Burgerdijkseweg 16 te De Lier_vastgesteld_1_Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
In het voornoemde, nog niet onherroepelijke bestemmingsplan hebben de gronden ingevolge artikel 10 de bestemming 'Water', ingevolge artikel 13 de bestemming 'Wonen Voormalige boerderij' en ingevolge artikel 16 de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie (swr-3)'. Gebruik Ingevolge artikel 10.1.zijn de voor 'Water' aangewezen gronden bestemd voor: a. (hoofd-) watergangen en waterlopen ten behoeve van de waterhuishouding, waterberging, sierwater en het verkeer te water; b. het behoud en herstel van natuurwaarden en natuurvriendelijk ingerichte oevers
8
c. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, bruggen, duikers, aanlegsteigers, infiltratievoorzieningen en waterstaatkundige voorzieningen. Ingevolge artikel 13.1 sub. a. zijn de voor "Wonen - Voormalige boerderij" (W-VB) aangewezen gronden bestemd voor het wonen in een voormalig boerderijpand; Het gebruik van de gronden ten behoeve van het uitplaatsen van woningen is niet in overeenstemming met voormeld artikellid. Ingevolge artikel 16.1 zijn de voor "Waarde - Archeologie" (WR-A) aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Bouwen Ingevolge artikel 10.2 sub. a mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden. Ingevolge artikel 13.2. sub a. mag uitsluitend ten behoeve van de bestemming gebouwd worden. In relatie tot het voorliggende plan vinden geen bouwactiviteiten plaats.
Fragment plankaart vastgesteld bestemmingsplan "Verzamelplan Glastuinbouw 2.0"
3.3 Gevoelige gebieden in en nabij het plangebied Het plangebied ligt niet in gebieden die behoren tot Natuurnetwerk Nederland (NNN). Naast het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen. Het plangebied ligt niet in een beschermd Stads- en Dorpsgezicht.
9
4
Kenmerken van het potentiële effect
4.1
Bedrijven en milieuzonering
4.1.1
Wettelijk kader
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 4.1.2
Onderzoek
In de omgeving van het plangebied zijn tuinbouwbedrijven en een bedrijf aanwezig. De VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" geeft aan dat voor een tuinbouwbedrijf, zowel een bedrijfsgebouw als kas, een grootste afstand aangehouden moet worden van 10 meter (bij een gemengd gebied). Het dichtstbijzijnde glastuinbouwbedrijf is gelegen aan de Laan van Boekesteijn 24 en ligt op een afstand van circa 23,1 meter van de nieuw te bouwen woning B. De afstand tussen de nieuwe woning C en de bedrijfsruimte van het glastuinbouwbedrijf aan de Burgerdijkseweg 5 is circa 40,9 meter. De wkk ruimte van hetzelfde glastuinbouwbedrijf is op circa 31 meter gelegen van de nieuwe woning C. Dit is minder dan de minimale afstand van 65 meter die opgenomen is het vigerende bestemmingsplan.
Tekening nieuwe situatie met afstanden tot de omgeving (bron: AAB).
10
Uit het bovenstaande komt naar voren dat het plan op de minimaal aan te houden afstand van de WKK tot de woningen na, voldoet aan de minimale richtafstanden zoals aangegeven in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Gelet op het niet voldoen aan voormelde afstand is nader akoestisch onderzoek verricht (J. en L. Noordam, plan voor bouw woningen Burgerdijkseweg 16 te De Lier, Ardea Acoustics & Consult, rapport 2678NZA2.005, datum 24 maart 2023). Op basis van de resultaten en berekeningen in de rapportage kan worden geconcludeerd dat de planvorming niet de omliggende bedrijven belemmeren in hun bedrijfsvoering uitgaande van het Activiteitenbesluit. 4.1.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het voorliggende plan. 4.2.
