Verwey_Jonker_Online-extreemrechtse-radicalisering
Tekst van het document
Handvatten voor een preventieve aanpak
Online extreemrechtse radicalisering
Timo Peeters Ron van Wonderen Dominique Burggraaff Nienke de Wit
Online extreemrechtse radicalisering Handvatten voor een preventieve aanpak
Timo Peeters Ron van Wonderen Dominique Burggraaff Nienke de Wit
Utrecht, september 2022
Inhoud 1 Introductie 4 Beschermende factoren 5 Hoofdvraag en onderzoeksvragen 6 Deelvragen6 Methode6 Twee belangrijke uitgangspunten 7 Opzet rapport 8 2 Risicoprofielen Persoonlijke gebeurtenissen en omstandigheden Persoonlijke kenmerken
9 9 10
3 Online leefwereld 11 Narratieven en subculturen 11 Campagnes11 Platforms 13 4 Mechanismen Fasen van radicalisering Flitsradicalisering, twijfel en de-escalatie
15 15 16
6 Beschermende factoren Beschermende factoren Beschermende factoren en online (extreemrechtse) radicalisering Beschermende factoren en geografie Beschermende factoren in interventies: drie niveaus Tot slot
21 21 22 23 24 27
7 De praktijk Het probleem van online extreemrechtse radicalisering Moeilijkheden bij het signaleren van radicalisering De kansen van het online domein Beschermende factoren en programma’s
28 28 29 30 31
8 Concluderende opmerkingen Een nieuw fenomeen? De belangrijke stempel van het online domein Beschermende programma’s
33 33 34 34
Literatuur37
5 Wisselwerking online en offline context 18 Individuele niveau 18 Groepsniveau18 Wisselwerking tussen online en offline op groepsniveau 19 3
1
Introductie
Extreemrechts lijkt bezig aan een voorzichtige opmars in Nederland. Deze speelt zich met name online af en onderscheidt zich daarom op belangrijke punten van het ‘traditionele’, op fysieke ontmoetingen geënte extreemrechts. Er zou zelfs sprake zijn van een “geheel nieuwe generatie rechtsextremisten” (Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland, nr. 53, 54). Er zijn meerdere factoren die dit tot een zorgwekkende ontwikkeling maken. Allereerst kan online radicalisering zich heel snel voltrekken. Vanwege de anonimiteit die het computerscherm biedt, zijn conversaties binnen chatgroepen veelal extremer dan in de fysieke sfeer, waarbij nieuwkomers in dergelijke groepen zich razendsnel conformeren aan de groepsmores – zonder daarbij te beseffen dat sommige uitspraken voortkomen uit overdrijvingen en/ of stoerdoenerij (Wagenaar, 2021). Daarnaast biedt het internet toegang tot internationale netwerken, die na verwijdering vaak weer onder een andere naam opduiken (Hart et al. 2021). Dit heeft ertoe geleid dat het huidige extreemrechts in Nederland sterk internationaal georiënteerd is, waarbij vooral de invloed van extreemrechts vanuit de Verenigde Staten is toegenomen. Dit komt bijvoorbeeld terug in de steun voor de zogeheten internationale accelerationistische netwerken, waarin wordt gesproken over zaken zoals het ontketenen van een rassenoorlog door middel van terroristische aanslagen.
Een paar honderd Nederlandse jongeren zouden onderdeel uitmaken van dergelijke netwerken. De NCTV meldde onlangs dat het gevaar van een aanslag in Nederland in het geval van extreemrechts met name in deze hoek schuilt (Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland, nr. 56).
Belangrijk is om op te merken dat het internet niet alleen toegang tot een breed ideologisch spectrum biedt – waaronder diverse smaken extreemrechts – maar ook de potentiële mogelijkheden om de terroristische cyclus door te lopen: van een ondersteunend sociaal (online) netwerk tot het kopen van wapens (Feldman in: Damen en Kraak, 2021). Het maakt online radicalisering uitermate geschikt voor wat vaak ‘lone actor’ aanslagen wordt genoemd. Deze worden uitgevoerd door eenlingen die goed gekeken hebben naar aanslagen op andere plekken in de wereld, hoewel we tegelijkertijd opmerken dat de typering geen recht aan de steun die dergelijke aanslagplegers veelal online vinden. Wel is duidelijk dat deze aanslagplegers minder afhankelijk zijn van hun fysieke omgeving bij het plegen van aanslagen. Het gevaar van online extreemrechts schuilt tot slot ook in het bereik ervan: de mate waarin digitale kanalen aanhangers van extreemrechts gedachtengoed in staat stellen om het maatschappelijk debat te beïnvloeden en bij te dragen aan een gepolariseerd en vijandig klimaat richting bijvoorbeeld migranten of overheden. Zo infiltreert extreemrechts ook in protestbewegingen zoals tegen coronamaatregelen (Wagenaar, 2021). Het verspreiden van (extreemrechts geïnspireerde) complottheorieën heeft in veel landen al tot een flinke toename van invloed geleid voor extreemrechts (Mulhall & Khan-Ruf, 2021).
Bij de opmars van extreemrechts speelt ook een andere ontwikkeling een rol, namelijk de toegenomen populariteit van radicaal-rechtse politieke partijen in Nederland – en, breder, in Europa en andere delen van de wereld. Deze delen veel van de agendapunten van extreemrechtse partijen, maar kleuren tegelijkertijd meer binnen de lijntjes van de democratie. Dat wil zeggen, waar extreemrechtse partijen de parlementaire democratie verwerpen, en deze al dan niet met geweld trachten te vervangen door een meer autoritaire bestuursvorm, proberen hun radicaal-rechtse equivalenten de macht doorgaans zonder geweld en binnen het democratische systeem te grijpen (Tokmetzis, 10 mei 4
2019). Dat radicaal-rechtse partijen hier steeds meer in slagen, heeft geleid tot wat de radicalisering van de politieke mainstream zou kunnen worden genoemd (Mudde, 2015; Maly, 2018). Een logisch gevolg hiervan is dat ook de boodschap van extreemrechts meer wordt genormaliseerd. In de woorden van Nikki Sterkenburg (2021): we zijn “als samenleving gewend geraakt aan radicaal- en extreemrechtse standpunten omdat de retoriek de afgelopen twintig jaar op dagelijkse basis onze levens is binnengedrongen.” In de (nabije) toekomst kan extreemrechts radicalisme zich ook in Nederland verder ontwikkelen als gevolg van de combinatie van enerzijds laagdrempeligheid, anonimiteit en ongrijpbaarheid, en anderzijds de verwevenheid met conventionele en populaire digitale platformen als YouTube en Reddit en – op bepaalde punten – de mainstream politiek.
Beschermende factoren Extreemrechtse radicalisering, zeker wanneer dit gewelddadige trekken en/of aspiraties heeft, vraagt om allerlei soortige en gelijktijdige tegenacties vanuit de overheid en haar partners. Een repressieve aanpak als onderdeel hiervan ligt voor de hand, maar is tegelijkertijd niet of maar beperkt in staat om de voedingsbodem voor radicalisering weg te nemen en nieuwe aanwas te voorkomen (Braddock, 2019). Repressie, zo leert de praktijk, kan zelfs contraproductief werken, omdat dit tot gevolg kan hebben dat potentiële terroristen zich hierdoor verder afkeren tegen de overheid. Hiermee kan ook de bereidheid tot het gebruik van geweld groeien (De Graaff, 22 juli 2009). In de strijd tegen extreemrechtse radicalisering is er daarom een belangrijke rol weggelegd voor preventie. De uitvoering van een preventieve aanpak van extreemrechtse radicalisering ligt naast rijksniveau voor een belangrijk deel ook bij de gemeenten en haar zorg- en welzijnspartners. Vanwege het ongrijpbare profiel van online extreemrechtse radicalisering is het onduidelijk in hoeverre gemeenten terug kunnen vallen op de kennis waarover ze al
beschikken ten aanzien van (jihadistische) radicalisering en (offline) extreemrechts. Er is om deze reden grote behoefte aan kennis over hoe extreemrechtse radicalisering online verloopt en hoe preventieve acties uitgezet kunnen worden. Deze studie, die we uitvoerden in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voorziet in die behoefte en richt zich daarbij specifiek op zogeheten beschermende factoren, dat wil zeggen “factoren die bijdragen aan weerbaarheid tegen extremistische attitudes en gedrag” (Sieckelinck & Gielen, 2020, p. 2). De weerbaarheid, of veerkracht, waar hier over gesproken wordt, wordt vaak opgevat als het vermogen van een individu om ‘terug te veren’ na trauma of andere vormen van tegenslag (Sieckelinck & Gielen, 2020; Stephens, Sieckelinck & Boutellier, 2021).1 Weerbaarheid tegen extremistische attitudes en gedrag is niet alleen terug te voeren op het wel of niet aanwezig zijn van bepaalde persoonlijke eigenschappen van een individu. Deze heeft ook betrekking op de omgeving van het individu, de mate waarin een individu toegang heeft tot verschillende vormen van sociaal kapitaal.
