op hevigere perioden met hitte, neerslag en droogte. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam.
De gemeente hanteert hierbij de volgende uitgangspunten: - komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water; - voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied; - de hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken; - zorgdragen voor voldoende waterberging, tegen hemelwateroverlast en ter buffering van water in droge tijden (zie ook waterberging); - groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. - grondwateronttrekking (verdroging) beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen; - zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen.
39 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
-
rekening houden met de droogtegevoeligheid van de locatie en mogelijk bodemdaling die daardoor kan ontstaan. Gevolgen van/voor het plan Het realiseren van een natuurgebied in uiterwaard De Lymen draagt bij aan het toekomstbestendig maken van het gebied en bescherming tegen overstromingen. Het project draagt daarmee direct bij aan het klimaatadaptief vormgeven van het gebied. Waterberging Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken moeten zoveel mogelijk zijn afgekoppeld van de riolering, met de volgende voorkeursvolgorde: 1 benutting; 2 bodeminfiltratie binnen het gebied; 3 berging binnen het gebied; 4 vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied; 5 afvoer naar riool. Verlies aan waterberging dient gecompenseerd te worden indien hemelwater, direct of indirect, wordt geloosd op oppervlaktewater. De compensatieplicht (volgend uit de Keur van het waterschap) houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Dit met een eenmalige uitzondering van 500 m2 (stedelijk gebied) en 1500 m2 (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven.
De compensatieplicht geldt niet in individuele gevallen als op een afstand van 100 m of meer van het oppervlaktewater wordt geïnfiltreerd (beleidsregels Keur artikel 5.16 toetsingscriterium 2). Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. Bovendien moeten deze voorzieningen zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Gevolgen van/voor het plan Er is geen verhard oppervlak aanwezig binnen het plangebied. Er is oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied dat voldoende capaciteit heeft om hemelwater te kunnen verwerken. Gezondheid en veiligheid Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het watersysteem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van de risico’s voor de volksgezondheid en veiligheid. De risico’s van optrekkend vocht dienen primair beperkt te worden door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, wanneer dit niet mogelijk is, dienen maatregelen te worden getroffen (bijvoorbeeld kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan.
Voorts dient het plan rekening te houden met eventuele risico’s van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling (verdroging) of -fluctuatie (zie ook Klimaatverandering). De inrichting en beheer van het oppervlaktewater in bebouwd gebied dient afgestemd te zijn op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting dient rekening gehouden te worden met de locaties waar waterkwaliteit een
40 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
Gevolgen van/voor het plan Het plangebied betreft geen bebouwd gebied. Er zijn daarom geen risico’s van optrekkend vocht of potentieel verdrinkingsgevaar in bebouwd gebied.
4.8.3
Conclusie
Het plan heeft een positief effect op de waterkwaliteit.
4.9
Bodem
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient vanwege de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functies? Is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
4.9.1
Toetsingskader
De Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de betreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
4.9.2
Resultaten
Het realiseren van de hoogwatergeulen veroorzaakt grondverzet. Op basis van verkennend (water)bodemonderzoek (zie bijlage IV) is geconstateerd dat in één van de monsters de interventiewaarden overschreden worden. Er zijn echter geen verontreinigingsbronnen of zintuigelijke afwijken aangetroffen. De exacte ontgrondingsdiepte op deze locatie is nog niet bekend. Mocht sprake zijn van ontgraven in verontreinigde bodem, dan wordt de bodem gesaneerd. Als voor deze locatie sanering noodzakelijk is, verbetert de feitelijke kwaliteit van de bodem. Daardoor wordt voldaan aan het Besluit bodemkwaliteit. De bovengrond is op basis van PFAS niet toepasbaar.
4.9.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggende bestemmingsplan.
4.10
Archeologie
Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving, wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden.
41 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
4.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgesteld in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Ow, die naar verwachting in 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2023 een overgangsregeling. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de bodem wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien sprake is van een hoge trefkans of indien het plangebied niet in gekarteerd.
