09 raadsbrief bestemmingsplan Fazantenlaan bijl 1. Bestemmingsplan
Tekst van het document
Kenmerken van de milieueffecten
13
zal moeten worden van 149 parkeerplaatsen. Significant negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen daarmee worden uitgesloten. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat op het gebied van verkeer en parkeren geen belangrijke nadelige milieueffecten optreden.
3.2.
Geluid
Woningen zijn geluidgevoelige functies waarvoor op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden, indien deze gelegen zijn binnen de geluidzone van een weg, een spoorweg of een industrieterrein. Het plangebied ligt binnen de geluidzones van de Fazantenlaan, de Patrijzenlaan en de Voorweg en binnen de zone van het industrieterrein Maasvlakte-Europoort. Akoestisch onderzoek is op grond van de Wgh dan ook noodzakelijk. Ook de 30 km/uur-weg Van der Meerweg en de nieuwe ontsluitingsweg is om redenen van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in het onderzoek. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 18 bij het bestemmingsplan. Wegverkeerslawaai De conclusies voor het onbebouwde binnenterrein zijn: • dat ten gevolge van de gezoneerde wegen Patrijzenlaan en Voorweg de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden.
Ook ten gevolge van de Van der Meerweg (niet gezoneerd) wordt de richtwaarde van 48 dB niet overschreden; • dat alleen in de zuidoosthoek van de locatie de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden ten gevolge van de Fazantenlaan; • dat het verlagen van de snelheid naar 30 km/uur op de Fazantenlaan een doelmatige maatregel is die, vanuit akoestisch oogpunt, te overwegen valt; • dat het laten vaststellen van hogere waarden voor 3 woningen nodig is van 50 dB, indien niet wordt gekozen voor een snelheidsverlaging; • dat de geluidbelasting op de bestaande woningen langs de nieuwe aansluiting naar het woongebied lager is dan 48 dB. Industrielawaai De conclusies voor het onbebouwde binnenterrein zijn: • dat de hoogte van de geluidbelasting maximaal 52 dB(A) bedraagt. De voorkeursgrenswaarde wordt overschreden ten gevolge van het industrieterrein Maasvlakte-Europoort. Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn niet mogelijk. Voor deze 71 woningen is door het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde van 52 dB(A) vastgesteld. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat op het gebied van geluid geen belangrijke nadelige milieueffecten optreden. Voor wegverkeerslawaai (3 woningen) en industrielawaai (71 woningen) is een besluit hogere waarde vastgesteld genomen door het college van Burgermeester en Wethouders.
Uitstralingseffect Voor toetsing van het uitstralingseffect bestaat geen wettelijk kader. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat bij een toename van de verkeersomvang met meer dan 40% sprake is van een geluidstoename van meer dan 1,5 dB (wat voor het menselijk oor hoorbaar is). Gezien de ontsluitende functie van de omliggende wegen zal de extra verkeersgeneratie van 577 mvt/etmaal minder zijn dan 40% van de totale verkeersintensiteit over deze wegen. Relevante negatieve uitstralingseffecten naar de omgeving zijn dan ook uitgesloten.
Rho adviseurs voor leefruimte. vestiging Rotterdam
14
3.3.
Kenmerken van de milieueffecten
Luchtkwaliteit
De beoogde ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van 71 woningen Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen uit het Besluit niet in betekenende mate. Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarde. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wel van belang om een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied te geven. Dit is gedaan aan de hand van de NSLmonitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Fazantenlaan (maatgevende doorgaande weg nabij het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Omdat direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat op het gebied van luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige milieueffecten optreden.
3.4.
Risico’s op zware ongevallen of rampen en risico’s voor de menselijke gezondheid
Externe veiligheid De beoogde ontwikkeling betreft geen risicobron en zal dan ook geen negatief effect hebben op omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. Daarnaast vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, per spoor, over het water of door buisleidingen. Op circa 1 kilometer van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Op circa 1,2 kilometer van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleidingen plaats. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR 10 -6-contour of het invloedsgebied van het groepsrisico van de weg en de buisleidingen. Beide risicobronnen hebben geen externe werking op het plangebied. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat op het gebied van externe veiligheid geen belangrijke nadelige milieueffecten optreden. Risico’s op rampen door klimaatverandering De beoogde ontwikkeling is niet relevant wat betreft risico’s op rampen door klimaatverandering. Risico’s voor de menselijke gezondheid Uit toetsing van de verschillende milieuthema’s op het gebied van leefomgevingskwaliteit en verkeer blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico’s voor de menselijke gezondheid.