Geluid
4.2.1
Wettelijk kader
Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat. De in voorliggend bestemmingsplan voorziene woningen worden gebouwd binnen de zone van de Burgerdijkseweg. 4.2.2 Onderzoek Vanuit het Activiteitenbesluit geldt dat voor een bedrijf geluidsgrenswaarden gelden ten opzichte van woningen. De te bouwen woningen hebben te maken met geluidproductie van een tegenover gelegen glastuinbouwbedrijf met een WKK-installatie. Onderzocht is welke geluidsproductie er is vanwege de Burgerdijksweg (wegverkeerslawaai) en de aanwezige glastuinbouw (bedrijfsgeluid). Zie hiervoor het als bijlage bij het voorliggende bestemmingsplan gevoegde akoestisch onderzoek (J. en L. Noordam, plan voor bouw woningen Burgerdijkseweg 16 te De Lier, Ardea Acoustics & Consult, rapport 2678NZA2.005, datum 24 maart 2023).
Uit voornoemd onderzoek blijkt dat wanneer de woning op kavel C aan de oost- en noord zijde met zogenaamde 'dove' gevels worden gebouwd, er een voldoende woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Voor het tegenovergelegen glastuinbouwbedrijf vormen de te bouwen woningen geen belemmering voor de huidige en toekomstige bedrijfsvoering, omdat de 'dove' gevels dan worden uitgesloten van beoordeling van geluid.
11
Overzicht maatregelen woning kavel C Ook vanwege de 'dove' gevels is geen hogere grenswaarde nodig als gevolg van het wegverkeerslawaai van de Burgerdijkseweg. In de voorschriften van dit bestemmingsplan worden de 'dove' gevels vastgelegd. 4.2.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het voorliggende plan. 4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1 Wettelijk kader Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
60 ìg/m³
2010 t/m 2014
jaargemiddelde concentratie
40 ìg/m³
vanaf 2015
jaargemiddelde concentratie
48 ìg/m³
jaargemiddelde concentratie
40 ìg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m³
fijn stof (PM10)
1)
vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011
1)
Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
12
Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 4.3.2
Onderzoek
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit het mogelijk maken van twee nieuwe vrijstaande woningen op het perceel Burgerdijkseweg 16 te De Lier. Gelet op het aantal draagt het project 'Niet in betekende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke kwaliteitsnormen. Hieruit kan worden opgemaakt dat het plan geen bijdrage levert aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en past binnen de kaders van de Wet milieubeheer. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het voorliggende plan. 4.4.
Externe veiligheid
4.4.1 Wettelijk kader Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren.
13
Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 4.4.2
Onderzoek
Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet is gesitueerd in de omgeving van een Bevi-bedrijf
Uitsnede risicokaart externe veiligheid (bron: risicokaart.nl). Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt buiten de 200 m-zone vanaf rijkswegen en spoorwegen in het kader van de basisnetroute voor gevaarlijke stoffen. Hierdoor is er geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen.
14
Er kan vervoer van gevaarlijke stoffen over provinciale en gemeentelijke wegen plaatsvinden. Het plan ligt buiten de 200 m zone en het invloedsgebied van de N223 waarover vervoer van onder andere LPG plaatsvindt. Het is niet aannemelijk dat de bevoorrading van de propaantank aan de Gildeland 5 via de Burgerdijkseweg zal plaatsvinden. Daarmee ligt het plan niet binnen de invloedssfeer van een transportroute als bedoeld in het Besluit externe veiligheid transportroutes. Buisleidingen Eerst is bekeken of de nieuwe woningen kwetsbare objecten zijn. Kwetsbare objecten zijn onder meer woningen, ziekenhuizen, zorginstellingen, onderwijsinstellingen, omvangrijke kantoorgebouwen, recreatieterreinen en andere gebouwen waar grote aantallen personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Via een wijziging in het Bevi (Besluit van 9-9- 2008, Stb. 2008, nr. 380) worden ook woonschepen en woonwagens tot kwetsbare objecten gerekend. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer verspreid liggende woningen, kleinere kantoren, hotels en restaurants, sporthallen, overige bedrijfsgebouwen. Op basis van het Bevi wordt onder verspreid liggende woningen verstaan: een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Ook lintbebouwing, voor zover deze loodrecht of nagenoeg loodrecht is gelegen op de contouren van het PR van een buisleiding, wordt aangeduid als een beperkt kwetsbaar object.
