09 raadsbrief bestemmingsplan Fazantenlaan bijl 1. Bestemmingsplan
Tekst van het document
FAZANTENLAAN, OOSTVOORNE bestemmingsplan 21 september 2022
1/2
2/2
DATUM KENMERK
21 september 2022 20190209_0003LK
PROJECT PROJECTLEIDER
Fazantenlaan, Oostvoorne ir. R.A. Sips
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Gemeente Westvoorne 061400.20201220
AUTEUR STATUS
S. den Breejen MSc Vastgesteld
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding en doel
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Vigerend bestemmingsplan
9
1.4
Leeswijzer
10
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
11
2.1
Huidige situatie
11
2.2
Toekomstige situatie
11
Beleidskader
13
3.1
Rijksbeleid
13
3.2
Provinciaal beleid
17
3.3
Gemeentelijk beleid
18
Hoofdstuk 4
Sectorale aspecten
23
4.1
Inleiding
23
4.2
Vormvrije mer‐beoordeling
23
4.3
Bedrijven en milieuhinder
24
4.4
Ecologie
24
4.5
Externe veiligheid
32
4.6
Luchtkwaliteit
33
4.7
Bodem
35
4.8
Water
36
4.9
Kabels en leidingen
41
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
42
4.11
Mobiliteit
43
4.12
Wegverkeerslawaai en industrielawaai
47
4.13
Duurzaamheid
49
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
51
5.1
Bestemmingsplansystematiek
51
5.2
Planregels
51
Hoofdstuk 3
2/126
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
55
Hoofdstuk 7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
57
7.1
Inspraak
57
7.2
Zienswijzen
57
Bijlagen bij de toelichting
3/126
Bijlage 1
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling
Bijlage 2
Stikstofonderzoek
Bijlage 3
Stikstofberekening realisatiefase
Bijlage 4
Stikstofberekening gebruiksfase
Bijlage 5
Overzicht uitgevoerde onderzoeken soortenbescherming
Bijlage 6
Ecologische quickscan
Bijlage 7
Winterinspectie
Bijlage 8
Soortgericht onderzoek vleermuizen en vogels
Bijlage 9
Ecologische toetsing werkzaamheden
Bijlage 10
Alternatievenbezoek Vleermuizen
Bijlage 11
Verslag bezoek OZHZ
Bijlage 12
Soortenonderzoek sperwer
Bijlage 13
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag
Bijlage 14
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 15
Toelichting op watersysteem
Bijlage 16
Watercompensatie
Bijlage 17
Archeologisch rapport
Bijlage 18
Akoestisch onderzoek
Bijlage 19
Nota inspraak en vooroverleg bestemmingsplan Fazantenlaan Oostvoorne
Bijlage 20
Nota zienswijzen
Bijlage 21
Besluit hogere waarden Fazantenlaan
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
105
Artikel 1
Begrippen
105
Artikel 2
Wijze van meten
110
Bestemmingsregels
111
Artikel 3
Groen
111
Artikel 4
Tuin
112
Artikel 5
Verkeer
113
Artikel 6
Water
114
Artikel 7
Wonen
115
Hoofdstuk 3
Algemene regels
119
Artikel 8
Anti‐dubbeltelregel
119
Artikel 9
Algemene bouwregels
120
Artikel 10
Algemene gebruiksregels
121
Artikel 11
Algemene afwijkingsregels
122
Artikel 12
Overige regels
123
Overgangs‐ en slotregels
125
Artikel 13
Overgangsrecht
125
Artikel 14
Slotregel
126
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4
4/126
TOELICHTING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
In Oostvoorne bevindt zich tussen de Patrijzenlaan, Fazantenlaan en de Van der Meerweg een terrein waarvoor al langere tijd wordt gewerkt aan een woningbouwprogramma. Voor het gebied is een stedenbouwkundig plan opgesteld. In totaal komen op het terrein circa 76 woningen, waaronder rijwoningen, twee‐onder‐een‐kapwoningen, vrijstaande woningen en levensloopbestendige woningen. Deze ontwikkeling is niet passend binnen het vigerende bestemmingsplan 'Dorpsgebied Oostvoorne'. Op het terrein ligt nu nog de bestemming 'Tuin ‐ 2'. Om de ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk te maken moet er een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan 'Fazantenlaan' beschrijft deze ontwikkeling en geeft de onderzoeken naar de sectorale aspecten weer.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is centraal gelegen in Oostvoorne en wordt omsloten door de Patrijzenlaan, Fazantenlaan, Van der Meerweg en de Rialaan. De ontsluiting naar het plangebied loopt via de Fazantenlaan. Figuur 1.1 geeft de locatie weer van het plangebied.
7/126
Figuur 1.1 Ligging plangebied Oostvoorne
8/126
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Voor het plangebied vigeert momenteel het bestemmingsplan 'Dorpsgebied Oostvoorne', vastgesteld 25 juni 2013. Figuur 1.2 laat het plangebied zien waar de woningen gebouwd gaan worden.
Figuur 1.2 Vigerend bestemmingsplan en beoogd plangebied Ter plaatse van het plangebied geldt de enkelbestemming Tuin‐2. Verder ligt over het gehele plangebied een functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde ‐ 3'. Hier geldt een archeologische bescherming voor alle bouw‐ en graafwerkzaamheden (inclusief heien) met een oppervlakte groter dan 200 m² en die tevens dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld. Op het gebied ligt ook een specifieke bouwaanduiding die zwembaden en tennisbanen uitsluit. Ook ligt ter plaatse een gebiedsaanduiding 'geluidzone ‐ industrie', omdat het plangebied gelegen is binnen de geluidszone van industrieterrein Europoort‐Maasvlakte. Daarnaast geldt momenteel voor het plangebied de 'Parapluherziening erfafscheiding, B&B, gastenverblijf en parkeren'. Deze parapluherziening voorziet in nieuwe regelingen voor: het bouwen van nieuwe erfafscheidingen bij woningen; het gebruik van bijgebouwen bij woningen ten behoeve van gastenverblijf en bed & breakfast; de formulering van een parkeerregeling.