4.10.2 Resultaten Binnen het plangebied is in de periode mei t/m augustus 2022 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd door RAAP, zie bijlage V. Uit dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische vindplaatsen in de vorm van nederzettingsterreinen of grafvelden worden verwacht. Wel is er een hoge archeologische verwachting voor watergerelateerde objecten in de diverse restgeulen binnen het plangebied, zie afbeelding 4.5. Bovendien bestaat er binnen het gehele plangebied een kans op het aantreffen van kano- of scheepswrakken in het beddingzand. Naar aanleiding van deze conclusies wordt in het vooronderzoek een archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. Een dergelijk onderzoek zal plaatsvinden in de vorm van een opgraving variant archeologische begeleiding. Dit vindt tegelijkertijd plaats plaatsvindt met de civieltechnische werkzaamheden. Eventuele vondsten worden hierbij ex situ veiliggesteld (gedocumenteerd en verzameld). Afhankelijk van de vondsten tijdens de realisatie wordt het mogelijk de ouderdom van de restgeulen door middel van 14C-dateringen te bepalen zodat de archeologische verwachting van deze locaties nader kan worden vastgesteld. Voor de archeologische begeleiding is een programma van eisen opgesteld, zie bijlage VII.
42 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
Afbeelding 4.5 Verwachtingskaart op basis van het archeologisch bureauonderzoek (Witmer, 2022). Rectificatie: binnen de gele cirkel is abusievelijk een kloosterlocatie aangeduid; dit betreft ‘slechts’ een boerderij/gebouw met als oudst bekende vermelding in 1443 en ligt net buiten het plangebied
4.10.3 Conclusie Uit archeologisch vooronderzoek blijkt dat er, gelijktijdig aan de voorgenomen werkzaamheden, nader archeologisch onderzoek nodig is in de vorm van archeologische begeleiding is om de archeologische waarde van het plangebied te waarborgen. Door het onderzoek parallel aan de werkzaamheden uit te voeren wordt voorkomen dat archeologische waarden in het plangebied worden vernietigd of beschadigd raken. Hiermee wordt voldaan aan geldende wet- en regelgeving. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggende bestemmingsplan.
4.11
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de manier waarop rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (gebouwd erfgoed, cultuurlandschap en archeologie). Hierbij gaat het om zowel beschermde objecten en structuren, als niet beschermde objecten en structuren.
4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgesteld in de Erfgoedwet, zie ook 4.9.1. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een plangebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Per 1 januari 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, met als doel om cultuurhistorische belangen te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Daarmee zijn gemeenten verplicht om in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Dat betekent dat een analyse moet worden verricht naar de cultuurhistorische waarden in een
43 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
bestemmingsplangebied en dat daar conclusies aan moeten worden verbonden die in het bestemmingsplan verankerd worden.
4.11.2 Resultaten Het plangebied is in het gemeentelijk beleid aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol gebied. In het bestemmingsplan ‘Parapluplan cultuurhistorie Wijchen’ is De Lymen aangewezen als cultuurhistorisch aangewezen gebied. Conform de Nota inventarisatie Chw met kaarten, bijlage 2 bij het bestemmingsplan, is het cultuurlandschap van De Lymen omschreven als ‘uiterwaard en rivierbed’. Dit wijzigt niet als gevolg van de realisatie van de hoogwatergeulen. In de directe nabijheid van het plangebied bevindt zich een monumentale boerderij, welke is aangemerkt als gemeentelijk monument (monumentnummer 0296/133). Er worden direct grenzend aan het monument binnen het plangebied geen werkzaamheden uitgevoerd die het monument verstoren. Het monument wordt niet aangetast door de werkzaamheden binnen het plangebied.
4.11.3 Conclusie De voorgenomen functiewijziging leidt niet tot een aantasting van cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggende bestemmingsplan.
4.12
Landschap
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet in de planvorming rekening worden gehouden met het aspect landschap. Hierbij gaat het onder andere om kenmerkende ruimtelijke patronen/structuren, karakteristieke beplantingsvormen en gebruikte soorten, de ruimtelijke opbouw van bebouwing in een gebied en de natuurwaarden in de omgeving.
