CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan De Driesprong - Toelichting

Gemeenteraad 19 april 2023, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan De Driesprong33.609 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

43

5.3.2

Onderzoek

Ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing van het plan is door Goudappel akoestisch onderzoek naar het te verwachten geluid van wegverkeer uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 13 bijgevoegd. Voor het berekenen van de geluidsbelasting is een geluidsmodel opgesteld met het programma GeoMilieu, versie V2021.1. Dit programma rekent op basis van de Standaardrekenmethode II uit het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder (RMG 2012). Aan de westzijde van de planlocatie ligt de Mariëndijk. Op deze weg geldt deels een 60 km/uur- en deels een 30 km/uur-regime. De Mariëndijk vormt de belangrijkste ontsluitingsroute van 'De Driesprong'. Op de onderstaande afbeelding is een overzicht van de gehanteerde maximumsnelheden.

Afbeelding: Overzicht van de gehanteerde maximumsnelheden Aan de noordzijde van de planlocatie ligt De Driesprong. Deze weg is in de bestaande situatie een 60 km/uur-weg. Voor de plansituatie is ervan uitgegaan dat de bebouwde komgrens komt te liggen op de rand van het plangebied. Binnen de grenzen van het plan krijgt De Driesprong daarmee een wettelijke maximum snelheid van 30 km/uur. Ten zuiden van de planlocatie, op een afstand van circa 200 meter, ligt de Kerkstraat. Dit is de belangrijkste ontsluitingsweg van Kwintsheul. Op de weg geldt ter plaatse van de planlocatie een wettelijke maximum snelheid van 50 km/uur. Binnen het plan is voorzien in een wegenstructuur van 30 km/uur-wegen (woonstraten). In en rond het plangebied is geen sprake van rotondes. Alleen op het kruispunt tussen Mariëndijk Vogelaer zijn verkeerslichten aanwezig. Voor deze locatie is rekening gehouden met een correctie voor het extra optrekken en afremmen van het verkeer. Resultaten Resultaten nieuwe woningen Voor twee nieuwe woningen is een geluidsbelasting berekend van 49 dB ten gevolge van de Mariëndijk. De geluidsbelasting is daarbij 1 dB hoger dan de voorkeursgrenswaarde. Door de maximumsnelheid ook ter hoogte van de nieuwe woningen te verlagen naar 30 km/h is er geen sprake meer van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde.

44

Resultaten bestaande woningen langs de Mariëndijk Voor de bestaande woningen langs de Mariëndijk ten westen van het plangebied (richting de Vogelaer) is een waarneembare geluidstoename te verwachten van circa 4 dB, waarbij de geluidsbelasting op de omliggende woningen in de plansituatie hoger is dan de streefwaarde van 48 dB. Dit als gevolg van het extra verkeer van en naar het plangebied. Door de maximumsnelheid ook op dit deel van de Mariëndijk te verlagen tot 30 km/h, kan de geluidsbelasting gereduceerd worden en is er geen sprake meer van een toename van de geluidsbelasting. Het treffen van maatregelen is geen wettelijke verplichting, maar ter afweging aan het bevoegd gezag. 5.3.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.4

Luchtkwaliteit

Ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing van het plan is door Goudappel het onderzoek naar effecten van de luchtkwaliteit uitgevoerd . Dit onderzoek is als Bijlage 13 bijgevoegd. 5.4.1

Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Geldig

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

60 ìg/m³

2010 t/m 2014

jaargemiddelde concentratie

40 ìg/m³

vanaf 2015

jaargemiddelde concentratie

48 ìg/m³

jaargemiddelde concentratie

40 ìg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m³

fijn stof (PM10)1)

vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing

(volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

45

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 5.4.2

Onderzoek

Analyse maximale planb ijdrage en concentraties Een samenvatting van de resultaten van de NIBM-rekentool is weergegeven in onderstaande afbeelding. Op basis van deze benadering is een maximale bijdrage van het extra verkeer berekend van 0,89 ìg/m3 voor NO2 en 0,21 ìg/m3 voor PM10. Daarbij is een planbijdrage van 1.280 motorvoertuigen per etmaal aangehouden voor een jaargemiddelde weekdag. Dit is circa 10% lager dan de cijfers die bij de analyse van de verkeersaspecten worden gehanteerd. Daarbij wordt namelijk uitgegaan van een situatie die representatief is voor geen gemiddelde werkdag. Uit de analyse blijkt dat geen toenames van de concentraties te verwachten zijn van 1,2 ìg/m3 of hoger en dat geen nader onderzoek nodig is voor het aspect luchtkwaliteit. Het voorgenomen plan draagt dus niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Bij de berekeningen is reeds rekening gehouden met ‘worst case’-uitgangspunten ten aanzien van de omgevingskenmerken. Daarnaast is nog rekening gehouden met extra vrachtverkeer van 2%. In de praktijk betreft het alleen extra verkeer gerelateerd aan de woningen, waarbij in de uiteindelijke plansituatie een enkele vuilnis- of verhuiswagen mogelijk van en naar het plangebied rijdt.

Concentraties NSL-Monitoringstool Op basis van de NSL-Monitoringstool is inzichtelijk gemaakt welke concentraties berekend zijn langs de N468. Dit is de weg met de hoogste verkeersintensiteit in de directe omgeving van het plangebied. De NSL-Monitoringstool wordt door het ministerie gebruikt om te onderzoeken of er in Nederland ook sprake is van normoverschrijdingen voor de luchtkwaliteit. Op basis van de beschikbare gegevens uit de NSL-Monitoringstool (versie 2021) is voor het rekenpunt 15638764 (langs de N468) inzichtelijk gemaakt welke concentraties berekend zijn voor de jaren 2020 en 2030. Naar de toekomst toe worden de concentraties lager door het schoner worden van het wagenpark en de daarmee samenhangende

46

lagere achtergrondconcentraties. In onderstaande afbeelding is een overzicht opgenomen van de situering van het rekenpunt. De concentraties uit de NSL-Monitoringstool zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Afbeelding: overzicht rekenpunten NSL-monitoringstool

Tabel: Overzicht van de b erekende concentraties NSL-Monitoringstool (versie 2021) Uit de analyse blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5. Het project draagt dus niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en in de omgeving is daarnaast geen sprake van overschrijdingen op basis van de NSL-Monitoringstool. 5.4.3

Conclusie

Het plan draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast wordt langs wegen in de omgeving ruimschoots voldaan aan de normen voor de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen plannen.