Hierbij wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen social bonding, dat betrekking heeft op de banden binnen gemeenschappen; social bridging dat betrekking heeft op banden tussen gemeenschappen; en social linking, dat gaat over banden tussen gemeenschappen en de overheid. Kenmerkend voor de inzet op beschermende factoren is dat deze een positieve insteek heeft: er wordt geïnvesteerd in de capaciteiten van individuen en hun omgeving in plaats van dat er gefocust wordt op risico’s en tekortkomingen.
1
Er is ook kritiek op deze definitie van weerbaarheid omdat deze teveel georiënteerd zou zijn op het weer aanpassen aan of voegen in de bestaande orde en te weinig ruimte openlaat voor het bevragen van deze orde en het teweegbrengen van verandering (zie bijvoorbeeld Anholt, 2016).
5
Hoofdvraag en onderzoeksvragen Het onderzoek dat we hebben uitgevoerd is tweeledig. Het richt zich eerst op het identificeren van de relevante beschermende factoren binnen extreemrechtse radicalisering in de online context om vervolgens de vertaalslag naar de gemeentelijke praktijk te maken. Het betekent dat de hoofdvraag van het onderzoek is opgesplitst in twee componenten: 1. 2.
Wat zijn beschermende factoren binnen extreemrechtse radicalisering in de online context? Op welke manier kunnen beleidsmakers op deze factoren inzetten in het maken van beleid en het ontwikkelen van concrete maatregelen ter preventie van online extreemrechtse radicalisering?
Deelvragen De twee hoofdvragen hebben we uitgewerkt middels meerdere deelvragen. Om meer inzicht te krijgen in welke beschermende factoren er zijn binnen extreemrechtse radicalisering in de online context is het van belang om eerst meer te weten te komen over hoe online extreemrechtse radicaliseringsprocessen verlopen en of er mogelijke kenmerken zijn die personen hier extra vatbaar voor maken. Daarbij is het ook belangrijk om te kijken naar de wisselwerking tussen de online context en offline context bij extreemrechtse radicalisering. In de praktijk zijn de online context en offline context niet altijd van elkaar te scheiden. Hoofdvraag 1 hebben we om deze reden uitgewerkt aan de hand van de volgende onderzoeksvragen: 1. 2.
Wat zijn de kenmerken van personen die vatbaar zijn voor online extreemrechtse radicalisering? Op welke manieren kan extreemrechts doordringen in de online leefwereld van jongeren?
3.
4. 5.
Welke mechanismen liggen ten grondslag aan extreemrechtse radicalisering in de online context en hoe verlopen deze online radicaliseringsprocessen? Hoe is de wisselwerking tussen de online context én de offline context bij extreemrechtse radicalisering in de online context? Wat is er bekend over beschermende factoren binnen extreemrechtse radicalisering in de online context?
Hoofdvraag 2 hebben we uitgewerkt aan de hand van de volgende onderzoeksvragen, waarin een omslag plaatsvindt van de literatuur (onderzoeksvraag 1) naar de praktijk (onderzoeksvragen 2 en 3): 1.
2.
3.
Welke voorbeelden zijn er van good practices waarin op beschermende factoren wordt ingezet ter preventie van online extreemrechtse radicalisering? In welke mate en op welke manier worden (inzichten omtrent) beschermende factoren al toegepast in beleid en concrete aanpakken tegen online extreemrechtse radicalisering? Hoe kunnen deze beschermingsfactoren (verder) geïntegreerd worden in beleid gericht op preventie van online extreemrechtse radicalisering?
Methode De methoden van onderzoek die wij hebben toegepast om bovengenoemde inzichten te verwerven zijn een literatuur- en documentstudie, expertinterviews en kennissessies met gemeenten. Literatuur- en documentenstudie Op basis van een zoekopdracht in relevante wetenschappelijke databanken hebben wij in kaart gebracht welke nationale en internationale wetenschappelijk kennis beschikbaar is over (mechanismen van) online (extreemrechtse) radicalisering, kenmerken van voor extreemrechtse radicalisering vatbare 6
personen en beschermingsfactoren. Naast wetenschappelijke literatuur, hebben we ook ‘grijze literatuur’ meegenomen in onze inventarisatie, zoals masterscripties, beleidsonderzoeksrapporten en andere relevante documenten. Expertinterviews Om de inzichten uit de literatuur nader te kunnen duiden, aanscherpen en/of aanvullen, hebben we experts geïnterviewd. In alle gevallen betrof het digitale interviews. Omdat literatuur op het gebied van beschermende factoren binnen extreemrechtse online radicalisering schaars is (en bleek te zijn), hebben we hun stem laten doorklinken in het rapport. Met de volgende personen is gesproken: z z
z
z
Stijn Sieckelinck, Lector Youth Spot, Hogeschool van Amsterdam. Gijs van Beek, medeoprichter Textgain, een bureau dat data analyseert met behulp van kunstmatige intelligentie en onderzoek uitvoert naar online trends van haat, desinformatie en radicalisering. Willem Wagenaar, expert extreemrechtse radicalisering van de Anne Frank Stichting. Richard Rogers, Hoogleraar New Media and Digital Culture aan de Universiteit van Amsterdam.
Kennissessies gemeenten Preventief beleid ten aanzien van radicalisering vindt in belangrijke mate plaats binnen de lokale aanpak van gemeenten. Om deze reden hebben we in twee gemeenten een kennissessie georganiseerd. In deze kennissessies bespraken we de opbrengsten van onze literatuur- en documentenstudie en interviews met experts, met als doel om de bruikbaarheid van de opgedane inzichten te bepalen voor de praktijk. Daarbij gingen we ook na in hoeverre en op welke manier gemeentelijk beleid in Enschede en Utrecht nu al inspeelde op de beschermende factoren die we in het literatuuronderzoek geïdentificeerd hebben en hoe dit binnen bestaand beleid en/of nieuw te vormen beleid (nog) beter zou kunnen.
Het doel was om bij deze kennissessies zowel relevante vertegenwoordigers van gemeenten aan te laten sluiten als relevante ketenpartners in de aanpak die het beleid ten uitvoer brengen. In de praktijk bleek het in zowel Enschede als Utrecht lastig – veelal door overvolle agenda’s, maar soms ook door ziekte – om alle partijen bij elkaar te krijgen. Aan de Enschedese kennissessie namen de Beleidsadviseur Veiligheid van de gemeente Enschede, een jongerenwerker en een GZ psycholoog van Jeugdbescherming Overijssel deel. De casus Enschede werd aangevuld met een digitaal interview met degene die namens de politie aan de ‘casustafel radicalisering’ van Twente zit (met daarnaast o.a. vertegenwoordigers van gemeenten, jeugdbescherming, reclassering, Raad voor de Kinderbescherming, OM, politie en het Zorg- en Veiligheidshuis als voorzitter). In Utrecht vond de kennissessie fysiek plaats en sloten een sociaal makelaar en een coördinator online jongerenwerk aan. Daarnaast beantwoordde de operationeel expert van de politie op het gebied van onder andere CTER (contra-terrorisme) en digitaal wijkagenten schriftelijk vragen. Om de casus online jongerenwerk verder uit te diepen, hebben we daarnaast nog digitaal gesproken met de oprichter van een jongerenwerkorganisatie die louter digitaal werkt en o.a. samenwerkt met jongerenwerk Utrecht.