9/126
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd:
Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied en gaat verder in op de nieuwe ontwikkeling waarvoor dit bestemmingsplan het kader biedt. Hoofdstuk 3 brengt het beleidskader in beeld. Het ruimtelijk beleid op het niveau van Rijk, provincie en gemeente komt hier aan bod. In hoofdstuk 4 wordt stilgestaan bij de diverse sectorale aspecten en de wijze waarop het plan op een goede ruimtelijke manier met deze aspecten omgaat. Hoofdstuk 5 beschrijft vervolgens de juridische opzet van het plan en de mogelijkheden die daarin worden geboden. Hoofdstuk 6 en 7 tonen tot slot aan op welke wijze het plan in economische en maatschappelijke zin uitvoerbaar is.
10/126
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
Het plangebied ligt achter de duinen in een gebied dat ooit deel uitmaakte van het gebied de Geest. Dit gebied lag direct ten zuiden van het landgoed Mildenburg. Het grootste deel van het plangebied bestaat uit gronden die in het verleden een agrarisch gebruik kenden. Dit deel is nu nog grasland en bevat een aantal houtsingels. Verder kenmerkt het plangebied zich door de gunstige ligging ten opzichte van het centrum van Oostvoorne en de goede uitvalsmogelijkheden naar de nabijgelegen duinen en kustzone. Aan de Fazantenlaan en Van der Meerweg staan de woningen haaks op de weg, aan de Rialaan en de Patrijzenlaan voor een groot deel ook evenwijdig. De vrijstaande en twee‐onder‐een‐kapwoningen bestaan uit maximaal 2 bouwlagen onder één kap. De kap bestaat overwegend uit een eenvoudig maar soms ook T‐ of L‐vormig samengesteld zadeldak. Op een aantal plekken langs de Fazantenlaan en Patrijzenlaan komen ook plat afgedekte woningen voor. Achter deze huizen bevindt zich het plangebied dat nu nog bestaat uit grasland. In de jaren '90 sprak de gemeente Westvoorne al de wens uit tot het realiseren van woningbouw in dit gebied. Voorliggende bestemmingsplan moet deze ontwikkeling mogelijk maken.
2.2
Toekomstige situatie
De ontwikkeling aan de Fazantenlaan ligt in het zuidwesten van het centrum van Oostvoorne. De entree naar de nieuwe wijk vindt plaats aan de zuidzijde van het gebied aan de Fazantenlaan. De wijk is zo opgezet dat de woningen grotendeels langs de buitenrand zijn gesitueerd. De achtererven van de woningen aan de buitenzijde liggen gespiegeld aan de achtererven van de nieuwe woningen. Door deze opzet ontstaat er achter de bestaande bebouwing aan de buitenzijde een soort 'eiland met bouwkavels'. Het zogenaamde eiland krijgt een interne ontsluiting en er is veel ruimte voor groen. Door de achtertuinen van de nieuwe woningen en de omliggende, bestaande woningen tegen elkaar te spiegelen, wordt tevens bereikt dat de woningen zelf (de hoofdgebouwen) een dusdanige afstand ten opzichte van elkaar hebben. Dit maakt dat er, mede gelet op de relatief diepe tuinen en de toegestane bouwhoogte van de nieuwe, grondgebonden woningen, geen onevenredige, nadelige schaduwhinder verwacht wordt van het bouwplan. In het gebied komen enkele waterpartijen en een aantal bomenlanen voor. Een deel van de parkeerplaatsen komt in de openbare ruimte tussen het groen, de andere parkeerplaatsen komen op het privéterrein van de woningen. De ontwikkeling gaat bestaan uit circa 71 woningen, waaronder:
17 rijwoningen, kleine variant; 15 rijwoningen, grote variant; 22 twee‐onder‐een‐kappers; 10 seniorenwoningen; 7 vrijstaande woningen.
11/126
Figuur 2.2 geeft het stedenbouw plan voor de Fazantenlaan weer.
Figuur 2.2 Stedenbouwkundig plan Fazantenlaan Ten aanzien deze figuur wordt opgemerkt dat de situatie langs de buitenrand van de watergang in het zuidwesten van het plangebied nadien is bijgesteld. Dit naar aanleiding van afstemming met de bewoners van de bestaande woningen aan de buitenzijde van het plangebied. De strookgrond achter deze woningen blijft tot aan het bestaande schapenhek en circa 1 meter daar voorbij, bij de bestaande woningen behoren. Dit maakt dat er bij de realisatie van het project in beperkte mate sprake zal zijn van wijzigingen in de inrichting van deze strook ten opzichte van hoe dit nu in figuur 2.2. ingetekend is.
12/126
Hoofdstuk 3
Beleidskader
In dit hoofdstuk wordt het relevante ruimtelijke beleidskader beschreven. Achtereenvolgens komt het rijksbeleid, het provinciale beleid en het gemeentelijke beleid aan bod.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de ‘nationale belangen’. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem‐verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
13/126
Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit Ruimte voor overgang naar een circulaire economie Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets‐ en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.
Toetsing Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding. Het mogelijk maken van de nieuwe woningen in het bestaand stedelijk gebied past binnen het rijksbeleid.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Voor de doorwerking van de Rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. Het Barro is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. De geconsolideerde versie is van januari 2020. Toetsing Er gelden geen beperkingen uit het Barro.
