CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels - TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Hoge Geest nabij 6 te Naaldwijk

Gemeenteraad 16 juni 2026, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Hoge Geest nabij 6 te Naaldwijk28.873 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden

27

aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 4.5.2

Toetsing

In de omgeving van het plangebied zijn geen trillingveroorzaken functies en activiteiten aanwezig. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6

Omgevingsveiligheid

4.6.1

Beoordelingskader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).

Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

28

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par.

5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). 4.6.2

Toetsing

Door Buelens Ruimte is op 5 september 2025 een notitie omgevingsveiligheid opgesteld, zie Bijlage 3. Met behulp van de kaart ‘veilige leefomgeving’ uit de Atlas leefomgeving is op 22 augustus 2025 gekeken of in de directe omgeving van het plangebied risicobronnen aanwezig zijn. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van deze kaart weergegeven. Met rode stip is de locatie van het plangebied aangegeven.

Uitsnede Atlas leefomgeving. Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven Het plangebied ligt in het gifwolkaandachtsgebied behorende tot meerdere bedrijven. Artikel 5.12, lid 4 Bkl bepaalt dat bij het beoordelen van het groepsrisico als gevolg van een gifwolk (bijvoorbeeld bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen) op beleidsmatige gronden een afstand van 1,5 km wordt gehanteerd

29

(afkap). Voor een locatie binnen die 1,5 km wordt beoordeeld of aanvullende maatregelen nodig zijn. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de kaart ‘Gifwolkaandachtsgebieden met afkap 1.500 m’ uit het Portaal Atlas Veiligheid (PAV) weergegeven. Met rode stip is de locatie van het plangebied aangegeven.

Uitsnede Atlas leefomgeving - gifwolk Het plangebied ligt niet binnen een gifwolkaandachtsgebied met afkap. Daarnaast zal gezien de relatief beperkte omvang van het initiatief en de huidige populatiedichtheid geen sprake zijn van een verhoogd groepsrisico. Een verdere toetsing aan het groepsrisico is niet noodzakelijk. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt buiten de brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebieden van transportroutes die op grond van het Basisnet zijn aangewezen. Dit betreft rijkswegen waar vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan, zoals vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de Regeling Basisnet. De N213, die op een afstand van meer dan 1,5 kilometer van het plangebied ligt, is de dichtstbijzijnde provinciale weg. Over deze weg vindt in beperktere mate vervoer van gevaarlijke stoffen plaats dan over de Basisnetroutes. Voor het vervoer over het Basisnet gelden specifieke regels met betrekking tot risicocontouren (zones rondom de route waar risico’s kunnen optreden) en afstandseisen tot zogenoemde gevoelige functies, zoals scholen en ziekenhuizen. Deze regels zijn niet van toepassing op provinciale wegen. Buisleidingen met gevaarlijke stoffen Het plangebied bevindt zich niet in een aandachtsgebied van een buisleiding. Ten noorden en oosten liggen de dichtstbijzijnde leidingen.

Dit zijn de volgende gasleidingen: 1.

2.

Op ca. 225 meter afstand van het plangebied ligt buisleiding NM-412041 van de NAM. Deze heeft een werkdruk van 44 bar en een diameter van 3 inch en heeft een 1% letaliteitscontour van 38 meter. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van deze leiding. Op ca. 345 meter afstand van het plangebied ligt buisleiding W-522-05 van Gasunie. Deze heeft een werkdruk van 40 bar en een diameter van 16 inch en een 1% letaliteitscontour van 170 meter. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van deze leiding.

30

Explosieven Het plangebied is niet gelegen in een gebied dat wordt verdacht op de aanwezigheid van explosieven.

Uitsnede Explosievenkaart Westland

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1.

2.

Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.

In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

31

In artikel 2.3 tot en met 2.7 van het Bkl zijn de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht voor verschillende stoffen opgenomen voor de concentraties in de buitenlucht. In Nederland zijn de stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) het meest kritisch. In het algemeen geldt dat bij voldoen aan de normen voor deze stoffen, een overschrijding van de normen voor de overige stoffen redelijkerwijs kan worden uitgesloten.