De woningen zijn kwetsbare objecten als benoemd in de wetgeving op het gebied van externe veiligheid. In de omgeving van de ontwikkellocatie is sprake van een hogedruk aardgasbuisleiding van Gasunie Transport Services, leiding W-522-04. Volgens het huidige bestemmingsplan zijn de volgende veiligheidsafstanden van toepassing:
De leiding is ruim 83 meter gelegen van de perceelsgrens van het plangebied. Dit betekent dat de woningen binnen de 1% letaliteitscontour liggen. Er worden de volgende handelingsperspectieven aangehouden: - Voor personen buiten is het handelingsperspectief vluchten (uit het zicht van de brand, onder dekking van objecten zoals muren), haaks op de windrichting. - Als er schuilmogelijkheden zijn, is dekking zoeken of een schuilplaats binnen gaan een goed handelingsperspectief voor de vrijkomende warmtestraling. Dit biedt echter geen veiligheid voor de mogelijke aanwezigheid van een giftige dampwolk. - Voor personen binnen, dichtbij de bron (daar waar gebouwen ontbranden) is het handelingsperspectief ontruimen en vluchten. - Voor personen binnen, op grotere afstand van de bron (daar waar gebouwen niet ontbranden) is het handelingsperspectief binnenblijven waarbij de mechanische ventilatie wordt uitgeschakeld. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden om het gebied af te zetten. Eventuele bestrijding vindt plaats wanneer de leiding door de leidingeigenaar is afgesloten en leeggestroomd. De bestrijding zal daarna gericht worden op eventuele secondaire branden. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Een fakkelbrand of plasbrand is het bepalende scenario.
In geval van een calamiteit dienen personen indien mogelijk en anders binnen te schuilen tegen warmtestraling. De geprojecteerde ontwikkeling bevat geen groepen beperkt zelfredzame personen. Zelfredzaamheid wordt daarom voldoende geacht.
15
Groepsrisico Er is sprake van een zeer geringe toename van de populatie. Het groepsrisico zal niet toenemen. Het gebied waar het plan is gesitueerd, is dunbevolkt. Het groepsrisico is naar verwachting lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Kabels en Leidingen Voorafgaand aan eventuele graafwerkzaamheden wordt bij het KLIC gemeld waar en wanneer wordt gegraven. 4.4.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende plan. 4.5
Water
4.5.1 Wettelijk kader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Nationaal waterplan Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland. Nationaal beleid Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water.
Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht;
16
Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving.
Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 20162021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016.
De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen.
De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt.
17
De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen. Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021.
Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: de waterveiligheid; het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1. In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden.
De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; 2. Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; 3. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te
18
onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; 4. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt. In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten: Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken.
Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: Beleidskader omtrent water; Veiligheid en waterkeringen; Waterkwantiteit; Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; Onderhoud en bagger; Watersysteemkwaliteit en ecologie; Afvalwater en riolering; Klimaatadaptie. Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven.
De thema's: ”Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie“, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.
19
4.5.2
Onderzoek
Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In het plangebied en omgeving daarvan zijn geen waterkeringen aanwezig. Waterkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater.
Voor het plangebied is in kaart gebracht wat de bestaande en nieuwe verharding is, zie onderstaande tabel.
20
De verharding blijft gelijk echter zal rekening gehouden moeten worden met de effecten van klimaatverandering. Voor deze bestemmingsplanwijziging is de watersleutel ingevuld en als bijlage bij deze toelichting opgenomen. De watersleutel geeft aan dat er 43 m³ (95 m²) extra te realiseren water benodigd is. In het plangebied blijven de watergangen behouden. Binnen het perceel is circa 575 m² water gelegen. Door toevoeging van de watercompensatie is er in de nieuwe situatie circa 670 m² aanwezig. De watercompensatie wordt bij de zuidoostelijke watergang gerealiseerd, zie onderstaande afbeelding. Voor het graven van het water is een watervergunning nodig.
Fragment nieuwe situatie met ligging watercompensatie (bron: AAB). Ten behoeve van het bestaande en het te graven water is in het bestemmingsplan een waterbestemming opgenomen. Voorkomen van wateroverlast
21
Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar, voor bedrijfsterreinen eens in de 50 jaar en voor agrarisch, eens in de 10 jaar. Bij kleinschalige bestemmingswijzigingen wordt het watersysteem echter niet aangepast. Daarom wordt nadrukkelijk geadviseerd om, zover mogelijk, de praktijksituatie hierop aan te passen. Dit kan bijvoorbeeld door het maaiveld ter plekke van de woning voldoende op te hogen. Meer informatie hierover is te vinden in de Handreiking watertoets voor gemeenten, de meest actuele versie van deze handreiking is te vinden op de website www.hhdelfland.nl/overheid/ruimtelijke-plannen.