5.5

Externe veiligheid

5.5.1

Wettelijk kader

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico.

47

Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 5.5.2

Onderzoek

Econsultancy heeft een quickscan externe veiligheid uitgevoerd voor het plangebied. Dit rapportage is als Bijlage 6 bijgevoegd. Met behulp van de risicokaart is er een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van een plangebied gemaakt. Op onderstaand afbeelding is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.

Afbeelding risicobronnen (getallen) in de buurt van het plangebied (geel gemarkeerd) Transport Op ten minste 1,2 kilometer ten noordoosten van het plangebied worden gevaarlijke stoffen vervoerd via de provinciale weg N211 (1). De exacte samenstelling van deze transporten is niet bekend. De Omgevingsdienst Haaglanden geeft aan dat via de N211 geen giftige stoffen worden vervoerd. Gelet op de afstand wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico, heeft het plan geen invloed op het groepsrisico en zijn er geen relevante calamiteitenscenario’s van toepassing. Buisleidingen De grootste inventarisatieafstand voor buisleidingen bedraagt 580 meter, van toepassing op een hogedruk aardgastransportleiding met diameter 48 inch en werkdruk 80 bar. Binnen 580 meter afstand tot het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Het plan wordt daarom niet belemmerd door de aanwezigheid van buisleidingen. Inrichtingen De meest nabijgelegen mogelijk relevante inrichting is gelegen op circa 1,2 kilometer in oostelijke richting (2). Het betreft een gasontvangststation. De richtafstand hiervoor is gelijk aan de hoogste

48

richtafstand van aansluitende leidingen. Er zijn in de omgeving van het plan derhalve geen inrichtingen die het plan belemmeren. 5.5.3

Conclusie

Het plan kan vanuit het aspect externe veiligheid gerealiseerd worden. Wel is het noodzakelijk om de genoemde aspecten onder 'verantwoording groepsrisico' in acht te nemen.

5.6

Niet-gesprongen conventionele explosieven

5.6.1

Wettelijk kader

In het verleden hebben oorlogshandelingen plaatsgevonden binnen de gemeente Westland. Ten gevolge daarvan is er mogelijk sprake van conventionele explosieven (CE) die nog in de grond aanwezig kunnen zijn. Bij de planvorming van projecten waarbij er sprake is van grondroering is het noodzakelijk rekening te houden met de eventuele aanwezigheid van conventionele explosieven. Gemeentelijk b eleid In de gemeente Westland zijn op verschillende plaatsen munitie en explosieven vanuit de Tweede Wereldoorlog gevonden. Er is een gemeentelijke kaart opgesteld met mogelijk verdachte locaties en vindplaatsen van explosieven. In de beleidsnotitie conventionele explosieven in Westland wordt beschreven hoe moet worden omgegaan met dieptewerkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosievenrisicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van dieptewerkzaamheden op bepaalde locaties in Westland. 5.6.2

Onderzoek

Saricon heeft in opdracht van de gemeente Westland een ‘quickscan’ opgesteld voor het project De Driesprong te Kwintsheul. Dit rapport is als Bijlage 7 bijgevoegd. Uit onderzoek blijkt dat in de omgeving van het onderzoeksgebied drie verdachte gebieden liggen (zie afbeelding). Deze gebieden zijn: Verdacht geb ied nummer 69: dit gebied is verdacht vanwege een ‘harde’ melding van een blindganger van een Britse vliegtuigbom. Rond de inslaglocatie is een verdacht gebied van 50 meter bepaald. Dit verdacht gebied ligt ca. 270 meter buiten het onderzoeksgebied en is daarmee niet van invloed op het projectgebied. Verdacht geb ied nummer 70: dit gebied is verdacht vanwege de mogelijke aanwezigheid van een blindganger (niet-ontplofte vliegtuigbom) uit 1940. Op basis van de beschikbare historische informatie kan niet met zekerheid worden vastgesteld of deze blindganger al tijdens de Tweede Wereldoorlog is geruimd. Dit verdacht gebied ligt ruim 65 meter buiten het onderzoeksgebied en is daarmee niet van invloed op het projectgebied. Verdacht geb ied nummer 94: betreft de brug bij de Kerkstraat. Dit gebied is verdacht op vernielingsmiddelen (waaronder brisantgranaten). Dit verdacht gebied ligt ca. 275 meter buiten het onderzoeksgebied en is daarmee niet van invloed op het projectgebied.

49

Afbeelding ligging verdachte geb ieden rondom onderzoeksgebied De Driesprong. 5.6.3

Conclusie

Er kan geconcludeerd worden dat het projectgebied onverdacht is op aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten.

5.7

Ecologie

5.7.1

Wettelijk kader

Algemeen De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het 'Natuurnetwerk Nederland' (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. 2. 3.

soorten van de Vogelrichtlijn; soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora').

De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving.

50

Tijdens een bijeenkomst van het Netwerk Groene Bureau d.d. 16 december 2016 is aangegeven dat drie provincies (Utrecht, Overijssel en Gelderland) de geldende "Aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten" (LNV, 2009) aanhouden en blijven hanteren in de Wet natuurbescherming. De verwachting is dat ook overige provincies deze beschermingsstatus aanhouden. De lijst wordt begin 2017 door de provincies geëvalueerd en waar nodig aangepast. Bij voorliggende toetsing is uitgegaan dat de lijst gehanteerd blijft en dat de nesten een jaarrond beschermde status houden. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1t/m4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5). Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal vogelsoorten, indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt.

Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden. Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wnb, zie ook Bijlage tabel C en D van voorliggende rapportage. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren, opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren.

Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Met betrekking tot de 'andere soorten' zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. De grond waarop deze vrijstelling geldt verschilt per provincie en hoeft dus niet in alle situaties van toepassing te zijn. Vrijstelling op basis van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling is een geldige reden in alle provincies. Indien bij het voornemen gestelde verboden in artikel 3.1, 3,5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie. Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en / of Vogelrichtlijn. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Een activiteit mag niet leiden tot significant negatieve effecten op deze doelen of tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken.

Indien op voorhand significante effecten niet uitgesloten kunnen worden dient een passende beoordeling opgesteld te worden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden; de Natura 2000-gebieden maken daar deel van uit. Naast de Natura 2000-gebieden bevat het NNN ook overige leefgebieden van soorten en - om isolatie te voorkomen - gebieden die een verbinding vormen tussen

51

natuurgebieden. Het NNN is onderdeel van het actieve beleid om bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. De natuurgebieden die behoren tot het NNN en hun functies worden planologisch beschermd, hier geldt het 'nee, tenzij'- principe. De planologische bescherming betekent in het kort dat geen nieuwe bestemmingen worden toegestaan die per saldo leiden tot een significante aantasting van de oppervlakte, de kwaliteit en de samenhang van het NNN. Hieraan wordt getoetst bij de verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 5.7.2

Onderzoek

Voor het plangebied heeft Econsultancy een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 8 bijgevoegd. Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Vogels Broedvogels (nesten jaarrond b eschermd) Gezien de aanwezigheid van dakpannen, kwetterplaatsen en de mogelijkheid tot het nemen van stofbaden rond woning 1 van het onderzoeksgebied zou de woning een geschikte verblijfplaats kunnen zijn voor de huismus. Nader onderzoek naar de huismus rond woning 1 wordt daarom noodzakelijk geacht. De aanwezigheid van andere soorten broedvogels kan worden uitgesloten in het plangebied. Broedvogels categorie 5 (nesten soms jaarrond beschermd) Tijdens het veldbezoek zijn drie nesten van de boerenzwaluw aangetroffen. Door de aanwezigheid van, voor de boerenzwaluw geschikte alternatieven, zoals boerderijen en schuren in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, is het werken buiten het broedseizoen in dit geval voldoende om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Wel worden aanvullende maatregelen geadviseerd als extra uitwijkmogelijkheden voor de boerenzwaluw. Andere soorten broedvogels categorie 5 zijn niet aangetroffen.

Overige broedvogels De beplanting en hopen met tuinafval op de onderzoekslocatie kunnen nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de merel, winterkoning, roodborst of heggemus. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Vleermuizen Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger zijn soorten die als gebouw bewonend worden beschouwd en komen voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Bij de sloop van woning 1 kan daarom sprake zijn van verstoring en vernietiging ten aanzien van een vaste rustof voortplantingsplaats van desbetreffende soorten. Verblijfplaatsen b uiten de onderzoekslocatie Eventuele verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie ondervinden door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep, geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie. Foerageerhabitat De plannen zullen geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Vliegroutes Verstoring van een essentiële vliegroute kan op voorhand worden uitgesloten.

52

Overige zoogdieren Streng beschermde soorten De aanwezigheid van streng beschermde soorten in het plangebied kan worden uitgesloten. Licht beschermde soorten Tijdens het veldbezoek zijn enkele muizenholen waargenomen. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen worden vergraven. Ook zouden de hopen met tuinafval en puin een geschikte overwinteringsplek kunnen vormen voor de egel. Voor algemeen voorkomende soorten, zoals de veldmuis, rosse woelmuis en egel geldt in de provincie Zuid-Holland een algehele vrijstelling, mits de zorgplicht in acht genomen wordt. Reptielen, amfibieën en vissen Beschermde reptielen zijn niet aanwezig in het plangebied. De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. De sloten die zich verspreid over de onderzoekslocatie bevinden kunnen onderkomen bieden aan beide soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigte en onder de takkenhopen. Indien deze algemene amfibiesoorten aanwezig zijn tijdens de voorgenomen werkzaamheden, kunnen negatieve gevolgen voor hen ontstaan gedurende de activiteiten (verwijderen van groen, vergraven van hieronder aanwezige grond). Het is hierdoor zaak om aandacht te schenken aan de algemene zorgplicht.

Vanwege de afwezigheid van geschikte voortplantingswateren en vergraafbare bodem kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie fungeert als landhabitat voor de rugstreeppad. Wel is het zaak om te zorgen dat de onderzoekslocatie tijdens de bouw, wanneer mogelijk zanddepots en tijdelijke wateren aanwezig zijn op de bouwplaats, niet bereikt kan worden door de rugstreeppad. Op de onderzoekslocatie zullen er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming te verwachten zijn met betrekking tot beschermde vissoorten. Wel moet bij het aantasten van de sloten rekening gehouden worden met het voorkomen van in Nederland algemeen voorkomende soorten zoals de blankvoorn, waardoor de zorgplicht in acht moet worden genomen. Ongewervelden en vaatplanten De aanwezigheid van beschermde soorten, libellen, vlinders en overige soorten kan worden uitgesloten in het plangebied. Ook zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Gebiedsbescherming Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk.

De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 250 meter ten oosten van de onderzoekslocatie. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De mogelijk te vellen bomen op de onderzoekslocatie vormen geen beschermde houtopstanden aangezien ze binnen de bebouwde kom staan en omdat de opstanden kleiner zijn dan 10 are of uit minder dan 21 bomen in een rij bestaan. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht. Wel wordt geadviseerd om bij de gemeente navraag te doen over de eventuele noodzaak voor een kap- of omgevingsvergunning.

53

Onderzoek stikstofdepositie Met betrekking tot Natura-2000 gebieden zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Hierdoor is er door BK Bouw & milieuadvies een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd aan de bijlage als Bijlage 9. In onderstaande afbeelding, zijn de nabij gelegen Natura 2000-gebieden weergegeven. De volgende gebieden zijn in de directe omgeving van het planvoornemen gelegen: Het Solleveld & Kapittelduinen op circa 4.025 m. Overigens wordt in de AERIUS-berekening de invloed op alle stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden beschouwd / berekend.