Overzicht normen luchtverontreinigende stoffen 4.7.2

Toetsing

De beoogde ontwikkeling voorziet in omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en de realisatie van 9 uitplaatskavels. Dit geeft 77,4 extra vervoersbewegingen. Gebruikmakend van de NIBM-rekentool geeft dit de volgende berekening van de luchtkwaliteit:

Berekening NIBM-tool Het plan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Voor ontwikkelingen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Er is daarom geen verder onderzoek nodig naar het aspect luchtkwaliteit.

4.8

Water

4.8.1

Beoordelingskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsdocumenten vastgesteld over water en klimaatadaptatie (EU, rijk, provincie, waterschap en gemeente). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante beleidsnota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) (kaderstellend) Nationaal:

32

wetgeving over water: per 1 januari 2024 in de Omgevingswet, o.a. art. 2.2 (kaderstellend) Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie 2018 (kaderstellend en richtinggevend) Water en Bodem sturend bij ruimtelijke ordening (richtinggevend) Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving (richtinggevend) Provinciaal: Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 (richtinggevend) Hoogheemraadschap van Delfland: Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) (richtinggevend) Weging waterbelang in plannen fysieke leefomgeving (voorheen watertoets) Handreiking weging waterbelang voor gemeenten (richtinggevend en kaderstellend) Diverse beleidsdocumenten, waaronder Legger en Keur (kaderstellend) Gemeentelijk: Waterklimaatplan Westland (richtinggevend) Strategie klimaatadaptatie Westland (richtinggevend) Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland leidraad 2.0 (kaderstellend) Programma van standaarden (kaderstellend) Hemelwaterverordening (kaderstellend) Kaderrichtlijnwater KRW: (kaderstellend) De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die op 22 december 2000 van kracht is geworden. Doelstelling is het realiseren en behouden van chemisch schoon en ecologisch gezond oppervlaktewater en grondwater. De EU-lidstaten moeten deze 'goede toestand' uiterlijk in 2027 realiseren. De Rijksoverheid heeft de Kaderrichtlijn Water (KRW) omgezet in Nederlandse wet- en regelgeving.

Dit staat in de Omgevingswet en in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Deze wet- en regelgeving is vertaald in landelijke beleidsuitgangspunten, kaders en instrumenten. De minister van Infrastructuur en Waterstaat is systeemverantwoordelijk voor de uitvoering van de KRW namens het Rijk. In onder andere het Bestuursakkoord Water is de samenwerking in het waterbeheer en beleid tussen deze partijen vastgelegd. Alle waterbeheerders in Nederland zijn verantwoordelijk voor een deel van de uitvoering van de KRW. De Kaderrichtlijn Water verplicht de lidstaten om eens in de 6 jaar stroomgebiedbeheerplannen (SGBP's) vast te stellen. Deze SGBP's geven voor elk stroomgebied een overzicht van de toestand, problemen, doelen en maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit. Voor Westland zijn de jaarlijkse waterkwaliteitsrapportages van Delfland relevant (komt elk kaar in april uit over het vorige jaar). De waterkwaliteit in Westland is het afgelopen decennium overall wel verbeterd, maar voldoet (in ruime mate) niet aan de KRW. Omgevingswet voorheen waterwet (kaderstellend) De Omgevingswet vervangt onder andere de Waterwet. Dit is één van de 26 wetten die in de Omgevingswet opgaan. De Waterwet en de onderliggende regelgeving bevatten veel normen die rechtstreeks voortvloeien uit Europese richtlijnen, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn en Drinkwaterrichtlijn.

De bepalingen ter implementatie van deze richtlijnen blijven grotendeels ongewijzigd in de Omgevingswet, omdat Nederland zich moet houden aan de Europese verplichtingen. Ook de hoofdlijnen van het waterbeheer onder het oude recht, zoals bijvoorbeeld de bevoegde autoriteiten en het vergunningenstelsel blijven in stand in de Omgevingswet. De wet zegt dat gemeente een sleutelrol spelen in het lokale waterbeheer, specifiek het beschermen van watersystemen en waterkwaliteit en benadrukt het belang in een goede samenwerking tussen verschillende bestuurslagen. In artikel 2.1 van de omgevingswet staan de taken en bevoegdheden van de bestuursorganen beschreven. Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie 2018 (kaderstellend) Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is een plan van Nederlandse overheden om wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen te beperken. Het doel van het plan is dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk werken samen aan de ambities in dit plan en hebben zich daarvoor ook verenigd in werkregio's. Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (2018) is gebaseerd op de Deltabeslissing Ruimtelijke