4.12.1 Toetsingskader In de Interprovinciale Structuurvisie Meanderende Maas, welke is vastgesteld op 24 juni 2020, is een pakket van maatregelen opgenomen die invulling geven aan het project Meanderende Maas. Het project Meanderende Maas heeft als doel de historische Maasdijk tussen Ravenstein en de stuw bij Lith aan de Brabantse zijde te verbeteren. In deze structuurvisie staan de thema’s ‘Riviernatuurpark’, ‘Rijk cultuurhistorisch landschap’, ‘Aantrekkelijk recreatielandschap’ en ‘Economische kracht’ centraal staan. Bovendien is het plangebied onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), deelgebied 150: Maasuiterwaarden Heumen-Alphen.
Dit deelgebied heeft de volgende kernkwaliteiten: - dynamische rivier met geologische en geomorfologische processen, water-, sediment- en diasporentransport en ecologisch kerngebied én verbinding tussen Midden-Europa (Frankrijk) en de Noordzee(kust); - noordoever Maas met variabel, grotendeels agrarisch, maar ook industrieel/recreatief cultuurlandschap en kleine natuurcomplexen; - waarden voor weidevogels, water- en moerasvogels, vleermuizen, amfibieën (onder andere knoflookpad), ringslang, vissen en bever, leefgebied das, leefgebied steenuil, leefgebied kamsalamander; - plaatselijk kleinschalige landschappen met strangen, hagen en singels, knotwilgen en ooibos; in het bijzonder De Maasheggen bij Overasselt; - cultuurhistorische waarden van de uiterwaarden, oude kavelpatronen, doorbraakkolken, waterstaatswerken (kades en sluisjes); - kleiwinningen; - onbebouwdheid van de uiterwaarden (enkele boerderijen en steenfabrieken); - rust, ruimte en duisternis met uitzondering van de omgeving van stedelijke gebieden; - abiotiek: aardkundige waarden (onder meer reliëf van oeverwallen, strangen en andere stromingspatronen, kwel, bodem).
44 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
4.12.2 Resultaten Door de realisatie van de hoogwatergeulen krijgt de uiterwaard een natuurfunctie, waarmee de landschappelijke waarde van het gebied een positieve impuls krijgt. Dit komt voort uit de Interprovinciale Structuurvisie Meanderende Maas, waarin de thema’s ‘Riviernatuurpark’, ‘Rijk cultuurhistorisch landschap’, ‘Aantrekkelijk recreatielandschap’ en ‘Economische kracht’ centraal staan. In het uiterwaardgebied De Lymen staat het thema Riviernatuurpark, een rivier- en moeraslandschap met ooibos en rietmoeras, centraal. Daarnaast maken de hoogwatergeulen de oude boogmeander weer zichtbaar in het landschap. De waardevolle bakenbomen langs de oever van de Maas worden niet aangetast in de realisatie- of gebruiksfase en blijven behouden. Hierdoor blijft de structuur langs de Maas intact. Hier wordt met alle betrokken partijen aan gewerkt. Bovendien zijn de waardevolle bomen binnen het bestemmingsplan beschermd door middel van een dubbelbestemming. De voorgenomen ontwikkeling past in het voornemen binnen de kernkwaliteiten voor het deelgebied.
4.12.3 Conclusie Negatieve milieueffecten op het landschap en ruimtelijke kwaliteit zijn uitgesloten. De kernkwaliteiten van het gebied blijven behouden en/of worden versterkt. Bovendien blijven de waardevolle bakenbomen behouden. Het aspect landschap vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.13
Ontplofbare oorlogsresten
In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in het plangebied en de gevolgen hiervan op de voorgenomen ontwikkeling.
4.13.1 Toetsingskader Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland ontplofbare oorlogsresten (verder OO’s genoemd) achtergebleven. Deze OO’s vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze OO’s uitgesloten te worden of dienen eventuele OO’s verwijderd te worden.
4.13.2 Resultaten Uit onderzoek van Saricon B.V. in 2022 (zie bijlage VI) naar de aanwezigheid van OO’s binnen het plangebied blijkt dat het plangebied niet als verdacht voor de aanwezigheid van OO’s wordt aangemerkt.
