Verwey_Jonker_Online-extreemrechtse-radicalisering
Tekst van het document
Om deze reden beginnen we dit hoofdstuk met een kort overzicht van de meer algemene literatuur over beschermende factoren en gewelddadig extremisme om vervolgens te kijken welke accenten gelegd kunnen worden als het gaat om extreemrechtse radicalisering in de online context.
Beschermende factoren Dat onderzoek naar beschermende factoren binnen gewelddadige radicalisering schaars is, blijkt uit de twee systematische overzichtsstudies die er zijn op dit gebied. Lösel, King, Bender en Jugl (2018) onderzochten tweeduizend documenten over radicalisering en ‘gewelddadig’ extremisme (links/rechts/
religieus-etnisch) en vonden in zeventien rapporten eenentwintig analyses waarin kwantitatieve data werden verschaft over beschermende factoren en de werking ervan. De meerderheid van de studies ging over zowel risicoals beschermende factoren. Op basis van deze studies onderscheiden zij vijf niveaus waarop beschermende factoren betrekking kunnen hebben (zie ook Lösel & Farrington, 2012), namelijk individu, familie, school, peers en gemeenschap – een onderscheid dat in lijn ligt met de gedachte dat weerbare individuen bepaalde kenmerken bezitten en toegang hebben tot bepaalde vormen van kapitaal. De belangrijkste conclusie van de auteurs richt zich op het feit dat beschermende factoren op het gebied van gewelddadig extremisme opvallende paralellen vertonen met die van geweld in zijn algemeenheid. Een voorbeeld van zo’n breed geldende beschermende factor is zelfcontrole (categorie: individu). Het betreft een factor die ook in latere studies wordt aangemerkt als beschermende factor in radicaliseringsprocessen (zie ook Wolfowicz et al. 2019; Rottweiler & Gill, 2022). Zo stellen Rottweiler en Gill (2022), op basis van een representatieve steekproef onder 1.500 Britten, bijvoorbeeld dat zelfcontrole de nadelige effecten van groepsdeprivatie (als risicofactor voor gewelddadig extremisme) vermindert.
Andere voorbeelden van beschermende factoren die de boventoon voerden in de studie van Lösel et al. en waaraan ook in (bredere) geweldsstudies een beschermend effect wordt toegedicht zijn: steun van de familie, goede band met school en goede schoolprestaties, contact met non-deviante leeftijdsgenoten en bindingen met de conventionele samenleving. Gezien deze factoren is het niet verwonderlijk dat zowel Lösel et al. (2019) – en in navolging hiervan Wolfowiz et al. (2019) en Rottweiler en Gill (2022) – de beroemde sociale bindingstheorie van Hirschi (1969) van stal halen; bindingen met een sociale omgeving zouden niet alleen cruciaal zijn om mensen van criminaliteit te weerhouden, maar er ook voor kunnen zorgen dat jongeren wegblijven van het extremistische pad. 21
Vijf van de studies die Lösel et al meenamen in hun inventarisatie gingen specifiek, hoewel soms niet exclusief, over extreemrechts, waarvan twee studies over extreemrechts in België (Pauwels & De Waele, 2014; Pauwels & Svensson, 2017) en drie gericht op onderzoekspopulaties in Duitsland (Boehnke, Hagan & Merkens, 1998; Fuchs, 2003; Baier, Manzoni & Bergmann, 2016). De beschermende factoren die hierin geïdentificeerd werden zijn: zelfcontrole (Pauwels & Svensson, 2017); ervaren persoonlijke discriminatie (Pauwels & De Waele, 2014); subjectieve deprivatie (Fuchs, 2003); goede resultaten op school (Baier et al., 2016; Boehnke et al., 1998); een band met de school (Baier et al., 2016); peer-groep contact met ‘buitenlanders’ (foreigners, zie Fuchs, 2003); acceptatie van de legitimiteit van de politie (Pauwels & De Waele, 2014); en bereidheid om zich aan de wet te houden (Baier et al., 2016). Ten aanzien van de laatste twee beschermende factoren, plaatsen Lösel et al. (2019) wel een kanttekening in het geval van extreemrechts. Binnen extreemrechts wordt vaak veel waarde gehecht aan orde en gezag. Tegelijkertijd kan er onvrede zijn over de staat van orde en gezag binnen een bepaald gebied, hetgeen zich kan vertalen in een gevoel dat er acties ondernomen moeten worden die het staatsgezag ondermijnen. Op deze manier kan er een innerlijk conflict van waarden ontstaan.
Een tweede overzichtsstudie is afkomstig van Wolfowitz, Litmanovitz, Weisburd en Hasisi (2019). Zij concentreerden zich op kwantitatieve radicaliseringsstudies aangaande risicofactoren en/of beschermende factoren en vonden in totaal 57 geschikte studies. Welke type radicalisering het betrof in de diverse onderzoeken (links, rechts, religieus) speelde in de analyse geen rol. In plaats daarvan lieten de auteurs zich leiden door het onderscheid tussen rechtvaardiging en ondersteuning voor radicaal gedrag (attitudes), bereidheid voor radicaal gedrag (intenties) en betrokkenheid bij radicaal gedrag, inclusief terrorisme (gedragingen). Ten aanzien van radicale attitudes kwamen binding met school, schoolprestaties, ouderlijke betrokkenheid en institutioneel vertrouwen naar voren als factoren met middelgroot beschermend effect. Het grootste beschermende effect tegen radicale attitudes ging uit van gehoorzaamheid aan de wet (de plicht die iemand voelt om de wet te volgen en na te
leven). Bij radicale intenties werden er kleine beschermende effecten gevonden bij opleiding en outgroup-vriendschappen en ging er een groter beschermend effect uit van leeftijd. De meest relevante beschermende factoren bij radicale gedragingen waren, tot slot, binding met school, leeftijd, legitimiteit van de wet en gehoorzaamheid aan de wet.
Beschermende factoren en online (extreemrechtse) radicalisering Er is weinig onderzoek voorhanden naar factoren die beschermen tegen gewelddadig extremisme en dit geldt in verhoogde mate voor onderzoek dat zich binnen dit onderzoeksgebied richt op extreemrechtse online radicalisering. We vonden slechts één studie; een Duits onderzoek naar tieners en verschillende vormen van online extremisme (Nienierza et al., 2019). Uit deze studie blijkt allereerst dat jongeren vaak in contact komen met online extremistische boodschappen. Zo gaf 40 procent van de jongeren aan dat ze wel eens in aanraking kwamen met extreemrechtse content.3 De jongeren bij wie dit het geval was, bleken relatief vaak minder vertrouwen te hebben in instituties. Jongeren met meer vertrouwen in instituties kwamen hier minder vaak mee in aanraking. Dit lijkt erop te wijzen dat vertrouwen in instituties een beschermende factor is tegen in ieder geval de blootstelling aan online extremistische boodschappen. Ook een preventiestudie van Braddock (2019), hoewel niet specifiek gericht op online radicalisering, lijkt goed aan te sluiten op de online werkelijkheid van jongeren. Hierin wordt het beschermende effect aangetoond van kritisch denken. Deelnemers van een online survey kregen extreemlinkse
3 Ter vergelijking: 33 procent van de jongeren gaf aan dat ze wel eens in aanraking waren gekomen met religieus geïnspireerde extremisme content. 21 procent van de jongeren was wel eens in aanraking gekomen met linksextremistische boodschappen op het internet (Nienierza et al., 2019).