33

Adaptatie uit 2015. Deze Deltabeslissing moet elke zes jaar opnieuw worden herijkt. We kunnen maatschappelijke ontwrichting en grote economische schade voorblijven door vanaf nu, naast de voortdurende inzet op de primaire waterveiligheid met het hoogwaterbeschermingsprogramma en de programma's voor de secundaire waterkeringen van de waterschappen, klimaatbestendig en waterrobuust te bouwen en bij de toedeling van functies rekening te houden met de waterbeschikbaarheid in een gebied. Dit voorkomt extra risico op schade en slachtoffers bij een overstroming of extreem weer. Ook zijn dringend investeringen nodig om de vitale en kwetsbare functies en processen (waaronder wegen, spoorwegen, vaarwegen, elektriciteit, ICT, drinkwater, gas) robuuster in te richten en beter bestand te maken tegen extremere weersomstandigheden. Nú slim bouwen bespaart geld in de toekomst en draagt bij aan leefbaarheid en gezondheid. Er is meer inzet nodig van zowel publieke als private partijen voor het klimaatbestendig uitvoeren van nieuwbouw, industrieterreinen, ICT- en energievoorzieningen en het klimaatbestendig aanpassen van bestaande bebouwing. Water en bodem sturend (richtinggevend) Op vrijdag 25 november 2022 heeft Minister Harbers van I&W de kamer geïnformeerd via de kamerbrief over het richtinggevend kader Water en bodem sturend (WBS).

De ruimte in Nederland staat onder druk vanwege de optelsom van vele ontwikkelingen, zoals woningbouwopgave, klimaatverandering, de energietransitie en economische ontwikkeling. De gemeente Westland, als één van de meest verharde gemeenten van Nederland, heeft decennialang kunnen floreren in economie en wonen doordat met technische ingrepen het (grond)water en bodem kon worden gebruikt dan wel beheerst. Door de gevolgen van klimaatverandering én de druk op de ruimte is deze aanpak niet langer houdbaar. De draagkracht van de natuur en het water- en bodemsysteem heeft op vele vlakken haar grenzen bereikt. Dit vertaalt zich in verhoogde risico's op wateroverlast en watertekorten. Om bestaande en nieuwe functies nog goed en veilig te kunnen laten bestaan, zijn extra inspanningen nodig op het vlak van water en bodem. Ons denken en handelen moet hierin veranderen. De beleidslijnen die vanuit bodem en water sturend worden meegegeven geven de gemeente Westland richting in de ruimtelijke puzzel, het ZHPLG maar ook nieuw te ontwikkelen gemeentebeleid voor klimaatadaptatie en de ruimtelijke visie op de glastuinbouw. Landelijke maatlat (richtinggevend) De landelijke maatlat is de basis voor het klimaatadaptief bouwen waaraan door gemeenten voldaan moet worden om toekomstbestendig te ontwikkelen. Op 23 maart 2023 ging een kamerbrief uit met de invulling hiervan.

De landelijke maatlat definieert eenduidig wat we onder klimaatadaptief bouwen en inrichten verstaan. Deze bestaat uit kwalitatieve doelen en kwantitatieve prestatie-eisen/richtlijnen voor de thema's overstromingen, wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit en bodemdaling. De eisen van het convenant Klimaatadaptief Bouwen, de regionale afspraken waar de gemeente Westland aan meedoet, voldoen hieraan (zie hieronder). Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 (richtinggevend) Het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027, vastgesteld door de Provinciale Staten, beschrijft het waterbeleid van de provincie. Dit programma omvat de uitvoering van Europese richtlijnen zoals de Kaderrichtlijn Water, en gaat in op onderwerpen als zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Het biedt een overzicht van de aanpak en samenhang tussen verschillende water gerelateerde onderwerpen. Het programma is het resultaat van samenwerking met partners zoals waterschappen, drinkwaterbedrijven, omgevingsdiensten en gemeenten, en wordt elke zes jaar geactualiseerd. Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) (richtinggevend) In dit programma geeft Delfland aan hoe ze inspelen op ontwikkelingen als zoals klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelstijging, en waar zij de komende jaren aan werken.