Watersysteemkwaliteit en ecologie In het plangebied liggen geen (natte) ecologische verbindingszones. De aanwezigheid van de bestaande bebouwing en de nieuwe woningen hebben geen noemenswaardige invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Onderhoud en bagger Het plangebied heeft rondom watergangen. De breedste watergang gelegen in het zuidoosten is primair polderwater. De overige watergangen rondom het perceel zijn secundair polderwater. Bij de watergang dient rekening te worden gehouden met een onderhoudsstrook. Deze onderhoudsstrook kan niet bebouwd worden.
Leggerkaart Delfland (bron: Hoogheemraadschap van Delfland).
22
Beschermingszones van oppervlaktewaterlichamen aangelegd vóór 1 juni 2009 dienen te voldoen aan de afmetingen zoals aangegeven bovenstaande tabel (bron: Hoogheemraadschap van Delfland). Bij het primair polderwater dient een beschermingszone van 4 meter te worden aangehouden, bij het secundair polderwater is dit een beschermingszone van 1,5 meter. Het onderhoud van het secundair polderwater aan de noordwestkant en zuidwestkant (niet breder dan 5 meter) van het plangebied blijft in handen van de gemeente Westland en kan geschieden vanaf de openbare weg. Het onderhoud van het secundair polderwater aan de noordoostkant (niet breder dan 5 meter) van het plangebied blijft in handen van de aanliggende eigenaren en kan geschieden vanaf de beschermingszone. Het onderhoud van het primair polderwater blijft in handen van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het primair polderwater ten zuidoosten is breder dan 10 meter waardoor varend onderhoud noodzakelijk is. De toevoeging van de watercompensatie aan deze kant heeft geen invloed op het onderhoud. De bestemmingsplanwijziging heeft geen invloed op het onderhoud van de watergangen. Bodem en grondwater De locatie voorziet in de mogelijke bouw van drie woningen. Bij de bouwmogelijkheid voor de drie woningen worden geen ondergrondse bouwwerken gerealiseerd. Volgens hoogtekaart Nederland is het plangebied gelegen op -1,16m m NAP.
Het maatgevend peil is – 2,2 m voor het peilgebied. Hiermee is de drooglegging ca. 1,0 m en voldoet daarmee aan de minimale eis van Delfland. De begane grondvloer van de bestaande woning en nieuwe woningen is/zullen minimaal 20 centimeter boven maaiveld worden gepositioneerd. Afvalwater en riolering Het afvalwater van de bestaande woning en de nieuwe woningen wordt geloosd op het gemeentelijke rioleringsstelsel ter plaatse en afgevoerd naar de dichtstbijzijnde afvalwaterzuivering. Het hemelwater wordt in eerste instantie opgevangen in regentonnen en daar waar mogelijk geïnfiltreerd in de bodem van de omliggende tuinen, zodat zo min mogelijk hemelwater direct in het oppervlaktewater wordt afgevoerd. Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. Aan te brengen verharding zal zo veel mogelijk open zijn. Er mag bij de opvang en afvoer van hemelwater geen gebruik worden gemaakt van uitlogende of andere materialen die een negatief effect op de waterkwaliteit kunnen hebben. 4.5.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
23
4.6
Bodem
4.6.1 Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: d. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; e. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; f.
het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 4.6.2
Onderzoek
Het plangebied is gesitueerd in het Westland en kassengebied. Met behoud van de bestaande woning worden op het perceel twee nieuwe woningen gebouwd worden . Het plangebied is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Westland blijkt dat het plangebied is gelegen in zone Wonen (kassen). De algemene bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond zijn respectievelijk geclassificeerd als klasse wonen en landbouw/natuur (LMW). Op de locatie is bij de Omgevingsdienst Haaglanden geen bodemonderzoek bekend. Nabij de locatie zijn in het verleden bodemonderzoeken uitgevoerd waarbij geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de nabije omgeving is sprake van verdachte locaties (o.a. tuinbouwbedrijven). Er is voor de voorgenomen herontwikkeling onvoldoende inzicht in de bodemkwaliteit van de locatie. Voorafgaand aan de bouw is het uitvoeren van een bodemonderzoek conform de NEN 5740 en mogelijk NEN 5707 noodzakelijk. 4.6.3
Conclusie
Met in achtname van het bovenstaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor het voorliggende plan. 4.7
Ecologie
4.7.1 Wettelijk kader Natuurnetwerk Nederland
24
Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking.