22
en extreemrechtse propaganda voorgeschoteld. Een deel van de deelnemers werd van tevoren gewaarschuwd middels een bericht dat hen er op wees dat zij mogelijk propaganda van een politiek extremistische groep te lezen zouden krijgen (met een kans van één op acht). Alle deelnemers werden vervolgens blootgesteld aan berichten van extreemlinkse of extreemrechtse snit. Deelnemers die van tevoren gewaarschuwd waren, bleken kritischer op de extremistische propaganda en waren ook minder geneigd de extremistische groepen die achter de propaganda zaten te steunen.
extreemrechtse hoek (Rogers & Niederer, 2020), een stevige voet aan de grond heeft. Een Duits onderzoek van Nienierza et al. (2019) laat daarbij zien dat moeite bleken te hebben met het herkennen van het problematische karakter van extremistische online boodschappen. Onderzoek in Nederland maakt duidelijk dat jongeren het lastig vinden om in te schatten of informatie betrouwbaar is en, daarmee, nepnieuws te herkennen (Kennisnet, 2017; Van Welzen et al., 2017). Jongeren bleken minder digitaal vaardig en mediawijs dan ze zelf dachten. Ze bleken ‘confident’ maar niet ‘competent’ (RAN, 2019)
Al eerder merkten we op dat extreemrechtse narratieven zich kenmerken door hun dichotome karakter, iets zich laat aftekenen langs de lijnen van het ‘eigene’ en het ‘vreemde’, de ‘wij’ en de ‘zij’, en het ‘goede’ en het ‘slechte’. Dat het vermogen om kritisch te denken kan helpen om hier doorheen te prikken, is vaker naar voren gebracht. (Een voorbeeld, in de hierboven aangehaalde studie van Rottweiler en Gill wordt gesteld dat het vermogen om kritisch te denken een dempend effect heeft op de nadelige effecten van groepsdeprivatie op gewelddadig extremisme.)
Beschermende factoren en geografie
In verschillende studies wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen complex denken en kritisch denken. ‘Complex’ (Liht & Savage, 2013; Stephens et al., 2021) of ‘flexibel’ (Rottweiler & Gill, 2022) denken is gericht op het ontmaskeren van het zwart-wit denken dat ten grondslag ligt aan extreemrechtse narratieven. Kritisch denken laat zich afmeten aan de mate waarin jongeren in staat zijn om informatie, berichten, ideeën en inhoud te beoordelen en de bron en inhoud van ideeën in twijfel te trekken en te analyseren (Stephens et al., 2021). Het veronderstelt om deze reden ook een zekere mate van onafhankelijkheid in het denken. Het belang van het vermogen om kritisch te kunnen denken, lijkt alleen maar toe te nemen wanneer radicalisering zich verplaatst van het offline naar het online domein. Een belangrijke factor hierin is dat internet een omgeving is met relatief weinig pedagogisch toezicht, waar nepnieuws, zeker ook in
In het bovenstaande hebben we een beeld proberen te schetsten van de relevante beschermende factoren binnen online extreemrechtse radicalisering die uit de literatuur naar voren kwamen. Het levert een versnipperd beeld op, waarbij vaak niet duidelijk is hoe zwaar de geïdentificeerde beschermende factoren wegen en hoe deze zich verhouden tot bepaalde risicofactoren en/of andere contextuele factoren (Gill, 2015). Een belangrijk gegeven hierbij is dat het onderzoek dat wel voorhanden is voornamelijk internationaal onderzoek is.4 De vraag die rijst is in hoeverre deze factoren ook in de Nederlandse context van toepassing zijn. Om recht te doen aan de geografische dimensie van beschermende factoren en programma’s maken Ellis et al. (2021) een onderscheid tussen ‘gemeenschappelijke’ en ‘unieke’ risicofactoren en beschermende factoren. Zij onderzochten de invloed van ervaren discriminatie, mentale gezondheid en sociale steun op de steun voor gewelddadige radicalisering bij jongvolwassenen in drie Noord-Amerikaanse steden (Montréal, Toronto en Boston). De drie case studies
4 Vanuit dezelfde logica kan bijvoorbeeld ook de vraag ontstaan wat de zeggingskracht is van een bepaald onderzoek in stedelijk gebied, en bepaalde beschermende factoren die hierin relevant blijken, voor de situatie in het landelijk gebied, ook wanneer beide gebieden in hetzelfde land liggen.
23
laten verschillende beelden zien van relevante risicofactoren en beschermende factoren. Dat dit het geval is verklaren de auteurs allereerst vanuit het feit dat de onderzoekspopulaties van elkaar verschillen; in Boston en Toronto ging het om onderzoekpopulaties die louter bestonden uit ‘Somalische’ jongeren, in Montreal betrof het onderzoek onder scholieren op veertien middelbare scholen (en kwam ook extreemrechts duidelijker in beeld). Maar daarnaast vermoeden de auteurs ook dat sociopolitieke en culturele omstandigheden een rol spelen bij de mate waarin bepaalde risicofactoren en beschermende factoren van invloed zijn op steun voor gewelddadige radicalisering. Context, in andere woorden, en daarmee locatie, zouden ertoe doen. Het is een conclusie die in lijn ligt met de bredere literatuur over interpersoonlijk geweld en preventie (Azeredo, 2015). Daarnaast laat een recente studie zien dat lokale omstandigheden ook van invloed kunnen zijn op het internetgebruik (Tranos & Stich, 2020). Deze kunnen personen ertoe bewegen gebruik te maken van het internet en beïnvloeden zo ook op welke thema’s er gezocht wordt. In hoeverre personen door deze ‘lokale’ zoektochten ook op het spoor van extreemrechtse radicalisering kunnen worden gezet, is niet onderzocht, maar het ligt voor de hand dat dit o.a. afhangt van het type lokale omstandigheid waarop gezocht wordt.
Ook andere lokale factoren kunnen van belang zijn, zo blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de algoritmes die een belangrijke stempel drukken op wat mensen te zien krijgen op het internet onder andere gevoed worden door GPS locaties die doorkomen (Valentini, Lorusso & Stephan, 2020).
Beschermende factoren in interventies: drie niveaus In de nu volgende paragraaf verplaatsen we ons van het identificeren van beschermende factoren naar de vraag hoe beschermende factoren aangesproken kunnen worden middels interventies. Dit is een vraag die op drie niveaus beantwoord kan worden.
Allereerst is er het stadium van radicalisering waarop de interventie zich richt. De verschillende stadia zijn besproken in hoofdstuk 4, waarbij we, in navolging van Mølmen en Ravndal (2021) een onderscheid maakten tussen de preradicaliseringsfase, de radicaliseringsfase en de operationele fase. Een veelgebruikt onderscheid in dit verband dat voortborduurt op eenzelfde logica is dat tussen primaire preventie, secundaire preventie en tertiaire preventie. De eerste categorie interventies richt zich op een breed publiek en tracht de bekendheid met en de weerbaarheid tegen het fenomeen radicalisering te vergroten. Bij de andere twee categorieën wordt er meer ingezoomd. Secundaire preventie richt zich op personen die (eerste) tekenen van radicalisering vertonen, tertiaire preventie focust zich op de uittreding en deradicalisering van al geradicaliseerde personen (Nordbruch & Sieckelinck, 2018) Een tweede niveau betreft de doelgroep van de interventie. Deze laatste kan zich direct richten op individuele leden van een gemeenschap, maar kan zich ook op een meer indirecte manier richten op dezelfde doelgroep. Een interventie kan bijvoorbeeld tot doel hebben om relevante actoren in een gemeenschap te trainen om een bepaalde interventie ter promotie van beschermende factoren uit te voeren.