Weging waterbelang in plannen fysieke leefomgeving (voorheen watertoets) Bij plannen in de fysieke leefomgeving is de weging van het waterbelang verplicht. Voor het doorlopen

34

van dit proces heeft Delfland een handreiking opgesteld. Handreiking weging waterbelang voor gemeenten (richtinggevend en kaderstellend) De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de procedure voor de weging van het waterbelang in plannen voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau. Diverse beleidsdocumenten Hoogheemraadschap van Delfland (richtinggevend en kaderstellend) De basis van het beleid is de Keur en de Legger van Delfland. Hierin staan regels wat wel en niet is toegestaan binnen wateren en waterkeringen. Verder bestaat er over wateroverlast, de inrichting van watergangen/natuurvriendelijke oevers, zonering van waterkeringen/kust en waterkwaliteit ook divers Delflands beleid. Dit is te vinden op de website van Delfland. Waterklimaatplan Westland (richtinggevend) Het waterklimaatplan bevat ambities en ambitieniveaus op basis van lange termijndoelen (2040-2050). Het per doel gekozen ambitieniveau is vastgelegd in een Ambitie-keuzekaart. Ambities zijn uitgewerkt in gezamenlijke jaarlijkse uitvoeringsprogramma's. Dit waterklimaatplan wordt in 2024/2025 geactualiseerd. Strategie klimaatadaptatie Westland (richtinggevend) De Omgevingsvisie 2.0 stelt dat Westland in 2040 klimaatadaptief moet zijn ingericht.

Om deze ambitie waar te kunnen maken, is een Westlandse strategie vastgesteld om richting en kader te geven aan deze lange termijn ontwikkeling. Het bevat een beschrijving van de effecten van klimaatverandering voor de gemeente Westland, urgentie en de strategische ontwikkellijnen voor de gemeente Westland. Dit betekent dat de gemeente klimaatadaptatie borgt in al haar beleid en uitvoeringsprogramma's, waarbij er specifieke aandacht uitgaat naar verder onderzoek naar risicogebieden en kwetsbare groepen. Daarnaast ziet de gemeente een grote betrokkenheid van haar inwoners en bedrijven als noodzakelijk, om ook een bijdrage te leveren in de (gezamenlijke) opgave. Klimaatadaptatie kan immers niet alleen afgewenteld worden op de openbare ruimte. Bedrijven en inwoners hebben een eigen verantwoording voor wat betreft private eigendommen. Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland (kaderstellend) De gemeente Westland is ondertekenaar van het Convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland. Dit betekent dat de gemeente Westland nieuwbouwlocaties, inclusief transformatie- en uitleggebieden, zo klimaatadaptief mogelijk wil bouwen. Deze eisen worden bij planvorming van nieuwe ontwikkelingen (OTW) aan de voorkant meegegeven.

Daarnaast zijn deze in 2022 verwerkt in de het Programma van standaarden van de gemeente Westland en vormt dit tot op heden een actueel eisenpakket voor de inrichting van de openbare ruimte. We voldoen hiermee ook aan de landelijke klimaatlat. Programma van standaarden (kaderstellend) Hierin zijn de voorwaarden opgenomen waaraan de inrichting van de openbare ruimte moet voldoen, inclusief de eisen voor klimaatadaptatie, water en groen. Het programma wordt gehanteerd bij overdracht aan de gemeente van private gronden als openbare ruimte en is leidraad voor de herinrichtingsprojecten van de gemeente zelf. Hemelwaterverordening nieuwbouw Westland (kaderstellend) Vanaf 20 december 2023 heeft de gemeente Westland beleid op het bergen en vasthouden van regenwater op privaat terrein binnen een nieuwbouwplan. Vanaf 1 januari maakt deze verordening automatisch deel uit van het omgevingsplan. Dat wil zeggen dat elke ruimtelijke ontwikkeling groter dan 50 m 2 hieraan moet voldoen. Voor iedere m² bebouwd oppervlak moet 50 liter berging worden aangelegd. Bij bedrijventerreinen tellen ook de verharde onbebouwde oppervlaktes mee. Voor het aanleggen van de waterberging bestaan verschillende mogelijkheden. In het handboek 'Omgaan met Hemelwater bij nieuwbouw in Westland' staan voorbeelden ter inspiratie.

35

4.8.2

Toetsing

Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. In of rondom het plangebied ligt geen waterkering of beschermingszone. De dichtstbijzijnde kering ligt ten westen van het plangebied op een afstand van meer dan 300 meter.

Uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen Waterkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. Er wordt een woonerf ontwikkeld. Op de locatie zijn momenteel kassen en verhardingen aanwezig die worden gesloopt om ruimte te maken voor de nieuwe invulling. Het plan voorziet in de realisatie van negen vrijstaande woningen. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning op het perceel omgezet

36

naar een reguliere woning. Voor de watersleutel worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Bestaande situatie: Verharding aan het Monstersepad = 253 m2; Oprit aan de Hoge Geest = 87 m2; Kassen = 9.426 m2; Bedrijfswoning = 134 m2. Nieuwe situatie: 9 vrijstaande woningen = 150 m2 per woning; 1 bedrijfswoning die wordt omgezet naar een burgerwoning = 134 m2; verharding bij de woningen = 100 m2 per woning; Centrale ontsluiting = 890 m 2 Parkeerplaatsen middenberm (halfverharding) = 142 m2; Groen = 1.182 m2. Op basis van bovenstaande gegevens is de watersleutel ingevuld. Uit de watersleutel blijkt dat er geen extra oppervlaktewater/ waterberging dient te worden gerealiseerd. In Bijlage 5.staat de ingevulde watersleutel. Voorkomen van wateroverlast Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar, voor bedrijfsterreinen eens in de 50 jaar en voor agrarisch, eens in de 10 jaar. Bij kleinschalige bestemmingswijzigingen wordt het watersysteem echter niet aangepast. Daarom wordt nadrukkelijk geadviseerd om, zover mogelijk, de praktijksituatie hierop aan te passen. Dit kan bijvoorbeeld door het maaiveld ter plekke van de woning voldoende op te hogen.

Meer informatie hierover is te vinden in de Handreiking watertoets voor gemeenten, de meest actuele versie van deze handreiking is te vinden op de website www.hhdelfland.nl/overheid/ruimtelijke-plannen.

37

Watersysteemkwaliteit en ecologie In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. De huidige bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ wordt gewijzigd naar de functie ‘Wonen’. Er is sprake van het omzetten van glastuinbouw naar wonen.

Hierbij is meestal sprake van minder uitstoot van nutriënten, waardoor de waterkwaliteit mogelijk verbeterd. Uit de watersleutel blijkt dat er geen extra water dient te worden gegraven. Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken.Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet.

Er gelden de volgende criteria: als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn). voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen. Wanneer onderhoudsstroken niet of moeilijk realiseerbaar of te behouden zijn, overleg dan met Delfland over alternatieven of maatregelen. In het plangebied ligt, aan de noordzijde, een secundaire watergang. Voor de watergang geldt een beschermingszone. De watergang en beschermingszone is op onderstaande afbeelding weergegeven.

38

Uitsnede uit watertoets. Bodem en grondwater Bij nieuwe ontwikkelingen/initiatieven is het van belang om rekening te houden met een voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. Het bouwpeil moet daarom hoog genoeg boven het waterpeil liggen. Een voldoende hoog bouwpeil helpt niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast algemeen. Delfland adviseert om rekening te houden met een drooglegging van 1,2 m, maar met een minimum van 1,0 m. Het waterpeil in het plangebied ligt op 0,43- NAP. Het huidige maaiveld bedraagt gemiddeld ca. 0,50+ NAP. Het bouwkundig peil van de woningen bedraagt minimaal 0,80+ NAP. Het peil kan hoger worden vastgesteld. De diepte van de onderkant van de funderingsbalken bedraagt ca. 90 centimeter ten opzichte van het bouwkundig peil. De onderkant van de funderingsbalk blijft boven het waterpeil. Hierbij wordt voldaan aan een drooglegging van minimaal 1,2 m. De grondwaterstand wordt met voorliggend planvoornemen niet aangetast of gewijzigd. Op onderstaande afbeelding is dit schematisch weergegeven.

Uitsnede uit watersleutel

39

Afvalwater en riolering De bestaande woning is aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel ter plaatse en de nog te bouwen woningen worden aangesloten op het rioleringsstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtsbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. Het hemelwater dat op de daken van de woningen valt wordt afgekoppeld en geïnfiltreerd op eigen terrein. Hier dient bij de uitwerking van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van de woningen rekening mee te worden gehouden. Daarnaast worden de parkeerplaatsen in de middenberm uitgevoerd in halfverharding zodat het hemelwater ter plekke kan infiltreren in de bodem.