14/126
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 sub 2)
Ieder plan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Voor projecten binnen bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Volgens jurisprudentie is in beginsel pas sprake van een stedelijke ontwikkeling bij plannen voor meer dan 11 woningen. Toetsing Het programma gaat uit van: 17 rijwoningen, kleine variant; 15 rijwoningen, grote variant; 22 twee‐onder‐een‐kappers en‐of vrijstaand; 10 seniorenwoningen; 7 vrijstaande woningen. De beoogde ontwikkeling van maximaal 71 grondgebonden woningen betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Daarom is hierna de behoefte beschreven. Beschrijving behoefte In het Regioakkoord 2018‐2030 (Vastgesteld tijdens Regiotafel Wonen op 23‐01‐2019) maken de veertien gemeenten van het Samenwerkingsverband Wonen zich samen sterk om het aantal woningen in de regio Rotterdam uit te breiden.
De gemeenten en de woningcorporaties zetten zich ook in voor een betere balans van het woningaanbod in de regio. De regionale afspraken zijn gemaakt op basis van de provinciale woningbehoefteraming WBR 2016. Uit de provinciale Woningbehoefteraming 2019 blijkt dat de woningbehoefte in de regio Rotterdam groter is dan in 2016 was berekend. De Trendraming komt voor deze regio het hoogste uit. In de periode 2020 ‐ 2030 zijn op basis van de Trendraming meer dan 44.000 woningen nodig, waarvan 800 in de gemeente Westvoorne.
Figuur 3.1 Gewenste woningvoorraadtoename Regio Rotterdam obv trendraming 2019
15/126
Er moet ook rekening worden gehouden met planuitval. De provincie gaat ervan uit dat er 30% meer woningen moeten worden gepland om uiteindelijk in 100% van de behoefte te kunnen voorzien. Voor de regio is de behoefte 44.630. Om dat te bereiken moeten er in verband met planuitval plannen zijn voor 58.019 woningen in de regio. Voor Westvoorne is de behoefte 800 woningen. Om dat te bereiken moeten er in verband met planuitval plannen zijn voor circa 1.040 woningen. Hierbij is geen rekening gehouden met de regionale opgave, waar Westvoorne deels invulling aan geeft. Invulling opgave sociale woningbouw Samen met het naastgelegen plan Patrijzenlaan worden van de totaal 113 woningen 37% sociale huurwoningen gerealiseerd. De koopwoningen worden verdeeld in verschillende typen. Daarmee is er een divers aanbod. In het bestemmingsplan worden de ruimtelijke randvoorwaarden vastgesteld. Door verschillende bouwaanduidingen (vrijstaand, twee‐aaneen, aaneengebouwd) en maximale hoogten worden verschillende woningtypen mogelijk gemaakt. Plancapaciteit De gemeente Westvoorne beschikt over voldoende plancapaciteit. Binnen 10 jaar moeten 720 woningen worden gerealiseerd. Deze ontwikkeling past binnen de plancapaciteit.
Woonvisie Voorne‐Putten 2016‐2020 De provincie Zuid – Holland stelt een regionale woonvisie als voorwaarde voor het toetsen van het woningbouwbeleid en nieuwe woningbouwontwikkelingen. In aanvulling op de woningmarktafspraken, die hoofdzakelijk kwantitatief van aard zijn, wordt in de woonvisie Voorne‐Putten ingespeeld op de bestaande en gewenste kwaliteiten van het woningaanbod, als ook de te verwachten bevolkingstransitie, zodat het toekomstig aanbod aan woningen zo veel mogelijk aansluit bij de huidige en toekomstige vraag van de inwoners van de regio. In de Woonvisie Voorne‐Putten 2016 – 2020 wordt verwacht dat een 'mismatch' zal ontstaan tussen de woonwensen en woonbehoeften enerzijds en de woningvoorraad anderzijds. Herstructurering van de woningvoorraad wordt dan ook gezien als instrument, waarmee woningen en woonmilieu ingrijpend gewijzigd en verbeterd kunnen worden. Nieuwbouw mag nog enkel ingezet worden om specifieke tekorten in de voorraad aan te vullen. Naast herstructurering wordt het van belang geacht om de bestaande voorraad levensloopgeschikter en duurzamer te maken. Ook wordt ingezet op het verbeteren van de doorstroming en dient de betaalbaarheid van de woningen jaarlijks gemonitord te worden. Toetsing Het woningbouwprogramma geeft invulling aan de woningbehoefte.
Met name het herontwikkelen en vergroten van het sociale woningbouwprogramma geeft invulling aan de realisatie van meer betaalbare (huur)woningen. De ontwikkeling geeft dan ook invulling aan het gestelde in de Woonvisie.
16/126
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie provincie Zuid‐Holland (geconsolideerde versie 2020) De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads‐ en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet‐ en regelgeving. Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie heeft in haar visie opgenomen dat vraag en aanbod van woningen kwantitatief en kwalitatief in balans moeten zijn. Met behulp van woonmilieus wordt de (ruimtelijke) kwaliteit van verschillende typen wijken en buurten onderscheiden. Hiermee kunnen gemeenten sturen op de kwaliteit van de nieuw geplande en bestaande woon/leefomgevingen om zo het kwalitatieve aanbod in balans te brengen met de kwalitatieve vraag. Toetsing Met de transformatie van een open gebied binnen bestaand stedelijk gebied wordt binnenstedelijke ruimte beter benut.
Dit geeft invulling aan de visie. 3.2.2
Omgevingsverordening Zuid‐Holland (geconsolideerde versie 2020)
De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: 1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); 2. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: a. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; 3. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: a.
een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.