De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.
25
Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1.
Achterwege gelaten worden, of
2. 3.
Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt
Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 4.7.2
Onderzoek
26
Ten behoeve van het plan is een QuickScan Flora en Fauna onderzoek uitgevoerd (Quickscan Wet natuurbescherming Burgerdijkseweg 16 te De Lier, Blom ecologie, project: 2022-0141, datum 4 maart 2022). Een Quickscan Flora en Fauna is een verplichting bij ruimtelijke ingrepen waar niet met zekerheid kan worden uitgesloten of er beschermde plant- en diersoorten aanwezig kunnen zijn en - of hinder ondervinden. Bij het slopen van de bestaande schuren, kas en het kappen van enkele bomen, moet worden getoetst of er sprake is van strijdigheid met de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten. Uit de Quickscan komt naar voren dat voor de soortgroep (broed)vogels en vleermuizen geldt dat er mogelijk negatieve effecten plaatsvinden door de voorgenomen ruimtelijke ingrepen en dat hiervoor voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden. Voor de overige soortgroepen is dit niet te verwachten. Gelet op het voorgaande wordt in deze paragraaf alleen ingegaan op de voornoemde soortgroepen. Voorzorgsmaatregelen. Om de negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen, moeten er voorzorgsmaatregelen worden genomen om overtreding van de Wet natuurbescherming en daarmee de verstoring van soorten of schade aan de habitat van de soorten te voorkomen. De voorzorgsmaatregelen zijn beschreven in hoofdstuk 5 van de bovengenoemde QuickScan en hieronder samengevat.
Voor alle soorten geldt de algemene zorgplicht: Werken in éen richting zodat soorten de kans krijgen te vluchten naar een veilige omgeving. Werken buiten de kwetsbare periode van soorten. Het opzettelijk doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna is ten alle tijden verboden. (Broed)vogels: De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundige gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Vleermuizen: De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
Natura 2000 De initiatiefnemer is voornemens twee woningen te realiseren aan de Burgerdijkseweg in De Lier. Gelet op de aard van de gevraagde activiteit kunnen er mogelijk effecten vanwege stikstofdepositie optreden op Natura 2000-gebieden. Het project ligt op circa 4.7 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen. Ten behoeve van het plan is een stikstofdepositieberekening en rapportage uitgevoerd met de AERIUScalculator versie 2022 (Projectberekening AERIUS-calculator, AAB NL, kenmerk: Rv4VLKyLXGAA, datum 28 februari 2023).
27
Voor het brandstofverbruik van de mobiele werktuigen in de sloop- en bouwfase is gebruik gemaakt van de kengetallen uit het rapport UB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen” (TNO, projectnummer 060.47477, d.d. 10 december 2021). Dit is de enige methode voor het bepalen brandstofverbuik die wordt geaccepteerd door de Omgevingsdienst Haaglanden. Het verkeer uit de sloop- en bouwfase is gemodelleerd tot aan de dichtstbijzijnde N-weg (N223) waar het verkeer opgaat in het heersend verkeersbeeld. Uit het CIMLK volgt geen congestie (jaar 2021), gelet op de worst-case scenario is er 2x stagnatie aangehouden voor de gehele route. Voor de nieuwe woningen wordt geen gas verstookt waardoor deze geen stikstof uitstoten. Er wordt in de rapportage gesproken van de emissiewaarden van de oude woningen, maar omdat er niet intern gesaldeerd wordt is dit niet relevant voor het stikstofonderzoek. Voor de verkeersbewegingen in de gebruiksfase is dezelfde route aangehouden van de bouwfase, dus tot de dichtstbijzijnde N-weg. Uit de stikstofdepositieberekening volgt dat de beoogde activiteit niet leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Op basis van het rapport en bijgeleverde AERIUS-calculatie is het aannemelijk dat de beoogde activiteit niet leidt tot significante gevolgen op Natura 2000 gebied en de Wnb het voorliggende plan niet in de weg staat. NatuurNetwerkNederland (NNN) Niet van toepassing. 4.7.3
Conclusie
Met inachtname van de voorgestelde voorzorgsmaatregelen vormt het aspect ecologie geen belemmering voor het voorliggende plan. 4.8