Twee belangrijke uitgangspunten Ons onderzoek richt zich op beschermende factoren van extreemrechtse radicalisering in de online context. We zijn bij deze studie vertrokken vanuit een aantal uitgangspunten, die richting hebben gegeven aan het verloop en de invulling van onze studie. Allereerst werd ons onderzoek gestuurd door de definitie van extreemrechtse radicalisering die we aanhielden. We volgen hierin de NCTV (zie NCTV, z.d.). Deze definieert extreemrechts door zich te richten op het gedachtengoed en te stellen dat tot extreemrechts gedachtegoed denkbeelden worden gerekend “als vreemdelingenhaat (inclusief: antisemitisme en antimoslims), haat jegens vreemde (cultuur)elementen en ultranationalisme.” Voorts maakt de NCTV 7
een onderscheid tussen extreemrechtse activisten, die zich veelal aan de wet houden, rechtsextremisten, die de wet overtreden en, tot slot, extreemrechtse terroristen die op mensenlevens gericht geweld plegen dat gebaseerd is op extreemrechtse opvattingen.2 Radicalisering wordt door de NCTV gedefinieerd als: “Een proces van toenemende bereidheid om de uiterste consequentie uit een denkwijze te aanvaarden en die in daden om te zetten. Deze toenemende bereidheid kan leiden tot gedrag dat andere mensen diep kwetst of in hun vrijheid raakt, kan aanleiding zijn voor individuen of groepen om zich af te keren van de samenleving en kan leiden tot het gebruik van geweld.” Belangrijk daarbij te vermelden is dat extreemrechts verre van een eenduidige stroming is. Het loont in dit verband om te spreken over verschillende narratieven die tezamen kleur en vorm geven aan het extreemrechtse gedachtengoed, maar ook op gespannen voet met elkaar kunnen staan. Ten tweede, de online en offline context kunnen niet geïnterpreteerd worden als twee op zichzelf staande domeinen met daarin elk eigen kenmerken, processen en activiteiten (Ducol, 2015; Neumann, 2013; Gill et al., 2017). We hebben hier al op gewezen, maar het is belangrijk dit nog eens te onderstrepen omdat het ook onze hoofdvragen, en daarmee de focus van onze studie, in perspectief plaatst.
Het is nadrukkelijk niet onze bedoeling om de online context te isoleren van de offline context. Dat het online domein specifiek benoemd is in de hoofdvragen van dit onderzoek is een reflectie van het gegeven dat extreemrechtse radicalisering steeds meer plaatsvindt via internationale online netwerken en van de zorgen die leven hieromtrent bij nationale en lokale overheden en hun partners. De wisselwerking tussen het offline- en onlinedomein zal in het rapport nadrukkelijk aan bod komen.
Opzet rapport We behandelen de hoofdvragen en de bijbehorende onderzoeksvragen in voornoemde volgorde. Het betekent dat in het nu volgende hoofdstuk (hoofdstuk 2) kenmerken van personen die vatbaar zijn voor online extreemrechtse radicalisering centraal staan. In hoofdstuk 3 kijken we naar de online leefwereld van jongeren en de wijze waarop extreemrechts zich hierbinnen manifesteert. In hoofdstuk 4 staan de mechanismen centraal die ten grondslag liggen aan extreemrechtse radicalisering in de online context. Hoofdstuk 5 is gewijd aan de wisselwerking tussen de online context én de offline context. Deze hoofdstukken tezamen vormen de opmaat voor hoofdstuk 6, dat draait om beschermende factoren binnen extreemrechtse radicalisering in de online context. In hoofdstuk 7 laten we professionals uit de praktijk aan het woord over online extreemrechtse radicalisering, beschermende factoren en beschermende programma’s. In hoofdstuk acht sluiten we het rapport af met wat we een inclusieve samenvatting zouden kunnen noemen, waarin we de bevindingen uit de literatuur- en de praktijkstudie integreren om tot één beeld te komen. Daar waar mogelijk koppelen we de handelingsrichtingen die we voorstellen aan good practices.
2 De algemene definitie van terrorisme van de NCTV is ruimer en omvat naast “het uit ideologische motieven plegen van op mensenlevens gericht geweld” ook “het aanrichten van maatschappijontwrichtende zaakschade, met als doel maatschappelijke ondermijning en destabilisatie te bewerkstelligen, de bevolking ernstige vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden.”
8
2
Risicoprofielen
In dit hoofdstuk wordt kort uiteengezet welke kenmerken te onderscheiden zijn als het gaat om vatbaarheid voor radicalisering en, waar mogelijk, online extreemrechtse radicalisering. Voorzichtigheid is hierbij geboden, omdat het denken in risicoprofielen kan bijdragen aan het stigmatiseren van bepaalde groepen die mogelijk vatbaarder zijn voor radicalisering. Belangrijk is dat het grootste gedeelte van de personen die voldoen aan een of meerdere kenmerken die we onderscheiden in dit hoofdstuk niet radicaliseren. Ook benadrukken we dat de relatie tussen de factoren die bij kunnen dragen aan radicalisering zeer complex is en dat de risicofactoren verschillen al naar gelang de radicaliseringsfase, waardoor er geen eenduidig profiel op te stellen is van iemand die mogelijk radicaliseert (Kleuver, Van Dijk & Ramirez, 2017; Expertise-unit Sociale Stabiliteit, 2021). We beperken ons in dit onderzoek tot factoren die betrekking hebben op persoonlijke niveau, hetgeen betekent dat we triggerfactoren vanuit de samenleving (denk aan bepaalde politieke ontwikkelingen die mensen aan het denken zetten) buiten beschouwing laten. We maken een onderscheid tussen gebeurtenissen die het radicaliseringsproces direct of indirect bevorderen en persoonlijke kenmerken die mensen bij geboorte meekrijgen.
Persoonlijke gebeurtenissen en omstandigheden
‘triggerfactoren’, namelijk: confrontatie met de dood; problemen thuis; schooluitval en verlies van (perspectief op) werk; ervaringen met discriminatie en uitsluiting; en aanvaring met autoriteiten. Mølmen en Ravndal (2021) richten zich in een recente studie op het radicaliseringsproces van extreemrechtse ‘lone actors’ wanneer ze stellen dat jongeren die “voortijdig van school gaan, hun baan opzeggen of zich anderszins uit de samenleving terugtrekken, kunnen kwetsbaar zijn voor online extremisme.” Hierbij wordt de link gelegd tussen sociale isolatie en radicalisering. Dit correspondeert met het breedgedragen idee dat radicalisering, in welke vorm dan ook, in de kern vaak gedreven wordt door een zoektocht naar zingeving, naar betekenis en naar identiteit (zie o.a. Kruglanski et al, 2009; Sieckelinck & Gielen, 2020). Gielen (2008) ten slotte wijst op de invloed van de denkbeelden van de ouders op het radicaliseringsproces. Ze stelt dat denkbeelden van jongeren doorgaans al vroeg beginnen en beïnvloed worden door de ideeën en attitudes van de ouders. In andere woorden, als kind van ouders die “tegen buitenlanders” zijn, loop je een grotere kans dit over te nemen. Dit komt overeen met een studie van Simi et al.
(2016), waarin 90 procent van de 44 Amerikaanse rechtsextremisten aangaf dat ze al vanaf jongs af aan in aanraking kwamen met homofobie, antisemitisme en racistische attitudes binnen de eigen familie. Dit zou hun acceptatie van extreemrechtse narratieven hebben vergroot. Hiertegenover staat dat onderzoek uitwijst dat ideologie op zichzelf veelal geen drijfveer is voor radicalisering (Van der Valk & Wagenaar, 2010; Copeland & Marsden 2020; Sieckelinck, persoonlijke communicatie 2022).