Of erop gericht zijn om sleutelfiguren beter toe te rusten in het signaleren van en omgaan met vraagstukken en problematieken binnen de eigen gemeenschap (Cankor & Noor, 2021). Het derde en laatste niveau dat we onderscheiden heeft betrekking op het thema waarop de interventie zich richt. Het loont de moeite om hier wat langer bij stil te staan om op deze manier, waar mogelijk, de verschillende niveaus met elkaar in verbinding te brengen. We vertrekken vanwege hierbij niet vanuit de beschermende factoren zoals we deze hierboven hebben geïdentificeerd, met name vanwege het magere karakter en weinig eenduidige beeld hiervan. Om grip te krijgen op de verschillende thema’s, kiezen we ervoor om het onderscheid van Stephens, Sieckelinck en Boutellier (2021) centraal te stellen. Zij analyseerden literatuur op het gebied van preventie van gewelddadig
24
extremisme, waarbij weerbaarheid – dat, zoals we al eerder zagen, vaak in één adem genoemd wordt met beschermende factoren – een overkoepelend thema bleek. De auteurs onderscheiden vier thema’s waarop preventieprogramma’s zich richten: 1) het weerbare individu; 2) identiteit en identiteiten; 3) dialoog en actie; en 4) betrokken, weerbare gemeenschappen. We voegen hier een vijfde thema aan toe dat veelvuldig genoemd werd met name in relatie tot online radicalisering, namelijk, tegennaratieven (counternarratives). We bespreken deze thema’s en koppelen deze waar mogelijk aan inzichten en/of specifieke dynamieken van extreemrechtse radicalisering in de online context. 1. Het weerbare individu De aanpakken op dit gebied richten zich op drie pijlers. Eén benadering richt zich op het ontwikkelen van bepaalde cognitieve capaciteiten die ervoor zorgen dat individuen beter in staat zijn om de aantrekkingskracht van extremistische boodschappen te weerstaan. Eerder benadrukten we al het belang van het vermogen om kritisch en complex te kunnen denken; een vermogen dat door Sieckelinck en Gielen (2020) samengepakt wordt onder de noemer ‘ideologische weerbaarheid’. Een ander type aanpak dat de weerbaarheid van individuen tracht te vergroten, doet dit door middel van het bevorderen van bepaalde karaktereigenschappen. Als we Lösel et al.
(2019) volgen dan loont het bijvoorbeeld om in te zetten op zelfcontrole. Een derde type aanpak richt zich op het bevorderen of versterken van bepaalde waarden en/of ideeën. Waar interventies gericht op kritisch denken vooral een manier van denken proberen aan te leren, gaat het hier meer om de extremistische boodschap zelf en boodschappen die voor tegenwicht kunnen zorgen. Dit onderscheidt zich van kritisch denken doordat het meer gericht is op inhoudelijke, normatieve waarden in plaats van op een manier van denken. Een voorbeeld hiervan is een interventie gericht op democratische vorming (Sieckelinck en Gielen, 2020).
2. Identiteit en identiteiten Identiteit wordt vaak gezien als een belangrijke verklarende factor voor waarom jongeren zich bezighouden met of aangetrokken voelen tot extremisme. Dit omdat adolescentie een periode van identiteitsonderzoek is. Dat het online domein, en dan met name middels sociale media, hier een belangrijke rol in speelt, is evident. Identiteit wordt altijd in interactie met anderen onderhandelt en deze interactie speelt bij veel jongeren voor een belangrijk deel plaats online. Een belangrijk gegeven daarbij is dat extreemrechtse groepen doorgaans handig inspelen op de identiteitsdimensie van radicalisering door de vorm aan te nemen van ‘counterculture movements’ die focussen op lifestyle, jeugdcultuur en kunst (Ebner, 2019). Op deze manier proberen ze jongeren voor zich te winnen. Daarnaast kan een gevoel van dreiging of marginalisering van de eigen groepsidentiteit openheid creëren voor extremisme. Vanuit deze ideeën worden in de literatuur twee vormen van preventie besproken. In de ene vorm wordt er ingezet op creëren van kansen en ruimte om identiteitskwesties te bespreken. De andere vorm richt zich op het versterken en valideren van identiteiten. 3. Dialoog en actie Het derde thema dat Stephens et al.
onderscheiden is dialoog en actie, waarbij dialoog de betekenis heeft van het “creëren van ruimte en gelegenheid voor de verkenning van en kritiek op ideologieën.” Cruciaal daarbij is dat er ‘veilige ruimtes’ gecreëerd worden waar jongeren vrij kunnen voelen om te discussiëren en hun mening te uiten, zonder angst voor veroordeling. Ook Sieckelinck onderstreept het belang hiervan en geeft aan dat het gesprek met de jongeren bij voorkeur niet, of niet alleen, door ouders moet worden gevoerd (persoonlijke communicatie, 2022). Jongeren zetten zich immers in de adolescentie vaak juist af tegen de ouders. Andere familieleden en/of mensen uit de eigen sociale omgeving zijn hier geschikter voor. Ditzelfde geldt voor jongerenwerk, zo betoogt Sieckelinck: “De kracht van jongerenwerk zit hem in het feit dat ze op de hoogte zijn wat er onder jongeren leeft en dat ze snappen waarom online omgevingen zo aantrekkelijk zijn of kunnen zijn. Ze kijken niet alleen vanuit 25
een veiligheidsperspectief naar de jongeren en mogelijke radicalisering, maar ook vanuit een ontwikkelingsperspectief. Daarbij: jongerenwerkers kunnen laten zien dat je kritisch kunt zijn zonder dat je daarbij in extremen hoeft te vervallen. Dat je en een baan kunt hebben en tegelijkertijd ook kan vinden dat er zaken niet goed gaan” (persoonlijke communicatie, 2022). Gesprekken met jongeren die radicaliseren of dreigen te radicaliseren, moeten volgens Sieckelinck voldoen aan een aantal voorwaarden:5 z
z z
z
Oog hebben voor wat de ander oprecht zorgen baart en daarbij uit de meningenstrijd blijven (dus niet gelijk tegen een mening aanschoppen). Band aanhalen en verstevigen (misschien tegen weerzin in). Oprechte interesse. Stel vragen zonder oordeel en achterhaal de situatie waar iemand inzit. Waarom denkt diegene wat hij of zij denkt? Wat levert dit voor hem of haar op? Check of iemand zich bewust is van de gevolgen. Op het moment dat iemand dreigt om geweld te gebruiken of daar steun voor uitspreekt aan de bel trekken (bij jongerenwerk, politieagenten, etc.).
5. Tegennarratieven en alternatieve narratieven Een vijfde thema waarop preventieprogramma’s zich richten, betreft wat ‘counternarratives’ (tegennarratieven) en ‘alternative narratives’ (alternatieve narratieven) genoemd wordt. Hieronder vallen een breed scala aan activiteiten die trachten extremistische propaganda te deconstrueren, delegitimeren en/of demystificeren door hier een alternatief narratief tegenover te stellen (Liang & Cross, 2020). Tegennarratieven richten zich daarbij specifiek op een extremistische boodschap en bieden hier een alternatief voor. Alternatieve narratieven presenteren een nieuw, ‘positief’ verhaal zonder zich daarbij direct tegen een bepaald idee te keren (Reed, Ingram & Whittaker, 2017). Om succes te genereren moeten interventies op dit gebied dynamisch, innovatief en gedurfd zijn, zo betoogt Ebner (2019), niet in de laatste plaats omdat extreemrechtse content dit vaak ook is. Daarnaast is het belangrijk dat het alternatieve narratief geloofwaardig is. Dit kan reden zijn om gebruik te maken van gederadicaliseerde personen en andere ‘credible messengers’ (RAN, 2019).
4. Betrokken, weerbare gemeenschappen. Weerbaarheid tegen extremistische attitudes en gedrag is niet alleen terug te voeren op het wel of niet aanwezig zijn van bepaalde persoonlijke eigenschappen van een individu, maar heeft ook betrekking op de omgeving van het individu, de mate waarin een individu toegang heeft tot verschillende vormen van sociaal kapitaal. Stephens et al. onderscheiden twee typen programma’s die gericht zijn op het versterken van dit sociaal kapitaal: ‘gemeenschapsbetrokkenheid’, dat zich richt op het versterken van de relatie tussen burger en de staat, en ‘de veerkrachtige gemeenschap’, dat de relatie burger-staat overstijgt en de gemeenschap in brede zin aanspreekt.