Cultuurhistorische aspecten
4.8.1 Wettelijk kader In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan.
Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan.
28
Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. 4.8.2
Onderzoek
Op basis van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de provincie Zuid-Holland zijn in het plangebied (aangegeven met een rode pijl in onderstaande figuur) historische waarden aanwezig. Er is een hoge trefkans op archeologische sporen.
Uitsnede cultuurhistorische kaart Provincie Zuid-Holland (bron: provincie Zuid-Holland). Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Westland ligt het plangebied in verwachtingszone II. Hier geldt dat er archeologisch onderzoek gedaan moet worden indien er bouwwerken worden gebouwd die een oppervlakte van meer dan 250 m² hebben en een diepte van meer dan 50 cm beneden maaiveld. In geval van bodem verstorende werkzaamheden moet archeologisch onderzoek uitwijzen of er archeologische waarden worden verstoord.
29
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Westland (bron: gemeente Westland) In het bestemmingsplan is ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' aangegeven. Hier geldt dat er archeologisch onderzoek gedaan moet worden indien er bouwwerken worden gebouwd die een oppervlakte van meer dan 250 m² hebben en een diepte van meer dan 50 cm beneden maaiveld. Als onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning wordt beoordeeld of voornoemd archeologisch onderzoek plaats moet vinden. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht. Tevens moet contact worden opgenomen met de gemeentelijke archeoloog. 4.8.3
Conclusie
Met in achtname van het bovenstaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor het voorliggende plan. 5
Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt. Geconcludeerd wordt dat er, mits de mitigerende maatregelen in het bestemmingsplan worden geborgd en worden uitgevoerd , er geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht worden die zouden moeten leiden tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure en het opstellen van een milieueffectrapport (MER) voor de onderhavige ontwikkeling.
30
31
Bijlagen bij de toelichting
32
Bijlage 1
Nota beantwoording vooroverleg reacties
33
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek
34
Bijlage 3
Maatregelen externe veiligheid
35
Bijlage 4
Watersleutel
36
Bijlage 5
Ecologisch onderzoek
37
Bijlage 6
Stikstofdepositieberekening en rapportage
38
Bijlage 3 Nota beantwoording vooroverleg reacties
91
NO T A VAN BEANT W OO RDI NG REACT I ES 3. 1 . 1. BRO O VERLEG BEST EM MI NG SPLAN ‘ BURG ERDI J KSEW EG 1 6 T E DE LI ER’ . I ns t a nt i e
Re a c t i e
1 . Pr o v in c ie Zu id - Ho l la n d Na in v u lle n v a n h e t e - f o rm u lie r a a n b ie d e n r u im t e lij k e p la n n e n is v a n u it d e Pr o v in c ie ( k e n m e r k: 2 2- 0 2 0 3 7 4 9 ) Zu id - Ho l la n d a a n g e g e v e n d a t h e t p la n n ie t o p g e st u u r d h o e ft t e wo r d e n. Er is b in n e n d e g e s t e ld e t e rm ij n g e e n r e a ct ie o n t v a n g e n .