Persoonlijke gebeurtenissen kunnen de vatbaarheid voor radicalisering bevorderen. Zonder onderscheid te maken tussen het type radicalisering (extreemlinks, extreemrechts of -religieus geïnspireerd; online en/of offline), onderscheidt de Expertise-unit Sociale Stabiliteit (2019) op dit vlak vijf zogeheten 9
Persoonlijke kenmerken Naast persoonlijke gebeurtenissen kunnen ook bepaalde kenmerken die mensen bij geboorte bezitten het risico op radicalisering vergroten. Zo worden jongeren met een stoornis binnen het autisme-spectrum binnen meerdere onderzoeken expliciet genoemd als een kwetsbare groep voor radicalisering, niet in de laatste plaats omdat mensen met autisme vaker eenzaam en/of sociaal geïsoleerd zijn (Momas, 2021). Ook lone actors zouden relatief vaak aan een psychische stoornis lijden (Spaaij, 2012). Daarnaast worden ook jongeren met een licht verstandelijke beperking (LVB) gezien als een kwetsbare groep, omdat LVB-jongeren vaak relatief gemakkelijk te beïnvloeden zijn (Platform JEP, 2019). Tot slot wijst onderzoek uit dat online extreemrechtse radicalisering met name iets is voor mannen, en dan vooral jonge mannen (zie bijvoorbeeld Kimmel, 8 april 2018; McClintlock, 6 januari 2022). Dit betekent echter niet dat de rol van vrouwen onderschat moet worden – niet in aantallen en niet in invloed –, zo klinkt het in een groeiend aantal studies (Daymon & Margolin, 2022; Leidig, 26 oktober 2021; Saarijärvi & Siafaka, 12 juli 2021; McClintlock, 6 januari 2022). Vrouwen zouden onder andere een belangrijke rol spelen binnen het rekruteren en het verspreiden van extreemrechtse content.
Dat dit in sommige gevallen voor de buitenwereld minder zichtbaar is, is niet zelden het gevolg van de traditionele, conservatieve rolverdelingen binnen extreemrechtse groepen, waarbij vrouwen geacht worden meer vanuit de achtergrond te opereren (Daymon & Margolin, 2022).
10
3
Online leefwereld
In dit hoofdstuk beschrijven we de wijze waarop extreemrechts kan doordringen in de online leefwereld van jongeren. We doen dit door allereerst aandacht te besteden aan de verschillende narratieven en subculturen die samengeraapt kunnen worden onder de noemer extreemrechts. Vervolgens bespreken we de verschillende campagnes die door extreemrechts ingezet worden om de belangrijkste doelgroepen te bereiken. Tot slot staan we stil bij de verschillende typen platforms die hiervoor gebruikt worden.
Narratieven en subculturen De wijze waarop extreemrechts zich presenteert binnen de online leefwereld van jongeren is niet onder één beschrijving te vatten, omdat er diverse subculturen en ‘narratieven’ te onderscheiden zijn (Rogers, persoonlijke communicatie 2022). Dit betekent ook dat er niet één specifieke ideologische lijn bestaat (NTA, 2018). De Expertise-unit Sociale Stabiliteit (2021) maakte een indeling van het discours op Nederlandse radicaal- en extreemrechtse sociale media door vijf categorieën te onderscheiden: 1) antisemitisch, 2) anti-migratie, 3) anti-islam, 4) anti-elite) en 5) anti-overheid. Vaak heerst er ook een afkeer van het feminisme en de LHBTI-beweging (NTA, 2018). Deze narratieven raken en overlappen elkaar, waardoor de online leefwereld voor individuen, aan de ene kant, fluïde en veranderlijk is en, aan de andere kant, een aantal constanten bevat. Binnen veel narratieven wordt er onderscheid gemaakt tussen het ‘eigene’ en het ‘vreemde’, waarbij de precieze invulling van ‘het vreemde’ kan verschillen. Het ‘eigene’ gaat veelal over ‘het witte ras’ of ‘de westerse cultuur’ (NTA, 2018).
Er zijn ook stromingen die vaak in verband worden gebracht met extreemrechts. Een daarvan is de ‘manosphere’. Dit is een verzameling blogs, websites en forums waar mannen kritiek uiten op de ‘politiek correctie en gefeminiseerde staat van de wereld’. Deze substroming is vooral gericht is op het verdedigen van mannelijkheid en het bestrijden van gelijkheid, wat kan leiden tot extreme en radicale opvattingen en oproep tot geweld tegen vrouwen. Deze stroming bestaat o.a. uit incels (involuntar celibates), ‘de Proud Boys’, ‘Beta Uprising’ en ‘Men Going Their Own Way’ (NTA, 2018; Van Puffelen, 2021). Volgens Rogers (persoonlijke communicatie, 2022) kan het helpend zijn om deze subculturen op een spectrum te plaatsen van radicalisme en potentieel gevaarlijk, zodat monitoring en eventuele acties hierop gespecificeerd kan worden. Sommige van deze narratieven worden voortgestuwd door fluïde netwerken die uit wisselende samenstellingen bestaan. Door deze continue wisseling zijn deze groepen en hun acties lastig in kaart te brengen en minder grijpbaar. Daarnaast hebben veel van deze groepen weinig ideologische diepgang, waardoor het onvoorspelbaar is welke activiteiten en acties zij plannen. Daarnaast zorgt het internationale karakter van internet voor een uitwisseling van ideeën en narratieven over landsgrenzen heen.
Een bekende stroming binnen extreemrechts is het ‘accelerationisme’, dat zijn oorsprong kent in Amerika en erop gericht is om versneld een rassenoorlog te ontketenen. Door het internet hebben dergelijke ideeën ook ingang gekregen bij Nederlandse extreemrechtse digitale gemeenschappen.
Campagnes Het online domein biedt extreemrechts de mogelijkheid om verschillende doeleinden na te streven en doelgroepen te bereiken. Ebner (2019 in Fielitz & Thurston) maakt in dit verband onderscheid tussen drie verschillende typen 11
campagnes die door extreemrechtse groepen en netwerken ingezet worden, namelijk (1) radicaliseringscampagnes gericht op sympathisanten; (2) manipulerende campagnes om de mainstream te bereiken; en (3) intimiderende campagnes om politieke tegenstanders te raken. We lopen ze in deze paragraaf na. Radicaliseringscampagnes voor gelijkgestemden Identiteit wordt vaak gezien als een belangrijke verklarende factor voor waarom jongeren zich bezighouden met of aangetrokken voelen tot extremisme. Extreemrechtse groepen spelen hier doorgaans handig op in door de vorm aan te nemen van ‘counterculture movements’ die focussen op lifestyle, jeugdcultuur en kunst (Ebner, 2019). Op deze manier proberen ze jongeren voor zich te winnen. Een belangrijk gegeven daarbij is dat jongeren niet alleen uitgenodigd worden om extreemrechtse content te consumeren, maar ook in staat worden gesteld om hier een actieve bijdrage aan te leveren en zelf content te creëren door middel van blogs, vlogs, memes of zelfs livestreams waarin maker en gebruiker direct op elkaar kunnen reageren en inspelen. Er kan in dit verband gesproken worden over een ‘participatory culture’ die jongeren ruimschoots mogelijkheden biedt voor ‘dark participation’, waarbij digitale communicatietechnologieën misbruikt worden voor extremistische doeleinden (Rogers, persoonlijke communicatie 2022).
Volgens Neo (2016) is het gevaarlijkste aspect van extreemrechts online dan ook het kunnen uitwisselen en creëren van extreme ideeën en gedachten met anderen die dit beamen, in plaats van het alleen tot zich nemen van informatie. Voor een aantal makers van extreemrechtse content heeft dit geleid tot een enorm bereik en duizenden volgers waarmee zij dagelijks in contact staan en hun boodschap verder kunnen verspreiden. Manipulerende campagnes om de mainstream te bereiken Een ander type campagne is het proberen te beïnvloeden van mainstream discussies, om op deze manier het bereik van hun boodschap te vergroten.