4.9

Flora en Fauna

4.9.1

Beoordelingskader

De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld. Flora- en fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: 'Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland voor ruim 160 gebieden.

Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:

40

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee. 4.9.2

Toetsing

Door WMC B.V. is op 1 september een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie Bijlage 9. Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek en een biotooptoets (veldbezoek).

4.9.2.1 Soortenbescherming Vleermuizen: Geconcludeerd kan worden dat in het plangebied geen voor vleermuizen geschikte openingen aanwezig zijn. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiÎle functie. Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste verblijfplaatsen, vaste vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is niet noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren: Geconcludeerd kan worden dat het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen biedt voor grondgebonden zoogdieren. Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste verblijfplaatsen of essentieel foerageergebied van deze soorten. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren is niet noodzakelijk. Voor eventueel aanwezige algemene zoogdieren geldt de zorgplicht. Vaatplanten: Een geschikt biotoop voor beschermde vaatplanten is niet aanwezig. Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan. Vogels: In het plangebied en binnen de verstorende invloedssfeer zijn geen (overblijfselen van) jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Huismus en gierzwaluw broeden niet in het plangebied.

In verband met de aanwezigheid van de nestmogelijkheid in de bomen zal er rekening moeten worden gehouden met het broedseizoen. Amfibieën en reptielen: Het plangebied biedt geen geschikt biotoop voor de genoemde amfibieÎn en reptielen. Het voorkomen van beschermde amfibieÎn en reptielen kan op basis van biotoop en gebruik worden uitgesloten. Effecten op de beschermde soorten van beide soortgroepen zijn uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Voor aanwezige algemene soorten geldt de zorgplicht. Zorgplicht Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruim te krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen (globaal van half maart tot half september in verband met de aanwezigheid van watervogels), mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden.

Tot de mogelijkheden behoort aanvangen voor het broedseizoen en doorwerken met continue verstoring tijdens het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen.

41

4.9.2.2 gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland Op de onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Binnen een straal van 10 kilometer liggen de volgende Natura 2000-gebieden: Solleveld & Kapittelduinen op 2,8 km Westduinpark & Wapendal op 7,8 km

Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied: Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals werktuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl). Dat geldt alleen voor een van de volgende gevallen:

1.

Voor het bouwen is een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig. Voor het bouwen is een bouwmelding nodig. Voor het slopen is een melding nodig omdat er meer dan 10 m3 aan afval vrijkomt. Informatie over maatregelen die de stikstofemissie beperken, moet naar het bevoegd gezag toegestuurd worden met: de bouwmelding of sloopmelding (artikel 7.5c Bbl;

42

2.

de vergunningaanvraag voor de technische bouwactiviteit (artikel 7.12a Omgevingsregeling)

In het kader van dit plan is een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied te berekenen. Het stikstofonderzoek is als Bijlage 6 bij dit plan opgenomen. Alle vergaarde gegevens zijn in de AERIUS Calculator ingevoerd. Het projecteffect bedraagt op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/j. Bij een dergelijke projectbijdrage treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Een voor een Natura 2000-activiteit is voor het plan niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect stikstofdepositie er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan

4.10 Bodem 4.10.1

Wettelijk kader

Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 4.10.2

Toetsing

Door BMA Milieu is een bodemonderzoek opgesteld, zie Bijlage 10. Aanleiding tot het uitvoeren van het bodemonderzoek is de herinrichting van de locatie met 9 bouwkavels voor woningen (bodemgevoelige gebouw op en bodemgevoelige locatie). Doel van het bodemonderzoek is het actualiserend en vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Aanleiding tot het uitvoeren van het nader bodemonderzoek is de in onderhavig bodemonderzoek aangetroffen verontreiniging met zink boven de interventiewaarde in de sterk metselpuinhoudende bovengrond in combinatie met de vermoedelijke relatie met een puinfundering. Doel van het nader bodemonderzoek is het verifieren of de aangetoonde bodemverontreiniging te relateren is aan de puinfundering. Ter plaatse zijn geen noemenswaardige verontreinigingen aangetoond. Op basis van het onderhavige onderzoek is de eindsituatie afdoende vastgelegd. Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese ‘verdacht’ formeel juist is. In de grond en het grondwater zijn overschrijdingen van de lokale maximale waarden vastgesteld. Naar aanleiding van de in onderhavig bodemonderzoek aangetroffen verontreiniging met zink boven de interventiewaarde in de sterk metselpuinhoudende bovengrond in combinatie met de vermoedelijke