Tegelijkertijd is er ook kritiek op met name tegennarratieven. Het belangrijkste argument dat hierin naar voren komt is dat deze ‘zuurstof’ (Philips, 2018; Rogers & Niederer, 2020) kunnen geven aan de narratieven die ze proberen te bestrijden. Oftewel, door aandacht aan deze verhalen te geven, groeit het bereik en ook het succes hiervan. Daarnaast lijkt dit type interventie niet of minder geschikt om jongeren die al aan het radicaliseren zijn op andere gedachten te brengen. Eenmaal op het radicale pad, zouden tegengeluiden op internet ervoor zorgen dat respondenten op zoek gaan naar tegenargumenten en daarmee juist dieper verzonken raken in hun extreme ideologie (Wojcieszak, 2009, 2010). Het laatste is hier nog niet over gezegd. In een studie van het Europees Parlement uit 2017 over tegennarratieven werd geconcludeerd dat het concept “nogal onderontwikkeld” is en “een grondige basis in empirisch onderzoek” mist6.
5 https://www.youtube.com/watch?v=Xryu5swmc5k
6 https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/596829/IPOL_STU(2017)596829_ EN.pdf
26
Tot slot De slag om de arm die gehouden wordt ten aanzien van de werking van tegennarratieven staat niet op zichzelf. De praktijk wijst uit dat P/CVE-projecten (Preventing and Countering Violent Extremism) moeilijk te evalueren zijn (Hassan et al., 2021; Holmer, Bauman & Aryaeinejad, 2018). Dit komt allereerst door de complexiteit van het fenomeen gewelddadig extremisme. Daarnaast is het lastig om aan te tonen dat een interventie heeft bijgedragen aan het voorkomen van iets – hoe kan je meten dat iets niet is gebeurd? Een andere factor die het bepalen van de specifieke werking van interventies bemoeilijkt, is gelegen in het feit dat er vaak tal van andere variabelen zijn die van invloed kunnen zijn op door interventies nagestreefde uitkomsten. P/CVE-projecten blijken in de praktijk daarbij vaak geen duidelijke ‘theorie van verandering’ te hebben of meten succes af aan de tevredenheid van bijvoorbeeld de professionals die bij de interventie betrokken waren. Tot slot zijn veruit de meeste interventies die er zijn gericht op Islamitische radicalisering. Voor extreemrechts is de spoeling dun, hoewel we hiermee niet willen zeggen dat interventies zich (altijd) specifiek moeten richten op één vorm van extremisme.
Uit een van de meest systematische evaluatiestudies van P/CVE-projecten blijkt dat interventies specifiek gericht op Islamitische radicalisering vaak meer kwaad doen dan goed, omdat ze (onbedoeld) het idee uitzenden dat religie en gewelddadig extremisme twee handen op dezelfde buik zijn (Hassan et al., 2021).
27
7
De praktijk
In de voorgaande hoofdstukken hebben we een overzicht gegeven van de staat van de literatuur op het gebied van beschermende factoren en online extreemrechtse radicalisering. Het beeld dat hieruit voortkomt is versnipperd. In dit hoofdstuk kijken we naar en vanuit de praktijk en putten we uit de kennissessies (Enschede, Utrecht) en de interviews met praktijkexperts die we hebben gehouden. We merken hierbij op voorhand op dat het beeld dat naar voren komt uit de kennissessies en de interviews verre van volledig is, zowel vanwege het beperkte aantal van twee casussen als vanwege het beperkte aantal respondenten per casus. Wel kunnen de kennissessies en interviews helpen om bepaalde zaken vanuit de praktijk aan te stippen en aan te kaarten. We beginnen met een overzicht van een aantal bevindingen die voortkomen uit de twee case studies, die ons vanuit de praktijk helpen reflecteren op de bevindingen uit de literatuur van de voorafgaande hoofdstukken. Daarna kijken we naar de mate en de manier waarop (inzichten omtrent) beschermende factoren al worden toegepast in beleid en concrete aanpakken tegen online extreemrechtse radicalisering – en hoe de beschermingsfactoren verder geïntegreerd kunnen worden in beleid.
Het probleem van online extreemrechtse radicalisering In de gesprekken met praktijkexperts over online extreemrechtse radicalisering waren twee lijnen te onderscheiden, die vaak naast elkaar bestonden. Aan de ene kant bleken praktijkexperts soms duidelijke ideeën te hebben over het probleem van online extreemrechtse radicalisering en de voedingsbodem hiervan. Aan de andere kant benadrukten vaak dezelfde professionals dat er behoefte is aan meer kennis. We beginnen met het uiteenzetten van
deze tweedeling om ons vervolgens te richten op de beschermende factoren die geïdentificeerd werden en de wijze waarop deze geïntegreerd worden in programma’s. Uit de kennissessies en interviews komen grofweg twee type jongeren naar voren die kwetsbaar zouden zijn voor online extreemrechtse radicalisering: de ‘zwemmende’ jongeren en jongeren met een stoornis binnen het autisme-spectrum. De ‘zwemmende’ jongere Het eerste type wordt omschreven als een product van de toegenomen kloof tussen jongeren en gezagsdragers. De volgende factoren spelen hierbij een rol: Ouders hebben weinig begrip van de online wereld van hun kinderen en/ of kunnen ontwikkelingen op dit vlak niet bijbenen – zij lopen, in de woorden van de coördinator online jongerenwerk in Utrecht, “in opvoeding ver achter”. Ook docenten, die in theorie een belangrijke positie hebben bij het signaleren van radicalisering, blijken doorgaans geen weet te hebben van (online) jongerencultuur. De overheid, op haar beurt, stelt zich steeds intoleranter op ten opzichte van jongeren. De beheerscultuur die met name in coronatijd de kop op stak, heeft zijn sporen nagelaten, met name bij jongeren die zich in een sociaal-maatschappelijk lastige positie bevinden. Het vertrouwen in de overheid is daarom nihil.
De ontstane kloof tussen jongeren aan de ene kant en ouders, docenten en de overheid aan de andere kant maakt dat jongeren gemakkelijker in de algoritmische fuik van extreemrechts zwemmen. Het dichotome karakter van het extreemrechtse narratief geeft hen vastere voet onder de grond. Een jongerenwerker uit Enschede merkt op dat complottheorieën in de praktijk een belangrijke katalysator zijn voor extreemrechtse radicalisering.
28
De jongere met een stoornis binnen het autisme-spectrum Daarnaast worden zowel in Enschede als in Utrecht jongeren met een stoornis binnen het autisme-spectrum naar voren geschoven als een kwetsbare groep voor radicalisering, juist bij de nieuwe generatie extremisten. Als verklarende factor wordt gegeven dat deze soms minder goed aansluiting kunnen vinden in offline-settingen en daarom vaker eenzaam en/of sociaal geïsoleerd zijn. Ook zouden ze de neiging hebben om hun (online) interesses sterk uit te diepen. Fascinaties voor bijvoorbeeld wapens of de Tweede Wereldoorlog zouden daarbij relatief veel voorkomen. Ook voor deze jongeren geldt dat het online leven nog meer op de voorgrond is komen te staan tijdens de coronaperiode. Bovenstaande types behoeven een belangrijke kanttekening. Ze vertrekken beide vanuit het idee dat het vooral jongeren zijn, en dat met name jonge mannen, die radicaliseren – een beeld dat bevestiging vindt in de literatuur. Tegelijkertijd wijzen welzijnswerkers in zowel Utrecht als Enschede op de belangrijke rol die ouders kunnen hebben in het radicaliseringsproces op extreemrechts, zowel in afwezigheid als in aanwezigheid. Veel ouders hebben vaak weinig weet van het onlinegedrag van hun kinderen (waarover in de volgende paragraaf meer).
Daarnaast geven welzijnswerkers aan dat kinderen sterk beïnvloed kunnen worden door de aanwezigheid van extreemrechtse denkbeelden van hun ouders. Dit wordt ook door de respondent vanuit de politie in Enschede opgemerkt: “Een deel van Noordoost-Nederland – onder andere Groningen, Drenthe, Twente en De achterhoek – is wat meer rechts georiënteerd dan andere delen van het land. Daarin zie je dat, vaak onbewust, het sentiment ten opzichte van mensen met een niet westerse achtergrond al wat anders is. We hebben daarbij al casussen gehad waarvan we dachten ‘mooi dat we hier voor je zoon zijn, maar ook het gedrag van ouders was zorgelijk.’”