Er wordt voldaan aan de normen voor geluid, externe veiligheid en luchtkwaliteit.
3.5.
Bodem en water
Bodem Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 14 bij bestemmingsplan). Uit dit onderzoek blijkt dat de vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als ‘onverdacht’ dient
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
Kenmerken van de milieueffecten
15
te worden beschouwd, wordt bevestigd. Hierom is nader onderzoek niet noodzakelijk. De locatie is geschikt voor de beoogde bestemming (wonen). De beoogde ontwikkeling voorziet in woningen. Deze functies voorzien niet in bodembedreigende activiteiten. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat op het gebied van bodem geen nadelige milieueffecten optreden. Wel dient er rekening gehouden worden met een mogelijke sanering. Mocht dit noodzakelijk zijn, dan is er sprake van een positief effect. Water Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. De ontwikkeling heeft geen (negatieve) invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Het plangebied wordt niet begrensd door watergangen behorende tot de categorie 'primair' of 'overig'. Bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 (in stedelijk gebied) of 1.500 m2 (in landelijk gebied) is compensatie door aanleg van waterberging nodig. De verharding betreft 18,493 m2, dit is meer dan de grens van 500 m2 waardoor compensatie noodzakelijk is. Er dient 10% van de verharding gecompenseerd te worden, in dit geval komt dit op een totaal van 1.849 m2 voor het plan Fazantenlaan. Tevens wordt in het plan Fazantenlaan de watercompensatie voor het naastgelegen plan Patrijzenlaan gerealiseerd.
Voor dat plan is minimaal 210 m2 aan watercompensatie nodig. Dit maakt de gezamenlijke opgave 1.849 m2 + 210 m2 = 2.059 m2 . In het plan zal 2.140 m2 aan waterberging gerealiseerd worden waarvan 1.278 m2 aan openbaar water en 862 m2 aan droge waterberging. De uitwerking hiervan op tekening is weergegeven in figuur 3.2 en deze figuur is ook in groter formaat aan het plan toegevoegd als bijlage 16. Hiermee wordt er voldaan aan de compensatie-eis. Hierover heeft overleg met het waterschap plaatsgevonden waarbij er ook groen licht is gegeven voor de aanleg van oppervlaktewater en droge waterberging als compensatie. Hoewel het de voorkeur niet heeft om verduikerde watergangen te realiseren, is er in deze situatie geen andere optie. Het watersysteem is door het waterschap getoetst op het hydrologische functioneren en hieruit blijkt dat het systeem met de verduikerde watergangen voldoet.
Figuur 3.2 Watercompensatie
Rho adviseurs voor leefruimte. vestiging Rotterdam
16
Kenmerken van de milieueffecten
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat op het gebied van water geen belangrijke nadelige milieueffecten optreden.
3.6.
Ecologie
Gebiedsbescherming Zoals beschreven in paragraaf 2.1 is het plangebied niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling op het Natuurnetwerk Nederland kunnen dan ook worden uitgesloten. Zoals beschreven in paragraaf 2.1 is het dichtstbijzijnde (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied gelegen op circa 330 meter afstand. De beoogde ontwikkeling zelf heeft gedurende de gebruiksfase geen emissie in verband met het ontbreken van een gasaansluiting. Wel kan de bijbehorende verkeersgeneratie voor een emissie zorgen. Verder kan de sloop- en aanlegfase van de ontwikkeling effect hebben op de stikstofemissie. Een berekening geeft inzicht in de mate van de stikstofemissie als gevolg van de beoogde ontwikkeling. De berekening is uitgevoerd met Aerius Calculator en is in bijlage 3 en 4 van het bestemmingsplan opgenomen, samen met het bijbehorende onderzoek in bijlage 2 bij het bestemmingsplan. Zowel voor de gebruiksfase als voor de aanlegfase wordt een depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden berekend, respectievelijk 0,19 en 0,21 mol/ha/jaar. Vanwege de depositiebijdragen is door middel van het stikstofregistratiesysteem (SSRS) ontwikkelingsruimte aangevraagd. Er is vastgesteld dat de zekerheid is verkregen dat er voor de stikstofdepositie op alle relevante hexagonen salderingsruimte beschikbaar is op grond van het SSRS.
Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de gevraagde activiteit geen belemmering vormt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen en dat een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb kan worden verleend. Deze vergunning is reeds verleend op d.d. 17-09-2020. Soortenbescherming Voor het plangebied en het naastgelegen plangebied van het plan Patrijzenlaan zijn een gezamenlijke quickscan, winterinspectie en nader (soorten)onderzoek uitgevoerd. Daarna zijn vervolgstappen uitgevoerd om op basis van aanvullende rapporten inzicht te verkrijgen in de noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming. (bijlagen 5 t/m 13 bij het bestemmingsplan) Daaruit is gebleken dat er voor het plan Fazantenlaan een ontheffing nodig is voor het verstoren en vernietigen van een aangetroffen baltsterritorium en bijhorende paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis in het projectgebied, in de groenstrook die beide plangebieden van elkaar scheidt. Deze ontheffing is aangevraagd en in behandeling bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Verstorende werkzaamheden kunnen pas worden uitgevoerd wanneer deze vergunning verkregen is.
Gelet op de uitgevoerde onderzoeken, de conclusies daarvan en de voorbereiding van de benodigde ontheffingsaanvraag in overleg met de Omgevingsdienst, is de verwachting reëel dat deze ontheffing verkregen zal worden.
Ten aanzien van gebiedsbescherming heeft het project geen negatieve consequenties voor aangewezen Natura 2000-gebied, wat tevens blijkt uit de verkregen vergunning als in deze paragraaf genoemd, of op gronden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland. Ten aanzien van soortenbescherming is voor het project, gelet op de uitgevoerde ecologische onderzoeken, een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd. In dat kader zijn in het bijbehorende Activiteitenplan tevens mitigerende maatregelen beschreven, om zoveel als mogelijk
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
Kenmerken van de milieueffecten
17
het verstoren van exemplaren van de gewone dwergvleermuis en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de deze soort te voorkomen. Op basis van het voorgaande en de te treffen maatregelen, wordt geconcludeerd dat op het gebied van ecologie geen belangrijke nadelige milieueffecten optreden.
3.7.
Cultuurhistorie en archeologie
Cultuurhistorie Zoals beschreven in paragraaf 2.1 zijn in en nabij het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Negatieve effecten op deze waarden zijn dan ook uitgesloten. Archeologie Zoals aangegeven in paragraaf 2.1 geldt voor het plangebied de dubbelbestemming archeologie -3. Er zijn verwachtingswaarden aanwezig dieper dan 80 cm beneden het maaiveld. In het plangebied is een archeologisch bureauonderzoek (2005) en verkennend inventariserend veldonderzoek (2010) uitgevoerd, zie bijlage 17 bij het bestemmingsplan. Uit deze onderzoeken komt naar voren dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van archeologische resten. Negatieve effecten zijn dan ook uitgesloten. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat op het gebied van cultuurhistorie en archeologie geen belangrijke nadelige milieueffecten optreden
3.8.
Aanlegwerkzaamheden
Gelet op de tijdelijkheid van de aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden. In het kader van de beoogde ontwikkeling is met een stikstofberekening ook de aanlegfase berekend. Door gebruik van het stikstofregistratiesysteem is uitgesloten dat de aanlegwerkzaamheden voor een verslechtering van natuurgebieden zorgen.
3.9.
Mitigerende maatregelen
Uit de voorgaande sectorale analyses blijkt dat er op het gebied van ecologie – soortenbescherming sprake is van te treffen mitigerende maatregelen. Deze komen voort uit het Activiteitenplan, behorende bij de ontheffingsaanvraag van de Wet natuurbescherming. Dit Activiteitenplan is als bijlage 13 bij het bestemmingsplan opgenomen. De ontheffingsaanvraag is ingediend en momenteel in behandeling. Dit betreft een separate procedure en voordat deze ontheffing verkregen is, mogen er geen verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd.