Afbeelding afstand Natura 2000 tot het planvoornemen (bron: QGis 2022) Voor het berekenen van de stikstofdepositie op de relevante Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied, is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator versie 2021. In de berekeningen zijn de emissies van NOx en NH 3 van de relevante bronnen meegenomen. Het gaat hierbij om de verkeersgeneratie ten gevolge van de nieuwe situatie (en eventuele andere relevante bronnen). In de toekomstige situatie is de locatie bestemd voor wonen. Om de toekomstige stikstofdepositie te bepalen is onderstaand weergegeven welke NOX uitstoot (stikstofoxiden) te verwachten is door de realisatie van het plan-voornemen. Verwarming Aangezien het project aardgasloos wordt uitgevoerd, kan gesteld worden er geen NOX uitstoot wordt veroorzaakt door CV-installaties. Daarnaast zijn op dit moment in de schetsontwerpen, geen open-haarden, hout- of pallets-kachels toegepast. Verkeersaantrekkende werking Voor het bepalen van de rittenberekening is gebruik gemaakt van het uitgevoerde verkeersonderzoek. Dit verkeersonderzoek is uitgevoerd voor het bestemmingsplan (voorontwerp bestemmingsplan, dd. 01-06-2021). Hieruit blijkt dat er sprake is van een totale toename van 1400 verkeersbewegingen. Vanuit

54

een worst-case benadering gekozen is voor 10% extra vrachtverkeer. Gezien de route en doorrij snelheid is er geen sprake van stagnatie en is dit niet gemodelleerd. Bovenstaande is ingevoerd in de Aerius Calculator. Waarbij gekozen is om de verkeersontsluiting te modeleren via meerdere ontsluitingswegen tot N466. De volledige en de locatie van de ontsluitingswegen is opgenomen in de PDF-bijlage van de Aerius-berekening (Bijlage 10). AERIUS Calculator berekent zelf de emissie op basis van de ingetekende rijlijnen. Het wegverkeer is gemodelleerd als ‘verkeer binnen de bebouwde kom’, zonder geluidschermen of tunnelfactor. Bovenstaande is opgenomen in de Aerius calculator, hieruit blijkt dat er in de gebruiksfase een NOX uitstoot optreedt van 73,0 kg per jaar. Conclusie stikstof onderzoek geb ruiksfase In de vorige hoofdstukken is een analyse uitgevoerd naar de stikstofdepositie. Hieruit blijkt dat de NOX uitstoot in de toekomstige gebruiksfase 73,0 kg bedraagt. De berekening met de Aerius calculator laat zien dat in gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk geen rekenresultaten, hoger dan 0,00 mol/ha/j. Voor dit plan is geen vergunning noodzakelijk voor de Wet natuurbescherming. Aanlegfase Voor ontwikkelingen is inzicht noodzakelijk in de stikstofdepositie in de aanlegfase van het project.

Hierdoor is door Equipe adviseurs een stikstof berekening voor de aanlegfase uitgevoerd. Dit rapport is toegevoegd als Bijlage 11. Om het planvoornemen te kunnen realiseren zijn er bouwwerkzaamheden noodzakelijk. Daarbij wordt gebruik gemaakt van machines en zal er de nodige verkeersaantrekkende werking zijn van het bouwverkeer. Daarmee is de aanlegfase aan te merken als stikstofbron voor de omgeving en de omliggende Natura-2000 gebieden voor een periode van circa 1 jaar uitgaande van het maatgevende bouwjaar. Vanuit een worst-case benadering is de aanlegfase doorgerekend. Hierbij is uitgegaan van de gegevens in bijlage 1 van het rapport. Deze gegevens en uitgangspunten zijn gebaseerd op de volgende bronnen en/of uitgangspunten: de Invoerinstructie Aerius 2021 versie 1.1; het brandstofverbruik is afgeleid op basis van het onderzoek van Ligterink et al, 2021. Hierbij is om de NOx uitstoot niet hoger dan 0,00 mol/ha/j uit te laten komen ervan uitgegaan dat de bouwkraan, mobiele kraan, hoogwerker en overige materialen in Bijlage 1 elektrisch zijn en daarmee niet bijdragen aan de uitstoot; het vermogen en bouwjaar is gebaseerd op expert judgement van de specialisten van Equipe Adviseurs en de aangeleverde gegevens van de opdrachtgever; gemiddelde belasting van de mobiele machines bedraagt 35%.

De emissies van de mobiele werktuigen zijn gemodelleerd als een oppervlaktebron met de contouren van het projectgebied. Het totaal aan vrachtwagen- en personenbus bewegingen (gemiddeld 10 resp. 20 bewegingen per dag uitgaande van een bouwfase van 1 jaar) zijn in AERIUS als wegverkeer gemodelleerd totdat deze “opgaan in het heersend verkeersbeeld”. Volledigheidshalve wordt voor vrachtverkeer een stagnatielijn ingetekend met 100% file voor het aankomende vrachtverkeer. Vertrekkend vrachtverkeer kan onbelemmerd vertrekken en heeft geen stagnatie. Bovenstaande is opgenomen in de Aerius berekening, hieruit blijkt volgens Aerius calculator dat er een NOx uitstoot optreedt van 89,5 kg/J. Intern salderen Gezien de locatie kan gebruik gemaakt worden van intern salderen. Hierbij gaan we uit van de stikstofuitstoot in de huidige situatie van 1.004 kg/ha/j voor kassencomplex (emissiewaarden AERIUS 2018). Met de huidige kassencomplexen van circa 25.550 m 2 is in de referentiesituatie sprake van een NOx uitstoot van 25.653 kg/j. Conclusie stikstof aanlegfase

55

Bovenstaand is een analyse en een berekening uitgevoerd naar de mogelijke stikstofdepositie. Hieruit blijkt dat de NOx uitstoot in de aanlegfase 184,9 kg/j bedraagt in plaats van 25.653 kg/j in de huidige situatie. Vanwege het intern salderen is er daarom een sterke afname van stikstofdepositie en is er geen toename van stikstof.