Moeilijkheden bij het signaleren van radicalisering In de gemeentelijke praktijk blijkt het moeilijk te zijn om signalen van extreemrechtse radicalisering op te pikken en vanuit die signalen met jongeren aan de slag te gaan. Verschillende respondenten merken op dat ze nog relatief weinig casussen op dit vlak hebben gezien en dus dat er nog weinig praktijkervaring is. Dat dit het geval is, stemt niet per se tot gerustheid. Respondenten geven aan het gevoel te hebben dat we nog slecht het topje van de ijsberg hebben gezien. Hier worden verschillende redenen voor gegeven: Allereerst wordt de opsporing bemoeilijkt door de anonimiteit die het internet aan haar gebruikers biedt. De stad Utrecht heeft een eigen intelligence afdeling – de infocel CTER – die zich bezig houdt met het online monitoren van diverse fora, sociale mediakanalen en berichtenservices. Sinds 2021 hebben alle basisteams van de stad digitaal wijkagenten aangesteld, die ‘surveilleren’ op het internet. Hoewel dit steeds meer contraterrorisme gerelateerde informatie oplevert, zijn profielen van (mogelijk) zorglijke casussen vaak moeilijk te herleiden tot een persoon.
Of zelfs tot een nationaliteit, zo merkt de operationeel expert van de politie in Utrecht op dit gebied op: “Wel zien we onder andere in first person shooter games, maar ook op socialmedia-accounts en gamechatrooms veel nicknames en chats die duiden op een aanzienlijke aanwezigheid van extreemrechts gedachtengoed. Omdat de voertaal doorgaans Engels is, is het lastig om onderscheid te maken in de nationaliteit.” Het is veelzeggend in dit verband dat de politie in Enschede in 2019 – toen het probleem van online extreemrechtse radicalisering zich nadrukkelijker aandiende – vooral afhankelijk was van signalen uit de Verenigde Staten, waar de overheid, en dan met name de opsporingsdiensten, een veel sterker digitaal profiel hebben.
29
Hierbij speelt volgens respondenten ook een rol dat de (voorzichtige) opmars van online extreemrechts minder prioriteit heeft binnen gemeenten dan bijvoorbeeld de jihadistische beweging had ten tijde van de oorlog in Syrië. Sterker nog, dát er meer aandacht voor is gekomen, ligt deels ook in het gelijkwaardigheidsprincipe: er kwam meer aandacht voor extreemrechts ómdat er ook voor andere vormen van extremisme aandacht is. Tegelijkertijd is er, met name door dreigingsbeelden van de NCTV, wel degelijk bewustzijn over mogelijk gevaar uit extreemrechtse hoek. Een ander probleem dat door respondenten aangekaart wordt, ligt in de eerder aangehaalde onbekendheid van met name ouders en docenten met jongerencultuur en de online leefwereld van jongeren. Dit zorgt ervoor dat signalen van radicalisering vaak niet als dusdanig herkend worden, zo merkt ook een jongerenwerker in Enschede op: “Ik werk in Enschede en als ik daar praat met bijvoorbeeld docenten, merk ik hoezeer zij onbekend zijn met bepaalde details in de jongerencultuur, zoals radicalisering bijvoorbeeld. Dat vind ik eng. Een leraar is zo belangrijk in het oppikken van signalen. Ook zogenaamde lone wolfs zitten niet alleen op hun zolderkamer. Zij gaan ook naar school.
Daarom zijn, naast ouders, ook docenten zo belangrijk om die signalen op te pikken en door te spelen naar andere professionals zoals wij jongerenwerkers.” Een Utrechtse sociaal makelaar geeft aan dat ook welzijnswerkers moeite hebben met online extreemrechtse radicalisering, niet zozeer vanwege het online component hiervan, maar veel meer vanwege het gebrek aan kennis over en feeling met het ‘thema’ extreemrechts: “Veel mensen in het welzijnswerk zijn behoorlijk progressief-liberaal ingesteld en hebben daarom vaak weinig affiniteit met de taal van het conservatieve denken. Bepaalde uitingen zijn daarom vaak moeilijk te duiden en ook regelmatig confronterend, omdat ze tegen de eigen normen en waarden van de werker ingaan. De uitdaging is om met iedereen die extreme gedachten
heeft in contact te kunnen komen en te blijven, omdat je in de basis iedereen als mens serieus moet nemen. Daarnaast is de kennis van sleutelbegrippen belangrijk, bijvoorbeeld het verschil tussen begrippen als ‘Shoah’ en ‘endlösung’. Als je dat soort woorden langs hoort komen en je kan het niet duiden, dan weet je ook niet welke kant ‘Jantje’ opgaat. Daar speelt culturele bagage ook een rol.” In combinatie met het gebrek aan maatschappelijke urgentie van online extreemrechtse radicalisering, zou dit ertoe hebben geleid dat welzijnswerk in Utrecht op dit vlak soms nog weinig netwerk heeft ontwikkeld, waardoor de signalen achterblijven. Hier bovenop komt volgens deze sociaal makelaar dat er, in vergelijking met andere vormen van extremisme, sowieso meer verdraagzaamheid is in de samenleving voor extreemrechtse ideeën, iets wat we eerder – in navolging van Cas Mudde – de radicalisering van de politieke mainstream hebben genoemd: “Een moslim die rare dingen roept, valt op en wordt gelijk met de nek aangekeken. Bij extreemrechts is dat anders, die omvolkingstheorie bijvoorbeeld, dat wordt steeds meer gemeengoed.”
De kansen van het online domein De online component van extreemrechtse radicalisering, zo blijkt uit het bovenstaande, bemoeilijkt de preventieve aanpak van het probleem. Tegelijkertijd merken welzijnswerkers op dat de online leefwereld van jongeren ook kansen biedt op dit vlak. Jongeren zouden zich vanwege de ervaren anonimiteit die het computerscherm biedt gemakkelijker uitspreken online, waardoor extreme opvattingen sneller aan het licht komen. Dat dit juist door welzijnswerkers opgemerkt wordt, is geen toeval, omdat een belangrijk deel van hun werk – ‘het daar zijn waar de jongeren zijn’ – zich online afspeelt. Dit betekent ook dat bijvoorbeeld jongerenwerkers toegang hebben tot bepaalde besloten sociale mediagroepen van jongeren en extreme opvattingen gemakkelijk(er) aan bepaalde personen te koppelen zijn. 30
Ook geven jongerenwerkers aan dat de stap om online om hulp te vragen voor jongeren vaak kleiner is dan wanneer dit in de fysieke wereld moet gebeuren. Belangrijk daarbij is wel dat jongerenwerkers kunnen laten zien dat ze verstand hebben van de online wereld, anders nemen jongeren hen niet serieus. De coördinator jongerenwerker in Utrecht: “De anonimiteit van een DM [Direct Message, privébericht] maakt dat jongeren sneller aan de bel trekken, dat de drempel tot het vragen om hulp minder groot is. Vereiste hiervoor is dat jongeren het gevoel hebben dat je hun online leefwereld begrijpt.”
“Burgerschapsvorming op scholen kan zoveel sterker, maar dan echt in de breedte. Hoe ga je met elkaar om in de maatschappij? Hoe kun je begrip opbrengen voor mensen waar je het niet mee eens bent? Hoe kan je in gesprek gaan met elkaar of zijn of blijven? En dan ook die online-component daarbij: superbelangrijk. Hoe wordt je beïnvloed door online media in je denken? We zijn nu in samenwerking met een mediateam in een aantal scholen een antifilterbubbelproject aan het ontwikkelen, zodat je jongeren mee kunt geven van algoritmes, hoe wordt je beïnvloed, en dat is waarschijnlijk alweer achterhaald over twee jaar, maar zo moeten we proberen in burgerschapstrainingen dit aan jongeren mee te geven.”