17/126
Toetsing Op de bij de Omgevingsvisie horende kwaliteitskaart van de provincie Zuid‐Holland, is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen' (op de kaart laag van de stedelijke occupatie). Relevante richtpunten: Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen‐ en waterstructuur. De ontwikkeling draagt bij aan een versterking van de kern Oostvoorne. Met de stedenbouwkundige opzet en de maatvoering van de bebouwing wordt aansluiting gezocht met de omgeving, zodat een natuurlijke aansluiting op de omliggende bebouwing ontstaat. Verder wordt ruimte gehouden voor groen en water, zodat de kwaliteiten die het gebied in de huidige situatie heeft, meegenomen worden in het beoogde plan. Er is in dit geval sprake van inpassen. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b.
indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads‐ en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Toetsing De ontwikkeling is in paragraaf 3.1.3 getoetst aan de ladder en ligt binnen bestaand stads‐ en dorpsgebied.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Westvoorne 2030 In deze visie worden de verschillende belangen vanuit landschap, de kernen, recreatie en toerisme, de agrarische sector en de gemeenschap samengesmolten tot een integrale ontwikkelingsrichting voor de periode tot 2030. Deze integrale visie is vertaald in een visiekaart. Daarvan is in figuur 3.2 een uitsnede opgenomen. Daaruit valt af te lezen, dat het plangebied is aangemerkt als een toekomstige woningbouwlocatie (geel rondje).
18/126
Figuur 3.2
Uitsnede visiekaart Omgevingsvisie Westvoorne 2030
Voor woningbouw is het volgende in de Omgevingsvisie Westvoorne opgenomen:
Een evenwichtige bevolkingsopbouw is van groot belang. Nieuwe ontwikkelingen zoals woningbouw zijn vooral een middel om dit te bereiken (en geen doel op zichzelf). De gemeente streeft naar een gevarieerde woningvoorraad waar ruimte is voor diverse leeftijds‐, huishoudens‐ en inkomensgroepen. De gemeente vindt het belangrijk dat de inwoners, maar ook mensen van buiten kunnen kiezen uit verschillende aantrekkelijke woonmilieus. Speerpunten daarbij zijn de huisvestingsmogelijkheden voor jongeren en het verder versterken van het wonen in een aantrekkelijke, groene omgeving. De bijzondere kwaliteiten die het wonen in de gemeente Westvoorne aangenaam maken, willen ze hierbij benutten. Een hoge ruimtelijke kwaliteit in bestaand en nieuw bebouwd gebied is daarbij van groot belang.
De gemeente streeft naar een voldoende aanbod van kwalitatief goede en betaalbare woningen, zowel in de huur‐ als in de koopsector. Flexibiliteit is het sleutelwoord. Woningbouw wordt steeds gerealiseerd op basis van een actuele woonvisie, die input is voor de regionale woonvisie Voorne‐Putten.
De gemeente gaat verdere stappen nemen in de richting van een verantwoord en toekomstbestending beheer van het gemeentelijk Woonbedrijf. Dat houdt in het bijzonder in dat het Woonbedrijf zich ontwikkelt tot een zelfstandig functionerend bedrijf binnen de gemeentelijke organisatie. Voor het Woonbedrijf wordt een strategisch voorraadbeleid opgesteld en geformaliseerd. Door verbetering van de energetische kwaliteit en het planmatig energieneutraal renoveren van complexen wordt een aantrekkelijk woningbestand nagestreefd waarmee Westvoorne onderscheidend is ten opzichte van het aanbod van huurwoningen in de regio.
19/126
Bij nieuwbouw gaat de gemeente uit van duurzame, zo mogelijk energie‐ of klimaatneutrale bebouwing. Op het gebied van energievoorziening en isolatie zijn de bouwkundige ontwikkelingen inmiddels zo ver gevorderd dat energieneutrale woningen voor een marktconforme prijs zijn te realiseren. Zowel in het gemeentelijke bouwprogramma als in de gebiedsontwikkelingen van particuliere initiatiefnemers gaan ze daarom uit van energieneutraliteit in woningbouw.
Toetsing Het streven is binnen het programma verschillende woningtypen te realiseren voor verschillende doelgroepen. Met het programma en de architectuur is aansluiting gezocht met de directe omgeving van het plangebied. De woningen worden gasloos en energieneutraal uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling past goed binnen de Omgevingsvisie Westvoorne. 3.3.2
Woonvisie Westvoorne 2015 ‐ 2030
Het doel van de woonvisie is een antwoord te geven op de vraag voor welke doelgroepen de gemeente welke ingrepen in de gemeentelijke woningvoorraad het beste kan doen. Het gaat over het wonen voor en door inwoners van Westvoorne. Daarnaast gaat het over de mate waarin de bouwkundige kwaliteit, de prijs, de omvang en het woonmilieu passen bij de vraag van de bevolking. De woonvisie begint met een omgevingsanalyse. Deze levert op hoofdlijnen de volgende constateringen op: Westvoorne ligt in de directe nabijheid van één van de economische motoren van Nederland. De economische vooruitzichten, zowel in Westvoorne als op Voorne‐Putten en in het havenindustrieel complex, zijn voldoende positief om te kunnen spreken van een blijvende bron van werkgelegenheid. Tegelijkertijd wordt de gemeente gekenmerkt door een demografische transitie: in de komende 15 jaar is er sprake van een afname van het aandeel jongeren, een sterke toename van het aandeel ouderen en een afname van de groep daartussen, de potentiële beroepsbevolking. Deze ontwikkelingen leiden tot een simultane afname van het aantal inwoners en een stijging van het aantal huishoudens, wat resulteert in een huishoudensverdunning. De waardering van het wonen in Westvoorne is goed, maar niet zonder uitdagingen.
Vraagstukken op de Westvoornse woningmarkt betreffen vooral de mogelijkheden van het zelfstandig wonen door ouderen en de koop‐ en huurmogelijkheden voor jongeren. Daarnaast liggen er opgaven in het verbeteren en versterken van de karakteristieke woonmilieus. Om de ontwikkelingen in gewenste banen te leiden en de uitdagingen aan te gaan, zijn in de visie vier ambities geformuleerd, die beantwoorden aan de actualiteit en de meest pregnante verwachtingen: Wonen met zorg: voorbereiden van de woningvoorraad op vergrijzing en extramuralisering. Betaalbaar wonen: verantwoordelijkheid nemen voor alle inkomensgroepen. Daarbinnen hebben met name jongeren en starters ondersteuning nodig. Duurzaam wonen: energieprestatie van de woningvoorraad verbeteren en levensloopbestendigheid van nieuwe en bestaande voorraad bevorderen.