Op extreemrechtse fora zijn diverse handleidingen te vinden van hoe mensen overtuigd kunnen worden van de extreemrechtse zaak, een proces dat ‘red-pilling’ genoemd wordt. Het betreft een term uit de film ‘The Matrix’, waarbij de hoofdpersoon de keuze maakt tussen een rode en blauwe pil. De rode pil zorgt voor waarheid, waarin de persoon beseft dat hij weer uit ‘vrije wil’ kan handelen. Bij de blauwe pil zal iemand doorgaan zoals het al was en leven in een wereld vol leugens. Dit verhaal wordt binnen extreemrechts gelinkt aan de huidige maatschappij, waarbij ‘bluepillers’, ook wel ‘normies’, de media en het systeem ‘blind’ geloven. De ‘redpillers’ zouden de wereld zien hoe die echt is en het systeem doorhebben. Een belangrijk onderdeel van de red-pilling gereedschapskist betreft het verspreiden van desinformatie of fake news. Dit kan ook betrekking op ‘echte’ nieuwsfragmenten, waarbij de desinformatie betrekking heeft op de conclusies die op basis hiervan getrokken en verspreid worden. Ook de coronacrisis is aangegrepen om bepaalde extreemrechtse narratieven en hieraan verwante complottheorieën aan de man te brengen (Van Buuren in Langelaan, 19 november 2021). Een belangrijke manier van communiceren gaat via memes (afbeeldingen of videos met een korte tekst) en emoijis (symbolen die gedeeld kunnen worden op verschillende online media).
Deze stellen leden van een bepaalde groep bijvoorbeeld in staat om met elkaar te communiceren op een voor de buitenwereld vaak moeilijk te doorgronden manier, waardoor de groepsidentiteit benadrukt wordt. Dit maakt ook dat memes en emoijis bij uitstek geschikt zijn voor het verspreiden van een extreemrechts geluid of boodschap op mainstream platforms, die, zo blijkt uit de praktijk, toch al moeite hebben om de continue stroom aan content te modereren. Emoijis zijn vaak op zichzelf niet kwetsend of haatdragend, maar kunnen een impliciete extreemrechtse boodschap met zich meedragen die voor niet-ingewijden moeilijk te herkennen is. Een voorbeeld hiervan is de emoji van een glas melk, die in bepaalde contexten gebruikt wordt als symbool van witte superioriteit. Een ander bekend voorbeeld betreft de clown-emoji die wordt ingezet 12
om te verwijzen naar ‘clownworld’, waarmee wordt bedoeld dat de wereld gek is geworden. Ook memes kunnen een onderliggende boodschap hebben die racistisch en haatdragend van aard kan zijn. Belangrijk hierbij te vermelden is dat emoijis en memes deze boodschap vaak verpakken in een grap – impliciet maar op alternatieve sociale media vaak ook expliciet – hetgeen normalisering van deze boodschap in de hand kan werken. Zo bestaat er o.a. HIDDENLOL, waarop racistische, seksistische en anti-status quo content wordt gedeeld, die humoristisch bedoeld zou zijn (NTA, 2018). Intimiderende campagnes om politieke tegenstanders te raken Een andere rol die sociale media kunnen innemen voor extreemrechts betreft het kunnen bestoken van (politieke) ‘vijanden’ of tegenstanders. Door middel van ‘trolling’ wordt er ongevraagd en vaak extreem commentaar geleverd op sociale media en andere internetfora om te provoceren, een reactie uit te lokken of haat te zaaien. Het komt voor dat dit vooraf afgesproken acties zijn in besloten groepen, om gezamenlijk honderden reacties te kunnen plaatsen op hetzelfde moment. Voornamelijk linkse of progressieve mensen, vrouwen, niet-hetero’s en niet-witte mensen worden hiervan slachtoffer (NTA, 2018). Daarnaast kan er ook sprake zijn van ‘doxing’, waar privégegevens van een persoon worden gepubliceerd om deze te beschadigen of te intimideren.
Platforms Binnen de online leefwereld van extreemrechts zijn er diverse platforms die gebruikt worden om content te kunnen plaatsen. Dit kan gaan om alternatieve en zogeheten ‘fringe’ sociale media platforms, waarin geen of beperkte moderatie plaatsvindt. Ook mainstream sociale media worden veelvuldig gebruikt om extreemrechtse content te delen. Een ander fenomeen dat in dit verband aandacht verdient, is de infiltratie van extreemrechts in de online gamewereld.
Alternative en fringe sociale media Allereerst zijn er extreem- en radicaalrechtse internationale fora die specifiek zijn ingericht op het delen van extreemrechtse content, zoals Stormfront, Zundelsite en de National Alliance. Naast deze forums zijn er ook minder expliciet op extreemrechtse content gerichte media die door beperkte of geheel afwezige moderatie volop ruimte bieden aan extreemrechtse content (Bjørgo & Ravndal, 2019). De daders van de aanslagen in Christchurch, Poway, El Paso en Baerum deelden allen hun plannen op 8chan (dat na de aanslag in El Paso veranderde in 8kun) en/of hieraan verwante fora. Daarnaast deelden zij livestreams, zodat de aanslagen te volgen waren voor geïnteresseerden. Mainstream sociale media Extreemrechts is daarnaast ook actief op de mainstream sociale media. In 2020 hadden radicaal- en extreemrechtse groepen in Nederland het grootste bereik op Facebook, Youtube en Twitter en deels via Instagram (Expertiseunit Sociale Stabiliteit, 2021). Via deze media kunnen gebruikers doorgeleid worden naar extremere context op kanalen waar minder of geen moderatie plaatsvindt, zoals 4chan en 8kun. Hierdoor is extreemrechtse content voor iedereen met een internetverbinding relatief makkelijk vindbaar en toegankelijk (Roks & Van der Schoot, 2019), maar ook te plaatsen en te delen (Neo, 2016).
Een tweede gevolg is dat extreemrechtse content hierdoor een proces van normalisering heeft doorgemaakt, omdat het ‘toevalliger’ voorbij kan komen bij het gebruik van internet en niet meer alleen op moeilijk toegankelijke forums wordt gedeeld. Dat dit het geval is, komt ook door wat we eerder, in navolging van Mudde (2015) en Maly (2018), de radicalisering van de politieke mainstream hebben genoemd, waardoor we als samenleving zijn gewend geraakt aan radicaal- en extreemrechtse standpunten. Gamification Dat games en gameplatformen als krachtig rekruteringsmiddel en propagandawapen kunnen fungeren voor extreemrechts mag geen verrassing heten. “Extremist groups are often trying to find vulnerable youth, and what are vulnerable 13
youth doing? Playing games on the internet” (Duff, 2019). Het verschijnsel waarbij ‘gamedesign’-elementen geïmplementeerd worden in een non-game context wordt ‘gamification’ genoemd (Schlegel, 2021a).
werden met stilistische kenmerken van een eerstepersoonsperspectief uit schietspellen en live commentaarmogelijkheden (Schlegel, 2021a). Na deze aanslag volgden enkele andere extreemrechtse aanslagen die vergelijkbare modus operandi hanteerden.
Globaal kunnen er twee categorieën van gamification onderscheiden worden: top-down gamification en bottom-up gamification (Schlegel, 2021a). De eerstgenoemde categorie verwijst naar het “strategisch inzetten van game-elementen door extremistische groepen of recruiters om betrokkenheid van individuen bij propagandistische inhoud, fora en platforms te faciliteren” (Schlegel, 2021a). Het gevolg daarvan is dat individuen die aan deze propaganda worden blootgesteld, sneller geneigd zijn extreemrechtse narratieven te onderschrijven en (daarmee) vatbaarder zijn voor radicalisering. Voorbeelden van top-down gamification zijn het ontvangen van punten voor het plaatsen van opmerkingen, reputatie- of radicaliseringsmeters die persoonlijke ‘vooruitgang’ meten naar extremisme en de mogelijkheid om avatars of signatures te wijzigen na het behalen van een bepaald ‘niveau’ binnen het forum (Schlegel, 2021a). Door dergelijke ‘gamedesign’-elementen te gebruiken, ontstaat er een zekere hiërarchie onder de deelnemers, alsook competitie om een hogere score te willen behalen. Ook buiten de online context kan top-down gamification plaatsvinden. Een bekend voorbeeld hiervan was de – nooit gelanceerde – app ‘Patriot Peer’. Gebruikers konden punten scoren door deel te nemen aan activiteiten die georganiseerd werden in de fysieke context.