Rho adviseurs voor leefruimte. vestiging Rotterdam
18
Kenmerken van de milieueffecten
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
Conclusie
19
4. Conclusie
Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet ligt in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Ook de cumulatieve effecten met het naastgelegen plan Patrijzenlaan maken niet dat er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte. vestiging Rotterdam
Bijlage 2 Stikstofonderzoek
STIKSTOFDEPOSITIEBEREKENING PROJECT
Fazantenlaan, Oostvoorne
STATUS
Versie 2
PROJECTNUMMER
20069
DATUM
26 juni 2020
AUTEUR
K. van Duijn
CONTROLE
E. Scheer
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 085 – 744 08 37
Mees Ruimte & Milieu | 20069.01.
Pagina | 2
Inhoudsopgave
Pagina
1
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Situatie projectlocatie 1.3 Leeswijzer
4 4 4 6
2
Wet- en regelgeving 2.1 Inleiding 2.2 AERIUS-calculator 2.3 Toename van stikstofdepositie 2.4 Stikstof Registratie Systeem (SSRS)
7 7 7 7 8
3
Stikstofdepositie projectlocatie 3.1 Onderzoeksopzet en afbakening 3.2 Emissies aanlegfase 3.3 Emissies gebruiksfase 3.4 AERIUS-berekeningen
9 9 9 10 12
4
Conclusies
13
Bijlagen Uitdraai AERIUS-calculator Fazantenlaan aanlegfase, 26 juni 2020 Uitdraai AERIUS-calculator Fazantenlaan gebruiksfase, 26 juni 2020.
Mees Ruimte & Milieu | 20069.01.
Pagina | 3
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
In uw opdracht heeft Mees Ruimte & Milieu onderzoek verricht naar de stikstofdepositie op de nabijgelegen kwetsbare natuurgebieden ten gevolge van de ontwikkeling van een woningbouwplan nabij de Fazantenlaan te Oostvoorne. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Daartoe wordt een stikstofberekening gemaakt met behulp van de AERIUS-calculator. De stikstofdepositieberekening heeft tot doel de NOx (stikstofoxiden) en NH3 (ammoniak) emissies door het voornemen inzichtelijk te maken en de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden te berekenen. De stikstofdepositieberekening wordt afgesloten met een conclusie waarbij duidelijk wordt of in het kader van de Wet natuurbescherming significante negatieve effecten uitgesloten kunnen worden.
1.2
Situatie projectlocatie
1.2.1
Projectlocatie
De projectlocatie is gelegen op een open veld achter de woningen aan de Patrijzenlaan en de Fazantenlaan te Oostvoorne. Figuur 1. Projectlocatie op kadastrale kaart.
Mees Ruimte & Milieu | 20069.01.
Pagina | 4
1.2.2
Omschrijving huidige situatie
De huidige situatie betreft een veld, bestaande uit meerder percelen al dan niet gescheiden door bomen. Het veld is begroeid, maar niet voorzien van bebouwing. Figuur 2. Luchtfoto huidige situatie (QGis).
1.2.3
Omschrijving toekomstige situatie
Projectontwikkelaar Van Omme & De Groot is voornemens aan de Fazantenlaan in Oostvoorne binnen een bestaande woonwijk nieuwbouw te realiseren. Het woonprogramma bestaat uit 71 nieuwbouwwoningen in verschillende typologieën zoals weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 1. Programma woningbouw.
Mees Ruimte & Milieu | 20069.01.
Pagina | 5
1.2.4
Situering ten opzichte van Natura 2000-gebieden
Ten behoeve van de stikstofdepositieberekeningen dient rekening gehouden te worden met de Natura 2000-gebieden rondom de projectlocatie. Nabij de projectlocatie zijn de navolgende Natura 2000gebieden gesitueerd: Voornse Duin Voordelta Solleveld & Kapittelduinen
Gelegen op circa 350 meter afstand Gelegen op circa 2,4 meter afstand Gelegen op circa 7,7 km afstand
Overige Natura 2000-gebieden zijn op grotere afstand gelegen van de beoogde ontwikkeling waar mogelijk nog een bijdrage kan worden berekend. In de onderstaande figuur is een kaart opgenomen met de ligging van de projectlocatie ten opzichte van de omliggende natuurgebieden. Figuur 3. Projectlocatie ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.