20/126
Buiten wonen: de karakteristiek van de gemeente versterken, zowel de dorpskernen als het buitengebied. Het faciliteren van bedrijfsbeëindigingen heeft daarin een belangrijke plek om ruimtelijke kwaliteit te verbeteren conform de provinciale regels.
Toetsing Met de nieuwe woningen wordt de kern Oostvoorne versterkt. Het programma maakt dat de wijk een gedifferentieerd woningaanbod kent, met woningen uiteenlopend van starterswoningen tot seniorenwoning en van goedkope woningen (segment tot € 250.000,‐) tot dure woningen. Ten aanzien van duurzaamheid geldt dat de woningen van het worden gasloos en energieneutraal uitgevoerd. In aanvulling op de genoemde woningtypen, worden er met het naastgelegen project Patrijzenlaan ook sociale huurwoningen gerealiseerd. Binnen dat project worden 42 sociale huurwoningen gerealiseerd ter vervanging van 26 verouderde woningen in datzelfde segment. In paragraaf 3.1.3 is dat ook beschreven. Voor beide projecten is een afzonderlijke bestemmingsplan opgesteld. Gelet op de wijze waarop beide projecten elkaar in woonsegment aanvullen, geldt dat beide plannen afzonderlijk én gezamenlijk een aanvulling en versterking vormen van de de woningvoorraad in de dorpskern van Oostvoorne en aansluiten bij de gemeentelijke ambities. De beoogde ontwikkeling past binnen het gestelde in de Woonvisie Westvoorne. 3.3.3
Toekomstvisie (2009)
In de Toekomstvisie heeft de gemeente een duidelijke richting voor de toekomst bepaald. Het belangrijkste uitgangspunt is de verbetering van het voorzieningenniveau in de gemeente. Hiervoor is een groei van het inwoneraantal nodig. Westvoorne maakt hiervoor gebruik van de kansen die de Mainport en het toerisme bieden. Er wordt bewust gekozen voor een beheerste groei, zowel voor het aantal inwoners, de voorzieningen als voor de economische activiteiten. Harde randvoorwaarden zijn onder meer: het authentieke dorpse karakter van de verschillende kernen blijft gehandhaafd; het toegankelijke groene karakter van de gemeente blijft bestaan en wordt versterkt, zowel als open buitengebied, als in de woonkernen; Westvoorne blijft, met zijn unieke natuur, de groene buffer tegen het havengebied; de groei zal moeten bijdragen aan een evenwichtige bevolkingsopbouw; de meer dan landelijk gemiddelde vergrijzing wordt tegengegaan. Toetsing De ontwikkeling past binnen het uitgangspunt van de gemeente voor het behoud van het groene karakter van de gemeente en het dorpse karakter van Oostvoorne door in het ontwerp ruimte te bieden aan groen en water.
21/126
22/126
Hoofdstuk 4 4.1
Sectorale aspecten
Inleiding
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het plan is naar verschillende ruimtelijk relevante (onderzoeks)aspecten gekeken. In het voorliggende hoofdstuk wordt het toetsingskader, onderzoek en conclusies van de verschillende sectorale aspecten beschreven.
4.2
Vormvrije mer‐beoordeling
Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.‐beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.‐beoordeling. Door het bevoegd gezag moet een m.e.r‐beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.‐beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen.
Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer‐beoordelingsplichtig is indien (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2); de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 71 woningen waarmee de drempelwaarden niet worden overschreden. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Hierom is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 1.
23/126
4.3
Bedrijven en milieuhinder
Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om bij ontwikkelingen de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, kan gebruik worden gemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. Toetsing en conclusie De directe omgeving van het plangebied bestaat uit alleen woningbouw. De beoogde ontwikkeling bestaat ook uit enkel woningbouw. Er is derhalve geen toetsing noodzakelijk aan de richtafstanden uit de VNG‐brochure. Het aspect 'bedrijven en milieuhinder' staat de realisatie van de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.4
Ecologie
Beleid en normstelling Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura 2000‐gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000‐gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
24/126
alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
25/126
Onderzoek Gebiedsbescherming
Figuur 4.1 Beschermde gebieden en globaal plangebied (rood omcirkeld) Het plangebied is op circa 330 meter gelegen van het Natura 2000‐gebied Voornes Duin. Dit is tevens ook het dichtstbijzijnde Natuur Netwerk Nederland. Het plangebied ligt dus buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Ook overige effecten zoals licht‐, trilling‐ en geluidsverstoring zijn op voorhand uit te sluiten gezien de afstand tot de gebieden en de tussenliggende bestaande bebouwing. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000‐gebieden door emissies van zowel de realisatiefase en de gebruiksfase van de beoogde ontwikkelingen uit te sluiten zijn twee berekeningen uitgevoerd. De berekening van de realisatiefase is opgenomen in bijlage 3 en de gebruiksfase in bijlage 4. Realisatiefase Uit de AERIUS‐berekening van 26 juni 2020 blijkt dat de maximale emissie in de realisatiefase resulteert in een stikstofdepositie van 0,19 mol/ha/jaar op Natura 2000‐gebied Voornes Duin. Onderstaande tabel geeft weer uit welke maximale bijdragen op habitattypen deze depositie bestaat.