De gesprekken die we hadden met praktijkexperts over beschermende factoren, liepen vaak naadloos over in gesprekken over beschermende programma’s en ideeën over hoe deze verbeterd kunnen worden. Vandaar dat we de beschermende factoren, de programma’s en de wensen hieromtrent steeds samen bespreken. Beschermende factoren, zo merkten we al eerder op, hebben zowel betrekking op het individu als op diens omgeving. Dit komt ook naar voren in de beschermende factoren en programma’s die geïdentificeerd werden tijdens de kennissessies en interviews.
Inzicht in online leefwereld voor belangrijke gezagsdragers en professionals Preventie begint met contact, zo klinkt het vanuit welzijnswerkers tijdens de kennissessies. Juist in het contact maken met jongeren is nog een wereld te winnen, omdat begrip voor en kennis van de leefwereld van jongeren vanuit gezagsdragers vaak ernstig te wensen overlaat. In de praktijk hebben ouders vaak handelingsverlegenheid. Om deze reden hebben ze na een oudertraining van tweemaal zes uur ontwikkeld waarin ouders toegerust worden om het gesprek aan te gaan met hun kinderen, met veel aandacht voor de digitale component. De training is een succes. Welzijnswerkers zijn het erover eens dat er meer voorlichting voor ouders moet komen.
Digitale weerbaarheid Zowel in Utrecht als in Enschede lopen projecten die zich specifiek richten op digitale weerbaarheid van jongeren. Digitale weerbaarheid van jongeren is cruciaal in de strijd tegen radicalisering (van welk type dan ook), hier zijn welzijnswerkers en ook andere professionals het over eens in de kennissessies. De coördinator online jongerenwerk in Utrecht heeft hier een belangrijke aanvulling op. Zij geeft aan dat het belangrijk is om het thema digitale weerbaarheid breder te trekken, als onderdeel van burgerschapsvorming op scholen, waarbij er aandacht moet zijn voor verschillende vormen van extremisme. Hier is nog de nodige winst te behalen, zo betoogt ze:
Ook docenten snappen vaak te weinig van de online en offline leefwereld van jongeren om hierover in contact te treden met jongeren op een voor de jongere betekenisvolle manier. Om deze reden zijn zowel in Enschede als in Utrecht jongerenwerkers actief op scholen. In Enschede (en Hengelo) zijn er middelbare scholen met ‘huiskamers’ waarin jongerenwerkers aanwezig zijn en jongeren zich kunnen vermaken. Ook worden er bijvoorbeeld workshops aangeboden. In Utrecht loopt een pilot waarbij jongerenwerkers al op basisscholen aanwezig zijn. Winst valt nog te behalen in de afstemming tussen jongerenwerkers en de integrale zorgteams die al op scholen aanwezig zijn, volgens de coördinator online jongerenwerk in Utrecht:
Beschermende factoren en programma’s
31
“Jongerenwerk op school is er nu sinds enkele jaren. We zitten echter niet standaard in de integrale zorgteams op school. Dit is ook geen vereiste, maar de afstemming met deze teams kan worden verbeterd. We weten zoveel van jongeren, hier wordt soms nog te weinig gebruik van gemaakt.” Het aanwezig zijn op scholen biedt jongerenwerkers ook de mogelijkheid om in contact te treden met jongeren die meer teruggetrokken levens leiden, en niet op pleintjes of in speeltuintjes te vinden zijn. De operationeel expert van de politie Utrecht op het gebied van contra-terrorisme en digitale wijkagenten benadrukt dat het belangrijk is dat hulpverleners en docenten bekend zijn met signalen van radicalisering en extremisme. Hij hoopt daarbij op extra aandacht voor jongeren met een autistische stoornis. Het trainen van ouders op signalen van radicalisering kan tevens plaatsvinden nadat een jongere signalen vertoont van radicalisering, zo vertelt de politieagent die zitting heeft in het casusoverleg in Twente: “Bij jongeren die iets geks op internet hebben gezegd, is bewustwording bij ouders vaak de belangrijkste stap. We kijken binnen het casusoverleg wat we hebben over een persoon en wie de beste kaarten heeft om het gesprek aan te gaan.
Het kan dan zijn dat de wijkagent aanbelt bij het gezin, zorgt dat het kind aan tafel zit, dat de ouders aan tafel zitten, en vervolgens zegt ‘deze informatie hebben wij en hier maken wij ons zorgen over’. En dan zie je dat ouders eigenlijk niet weten wat zoonlief uitspookt op de computer boven. Als er goede ouders zijn dan komt er vervolgens extra controle en dan lost het probleem zich meestal wel op. Als er echt zorgen zijn om een jongere kan het ook zijn dat we ouders naar het bureau halen en dan gaan we het gesprek aan. ‘Dit zijn voor ons de factoren waarbij jullie als ouders kunnen zien of het de goede of de slechte kant opgaat met jullie zoon’. Dit doen we vaak niet zelf, maar laten we bijvoorbeeld doen door een hulpverlener van de jeugdbescherming.”
Dat ook politieagenten gebaat zijn bij verbinding met de samenleving, en dus met jongeren, moge duidelijk zijn. Om in contact te komen met jongeren bedachten een aantal agenten in de coronaperiode het initiatief ‘gamen met de politie’. Dit bleek een “laagdrempelige, positieve en effectieve manier” om met de jeugd in contact te komen (Politie, z.d.). Het heeft geleid tot een landelijke proef. “Een mooie kans,” aldus de operationeel expert van de politie Utrecht op het gebied van contra-terrorisme en digitaal wijkagenten. Hij vult aan: “De politie is echter geen pedagogische instelling dus de focus ligt hier wel in de strafrecht en veiligheidshoek.” Positieve sleutelfiguren in de wijk Tot slot wordt er in zowel de preventieve radicaliseringsaanpak van Utrecht als van Enschede gebruik gemaakt van positieve sleutelfiguren in de wijken. In Utrecht is hier veel succes mee behaald op het gebied van Moslimradicalisering. Op rechts zijn deze netwerken echter nog onderontwikkeld. De operationeel expert van de politie: “De kennis op het gebied van radicalisering in Utrecht is gelegen in de ervaringen met uitreizigers, straatdawa’s, salafistische moskeeën, huiskamerbijeenkomsten en uiteraard de tramaanslag. De urgentie om waakzaam te zijn op dit thema is hierdoor een gemeenschappelijke inspanning geworden.
Het succes van Utrecht schuilt in een effectieve en snelle samenwerking met zowel professionals als burgers, en daarmee een goed functionerend netwerk als het gaat om de-radicalisering. Kanttekening hierbij is dat dit historisch gezien vooral geënt is op Moslimextremisme.”
32
8
Concluderende opmerkingen
“Wat weten we veel niet, en ik weet niet wat ik niet weet,” zo stelde iemand tijdens de Enschedese kennissessie. Het zijn woorden die geenszins vreemd aandoen gezien de ‘versnipperde’ staat van de literatuur op het gebied van ‘online’ extreemrechtse radicalisering en de behoefte aan meer kennis die er speelt bij professionals. Tegelijkertijd spreekt er een zekere vorm van bescheidenheid uit. Digitaal jongerenwerk, digitale wijkagenten: het laat zien dat er stappen voorwaarts gemaakt worden – richting de jongeren en hun online leefwereld. We sluiten dit rapport af in dit hoofdstuk met wat we een inclusieve samenvatting zouden kunnen noemen, waarin we de bevindingen vanuit de literatuur- en de praktijkstudie integreren om tot één beeld te komen. We beogen daarbij aan te sluiten bij de behoefte aan kennis bij gemeenten door te vertrekken vanuit de vraag in hoeverre online extreemrechtse radicalisering een nieuw fenomeen betreft. Dat dit juist een voor de praktijk relevante vraag is, komt omdat gemeenten vaak al de nodige ervaring hebben met de aanpak van traditioneel extreemrechtse groepen en/of religieus geïnspireerde radicalisering. Deze insteek geeft ons ruimte om een aantal van de belangrijkste bevindingen uit deze studie samen te brengen en te ordenen. Uiteindelijk stellen we vier handelingsrichtingen voor die we waar mogelijk koppelen aan good practices.