4.13.3 Conclusie Het plangebied is niet verdacht voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten. Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggende bestemmingsplan.
4.14
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering
45 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
betekent het aanbrengen van voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichting enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en verblijfsrecreatie) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft 2 doelen: - het zoveel mogelijk beperken of voorkomen van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; - het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen verrichten.
4.14.1 Toetsingskader De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. De publicatie geeft voor vele bedrijfstakken en installaties aan: - welke milieuonderwerpen een rol kunnen spelen; - welke gemiddelde afstanden tot de woonbebouwing ‘passend’ zijn. In de handreiking is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof een externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand. De VNG-publicatie is daarmee een onmisbaar hulpmiddel in de bestemmingsplanpraktijk.
4.14.2 Resultaten In het bestemmingsplan zijn geen bestemmingen of functies voorzien die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in gedrang brengen of functies die nabijgelegen (agrarische) bedrijven belemmeren in hun bedrijfsvoering. Het bestemmingsplan maakt geen woningen of anderszins milieugevoelige functies of bedrijven mogelijk binnen het bestemmingsplan.
4.14.3 Conclusie Er worden geen bedrijven of milieugevoelige functies mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Daarom is geen sprake van een milieuzonering in dit bestemmingsplan. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.15
Gezondheid
In het kader van een goed woon- en leefklimaat kan gezondheid deel uitmaken van de belangenafweging. De ontwikkeling van een natuurgebied, dat door omwonenden en bezoekers gebruikt kan worden om te wandelen is bevorderlijk voor de gezondheid. Bovendien heeft de transformatie van een agrarisch gebied naar een natuurgebied een positief effect op de gezondheid van omwonenden, omdat gezondheidsrisico’s als gevolg van agrarische activiteiten verdwijnen.
4.15.1 Conclusie
46 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
De realisatie van de hoogwatergeulen en een natuurgebied in uiterwaard De Lymen heeft een positief effect op de gezondheid van bezoekers en omwonenden. Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggende bestemmingsplan.
4.16
Duurzaamheid
Het realiseren van een natuurgebied in uiterwaard De Lymen draagt bij aan het toekomstbestendig maken van het gebied in het geval van overstromingen. Bovendien draagt het natuurgebied bij aan verbetering van de biodiversiteit. In de huidige situatie wordt het gebied gebruikt voor agrarische doeleinden. Hierbij wordt het land veelvuldig bewerkt. In de nieuwe situatie die mogelijk wordt gemaakt door voorliggend bestemmingsplan wordt een eenmalige ingreep gedaan voor de ontwikkeling van de hoogwatergeulen en het natuurgebied. Na deze eenmalige ingreep wordt het gebied actief onderhouden om haar waarden te behouden, maar zijn geen ingrijpende werkzaamheden benodigd.
4.16.1 Conclusie Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling voor duurzaam gebruik van het gebied. Er is bovendien sprake van een duurzamer gebruik in vergelijking met de huidige situatie. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggende bestemmingsplan.
47 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de algemene opzet van de planregels en een toelichting op de regels (onder andere bestemmingsregels).
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan?
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1 de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren; 2 de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning tot bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt: 1 het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen). En een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 2 het bebouwen van de gronden; 3 het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.
Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn ook belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen en aanduiden
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de regels zijn opgenomen. De toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen met behulp van een aanduiding nader worden ingevuld. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
48 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
5.1.3
Hoofdstukopbouw van regels
De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken: 1 inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2 bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, dan worden deze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend worden afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels opgenomen. In een enkel geval worden ruimere mogelijkheden geboden door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsplanbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3 algemene regels. In de laatste 2 hoofdstukken zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Deze bepalingen hebben betrekking op het gehele plan. Het betreffen achtereenvolgens algemene regels, zoals een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels; 4 overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Een toelichting op de bestemmingen is hierna opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hierboven is beschreven. Tevens is aangesloten bij de meest actuele landelijke standaarden voor de regels en de verbeelding, te weten de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) en IMRO2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012). Qua inhoud en opzet is aangesloten bij recente en vergelijkbare bestemmingsplannen van de gemeente.