26/126
Tabel 4.1 Stikstofdepositie in mol/ha/jaar gedurende de realisatiefase op Natura 2000‐gebied Voornes Duin Habitattype
Stikstofdepositie
H2180C Duinbossen (binnenduinrand)
0,19
Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen
0,08
H2130A Grijze duinen (kalkrijk)
0,07
H2180B Duinbossen (vochtig)
0,06
H2160 Duindoornstruwelen
0,05
H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), 0,03 oligo‐ tot mesotrofe vormen H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
0,03
ZGH2130B Grijze duinen (kalkarm)
0,02
H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt)
0,02
H2130B Grijze duinen (kalkarm)
0,02
H2130C Grijze duinen (heischraal)
0,02
H2180Ao Duinbossen (droog), overig
0,01
H2120 Witte duinen
0,01
H2190Ae Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen
0,01
Tevens blijkt dat de maximale emissie in de realisatiefase resulteert in een stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar op Natura 2000‐gebied Voordelta. Deze depositie bestaat uit een bijdrage van maximaal 0,01 mol/ha/jaar op het habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks). Gebruiksfase Uit de AERIUS‐berekening van 26 juni 2020 blijkt dat de maximale emissie in de gebruiksfase resulteert in een stikstofdepositie van 0,21 mol/ha/jaar op Natura 2000‐gebied Voornes Duin. Onderstaande tabel geeft weer uit welke maximale bijdragen op habitattypen deze depositie bestaat. Tabel 4.2 Stikstofdepositie in mol/ha/jaar gedurende de gebruiksfase op Natura 2000‐gebied Voornes Duin Habitattype
Stikstofdepositie
H2180C Duinbossen (binnenduinrand)
0,21
Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen
0,05
H2130A Grijze duinen (kalkrijk)
0,04
H2160 Duindoornstruwelen
0,04
H2180B Duinbossen (vochtig)
0,03
H2190Aom Vochtige duinvalleien (open 0,02 water), oligo‐ tot mesotrofe vormen H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
0,02
ZGH2130B Grijze duinen (kalkarm)
0,01
H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) 0,01
27/126
H2180Ao Duinbossen (droog), overig
0,01
H2130B Grijze duinen (kalkarm)
0,01
H2130C Grijze duinen (heischraal)
0,01
H2120 Witte duinen
0,01
Regeling natuurbescherming en stikstofregistratiesysteem Bij brief van 13 november 2019 heeft het kabinet een specifiek maatregelenpakket aangekondigd, waarvan de effecten onder meer worden gebruikt om de toestemmingverlening voor activiteiten in de bouwsector (woningbouw en infrastructuur) weer op gang te brengen en tegelijk de stikstofbelasting van de natuur te verminderen. Daarbij gaat het om maatregelen zoals de verlaging van de maximumsnelheid op autosnelwegen, vermindering van emissies uit de veehouderij door veevoermaatregelen, en de eerder aangekondigde verhoging van het subsidieplafond voor de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen. Deze stikstofreductie kan voor maximaal 70% worden ingezet met gebruikmaking van het in de onderhavige regeling ingestelde stikstofregistratiesysteem om direct de effecten van de bouwactiviteiten in termen van stikstofdepositie te neutraliseren. Voor ten minste 30% zal de stikstofreductie worden gebruikt om ook bij te dragen aan de vermindering van de stikstofbelasting op de Natura 2000‐gebieden. Op 23 maart 2020 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de Regeling natuurbescherming (spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur) gepubliceerd. Deze regeling is op 24 maart 2020 opengesteld voor projecten die onder de regeling vallen. Dit project is hiervoor aangemeld en valt onder deze regeling.
Met de beschikbare ontwikkelingsruimte is verzekerd dat geen verslechtering plaatsvindt van alle stikstofgevoelige habitattypen en habitats van soorten. Daarbij kan worden uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van relevante Natura 2000‐gebieden worden aangetast. Voorwaarde hierbij is dat er voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is. Vaststellen benodigde ontwikkelingsruimte Voor de gevraagde activiteit dient te worden beoordeeld of ontwikkelingsruimte nodig is. Daarbij dient voorts beoordeeld te worden of de benodigde ruimte aanwezig is en of voldaan wordt aan de Regeling natuurbescherming. De aanvraag is daartoe geregistreerd in het AERIUS Register. Uit de AERIUS‐bijlagen bij het toestemmingsbesluit van 10 juli 2020 met kenmerk RcuEdGhS3gs8 en van 10 juli 2020 met kenmerk RfrSvGtwKb2 blijkt dat er voor de gevraagde activiteit in de vigerende periode én in 2030 voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is. Conclusie gebiedsbescherming Er is vastgesteld dat de zekerheid is verkregen dat er voor de stikstofdepositie op alle relevante hexagonen salderingsruimte beschikbaar is op grond van het SSRS. Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de gevraagde activiteit geen belemmering vormt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen en dat een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb kan worden verleend.
Deze vergunning is reeds verleend op d.d. 17‐09‐2020. Soortenbescherming Voor het plangebied zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. In bijlage 5 is een overzicht opgenomen van de onderzoeken en de bijbehorende conclusies. Hieronder worden de onderzoeken op chronologische volgorde besproken.
28/126
Op 8 augustus 2019 heeft een veldonderzoek plaatsgevonden in het kader van een ecologische quickscan, zie bijlage 6. Uit de ecologische quickscan blijkt dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met de Wet natuurbescherming.
Voorafgaand aan de kapwerkzaamheden dient een soortgericht onderzoek te worden uitgevoerd om de aan‐ of afwezigheid van nesten, rustplaatsen en essentieel leefgebied van de boomvalk, buizerd, sperwer, ransuil en havik aan te tonen. Voorafgaand aan de geplande herontwikkeling van het projectgebied dient een soortgericht onderzoek te worden uitgevoerd om de aan‐ of afwezigheid van voortplantings‐ en rustplaatsen en essentiële vliegroutes van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en de laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en baardvleermuis aan te tonen. Voorafgaand aan de kapwerkzaamheden dient een soortgericht onderzoek te worden uitgevoerd om de aan‐ of afwezigheid van voortplantings‐ en rustplaatsen en essentieel leefgebied van de eekhoorn aan te tonen.