Nader onderzoek Ecologie Voor het plangebied heeft Econsultancy een nader onderzoek Ecologie uitgevoerd, naar de Huismus en Vleermuizen. Dit rapport is als Bijlage 12. Huismus Broedlocaties Op de onderzoekslocatie zijn geen broedlocaties van de huismus of andere elementen met een beschermde functie voor de huismus waargenomen. Het is uitgesloten dat de onderzoekslocatie fungeert als broedlocatie of leefgebied. Wel zijn buiten de onderzoekslocatie 17 broedlocaties van de huismus aangetroffen. Het betreft de bebouwing op de adressen Mariëndijk 115 (5 nesten), Mariëndijk 117 (1 nest), Mariëndijk 121 (1 nest), De Driesprong 29A (1 nest), De Driesprong 27 (1 nest), De Driesprong 22 (1 nest), De Driesprong 18 (4 nesten) en De Driesprong 2 (3 nesten). Twee van de huismusnesten in de bebouwing van De Driesprong 18 bevinden zich in of tegen de oostelijke gevel. Deze nesten bevinden zich op een afstand van minder dan 3 meter tot de planlocatie. Vanwege de onderlinge afstand tussen deze broedlocaties en de planlocatie, is niet op voorhand uit te sluiten dat de voorgenomen werkzaamheden broedende huismussen zullen verstoren. Echter, overtredingen van de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen.

Er wordt geadviseerd om de werkzaamheden rond De Driesprong 18 buiten het broedseizoen van de huismus uit te voeren indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden op een afstand van 3 meter tot de oostelijke gevel van de bebouwing uit te voeren De overige nesten bevinden zich alle op een afstand van meer dan 5 meter tot de planlocatie. Voor deze broedlocaties is het derhalve uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden verstorend zullen werken voor broedende huismussen. Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming met betrekking tot broedlocaties van de huismus worden niet benodigd geacht. Functioneel leefgebied Hoewel op en rond de planlocatie kwetterplekken zijn aangetroffen, maakt de planlocatie geen onderdeel uit van het functionele leefgebied van de huismus. Huismussen hebben binnen de grenzen van de planlocatie geen mogelijkheden om te stofbaden. Tevens zijn in de directe omgeving van de planlocatie voldoende groene elementen aanwezig die als sociale-/kwetterplek kunnen fungeren. Derhalve zijn de twee kwetterplekken op de planlocatie geen essentiële kwetterplekken. De kwetterplekken buiten de planlocatie zullen geen verstoring ondervinden van de voorgenomen werkzaamheden omdat deze voldoende ver verwijderd zijn van de planlocatie.

Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming met betrekking tot het functionele leefgebied van de huismus worden niet benodigd geacht. Vleermuizen Paar-/baltsverblijfplaatsen Het onderzoek naar paar-/baltsverblijfplaatsen is uitgevoerd op 20 augustus 2021 en 10 september 2021. Tijdens de veldbezoeken zijn geen paar-/baltsverblijven aangetroffen. Derhalve is de aanwezigheid van paar-/baltsverblijfplaats op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Wel is een paarterritorium van de gewone dwergvleermuis vastgesteld rond de bebouwing van de Karper 1-49. Vanwege de onderlinge afstand met de planlocatie (circa 12 meter) zal het paarterritorium geen verstoring ondervinden door de voorgenomen werkzaamheden. Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming met betrekking tot paar-baltsverblijfplaatsen en paarterritoria worden niet benodigd geacht. Zomer- en kraamverblijfplaatsen Het onderzoek naar zomer- en kraamverblijfplaatsen is uitgevoerd op 16 mei 2022, 10 juni 2022 en 17 juni 2022. Op 17 juni is een invliegende gewone dwergvleermuis waargenomen om 04:52 uur. De gewone dwergvleermuis vloog in onder de nokpan van de zuidwestelijke gevel. De woning op het adres van de Mariëndijk 125 fungeert als zomerverblijfplaats voor één individu van de gewone dwergvleermuis.

56

Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming worden benodigd geacht. Bij de herontwikkeling kunnen in de woning verblijvende vleermuizen door de werkzaamheden rondom de woning verstoord en weggejaagd worden. Bij het wegjagen van een vleermuis als gevolg van de herontwikkeling is sprake van voorwaardelijke opzet en is het artikel van kracht. Handelingen zullen verricht moeten worden die specifiek bedoeld zijn om dieren te verstoren. Hiervoor is een ontheffing benodigd. Foerageergebied Op en rond de onderzoekslocatie zijn een aantal foeragerende vleermuizen waargenomen. Het betreft minstens 3 gewone dwergvleermuizen, 2 ruige dwergvleermuizen en 2 rosse vleermuizen. Deze vleermuizen foerageerden langs de Mariëndijk, boven de woning op de onderzoekslocatie en boven de kassen aan weerszijden van de Mariëndijk. Het foerageergebied op en rond de onderzoekslocatie zijn geen essentiële foerageergebieden. In dit gebied is op gras, struikgewas, knotwilgen en een dennenboom na geen vegetatie aanwezig. Meer vegetatie en geschikter foerageergebied is aanwezig in de vorm van verschillende soorten bomen is ten noordwesten van de onderzoekslocatie, bijvoorbeeld rond de Mariëndijk 115. Het waterlichaam tussen de Blankvoorn en Riviergrondel vormt ook geschikt foerageergebied.

Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming met betrekking tot foerageergebieden worden niet benodigd geacht. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De kassen op en rond het plangebied kunnen potentieel als vliegroute functioneren. Echter, tijdens de veldbezoeken zijn geen vliegroutes aangetoond. Daarnaast zijn in de directe omgeving voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van sloten, lanen en kassen. Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vliegroutes worden niet benodigd geacht. Conclusie nader onderzoek Ecologie Om overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de huismus als gevolg van de werkzaamheden te voorkomen, wordt geadviseerd om de werkzaamheden rond De Driesprong 18 buiten het broedseizoen van de huismus uit te voeren indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden op een afstand van 3 meter tot de broedlocaties uit te voeren. De overige werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden zonder verdere maatregelen te treffen ten aanzien van de huismus. Bij de herontwikkeling is het verstoren van de aangetroffen zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis niet te voorkomen.