Be a nt w oor di ng
N. v . t.
2 . Ho o g h e e m r a a d s c h a p
Ve il ig h e id e n wa t e r k e r in g e n He t o n t we r p b e st e mm in g s p la n is o p I n d it t h e m a wo r d t h et o n d e r h o u d a a n wa t er b e s ch r e v e n . He t g a a t in d it t h em a e c ht e r h e t v o o r n o em d e p u n t a a n g e p a s t. De lf la n d ( k e n m e r k: 2 2- 0 2 6 4 9 7 4 ) o m d e wat e r k e r in g e n . Aa n g e z ie n e r g e e n wat e r k er in g e n in h e t p la n g e b ie d a a n we z ig z ij n , k a n er g e c o n c lu d e e r d wo r d e n, d at d it t h e m a n ie t v a n t o e p a s s in g is . W ij v r a g e n u d e r e s t v a n d e t e k s t o n d e r h e t t h e m a O n d er h o u d e n b a g g e r t e z e tt e n . W a t e r k wa n t it e it O n d a n k s d at d e v er h a r d in g n ie t t o e n e e mt , m o e t oo k v o o r d e z e o n t wik k e lin g d e
Zie v o o r g a a n d e r e a c t ie
wa t e r s le u t e l in g e v u ld wo r d e n ( o f o p e ig e n wij z e de wa t e r o p g a v e b er e k e n d wo r d e n ). Hie r u it z a l n a a r v e r wa c h t in g e e n wat e r o p g a v e n aa r v o r e n k o m e n. W ij v r a g e n u a a n t e g e v e n , o p we lk e wij z e d e z e o p g a v e g e r e a lis e e r d wo r d t . Da a r b ij h e b b e n wij d e v o o r k e u r , d a t d e z e in o p p e r v la k t e wa t er u it g e v o e rd wo r d t . W ij d e n k e n h ie r gr a a g in mee. Onderhoud en bagger Zie v o o r g a a n d e r e a c t ie I n d e z e p ar a g r a a f wo r d t b e s c h r e v e n , we lk e wa t e rg a n g e n a a n we z ig z ij n e n wie v e r a n t wo o r d e lij k v o o r h e t o n d er h o u d h ie r v a n is . W ij v r a g e n u t e b e n o e m e n, o p we lk e m a n ie r h e t wa t e r o n d e r h o u d e n k a n wo r d e n . Da a rn a a s t v e r z o e k e n wij u a a n t e g e v e n , o f e n in h o e v e rr e d e wij z ig in g v a n d e b e s t em m in g e f f e ct o p d e m o g e lij k h e id h e e ft , o m h e t wa t e r t e o n d e r h o u d e n . I n d ie n d it h e t g e v a l is , v r a g e n wij u t e b e s c h r ij v e n, we lk e m a a t r e g e le n g e n om e n wo r d e n, om o n d e r h o u d t e k u n n e n b lij v e n u it v o e r e n .
Bo d e m e n g r o n d wat e r Zie v o o r g a a n d e r e a c t ie W ij v e r z o e k e n u d it t h em a a a n d e p a r a g r a af t o e te v o e g e n . I n d e p ar a g r a a f m o et wo r d e n b e s c h r e v e n , h o e d e z e wa t e r st a n d z ic h t ot e e n m o g e lij k e o nt wik k e lin g v a n h e t g e b ie d v e r h o u d t , of er m a a t r e g e le n b e n o d ig d z ij n e n z o j a , we lk e d it z ij n . Da a r n a a s t k a n h e t z ij n, d at d e o nt wik k e lin g j u is t e f f e ct e n o p h e t gr o n d wa t e r of h et wa t e rt e k o rt h e e f t . I n d ie n d it z o is , vr a g e n wij u d ez e e ff e c t e n t e v er m e ld e n . I n d it c o n c r et e g e v a l
is h e t r e le v a n t, o f e r o n d er g r o n d s e c o n s t r u ct ie s ge m a a k t wor d e n e n d at d e d r o o g le g g in g v o ld o e n d e g r o o t is . Af v a lwa t e r e n r io le r in g Zie v o o r g a a n d e r e a c t ie De g e m e e n t e W e s t la n d h e ef t z ic h m et o n d e rt e k en in g v a n h e t “ Co n v e n a nt Klim a a t a d a p t ie f Bo u we n ” g e c o mm it t e er d , om d e hu id ig e b o u wo p g a v e k lim a a t a d a p t ie f t e o n t wik k e le n . I n d e la a t s t e z in v a n d it t h em a sta a t , d at h em e lwa t e r d ir e c t n a a r h et o p p e r v la k t e wa t e r af g e v o e r d wo r dt . He t af k o p p e le n v a n h e m e lwa t e r is e e n g o e d e m a a t r e g e l. Alle e n v r a g e n wij u o o k h ie r n a d r u k k e lij k e r t e a d v is e r e n , om m a a tr e g e le n t o e t e p a s s e n , d ie d e a f v o er v e rt r a g e n.
