CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

09 raadsbrief bestemmingsplan Fazantenlaan bijl 1. Bestemmingsplan

Gemeenteraad 21 september 2022, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Fazantenlaan Oostvoorne21.908 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

32/126

Onderzoek en conclusie

Figuur 4.2 Uitsnede professionele risicokaart met het plangebied blauw omlijnd' Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen, zie figuur 4.2. Daarnaast vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, per spoor, over het water of door buisleidingen. Op circa 1 kilometer van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Op circa 1,2 kilometer van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleidingen plaats. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR 10‐6‐contour of het invloedsgebied van het groepsrisico van de weg en de buisleidingen. Beide risicobronnen hebben geen externe werking op het plangebied. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.6

Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk project uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het beleid en normstelling voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven.

33/126

Tabel 4.3

Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof

toetsing van

grenswaarde

stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24‐uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

fijn stof (PM2,5)

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 ( = 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk project uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 71 woningen.

Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2020 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Fazantenlaan, direct ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 17,4 µg/m³ voor NO2, 18 µg/m³ voor PM10 en 10 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,3 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.

34/126

Figuur 4.3 Maatgevend punt Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 14. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is inzicht te verkrijgen of en in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de locatie geleid kan hebben tot verontreiniging van de bodem.

35/126

Vooronderzoek en hypothese Uit het vooronderzoek is niet gebleken dat op of nabij de onderzoekslocatie bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Daarom is de locatie als "onverdacht" aangemerkt ten aanzien van bodemverontreiniging. De locatie is als niet‐asbestverdacht aangemerkt. Verkennend bodemonderzoek Tijdens het veldwerk is gebleken dat de bovengrond bestaat uit siltig zand. De ondergrond bestaat tot de geboorde einddiepte grotendeels uit siltig zand en vanaf 1,50 à 1,80 m‐mv uit kleiig veen. De grondwaterstand is waargenomen op een variërende diepte van 0,10 à 0,38 m‐mv. Bij zintuiglijk onderzoek zijn geen afwijkingen waargenomen aan het opgeboorde bodemmateriaal. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde bodemmateriaal. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat plaatselijk in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan kwik en PAK zijn gemeten. Voor het overige zijn in de boven‐ en ondergrond geen gehalten boven de achtergrondwaarde gemeten voor de geanalyseerde parameters. In het grondwater zijn plaatselijk (marginaal) verhoogde gehalten aan naftaleen gemeten. Voor het overige zijn geen verhoogde gehalten gemeten in het grondwater. Op plaatsen waar gevoelig gebruik van de bodem wordt gerealiseerd, zoals wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen heeft de GGD‐werkgroep een advies gemaakt wat betreft bodemverontreiniging met lood.

Voor plaatsen waar kinderen spelen wordt de waarde <100 mg/kg gezien als voldoende bodemkwaliteit voor lood. Voor wonen met tuin is dit <90 mg/kg. Uit het onderzoek blijkt dat het hoogst gemeten halte voor lood 24 mg/kg is. Er is derhalve sprake van een voldoende bodemkwaliteit voor lood. Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "onverdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. De locatie wordt geschikt geacht voor de beoogde bestemming (wonen). Wanneer grond van de locatie vrijkomt en elders wordt toegepast, dient in principe te worden gehandeld conform het Besluit bodemkwaliteit. Indien grond vrijkomt is de gemeente waar de grond wordt toegepast bevoegd gezag ten aanzien van de bestemming van de grond. Schone grond in een hoeveelheid kleiner dan 50 m³ mag volgens het Bbk vrij worden toegepast.

4.8

Water

Beleid en normstelling Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer.

36/126

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europees:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Provinciaal Waterplan  Provinciale Structuurvisie  Verordening Ruimte Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2022‐2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta:  waterveiligheid (dijken en duinen)  versterkte duinen  meer biodiversiteit op de dijken  minder CO2‐uitstoot, vergoten  meer innovatie  voldoende schoonwater Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering.

De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:  Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename;  Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied;  Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.

37/126

Gemeentelijk waterplan Westvoorne (2008) Het doel van het gemeentelijk waterplan Westvoorne is het ontwikkelen van een gezamenlijke beleidsvisie op het gewenste watersysteem en de waterkwaliteit binnen de gemeente. Samen met de relevante partijen werken zij deze visie uit en stellen zij binnen het waterplan een maatregelenplan op om het beoogde watersysteem kwantitatief en kwalitatief te realiseren." Het gemeentelijk waterplan heeft betrekking op alle oppervlaktewater en grondwater binnen de gemeente, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. De interactie met de waterketen is opgenomen voor zover deze het watersysteem beïnvloedt bij riooloverstorten en lozingspunten op zowel de waterkwantiteits‐ als de waterkwaliteitsaspecten. Binnen het waterplan is door de betrokken partijen een gezamenlijke visie 2050 opgesteld op het gemeentelijk watersysteem. Onderzoek Huidige situatie Het grootste deel van het plangebied bestaat uit gronden die in het verleden een agrarisch gebruik kenden. Het plangebied is bijna geheel onverhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Ten zuiden en westen van het plangebied bestaat de grond uit leemarm zand in stuifduinen en stranden.

Met betrekking tot grondwater is ten zuidwesten van het plangebied sprake van grondwater IV. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 40 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) schommelt tussen 80 en 120 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 0,7 meter +NAP. Waterkwantiteit Conform de Legger van het Waterschap Hollandse Delta zijn in het plangebied geen watergangen aanwezig, zie figuur 4.4. Het plangebied bevindt zich derhalve ook niet in een beschermingszone. Binnen deze beschermingszones gelden conform de Keur van het Waterschap Hollandse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden.