Derhalve dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Hiervoor dient een activiteitenplan opgesteld te worden.

5.7.3

Conclusie

De onderzoekslocatie bevat (potentiële) nestgelegenheden voor algemene broedvogels. Overtredingen kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen begin maart en september) uit te voeren. Wel wordt geadviseerd om, bij het verwijderen van de aanwezige boerenzwaluwnesten, voor compensatie te zorgen door middel van het plaatsen van voor deze soort geschikte nestkasten. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden. Het onderzoeksbureau adviseert om de maatregelen ten aanzien van de rugstreeppad vast te laten leggen in een ecologisch werkprotocol. Er dient met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren, vissen en amfibieën rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen. Extra aandacht is vereist bij het vergraven van holen, het verwijderen van de aanwezige hopen met tuinafval en bij het dempen van sloten. Uit het nadere onderzoek Ecologie blijkt ten aanzien van de Huismus dat er geen ontheffing nodig is doordat er mitigerende maatregelen genomen kunnen worden. Verder blijkt dat er ten aanzien van de gewone dwergvleermuis door de herontwikkeling de zomerverblijfplaats verstoord wordt, Derhalve dient

57

een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden bij de Omgevingsdienst Haaglanden.

5.8

Bodem

5.8.1

Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. b. c.

het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 5.8.2

Onderzoek

Het plangebied behoort van oorsprong tot het klei-op-veengebied van de Gantel. Het behoort tot het boezemland tussen de Mariëndijk en de Gantel. Vanaf de 19e eeuw zijn in het Westland ingrijpende grondbewerkingen en grondverbeteringen uitgevoerd. Niet alle aanwezige zand- en kleigronden in het Westland waren geschikt voor tuinbouw. Door het afgraven van hoger gelegen zandgronden tot nabij het grondwater, werden goede tuingronden verkregen. Het zand werd gebruikt voor het ophogen van de laag liggende natte kleigronden, het zogenoemde opvaren. De gronden van het plangebied zijn tussen de 40 cm en 70 cm opgevaren. Bij de gemeente is geen bodemdaling in het gebied bekend. Dat lijkt vanuit de bodemgesteldheid ook logisch omdat al bij de aanleg van de Mariëndijk (15e eeuw) werd geconstateerd dat ter plaatse van De Wilde Zee sprake was van stabiele grond. De dijk eindigt hier in het hogere land. Bodemonderzoeken Binnen het plangebied zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. In opdracht van Van Mierlo Planontwikkeling B.V. is door Ingenieursbureau Mol op de onderstaande locaties een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd gebaseerd op de NEN 5740/A1 en een verkennend asbest in grond onderzoek uitgevoerd gebaseerd op de NEN 5707+C1/C2. De bodemonderzoeken zijn toegevoegd in Bijlage 14 tot en met Bijlage 24.

Dit betreft de volgende onderzoeken: Driesprong 22, Verkennend bodemonderzoek (Mol, A4209_LOC_A) (Bijlage 14) Driesprong 22, Rapportage Asbestinventarisatie van een tuinbouwbedrijf (Bijlage 15) Asfalt- en funderingsonderzoek Driesprong (locatie A) Kwintsheul (Bijlage 16) Driesprong 12 a en 12b, Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek (Mol, A4209-LOC.-B) (Bijlage 17) Mariëndijk 125, Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek (Mol,A4209_LOC._C) (Bijlage 18)

58

Asfalt- en funderingsonderzoek Mariëndijk Kwintsheul (Bijlage 19) Asfalt- en funderingsonderzoek Driesprong (locatie C) Kwintsheul (Bijlage 20) Driesprong 26, Verkennend bodemonderzoek (Mol,A4209_LOC.D) (Bijlage 21) Driesprong 26, Verkennend bodemonderzoek aanvullend woning (Bijlage 22) Driesprong 23, Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek (Mol, A4209_LOC._E) (Bijlage 23) Diverse percelen Nader bodemonderzoek (Bijlage 24)

5.8.3

Conclusie

De conclusies per deelgebied luiden als volgt: Deelgebied A Driesprong 22 Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Gehele locatie De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, kwik, lood, zink, minerale olie, hexachloorbenzeen, DDE, DDD en drins; De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters; Het grondwater is matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met barium, molybdeen en zink. De hypothese onverdacht voor bodemverontreiniging dient te worden verworpen, aangezien in de grond en het grondwater licht verhoogde gehalten van enkele stoffen zijn aangetoond. Echter de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het instellen van verder onderzoek. De resultaten benaderen geenszins de toetswaarde voor nader onderzoek. De matige verontreiniging met nikkel in het grondwater wordt toegeschreven aan een van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Het verricht van aanvullend onderzoek wordt niet zinvol geacht. De onderzoeksresultaten geven voor de volgende deellocaties geen aanleiding tot het instellen van verder onderzoek.

De resultaten benaderen geenszins de toetswaarde voor nader onderzoek: Deellocatie bovengrondse olietank Deellocatie bestrijdingsmiddelenkast Deellocatie aanmaakplaats meststoffen De bovengrond is matig verontreinigd met lood en licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, zink, PAK, alfa-HCH, beta-HCH, gamma-HCH, DDE, DDD, DDT en drins; Na uitsplitsing blijkt de bovengrond ter plaatse van boring 103 matig verontreinigd met lood; Het grondwater is matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met arseen, barium en molybdeen. De hypothese verdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging met zware metalen, en OCB wordt bevestigd. De grond is plaatselijk matig verontreinigd met lood en de grond is verder licht verontreinigd met zware metalen en OCB. Deze verontreiniging worden toegeschreven aan het gebruik van de locatie, aanmaakplaats voor meststoffen. De onderzoeksresultaten overschrijden de toetswaarde voor nader onderzoek. De matige verontreiniging met nikkel in het grondwater wordt toegeschreven aan een van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Het verricht van aanvullend onderzoek wordt niet zinvol geacht.