43

relatie met een puinfundering is nader bodemonderzoek uitgevoerd. Dit om te verifiëren of de aangetoonde bodemverontreiniging is te relateren aan de puinfundering. Uit onderhavig verkennend bodemonderzoek blijkt dat tussen de kasgevel en de tegelverharding direct ten noordwesten van woning Monstersepad 5, een verontreiniging met zink boven de interventiewaarde is aangetroffen. Uit de zintuiglijke waarnemingen blijkt dat de bovengrond een sterke bijmenging met metselpuin bevat en direct hieronder wordt een volledig puinlaag aangetroffen. Uit de aanvullend geplaatste boringen blijkt dat onder de met tegels verharde oprit inderdaad een puinfundering wordt aangetroffen met daarop een dun (6 tot maximaal 20 cm) laagje (straat)zand. In het straatzand worden bijmengingen met baksteen en puin aangetroffen welke zijn te relateren aan onderliggende puinfundering. De omvang van de verontreiniging boven de interventiewaarde binnen de locatie wordt geschat op 4 m3 straatzand (lengte 20 m x gemiddelde breedte 2 m x gemiddelde laagdikte 0,1 m). De Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) heeft het rapport beoordeeld en akkoord bevonden. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.11 Cultuurhistorische aspecten 4.11.1

Beoordelingskader

Algemeen De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Archeologie Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m 2 in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter ruimere of striktere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m 2 vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.

Cultuurhistorie Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten cultureel erfgoed moeten beschermen door middel van een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels. 4.11.2

Toetsing

Door Beulens Ruimte is op 23 september 2025 een notitie archeologie opgesteld, zie Bijlage 11 en Bijlage 12. Op de archeologische beleidskaart zijn de archeologische verwachtingswaarden in beeld gebracht. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van deze kaart weergegeven. Met ster is de locatie van het plangebied aangegeven.

44

Uitsnede uit notitie archeologie Advies: Voor de realisatie van deze woonwijk zal in eerste instantie een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd moeten worden. Dit zal plaats moeten vinden na bovengrondse sloop van de huidige bebouwing, maar tussen de bestaande funderingspalen. Op basis van het proefsleuvenonderzoek wordt duidelijk in hoeverre de voorgenomen werkzaamheden archeologische resten zullen verstoren, en of er mogelijk nog aanvullend archeologisch onderzoek nodig is. Een proefsleuvenonderzoek moet uitgevoerd worden op een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen. Voor vragen hierover kan contact opgenomen worden met de adviseur archeologie voor gemeente Westland. Aangezien de kas nog aanwezig is op het perceel is het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek op dit moment ingewikkeld. Om deze reden wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' op het perceel gelegd. Hierin staat aangegeven dat archeologisch onderzoek aangeleverd moet worden bij ingrepen groter dan of gelijk aan 0 m2 en dieper dan 30 cm.

4.12 Gezondheid 4.12.1

Beoordelingskader

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid

45

4.12.2

Toetsing

Met dit project bestaat uit de realisatie van 9 uitplaatskavels en het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Zoals uit voorgaande paragrafen blijkt voldoet het plan aan de geldende (milieu)normen en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De realisatie van nieuwe woningen kan een bijdrage leveren aan de gezondheid. Immers, goed en veilig wonen is belangrijk voor een gezond leven. De nieuwe woningen voldoen aan de meest recente technische eisen (o.a. gelet op luchtkwaliteit, duurzaamheid etc.). Daarmee wordt goede en geschikte huisvesting gerealiseerd wat een positief effect heeft op de gezondheid.