38/126

Figuur 4.4 Uitsnede Legger Waterschap Hollandse Delta Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich niet in de kernzone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is momenteel onbebouwd en niet aangesloten op het rioolstelsel. Toekomstige situatie De toekomstige ontwikkeling bestaat uit 71 woningen. Bij het voorbereiden van het plan is er naast het stedenbouwkundig plan, dat als onderlegger heeft gediend voor dit bestemmingsplan, tevens een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Dit is gebeurd in nauw overleg tussen de initiatiefnemer, de gemeente en Waterschap Hollandse Delta. Het watersysteem zoals uitgewerkt in het waterhuishoudkundig plan, is hydraulisch doorgerekend door het waterschap en daaruit blijkt dat het systeem voldoet om goed waterbeheer toe te kunnen passen. Het waterhuishoudkundig plan is niet integraal bij dit bestemmingsplan opgenomen.

Dat plan wordt namelijk nog nader uitgewerkt en afgerond en zal uiteindelijk nog eens formeel door het waterschap behandeld worden, wanneer de initiatiefnemer de watervergunning aanvraagt die nodig is om het project Fazantenlaan te kunnen realiseren. Een beschrijving op hoofdlijnen van het watersysteem en de maatregelen uit het waterhuishoudkundig plan, is opgenomen in bijlage 15.

39/126

De meer beknopte beschrijving van de toekomstige situatie zoals die voor het waterschap relevant is in het kader van dit bestemmingsplan, volgt hierna. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Het plangebied wordt niet begrensd door watergangen behorende tot de categorie 'primair' of 'overig'. Bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 (in stedelijk gebied) of 1.500 m2 (in landelijk gebied) is compensatie door aanleg van waterberging nodig. De verharding betreft 18,493 m2, dit is meer dan de grens van 500 m2 waardoor compensatie noodzakelijk is. Er dient 10% van de verharding gecompenseerd te worden, in dit geval komt dit op een totaal van 1.849 m2 voor het plan Fazantenlaan. Tevens wordt in het plan Fazantenlaan de watercompensatie voor het naastgelegen plan Patrijzenlaan gerealiseerd. Voor dat plan is minimaal 210 m2 aan watercompensatie nodig. Dit maakt de gezamenlijke opgave 1.849 m2 + 210 m2 = 2.059 m2 . In het plan zal 2.140 m2 aan waterberging gerealiseerd worden waarvan 1.278 m2 aan openbaar water en 862 m2 aan droge waterberging. De uitwerking hiervan op tekening is weergegeven in figuur 4.5 en deze figuur is ook in groter formaat aan het plan toegevoegd als bijlage 16. Hiermee wordt er voldaan aan de compensatie‐eis.

Hierover heeft overleg met het waterschap plaatsgevonden waarbij er ook groen licht is gegeven voor de aanleg van oppervlaktewater en droge waterberging als compensatie. Hoewel het de voorkeur niet heeft om verduikerde watergangen te realiseren, is er in deze situatie geen andere optie. Het watersysteem is door het waterschap getoetst op het hydrologische functioneren en hieruit blijkt dat het systeem met de verduikerde watergangen voldoet.

Figuur 4.5 Watercompensatie Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase.

40/126

Veiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in‐) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn onderzocht voor het plangebied. Hieruit blijkt dat er compensatie voor verharding nodig is, omdat de toename van verharding boven de grenswaarde van 500 m2 valt. Dit zal uitgevoerd worden aan de hand van het aanleggen van watergangen en droge waterberging. Het plangebied valt niet in de beschermingszones van watergangen of waterkeringen in de buurt. Hierdoor kunnen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse uitgesloten worden.

4.9

Kabels en leidingen

Beleid en normstelling Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink‐ en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Beoordeling en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

41/126

4.10 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken.

De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads‐ en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is:  Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet;  De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads‐ en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Onderzoek Op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid geldt binnen het plangebied Waarde Archeologie, met een specifieke vorm van waarde 3. Hierbij hoort een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 200 m2 en dieper dan 80 cm. Gelet op de eerdere planvorming is in 2010 reeds archeologisch onderzoek uitgevoerd, wat ook door BOOR beoordeeld is. Op grond hiervan is het plangebied destijds vrijgegeven voor woningbouwontwikkeling. Bureauonderzoek Fazantenlaan (2005) In 2005 is voor het niet bebouwde deel van het plangebied ten noorden van de Fazantenlaan een bureauonderzoek uitgevoerd door Hazenberg Archeologie.

Uit het bureauonderzoek is gebleken dat:  De weinige waarnemingen in de omgeving van het plangebied, betreffen losse vondsten in dieper gelegen veen‐ en kleilagen uit de Romeinse tijd en de late middeleeuwen, op grote afstand van het plangebied;  Ondanks de hoge verwachtingswaarde in het plangebied, is het daarom onwaarschijnlijk dat in de bovenste 2 meter beneden maaiveld archeologische waarden aanwezig zijn;  Bij verstoringen tot een diepte van 2 meter beneden maaiveld is dan ook geen nader onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden nodig;  Bij verstoring van de bodem door graafwerkzaamheden of het slaan van heipalen dieper dan 2 meter beneden maaiveld, is inventariserend booronderzoek nodig om de aanwezigheid van archeologische waarden in de veen‐ en kleilagen te bepalen.

42/126

Verkennend inventariserend veldonderzoek Fazantenlaan (2010) In 2010 is in vervolg op het bureauonderzoek een verkennend inventariserend veldonderzoek uitgevoerd door Hazenberg Archeologie voor het deel van het plangebied ten noorden van de Fazantenlaan, zie ook bijlage 17. Doel van het veldonderzoek was het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting van de veen‐ en kleilagen dieper dan 2 meter beneden maaiveld. Daarvoor zijn 28 boringen tot maximale diepte van 5 meter beneden maaiveld gezet. Uit het veldonderzoek is gebleken dat:  de klei en veenlagen zijn afgezet in een vrijwel permanent nat milieu. Deze lagen zijn ook na afzetting niet ontkalkt of gerijpt;  het plangebied is het grootste deel van de tijd een laaggelegen en vrij dras gebied geweest en was daarom niet geschikt voor bewoning;  tijdens het veldonderzoek zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten gevonden;  er worden in de ondergrond tot 5 meter beneden maaiveld geen waardevolle archeologische resten meer verwacht. De verwachtingswaarde dient dan ook naar beneden bijgesteld te worden;  zonder verder archeologisch onderzoek kan daarom worden gestart met de voorgenomen werkzaamheden. Ten aanzien van cultuurhistorie geldt dat binnen het plangebied geen aangewezen monumenten of andere beschermde objecten aanwezig zijn.

Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie staan de planontwikkeling niet in de weg.

4.11 Mobiliteit Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig Parkeren). Het aantal parkeerplaatsen in het plangebied dient te voldoen aan de parkeernormen zoals opgenomen in het gemeentelijk parkeerbeleid (Parkeerbeleidnota Westvoorne 2012 ‐ 2016). Deze verwijst door naar de parkeerkencijfers van het CROW. Daarom wordt net als bij de verkeersgeneratie aangesloten bij de kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren). Voor het juiste kencijfer / parkeernorm wordt een ligging in de rest bebouwde kom aangehouden, de gemeente heeft een weinig stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid.

43/126

Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt omsloten door de Fazantenlaan, de Patrijzenlaan, de Rialaan en de Van der Meerweg. De beoogde woningen worden alleen direct ontsloten via de Fazantenlaan. De Fazantenlaan en Patrijzenlaan zijn gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg, hier geldt een maximum snelheid van 50 km/u. De Van der Meerweg en Rialaan zijn beide erftoegangswegen, onderdeel van een 30 km/u zone. De Fazantenlaan kruist in oostelijke richting met de Voorweg. De Voorweg is een belangrijke ontsluitingsweg in Oostvoorne. In de noordoostelijke richting kan via De Ruy en Brielseweg de provinciale weg N218 en vervolgens Rijksweg A15 worden bereikt. In zuidelijke richting kan (via de Heveringseweg en (Verlengde) Lodderlandsedijk) de provinciale weg N496 richting Rockanje en de N57 in zuidelijke richting worden bereikt. De ontsluiting van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer is goed. Langzaam verkeer Het fietsverkeer deelt de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Voor voetgangers zijn er voetpaden langs de Fazantenlaan. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde bushalte (Voorweg) vindt zich op circa 500 meter loopafstand van het plangebied. Aldaar halteert bus 403, deze streekbus rijdt tussen Spijkenisse Metro Centrum en Rockanje, via Brielle en Oostvoorne. De ontsluiting van het plangebied voor openbaar vervoer is goed.

Verkeersgeneratie en –afwikkeling Verkeersgeneratie In het plangebied zijn momenteel geen woningen of andere functies aanwezig die een verkeersgeneratie kennen. De verkeersgeneratie die met de nieuwe woningen samenhangt moet om die reden als volledig nieuwe verkeersgeneratie worden aangemerkt. In tabel 4.4. is op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig Parkeren) in beeld gebracht met welke verkeersgeneratie rekening gehouden is. Tabel 4.4.

Verkeersgeneratie plangebied

In de toekomstige situatie zorgen de beoogde woningen voor een verkeersgeneratie van 540 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Omrekening naar een gemiddelde werkdag vindt plaats met de factor 1,11 voor woonfuncties. Op een gemiddelde werkdag zorgt de ontwikkeling hierdoor voor een toename van 600 mvt/etmaal.

44/126

Verkeersafwikkeling Het plan Fazantenlaan is gelijktijdig met het plan Patrijzenlaan voorbereid en de verkeersafwikkeling van beide plannen vindt grotendeels via dezelfde wegen plaats. Om die reden is de verkeersgeneratie van beide plannen in samenhang bezien om tot een integrale beoordeling van de verkeersafwikkeling te komen. Het plan Fazantenlaan met een verkeersgeneratie van 600 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag, zal volledig worden ontsloten op de Fazantenlaan, waarna het verkeer zal worden afgewikkeld op de Voorweg. Het plan Patrijzenlaan zal volledig worden ontsloten via de Patrijzenlaan. Omdat deze laan ten noorden van het plangebied dood loopt, zal het verkeer van dat plan in zuidelijke richting worden afgewikkeld op de Fazantenlaan. De verkeersgeneratie van het plan Patrijzenlaan bedraagt 200 mvt/etmaal gedurende een werkdag. Vanaf de Patrijzenlaan wikkelt het verkeer zich verder af via de Voorweg Voor de Voorweg is de aanname gedaan, dat circa 65% van het verkeer naar het noorden rijdt (richting centrum, N218, N57 en A15) en de overige 35% naar het zuiden (N496, N57). Een overzicht van deze verdeling, is weergegeven in figuur 4.6.

Figuur 4.6

45/126

Verkeerstoedeling plangebieden

Zowel de Patrijzenlaan als de Fazantenlaan zijn gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/uur. Een gebiedsontsluitingsweg met vrijliggende fietspaden kan doorgaans, conform het principe Duurzaam Veilig, een verkeersintensiteit tussen de 10.000 en 15.000 mvt/etmaal vlot en veilig verwerken. Aangezien er voor fietsers op de Patrijzen‐ en Fazantenlaan geen vrijliggende fietsvoorzieningen aanwezig zijn, moeten fietsers de rijbaan delen met het gemotoriseerde verkeer. Hierdoor zal de capaciteit van de Patrijzenlaan en Fazantenlaan naar verwachting tussen de 6.000 en 10.000 mvt/etmaal bedragen. Om te onderzoeken of de capaciteit van de Patrijzenlaan en/of Fazantenlaan wordt overschreden, is gebruik gemaakt van verkeerstellingen van de gemeente. De intensiteiten die afkomstig zijn van de verkeerstellingen betreffen weekdagcijfers. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling zijn werkdagintensiteiten maatgevend. Voor binnenstedelijke wegen wordt voor het omrekenen van weekdagintensiteiten naar werkdagintensiteiten een omrekenfactor van 1,09 aangehouden. Volgens de gemeentelijke verkeerstellingen bedroeg in 2015 de verkeersintensiteit op de Patrijzenlaan 379 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag en 413 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag.