Een nieuw fenomeen? In hoeverre is online extreemrechtse radicalisering een nieuw fenomeen? Hier passen twee antwoorden op. Als we naar de grote lijnen kijken, kunnen we stellen dat er weinig nieuws onder de zon is. Allereerst omdat er consensus lijkt te zijn over het feit dat de drijfveren van radicalisering veelal dezelfde zijn. Of deze nu extreemlinks, extreemrechts, religieus-extremistisch of complotdenkend van aard is, online of offline, radicalisering wordt in de kern vaak gedreven door een zoektocht naar zingeving, betekenis en identiteit. Het betreft een bevinding die steunt op het idee dat ideologie op zichzelf veelal geen drijfveer is voor radicalisering. Tegelijkertijd doet een dergelijke conclusie ook wat gratuite aan: deze mag niet betekenen dat er niet meer naar de specifieke kenmerken van online extreemrechtse radicalisering wordt gekeken. Een belangrijke vraag voor de toekomst is bijvoorbeeld hoe aanpakken recht kunnen doen aan het gegeven dat jongeren met een stoornis binnen het autisme-spectrum relatief gemakkelijk online radicaliseren (als dit inderdaad het geval is). Wat betekent dit voor de inzet van beschermende factoren? Daarnaast moet ook de online component van het fenomeen dat we onderzoeken niet te geïsoleerd worden benaderd. Dat wil zeggen, de on- en offline context zijn nauw met elkaar verweven binnen radicaliseringsprocessen.
In de literatuur wordt regelmatig een onderscheid gemaakt tussen ‘online’ en ‘offline’ radicalisering. Dat ook wij dit in ons onderzoek doen is een reflectie van het gegeven dat extreemrechtse radicalisering steeds meer plaatsvindt via internationale online netwerken en van de zorgen die leven hieromtrent bij nationale en lokale overheden en hun partners. Alhoewel dit onderscheid helpend kan zijn bij het theoretiseren van radicaliseringsprocessen, wijst de praktijk uit dat een dergelijk onderscheid vrijwel niet gemaakt kan worden. Bij radicalisering van personen en groepen spelen ontwikkelingen op maatschappelijk niveau, groepsniveau en persoonlijk niveau een rol en op al deze 33
niveaus zijn de on- en offline context met elkaar verweven. Het is reden voor verschillende auteurs om te spreken over ‘onlife’ radicalisering, een term die verwijst naar de hybride online en offline context waarbinnen individuen zich bewegen. De aard van deze hybriditeit verschilt per individu en groep. Relevant hierbij is het onderscheid dat gemaakt wordt tussen meer traditionele groepen, die internet weliswaar gebruiken voor verschillende doeleinden, maar primair lokaal geworteld zijn, en de ‘nieuwe generatie’ extremisten wiens contacten primair via het internet (en over landsgrenzen) lopen.
De belangrijke stempel van het online domein Het bovenstaande laat zien dat gemeenten niet alle kennis die ze hebben over religieus-extremistische radicalisering overbodig hoeven te verklaren in de aanpak van online extreemrechtse radicalisering. Tegelijkertijd laat deze studie zien dat het online domein een steeds belangrijkere stempel drukt op de radicaliseringsmechanismen en de ontwikkelingspaden van extreemrechtse radicalisering – en dat er daarmee wel degelijk sporen van een nieuw fenomeen aanwezig zijn. Het online domein laat zich op een aantal terreinen gelden. Allereerst wijst onderzoek uit dat online radicalisering zich, in vergelijking met het meer of fysieke ontmoetingen geënte radicalisering, heel snel kan voltrekken. Door de anonimiteit die het computerscherm biedt, zijn conversaties binnen chatgroepen veelal extremer, waarbij nieuwkomers in dergelijke groepen zich razendsnel conformeren aan de groepsmores – zonder daarbij te beseffen dat sommige uitspraken voortkomen uit overdrijvingen en/of stoerdoenerij. Ook stelt het online domein mensen in staat om in een korte periode veel content tot zich te nemen.
Daarnaast zijn er ook redenen om aan te nemen dat het uittreden uit radicale netwerken en het deradicaliseren soms gemakkelijker gaat. Wederom blijkt de anonimiteit van de deelname in online groepen een belangrijke factor. Het maakt dat het vaak langer duurt voordat geradicaliseerde personen ook voor de (fysieke) buitenwereld bekend komen te staan als ‘extreemrechts’ of ‘geradicaliseerd’. Juist dit soort labels kunnen een individu het gevoel geven dat er geen of nauwelijks meer een weg terug is. Omgedraaid: het ontbreken van labels vanuit de directe fysieke en sociale omgeving kan uittreding vergemakkelijken. Tot slot heeft bovenstaande anonimiteit het online radicaliseren ook tot een ongrijpbaar en deels onbegrepen fenomeen gemaakt. Meerdere problemen komen hier samen: ouders en docenten die weinig snappen van de online leefwereld van jongeren; jongerenwerkers die misschien niet genoeg feeling hebben met extreemrechts gedachtengoed; opsporingsambtenaren die moeite hebben online-uitspraken te koppelen aan personen van vlees en bloed. Dit is in geen enkele aanpak allemaal op te lossen: generatiekloven zijn zo oud als de mensheid en opsporingsambtenaren hebben zich aan privacyregels te houden – om twee factoren te noemen.
Beschermende programma’s Binnen de context zoals we deze hierboven hebben geschetst, denken wij dat het zinvol is dat een preventieve aanpak met inzet op beschermende factoren zich in vier richtingen beweegt. Voordat we deze introduceren eerst twee kanttekeningen. Allereerst betreft het nadrukkelijk handelingsrichtingen. Er is nog te weinig duidelijkheid over de werking van P/CVE-projecten – en over wat wel werkt en wat niet werkt – om te praten over hoe specifieke interventies eruit zouden moeten zien. Daarnaast betreft het handelingsrichtingen die specifiek van toepassing zijn op het radicaliseringsvraagstuk. Het moge duidelijk zijn dat een aanpak op dit gebied ook zeer gebaat is bij meer algemene maatregelen die zich richten op het tegengaan van sociale achterstanden.
34
1. Kritisch denken en digitale weerbaarheid Het belang van individuele weerbaarheid, en dan in het bijzonder het vermogen om kritisch en flexibel te kunnen denken, lijkt in contexten van weinig pedagogisch toezicht alleen maar toe te nemen. Zeker ook gezien het gegeven dat nepnieuws in extreemrechtse hoek een stevige voet aan de grond heeft op internet. Onderzoek laat daarbij zien dat jongeren moeite bleken te hebben met het herkennen van het problematische karakter van extremistische online boodschappen. Ook jongeren in Nederland vinden het lastig om in te schatten of informatie op internet betrouwbaar is en, daarmee, nepnieuws te herkennen. Er kan gesteld worden dat jongeren minder digitaal vaardig en mediawijs zijn dan ze zelf denken. Ze zijn ‘confident’, maar niet ‘competent’.
het leven en het samenleven van jongeren. In Utrecht wordt dit gedaan door digitale weerbaarheid te koppelen aan burgerschapstraining. Door extreemrechts niet te isoleren van andere vormen van extremisme, wordt het risico verkleind dat programma’s stigmatiserend werkend.
Hier liggen kansen voor extreemrechts en dus, vanuit een ander perspectief, ook voor de preventieve aanpak die zich hiertegen richt. Belangrijk daarbij is dat beschermende programma’s gericht op het bevorderen van kritisch denken en digitale weerbaarheid vertrekken vanuit het gegeven dat de online leefwereld van jongeren alomvattend is, in de zin dat zij nauw verweven is met hun fysieke leefwereld en vele facetten van hun leven beslaat. Dit komt ook terug in de wijze waarop extreemrechts zich manifesteert online. Extreemrechtse groepen spelen handig in op de sociaal-emotionele behoeften van jongeren door de vorm aan te nemen van ‘counterculture movements’ die focussen op lifestyle, jeugdcultuur en kunst. Jongeren worden daarbij niet alleen uitgenodigd om extreemrechtse content te consumeren, maar ook in staat gesteld om hier een actieve bijdrage aan te leveren en zelf content te creëren door middel van blogs, vlogs, memes of zelfs livestreams waarin maker en gebruiker direct op elkaar kunnen reageren en inspelen. Er wordt in dit verband gesproken over een ‘participatory culture’.