Vo o r e e n v e r t r a a g d e a f v o e r v a n h et h e m e lwa t e r z ij n c r e a t ie v e e n e f f ic ië n t e m a a tr e g e le n m o g e lij k , z o a ls h et o p h o g e n v a n g r o n d e n , e e n h o g er b o u wp e il v a n wo n in g e n , o p e n v e r h a r d in g t er p le k k e v a n p a r k e e r p la a t s e n o f wa t e r v a s t h o u d e n o p p a rt ic u li e r t e rr e in , b ij v o or b e e ld d o o r m id d e l v a n d e a a n le g v a n wa d i's , g r o e n e d a k e n , h et af ko p p e le n v a n h e m e lwa t e r a f v o er , e n d e r g e lij k e . W ij v e r z o e k e n u in d e t o e lic h t in g o p te n e m e n , o p we lk e m a n ie r in v u llin g a a n h e t Co n v e n a n t Klim a a t a d a p t ie f Bo u we n g e g ev e n wo r d t . 3 . Ve il ig h e id s r e g io I n d e n ot it ie ‘Ad v is e r in g EV – Ve il ig h e id s r e g io Ha a g la n d e n - in v u llin g v a n d e Ha a g la n d e n ( VRH) a d v ie s r o l b ij r u im t e lij k e p la n n e n ’, v e r s ie 2. 3 v a n 1 1 m e i 2 0 2 1 is d e we r k wij z e ( Ke n m e r k: 2 2 - 0 2 0 3 7 5 4) b e s c h r e v e n v a n d e VRH v o o r d e o n t wik k e lin g e n d ie in h e t k a d e r v a n e x t er n e v e ilig h e id d o o r d e VRH v a n e e n s p e c if ie k a d v ie s wo r d e n v o o r z ie n . De z e n ot it ie is a f g e s t e m d m et d e g e m e e nt e n .
De r e a c t ie is v o o r k e n n is n a m e a a n g e n o m e n . De n ot it ie ‘Ad v is e r in g EV – Ve ilig h e id s r e g io Ha a g la n d e n in v u ll in g v a n d e a d v ie s r o l b ij r u im t e lij k e p la n n e n ’, v e r s ie 2 . 3 v a n 1 1 m e i 2 0 2 1 is a ls b ij la g e b ij d e De o n t wik k e lin g wa a r h e t a d v ie s v e r z o e k b et r e k k in g o p h e e ft , v a lt n ie t o n d e r é é n v a n t o e lic h t in g v a n h e t b e s t emm in g s p la n d e c a t e g o r ie ë n o n t wik k e lin g e n u it d e n o t it ie . I n he t k a d e r v a n e xt e r n e v e ilig h e id z a l o p g e n o m e n . d e o n t wik k e lin g n ie t z o r g e n v o o r e e n s ig n if ic a n t e t o e - o f af n a m e v a n h et h u id ig e r is ic o . I n v er b a n d m e t d e a a n we z ig h e id v a n o n d e r s t a a n d e r is ic o b r o n n e n , wo r d t e c h t e r v e r we z e n n a a r d e n o t it ie . Ris ic o b r o n n e n : • N2 2 3 , g e le g e n o p c ir c a 6 7 0 m et e r t e n n o o r d e n v an h e t p la n g e b ie d . • Ho g e d r u k a a r d g a st r a n s p o rt le id in g W - 5 2 2 - 0 4 - KR-0 0 8 , g e le g e n o p c ir c a 8 5 m e t e r t e n z u id e n v a n h e t p la n g e b ie d .
Vo o r d e a f we g in g o v e r d e e v e nt u e e l t e t r e ff e n m aa t r e g e le n k a n g e b r u ik wo r d e n g e m a a k t v a n d e in d e n o t it ie o p g e n o m e n m a at r e ge le n v o o r : • Tr a n s p o r t g ev a a r lij k e s t of f e n we g – G if t ig e v lo e is t o f f e n