Doordat de intensiteiten uit 2015 zijn worden deze naar het jaar 2032 doorgerekend aan de hand van een autonome groei van 1,5% per jaar. Hiermee komt de intensiteit op circa 532 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Daarmee kan gesteld worden dat de verwachte verkeersintensiteit op de Patrijzenlaan dan ook ruim onder de capaciteit van de Patrijzenlaan (tussen de 6.000 en 10.000 mvt/etmaal) zal zitten. Na de verkeerstoename ten gevolge van het plan Patrijzenlaan zal de intensiteit op de Patrijzenlaan in de toekomstige situatie 732 mvt/etmaal bedragen gedurende een gemiddelde werkdag. Dit ligt nog steeds ruim onder de minimale capaciteit van de weg. Hieruit wordt geconcludeerd dat de verkeersafwikkeling dan ook niet tot knelpunten zal leiden. Volgens de gemeentelijke verkeerstellingen bedroeg in 2019 de verkeersintensiteit op de Fazantenlaan 2.490 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag en 2.714 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Doordat de intensiteiten uit 2019 zijn worden deze naar het jaar 2032 doorgerekend aan de hand van een autonome groei van 1,5% per jaar. Hiermee komt de intensiteit op circa 3.294 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Daarmee kan gesteld worden dat de verwachte verkeersintensiteit op de Fazantenlaan dan ook ruim onder de capaciteit van de Fazantenlaan (tussen de 6.000 en 10.000 mvt/etmaal) zal zitten.

Na de verkeerstoename ten gevolge van beide planbijdrages zal de intensiteit op de Fazantenlaan in de toekomstige situatie 4.094 mvt/etmaal bedragen gedurende een gemiddelde werkdag. Dit ligt nog steeds ruim onder de minimale capaciteit van de weg. Hieruit wordt geconcludeerd dat de verkeersafwikkeling dan ook niet tot knelpunten zal leiden. De Fazantenlaan en de Patrijzenlaan zijn breed genoeg zodat het autoverkeer het fietsverkeer veilig kan passeren. Daarnaast kan gesteld worden dat de toename als gevolg van de plannen dermate gering is en de Fazantenlaan een relatief lage verkeersintensiteit kent ten opzichte van de capaciteit van de weg, dat de verkeersveiligheid op deze weg na planontwikkeling niet leidt tot knelpunten.

46/126

Parkeren Parkeerbehoefte Het aantal parkeerplaatsen in het plangebied dient te voldoen aan de parkeernormen zoals opgenomen in het gemeentelijke parkeerbeleid (Parkeerbeleidnota Westvoorne 2012 – 2016). Hierin wordt verwezen naar parkeerkencijfers van het CROW. Tabel 4.5 toont de berekende parkeerbehoefte op basis van de meest actuele CROW kencijfers (publicatie 381) en de beoogde woningaantallen. Tabel 4.5.

Parkeerbehoefte plangebied

Parkeeraanbod In de planregels van het bestemmingsplan is opgenomen dat bij bouwplannen voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid. Dit betekent dat voor het volledige woningbouwprogramma voorzien zal moeten worden in 149 parkeerplaatsen zoals in tabel 4.5 is weergegeven. Conform het gemeentelijk parkeerbeleid kan dat zowel in de vorm van parkeerplaatsen in het openbaar gebied als op de private woonpercelen, bijvoorbeeld in de vorm van opritten, carports of garages. Conclusie De ontsluiting van het plangebied is goed. Het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd dient te voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen. De ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename van het plangebied, de omliggende ontsluitingswegen bieden voldoende capaciteit om deze verkeerstoename af te wikkelen. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling niet in de weg.

4.12 Wegverkeerslawaai en industrielawaai Normstelling en beleid In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs alle wegen geluidzones, met uitzondering van woonerven en 30 km/u‐wegen. Binnen de geluidzone van een weg dient de geluidbelasting aan de gevel van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen aan wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk). Binnen het plangebied worden woningen mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) is wonen een geluidgevoelige functie. Daarom dient akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden, indien deze gelegen zijn binnen de geluidzone van een weg, een spoorweg of een industrieterrein.

47/126

Onderzoek Woningen zijn geluidgevoelige functies waarvoor op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden, indien deze gelegen zijn binnen de geluidzone van een weg, een spoorweg of een industrieterrein. Het plangebied ligt binnen de geluidzones van de Fazantenlaan, de Patrijzenlaan en de Voorweg en binnen de zone van het industrieterrein Maasvlakte‐Europoort. Akoestisch onderzoek is op grond van de Wgh dan ook noodzakelijk. Ook de 30 km/uur‐weg Van der Meerweg en de nieuwe ontsluitingsweg is om redenen van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in het onderzoek. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 18. Conclusie Wegverkeerslawaai De conclusies voor het onbebouwde binnenterrein zijn:  dat ten gevolge van de gezoneerde wegen Patrijzenlaan en Voorweg de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden.