Daarnaast wordt geadviseerd: In de periode van 1 maart tot en met augustus dienen grondhopen met steile hellingen (zoals voorbelasting) in het projectgebied (of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden) voorkomen te worden, zodat oeverzwaluwen hier niet in gaan broeden. Steile wanden dienen te worden afgevlakt of afgedekt met bijvoorbeeld wegendoek. Kolonisatie door de rugstreeppad te voorkomen door te voorkomen dat geschikt habitat op het terrein ontstaat door het uitvoeren van de werkzaamheden. De werkzaamheden in eerste instantie uit te voeren buiten het broedseizoen. Met name het kappen van bomen en verwijderen van ander groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Enkel indien tijdens een controle, uitgevoerd door een deskundig ecoloog, blijkt dat in het projectgebied en de directe omgeving geen broedende vogels of nesten aanwezig zijn, kunnen werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd. Gedurende de werkzaamheden dient voldoende zorg in acht te worden genomen voor alle in het wild voorkomende flora en fauna. Aanwezige dieren moeten voldoende tijd krijgen om te kunnen vluchten. Gedurende de werkzaamheden dient voldoende zorg in acht te worden genomen voor alle in het wild voorkomende flora en fauna. Aanwezige dieren moeten voldoende tijd krijgen om te kunnen vluchten. Naar aanleiding van de quickscan is een winterinspectie uitgevoerd.
Doel hiervan is het bepalen van de (mogelijk) aanwezigheid of afwezigheid van jaarrond beschermde nesten, nesten van eekhoorn en boomholten die geschikt zijn als rust‐ of voortplantingsplaats voor vleermuizen. Dit onderzoek is te vinden in bijlage 7. Hieruit kan het volgende geconcludeerd worden:
Nesten en essentieel leefgebied van de eekhoorn in onderhavig onderzoeksgebied kunnen worden uitgesloten; Jaarrond beschermde nesten van ransuil en sperwer binnen het onderzoeksgebied worden verwacht in zowel de groenstrook direct ten oosten van de te slopen bebouwing aan de Patrijzenlaan, als in de boomsingels binnen de oude agrarische gronden; nesten van andere roofvogels en uilen (die in de ecologische quickscan nog niet werden uitgesloten) worden niet binnen projectgebied verwacht.
29/126
Verschillende typen rust‐ en voortplantingsplaatsen van boombewonende vleermuizen worden verwacht in zowel de directe omgeving van de te slopen bebouwing aan de Patrijzenlaan, als in de boomsingels binnen de oude agrarische gronden.
Naar aanleiding van de winterinspectie is een soortgericht onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en vogels, zie bijlage 8. Doel van het soortgericht onderzoek is het uitsluiten dan wel aantonen van de aanwezigheid van nesten, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en vogels met een jaarrond beschermd nest uit categorie 4. Hieruit worden de volgende conclusies getrokken: In het projectgebied is één baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. De bijbehorende paarverblijfplaats bevindt zich in één van de bomen nabij het projectgebied. Het kan niet worden uitgesloten dat eerdergenoemde paarverblijfplaats tevens door individuen van de soort in gebruik is als winterverblijfplaats gedurende milde winters. In het projectgebied zijn geen voortplantings‐ of rustplaatsen vastgesteld van andere vleermuissoorten dan de gewone dwergvleermuis. Ter plaatse van de bomenrij ten zuidoosten van de Patrijzenlaan is een essentiële vliegroute van gewone dwergvleermuis en een mogelijk essentiële vliegroute van laatvlieger vastgesteld. In de directe omgeving van het projectgebied is één kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Deze verblijfplaats lijkt buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden te liggen.
Echter, het kappen van de bomensingel ten zuidoosten van de Patrijzenlaan (essentiële vliegroute gewone dwergvleermuis) zal leiden tot verlies van (functionaliteit van de) vastgestelde kraamverblijfplaats. Derhalve ligt de verblijfplaats –indirect binnen de invloedssfeer van de voorgenomen kap‐ en rooi werkzaamheden. In de directe omgeving van het projectgebied zijn 3 zomerverblijfplaatsen en elf baltsterritoria van gewone dwergvleermuizen, en 3 paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuizen vastgesteld. Deze liggen alle buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. In de directe omgeving van het projectgebied (ter plaatse van de bomenrij langs de Fazantenlaan, direct ten zuidwesten van projectgebied) is een belangrijk foerageergebied van laatvliegers vastgesteld. Dit foerageergebied bevindt zich buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. In het projectgebied zijn geen nesten of rustplaatsen van huismus, gierzwaluw, ransuil of sperwer vastgesteld. In het projectgebied kunnen tijdens het broedseizoen nesten of rustplaatsen van algemene broedvogels en broedvogels uit categorie 5 (met voldoende alternatief) aanwezig zijn. Ook kunnen, tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, rugstreeppadden worden aangetrokken. In de uitgevoerde ecologische quickscan (VanderHelm Milieubeheer B.V., kenmerk 20190989, d.d.
16‐09‐2019) is reeds geadviseerd op welke manier hier rekening mee gehouden dient te worden gedurende de werkzaamheden. De vervolgstappen bestaan uit het bepalen of de aangetroffen beschermde elementen van vleermuizen worden aangetast door de geplande werkzaamheden en of het mogelijk is om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Wanneer het niet mogelijk is om overtreding te voorkomen, dient een ontheffing te worden aangevraagd. Voor het aanvragen van een ontheffing dient een activiteitenplan opgesteld te worden. Geadviseerd wordt om voor onderhavig project als mitigerende maatregel voor de paarverblijfplaats binnen het baltsterritorium (ter plaatse van de groenstrook direct ten oosten van de bebouwing binnen projectgebied) vleermuiskasten in de directe omgeving te plaatsen. Indien overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen kan worden, wordt geadviseerd in het kader van de zorgplicht een ecologisch werkprotocol op te laten stellen wat specifiek is afgestemd op de uitvoeringsplanning en de te nemen maatregelen voor de uitvoerders.