1.3
Leeswijzer
De stikstofdepositieberekening is opgebouwd uit een viertal hoofdstukken: - Hoofdstuk 1 betreft de inleiding; - Hoofdstuk 2 betreft de wet- en regelgeving; - Hoofdstuk 3 betreft de stikstofdepositieberekening; - Hoofdstuk 4 betreft de conclusie.
Mees Ruimte & Milieu | 20069.01.
Pagina | 6
2
Wet- en regelgeving
2.1
Inleiding
In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen; gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een toename van de stikstofdepositie kan leiden tot significante negatieve effecten op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming (Wnb) vergunning in combinatie met een passende beoordeling. Daarom dient voor nieuwe plannen en projecten onderzocht te worden in hoeverre er sprake is van een significant negatief effect op de relevante Natura 2000-gebieden.
2.2
AERIUS-calculator
Op basis van de berekende NOx en NH3 emissies die een project, andere handeling of planologische mogelijkheden van een plan uitstoot wordt met een verspreidingsmodel de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitatten en leefgebieden in Natura 2000-gebieden berekend. Er wordt gebruik gemaakt van het rekenprogramma AERIUS-calculator voor wat betreft informatie over de actuele stikstofdepositie en kritische depositiewaarde (kdw) van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in de Natura 2000-gebieden. Met betrekking tot de berekeningen in AERIUS zijn twee fases te onderscheiden, de aanlegfase (realisatie) en de gebruiksfase (het gebruik van de ontwikkeling na afloop van de aanlegfase). Aanleg en gebruik komen niet tegelijkertijd voor. Zodoende worden beide fasen berekend met de AERIUS-calculator. Significante negatieve effecten kunnen worden uitgesloten als door het project, andere handeling of planologische mogelijkheden van een plan geen stikstofdepositie toename plaats vindt op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden in Natura2000-gebieden die al overbelast zijn. Hiervan is in ieder geval sprake als de berekende toename in stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jr.
2.3
Toename van stikstofdepositie
Elke toename in stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op een overbelast stikstofgevoelig instandhoudingsdoel (habitattype of leefgebied) is in potentie een significant negatief effect. Een dergelijke toename in stikstofdepositie betekent daardoor dat het project niet zonder meer vergunbaar is onder de Wet natuurbescherming. Als uit de berekening van de aanleg- en gebruiksfase voor de beoogde situatie blijkt dat sprake is van een toename van stikstofdepositie, kan een verschilberekening gemaakt worden. Een verschilberekening bestaat uit een berekening van de referentiesituatie en de nieuwe situatie. Als uit deze verschilberekening volgt dat sprake is van een afname van stikstofdepositie in de nieuwe situatie t.o.v. de referentiesituatie, kan geoordeeld worden dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie. Dit wordt intern salderen genoemd. In geval gebruik gemaakt wordt van intern salderen, dient een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Indien significante negatieve effecten niet op voorhand uit te sluiten zijn, dient een passende beoordeling te worden gemaakt, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Wanneer uit de passende beoordeling de zekerheid wordt verkregen dat het project geen significante gevolgen heeft kan deze zonder vergunning worden uitgevoerd.
Indien significante effecten niet zijn uit te sluiten dan kunnen de volgende stappen doorlopen worden: Beoordeling significantie Mitigatie Interne saldering Externe saldering Gebruik maken van het stikstof registratie systeem (SSRS) ADC-toets
Mees Ruimte & Milieu | 20069.01.
Pagina | 7
2.4
Stikstof Registratie Systeem (SSRS)
Sinds 24 maart 2020 kan een natuurvergunning worden aangevraagd op basis van het stikstofregistratiesysteem. Dit geldt in eerste instantie voor de woningbouw en een beperkt aantal grote infraprojecten. Voorwaarde voor het stikstofregistratiesysteem is dat er eerst stikstofruimte wordt gecreëerd door maatregelen die de stikstofneerslag verminderen. De verlaging overdag van de maximumsnelheid op autosnelwegen naar 100 km/uur is de eerste maatregel die stikstofruimte gaat opleveren. Voor woningbouw zijn twee mogelijkheden om op basis van het stikstofregistratiesysteem een natuurvergunning te verkrijgen. De eerste route loopt direct via de provincie. De beslistermijn voor een natuurvergunning is dan 13 weken, met een mogelijke verlenging van zeven weken. Een tweede route loopt via de gemeente. In dat geval maakt de aanvraag voor de natuurvergunning deel uit van de aanvraag voor de omgevingsvergunning. De gemeente moet vervolgens een verklaring van geen bedenkingen bij de provincie aanvragen. De provincie kan voorwaarden stellen die aan de vergunning kunnen worden toegevoegd. In het laatste geval geldt een beslistermijn van 26 weken, met een mogelijke verlenging van zes weken.