Ook ten gevolge van de Van der Meerweg (niet gezoneerd) wordt de richtwaarde van 48 dB niet overschreden;  dat alleen in de zuidoosthoek van de locatie de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden ten gevolge van de Fazantenlaan;  dat het verlagen van de snelheid naar 30 km/uur op de Fazantenlaan een doelmatige maatregel is die, vanuit akoestisch oogpunt, te overwegen valt;  dat het laten vaststellen van hogere waarden voor 3 woningen nodig is van 50 dB, indien niet wordt gekozen voor een snelheidsverlaging;  dat de geluidbelasting op de bestaande woningen langs de nieuwe aansluiting naar het woongebied lager is dan 48 dB. Industrielawaai De conclusies voor het onbebouwde binnenterrein zijn:  dat de hoogte van de geluidbelasting maximaal 52 dB(A) bedraagt. De voorkeursgrenswaarde wordt overschreden ten gevolge van het industrieterrein Maasvlakte‐Europoort. Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn niet mogelijk. Voor deze 71 woningen moet door het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde van 52 dB(A) worden vastgesteld. Beleid hogere waarden Alle woningen zullen beschikken over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte zoals vereist volgens het gemeentelijk geluidbeleid.

Voor het voorkomen van geluidhinder en slaapverstoring is het volgens het beleid zeer wenselijk dat geluidgevoelige ruimten, zoals woon‐ en slaapkamers, zo min mogelijk aan de geluidbelaste zijde van de woning worden gerealiseerd. Hiermee dient bij de uitwerking rekening gehouden te worden. Besluit hogere waarden Voor wegverkeerslawaai (3 woningen) en industrielawaai (71 woningen) is een hogere waarde besluit genomen door het college van Burgermeester en Wethouders. Het besluit is toegevoegd in Bijlage 21.

48/126

4.13 Duurzaamheid Toetsingskader Routekaart duurzaam Voorne‐Putten 2040 Op Voorne‐Putten is de afgelopen jaren hard gewerkt aan duurzaamheid. Er liggen steeds meer zonnepanelen, afval wordt steeds verder gescheiden, er verschijnen elektrische auto's en er wordt energie bespaard. En toch is dit nog maar het begin. Gemeente Westvoorne, Brielle, Nissewaard en gemeente Hellevoetsluis willen als vier gemeenten gezamenlijk samen met andere stakeholders een duurzaam Voorne‐Putten op de kaart zetten. Voorne‐Putten werkt regionaal samen met 9 andere gemeenten binnen de Alliantie Energietransitie (voormalige Alliantie Duurzaam Rijnmond) om lokaal de klimaatverandering tegen te gaan. Binnen deze samenwerking wordt kennis gedeeld en worden gezamenlijk projecten opgestart. Het lokale Economic Board van Voorne‐Putten (bestaand uit lokale ondernemers en gemeenten) ziet ook het belang van een duurzame regio en de kansen die het biedt voor nieuwe werkgelegenheid en bedrijvigheid. Vanuit de nieuwe Omgevingswet die per 2021 van kracht wordt zal de realisatie van duurzame energie beleidsmatig vanuit omgevingsplannen gecoördineerd worden. Onderzoek Bij de realisatie van de woningen wordt aangesloten bij de eisen die gesteld worden vanuit het Bouwbesluit. Conclusie Het aspect duurzaamheid wordt hiermee voldoende toegepast.

49/126

50/126

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Bestemmingsplansystematiek

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: ‐ inleidende regels; ‐ bestemmingsregels; ‐ algemene regels; ‐ overgangs‐ en slotregel.

5.2

Planregels

5.2.1 Inleidende regels Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen, waarin maten en waarden voorkomen, worden in dit artikel verklaard. 5.2.2

Bestemmingsregels

Groen De gronden met de bestemming ‘Groen’ zijn bestemd voor groenvoorzieningen en daarbij behorende voorzieningen, zoals fiets‐ en voetpaden, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, straatmeubilair en water. Binnen de bestemming mogen uitsluitend gebouwen voor nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Tuin De gronden met de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, alsmede voor water en parkeervoorzieningen. De voortuinen zijn bestemd als Tuin bij de woningen. Gebouwen en overkappingen zijn hier uitgesloten, waardoor alleen overige bouwwerken zijn toegestaan. Verkeer De gronden met de bestemming ‘Verkeer’ zijn bestemd voor wegen, verblijfsgebied, voet‐ en fietspaden en daarbij behorende voorzieningen, zoals geluidwerende voorzieningen, groen, parkeervoorzieningen, straatmeubilair en water. Binnen de bestemming mogen uitsluitend gebouwen voor nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

51/126

Water De gronden met de bestemming 'Water' zijn bestemd voor water met bijbehorende oevers ten behoeve van de waterhuishouding. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen, met daaronder begrepen beroepsmatige activiteiten en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Verder zijn bijbehorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen en water mogelijk binnen de bestemming. Het totaal aantal woningen bedraagt maximaal 71. Ook is bepaald dat aaneengebouwde hoofdgebouwen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwaanduiding ‐ aaneengebouwd' worden gebouwd. Dat hoofdgebouwen twee‐aaneen worden gebouwd uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwaanduiding ‐ twee‐ aaneen'. Dat vrijstaande hoofdgebouwen worden gebouwd uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwaanduiding ‐ vrijstaand'. Binnen de bestemming zijn nog specifieke gebruiksregels opgenomen voor zelfstandige bewoning van vrijstaande bijgebouwen en voor beroepsmatige activiteiten en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. 5.2.3

Algemene regels

In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. Anti‐dubbeltelbepaling Een Anti‐dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de anti‐ dubbeltelregel is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro). Algemene bouwregels Het artikel Algemene bouwregels bevat enkele algemene regels voor het bouwen. Zo zijn er regels over parkeergelegenheid, de geringe overschrijding van bouwgrenzen of oppervlaktematen door ondergeschikte onderdelen van gebouwen. Ook wordt voorzien in een regeling voor overkappingen, luifels, overstekken en ondergrondse gebouwen, waarin wordt vastgelegd waar deze zijn toegestaan en in hoeverre deze meetellen bij de inhouds‐ en oppervlaktemaat van de bovengrondse gebouwen. Algemene gebruiksregels Hoewel het gebruik van gronden en bouwwerken is geregeld in de Wro, zijn voor de duidelijkheid regels opgenomen over dit gebruik. Een voorbeeld is een algemeen verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming of de bijbehorende regels.