Naast het scoren van punten zou de app een zekere ‘Pokémon Go-achtige’ modus bevatten waarop gebruikers gelijkgestemden in de buurt kunnen zoeken, hetgeen duidt op een sociale dimensie van de app. Bottom-up gamification verwijst naar “de organische opkomst van gegamificeerde taal en praktijken bij individuen, kleine groepen en online subculturen zonder organisatorische leiding van extremistische groepen” (Schlegel, 2021a). De aanslagen in Christchurch (Nieuw-Zeeland) door Brenton Tarrant in 2019 zijn hier een praktijkvoorbeeld van. Via een livestream op Facebook konden miljoenen mensen meekijken met de aanslagen, die aan hen gepresenteerd 14
4
Mechanismen
In dit hoofdstuk beschrijven we de mogelijke fasen die zich kunnen voordoen binnen het complexe proces van radicalisering. Het gaat om 1) de preradicaliseringfase, 2) de radicaliseringfase en 3) de operationele fase. Daarnaast besteden we aandacht aan processen van flitsradicalisering, de-escalatie en de rol van ideologie binnen de verschillende fasen.
Fasen van radicalisering Volgens Mølmen en Ravndal (2021) zijn er drie fasen te onderscheiden bij het proces van online radicalisering. De eerste fase is de pre-radicaliseringsfase, waarin behoeften en kwetsbaarheden die individuen vatbaar maken voor alternatieve wereldbeelden centraal staan. De tweede fase is de radicaliseringsfase, waarin individuen in contact komen met en beïnvloed worden door radicale en extreme online content. De derde fase is de operationele fase, waarin individuen hun gewelddadige overtuigingen omzetten in actie. Binnen deze fasen onderscheiden zij zes mechanismen, die zich volledig online of binnen de interactie van de online en offline context manifesteren. Het gaat om: 1) compensatie, 2) isolatie, 3) facilitering, 4) echoing, 5) acceleratie, 6) action triggering. Belangrijk is dat deze mechanismen niet allemaal een rol hoeven te spelen binnen een online radicaliseringsproces. Daarnaast hoeft dit proces niet in de door Mølmen en Ravndal beschreven volgorde te verlopen. Dit kan per individu wisselen. Preradicaliseringsfase: compensatie en isolatie Binnen de preradicaliseringsfase wordt compensatie genoemd als mechanisme, waarbij individuen online kunnen compenseren voor eventuele kwetsbaarheden die zij ervaren in de offline context. Deze kwetsbaarheden, zoals
sociale en psychische problematiek, zorgen ervoor dat een persoon al meer vatbaar is om te kunnen radicaliseren (Mølmen & Ravndal, 2021). In de preradicaliseringsfase speelt ook het mechanisme van isolatie een rol, waarbij individuen die offline geen (sociale) aansluiting vinden online wel een vorm van sociale verbondenheid vinden. Van der Valk en Wagenaar (2010) noemen deze fase ook wel de kennismakingsfase, waarin jongeren op zoek zijn naar een identiteit en een groep om bij te horen. Tegelijkertijd merken deze laatste auteurs op dat binnen de kennismakingsfase (of preradicaliseringsfase) ideologie nog geen rol speelt. Het conformeren aan de eisen van de groep en de ideeën die hierbinnen leven, gebeurt pas later in de radicaliseringfase (zie ook Sieckelinck, persoonlijke communicatie 2022; Van Beek, persoonlijke communicatie 2022). Radicaliseringsfase: isolatie, ‘echoing’, facilitering en versnelling Mensen die geïsoleerd raken, kunnen zich nog verder gaan terugtrekken uit offline sociale netwerken en relaties. Dit kan zorgen voor sociale vervreemding en een groeiende onderdompeling in de online wereld. Bjørgo (1997) spreekt in dit verband van ‘bridge burning’, waarbij contacten met vrienden en familie slechter worden.
Het construeren van een groepsidentiteit online, waarbij een gevoel van gemeenschap en eenheid ontstaat, is een van de manieren waarop sociale media worden gebruikt door extreemrechts. Dit wordt versterkt door taalgebruik, symbolen, teksten en merchandise, waardoor er als het ware een subcultuur ontstaat waar iemand deel van gaat uitmaken. Het gevoel van ‘samen tegen de wereld’ dat vaak wordt gecreëerd online zorgt voor verbondenheid en het gevoel een gezamenlijk doel te hebben (NTA, 2018). Als tweede is er sprake van echoing. Online is het mogelijk om zowel informatie tot je te nemen, als hierover in contact te treden met anderen die hier hetzelfde over denken. Dit wordt ook wel echoing genoemd, waarbij de constante 15
interactie met mensen die dezelfde extreme denkbeelden en overtuigingen hebben, leidt tot het ontwikkelen en versterken van radicale overtuigingen en het legitimeren van geweld. Zogenaamde ‘echokamers’ zorgen ervoor dat mensen bevestigd worden in hun denkbeelden, en het reguliere nieuws (nog meer) gaan wantrouwen (Expertise-unit Sociale Stabiliteit, 2021). Daarnaast worden extremistische meningen binnen deze groepen genormaliseerd, en is het lastig voor individuen om hier tegenin te gaan. Dit kan leiden tot uitsluiting van leden die nuancering proberen aan te brengen (NTA, 2018). Van belang hierbij is dat ook de algoritmes van sociale media kunnen leiden tot steeds extremer wordende denkbeelden (Mølmen & Ravndal, 2021). Er wordt steeds radicalere content aangeboden om de aandacht van de gebruiker vast te houden (Van Puffelen, 2021). Door deze amplificerende werking van sociale media kan iemand in een ‘konijnenhol’ belanden, waarbij de persoon in kwestie blijft graven op zoek naar extremere content. Onder facilitering vallen aspecten in de online wereld die de blootstelling aan en de interactie met extreme content faciliteren. Internet kan radicalisering faciliteren doordat het een laagdrempelig middel is voor informatie, communicatie en propaganda van extreme overtuigingen.
Individuen kunnen snel toegang krijgen tot extreemrechtse content en daarnaast in contact treden met gelijkgestemden wereldwijd. Bovendien zorgt de mogelijkheid tot anonimiteit voor minder drempels om extreme content te verspreiden of tot zich te nemen, wat het onderscheidt van ‘echoing’ in de offline context. Een ander mechanisme van radicalisering online is versnelling, ook wel het verkorte tijdsframe vergeleken met offline radicalisering (Von Behr et al., 2013, p19). In een korte periode kunnen mensen snel en veel content tot zich nemen, waardoor de tijd waarin iemands gedachten of gedrag extremer kunnen worden een stuk korter is (Mølmen & Ravndal, 2021).
Operationele fase: facilitering, ‘action triggering’ In de laatste fase, de operationele fase, worden door Mølmen en Ravndal facilitering en ‘action triggering’ genoemd als mechanismen. Met action triggering wordt het moment bedoeld waarop de impuls om (politiek) geweld te gebruiken wordt gecreëerd. Dit kan gebeuren door het meemaken van een online persoonlijke of sociale gebeurtenis die ervoor zorgt dat een individu geïnspireerd wordt om daadwerkelijk over te gaan tot actie. Ook een (gedeelde) ‘succesvolle’ gewelddadige actie van iemand anders kan een trigger zijn voor iemand om zelf ook over te gaan tot actie. Door de vele gewelddadige content is het mogelijk dat ‘action triggering’ volledig online plaatsvindt. Oproepen tot democratische vormen van verzet (Roks & Van der Schoot, 2019) is een van de manieren waarop sociale media worden ingezet door extreemrechts. Volgers wordt gevraagd niet alleen online te reageren, maar ook offline ‘de daad bij het woord te voegen’ (Roks & Van der Schoot, 2019). Ook op Nederlandse social-media-accounts is waar te nemen dat er wordt opgeroepen tot verzet. Ondanks dat de geweldsdreiging over het algemeen beperkt blijft, is het online taalgebruik agressiever en opruiender geworden en is de kans tot het overgaan op geweld groter dan in het verleden (AIVD, 2018).