Deellocatie spuitbak De bovengrond is matig verontreinigd met lood en DDT en licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, zink, PAK, hexachloorbenzeen, beta-HCH, gamma-HCH, DDE, DDD en drins; Na uitsplitsing blijkt de bovengrond ter plaatse van de boringen 301, 302 en 303 sterk verontreinigd met DDT. De bovengrond ter plaatse van boring 302 is matig verontreinigd met DDE en de bovengrond ter plaatse van boring 303 is matig verontreinigd met lood en DDE; Het grondwater is licht verontreinigd met arseen en barium.

59

De hypothese verdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging met zware metalen, en OCB wordt bevestigd. De grond is sterk verontreinigd met DDT en plaatselijk matig verontreinigd met lood en DDE. De grond is verder licht verontreinigd met zware metalen en OCB. Deze verontreiniging worden toegeschreven aan het gebruik van de locatie, spuitbak. De onderzoeksresultaten overschrijden de toetswaarde voor nader onderzoek. Vanuit milieuhygienisch oogpunt worden bezwaren verwacht voor het verstrekken van een omgevingsvergunning. Opgemerkt wordt dat indien bijvoorbeeld bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt die niet ter plaatse kan worden hergebruikt er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik. Driesprong 22, Rapportage Asbestinventarisatie De volgende asbesthoudende / asbestverdachte toepassingen zijn aangetroffen: Teeltruimte 1 Kaskit op gevelroeden Bron1; Kaskit op voetrand Bron2. Teeltruimte 2 Kaskit op gevelroeden Bron1; Kaskit op goot Bron3. Bedrijfsruimte 1 Kaskit op voetrand Bron2. Bedrijfsruimte 2 Kaskit op gevelroeden Bron1. Tijdens het onderzoek zijn geen bronnen geregistreerd die geen asbest bleken te bevatten. Asfalt- en funderingsonderzoek Driesprong (locatie A) Kwintsheul Uit de analyseresultaten van Eurofins Analytico B.V. blijkt dat er geen lagen aanwezig zijn met een PAK waarde boven de 250 mg/kg ds.

Uit de analyseresultaten blijkt dat mengmonster (MM1) onder de norm van 75 mg/kg ds valt. Op basis van de geanalyseerde parameters PAK 10 van VROM, som PCB’s, minerale olie blijkt dat mengmonster (MM1A) indicatief voldoet aan het Besluit bodemkwaliteit. Het materiaal kan verwerkt worden door een daarvoor gecertificeerde puinbreker. Het onderzoek is niet uitgevoerd in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Tijdens het onderzoek is visueel geen asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen in het funderingsmateriaal. Het onderzoek is niet representatief in het kader van de NEN 5897. Dit betreft een indicatief fundatieonderzoek betreft. Analyse en toetsing zijn niet uitgevoerd conform de regelgeving zoals genoemd in het Besluit bodemkwaliteit, derhalve is hergebruik elders gebonden aan regelgeving zoals opgesteld door plaatselijk bevoegd gezag. Driesprong 12 a en 12b, Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Gehele locatie: De plaatselijk aangetroffen puin- en koolashoudende bovengrond is sterk verontreinigd met lood en licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, nikkel, zink, PAK, hexachloorbenzeen, beta-HCH, gamma-HCH, DDE, DDD en drins; De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, kwik, lood, zink, minerale olie, PCB, PAK, DDE, DDD en drins;

60

De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters; Het grondwater is sterk verontreinigd met arseen, cadmium en nikkel, matig verontreinigd met kobalt en koper en is licht verontreinigd met barium, molybdeen en zink; De zwak puinhoudende bovengrond is niet verontreinigd met asbest. De hypothese verdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging met zware metalen, PAK en minerale olie wordt bevestigd. In de grond en het grondwater zijn sterk tot licht verhoogde gehalten van enkele stoffen aangetoond. De onderzoeksresultaten overschrijden de toetswaarde voor nader onderzoek. De sterke verontreiniging met arseen, cadmium en nikkel in het grondwater wordt toegeschreven aan een van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Het verricht van aanvullend onderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van het uitgevoerde verkennend asbest in grond onderzoek blijkt dat de locatie niet meer verdacht is op de aanwezigheid van asbest. De onderzoeksresultaten geven voor de volgende deellocaties geen aanleiding tot het instellen van verder onderzoek.

De resultaten benaderen geenszins de toetswaarde voor nader onderzoek: Deellocatie voormalige olietank Deellocatie voormalig ketelhuis en voormalige olietank 2 Deellocatie aanmaakplaats en opslag meststoffen Deellocatie bestrijdingsmiddelenkast Deellocatie aggregaat met opslag dieseltank in aggregaat Deellocatie gedempte sloot Deellocatie voormalig ketelhuis en voormalige olietank 1: De ondergrond is matig verontreinigd met minerale olie; Het grondwater is licht verontreinigd met minerale olie en niet verontreinigd met aromaten. De hypothese verdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging met minerale olie wordt bevestigd. In de grond en het grondwater zijn licht tot matig verhoogde gehalten minerale olie aangetoond. De onderzoeksresultaten geven aanleiding tot het instellen van verder onderzoek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt worden er bezwaren verwacht voor het verstrekken van een omgevingsvergunning en de voorgenomen herinrichting. Opgemerkt wordt dat indien bijvoorbeeld bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt die niet ter plaatse kan worden hergebruikt er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik.

Mariëndijk 125, Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Gehele locatie: De zwak puinhoudende en zwak koolashoudende bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium, kwik, lood, zink, PAK, DDD en drins; De bovengrond is licht verontreinigd met kwik, DDD en drins; De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters; Het grondwater is sterk verontreinigd met arseen en nikkel en is licht verontreinigd met arseen, barium en molybdeen; De zwak puinhoudende bovengrond is niet verontreinigd met asbest. De hypothese verdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging met zware metalen, PAK en minerale olie wordt bevestigd. In de grond en het grondwater zijn licht verhoogde gehalten van enkele stoffen aangetoond. Echter de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het instellen van verder onderzoek. De resultaten benaderen geenszins de toetswaarde voor nader onderzoek. De sterke verontreiniging met arseen en nikkel in het grondwater wordt toegeschreven aan een van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Het verricht van aanvullend onderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van het uitgevoerde verkennend asbest in grond onderzoek blijkt dat de locatie niet meer verdacht is op de aanwezigheid van asbest.