52/126

Algemene afwijkingsregels In deze artikelen wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan kan worden afgeweken. Ook wordt een opsomming gegeven van de regels waarmee door middel van een wijzigingsbevoegdheid ex artikel 3.6 Wro het mogelijk is enige flexibiliteit in het plan aan te brengen. Het gaat hierbij om een bevoegdheid en dus geen verplichting. Overige regels Werking wettelijke regelingen: In de regels van een bestemmingsplan wordt in een toenemend aantal gevallen met verwijzing naar een (andere) wettelijke regeling een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. De van toepassing verklaarde wettelijke regeling geldt zoals deze luidt op het moment van de vaststelling van het plan. 5.2.4

Overgangs‐ en slotregels

In het afsluitende onderdeel van de regels komen de overgangs‐ en slotregel aan de orde. De formulering van het overgangsrecht is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.1 Bro). De slotregel bevat de titel van het plan.

53/126

54/126

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

Ingevolge het Bro heeft de gemeente de onderzoeksverplichting om de financieel‐economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen (artikel 3.1.6 lid 1 sub f Bro). Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zal de initiatiefnemer met de gemeente afspraken maken omtrent de kosten voor de begeleiding van het bestemmingsplan en om de daarbij behorende procedures te verzekeren. De verantwoordelijkheid en het risico van de exploitatie ligt volledig bij de initiatiefnemer. Het vaststellen van een exploitatieplan is gezien voorgaande niet noodzakelijk en de economische uitvoerbaarheid is voldoende gewaarborgd.

55/126

56/126

Hoofdstuk 7

7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak

7.1.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het wettelijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt het voorontwerpbestemmingsplan naar de benodigde overlegpartners gestuurd. Daarnaast wordt het plan conform de gemeentelijke inspraakverordening ter inzage gelegd. Na de procedure van inspraak en vooroverleg doorloopt het plan de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening. De resultaten van deze procedures worden te zijner tijd in deze toelichting vermeld. Er zijn 8 inspraakreacties ingediend. De inspraakreacties zijn samengevat en beoordeeld en betrokken bij de opstelling van het ontwerpbestemmingsplan. Verder is het voorontwerpbestemmingsplan naar de volgende overlegpartners gestuurd:     

Veiligheidsregio Rotterdam‐Rijnmond (VRR); Provincie Zuid‐Holland (PZH); DCMR; Port of Rotterdam (PoR); Waterschap Hollandse Delta (WHD).

De reactie van de wettelijke overlegpartners is verwerkt is het ontwerpbestemmingsplan. De Nota beantwoording inspraakreacties en wettelijk vooroverleg is opgenomen in bijlage 19.

7.2

Zienswijzen

Het ontwerp‐bestemmingsplan heeft conform de wettelijke vereisten gedurende 6 weken ter inzage gelegen, van 13 januari 2022 tot en met 23 februari 2022. Gedurende deze termijn konden zienswijzen worden ingediend. Er zijn 25 zienswijzen ontvangen, die in de Nota zienswijzen zijn samengevat en van een beantwoording zijn voorzien. Deze Nota zienswijzen is als bijlage 20 opgenomen bij deze toelichting. De zienswijzen hebben geleid tot diverse wijzigingen aan het bestemmingsplan. De Nota gaat nader in op welke punten uit de zienswijzen tot welke wijzigingen hebben geleid.

57/126

58/126

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling

Fazantenlaan Gemeente Westvoorne Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

identificatie

planstatus

projectnummer:

datum:

20201220

21-09-2022

projectleider:

opdrachtgever:

ir. R.A. Sips

Gemeente Westvoorne

auteur(s):

ing. T. Hartemink

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

Inleiding

3

Inhoud 1.

2.

3.

4.

Inleiding

5

1.1. 1.2. 1.3.

5 5 6

Aanleiding Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in? Leeswijzer

Plaats en kenmerken van het project

7

2.1. 2.2.

Plaats van het project Kenmerken van het project

7 8

Kenmerken van de milieueffecten

10

3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 3.6. 3.7. 3.8. 3.9.

10 13 14 14 14 16 17 17 17

Verkeer en parkeren Geluid Luchtkwaliteit Risico’s op zware ongevallen of rampen en risico’s voor de menselijke gezondheid Bodem en water Ecologie Cultuurhistorie en archeologie Aanlegwerkzaamheden Mitigerende maatregelen

Conclusie

Rho adviseurs voor leefruimte. vestiging Rotterdam

19

4

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

Inleiding

5

1. Inleiding

1.1.

Aanleiding

In Oostvoorne bevindt zich tussen de Patrijzenlaan, Fazantenlaan en de Van der Meerweg een terrein waarvoor al langere tijd wordt gewerkt aan een woningbouwprogramma. Voor het gebied is een stedenbouwkundig plan opgesteld. In totaal komen er op het terrein 71 woningen, waaronder rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen, vrijstaande woningen en levensloopbestendige woningen. Deze ontwikkeling is niet passend binnen het vigerende bestemmingsplan 'Dorpsgebied Oostvoorne'. Voor de locatie is derhalve een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling van 71 woningen blijft ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Dit document bevat deze beoordeling.

1.2.

Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in?

In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: • de plaats van het plan; • de omvang van het plan; • de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

Rho adviseurs voor leefruimte. vestiging Rotterdam

6

1.3.

Inleiding

Leeswijzer

Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: • beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; • licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; • geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling.

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

7

2. Plaats en kenmerken van het project

2.1.