Mees Ruimte & Milieu | 20069.01.
Pagina | 8
3
Stikstofdepositie projectlocatie
3.1
Onderzoeksopzet en afbakening
In dit onderzoek zijn de NOx en NH3 emissies gedurende de aanlegfase en de gebruiksfase in kaart gebracht. De bouw van de woningen zal worden uitgevoerd door mobiele werktuigen ter plaatse. De aanen afvoer van materiaal zal worden gedaan door vrachtwagens. Daarnaast zullen er nog vervoersbewegingen zijn van licht en middelzwaar verkeer. Voor deze bronnen wordt de NOx uitstoot berekend. De emissieberekeningen tijdens de gebruiksfase zijn gebaseerd op eventuele emissies door gebruik van aardgas en de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling.
3.2
Emissies aanlegfase
De stikstofdepositie als gevolg van het brandstof aangedreven materieel tijdens de aanlegfase is berekend met de AERIUS-calculator 2019A. Vrachtwagens en werk- en personenverkeer zijn als lijnbronnen gemodelleerd, overige bronnen als oppervlaktebronnen. Voor zover mogelijk zijn de emissiefactoren opgenomen. De aanlegfase is gepland vanaf het tweede kwartaal van 2021 en is berekend als tijdelijk project vanaf het jaar 2021. In totaal zal de realisatie circa 52 weken duren. Om een worst case situatie te creëren wordt al het in te zetten materiaal tijdens de gehele aanlegfase in het jaar 2021 gemodelleerd.
3.2.1
Emissiefactoren mobiele werktuigen
Afhankelijk van het bouwjaar van het materieel en de brandstof is de emissiefactor bepaald. Voor de emissiekarakteristieken zijn de standaardwaarden van AERIUS-calculator gehanteerd: Een uitstoothoogte van 4 meter met een spreiding van 2 meter. Het advies vanuit de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2019A is de spreiding van de default waarde (van 4 meter) in AERIUS aan te passen naar de helft van uitstoothoogte. De warmte-emissie is (worst-case) 0 MW. De emissies van de mobiele werktuigen zijn gemodelleerd als oppervlaktebron. 3.2.2
Emissies aanlegfase
Tijdens de bouwperiode ontstaan NOx-emissies door de inzet van mobiele werktuigen, auto’s en vrachtwagens. Naar verwachting zullen de mobiele werktuigen zoals weergegeven in tabel 1 gedurende de realisatie ingezet worden. Met de werktuigen in onderstaande tabel zal de grond bouwrijp gemaakt worden, zullen de woningen gebouwd worden, en de nieuwe wijk woonrijp gemaakt worden. Onder dat laatste vallen de benodigde parkeerplaatsen, overige verharding, groenvoorzieningen en overige voorzieningen in de wijk.
Mees Ruimte & Milieu | 20069.01.
Pagina | 9
Tabel 2. In te zetten mobiele werktuigen.
Tabel 3. Inzet verkeer naar onderaannemer.
Tabel 4. Verwachte inzet bouwverkeer.
Naast het bouwmaterieel wordt ervan uitgegaan dat er per jaar 1.512 verkeersbewegingen aan licht verkeer van en naar de locatie zullen zijn. Voor licht en zwaar vrachtverkeer wordt dat geraamd op respectievelijk 388 en 279 verkeersbewegingen. Voor de aan en afvoer van materiaal en personen tijdens de bouw is uitgegaan van één ontsluitingsweg die zo min mogelijk door de bebouwde kom gaat. Deze route gaat via de Fazantenlaan, over de Molendijk. Het filepercentage voor bouwverkeer is ingesteld op 0, aangezien wordt aangenomen dat bouwverkeer niet tijdens spitstijden op de weg is.