5.3
Toelichting op de regels
In paragraaf 1.3 zijn de planologische strijdigheden met de vigerende bestemmingsplannen besproken. De bestemmingslegging en de regels van dit bestemmingsplan zijn daarop aangepast, zodat het initiatief van dit bestemmingsplan planologisch mogelijk wordt.
49 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
5.3.1
Inleidende regels
Begrippen die in de regels worden gebruikt en die uitleg behoeven, worden in het eerste artikel van het bestemmingsplan uitgelegd. Vervolgens bevat het tweede artikel technische regelingen om onder andere oppervlaktes, hoogtes, dieptes en breedtes te kunnen bepalen.
5.3.2
Bestemmingsregels
Om recht te doen aan het uitgangspunt dat het plan niet meer dient te regelen dan noodzakelijk is, is het aantal bestemmingen in het plan zoveel mogelijk beperkt. Ook de bijbehorende bouw- en gebruiksregels zijn waar mogelijk beperkt in aantal en in mate van gedetailleerdheid. De regels hebben voor elke bestemming dezelfde opbouw met achtereenvolgens, voor zover aanwezig, de volgende leden: - bestemmingsomschrijving; - bouwregels; - nadere eisen (indien aanwezig); - afwijken van de bouwregels (indien aanwezig); - specifieke gebruiksregels (indien aanwezig); - afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig); - omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig); - wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig). Centraal staat de bestemmingsomschrijving. Daarin worden limitatief de functies en waarden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan respectievelijk worden beschermd. In een aantal gevallen geeft de bestemmingsomschrijving daarbij nog een nadere beperking in de vorm van een bestemmingscategorie of bijvoorbeeld een gebiedsbegrenzing, een maximale oppervlakte- of inhoudsmaat dan wel een beperking tot de bestaande bebouwing. De bouwregels zijn direct aan de bestemmingsomschrijving gerelateerd.
Ook de gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving, zij het dat deze regels zijn opgenomen in de algemene gebruiksregels in hoofdstuk 3. Hierin is bepaald dat het verboden is de onbebouwde grond en/of de daarop aanwezige bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het in het plan bepaalde. Bedoeld wordt een gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijving. De afwijkings- en wijzigingsregels geven het bevoegd gezag bevoegdheden om onder voorwaarden af te wijken van een regel of onder voorwaarden het plan te wijzigen. Enkelbestemmingen Artikel 3 Natuur [enkelbestemming] De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor: a behoud, beheer, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische, landschappelijke, aardkundige en natuurwaarden; b behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande biotopen; c water en waterhuishoudkundige doeleinden; d het als zodanig instandhouden van de niet-beboste gedeelten; e extensief recreatief medegebruik; f agrarisch medegebruik. Een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, wildbegeleidende en wildbeschermingsvoorzieningen, wandel- en/of fietspaden en onverharde wegen en overeenkomstig de in 3.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.
Het doel van de enkelbestemming Natuur is om ruimte te bieden de ontwikkeling en instandhouding van een natuurgebied in uiterwaard De Lymen. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan maakt
50 | 55
Witteveen+Bos| 130339/23-019.386 | Definitief
voorliggend bestemming het afgraven, verlagen, egaliseren of ophogen van de bodem en het realiseren van een fietspad mogelijk. Dubbelbestemmingen Naast de (enkel)bestemmingen kent het bestemmingsplan ook dubbelbestemmingen. Een dubbelbestemming omvat een eigen stelsel van regels voor bouwen en gebruik voor het behoud en bescherming van de in de dubbelbestemming aangegeven waarden. De dubbelbestemming functioneert naast de regeling die is verbonden aan de onderliggende (enkel)bestemming. Artikel 4 Waarde - Archeologie 2 [dubbelbestemming] De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem. Het gaat hierbij om gebieden met een hoge archeologische verwachting. Het doel van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 is de bescherming en instandhouding van archeologische informatie in de bodem van het projectgebied in gebieden met een hoge archeologische verwachting. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan is deze dubbelbestemming consoliderend. Artikel 5 Waarde - Archeologie 3 [dubbelbestemming] De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.