Plaats van het project

Het plangebied is centraal gelegen in Oostvoorne en wordt omsloten door de Patrijzenlaan, Fazantenlaan, Van der Meerweg en de Rialaan. De ontsluiting naar het plangebied loopt via de Fazantenlaan. Figuur 2.1 geeft de locatie weer van het plangebied.

Figuur 2.1: Ligging plangebied Oostvoorne

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde/bijzondere gebieden In de directe omgeving of binnen het plangebied zijn geen aangewezen monumenten of andere cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig. Ook is geen sprake van andere beschermde cultuurhistorische waarden, zoals een beschermd stads- of dorpsgezicht of molenbiotoop. Op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid geldt binnen het plangebied Waarde Archeologie, met een specifieke vorm van waarde 3. Hierbij hoort een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 200 m 2 en dieper dan 80 cm.

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

8

Plaats en kenmerken van het project

Het plangebied is niet gelegen in kwetsbaar en/of gebied met een beschermde status. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 330 meter afstand en betreft het gebied ‘Voornes Duin’. Dit is eveneens het dichtstbijzijnde NNN-gebied. Het plangebied is tevens niet gelegen binnen of in de buurt van stiltegebied en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden.

2.2.

Kenmerken van het project

De ontwikkeling aan de Fazantenlaan ligt in het zuidwesten van het centrum van Oostvoorne. De entree naar de nieuwe wijk vindt plaatst aan de zuidzijde van het gebied aan de Fazantenlaan. De wijk is zo opgezet dat de woningen grotendeels langs de buitenrand zijn gesitueerd. De achtererven van de woningen aan de buitenzijde liggen gespiegeld aan de achtererven van de nieuwe woningen. Door deze opzet ontstaat er achter de bestaande bebouwing aan de buitenzijde een soort 'eiland met bouwkavels'. Het zogenaamde eiland krijgt een interne ontsluiting en er is veel ruimte voor groen. In het gebied komen enkele waterpartijen en een aantal bomenlanen voor. Een deel van de parkeerplaatsen komt in de openbare ruimte tussen het groen, de andere parkeerplaatsen komen op het privéterrein van de woningen. De ontwikkeling gaat bestaan uit 71 woningen, waaronder: • 17 rijwoningen, kleine variant; • 15 rijwoningen, grote variant; • 22 twee-onder-een-kappers; • 10 seniorenwoningen; • 7 vrijstaande woningen. Figuur 2.2 weergeeft het stedenbouw plan voor de Fazantenlaan.

Figuur 2.2: Situatietekening project

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

Plaats en kenmerken van het project

9

Ontsluiting De beoogde woningen worden alleen direct ontsloten via de Fazantenlaan. De Fazantenlaan kruist in oostelijke richting met de Voorweg. De Voorweg is een belangrijke ontsluitingsweg in Oostvoorne. In de noordoostelijke richting kan via De Ruy en Brielseweg de provinciale weg N218 en vervolgens Rijksweg A15 worden bereikt. Het fietsverkeer deelt de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Voor voetgangers zijn er voetpaden langs de Fazantenlaan. Verkeer en parkeren In de planregels van het bestemmingsplan is opgenomen dat bij bouwplannen voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid. Dit betekent dat voor het volledige woningbouwprogramma voorzien zal moeten worden in 149 parkeerplaatsen zoals in tabel 3.2 is weergegeven. Er kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte. Hier wordt in het volgende hoofdstuk nader op ingegaan. Gebruik natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling van het gebied worden de gebruikelijke bouwmaterialen en natuurlijke hulpbronnen benut. Verontreiniging, hinder, risico van zware ongevallen en rampen, risico’s voor de menselijke gezondheid Deze thema’s komen mede aan bod in het volgende hoofdstuk. Cumulatie met andere projecten In de directe omgeving vindt aan de Patrijzenlaan ook een ontwikkeling plaats waar 26 woningen worden gesloopt en ca. 42 nieuwe woningen worden gebouwd.

De ontwikkelingen samen vallen onder de drempelwaarden uit het Besluit milieueffectrapportage, waardoor een m.e.r. procedure niet hoeft te worden doorlopen. Bij een aantal van de aspecten die in hoofdstuk 3 aan de orde komen, komt de samenhang tussen beide projecten aan de orde. Dit is het geval bij de aspecten: ecologie: waar de bestaande groenstrook tussen beide plangebied in van beide plannen effecten ondervindt; water: waar de benodigde watercompensatie van beide plannen gezamenlijk is vormgegeven; verkeer: waar de extra verkeersgeneratie en – afwikkeling van beide plannen en het effect daarvan op de verdere omgeving in samenhang is bezien. Voor de overige aspecten, is geen sprake van cumulatieve effecten tussen beide projecten.

Rho adviseurs voor leefruimte. vestiging Rotterdam

10

Kenmerken van de milieueffecten

3. Kenmerken van de milieueffecten

In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. De effectbeoordeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op de informatie uit onderzoeken die ten behoeve van het bestemmingsplan zijn uitgevoerd.

3.1.

Verkeer en parkeren

Verkeersgeneratie In het plangebied zijn momenteel geen woningen of andere functies aanwezig die een verkeersgeneratie kennen. De verkeersgeneratie die met de nieuwe woningen samenhangt moet om die reden als volledig nieuwe verkeersgeneratie worden aangemerkt. In tabel 3.1 is op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig Parkeren) in beeld gebracht met welke verkeersgeneratie rekening gehouden is. Tabel 3.1 Verkeersgeneratie plangebied