3.3
Emissies gebruiksfase
Het onderzoeksgebied voor de gebruiksfase wordt bepaald door het gebied waarbinnen effecten als gevolg van het plan kunnen worden verwacht. Afhankelijk van het type woningen wordt de verkeersaantrekkende werking bepaald en de eventuele uitstoot van NOx als gevolg van aardgasgebruik meegenomen in de berekening. 3.3.1
Emissie wegverkeer
In de gebruiksfase zal het gebruik van fossiele brandstoffen met name gelegen zijn in het autoverkeer van de gebruikers en bezoekers van de gebouwen. Voor de verkeersgeneratie naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling worden de kengetallen van het CROW (publicatie 381) gebruikt. De gemeente Westvoorne, waar de planlocatie ligt wordt, met een omgevingsadressendichtheid van 631, aangemerkt als weinig stedelijk.
Mees Ruimte & Milieu | 20069.01.
Pagina | 10
Binnen Oostvoorne ligt de planlocatie in de resterende bebouwde kom. Op basis van deze gegevens de maximale verkeersgeneratie woningen bepaald worden (zie onderstaande tabel). Tabel 5. Verkeersgeneratie per etmaal
In totaal zal de ontwikkeling een verkeersgeneratie van circa 574 verkeersbewegingen per etmaal met zich meebrengen. Er wordt op basis van CROW-kengetallen ervan uitgegaan dat daarvan per woning 0,02 vrachtverkeer betreffen, wat neerkomt op circa 1,5 vrachtwagenbewegingen per etmaal. Om te bepalen in hoeverre deze voertuigen in de file staan is op basis van de NSL-monitoringstool de stagnatiefactor bepaald. Rondom de projectlocatie is de stagnatiefactor op de wegen van 0%. In de AERIUS-calculator is veiligheidshalve een filepercentage van 10% opgenomen. Figuur 4. Stagnatiefactor verkeer rondom de projectlocatie
Onderstaande wegvlakken zijn opgenomen in de berekening: - Fazantenlaan – Voorweg – De Ruy – Brielseweg – aansluiting op de Kleidijk (N218). Buiten deze wegen wordt het verkeer geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld omdat het verkeer zich in hoeveelheid, snelheid, rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden.
Mees Ruimte & Milieu | 20069.01.
Pagina | 11
3.3.2
Emissie gebouwen/ functies
De gebouwen worden verwarmd middels volledige (all-electric) warmtepompen en derhalve niet op het gasnet aangesloten, derhalve is er geen emissiebron voor gasgebruik opgenomen.
3.4
AERIUS-berekeningen
Er is een stikstofberekening uitgevoerd voor de aanlegfase en de gebruiksfase. Met de AERIUS-calculator zijn de eerdere genoemde emissiebronnen gemodelleerd. Berekening aanlegfase Voor de aanlegfase wordt uitgegaan van de volgende emissiebronnen: - Mobiele werktuigen zoals opgenomen in tabel 2. - Verkeersbewegingen zoals opgenomen in tabel 4. Emissies die vrijkomen bij de inzet van werktuigen en bijvoorbeeld verwarming van gebouwen zijn gemodelleerd als oppervlaktebron. Het wegverkeer is gemodelleerd als lijnbron. Na berekening van de stikstofdepositie concludeert de AERIUS-calculator dat er rekenresultaten zijn van 0,19 mol/ha/j voor de aanlegfase. In bijlage 1 zijn de invoergegevens voor de aanlegfase weergegeven. Berekening gebruiksfase In de gebruiksfase wordt uitgegaan van de volgende emissiebronnen: - 71 woningen (gasloos) - Verkeersgeneratie van 573 vervoersbewegingen licht verkeer per etmaal - Verkeersgeneratie van 1,5 vervoersbewegingen zwaar verkeer per etmaal Na berekening van de stikstofdepositie concludeert de AERIUS-calculator dat er rekenresultaten zijn van 0,21 mol/ha/j voor de gebruiksfase. In bijlage 2 zijn de invoergegevens voor de gebruiksfase weergegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 20069.01.
Pagina | 12