Flitsradicalisering, twijfel en de-escalatie Al eerder vermelden we dat ‘online’ radicalisering een snel en heftig karakter kan hebben – we spraken, in navolging van Wagenaar (2021), van ‘flitsradicalisering’. Vanwege de anonimiteit die het computerscherm biedt, zijn conversaties binnen chatgroepen veelal extremer dan in de fysieke sfeer, waarbij nieuwkomers in dergelijke groepen zich razendsnel conformeren aan de groepsmores, daarbij niet beseffend dat sommige uitspraken voortkomen uit overdrijvingen en/of stoerdoenerij. Daarnaast is het internet een schier onuitputtelijke bron van informatie, die ook mensen die geïnteresseerd raken in extreemrechtse narratieven in staat stelt om in korte tijd heel veel informatie tot zich te nemen.
16
Tegelijkertijd is het belangrijk om te benadrukken dat radicaliseringsprocessen niet hoeven uit te monden in de zogenoemde ‘action triggering fase’, maar vaak ook onderbroken of beëindigd worden (Kleuver, Van Dijk & Ramirez, 2017). Volgens Wagenaar (persoonlijke communicatie, 2022) krijgt elke radicaliserend persoon op een gegeven moment te maken met twijfel, hetgeen deradicalisering tot gevolg kan hebben. Hij onderscheidt drie soorten twijfelaars: 1) Mensen die onderdeel zijn van een radicaal netwerk en bij wie twijfel zich vertaalt in het uit het netwerk stappen, omdat ze zich gesteund weten in dit proces door bijvoorbeeld vrienden, familieleden of medetwijfelaars; 2) Mensen die onderdeel uitmaken van een radicaal netwerk zonder dat mensen in hun directe sociale omgeving hiervan op de hoogte zijn, waardoor zij gemakkelijker in staat zijn om uit het netwerk te stappen – zij hebben immers iets om op terug te vallen; 3) Mensen, die ondanks de twijfel, onderdeel blijven uitmaken van het radicale netwerk, mede doordat zij geen alternatief zien door gebrek aan sociale contacten buiten het radicale netwerk. Belangrijk hierbij, zo betoogt Wagenaar, is dat mensen die primair online zijn geradicaliseerd vaak gemakkelijker kunnen uittreden, omdat hun deelname anoniemer is.
Het maakt dat het vaak langer duurt voordat geradicaliseerde personen ook voor de (fysieke) buitenwereld bekend komen te staan als ‘extreemrechts’ of ‘geradicaliseerd’. Juist dit soort labels kunnen een individu het gevoel geven dat er geen of nauwelijks meer een weg terug is. Omgedraaid: het ontbreken van labels vanuit de directe fysieke en sociale omgeving kan uittreding vergemakkelijken.
17
5
Wisselwerking online en offline context
Eén van de vertrekpunten van deze studie is gelegen in het feit dat de online en offline context niet als twee zelfstandige domeinen begrepen kunnen worden (Gill et al., 2015; Mattheis, 2019; Whittaker & Herath, 2019). Deze liggen veeleer in het verlengde van elkaar en vormen een zogeheten ‘continuüm’. Verschillende auteurs spreken dan ook over ‘onlife’ radicalisering, een term die verwijst naar de hybride online en offline context waarin individuen zich bewegen (Valentini, Lorusso & Stephan, 2020). Om deze reden is het zinvol om de wisselwerking tussen de online en offline context nader te definiëren. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat het huidige onderzoek naar deze wisselwerking gering is en verdere studie behoeft (Von Behr et al., 2013; Winter et al., 2020). Desalniettemin pogen we in dit hoofdstuk een eerste invulling te geven aan de wisselwerking tussen deze twee contexten bij extreemrechtse radicalisering. We doen dit door deze wisselwerking onder te verdelen in twee niveaus waarop deze plaatsvindt, waarbij het individuele niveau onderscheiden wordt van het groepsniveau. We merken hierbij op dat dit een kunstmatig onderscheid betreft dat kan helpen de wisselwerking tussen de online context en offline context te beschrijven, maar tegelijkertijd geen recht doet aan de complexe manier waarop het individuele niveau en het groepsniveau met elkaar verweven zijn.
Individuele niveau Al eerder stelden we vast dat ‘offline’ omstandigheden kunnen bijdragen aan de vatbaarheid van een individu voor radicale invloeden in de online context. Jongeren die voortijdig van school gaan of hun baan kwijtraken kunnen vatbaar zijn voor online extremisme. Andere voorbeelden van risico- en triggerfactoren zijn het worstelen met de identiteit, instabiele leefomstandigheden zoals een ontwricht gezin of huisvestigingsproblemen, het ervaren van discriminatie en onrechtvaardigheid of een confrontatie met de dood (LSE, g.d., ESS, 2019). Extreemrechtse groepen zijn vaak specifiek op zoek naar dit soort kwetsbare jongeren om te rekruteren (Van den Berg et al., 2016; ACT, g.d.). Ook zagen we dat jongeren met ouders die er racistische denkbeelden op nahouden een grotere kans lopen om zelf ook dit soort denkbeelden te ontwikkelen.
Groepsniveau De wisselwerking tussen de online en offline context is voor extreemrechtse groepen erg veelzijdig. In deze en volgende paragrafen wordt hieraan een inhoudelijke invulling gegeven door verschillende ‘typen’ activiteiten te belichten waaruit blijkt dat de online en offline context op elkaar inwerken en/of in het verlengde van elkaar liggen. Dit wordt gedaan aan de hand van een onderscheid tussen (1) ‘traditioneel’ extreemrechtse groepen en (2) een ‘nieuwe generatie’ extreemrechtse groepen. Reden voor ons om dit onderscheid dusdanig te maken, is dat de wisselwerking in sommige gevallen een andere invulling kent voor beide, hoewel we tegelijkertijd moeten vaststellen dat niet elke groep en/of netwerk zich even gemakkelijk laat indelen in één van de twee categorieën. Hieronder wordt allereerst het onderscheid tussen de extreemrechtse groepen zelf toegelicht. Vervolgens is er aandacht voor de ‘typen’ activiteiten waarbinnen de wisselwerking tussen de online en offline context plaatsvindt. 18
Traditioneel extreemrechtse groepen organiseren zich zowel online als offline, maar zijn tegelijkertijd – en in tegenstelling tot de nieuwe generatie extreemrechtse groepen – met name lokaal en/of nationaal geworteld. Het betekent dat leden vaak op een meer persoonlijk niveau bekend zijn met elkaar (Sterkenburg, 2021). De online context fungeert voor deze groepen met name als middel: de voordelen van het internet worden ingezet om het online en offline ‘succes’ van de groep te vergroten (ESS, 2021). Dit gebeurt bijvoorbeeld door het verplaatsen van verschillende taken en activiteiten van het offline domein naar het online domein. Zo heeft het internet bij uitstek een rekruterende en mobiliserende kracht, waardoor het bereik van deze online context aanzienlijk groter is dan de vaak nationale of lokale offline context. Dit resulteert onder meer in het sneller groeien van de aanwas van extreemrechtse groepen (NTA, 2018; ESS, 2021). Enkele Nederlandse voorbeelden van ‘traditionele’ groepen zijn de Nederlandse Volks-Unie (NVU), Voorpost en Pegida Nederland. Ook het studiegenootschap Erkenbrand en Identitair Verzet kunnen tot de meer traditionele extreemrechtse groepen gerekend worden, ondanks hun oorspronkelijke online wortels (Wagenaar, 2021). Naast deze traditioneel extreemrechtse groepen wordt er een ‘nieuwe generatie’ extreemrechts onderscheiden.