30/126
Naar aanleiding van de conclusies van het soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels heeft een ecologische toetsing plaatsgevonden om de nieuwbouwplannen te toetsen met het oog op de aangetroffen vliegroute, zie bijlage 9. Hieruit bleek dat niet kon worden uitgesloten dat de werkzaamheden zullen leiden tot een overtreding op de Wet natuurbescherming. Vervolgens is een activiteitenplan/alternatievenbezoek afgelegd (zie bijlage 10). Tijdens het alternatievenonderzoek zijn de alternatieven verblijfplaatsen en vliegroutes in kaart gebracht. In de omgeving zijn voldoende alternatieve geschikte verblijfplaatsen aanwezig. In de omgeving van het projectgebied zijn meerdere alternatieve vliegroutes die leiden naar kleine, met het binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezige vergelijkbare foerageergebieden, én die leiden naar de duinbossen ten noorden van het projectgebied. Op deze vliegroutes zijn wel vier knelpunten vastgesteld, waarvan twee knelpunten kunnen leiden tot belemmering van doorgaande vliegroutes: Knelpunt A: Betreft een relatief felverlicht kruispunt (zie afbeelding 6A, bijlage 10 De verlichting is afkomstig van lage straatlantaarns met conische, rondom schijnende armaturen. De bomenrijen en boomgroepen in de omgeving zijn hoger dan deze straatlantaarns.
Door de armaturen zodanig af te stellen dat zij enkel naar beneden (en opzij) schijnen, in plaats van omhoog, kan dit knelpunt worden weggenomen. Door knelpunt A weg te nemen ontstaat een aaneengesloten alternatieve vliegroute (ZW‐NO) naar de duinbossen ten noorden van het projectgebied; Knelpunt B: Betreft een onderbreking in de bomenrij met daarbinnen een straatlantaarn (zie afbeelding 6B, bijlage 10). Het is niet ondenkbaar dat gewone dwergvleermuizen en laatvliegers in de huidige situatie gewoon over knelpunt B heen vliegen, echter, door te voorkomen dat het licht van de straatlantaarn naar boven uitstraalt wordt de vliegroute waarschijnlijk veel aantrekkelijker. Het aanpassen van armaturen van lantaarnpalen ter plaatse van knelpunt A en B kunnen leiden tot een versterking van het netwerk aan vliegroutes van vleermuizen in dit gedeelte van Oostvoorne. Er zijn gelijkwaardige en betere alternatieve vliegroutes en foerageergebied aanwezig in de omgeving van het projectgebied, die bovendien in verbinding staan met het projectgebied, en de aangetroffen kraamverblijfplaats net buiten projectgebied. Derhalve wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een essentiële vliegroute binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden.
Uitvoering van werkzaamheden die de – binnen projectgebied – vastgestelde vliegroute en het foerageergebied aantasten kunnen (onder begeleiding van een ecoloog) worden uitgevoerd zonder dat daarbij de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Voor dit onderdeel hoeft dus geen ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Geadviseerd wordt de werkzaamheden in eerste instantie uit te voeren buiten het broedseizoen. Enkel indien tijdens een controle, uitgevoerd door een deskundig ecoloog, blijkt dat in het projectgebied en de directe omgeving geen broedende vogels of nesten aanwezig zijn, kunnen werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd. Indien algemene broedvogels in het projectgebied broeden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen en dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of, op welke manier en wanneer de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming. Ook moet de zorgplicht in acht genomen worden. In het onderzoek zijn tevens aanbevelingen gegeven om de afname van de ecologische waarde van het gebied enigszins te beperken. Tevens heeft er een onderzoek op locatie plaatsgevonden met de OZHZ om het bovenstaande toe te lichten, zie bijlage 11. Tijdens dit onderzoek zijn twee sperwers waargenomen waardoor ook nader onderzoek naar deze soort
31/126
noodzakelijk bleek. Dit onderzoek is eveneens uitgevoerd en opgenomen als bijlage 12. Daaruit blijkt dat beschermde elementen voor sperwers kunnen worden uitgesloten. Er is een Activiteitenplan opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Haaglanden, om een ontheffing aan te vragen voor het verstoren en vernietigen van het aangetroffen baltsterritorium en bijhorende paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis in het projectgebied, zie bijlage 13. Conclusie soortenbescherming Voor het plangebied zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. Voor het verstoren van de verblijfplaatsen van vleermuizen dient ontheffing te worden aangevraagd voor overtreding van de Wet natuurbescherming. De aanvraag daarvoor is inmiddels ingediend en wordt separaat van dit bestemmingsplan behandeld door de Omgevingsdienst Haaglanden die daarvoor als bevoegd gezag optreedt. Het alternatievenbezoek heeft uitgewezen dat er geen ontheffing aangevraagd hoeft te worden voor het aantasten van vliegroutes en foerageergebieden. De omgeving biedt voldoende alternatieven vliegroutes en foerageergebieden. Ook beschermde elementen van sperwers kunnen uitgesloten worden. Bij de werkzaamheden dient wel de zorgplicht in acht te worden genomen.
Gelet op de uitgevoerde onderzoeken, de conclusies daarvan en de voorbereiding van de benodigde ontheffingsaanvraag in overleg met de ODH, is de verwachting reëel dat deze ontheffing verkregen zal worden. Op basis daarvan, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.5
Externe veiligheid
Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.