46

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

5.1

Planvorm

5.1.1

Juridisch kader TAM-IMRO (omgevingsplan)

Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de RO standaarden 2012 na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO. Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de functies aangewezen op locaties. Aan deze locaties zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan. 5.1.2

Verbeelding

Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). 5.1.3

Planregels

Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de algemene bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsregels. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende functies op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw: Toepassingsbereik Functieomschrijving Beoordelingsregels bouwactiviteiten Specifieke bouwregels Specifieke gebruiksregels

47

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1

Wettelijk vooroverleg

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd. 6.1.2

Participatie

Op grond van artikel 10.2, lid 2 van Omgevingsbesluit geldt een participatieverplichting bij het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan. In het vaststellingsbesluit moet staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat met de resultaten gedaan is. Op 4 september 2025 heeft een informatieavond plaatsgevonden waarin omwonenden zijn geïnformeerd over het plan. Tijdens de informatieavond zijn de plantekeningen gepresenteerd en is duidelijkheid verschaft over het proces. 6.1.3

Zienswijzen

Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling. Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van 19 december 2025 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging is 1 zienswijze binnengekomen. Na gesprekken met de ontwikkelaar is deze zienswijze op 24 maart 2026 ingetrokken.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zal de overheid vaak kosten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. De wettelijke regeling voor kostenverhaal is niet van toepassing voor gronden die de gemeente in eigendom heeft of in erfpacht uitgeeft, omdat kostenverhaal dan wordt verrekend via de gronduitgifte of de erfpachtcanon. Voor de overige gronden (vol eigendom) bevat afdeling 13.6 van de Omgevingswet de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. Bij het opnemen van nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden in het omgevingsplan wordt gelijktijdig bepaald of een kostenverhaalsgebied moet worden aangewezen. Van belang is of er sprake is van een bouw- of gebruiksactiviteit waarvoor kostenverhaal verplicht is (artikel 13.11 Ow). In artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob) zijn deze activiteiten limitatief aangewezen. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of transformatie van gebouwen naar een andere functie, zoals een kantoor- of een winkelfunctie. In sommige gevallen zijn de te verhalen kosten gering. Deze gevallen zijn opgesomd in artikel 8.14 Ob.

Het bestuursorgaan kan besluiten in die gevallen geen kosten te verhalen (artikel 13.11 Ow). Als de activiteit niet onder deze uitzondering valt is kostenverhaal verplicht. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 9 uitplaatskavels en het omzetten van een agrarishe bedrijfswoning naar een burgerwoning. Daarmee is het plan kostenverhaalsplichtig. Als kostenverhaal verplicht is wordt bij voorkeur een privaatrechtelijke anterieure overeenkomst afgesloten met een initiatiefnemer (artikel. 13.13 Ow). Deze moet zijn afgesloten voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld.

48

Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten, waarmee voldaan is aan de verplichting tot het verhalen van kosten. Hierin is ook de afwikkeling van nadeelcompensatie meegenomen.

49

50

Regels

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op wijzigen van de agrarische bestemming naat woningbouw met bijbehorende voozieningen en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22f) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Westland. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met de landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de gemeente Westland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22f]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22f]' gelezen worden.

51

Hoofdstuk 1

Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Toepassingsbereik

Waar dit hoofdstuk geldt

Dit hoofdstuk is van toepassing op de percelen Hoge Geest nabij 6 te Naaldwijk, waarvan de begrenzing is vastgesteld in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMHOGEGEESTnb6pbp. 1.2

Verval tijdelijk deel omgevingsplan

Het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, is niet van toepassing op de percelen, bedoeld in het eerste lid, behalve voor zover het gaat om de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder f en onder n, van de Invoeringswet Omgevingswet. 1.3 1.

2.

Vergroten toepassingsbereik hoofdstuk 22 Paragraaf 22.5.1 is ook van toepassing op een regel in hoofdstuk 22f van dit omgevingsplan, op grond waarvan: a. het verboden is zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren; b. het verboden is zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten; of c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels in dat hoofdstuk van dit omgevingsplan. Paragraaf 22.5.2 is ook van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die is vereist op grond van hoofdstuk 22f van dit omgevingsplan.

52

Artikel 2

Toepassing begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

53

Artikel 3 3.1

Aanvullende begripsbepalingen

plan

Het bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Hoge Geest nabij 6 te Naaldwijk met identificatienummer NL.IMRO.1783.TAMHOGEGEESTnb6pbp-VA01 van de gemeente Westland. 3.2

Tam Imro

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 3.3

aan de glastuinbouw verwant product

een product dat ten dienste staat van (de oppervlakkige be- en verwerking van) een product uit de glastuinbouw sector, potgrond en groeibevorderende additieven (hieronder wordt niet begrepen machines, bouwmaterialen, kantoorartikelen en andere (industriële) artikelen). 3.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=4eda594e-6a0c-467f-83e9-30e75c64224c