De onderzoeksresultaten geven voor de volgende deellocaties geen aanleiding tot het instellen van

61

verder onderzoek. De resultaten benaderen geenszins de toetswaarde voor nader onderzoek: Deellocatie bestrijdingsmiddelenkast Deellocatie mengbakken: Vanuit milieuhygiënisch oogpunt worden geen bezwaren verwacht voor het verstrekken van een omgevingsvergunning en de voorgenomen herinrichting. Opgemerkt wordt dat indien bijvoorbeeld bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt die niet ter plaatse kan worden hergebruikt er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik. Asfalt- en funderingsonderzoek Mariëndijk Kwintsheul en Asfalt- en funderingsonderzoek Driesprong (locatie C) Kwintsheul Uit de analyseresultaten van Eurofins Analytico B.V. blijkt dat er geen lagen aanwezig zijn met een PAK waarde boven de 250 mg/kg ds. Uit de analyseresultaten blijkt dat mengmonster (MM8) onder de norm van 75 mg/kg ds valt. Op basis van de geanalyseerde parameters PAK 10 van VROM, som PCB’s, minerale olie blijkt dat mengmonster indicatief voldoet aan het Besluit bodemkwaliteit. Het materiaal kan verwerkt worden door een daarvoor gecertificeerde puinbreker. Het onderzoek is niet uitgevoerd in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Hergebruik elders is, op basis van dit rapport, niet toegestaan. Tijdens het onderzoek is visueel geen asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen in het funderingsmateriaal. Het onderzoek is niet representatief in het kader van de NEN 5897.

Dit betreft een indicatief fundatieonderzoek betreft. Analyse en toetsing zijn niet uitgevoerd conform de regelgeving zoals genoemd in het Besluit bodemkwaliteit, derhalve is hergebruik elders gebonden aan regelgeving zoals opgesteld door plaatselijk bevoegd gezag. Driesprong 26, Verkennend bodemonderzoek De onderzoeksresultaten geven voor de volgende deellocaties geen aanleiding tot het instellen van verder onderzoek. De resultaten benaderen geenszins de toetswaarde voor nader onderzoek: Gehele locatie Deellocatie hobbykas Vanuit milieuhygiënisch oogpunt worden geen bezwaren verwacht voor het verstrekken van een omgevingsvergunning en de voorgenomen herinrichting. Opgemerkt wordt dat indien bijvoorbeeld bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt die niet ter plaatse kan worden hergebruikt er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik. Driesprong 26, Verkennend bodemonderzoek aanvullend woning Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: De zwak koolashoudende bovengrond is plaatselijk matig verontreinigd met zink en licht verontreinigd met koper, kwik, lood, hexachloorbenzeen en drins; De zintuiglijk schone bovengrond is licht verontreinigd met kwik, lood, zink, PAK en drins; De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters; Het grondwater is licht verontreinigd met barium.

De hypothese verdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging wordt bevestigd. De grond is plaatselijk matig verontreinigd met zink en licht verontreinigd met zware metalen en bestrijdingsmiddelen. De onderzoeksresultaten geven aanleiding tot het instellen van verder onderzoek. De resultaten overschrijden de toetswaarde voor nader onderzoek. Vanuit milieuhygienisch oogpunt worden bezwaren verwacht voor het verstrekken van een omgevingsvergunning. Opgemerkt wordt dat indien bijvoorbeeld bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt die niet ter plaatse kan worden hergebruikt er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik. Driesprong 23, Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek

62

Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Gehele locatie De bovengrond op het zuidelijk deel is licht verontreinigd met kwik, lood, zink, hexachloorbenzeen, beta-HCH, heptachloorepoxide, DDD, chloordaan en drins; De bovengrond op het noordelijk deel is licht verontreinigd met kwik, lood, zink, minerale olie, PAK, hexachloorbenzeen, heptachloorepoxide, DDD, chloordaan en drins; De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met drins; Het grondwater is matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met arseen, barium en molybdeen; De zwak puinhoudende bovengrond is niet verontreinigd met asbest. De hypothese onverdacht voor bodemverontreiniging dient te worden verworpen, aangezien in de grond en het grondwater licht verhoogde gehalten van enkele stoffen zijn aangetoond. Echter de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het instellen van verder onderzoek. De resultaten benaderen geenszins de toetswaarde voor nader onderzoek. De matige verontreiniging met nikkel in het grondwater wordt toegeschreven aan een van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Het verricht van aanvullend onderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van het uitgevoerde verkennend asbest in grond onderzoek blijkt dat de locatie niet meer verdacht is op de aanwezigheid van asbest.

Deellocatie bestrijdingsmiddelenkast De bovengrond is licht verontreinigd met kwik en drins; Het grondwater is sterk verontreinigd met arseen en licht verontreinigd met barium, molybdeen en nikkel. De hypothese verdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging met zware metalen en bestrijdingsmiddelen wordt bevestigd. De grond is licht verontreinigd met kwik en drins en het grondwater is sterk tot licht verontreinigd met zware metalen. De sterke verontreiniging met arseen in het grondwater wordt toegeschreven aan een van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Het verricht van aanvullend onderzoek wordt niet zinvol geacht. Deellocatie aanmaakplaats meststoffen De bovengrond is licht verontreinigd met kwik, lood, zink, molybdeen, PAK, hexachloorbenzeen en drins; Het grondwater is sterk verontreinigd met nikkel, matig verontreinigd met arseen en licht verontreinigd met barium, molybdeen en koper. De hypothese verdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging met zware metalen en bestrijdingsmiddelen wordt bevestigd. De grond is licht verontreinigd met kwik, lood, zink, molybdeen, PAK, hexachloorbenzeen en drins en het grondwater is sterk tot licht verontreinigd met zware metalen. De sterke verontreiniging met nikkel en de matige verontreiniging met arseen in het grondwater wordt toegeschreven aan een van nature verhoogde achtergrondconcentratie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=009d6943-3164-43d4-87c2-83daad3309f9