In de toekomstige situatie zorgen de beoogde woningen voor een verkeersgeneratie van 540 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Omrekening naar een gemiddelde werkdag vindt plaats met de factor 1,11 voor woonfuncties. Op een gemiddelde werkdag zorgt de ontwikkeling hierdoor voor een toename van 600 mvt/etmaal. Verkeersafwikkeling Het plan Fazantenlaan is gelijktijdig met het plan Patrijzenlaan voorbereid en de verkeersafwikkeling van beide plannen vindt grotendeels via dezelfde wegen plaats. Om die reden is de verkeersgeneratie van beide plannen in samenhang bezien om tot een integrale beoordeling van de verkeersafwikkeling te komen. Het plan Fazantenlaan met een verkeersgeneratie van 600 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag, zal volledig worden ontsloten op de Fazantenlaan, waarna het verkeer zal worden afgewikkeld op de Voorweg. Het plan Patrijzenlaan zal volledig worden ontsloten via de Patrijzenlaan. Omdat deze laan ten noorden van het plangebied dood loopt, zal het verkeer van dat plan in zuidelijke richting worden afgewikkeld op de Fazantenlaan. De verkeersgeneratie van het plan Patrijzenlaan bedraagt 200 mvt/etmaal gedurende een werkdag. Vanaf de Patrijzenlaan wikkelt het verkeer zich verder af via de Voorweg

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

Kenmerken van de milieueffecten

11

Voor de Voorweg is de aanname gedaan, dat circa 65% van het verkeer naar het noorden rijdt (richting centrum, N218, N57 en A15) en de overige 35% naar het zuiden (N496, N57). Een overzicht van deze verdeling, is weergegeven in figuur 3.1.

Figuur 3.1

Verkeerstoedeling plangebieden

Zowel de Patrijzenlaan als de Fazantenlaan zijn gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/uur. Een gebiedsontsluitingsweg met vrijliggende fietspaden kan doorgaans, conform het principe Duurzaam Veilig, een verkeersintensiteit tussen de 10.000 en 15.000 mvt/etmaal vlot en veilig verwerken. Aangezien er voor fietsers op de Patrijzen- en Fazantenlaan geen vrijliggende fietsvoorzieningen aanwezig zijn, moeten fietsers de rijbaan delen met het gemotoriseerde verkeer. Hierdoor zal de capaciteit van de Patrijzenlaan en Fazantenlaan naar verwachting tussen de 6.000 en 10.000 mvt/etmaal bedragen. Om te onderzoeken of de capaciteit van de Patrijzenlaan en/of Fazantenlaan wordt overschreden, is gebruik gemaakt van verkeerstellingen van de gemeente. De intensiteiten die afkomstig zijn van de verkeerstellingen betreffen weekdagcijfers. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling zijn

Rho adviseurs voor leefruimte. vestiging Rotterdam

12

Kenmerken van de milieueffecten

werkdagintensiteiten maatgevend. Voor binnenstedelijke wegen wordt voor het omrekenen van weekdagintensiteiten naar werkdagintensiteiten een omrekenfactor van 1,09 aangehouden. Volgens de gemeentelijke verkeerstellingen bedroeg in 2015 de verkeersintensiteit op de Patrijzenlaan 379 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag en 413 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Doordat de intensiteiten uit 2015 zijn worden deze naar het jaar 2032 doorgerekend aan de hand van een autonome groei van 1,5% per jaar. Hiermee komt de intensiteit op circa 532 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Daarmee kan gesteld worden dat de verwachte verkeersintensiteit op de Patrijzenlaan dan ook ruim onder de capaciteit van de Patrijzenlaan (tussen de 6.000 en 10.000 mvt/etmaal) zal zitten. Na de verkeerstoename ten gevolge van het plan Patrijzenlaan zal de intensiteit op de Patrijzenlaan in de toekomstige situatie 732 mvt/etmaal bedragen gedurende een gemiddelde werkdag. Dit ligt nog steeds ruim onder de minimale capaciteit van de weg. Hieruit wordt geconcludeerd dat de verkeersafwikkeling dan ook niet tot knelpunten zal leiden. Volgens de gemeentelijke verkeerstellingen bedroeg in 2019 de verkeersintensiteit op de Fazantenlaan 2.490 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag en 2.714 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag.

Doordat de intensiteiten uit 2019 zijn worden deze naar het jaar 2032 doorgerekend aan de hand van een autonome groei van 1,5% per jaar. Hiermee komt de intensiteit op circa 3.294 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Daarmee kan gesteld worden dat de verwachte verkeersintensiteit op de Fazantenlaan dan ook ruim onder de capaciteit van de Fazantenlaan (tussen de 6.000 en 10.000 mvt/etmaal) zal zitten. Na de verkeerstoename ten gevolge van beide planbijdrages zal de intensiteit op de Fazantenlaan in de toekomstige situatie 4.094 mvt/etmaal bedragen gedurende een gemiddelde werkdag. Dit ligt nog steeds ruim onder de minimale capaciteit van de weg. Hieruit wordt geconcludeerd dat de verkeersafwikkeling dan ook niet tot knelpunten zal leiden. De Fazantenlaan en de Patrijzenlaan zijn breed genoeg zodat het autoverkeer het fietsverkeer veilig kan passeren. Daarnaast kan gesteld worden dat de toename als gevolg van de plannen dermate gering is en de Fazantenlaan een relatief lage verkeersintensiteit kent ten opzichte van de capaciteit van de weg, dat de verkeersveiligheid op deze weg na planontwikkeling niet leidt tot knelpunten. Parkeren Het aantal parkeerplaatsen in het plangebied dient te voldoen aan de parkeernormen zoals opgenomen in het gemeentelijke parkeerbeleid (Parkeerbeleidnota Westvoorne 2012 – 2016). Hierin wordt verwezen naar parkeerkencijfers van het CROW.

Tabel 3.2 toont de berekende parkeerbehoefte op basis van de meest actuele CROW kencijfers (publicatie 381) en de beoogde woningaantallen. Tabel 3.2 Parkeerbehoefte

In de planregels van het bestemmingsplan is opgenomen dat bij bouwplannen voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid. Dit betekent dat voor het volledige woningbouwprogramma voorzien

Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11850735/1