Allereerst omdat kennis van de online leefwereld bij ouders, docenten en andere gezagsdragers ervoor kan zorgen dat jongeren zich meer verbonden voelen met hen. Dit kan onder de juiste omstandigheden helpen de voedingsbodem voor extremistisch gedachtengoed te verkleinen. Preventie begint bij betekenisvol contact met jongeren, zo klonk het tijdens de kennissessie, en betekenisvol contact vereist inzicht in en kennis van de online leefwereld van jongeren.
Er is om deze reden veel te zeggen om digitale weerbaarheid en mediawijsheid – en het kritisch leren denken als onderdeel daarvan – over een lange periode te integreren in bredere programma’s die rechtdoen aan de wijze waarop extreemrechts en andere vormen van extremisme door kunnen dringen in
2. Inzicht in de online leefwereld Dat jongerencultuur altijd deels onbegrepen zal blijven voor (volwassen) gezagsdragers betekent niet dat we ons hier zomaar bij moeten neerleggen. Het is belangrijk om inzicht te krijgen in de online leefwereld van jongeren en te snappen wat de aantrekkingskracht van extreemrechts kan zijn en hoe jongeren zo’n narratief en/of netwerk ingelokt kunnen worden.
Daarnaast kan meer inzicht in de online leefwereld van jongeren gezagsdragers helpen om sneller signalen te herkennen wanneer zorgelijk gedachtengoed zich manifesteert bij jongeren. In zulke gevallen is het belangrijk dat er een dialoog tot stand komt binnen wat in de literatuur vaak aangeduid wordt als ‘veilige ruimtes’, zonder dat jongeren veroordeeld worden voor hun meningen en gedachten. Dit gesprek, zo vertelt Sieckelinck, moet bij voorkeur niet, of in ieder geval niet alleen, door ouders worden gevoerd. Jongeren zetten zich immers in de adolescentie vaak juist af tegen de ouders. Andere familieleden en/of mensen uit de eigen sociale omgeving zijn hier geschikter voor. Ook jongerenwerkers kunnen hier een belangrijke rol spelen, omdat ze de (online) leefwereld van jongeren kennen en laten zien dat je kritisch kunt zijn op de maatschappij zonder dat je daarbij in extremen hoeft te vervallen.
35
Inzicht in de online leefwereld van jongeren is dus een belangrijke schakel in de preventieve aanpak van extreemrechtse radicalisering, maar tegelijkertijd, zo suggereerden we hierboven al, past realisme. De online leefwereld van jongeren is constant in verandering en daarmee voor buitenstaanders per definitie moeilijk bij te benen. Dit geldt misschien wel in het bijzonder voor docenten en ouders met toch al drukke agenda’s. Om deze reden is het toe te juichen dat er zowel in Enschede als in Utrecht jongerenwerkers op scholen actief zijn, in Utrecht nu zelfs al op een aantal basisscholen (op basis van een pilot). Het aanwezig zijn op scholen biedt jongerenwerkers ook de mogelijkheid om in contact te treden met jongeren die meer teruggetrokken levens leiden, en niet op pleintjes of in speeltuintjes te vinden zijn. Ook is het van groot belang om gebruik te maken van de kennis en overtuigingskracht van jongeren zelf. Jongeren zijn de experts bij uitstek als het gaat om jongerencultuur. Ze kunnen helpen debatten aan te snijden over moeilijke thema’s, onderling ervaringen delen en fungeren als rolmodel. “Who knows better how to use social media and how to write alternative stories for people their own age?”, zoals Nordbruch en Sieckelinck (2018) terecht stellen.
gelijkgestemden te zoeken om vervolgens offline met hen in contact te komen (Gaudette et al., 2020). Wel is het belangrijk dat deze netwerken niet alleen fysiek ingebed zijn, maar ook digitaal. Digitale jongerenwerkers en digitale wijkagenten zijn daarbij stappen in de goede richting. Ditzelfde geldt voor politieagenten die met jongeren in contact proberen te komen door met hen te gaan gamen. We benadrukken hierbij dat het bij het online monitoren van jongeren van belang is dat er bij professionals duidelijkheid is over de wettelijke bewegingsruimte die ze hiervoor hebben. 4. Het benutten van de mogelijkheden van het internet Tot slot past het in de geest van een preventieve aanpak gericht op beschermende factoren om niet alleen met een positieve bril naar jongeren te kijken, maar ook naar de mogelijkheden die het internet jongeren biedt. Zo kan het kunnen verbinden over grenzen heen ook ten positieve worden ingezet en als aanzet dienen om juist in aanraking te komen met diversiteit. Ook het gegeven dat jongeren makkelijker om hulp vragen via het internet bij problemen die als voedingsbodem kunnen dienen voor radicalisering, laat zien dat de online leefwereld van jongeren ook kansen biedt. Een preventieve aanpak gericht op beschermende factoren biedt volop ruimte deze te benutten.
3. Versterken lokale en digitale netwerken In veel gemeenten zijn in de preventieve aanpak van jihadistisch extremisme met succes netwerken van professionals en sleutelfiguren ‘uit de wijk’ gecreëerd. Op extreemrechts zijn deze netwerken nog veelal onderontwikkeld, terwijl professionals aangeven dat de preventieve aanpak hier wel bij gebaat zou zijn. Dat de nieuwe generatie rechtsextremisten met name online radicaliseert, hoeft niet te betekenen dat deze netwerken geen rol zouden kunnen hebben in een preventieve aanpak. Allereerst omdat de vatbaarheid voor radicalisering ook vaak bepaald wordt door persoonlijke gebeurtenissen en omstandigheden uit de offline context. Daarnaast toont in ieder geval één studie aan dat rechtsextremisten het internet ook gebruiken om lokaal naar 36
Literatuur
Boehnke, K., Hagan, J., & Merkens, H. (1998). Right-wing extremism among German adolescents: Risk factors and protective factors. Applied Psychology, 47, 109-126. Braddock, K. (2019). Vaccinating Against Hate: Using Attitudinal Inoculation to Confer Resistance to Persuasion by Extremist Propaganda. Terrorism and Political Violence.
AIVD (2018). Rechts-extremisme in Nederland. Een fenomeen in beweging. Den Haag: Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Archetti, C. (2015). Terrorism, Communication and New Media: Explaining Radicalization in the Digital Age. Perspectives on Terrorism, 9(1), 49–59. Geraadpleegd via: http://www.jstor.org/stable/26297326. Action Counters Terrorism (g.d.). Signs of radicalisation - what to look for. Geraadpleegd via: https://actearly.uk/spot-the-signs-of-radicalisation/what-to-look-for/. Azeredo, C.M., Rinaldi, A.E.M., de Moraes, C.L., Levy, R.B., & Menezes, P.R. (2015). School bullying: A systematic review of contextual-level risk factors in observational studies. Aggression Violent Behav, 22: 65–76. Baier, D., Pfeiffer, C., Simonson, J., & Rabold, S. (2009). Jugendliche in Deutschland als Opfer und Täter von Gewalt. Hannover: Kriminologisches Forschungsinstitut Niedersachsen. Berg van der, G., Repetur, L., Vergeer, M., Scheffelaar, A., Bakker, P., Wienke, D., Van Boven, J. & Oesterholt, M. (2016). Quick scan Radicalisering: Verkenning van de lokale praktijk. Geraadpleegd via: https://www.nji.nl/sites/default/files/2021-05/QuickscanRadicalisering.pdf. Bjørgo, T. (1997). Racist and right-wing violence in Scandinavia: patterns, perpetrators, and responses. Oslo: Aschehoug. Bjørgo, T. & Ravndal, J. A. (2019).