Het is goed hier te benadrukken dat dit niet slechts één groep of één narratief betreft, maar een veelheid aan extreemrechtse narratieven en ‘subculturen’. Een bekend voorbeeld is het eerdergenoemde accelerationisme. Het narratief dat hieraan ten grondslag ligt, wordt veelal verspreid via vaak besloten online sociale mediaplatformen, fora en chatrooms. Accelerationistische netwerken ‘ontspringen’ in de digitale wereld en radicaliseringsprocessen van hun ‘leden’ vinden grotendeels online plaats. De gevolgen hiervan zijn dat ‘leden’ van deze netwerken over het algemeen meer individueel opereren en minder persoonlijk bekend zijn met andere leden van het netwerk. De internationaliteit van deze netwerken, in tegenstelling tot de vaak lokale/nationale organisatie van traditioneel extreemrechtse groepen, draagt daar tevens aan bij. Online accelerationistische netwerken worden daarnaast gekenmerkt door een groot zelf-organiserend vermogen en “moedigen
het plegen van geweldsdaden door kleine autonome cellen aan” (NCTV, 2021). Individuele leden van deze netwerken genieten daarin van relatief veel vrijheid. Bovendien is het zichtbaar dat deze extreemrechtse netwerken in bijzonder aantrekkelijk zijn voor jonge mannen. De AIVD waarschuwt dan ook voor deze groeiende opmerkelijk jonge groep deelnemers in Nederland (NCTV, 2021). Enkele voorbeelden van accelerationistische netwerken zijn de Feuerkrieg Division en The Base (Wagenaar, 2021).
Wisselwerking tussen online en offline op groepsniveau In de nu volgende paragraaf kijken we naar verschillende voorbeelden van activiteiten waarin sprake is van een wisselwerking tussen de online en offline context bij extreemrechtse groepen. De activiteiten die we bespreken zijn: organisatorische activiteiten; netwerken; en sociaal-politieke gebeurtenissen als katalysators voor online haatspraak. Organisatorisch: adverteren, faciliteren en mobiliseren Zoals reeds aangegeven, maken zowel traditioneel extreemrechtse groepen als de ‘nieuwe generatie’ gebruik van de online en offline context om hun succes en maatschappelijke impact te vergroten. Ten eerste kan er gekeken worden naar het ‘type’ activiteiten die organisatorisch van aard zijn. Voorbeelden hiervan worden gegeven in een studie van Gaudette et al. (2020), waarin aan de hand van interviews met ex-rechtsextremisten werd gekeken naar de rol van het internet in het verbinden van het online en offline domein. Verscheidene geïnterviewden gaven bijvoorbeeld aan dat online fora, chatrooms en sociale mediaplatformen bij uitstek geschikte plaatsen zijn voor het grootschalig adverteren en promoten van fysieke extreemrechtse ‘events’. Denk hierbij aan concerten, vergaderingen en gezamenlijke sportactiviteiten, maar ook aan demonstraties en protestacties.
Een bekend praktijkvoorbeeld van online mobilisering in de offline context was de Unite The Right rally in Charlottesville (Virginia) in 2017. “The rally was among the first real-world events that brought together many loosely affiliated far right communities of different ideological leanings” (Davey & Ebner, 2017). 19
In veel meer gevallen gaat het om meer bescheiden acties. Zo gebruikt het Nederlandse Identitair Verzet Facebook om kleinschalige activiteiten te adverteren, van het houden van een borrel tot het beklimmen van het dak van een moskee (Sterkenburg, 2021). Een ander praktijkvoorbeeld van het faciliteren van ‘events’ is het digitaal verspreiden van flyers. Leden kunnen deze flyers zelf afdrukken en in hun eigen buurt ophangen (Gaudette et al., 2020). Tegelijkertijd is het belangrijk te vermelden dat het toegenomen online activisme vooralsnog niet heeft tot meer offline activisme. Dat dit het geval is, zou kunnen betekenen dat het online activisme het offline activisme niet, of niet altijd, nodig heeft om in een bepaalde behoefte te voorzien (ESS, 2021). Netwerken De eerdergenoemde rally in Charlottesville sluit tevens aan bij een tweede ‘type’ activiteit die we hier belichten, namelijk netwerken. Het internet biedt extreemrechtse groepen en individuen de mogelijkheid om grotere netwerken op te bouwen en deze ook te faciliteren (Davey & Ebner, 2017). Deze netwerkfunctie komt daarbij gedeeltelijk voort aan de eerdergenoemde organisatorische functie van het internet.
Zowel de mobiliserende kracht van het internet, alsook de organisatorische en faciliterende kracht ervan zorgen ervoor dat al dan niet ideologisch verschillende extreemrechtse groepen gemakkelijk met elkaar in contact komen en van de online context verschuiven naar de offline context. “Interestingly, a key feature of online platforms that facilitated the connection with the offline world, according to interviewees, was the interactive and localized nature of these spaces; the like-minded could seek out, connect and interact with local adherents online who shared their views and who they could then meet in offline, in-person settings” (Gaudette et al., 2020). Propaganda Het online domein biedt extreemrechts de mogelijkheid om verschillende doeleinden na te streven. Een van de belangrijkste is het verspreiden van propagandistische boodschappen. Uit een verkennend onderzoek van Roks en Van
der Schoot (2019) bleek bijvoorbeeld dat de afkeer van de Islam een centrale rol speelde in de berichten van de traditioneel extreemrechtse groeperingen NVU en Voorpost op mainstream sociale media. Om als extreemrechts netwerk duurzaam en relevant te kunnen zijn, helpt het om daarbij in te spelen op actuele sociaal-politieke gebeurtenissen. Het is daarom niet verwonderlijk dat terroristische aanslagen vaak resulteren in een aanzienlijke toename van online haatspraak. Deze haatspraak dient onder meer ter promotie van extremistische narratieven (Lally & Bermingham, 2020). Onderzoek van Bliuc et al. (2020) wijst daarnaast uit dat sociaal-politieke gebeurtenissen een transformerende werking hebben op (a) extreemrechtse online netwerken; (b) diens collectieve opvattingen over wat het betekent om lid te zijn van een dit netwerk - “wie wij zijn als groep en wie onze bondgenoten en vijanden zijn”; en (c) de zorgen over actuele onderwerpen die relevant zijn voor een specifieke groep. Ook blijkt dat de normen binnen extreemrechtse netwerken kunnen veranderen als een reactie op sociaal-politieke gebeurtenissen. Zo toonde het online Australische Stormfront extremere overtuigingen naar aanleiding van de antimoslim Cronulla-rellen in Sydney (Bliuc et al., 2020).
“Such transformations can be understood as attempts by the group, as a collective, to adapt and maintain (or even improve) their functionality in the context of societal changes. These attempts often result in the development of new group norms that might be better suited to serving the group’s most current goals” (Bliuc et al., 2020). Al eerder zagen we dat de mogelijkheden van het verspreiden van extreemrechtse propaganda en haatspraak onder andere afhangen van de mate waarin sociale media platforms reguleren en modereren. Extreemrechtse groeperingen kiezen er daarom volgens Roks en Van der Schoot (2019) voor om de inhoud en toon van hun berichten aan te passen aan de gestelde eisen van de digitale omgeving. Desalniettemin verbande Twitter in 2020 onder andere de accounts van twee Nederlandse groepen – Identitair Verzet en Voorpost – omdat zij de regels overtraden omtrent ‘gewelddadig extremisme’.
20
6
Beschermende factoren
In de voorgaande hoofdstukken hebben we duiding gegeven aan het probleem van extreemrechtse radicalisering in de online context. In het nu volgende hoofdstuk bespreken we de beschermende factoren en de wijze waarop deze aangesproken kunnen worden middels interventies. Hierbij plaatsen we gelijk een kanttekening: er is nauwelijks literatuur beschikbaar die zich specifiek richt op beschermende factoren binnen extreemrechtse radicalisering in de online context. De literatuur die er wel is gaat meer in het algemeen over beschermende factoren ten aanzien van gewelddadig extremisme. Hierbij wordt soms de opmerking gemaakt dat het voor beschermende programma’s niet veel uitmaakt of het om extreemlinkse, -rechtse, of -religieus geïnspireerde milieus gaat (Sieckelinck & Gielen, 2020) – of breder, over weerbaarheid tegen stressfactoren. Tegelijkertijd hebben de voorgaande hoofdstukken ons meer inzicht gegeven in de wijze waarop het online domein vorm en richting geeft aan het radicaliseringsproces. We vertrekken dit hoofdstuk vanuit het idee dat dit ook gevolgen heeft voor de capaciteiten die nodig zijn om personen en omgevingen weerbaar(der) maken tegen extremistische attitudes en gedrag.